diff --git a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md index a2094019e9a..73b5c470a3c 100644 --- a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md +++ b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md @@ -251,7 +251,9 @@ Dit betekent dat op of na 1 januari 2005 voor verkrijging van het Nederlandersc De nationaliteitsrechtelijke gelijkstelling van het in Europees Nederland geregistreerde partnerschap en het buiten Europees Nederland geregistreerde partnerschap dat in Europees Nederland wordt erkend, geldt voor alle landen van het Koninkrijk. Het zojuist gestelde, neemt niet weg dat (tot 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) na 1 januari 2012 artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10-91 BW-NL alleen in Europees Nederland kan worden toegepast. Dit betekent dus dat (tot 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10-91 BW-NL niet van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten. -De gelijkstelling geldt echter niet bij de toepassing van artikel 15A, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Hoofdregel van artikel 15A, RWN is dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg. In een aantal gevallen zal dat verlies echter niet intreden. Zo zal het Nederlanderschap niet verloren gaan als het land, waarvan men de nationaliteit heeft verkregen, ook partij is bij het Tweede Protocol en de betrokkene bovendien getrouwd is met een persoon die de nationaliteit van dat land bezit. Deze uitzondering geldt niet als in plaats van een huwelijk sprake is van een geregistreerd partnerschap. Dat vloeit rechtstreeks voort uit de woorden ‘Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze Rijkswet’ in dit artikellid. +De gelijkstelling geldt echter niet bij de toepassing van artikel 15A, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Hoofdregel van artikel 15A, RWN is dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg. In een aantal gevallen zal dat verlies echter niet intreden. Zo zal het Nederlanderschap niet verloren gaan als het land, waarvan men de nationaliteit heeft verkregen, ook partij is bij het Tweede Protocol en de betrokkene bovendien getrouwd is met een persoon die de nationaliteit van dat land bezit. Sinds 4 juni 2010 is overigens alleen Nederland partij bij het Tweede Protocol, zodat er in de praktijk geen toepassing aan deze uitzondering wordt gegeven. + +Deze uitzondering geldt niet als in plaats van een huwelijk sprake is van een geregistreerd partnerschap. Dat vloeit rechtstreeks voort uit de woorden ‘Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze Rijkswet’ in dit artikellid. In de toelichting bij artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is een en ander verder verduidelijkt; zie aldaar voorbeeld 3, in samenhang met voorbeeld 2. @@ -2107,38 +2109,119 @@ Een kind, geboren in 1995 in Colombia, is in 1998 bij Arubaanse uitspraak geadop #### 1. Algemeen -De hier bedoelde vreemdeling, herkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, als cumulatief: +De hier bedoelde vreemdeling, herkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief: -• hij het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren op grond van het verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg) (Trb. 1964, nr. 4) dan wel op grond van een van de volgende artikelen: artikel 14, zesde lid RWN, artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a of c RWN, artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, c, d of e RWN, artikel 15, aanhef en onder a of c RWN (1985) of artikel 16, eerste lid, RWN (1985); -• hij met het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap is verloren. Het Unieburgerschap bestaat sinds 1 november 1993. Indien het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan vóór 1 november 1993, komt betrokkene dus niet in aanmerking voor deze optiecategorie op grond. Ook als de optant op het moment van verlies van het Nederlanderschap in het bezit was van een nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, was geen sprake van verlies van het Unieburgerschap en is opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN niet mogelijk. -• het op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbaar was dat het verlies van het Unieburgerschap zou leiden tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht. Om te bepalen of het verlies van het Unieburgerschap onevenredig was uit het oogpunt van het Unierecht, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling, verricht de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt een toetsing aan het door het Unierecht erkende evenredigheidsbeginsel. Om te bevorderen dat de verschillende bevoegde autoriteiten een eenduidige beoordeling hanteren inzake deze toets, wordt in alle gevallen advies gevraagd aan de IND. Het advies van de IND is niet bindend. Voor een inhoudelijke toelichting op de toets aan het evenredigheidsbeginsel, zie paragraaf 2; en -• er op grond van zijn gedrag geen ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN, alsmede de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). +• hij het Nederlartanderschap van rechtswege heeft verloren op grond van het verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg) (Trb. 1964, nr. 4) dan wel op grond van een van de volgende artikelen: artikel 14, zesde lid, RWN, artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a of c RWN, artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, c, d of e RWN, artikel 15, aanhef en onder a of c RWN (1985) of artikel 16, eerste lid, RWN (1985); +• hij met het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap is verloren. Het Unieburgerschap bestaat sinds 1 november 1993. Indien het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan vóór 1 november 1993, komt de optant dus niet in aanmerking voor deze optiecategorie. Ook als de optant op het moment van verlies van het Nederlanderschap in het bezit was van een nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, was geen sprake van verlies van het Unieburgerschap en is opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p RWN niet mogelijk. +• het op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbaar was dat het verlies van het Unieburgerschap zou leiden tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht. Om te bepalen of het verlies van het Unieburgerschap onevenredig was uit het oogpunt van het Unierecht, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling, verricht de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt een toetsing aan het door het Unierecht erkende evenredigheidsbeginsel. Om te bevorderen dat de verschillende bevoegde autoriteiten een eenduidige beoordeling hanteren inzake deze toets, wordt in alle gevallen advies gevraagd aan de IND. Het advies van de IND is niet bindend. Voor een inhoudelijke toelichting op de toets aan het evenredigheidsbeginsel, zie paragraaf 2. +• er op grond van zijn gedrag geen ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (Zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN, alsmede de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). -Indien aan alle voorwaarden is voldaan wordt de optieverklaring bevestigd en het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen tot het moment waarop dat verloren ging. Indien naar het oordeel van de bevoegde autoriteit geen sprake is van onevenredige gevolgen, wordt de bevestiging geweigerd. In dat geval wordt het Nederlanderschap niet herkregen. +Indien aan alle voorwaarden is voldaan, wordt de optieverklaring bevestigd en het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen tot het moment waarop dat verloren ging. Indien naar het oordeel van de bevoegde autoriteit geen sprake is van onevenredige gevolgen, wordt de bevestiging geweigerd. In dat geval wordt het Nederlanderschap niet herkregen. -Mevrouw B heeft het Nederlanderschap van rechtswege gekregen bij geboorte. In 2001 is ze samen met haar Australische echtgenoot naar Australië geëmigreerd waar ze op 1 juli 2006 ook de Australische nationaliteit heeft verworven. Mevrouw B behield op dat moment het Nederlanderschap op grond van artikel 15, tweede lid, onder c, RWN. Het Nederlandse paspoort van mevrouw B was geldig van 1 juni 2006 tot 1 juni 2011 en daarna heeft ze geen nieuw Nederlands paspoort meer aangevraagd. Op 1 juli 2016 is zij het Nederlanderschap daarom van rechtswege verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder c RWN. Mevrouw B wil haar Nederlanderschap, en Unieburgerschap, graag terugkrijgen en legt in 2022 een optieverklaring af bij de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Ze stelt daarbij dat het verlies van haar Unieburgerschap onevenredig was vanuit het oogpunt van het Unierecht, omdat ze begin 2016 al van plan was om in 2017 in Parijs een masteropleiding te gaan volgen. Ze overlegt echter geen bewijsstukken die onderbouwen dat ze daadwerkelijk concrete plannen had. Nu de gestelde plannen om in de EU te gaan studeren op geen enkele manier zijn onderbouwd, concludeert de IND in zijn advies dat het op het verliesmoment in 2016 niet redelijkerwijs voorzienbaar was dat mevrouw B gebruik zou gaan maken van haar uit het Unieburgerschap voortvloeidende rechten. Van belemmering in de uitoefening van de uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten was dan ook geen sprake. Het advies van de IND aan de Minister van Buitenlandse Zaken is daarom negatief ten aanzien van de onevenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap. De Minister van Buitenlandse Zaken volgt het advies van de IND en weigert de bevestiging van de optieverklaring. +#### 2. Toets aan unierechtelijk evenredigheidsbeginsel na van rechtswege verlies van het Unieburgerschap -De heer C is geboren in Canada en heeft bij geboorte zowel het Nederlanderschap als de Canadese nationaliteit van rechtswege gekregen. Op 10 oktober 2020, tien jaar nadat hij meerderjarig is geworden, verloor hij zijn Nederlanderschap van rechtswege op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN. De heer C was er echter niet van op de hoogte dat hij tot aan het verliesmoment nog Nederlander was. In 2021 gaat hij met zijn Canadese vriendin in Frankrijk wonen waar deze vriendin een bedrijf aan het oprichten is. Zijn vriendin was in april 2020 begonnen met de voorbereidingen voor het opzetten van het bedrijf en ook de heer C was zich in die periode aan het oriënteren op een leven en een studie in Frankrijk. Als Canadezen ondervinden de heer C en zijn vriendin in Frankrijk verschillende moeilijkheden bij het daadwerkelijk beginnen met het uitvoeren van economische activiteiten en het starten van een studie. De oprichting van het bedrijf heeft door het wachten op de uitkomst van verblijfsrechtelijke procedures grote vertraging opgelopen met economische schade tot gevolg, en de heer C kan zich uiteindelijk niet inschrijven voor de beoogde studie omdat de studiekosten voor derdelanders veel hoger, en voor hem onbetaalbaar zijn. Omdat de heer C deze problemen als Nederlander, en dus Unieburger, niet zou hebben, legt