diff --git a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md index f84c62c67a7..78bd699869d 100644 --- a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md +++ b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md @@ -1025,25 +1025,23 @@ Het voorschot voor een gemeente wordt berekend: a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ]; +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ]; b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ]; +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ]; c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ]. +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ]. **4.** In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld: – met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft; -– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; +– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; – met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening; -– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; +– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; – met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening; -– met de letter F: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet; -– met de letter G: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter F bedoelde inburgeringsvoorziening; – met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; – met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening; – met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; @@ -1053,7 +1051,7 @@ In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld: **5.** Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot. -**6.** Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, kan Onze Minister besluiten het voorschot voor een gemeente te verhogen dan wel te verlagen indien de jaarlijkse vaststelling van de prijs, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, daartoe aanleiding geeft. +**6.** Onze Minister verhoogt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen het voorschot voor een gemeente met een met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, vastgesteld bedrag. **7.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast. @@ -1128,34 +1126,30 @@ waarin wordt voorgesteld: – met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid; – met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; – met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar; -– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen; +– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; – met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid; – met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid. **2.** Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. -**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. +**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. -**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarop het vaste en variabele deel betrekking hebben, vast. +**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast. **5.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting. -**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop beide delen van de rijksbijdrage betrekking hebben. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot. +**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald. ### Artikel 7.7 **1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast. -**2.** Onze Minister stelt jaarlijks de landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus vast. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop deze prijs wordt vastgesteld. +**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds. -**3.** Onze Minister stelt de voorschotvergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, en de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet. +**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. -**4.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e, g en i, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f, h en j, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds. - -**5.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. - -**6.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend. +**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend. ### Artikel 7.8