2022-04-01 | BWBR0003833 | Besluit trekkende bevolking WPO

This commit is contained in:
Coornhert 2022-04-01 12:00:00 +00:00
parent 00b59b2a75
commit 5877199d0d

View file

@ -22,25 +22,15 @@ In dit besluit wordt verstaan onder:
*schooljaar*: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend voor zover in dit besluit niet anders is bepaald.
*leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond*:
leerling:
a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep,
b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije,
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk,
d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000,
e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;
### Artikel A 2
**1.** Artikel 4 van de wet is niet van toepassing op een school als bedoeld in dit besluit. Artikel 2 van de wet is niet van toepassing op de school, bedoeld in titel C van dit besluit.
**2.** De artikelen 8, 10 tot en met 16, behoudens de in artikel 13 bedoelde algemene maatregel van bestuur, 29 tot en met 37, 38a, 40, eerste, tweede en negende tot en met elfde lid, 44b, 41, 42, 44, 45a, 50 tot en met 64, 66, 67, 123, tweede lid, 126 tot en met 131, 138, 163a, 164, 171 tot en met 176j, 177, 178, 178a, 178e, 182 tot en met 184a, 186 en 187 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing. Voorts zijn het Kaderbesluit rechtspositie PO en het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO van overeenkomstige toepassing.
**2.** De artikelen 8, 10 tot en met 16, behoudens de in artikel 13 bedoelde algemene maatregel van bestuur, 29 tot en met 36, 38a, 40, eerste, tweede en negende tot en met elfde lid, 40b, 41, 42, 45a, 50 tot en met 63, 66, 67, 69, zesde lid, 120, 152, 155, 165 tot en met 179, 181, 182, 183, 187 tot en met 191 en 194 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing. Voorts is het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO van overeenkomstige toepassing.
### Artikel A 3
Artikel 3a, zesde lid, van het Besluit bekostiging WPO is van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel A 4
@ -52,9 +42,11 @@ De artikelen 12 en 20 van de Wet register onderwijsdeelnemers zijn van overeenko
### Artikel B 1
**1.** Het onderwijs aan kinderen van wie de ouders in het kermisbedrijf, onderscheidenlijk het circusbedrijf werkzaam zijn, wordt gegeven in daartoe ingerichte voertuigen die in het kermisseizoen of circusseizoen standplaats kiezen bij daarvoor in aanmerking komende kermissen of circussen.
**1.** Het onderwijs aan kinderen van wie de ouders in het kermisbedrijf of het circusbedrijf werkzaam zijn, wordt gegeven in daartoe ingerichte voertuigen die standplaats kiezen bij daarvoor in aanmerking komende kermissen of circussen.
**2.** Gedurende de maanden november tot en met februari nemen de scholen een vaste standplaats in die wordt bepaald door het bevoegd gezag in overeenstemming met de inspecteur. Indien de inspecteur bedenkingen heeft tegen de standplaats en het bevoegd gezag weigert daaraan tegemoet te komen, besluit Onze Minister.
**2.** Gedurende een aantal maanden in het jaar kunnen de scholen een vaste standplaats innemen die wordt bepaald door het bevoegd gezag in overeenstemming met de inspecteur. Indien de inspecteur bedenkingen heeft tegen de standplaats en het bevoegd gezag weigert daaraan tegemoet te komen, besluit Onze Minister.
**3.** In afwijking van het eerste lid kan het onderwijs ook gedeeltelijk op afstand worden gegeven.
### Afdeling 2. Onderwijs
@ -76,11 +68,7 @@ Vervallen.
### Artikel B 5
**1.** Elk jaar in de maanden maart en mei zendt het bevoegd gezag van een bijzondere school aan de inspecteur een gedeelte van een reisplan, waarin is vermeld bij welke kermissen of circussen elke van dat bevoegd gezag uitgaande school gedurende de eerstkomende periode standplaats zal kiezen. Het reisplan bestaat uit twee gedeelten welke gezamenlijk het kermisseizoen dan wel het circusseizoen omvatten.
**2.** Indien van het reisplan wordt afgeweken, wordt de inspecteur daarvan tevoren in kennis gesteld.
**3.** Indien de inspecteur tegen het reisplan of tegen een voorgenomen afwijking daarvan bedenkingen heeft en het bevoegd gezag weigert daaraan tegemoet te komen, besluit Onze Minister.