hij in 2022 een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN, af bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Omdat hij de plannen van zijn vriendin voor de oprichting van een bedrijf en zijn eigen plannen om in Frankrijk te gaan studeren uitgebreid met bewijsstukken en verklaringen kan onderbouwen, concludeert de IND in zijn advies aan de Minister van Buitenlandse Zaken dat de heer C als gevolg van het verlies van het Unieburgerschap onevenredig belemmerd is in de uitoefening van zijn beroepsleven en dat van zijn vriendin en dat het verlies van het Unieburgerschap dus onevenredig was. De Minister van Buitenlandse Zaken volgt het advies van de IND en bevestigt de optieverklaring van de heer C. De heer C herkrijgt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2020. +In het kader van de unierechtelijke evenredigheidstoets wordt door de IND in het advies, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling. -#### 2. Toets aan evenredigheidsbeginsel na van rechtswege verlies van het Unieburgerschap +##### 2.1. Rechten Unieburgerschap -In het kader van de evenredigheidstoets wordt door de IND in het advies, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling. +Iedereen die de nationaliteit van een van de EU-lidstaten heeft, is automatisch burger van de Europese Unie. Het burgerschap van de Europese Unie is een aanvulling op het nationale burgerschap, en dus geen vervanging. Het burgerschap van de Europese Unie is ingevoerd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie. De rechten die zijn verbonden aan het burgerschap van de Unie zijn opgenomen in artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU); in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en in het Verdrag van Amsterdam. Het Handvest trad in werking op 1 december 2009, maar de beginselen die het codificeert werden ook voor die datum al van toepassing geacht. -Voor een beroep op het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is vereist dat de optant concrete, aantoonbare en onevenredige gevolgen heeft ondervonden die in de sfeer van het Unierecht liggen. Niet direct op het Unierecht betrekking hebbende omstandigheden, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, blijven buiten beschouwing.1ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, r.o. 11.2. Als toetsingsmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren ging, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd worden meegewogen, maar ook gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. +Deze verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: -Het moet gaan om onevenredige gevolgen van het verlies van de aan het burgerschap van de Unie verbonden rechten, en de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde grondrechten. Dit betreft onder meer de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie en de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind, en/of de omstandigheid dat de betrokkene op het grondgebied van de derde staat waar hij verblijft, niet langer de consulaire bescherming op grond van artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van het VWEU kan genieten. +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. -Er is sprake van onevenredige gevolgen als het verlies van deze Unierechten gevolgen heeft die de normale ontwikkeling van het gezins- en beroepsleven van de betrokkene (en in voorkomend geval van die van zijn gezinsleden) uit het oogpunt van het Unierecht aantasten op een wijze die onevenredig is aan de doelstelling die door middel van de verliesbepaling wordt nagestreefd door de nationale wetgever. +##### 2.2. Personele en territoriale werkingssfeer -Een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht is van oudsher het nastreven van enkelvoudige nationaliteit. Daaruit vloeit voort dat het Nederlanderschap verloren kan gaan indien men daarnaast ook een andere nationaliteit heeft en de band met Nederland niet meer effectief is, bijvoorbeeld door langdurig verblijf buiten het Koninkrijk. De Nederlandse wetgever heeft dit uitgangspunt vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c RWN (in combinatie met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d RWN). De verliesbepalingen neergelegd in artikel 16 RWN hebben daarnaast als doelstelling het bevorderen van de nationaliteitsrechtelijke eenheid van het gezin. +Iedereen met de Nederlandse nationaliteit is ook burger van de Unie. Dat geldt dus ook voor Nederlanders die inwoner zijn van de BES-eilanden, Curaçao, Sint-Maarten of Aruba. Het grondgebied van de Europese Unie is echter beperkt tot het (Europese) grondgebied van de lidstaten plus de zogenaamde Ultra Perifere Gebieden. Dat wil zeggen dat het vrij mogen reizen naar of verblijven op de BES-eilanden, Curaçao, Sint-Maarten of Aruba niet valt onder de rechten verbonden aan het Unieburgerschap. -Naast de vraag of daadwerkelijk gebruik werd gemaakt van Unierechten of dat dat redelijkerwijs voorzienbaar was, kunnen bij de evenredigheidstoets ook andere factoren van belang zijn, zoals het feit dat de betrokkene mogelijkerwijs geen afstand kon doen van de nationaliteit van een derde staat en om die reden binnen de werkingssfeer van artikel 15, lid 1, onder c, RWN valt. +##### 2.3. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets -Het is in beginsel aan de optant om het bestaan van relevante feiten en omstandigheden te vermelden en deze aannemelijk te maken met behulp van bewijsstukken.2Zie ABRvS, ro 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423 11.2 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 859 (R2157), nr. 3, p 4 en p 9. De IND beoordeelt de (redelijkerwijs voorzienbare) gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval op basis van alle door de optant ingebrachte verklaringen en documenten. +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap en daarmee ook het unieburgerschap verloren ging. De IND beoordeelt of de optant binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen de optant had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. -#### 3. Exclusieve procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel +##### 2.4. Mee te wegen rechten en factoren -De optieprocedure van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN biedt een exclusieve procedure om de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten en het Nederlanderschap op deze grond eventueel te herkrijgen.3Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 859 (R2157), nr. 3, p. 2 en p 10. Vanaf 1 april 2022, de datum van inwerkingtreding van de Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Staatsblad 2021, is het dus niet meer mogelijk om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in andere procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN, de aanvraag van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet of de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Als in het kader van een van deze procedures, vóór 1 april 2022 om een evenredigheidstoets is verzocht, worden deze toets en deze procedure, en de eventuele vervolgprocedures, (ook na 1 april 2022) voltooid. Als wordt vastgesteld dat een dergelijke verzoeker onevenredige gevolgen heeft ondervonden van het verlies van het Unieburgerschap wordt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen op grond van artikel 20 VWEU en hoeft de verzoeker dus niet meer te opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN. +Voor een beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is vereist dat de optant concrete, aantoonbare en onevenredige gevolgen heeft ondervonden die in de sfeer van het Unierecht liggen. Niet direct op het Unierecht betrekking hebbende omstandigheden, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, blijven buiten beschouwing.1ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, r.o. 11.2. + +Er is sprake van onevenredige gevolgen als het verlies van deze Unierechten gevolgen heeft die de normale ontwikkeling van het gezins- en beroepsleven van de optant (en in voorkomend geval van die van zijn gezinsleden) uit het oogpunt van het Unierecht aantasten op een wijze die onevenredig is aan de doelstelling die door middel van de verliesbepaling wordt nagestreefd door de nationale wetgever. + +De IND toetst iedere individuele zaak op zijn eigen merites. De IND betrekt en weegt alle relevante omstandigheden die door de optant zijn aangevoerd. + +De IND toetst in ieder geval in hoeverre er sprake is van een beperking in de uitoefening van de volgende rechten als daar door de optant een beroep op wordt gedaan: + +• de mogelijkheid om vrij te reizen en te verblijven binnen de Europese Unie; +• de mogelijkheid om op het hele grondgebied van de Europese Unie activiteiten te verrichten in het kader van een beroep, bedrijf of studie; +• de mogelijkheid om familie- of gezinsleven uit te oefenen met familieleden die op het grondgebied van de Europese Unie verblijven (artikel 7 Handvest, het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven); of +• de belangen van kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Unie verblijven (artikel 24 Handvest). + +Naast de vraag of daadwerkelijk gebruik werd gemaakt van Unierechten of dat dat redelijkerwijs voorzienbaar was, kunnen bij de evenredigheidstoets ook andere factoren van belang zijn. + +Factoren die bijvoorbeeld mogelijk wijzen op (niet) onevenredige gevolgen vanuit het oogpunt van het Unierecht zijn: + +• Als de optant op het verliesmoment rond de 18 jaar oud was en een opleiding volgde of had gevolgd die aansluiting geeft op het hoger onderwijs, ligt het eerder voor de hand om aan te nemen dat het voorzienbaar was dat de optant op korte termijn zou beginnen aan een studie die (deels) zou plaatsvinden in een Europese lidstaat2ABRvS 12 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:423, r.o. 11.2 en ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1077, r.o. 7.2.. De optant moet wel aannemelijk maken dat hij rond de peildatum daadwerkelijk plannen had om in de Europese Unie te gaan studeren en bij de uitvoering van deze plannen is belemmerd door het verlies van het Unieburgerschap; +• Als het tijdsverloop tussen het verlies van het Unieburgerschap en de (voorziene) uitoefening van Unierechten langer is geweest, ligt het minder voor de hand dat dit gebruik redelijkerwijs voorzienbaar was op het verliesmoment; +• De onmogelijkheid om afstand te doen van een tweede nationaliteit als reden waarom op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN het Nederlanderschap verloren is gegaan. De enkele omstandigheid dat geen afstand kan worden gedaan van de andere nationaliteit is echter onvoldoende om te concluderen dat het verlies van het Unieburgerschap onevenredig is3ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1073, r.o. 4.1.; +• De omstandigheid dat door het verlies van het Nederlanderschap geen aanspraak meer kan worden gemaakt op diplomatiek of consulaire bescherming van een andere Europese lidstaat als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder c, VWEU, terwijl dat