2017-04-01 | BWBR0014394 | Mijnbouwbesluit
This commit is contained in:
parent
fc70a16886
commit
59459cc4a4
1 changed files with 73 additions and 21 deletions
|
|
@ -24,7 +24,11 @@ c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten waarop artikel 49, eerste en vijfde lid, v
|
|||
d. de uitvoerder: de in artikel 41, vierde lid, van de wet bedoelde persoon;
|
||||
e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hieromtrent geen regels zijn gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;
|
||||
f. inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet;
|
||||
g. veiligheids- en milieukritische elementen: onderdelen van een installatie, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van een zwaar ongeval.
|
||||
g. veiligheids- en milieukritische elementen: onderdelen van een installatie, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van een zwaar ongeval;
|
||||
g. brijn: water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater;
|
||||
h. Kustwacht Nederland: een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie opgerichte organisatie die door deze ministers als Kustwacht Nederland is aangeduid;
|
||||
i. Kustwachtcentrum: het voor de uitvoering van kustwachttaken opgerichte informatiecentrum van de Kustwacht Nederland;
|
||||
j. stimuleren: het bewerken van een voorkomen om de productiviteit of injectiviteit te verbeteren.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -37,7 +41,8 @@ b. werken voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte;
|
|||
c. werken voor het opslaan van stoffen en het terughalen van opgeslagen stoffen met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. water ten behoeve van het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste van 500 meter;
|
||||
2°. water ten behoeve van drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
2°. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
3°. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
d. werken voor het bewerken van gewonnen delfstoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
e. werken voor het bewerken van stoffen voorafgaande aan de opslag ervan dan wel voor het bewerken van opgeslagen en teruggehaalde stoffen voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
f. werken voor het meten en registreren van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
|
|
@ -124,10 +129,19 @@ Tenminste vier weken voor de aanvang van een verkenningsonderzoek, verstrekt de
|
|||
|
||||
a. gegevens omtrent de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht;
|
||||
b. een kaart waarop is aangegeven het gebied waarin en de lijnen waarlangs het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de naam van de opdrachtnemer;
|
||||
c. de data waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht, en
|
||||
d. indien bij het verkenningsonderzoek op zee gebruik gemaakt zal worden van vaartuigen: de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van die vaartuigen.
|
||||
c. de data waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht;
|
||||
d. indien bij het verkenningsonderzoek op zee gebruik gemaakt zal worden van vaartuigen: de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van die vaartuigen;
|
||||
e. indien het verkenningsonderzoek wordt verricht in oppervlaktewater dat matig of druk wordt bevaren als bedoeld in artikel 16, respectievelijk artikel 17:
|
||||
|
||||
**2.** De onderzoeker doet de inspecteur-generaal der mijnen onmiddellijk mededeling van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde gegevens.
|
||||
1°. informatie over de bekwaamheid en ervaring van de persoon die contact houdt met de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied;
|
||||
2°. informatie over het vaartuig en de uitrusting van het vaartuig met betrekking tot radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur, waarop de persoon, bedoeld onder 1°, zich bevindt, en
|
||||
f. indien het verkenningsonderzoek wordt verricht in oppervlaktewater dat druk wordt bevaren wordt tevens informatie als bedoeld in onderdeel e verstrekt over de persoon en de vaartuigen die de persoon, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, bijstaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, na instemming van Onze Minister op een later tijdstip voorafgaande aan het verkenningsonderzoek worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** De onderzoeker doet de inspecteur-generaal der mijnen onmiddellijk mededeling van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een onderzoeker het verkenningsonderzoek in oppervlaktewater uitvoert, kan de inspecteur-generaal der mijnen een onderzoeker verplichten door de inspecteur-generaal aangewezen ambtenaren te vervoeren met een daartoe geschikt vervoermiddel naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar een verkenningsonderzoek wordt of zal worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.2. Algemene regels voor verkenningsonderzoek in oppervlaktewater
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,7 +217,7 @@ b. het verkenningsvaartuig wordt begeleid door ten minste twee vaartuigen die to
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bekend als de rede van Hoek van Holland en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in gebieden die deel uit maken van de territoriale zee en het continentaal plat, die bij ministeriële regeling zijn aangewezen als aanloopgebied Hoek van Holland.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.4. Gebruik ontplofbare stoffen bij verkenningsonderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -255,7 +269,7 @@ Het winningsplan, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet voor de winning
|
|||
|
||||
a. een beschrijving van de verwachte hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige koolwaterstoffen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment;
|
||||
b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
|
||||
c. een beschrijving van de wijze van de winning;
|
||||
c. een beschrijving van een wijze van winning die niet in strijd is met de bij of krachtens dit besluit geldende wettelijke voorschriften inzake winning van koolwaterstoffen;
|
||||
d. een beschrijving van het mijnbouwwerk en de ligging ervan;
|
||||
e. een opgaaf van het aantal boorgaten dat bij de winning wordt gebruikt;
|
||||
f. een opgaaf van de volgorde en het tijdsbestek van het maken van de boorgaten;
|
||||
|
|
@ -334,7 +348,8 @@ b. stoffen die gebruikt worden voor:
|
|||
c. stoffen die met de activiteiten, genoemd in onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°, onvermijdelijk boven de oppervlakte meekomen, en worden teruggebracht in hetzelfde of een vergelijkbaar voorkomen als waaruit deze afkomstig zijn;
|
||||
d. hemelwater dat is gevallen op het mijnbouwwerk en het terrein eromheen;
|
||||
e. water dat wordt gebruikt voor het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
f. water ten behoeve van drinkwatervoorziening als bedoeld in de Waterleidingwet.