Vervallen
### Afdeling 3. Personeel
@ -124,7 +112,7 @@ Vervallen
### Artikel B 12
De artikelen 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 34a, 34b en 34c van het Besluit bekostiging WPO zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten aanzien van artikel 7, eerste lid, onder b, de bepaling inzake de termijn van 6 maanden buiten toepassing blijft.
De artikelen 1, 2, 4, 9 tot en met 12, 23, 24 en 26 van het Besluit bekostiging WPO 2022 zijn van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 2. Aanvang van de bekostiging
@ -159,47 +147,45 @@ d. de voorgenomen voorziening op grond van de hem ten dienste staande gegevens n
**5.** Artikel B 13, vierde lid, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 4. Bekostiging
### Artikel B 15
Vervallen
**1.**
#### Paragraaf 4. Materiële instandhouding
De kosten die voor vergoeding uit 's Rijks kas in aanmerking kunnen komen, zijn:
a. de kosten, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen a tot en met d, f tot en met i en k, van de wet;
b. het onderhoud en de schoonmaak van het voertuig, bedoeld in artikel B 14;
c. de kosten voor verplaatsing en inneming van standplaats;
d. de kosten voor noodzakelijk vervoer van leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek; en
e. de reiskosten en andere noodzakelijke kosten verbonden aan het ononderbroken meerdaagse verblijf van het personeel.
**2.** De bekostiging is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
**3.** De bekostiging bestaat uit een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per school.
### Artikel B 16
De kosten van materiële instandhouding die voor vergoeding uit 's Rijks kas in aanmerking kunnen komen, zijn:
**1.** In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel B 15, bekostiging verstrekken.
a. onderhoud,
b. energie- en waterverbruik,
c. publiekrechtelijke heffingen,
d. middelen,
e. administratie, beheer en bestuur,
f. de kosten voor verplaatsing en inneming van standplaats,
g. de kosten voor noodzakelijk vervoer van leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek, en
h. de reiskosten en andere noodzakelijke kosten verbonden aan het ononderbroken meerdaagse verblijf van het voor rekening van het Rijk komende personeel.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
**3.** Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
#### Paragraaf 4A. Bekostiging personeel
### Artikel B 16a
**1.**
De bekostiging voor een school omvat de bekostiging
a. voor de vervulling van reguliere taken van de school, en
b. voor speciale doeleinden.
De bekostiging, bedoeld in onderdeel *a*, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
**2.** Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden meer bekostiging toekennen aan een school dan op grond van het eerste lid juncto de artikelen B 16b tot en met B 16l wordt vastgesteld.
Vervallen
### Artikel B 16b
Voor de bekostiging van personeel wordt per school een bedrag toegekend welk bedrag de uitkomst is van 3,4304 formatieplaats vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
Vervallen
### Artikel B 16c
Voor 15 oktober zendt het bevoegd gezag een opgave van het aantal leerlingen dat op 1 oktober op de school staat ingeschreven.
Vervallen
### Artikel B 16d
@ -215,7 +201,7 @@ Vervallen
### Artikel B 16g
De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding bedraagt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
Vervallen
### Artikel B 16h
@ -251,7 +237,7 @@ Vervallen
### Artikel B 16l
Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid is een bij ministeriële regeling vast te stellen vast bedrag per school.
Vervallen
### Artikel B 16m
@ -265,9 +251,7 @@ Het Rijk vergoedt aan het bevoegd gezag van een bijzondere school de kosten van
### Artikel B 18
**1.** Bij ministeriële regeling wordt per school een bedrag per formatieplaats, zoals bedoeld in artikel B 16b, vastgesteld voor de bekostiging van materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding.
**2.** Artikel 113, vierde tot en met zesde lid van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel B 19
@ -275,19 +259,25 @@ Vervallen
### Artikel B 20
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in de artikelen B 16b en B 16g vast. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 januari, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel B 15 vast. De bedragen hebben betrekking op een kalenderjaar.
**2.** De in het eerste lid bedoelde bekostigingsbedragen kunnen gedurende het schooljaar door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
**2.** De in het eerste lid bedoelde bekostigingsbedragen kunnen gedurende het kalenderjaar door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
### Artikel B 21
De betaling van de bekostigingsbedragen voor personeelskosten vindt maandelijks plaats in een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor verschillende delen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld.