rond het verliesmoment en het in het derde land waar de optant verblijft, kon of kan leiden tot het in het geding komen van de veiligheid van de optant en de vrijheid om te gaan of staan waar de optant wil. Dit kan zich alleen voordoen in de derde landen waar Nederland zelf geen consulaire bijstand kan bieden; +• De aan- of afwezigheid van alternatieven die voldoende tegemoet komen aan de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. Als het voor de optant mogelijk is om visumvrij naar andere landen van de Europese Unie te reizen of relatief gemakkelijk is om een verblijfsvergunning te krijgen voor zijn of haar beoogde doel, wegen de verloren Unierechten mogelijk minder zwaar4ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1077, r.o. 7.5.; +• De onmogelijkheid om het verlies van het Nederlanderschap te stuiten door ambtelijk verzuim. Als de optant kan aantonen dat hij door verkeerde informatie van de Nederlandse overheid ten onrechte in de veronderstelling was het Nederlanderschap nog wel of juist niet meer te bezitten en daardoor het verlies van het Nederlanderschap niet heeft gestuit, kan dit meewegen in het voordeel van de optant. Een dergelijke omstandigheid is op zichzelf nooit voldoende om onevenredigheid aan te nemen, maar dient te worden bezien in samenhang met de gebleken gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap; +• De omstandigheid dat de optant niet wist van het verlies of de verliesgronden niet kende, is niet relevant voor de vraag of het verlies van het Unieburgerschap voor de optant onevenredig heeft uitgepakt. De optant had destijds een eigen verantwoordelijk om zich te laten voorlichten over geldende regelgeving5ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1034, r.o. 7.1.. Dit kan bijvoorbeeld door het raadplegen van de door de overheid beschikbaar gestelde informatie op internet of door contact op te nemen met de Nederlandse ambassade; +• Als uit raadpleging van het nationaliteitenregister blijkt dat de optant tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 geen gebruik heeft gemaakt van de tijdelijke optiemogelijkheid zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN terwijl hij/zij het Nederlanderschap en Unieburgerschap in die periode al was verloren, kan dat in het nadeel van de optant worden meegewogen in de evenredigheidstoets. + +Deze lijst is niet uitputtend. + +###### 2.4.1. Beroep op schending van het familie- of gezinsleven en het belang van het kind + +De IND toetst of sprake was van schending van het familie- of gezinsleven op grond van artikel 7 Handvest in lijn met de toetsing van artikel 8 EVRM6ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1073, r.o. 3.1.. Er dient derhalve in de eerste plaats te worden vastgesteld of sprake was van te beschermen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Ook als dit niet het geval was, voert de IND een belangafweging uit waarbij de vaststelling dat geen sprake was van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, in de belangenafweging in het nadeel van de optant wordt betrokken. Voor een nadere toelichting op deze toets en de belangafweging zie de openbare IND-werkinstructie 2022/16 (Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM in samenhang met het openbare IND-informatiebericht 2022/80 (Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en artikel 8 EVRM). + +Als de optant minderjarig was ten tijde van het verlies van het Unieburgerschap en door hem of haar wordt aangevoerd dat sprake was van schending van de rechten van het kind, moet worden getoetst aan artikel 24 Handvest. + +##### 2.5. Wettelijke doelstelling: enkelvoudige nationaliteit + +Een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht is van oudsher het nastreven van enkelvoudige nationaliteit. Daaruit vloeit voort dat het Nederlanderschap verloren kan gaan indien men daarnaast ook een andere nationaliteit heeft en de band met Nederland niet meer effectief is, bijvoorbeeld door langdurig verblijf buiten het Koninkrijk. De Nederlandse wetgever heeft dit uitgangspunt vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c RWN (en voor minderjarigen in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d RWN). De verliesbepalingen neergelegd in artikel 16 RWN hebben daarnaast als doelstelling het bevorderen van de nationaliteitsrechtelijke eenheid van het gezin. + +*Mevrouw B heeft het Nederlanderschap van rechtswege gekregen bij geboorte. In 2001 is ze samen met haar Australische echtgenoot naar Australië geëmigreerd waar ze op 1 juli 2006 ook de Australische nationaliteit heeft verworven. Mevrouw B behield op dat moment het Nederlanderschap op grond van artikel 15, tweede lid, onder c, RWN. Het Nederlandse paspoort van mevrouw B was geldig van 1 juni 2006 tot 1 juni 2011 en daarna heeft ze geen nieuw Nederlands paspoort meer aangevraagd. Op 1 juli 2016 is zij het Nederlanderschap daarom van rechtswege verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder c RWN. Het gaat dus om de verliestermijn van vóór 1 april 2022 van 10 jaar. Mevrouw B wil haar Nederlanderschap, en Unieburgerschap, graag terugkrijgen en legt in 2022 een optieverklaring af bij de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Ze stelt daarbij dat het verlies van haar Unieburgerschap onevenredig was vanuit het oogpunt van het Unierecht omdat ze ieder jaar een kerstmarkt bezoekt in Duitsland. Het gebruik van het Unieburgerschap kan in dit geval als zeer beperkt worden aangemerkt. Bovendien werd de optant niet belemmerd in de uitoefening van haar Unierechten, omdat zij met haar Australische paspoort vrij kan reizen naar de EU voor een periode van maximaal 90 dagen per 180 dagen. Het advies van de IND aan de Minister van Buitenlandse Zaken is daarom negatief ten aanzien van de onevenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap. De Minister van Buitenlandse Zaken volgt het advies van de IND en weigert de bevestiging van de optieverklaring.* + +*De heer C is geboren in Canada en heeft bij geboorte zowel het Nederlanderschap als de Canadese nationaliteit van rechtswege gekregen. Op 10 oktober 2020, tien jaar nadat hij meerderjarig is geworden, verloor hij zijn Nederlanderschap van rechtswege op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN. Het gaat dus om de verliestermijn van vóór 1 april 2022 van 10 jaar. Aan hem is nimmer een Nederlands reisdocument verstrekt. In 2021 gaat hij met zijn Canadese vriendin in Frankrijk wonen waar deze vriendin een bedrijf aan het oprichten is. Zijn vriendin was in april 2020 begonnen met de voorbereidingen voor het opzetten van het bedrijf en ook de heer C was zich in die periode aan het oriënteren op een leven en een studie in Frankrijk. Als Canadezen ondervinden de heer C en zijn vriendin in Frankrijk verschillende moeilijkheden bij het daadwerkelijk beginnen met het uitvoeren van economische activiteiten en het starten van een studie. De oprichting van het bedrijf heeft door het wachten op de uitkomst van verblijfsrechtelijke procedures grote vertraging opgelopen, met economische schade tot gevolg, en de heer C kan zich uiteindelijk niet inschrijven voor de beoogde studie, omdat de studiekosten voor derdelanders veel hoger, en voor hem onbetaalbaar, zijn. Omdat de heer C deze problemen als Nederlander, en dus als Unieburger, niet zou hebben gehad, legt hij in 2022 een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN, af bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Omdat hij de plannen van zijn vriendin voor de oprichting van een bedrijf en zijn eigen plannen om in Frankrijk te gaan studeren uitgebreid met bewijsstukken en verklaringen kan onderbouwen, concludeert de IND in zijn advies aan de Minister van Buitenlandse Zaken dat de heer C als gevolg van het verlies van het Unieburgerschap onevenredig belemmerd is in de uitoefening van zijn beroepsleven en dat van zijn vriendin en dat het verlies van het Unieburgerschap dus onevenredig was. De Minister van Buitenlandse Zaken volgt het advies van de IND en bevestigt de optieverklaring van de heer C. De heer C herkrijgt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2020.* + +#### 3. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel + +##### 3.1. Exclusieve procedure + +De optieprocedure van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN biedt een exclusieve procedure om de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten en het Nederlanderschap op deze grond eventueel te herkrijgen.7Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 859 (R2157), nr. 3, p. 2 en p 10. Vanaf 1 april 2022, de datum van inwerkingtreding van de Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Staatsblad 2021 572, is het dus niet meer mogelijk om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in andere procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN, de aanvraag van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet of de verstrekking van een Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Als in het kader van een van deze procedures vóór 1 april 2022 om een evenredigheidstoets is verzocht, worden deze toets en deze procedure, en eventuele vervolgprocedures, (ook na 1 april 2022) voltooid. Als wordt vastgesteld dat een dergelijke verzoeker onevenredige gevolgen heeft ondervonden van het verlies van het Unieburgerschap wordt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen op grond van artikel 20 VWEU en hoeft de verzoeker dus niet meer te opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN. + +##### 3.2. Bewijslast + +Het is in beginsel aan de optant om het bestaan van relevante feiten en omstandigheden te vermelden en deze aannemelijk te maken met behulp van bewijsstukkenZie ABRvS, ro 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423 11.2 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 859 (R2157), nr. 3, p 4 en p 9.. De IND beoordeelt de (redelijkerwijs voorzienbare) gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval op basis van alle door de optant ingebrachte verklaringen en documenten. + +De optant overlegt zoveel als mogelijk bewijzen van de uitoefening van zijn Unierechten en van de wijze waarop hij door het verlies van het Unieburgerschap bij de uitoefening van die rechten is belemmerd. Een verblijf in een Europese lidstaat moet met bewijzen worden aangetoond en de stelling dat het op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbaar was dat de rechten als Unieburger zouden worden uitgeoefend, moet zoveel als mogelijk met bewijsmiddelen worden onderbouwd. Als de optant stelt dat hij/zij in een EU-lidstaat familieleven met een familielid onderhield, moet de optant, indien mogelijk, aantonen dat dit een familielid betreft. + +Het gaat in alle gevallen om bewijsmiddelen die zien op het moment dat de optant de Nederlandse nationaliteit is kwijtgeraakt. Alle bewijsstukken die door de optant van belang worden geacht, kunnen aangeleverd worden. Grotere waarde zal worden gehecht aan bewijsstukken van officiële overheidsinstanties. + +###### 3.2.1. Soorten bewijsmiddelen + +De optant kan bewijsstukken van officiële overheidsinstanties overleggen, bijvoorbeeld stukken waaruit de familierechtelijke relatie blijkt met een familielid in een Europese lidstaat. + +Daarnaast kan de optant bewijsstukken die afkomstig zijn van particuliere derden overleggen. Bijvoorbeeld: + +• arbeidsovereenkomsten; +• salarisstroken; +• bewijzen van uitoefening van werkzaamheden als zelfstandige (inschrijving Kamer van Koophandel en aangiften samen met bijbehorende aanslagen van de belastingdienst); +• inschrijvingsbewijzen van scholen of universiteiten; +• eigendomsbewijzen van onroerend goed; +• betalingsbewijzen van tickets en andere reisbescheiden; +• visum- en in- en uitreisstampels in het paspoort + +Tenslotte kan de optant verklaringen van familieleden en bekenden overleggen. Dit zijn zogenaamde niet-objectieve en niet-verifieerbare bewijsstukken. De IND beschouwt deze bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs. Dit betekent dat een verklaring van een familielid of een andere persoon meestal niet voldoende zal zijn als er verder geen objectief bewijs wordt overgelegd. + +##### 3.3. Benodigde informatie van de bevoegde instantie ten behoeve van de evenredigheidstoets + +De instantie die de optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid onder p, RWN in ontvangst neemt, moet onderzoeken of de optant voldoende informatie en bewijsmiddelen bij zijn optieverklaring heeft gevoegd om door de IND een evenredigheidstoets te laten uitvoeren. Zo nodig kan de bevoegde instantie advies vragen aan de IND of de informatie en bewijsmiddelen voldoende zijn. Zo nodig vraagt de bevoegde instantie aan de optant deze bewijsmiddelen aan te vullen. + +##### 3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND + +Als de optant bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van de bevestiging van de optieverklaring, kan de bevoegde instantie in de bezwaarfase een nieuw advies bij de IND vragen als in de bezwaarfase sprake is van nova. ### 6-2. Toelichting ad @@ -2312,7 +2395,7 @@ In de optieprocedure wordt zoveel mogelijk gestreefd naar inontvangstneming van Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer artikel 6 BvvN en paragraaf 2.2.5.1 en 2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN). -Uit art. 3:2 Awb vloeit voort dat de bevestiging van de optie zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat Nederlander worden plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.1Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 Ook als een optant is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 2.2.5.5. bij artikel 6, derde lid, RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. +Uit art. 3:2 Awb vloeit voort dat de bevestiging van de optie zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat Nederlander worden plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de Staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.8Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501. Ook als een optant is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 2.2.5.5. bij artikel 6, derde lid, RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. In **uitzondering** op vorenstaande wordt de bevestiging van een optie **niet** geweigerd vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de optant als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid BvvN naar waarheid invult en ondertekent. @@ -2326,7 +2409,7 @@ De optant, die in de PIVA is ingeschreven zonder een (gelegaliseerde/van apostil De Gouverneur vraagt de optant tevens een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) te overleggen, eventueel op basis van de verkregen buitenlandse geboorteakte. Als de optant stelt hierover niet te kunnen beschikken, dan verzoekt de Gouverneur betrokkene om met bewijsstukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort). De Gouverneur beslist uiteindelijk op grond van de door de optant overgelegde documenten of deze in aanmerking komt voor verkrijging van het Nederlanderschap door middel van optie. -De optant die afkomstig is uit een land zonder (erkend) centraal gezag moet eveneens zijn identiteit en nationaliteit aantonen. Hiertoe moet de optant documenten overleggen waarover hij de beschikking heeft, bijvoorbeeld een paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs en/of huwelijksakte. Conform de *‘Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken, alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken’*, kan niet om legalisatie en verificatie van deze documenten worden verzocht. Momenteel is alleen Somalië een land zonder (erkend) centraal gezag. Voor de vraag of sprake is van een land zonder (erkend) centraal gezag kan de Gouverneur contact opnemen met de ketenpartnerlijn van de IND. +De optant die afkomstig is uit een land zonder (erkend) centraal gezag moet eveneens zijn identiteit en nationaliteit aantonen. Hiertoe moet de optant documenten overleggen waarover hij de beschikking heeft, bijvoorbeeld een paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs en/of huwelijksakte. Conform de*‘Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken, alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken’*, kan niet om legalisatie en verificatie van deze documenten worden verzocht. Momenteel is alleen Somalië een land zonder (erkend) centraal gezag. Voor de vraag of sprake is van een land zonder (erkend) centraal gezag kan de Gouverneur contact opnemen met de ketenpartnerlijn van de IND. Er vindt geen uitwisseling van officiële stukken plaats met staten die door Nederland niet erkend zijn. De verzoeker mag daarom het naturalisatieverzoek indienen zonder een document (bij voorbeeld een geboorteakte) uit een dergelijk land. Dit geldt op dit moment voor documenten die uit Abchazië, Noord-Cyprus, Zuid-Ossetië of Taiwan zouden moeten komen. @@ -2336,6 +2419,12 @@ Vreemdelingen, die in de PIVA zijn opgenomen als staatloos, en die in het bezit Op www.ind.nl is een rapport uit 2016 opgenomen over staatloosheid in de wereld. Daarin is ook informatie opgenomen over mogelijkheden van geboorteregistratie bij staatlozen. +*Optanten met een reguliere verblijfsvergunning met verblijf bij asielgerechtigde(n)* + +Van reguliere optanten die in het bezit zijn van een van een asielgerechtigde afhankelijke verblijfsvergunning zal in de meeste gevallen niet worden verlangd dat zij een paspoort en/of geboorteakte overleggen. Van hen kan namelijk niet worden vereist dat ze zich wenden tot de autoriteiten van het land waaruit het asielgerechtigde gezins- en/of familielid is gevlucht voor het overleggen van buitenlandse bewijsstukken. + +Of een reguliere optant die in het bezit is van een van een asielgerechtigde afhankelijke verblijfsvergunning kan worden vrijgesteld van het documentenvereiste wordt per zaak op individuele merites beoordeeld. Als er sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld gerede twijfel aan de gestelde identiteit en/of nationaliteit) is het mogelijk dat wel een paspoort en/of geboorteakte verlangd wordt. + ####### 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument In beginsel moet de optant een geldig buitenlands reisdocument overleggen. Dit niet alleen in verband met de identificatie maar ook om de nationaliteit van de optant te kunnen ‘vaststellen’ en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Daartoe kan hij overleggen een reisdocument van het land waarvan hij de nationaliteit heeft of een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort. Daarnaast is kennis over de actuele nationaliteit van de vreemdeling, die krachtens artikel 6, lid 1, onder e RWN opteert voor het Nederlanderschap noodzakelijk omdat aan de hand daarvan wordt beoordeeld of deze optant na het verkrijgen van het Nederlanderschap afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De optant overlegt een geldig buitenlands reisdocument, tenzij hij op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. @@ -3046,6 +3135,8 @@ De afstandsverplichting geldt alleen voor optanten die op of na 1 oktober 2010 Een vreemdeling die een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN aflegt (vanaf het vierde levensjaar toelating en hoofdverblijf in een land van het Koninkrijk), moet in beginsel afstand doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem verlangd kan worden. Daarnaast zijn er categorieën optanten waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 6a, tweede lid, RWN). +Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen. + Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft indien één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit: 1. de optant die door verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit automatisch verliest; @@ -3062,19 +3153,23 @@ Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft indien één van de onders 12. de optant die is gehuwd met een Nederlander; 13. de optant die in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is erkend als vluchteling. -Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap. +Voor de toelichtingen wordt verwezen naar paragraaf 3 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en naar de toelichting op artikel 9, derde lid, RWN. Zie tevens artikel 6. Een optant die in de PIVA is ingeschreven als staatloze en derhalve wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een optant die in de PIVA is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Eerst indien deze optant aan de hand van de daarvoor geldende regels van de Verordening PIVA persoonsgegevens in de bevolkingsadministratie wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen. ### 6a-2-a. Toelichting ad -**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** - **Trb. 1994, 265** +**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** + **Trb. 1994, 265** **).** -Het doen van afstand wordt in dit geval niet verlangd. Immers bij de verkrijging van het Nederlanderschap verliest de optant automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963, tenzij de eigen wetgeving het behoud toestaat (en dat kan alleen in de gevallen die genoemd zijn in het tweede protocol). De vreemdeling hoeft daarom geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. +Voor een optant die onderdaan is van een staat die partij is bij het Tweede Protocol geldt de afstandsverplichting niet. -Momenteel zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat momenteel geen vreemdeling onder de bepaling valt. +De optant verliest bij de verkrijging van het Nederlanderschap automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. + +Uitzondering is de staat die partij is bij het Tweede Protocol, en de regels uit het Tweede Protocol in de eigen wetgeving opgenomen heeft. + +Sinds 4 juni 2010 zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat sinds 4 juni 2010 geen toepassing wordt gegeven aan deze bepaling. Voor de toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel bij artikel 9, derde lid, RWN. @@ -3345,7 +3440,7 @@ Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewij Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten (zie onder meer artikel 31 BvvN en paragraaf 3.5.1 en 3.5.3 hierna). -Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit art. 3:2 Awb voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond. 2Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:50 Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 3.5.5. bij artikel 7 RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. +Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit art. 3:2 Awb voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de Staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond. 9Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:50. Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 3.5.5. bij artikel 7 RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. In **uitzondering** op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek **niet** afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid BvvN naar waarheid invult en ondertekent. @@ -3369,6 +3464,10 @@ Vreemdelingen, van wie is vastgesteld dat zij als staatloos moeten worden aangem Op www.ind.nl is een rapport uit 2016 opgenomen over staatloosheid in de wereld. Daarin is ook informatie opgenomen over mogelijkheden van geboorteregistratie bij staatlozen. +Van reguliere vreemdelingen die in het bezit zijn van een van een asielgerechtigde afhankelijke verblijfsvergunning zal in de meeste gevallen niet worden verlangd dat zij een paspoort en/of geboorteakte overleggen. Van hen kan namelijk niet worden vereist dat ze zich wenden tot de autoriteiten van het land waaruit het asielgerechtigde gezins- en/of familielid is gevlucht voor het overleggen van buitenlandse bewijsstukken. + +Of een reguliere vreemdeling die in het bezit is van een van een asielgerechtigde afhankelijke verblijfsvergunning kan worden vrijgesteld van het documentenvereiste wordt per zaak op individuele merites beoordeeld. Als er sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld gerede twijfel aan de gestelde identiteit en/of nationaliteit) is het mogelijk dat wel een paspoort en/of geboorteakte verlangd wordt. + ###### 3.5.2. Buitenlands reisdocument De verzoeker moet in beginsel een geldig reisdocument overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Kennis over de actuele nationaliteit van de te naturaliseren vreemdeling is noodzakelijk omdat aan de hand daarvan wordt beoordeeld of de verzoeker na het verkrijgen van het Nederlanderschap afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Deze afstandsplicht is in beginsel een voorwaarde voor de naturalisatie. @@ -5204,7 +5303,7 @@ Voor het verkrijgen van documenten, alsmede voor de vertaling en, indien nodig, Kopieën van overgelegde verklaringen en documenten dienen in het dossier ten behoeve van de IND te worden gevoegd. -N.B. In Bijlage 1 bij dit artikellid is een lijst van landen opgenomen met vermelding of bij naturalisatie tot Nederlander al dan niet automatisch verlies intreedt, of het doen van afstand al dan niet mogelijk is, of het land partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en of het land partij is bij het Tweede Protocol. Voorts is achter sommige landen aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In dat geval kan betrokkene niet worden gevraagd een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt. +N.B. In Bijlage 1 bij dit artikellid is een lijst van landen opgenomen met vermelding of bij naturalisatie tot Nederlander al dan niet automatisch verlies intreedt, of het doen van afstand al dan niet mogelijk is, of het land partij is (geweest) bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en of het land partij is (geweest) bij het Tweede Protocol. Voorts is achter sommige landen aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In dat geval kan betrokkene niet worden gevraagd een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt. #### 5. Procedure afstandsverplichting bij @@ -5554,9 +5653,11 @@ Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor h • kinderen uit voornoemde huwelijken; • tweede-generatiemigranten, dat wil zeggen onderdanen van een verdragsstaat die zijn geboren in een andere verdragsstaat en daar wonen of hun gewone verblijfplaats hebben gedurende een periode die aanvangt voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. -In het geval dat de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een verdragspartij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. +Sinds 4 juni 2010 is alleen Nederland (hele Koninkrijk) partij bij het Tweede Protocol. Aan de bepalingen uit het Tweede Protocol wordt daarom sinds 4 juni 2010 in de praktijk geen uitvoering gegeven. -Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in artikel 11 RWN. Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. +Als de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een partij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. + +Met ingang van 1 april 2003 bepaalt artikel 9, derde lid, RWN dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in artikel 11 RWN. Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. @@ -5566,9 +5667,7 @@ Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is ### 9-3-a. Toelichting ad -**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265).** - -Voor een verzoeker die onderdaan is van een staat die partij is bij het Tweede Protocol geldt de afstandsverplichting niet. Van een Italiaan wordt niet verlangd dat hij afstand doet. Immers, bij zijn naturalisatie tot Nederlander verliest hij automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. +Voor een verzoeker die onderdaan is van een staat die partij is bij het Tweede Protocol geldt de afstandsverplichting niet. Immers, bij zijn naturalisatie tot Nederlander verliest hij automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. Zie verder paragraaf 1 van de toelichting op artikel 9, derde lid, RWN. ### 9-3-b. Toelichting ad @@ -6816,6 +6915,65 @@ B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid, Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen. +##### 2.5. Evenredigheidstoets Unieburgerschap + +De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.10HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN. + +De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap. + +De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +###### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap + +De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). + +De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: + +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, lid 2, aanhef onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. + +###### 2.5.2. Bewijslast + +Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek. + +###### 2.5.3. Individueel belang + +Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden + +Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is. + +Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert. + +Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. + +Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen. + +Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind. + +###### 2.5.4. Algemeen belang + +Op grond van artikel 14, eerste lid, RWN kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding. + +De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten: + +• de ernst van de gepleegde inbreuk; +• het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit; en +• de mogelijkheid van betrokkene om zijn vroegere nationaliteit terug te krijgen. + +###### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets + +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. + +###### 2.5.6. Weging belangen + +De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + #### 3 Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan onze Minister, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de PIVA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring. @@ -7078,6 +7236,69 @@ Is het een minderjarige die onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, gen Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen. +##### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap + +De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unirecht.11HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN. + +De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap. + +De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +###### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap + +De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). + +De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: + +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, lid 2, aanhef onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. + +###### 2.4.2. Bewijslast + +Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek. + +###### 2.4.3. Individueel belang + +Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden + +Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is. + +Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert. + +Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. + +Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen. + +Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind. + +###### 2.4.4. Algemeen belang + +Op grond van artikel 14, tweede lid, RWN, kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat. + +Het belang van de staat is dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onherroepelijk veroordeelde persoon zijn band met het Koninkrijk heeft opgezegd. Hierom komt geen belang toe aan het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe, gelet op de aard van de door + +betrokkene gepleegde vergrijpen. + +De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten: + +• de ernst van de gepleegde inbreuk; +• het gedrag van betrokkene; en +• het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit. + +###### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets + +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. + +###### 2.4.6. Weging belangen + +De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + #### 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling Op de procedure tot intrekking op grond van artikel 14, tweede lid, en op de te verrichten administratieve handelingen na het besluit tot intrekking zijn de bepalingen neergelegd in het BVVN van toepassing. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 70 van het BVVN. @@ -7145,6 +7366,65 @@ Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Kon Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie. +##### 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap + +De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN. + +De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap. + +De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +###### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap + +De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). + +De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: + +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, lid 2, aanhef onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. + +###### 2.2.2. Bewijslast + +Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek. + +###### 2.2.3. Individueel belang + +Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden. + +Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is. + +Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert. + +Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. + +Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen. + +Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind. + +###### 2.2.4. Algemeen belang + +Op grond van artikel 14, derde lid, RWN kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap. + +De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten: + +• de ernst van de gepleegde inbreuk; +• het gedrag van betrokkene; en +• het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit. + +###### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets + +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. + +###### 2.2.6. Weging belangen + +De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + ### 14-4. Ad **Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.** @@ -7213,6 +7493,68 @@ Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkin Op grond van artikel 68c, tweede lid, BVVN dient reeds bij de intrekking van het Nederlanderschap expliciet te worden getoetst aan artikel 8 EVRM. De reden hiervoor is dat intrekking op deze grond in alle gevallen gepaard zal gaan met het weigeren van de toegang tot Nederland, en derhalve een inbreuk kan vormen op het recht op gezinsleven en het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. De toets aan artikel 8 EVRM wordt opgenomen in het besluit tot ongewenstverklaring. +##### 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap + +De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN. + +De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap. + +De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +###### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap + +De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). + +De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: + +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, lid 2, aanhef onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. + +###### 2.2.2. Bewijslast + +Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek. + +###### 2.2.3. Individueel belang + +Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden + +Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is. + +Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert. + +Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. + +Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen. + +Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind. + +###### 2.2.4. Algemeen belang + +Op grond van artikel 14, vierde lid RWN, kan de IND het Nederlanderschap intrekken in het belang van de nationale veiligheid. + +Het belang is gelegen in de bescherming van de openbare orde en/of de nationale veiligheid. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe. + +De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten: + +• de ernst van de gepleegde inbreuk; +• het gedrag van betrokkene; +• de mate van actueel gevaar van betrokkene; en +• het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit. + +###### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets + +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. + +###### 2.2.6. Weging belangen + +De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + #### 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, RWN wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). Artikel 4:11 Awb verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen. @@ -7409,15 +7751,21 @@ Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een v ##### 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap -Ingevolge artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene: +Op grond van artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene: -– in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft; óf -– vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; óf -– is gehuwd met een persoon die die andere nationaliteit bezit. +− in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft; óf +− vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; óf +− is gehuwd met een persoon die die andere nationaliteit bezit. -Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die wel partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb. 1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland, Curaçao, Sint Maarten en Aruba in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN). +Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN). -Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN). Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘*geboren in het land van die andere nationaliteit*’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het *‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad*’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 1.3. +Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die wel partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb. 1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland, Curaçao, Sint Maarten en Aruba in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN). + +Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN). + +Zie ook de toelichting op artikel 15, tweede lid, RWN, waarin is aangegeven wanneer de uitzondering van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN niet van toepassing is. + +Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘*geboren in het land van die andere nationaliteit*’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het *‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad*’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 1.3. ##### 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging @@ -7597,9 +7945,11 @@ Alexandre had echter het verlies van het Nederlanderschap kunnen voorkomen door **Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.** -Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Dit is alleen anders indien iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). +#### 1. Algemeen -Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten. +Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). + +Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten. Buitenlandse documenten die niet in het Nederlands, Engels, Duits of Frans zijn opgesteld moeten in principe worden vertaald. De genaturaliseerde is zelf verantwoordelijk voor het laten vertalen van de door hem of haar ingebrachte documenten. Als uit een overgelegd document, dat niet vertaald is, niet valt af te leiden wat de inhoud van het stuk is, dan kan aan het document geen waarde voor wat betreft de afstandsprocedure worden toegekend. @@ -7611,49 +7961,126 @@ Als een afstandsplichtige die een afstandsverzoek heeft ingediend drie jaar nada • Betrokkene heeft voldoende stappen ondernomen en er is nog voortgang te verwachten. In dat geval sluit de IND de procedure niet af en wordt gewacht op een bewijs van afstand. • Betrokkene heeft niet aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om afstand te doen. In dat geval kan de IND overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend. -Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. +#### 2. Intrekking van het Nederlanderschap -Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van artikel 14, eerste lid, RWN – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben ten aanzien van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN). +Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. + +Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van artikel 14, eerste lid, RWN – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN). + +#### 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap + +De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). + +De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap. + +De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +##### 3.1. Rechten Unieburgerschap + +De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). + +De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten: + +• het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 20, tweede lid aanhef en onder a, VWEU); +• het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat (artikel 20, lid 2, aanhef onder b VWEU); +• het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, VWEU); +• het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), gelezen in samenhang met het in artikel 24, tweede lid, van het in het Handvest neergelegde belang van het kind. + +##### 3.2. Bewijslast + +Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek. + +##### 3.3. Individueel belang + +Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden + +Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is. + +Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert. + +Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap. + +Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen. + +Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind. + +##### 3.4. Algemeen belang + +Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht. + +De IND betrekt bij de toets of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is het feit dat betrokkene al vanaf het begin van de naturalisatieprocedure er op is gewezen dat hij afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. + +##### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets + +Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. + +##### 3.6. Weging belangen + +De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. + +De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar. + +#### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN. -De IND deelt direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. +#### 5. Gevolgen van de intrekking + +De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3. -Ingevolge artikel 70, eerste lid, BvvN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de PIVA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent: +#### 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit + +Op grond van artikel 70, eerste lid, BvvN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent: • dat bij het bekend zijn van de woon- of verblijfplaats van de betrokken persoon het afschrift van het besluit wordt gezonden aan dat adres en bij het niet bekend zijn daarvan toezending geschiedt aan het laatst bekende adres (onder beide omstandigheden geschiedt de verzending aan de rechtstreeks betrokkene(n) aangetekend en met ontvangstbevestiging); -• dat, als de IND dat noodzakelijk acht, uitreiking van het afschrift van het besluit plaatsvindt (zie de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN); -• dat, als de IND nodig acht, hij het besluit tot intrekking publiceert in een of meer lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant, de Landscourant van Sint Maarten of de Landscourant van Aruba, al naar gelang de vermoedelijke verblijfplaats. +• dat, als de IND dat namens Onze Minister noodzakelijk acht, uitreiking van het afschrift van het besluit plaatsvindt (zie de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN); +• dat, als de IND dat namens Onze Minister nodig acht, hij het besluit tot intrekking publiceert in een of meer lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de Staatscourant, de Curaçaose Courant, de Landscourant van Sint Maarten of de Landscourant van Aruba, al naar gelang de vermoedelijke verblijfplaats. + +#### 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit Wordt de Gouverneur door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat: -– het besluit tot intrekking wordt verwerkt in de PIVA; -– de Nederlandse reisdocumenten die zijn uitgereikt aan betrokkene – en zijn eventuele kinderen die in het verlies hebben gedeeld (zie artikel 16 RWN) – overeenkomstig de Paspoortwet worden ingenomen; -– De NTO (Nieuwe Toelatingsorganisatie op Curaçao) c.q. de IGS (Immigratie en grensbewakingsdienst op Sint Maarten) wordt ingelicht met betrekking tot de nationaliteitsmutatie(s); -– betrokkenen worden verwezen naar de NTO c.q. de IGD, zulks in verband met het regelen van hun verblijfsrechtelijke positie; -– in voorkomende gevallen de akten van de burgerlijke stand worden bijgewerkt (vergelijk ook artikel 70, tweede lid, BvvN). +• het besluit tot intrekking wordt verwerkt in de PIVA; +• de Nederlandse reisdocumenten die zijn uitgereikt aan betrokkene – en zijn eventuele kinderen die in het verlies hebben gedeeld (zie artikel 16 RWN) – overeenkomstig de Paspoortwet worden ingenomen; +• de NTO (Nieuwe Toelatingsorganisatie op Curaçao) c.q. de IGS (Immigratie en grensbewakingsdienst op Sint Maarten) wordt ingelicht met betrekking tot de nationaliteitsmutatie(s); +• betrokkenen worden verwezen naar de NTO c.q. de IGD, zulks in verband met het regelen van hun verblijfsrechtelijke positie; +• in voorkomende gevallen de akten van de burgerlijke stand worden bijgewerkt (vergelijk ook artikel 70, tweede lid, BvvN). -De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit artikel 14, achtste lid, RWN volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, geen staatloosheid tot gevolg mag hebben. +#### 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit -Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de Gouverneur, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door de Minister van Justitie van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht. +De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit artikel 14 lid 8 RWN volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van artikel 14 lid 1 RWN, geen staatloosheid tot gevolg mag hebben. -Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de Gouverneur wederom door de IND in kennis gesteld. +#### 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit + +Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. + +Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. + +De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht. + +Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld. + +#### 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap Als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure aantoont dat hij afstand heeft gedaan na de datum van het intrekkingsbesluit, kan de IND besluiten het bezwaar tegen de intrekking gegrond te verklaren. Ook kan de IND in de bezwaarprocedure besluiten betrokkene alsnog meer tijd te geven om afstand te doen als tijdens die procedure is gebleken dat betrokkene door omstandigheden niet al het mogelijke heeft kunnen doen om afstand te doen en de IND daar eerder niet van wist. -De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.5Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336 Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden. +#### 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het koninklijk besluit -Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing is dat na de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel niet meer met succes een beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingcategorieën, die zijn geformuleerd voor de nadere uitvoering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b RWN en zijn vastgelegd in artikel 6 RvvN. Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen. +De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336. Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden. + +Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing is dat na de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel niet meer met succes een beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingcategorieën, die zijn geformuleerd voor de nadere uitvoering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en zijn vastgelegd in artikel 6 RvvN. Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen. Ontheffing van de afstandsplicht kan in ieder geval wel aan de orde zijn als: -• na het KB blijkt dat op betrokkene een van de vrijstellingsgronden van artikel 9, derde lid RWN van toepassing was op de datum van het KB. +• na het KB blijkt dat op betrokkene een van de vrijstellingsgronden van artikel 9, derde lid, RWN van toepassing was op de datum van het KB. • na het KB na jaren van pogingen van betrokkene om afstand te doen, gebleken is dat de betreffende autoriteiten daar niet aan meewerken (zie artikel 58, derde lid jo artikel 60 BvvN); of -• na het KB de wetgeving van het land van de oorspronkelijke nationaliteit is gewijzigd, waardoor betrokkene na het KB alsnog voldoet aan het gestelde in artikel 6, eerste lid onder a of b, RvvN. +• na het KB de nationaliteitswetgeving van het land van de oorspronkelijke nationaliteit is gewijzigd, waardoor betrokkene na het KB alsnog voldoet aan het gestelde in artikel 6, eerste lid onder a of b, RvvN. -Een verzoek om ontheffing van de afstandsverplichting wordt in beginsel geweigerd als betrokkene daarvoor ten aanzien van één van de bestaande beleidsmatige uitzonderingcategorieën van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b RWN feiten en/of omstandigheden aanvoert die hij ook al voor de naturalisatiedatum had kunnen weten of zich had kunnen realiseren. Ook gewijzigde persoonlijke omstandigheden of gewijzigde omstandigheden in het land van de andere nationaliteit (niet zijnde gewijzigde regels of praktijken ten aanzien van het doen van afstand) na verkrijging van het Nederlanderschap kunnen in beginsel niet leiden tot ontheffing van de afstandsverplichting. +Een verzoek om ontheffing van de afstandsverplichting wordt in beginsel geweigerd als betrokkene daarvoor ten aanzien van één van de bestaande beleidsmatige uitzonderingcategorieën van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN feiten en/of omstandigheden aanvoert die hij ook al voor de naturalisatiedatum had kunnen weten of zich had kunnen realiseren. Ook gewijzigde persoonlijke omstandigheden of gewijzigde omstandigheden in het land van de andere nationaliteit (niet zijnde gewijzigde regels of praktijken ten aanzien van het doen van afstand) na verkrijging van het Nederlanderschap kunnen in beginsel niet leiden tot ontheffing van de afstandsverplichting. In gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan de IND betrokkene op grond van artikel 60 BvvN ontheffen van de afstandsplicht. @@ -7689,6 +8116,14 @@ c. **die gehuwd is met een persoon die die andere nationaliteit bezit.** Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1. +Met de uitzondering van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is beoogd te komen tot het wegnemen van een drempel voor het aannemen van de nationaliteit van de andere echtgenoot in “nationaliteitsrechtelijk gemengde huwelijken”. Om diverse redenen werd het wenselijk geacht dat de Nederlandse echtgenoot in een dergelijk geval de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt. Daardoor krijgt betrokkene alle rechten en plichten van een staatsburger van het land waarvan hij de nationaliteit verwerft (het land van de echtgenoot) en kan hij volledig integreren en deelnemen aan het politieke leven in dat land. Om die wenselijk geachte stap te vergemakkelijken is, als uitzondering op de hoofdregel van het verlies van Nederlanderschap bij naturalisatie in een ander land, in de RWN bepaald dat in dat geval het Nederlanderschap behouden blijft.15Zie TK 1997-1998, 25 891 (R1609), nr. 3, p 1-3. + +Artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is dus niet van toepassing als twee echtelieden met de Nederlandse nationaliteit gelijktijdig, op dezelfde dag, een andere nationaliteit verkrijgen. De echtelieden zijn in die situatie niet gehuwd met een persoon die de andere nationaliteit (al) ‘bezit’.16Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7378). + +De heer A is gehuwd met mevrouw B. Beiden zijn in het bezit van het Nederlanderschap. Zij wonen sinds 2018 in het Verenigd Koninkrijk. Op 10 januari 2023 verkrijgen zowel de heer A als mevrouw B tegelijkertijd vrijwillig de Britse nationaliteit. Het echtpaar verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 10 januari 2023 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. + +De heer C is gehuwd met mevrouw D. De heer C is in het bezit van het Nederlanderschap en mevrouw D is in het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij wonen sinds 14 februari 2015 in de Verenigde Staten van Amerika. Op 12 december 2022 verkrijgen zowel de heer C als mevrouw D vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit. De heer C verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 12 december 2023 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Hij heeft niet de nationaliteit van het land van zijn echtgenote verkregen, want de echtgenote is Zuid-Afrikaanse. + ### 15-3. Toelichting ad **De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.** @@ -7709,46 +8144,66 @@ Geen. ### 15a-alg. Toelichting algemeen -De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. +De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. -Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de RWN. Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS. +Die volkenrechtelijke verplichtingen volgen uit: + +het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4) betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag; + +de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). + +De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het artikel 15A RWN, maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS. + +Bij het Verdrag van Straatsburg zijn op dit moment alleen Nederland en Oostenrijk partij. Bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265), dat een uitzondering biedt op de verliesgronden uit het Verdrag van Straatsburg, is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij (zie verder de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, RWN). ### 15a-a. Toelichting ad -**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** - **Trb. 1964, nr. 4** - **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** - **Trb. 1994, nr. 265** - **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.** +Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2^e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag. -Van verlies als bedoeld in deze bepaling is alleen sprake in geval van verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Italië, Luxemburg, Nederland (gehele Koninkrijk) en Oostenrijk. Het verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002. +Van verlies als bedoeld in Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is alleen sprake bij verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag toepassen of toegepast hebben. -Tot 28 april 2008 gold deze verdragsverplichting ook voor België. Voor België is op 19 juli 1991 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 19 juli 1991 en 28 april 2008 de Belgische nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 28 april 2008 is voor België de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +*Partijen bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg (nu en in het verleden):* -Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. Voor Frankrijk is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol (in tegenstelling tot het Verdrag zelf) heeft geen rechtstreekse werking, maar heeft uitvoering gekregen door middel van artikel 15a RWN per 1 april 2003. +Nederland (gehele Koninkrijk): vanaf 10 juni 1985; -Tot 9 juli 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Luxemburg. Voor Luxemburg is op 12 november 1971 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 9 juli 2009 de Luxemburgse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 9 juli 2009 is voor Luxemburg de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Oostenrijk: vanaf 1 september 1975; -Tot 4 juni 2010 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Italië. Voor Italië is het Verdrag van Straatsburg op 27 februari 1968 van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 4 juni 2010 de Italiaanse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 4 juni 2010 is voor Italië de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +België: van 19 juli 1991 tot 28 april 2008; -Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol heeft, in tegenstelling tot het Verdrag zelf, geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van artikel 15, tweede lid, 15a, 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g en 16a RWN. +Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015; -Denemarken heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015. Voor Denemarken is op 17 december 1972 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 26 augustus 2015 is voor Denemarken de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002; -Noorwegen heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 27 december 1969 tot 19 december 2019. Voor Noorwegen is op 27 december 1969 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 19 december 2019 is voor Noorwegen de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Frankrijk: van 28 maart 1968 tot 5 maart 2009 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder); -Nu vanaf 4 juni 2010 alleen Nederland nog is aangesloten bij het Tweede Protocol heeft het Tweede Protocol enkel nog betekenis voor Nederland zelf. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol. +Italië: van 10 juni 1985 tot 4 juni 2010 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder); -Hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dus ook dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg), ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag. +Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009; -Het gestelde in de vorige alinea geldt echter niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn: +Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019; + +Zweden: van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. + +Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor. + +De Nederlander, die vrijwillig de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, verliest nog steeds automatisch zijn Nederlandse nationaliteit. + +Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn: • echtgenoten, die onderdaan zijn van verschillende verdragsluitende partijen; • kinderen van wie de ouders onderdaan zijn van verschillende verdragsluitende partijen en die de nationaliteit van één van de ouders verkrijgen; • onderdanen van een verdragsland, die geboren zijn in een ander verdragsland en daar verblijf hebben; • onderdanen van een verdragsland, die gedurende een bepaalde periode, aanvangende vóór het bereiken van de achttienjarige leeftijd, gewoon verblijf hebben in een ander verdragsland. -Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN van artikel 15, tweede lid, RWN en overigens ook van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN (vergelijk ook de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN en de tweede zin van artikel 16A RWN). Het Tweede Protocol is op 24 maart 1995 in werking getreden voor Frankrijk en Italië en is sedert 20 augustus 1996 ook voor Nederland van kracht. Echter, tot 1 april 2003 is door Nederland in de eigen interne wetgeving geen uitvoering gegeven aan het Tweede Protocol. +Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in artikel 15, tweede lid, RWN en in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN. + +Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009 + +Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010 + +Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003. + +Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol. Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij: @@ -8123,30 +8578,15 @@ Geen. Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als artikel 15A, aanhef en onder a, RWN voor meerderjarigen. Het gestelde bij artikel 15A, aanhef en onder b, RWN hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Nu deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn, is het uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt. -Artikel 16A RWN, welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Nederland (gehele Koninkrijk) en Oostenrijk. Het verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002. +Artikel 16A RWN, welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. -Tot 28 april 2008 gold deze verdragsverplichting ook voor België. Voor België is op 19 juli 1991 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 19 juli 1991 en 28 april 2008 de Belgische nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 28 april 2008 is voor België de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Een overzicht van landen die partij zijn bij het Verdrag van Straatsburg of die dat in het verleden zijn geweest is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN. -Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg is, dat minderjarige onderdanen van een verdragstaat hun nationaliteit verliezen als zij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet. -Tot 9 juli 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Luxemburg. Voor Luxemburg is op 12 november 1971 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 9 juli 2009 de Luxemburgse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 9 juli 2009 is voor Luxemburg de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. +Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt – op onderdelen – niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Omdat sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij is bij het Tweede Protocol wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN. -Tot 4 juni 2010 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Italië. Voor Italië is op 27 februari 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 4 juni 2010 de Italiaanse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 4 juni 2010 is voor Italië de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol (in tegenstelling tot het Verdrag zelf) heeft geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van artikel 15, tweede lid, 15a, 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g en 16a RWN. - -Denemarken heeft Hoofdstuk I van het verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015. Voor Denemarken is op 17 december 1972 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 26 augustus 2015 heeft Denemarken haar verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. - -Noorwegen heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 27 december 1969 tot 19 december 2019. Voor Noorwegen is op 27 december 1969 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 19 december 2019 is voor Noorwegen de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. - -Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg is, dat minderjarige onderdanen van een verdragstaat hun nationaliteit verliezen indien zij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet. - -Het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld zijn: - -• echtgenoten, die onderdanen van verschillende verdragsluitende partijen zijn; -• kinderen van wie de ouders onderdanen van verschillende verdragsluitende partijen zijn en die de nationaliteit van een van de ouders verkrijgen; -• onderdanen van een verdragstaat, die geboren zijn in een ander verdragstaat en daar verblijf hebben; -• onderdanen van een verdragstaat, die gedurende een bepaalde periode, aanvangende vóór het bereiken van de achttienjarige leeftijd, gewoon verblijf hebben in een andere verdragstaat. - -Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming van artikel 15, tweede lid, RWN en artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN (vergelijk ook artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin en artikel 16A RWN, tweede zin). Het Tweede Protocol is op 24 maart 1995 in werking getreden voor Frankrijk en Italië en is sedert 20 augustus 1996 ook voor Nederland van kracht. Echter, tot 1 april 2003 is door Nederland in de eigen interne wetgeving geen uitvoering gegeven aan het Tweede Protocol. Voor alle nationaliteiten van de verdragstaten geldt derhalve de hoofdregel dat het Nederlanderschap verloren gaat, behalve bij de verkrijging van de Franse (tot 5 maart 2009) of de Italiaanse (tot 4 juni 2010) nationaliteit door de Nederlandse minderjarige, waarbij de minderjarige valt onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f of g, RWN. +Een overzicht van landen die partij zijn (geweest) bij het Tweede Protocol is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN. De RWN voorziet in de mogelijkheid van verlies als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg, namelijk in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN. Echter, alleen indien de minderjarige dezelfde nationaliteit heeft verkregen als zijn vader of moeder en bovendien geen sprake is van de in artikel 16, tweede lid, RWN genoemde uitzonderingen. Voor de beoordeling van de vraag of een minderjarige het Nederlanderschap al dan niet heeft verloren, heeft artikel 16A RWN dan ook geen zelfstandige betekenis en kan worden volstaan met toepassing van artikel 16 RWN.