|
||||
f. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.4. Nadere regelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -661,6 +676,14 @@ g. het beoogde tijdstip van de sluiting.
|
|||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het sluitingplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 40a
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder doet binnen een termijn van een jaar nadat de opsporing is beëindigd, melding aan de inspecteur-generaal der mijnen van het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een voor opsporing bestemd mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid begint de termijn, bedoeld in het eerste lid, indien een aanvraag om een winningsvergunning is ingediend, nadat op deze aanvraag onherroepelijk is beslist tot het niet verlenen van een winningsvergunning.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de melding overlegt de uitvoerder een beschrijving als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdelen a tot en met e, met betrekking tot de maatregelen die zijn uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.1. Algemeen
|
||||
|
|
@ -687,7 +710,9 @@ Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewat
|
|||
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de landsverdediging.
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de landsverdediging of veiligheid.
|
||||
|
||||
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 44a
|
||||
|
||||
|
|
@ -695,11 +720,23 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanvra
|
|||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie te plaatsen in gebieden die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie, daaronder mede begrepen een veiligheidszone als bedoeld in artikel 43 van de wet, te plaatsen in gebieden die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de scheepvaart.
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de scheepvaart of veiligheid.
|
||||
|
||||
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 45a
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie, daaronder mede begrepen een veiligheidszone als bedoeld in artikel 43 van de wet, te plaatsen in een gebied, dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de elektriciteitsopwekking of de veiligheid.
|
||||
|
||||
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
|
|
@ -711,11 +748,15 @@ Het plaatsen van een mijnbouwinstallatie gebeurt zodanig dat in de zeebodem aanw
|
|||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voorafgaande aan het plaatsen van een mijnbouwinstallatie verricht de uitvoerder onderzoek naar:
|
||||
|
||||
a. de gesteldheid van de bodem waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden met het oog op de stabiliteit van de installatie, en
|
||||
b. de aanwezigheid van obstakels in de onmiddellijke omgeving van de locatie waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder meldt twee weken voor de uitvoering van het onderzoek dit voornemen aan de directeur Kustwacht.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Onmiddellijk na het plaatsen van de mijnbouwinstallatie, verstrekt de uitvoerder aan de inspecteur-generaal der mijnen nauwkeurige gegevens omtrent de locatie van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
|
@ -928,9 +969,9 @@ De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bed
|
|||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
**1.** Bij het aanleggen, gebruiken, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.
|
||||
**1.** Bij het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, gebruiken, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.
|
||||
|
||||
**2.** Het aanleggen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid en in aanwezigheid van de uitvoerder. Het gebruiken van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid van de uitvoerder.
|
||||
**2.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid en in aanwezigheid van de uitvoerder. Het gebruiken van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid van de uitvoerder.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
|
|
@ -979,7 +1020,7 @@ c. het in artikel 72 bedoelde buiten werking stellen.
|
|||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** Het aanleggen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder opgesteld werkprogramma.
|
||||
**1.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder opgesteld werkprogramma.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder informeert de inspecteur-generaal der mijnen ten minste zeven dagen voor het tijdstip waarop met onderhoudswerkzaamheden van een boorgat wordt aangevangen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -995,7 +1036,7 @@ c. het in artikel 72 bedoelde buiten werking stellen.