De betaling van de bekostiging vindt maandelijks plaats in een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor verschillende delen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld.
#### Paragraaf 6. Beëindiging van de bekostiging
### Artikel B 21a
**1.** In deze paragraaf wordt onder het aantal leerlingen van de school verstaan: het aantal unieke leerlingen als bedoeld in artikel B 10, eerste lid, tot 1 oktober van het schooljaar, geteld over de periode vanaf 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
**2.** Het bevoegd gezag vermeldt het aantal leerlingen van de school in het jaarverslag, bedoeld in artikel 165, eerste lid, van de wet.
### Artikel B 22
**1.** De bekostiging wordt beëindigd op 1 augustus indien het aantal leerlingen gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan 10.
**1.** De bekostiging van een school onder het bevoegd gezag wordt beëindigd op 1 augustus indien het aantal leerlingen van alle scholen onder dat bevoegd gezag gedurende drie achtereenvolgende jaren per school gemiddeld telkens minder heeft bedragen dan 10.
**2.** De bekostiging van een bijzondere school wordt niet beëindigd binnen de eerste 5 jaren van bekostiging van de school.
@ -372,29 +362,35 @@ Vervallen
### Artikel C 10
De artikelen 6, 7, 8, 9 en 10, vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7, tweede, derde en vierde lid, en 9 tot en met 12 van het Besluit bekostiging WPO 2022 zijn van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 2. Formatie personeel
#### Paragraaf 2. Bekostiging
### Artikel C 11
**1.** Aan de school wordt voor de bekostiging van personeelskosten een vast bedrag per school toegekend. Het vaste bedrag per school is het bedrag dat de uitkomst is van de vermenigvuldiging van 4,1899 formatieplaats en een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging voor de school voor varende kinderen vast.
**2.** Voor de bekostiging van personeel wordt tevens per leerling een bedrag toegekend welk bedrag de uitkomst is van 0,0545 formatieplaats vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**2.** De bekostiging bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling.
**3.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel C 2, dat op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, aan de school voor varende kinderen is ingeschreven. Het bevoegd gezag van de school voor varende kinderen zendt de telling van het aantal leerlingen voor 15 oktober van het desbetreffende jaar aan Onze Minister.
**3.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede lid vastgesteld en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend.
**4.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel C 2, dat op 1 februari van het voorafgaande jaar, aan de school voor varende kinderen is ingeschreven.
### Artikel C 12
Vervallen
**1.** In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel C 11 bekostiging verstrekken.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
**3.** Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
#### Paragraaf 3. Wijze van bekostiging
### Artikel C 13
**1.** Het Rijk bekostigt ten behoeve van elk kalenderjaar de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting en voor de materiële instandhouding.
**1.** Het Rijk bekostigt ten behoeve van elk kalenderjaar de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting.
**2.** De bekostiging van voorzieningen in de huisvesting en voor de materiële instandhouding ten behoeve van een kalenderjaar, bestaat uit een vast bedrag, verhoogd met een bedrag voor elke leerling, bedoeld in artikel C 11, derde lid.
**2.** De bekostiging van voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van een kalenderjaar, bestaat uit een vast bedrag, verhoogd met een bedrag voor elke leerling, bedoeld in artikel C 11, derde lid.
**3.** De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het kalenderjaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld en het prijsniveau in het daaraan voorafgaande jaar.
@ -404,25 +400,21 @@ Vervallen
### Artikel C 15
Artikel 13, eerste en derde lid, van het Besluit bekostiging WPO is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van voorzieningen in de huisvesting en voor de materiële instandhouding.
Vervallen
### Artikel C 16
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel C 11 vast. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 januari, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel C 11 vast. De bedragen hebben betrekking op een kalenderjaar.
**2.** De in het eerste lid bedoelde bekostigingsbedragen kunnen door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
### Artikel C 16.1
De betaling van de bekostigingsbedragen voor personeelskosten vindt maandelijks plaats in een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor verschillende delen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld.
De betaling van de bekostiging vindt maandelijks plaats in een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor verschillende delen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld.
### Artikel C 17
De artikelen 140 tot en met 147 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 142, tweede en derde lid, «nevenvestiging» wordt gelezen als: vestiging, bedoeld in artikel C 1, tweede lid, van het Besluit trekkende bevolking WPO;
b. in artikel 144, eerste lid onder d1e, «artikel 137, derde lid» wordt gelezen als: artikel C 16, eerste lid onder a, van het Besluit trekkende bevolking WPO, en
c. in artikel 144, eerste lid onder d2e, «artikel 137, eerste lid onder b» wordt gelezen als: artikel C 16, eerste lid onder b, van het Besluit trekkende bevolking WPO.
De artikelen 128 tot en met 134 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 130, vierde en vijfde lid, «nevenvestiging» wordt gelezen als: vestiging, bedoeld in artikel C 1, tweede lid, van het Besluit trekkende bevolking WPO.
### Artikel C 18
@ -970,41 +962,15 @@ Vervallen
### Artikel G 1
De verplichte formatie voor het schooljaar 1985-1986 wordt vastgesteld aan de hand van:
a. het gemiddeld aantal leerlingen van de hoogste dagtellingen van de maanden september 1984 tot en met april 1985 voor scholen als bedoeld in titel B en titel C;
b. de som van het gemiddeld aantal leerlingen van de hoogste dagtellingen van de maanden september 1984 tot en met april 1985 van de kernafdeling en de afdeling zeer jeugdigen bedoeld in het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (*Stb.* 1978, 582) voor scholen als bedoeld in titel D, en afdelingen als bedoeld in titel E;
c. het aantal leerlingen op 16 april 1985 voor scholen als bedoeld in titel F.
Dit besluit berust op artikel 193 van de wet.
### Artikel G 1.a
In afwijking van artikel B 16*k*.1, eerste lid, geldt:
a. indien de som van de aantallen formatieplaatsen op de school berekend op grond van artikel B 16e en artikel B 16k, zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1998, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar kleiner is dan 7,4:
1°. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 1,5%, met dien verstande dat na de afronding op grond van artikel B 16*k*.1, tweede lid, de uitkomst van deze berekening wordt verminderd met de opslag ten behoeve van schoolspecifiek formatie- en personeelsbeleid voor het schooljaar 1994-1995 als bedoeld in artikel B 16*i*.3,
2°. voor het schooljaar 1995-1996 een percentage van 2,0%,
3°. voor het schooljaar 1996-1997 een percentage van 2,6%, of
b. indien de som van de aantallen formatieplaatsen op de school berekend op grond van artikel B 16e en artikel B 16k, zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1998, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar gelijk is aan of groter is dan 7,4:
1°. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 2,5%, met dien verstande dat na de afronding op grond van artikel B 16*k*.1, tweede lid, de uitkomst van deze berekening wordt verminderd met de opslag ten behoeve van schoolspecifiek formatie- en personeelsbeleid voor het schooljaar 1994-1995 als bedoeld in artikel B 16*i*.3,
2°. voor het schooljaar 1995-1996 een percentage van 3,8%,
3°. voor het schooljaar 1996-1997 een percentage van 4,9%.
Vervallen
### Artikel G 1.b
In afwijking van artikel C 15*k*.1, eerste lid, geldt:
a. indien de som van de aantallen formatieplaatsen op de school berekend op grond van artikel C 15f en artikel C 15k, zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1998, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar kleiner is dan 7,4:
1°. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 1,5%, met dien verstande dat na de afronding op grond van artikel C 15*k*.1, tweede lid, de uitkomst van deze berekening wordt verminderd met de opslag ten behoeve van schoolspecifiek formatie- en personeelsbeleid voor het schooljaar 1994-1995 als bedoeld in artikel C 15*i*.3,
2°. voor het schooljaar 1995-1996 een percentage van 2,0%,
3°. voor het schooljaar 1996-1997 een percentage van 2,6%, of
b. indien de som van de aantallen formatieplaatsen op de school berekend op grond van artikel C 15f en artikel C 15k, zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1998, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar gelijk is aan of groter is dan 7,4:
1°. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 2,5%, met dien verstande dat na de afronding op grond van artikel C 15*k*.1, tweede lid, de uitkomst van deze berekening wordt verminderd met de opslag ten behoeve van schoolspecifiek formatie- en personeelsbeleid voor het schooljaar 1994-1995 als bedoeld in artikel C 15*i*.3,
2°. voor het schooljaar 1995-1996 een percentage van 3,8%,
3°. voor het schooljaar 1996-1997 een percentage van 4,9%.
Vervallen
### Artikel G 2