|
|||
|
||||
### Artikel 76
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder maakt dagelijks een rapport op van het aanleggen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat en brengt het rapport onmiddellijk ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
**1.** De uitvoerder maakt dagelijks een rapport op van het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat en brengt het rapport onmiddellijk ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder brengt binnen vier weken na het voltooien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten een desbetreffend eindrapport ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1003,7 +1044,7 @@ c. het in artikel 72 bedoelde buiten werking stellen.
|
|||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels dan wel nadere regels gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. de inhoud van het in artikel 74 bedoelde werkprogramma, voor zover het betreft het aanleggen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat, en het tijdstip waarop het werkprogramma aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt gezonden alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij worden overgelegd;
|
||||
a. de inhoud van het in artikel 74 bedoelde werkprogramma, voor zover het betreft het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat, en het tijdstip waarop het werkprogramma aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt gezonden alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij worden overgelegd;
|
||||
b. de inhoud van de in artikel 76 bedoelde rapporten en de wijze waarop deze rapporten ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen worden gebracht.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan
|
||||
|
|
@ -1472,12 +1513,16 @@ Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 6.1 tot en
|
|||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, verstrekt Onze Minister desgevraagd en binnen een door de minister te bepalen termijn de volgende gegevens die bij het verkenningsonderzoek zijn verkregen:
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, dan wel een latere verkrijger van gegevens uit het verkenningsonderzoek, verstrekt Onze Minister de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de resultaten van verricht geofysisch onderzoek;
|
||||
b. de resultaten van verricht geochemisch onderzoek, of
|
||||
c. de resultaten van verricht geologisch onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens, binnen welke termijn en in welke gevallen aan Onze Minister worden verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1533,7 +1578,7 @@ d. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 15 maart de volgende gegevens:
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 1 maart de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de door de uitvoerder voor het voorkomen gebezigde naam;
|
||||
b. de opsporings- of winningsvergunning of opsporings- of winningsvergunningen waaronder het voorkomen is gelegen;
|
||||
|
|
@ -1544,7 +1589,7 @@ f. de verwachte jaarlijks te winnen hoeveelheden delfstoffen, tot het moment waa
|
|||
g. eventueel gebruik van het voorkomen voor opslag;
|
||||
h. de reservoirdruk, voor zover bekend;
|
||||
i. het feitelijk gebruik van de in het voorkomen aanwezige boorgaten, en
|
||||
j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b en k, voor zover de gegevens wezenlijk afwijken van het ingediende winningsplan.
|
||||
j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b, c en k, voor zover de gegevens wezenlijk afwijken van het ingediende winningsplan.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister daarnaast jaarlijks de verwachte hoeveelheden winbare delfstoffen per vermoedelijk voorkomen in het vergunningsgebied dat niet door middel van opsporing is aangetoond, alsmede de daarbij behorende structuurkaarten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1572,7 +1617,14 @@ paragraaf 7.1. verstrekte gegevens zorgvuldig. De instellingen zijn verplicht de
|
|||
|
||||
**2.** Op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing, totdat vijf jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Op de gegevens en de monsters, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen c tot en met j, is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing, totdat tien jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid is artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing op de gegevens, bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel a, totdat een termijn van tien jaren is verstreken, indien:
|
||||
|
||||
a. het verkenningsonderzoek niet is uitgevoerd door of in opdracht van een uitvoerder die voor het desbetreffende gebied over een vergunning beschikt om delfstoffen op te sporen, te winnen of op te slaan en
|
||||
b. de resultaten gedurende de termijn van tien jaren, bedoeld in de aanhef, tegen een redelijke vergoeding voor eenieder ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Op de gegevens, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen c tot en met j, is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing, totdat tien jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 117
|
||||
|
||||
|
|
@ -1969,7 +2021,7 @@ De bedragen, bedoeld in artikel 133, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden
|
|||
a. een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Mijnbouwwet;
|
||||
b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Mijnbouwwet;
|
||||
c. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet met betrekking tot een inrichting of mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, van het Besluit omgevingsrecht;
|
||||
d. een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet;
|
||||
d. een vergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, respectievelijk, artikel 43, vierde lid, van de Mijnbouwwet;
|
||||
e. een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit;
|
||||
f. een instemming als bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, en 55, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit;
|
||||
g. een ontheffing krachtens dit besluit of een krachtens dit besluit vastgestelde ministeriële regeling, die betrekking heeft op een productie-installatie, een niet-productie-installatie, een pijpleiding of een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet;
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue