diff --git a/wet/werkloosheidswet/BWBR0004045/README.md b/wet/werkloosheidswet/BWBR0004045/README.md index 813b71cfbeb..df50ab0d23b 100644 --- a/wet/werkloosheidswet/BWBR0004045/README.md +++ b/wet/werkloosheidswet/BWBR0004045/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Werkloosheidswet bwb_id: BWBR0004045 type: wet status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2002-01-01' +datum_inwerkingtreding: '2006-10-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004045 citeertitel: Werkloosheidswet --- @@ -262,15 +262,13 @@ De werkgever is verplicht de werknemer de gelegenheid te geven tot het uitoefene **3.** Loon, door verschillende personen te zamen onverdeeld ontvangen, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn ontvangen. -## Hoofdstuk IIA. De verplichte verzekering van loongerelateerde uitkering bij werkloosheid +## Hoofdstuk II. De uitkering bij werkloosheid -### Afdeling I. Algemene bepalingen - -#### Paragraaf 1. De voorwaarden voor het recht op loongerelateerde uitkering +### Paragraaf 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering ### Artikel 15 -Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op loongerelateerde uitkering. +Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op uitkering. ### Artikel 16 @@ -293,7 +291,7 @@ c. indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegereke Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. -**4.** Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na het einde van de dienstbetrekking verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt. +**4.** Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na het einde van de dienstbetrekking verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61 en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt. **5.** @@ -311,89 +309,50 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de berekening va a. de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met arbeidsuren en het buiten beschouwing laten van uren waarin arbeid is verricht; b. de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen. -**8.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste of tiende lid. +**8.** In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid, onderdeel *a*, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel *b*, wegens het enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing, als bedoeld in artikel 76. Voor de toepassing van artikel 16a, tweede lid, wordt een werknemer op wie de eerste volzin van toepassing is beschouwd als een werknemer die voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid. -**9.** Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies, bedoeld in het eerste lid, niet wordt voldaan aan een van de overige in dat lid bedoelde voorwaarden, of de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19, wordt, in afwijking van het achtste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de overige voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan en artikel 19 niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat. +**9.** In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, uitsluitend vanwege het feit dat hij recht heeft op onverminderde doorbetaling van loon en de werkgever dit loon niet voldoet omdat hij verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61. De eerste zin vindt slechts toepassing gedurende de periode dat de voor de werknemer rechtens geldende opzegtermijn langer duurt dan de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, en voorzover de werknemer direct voorafgaande aan deze periode recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk IV over de opzegtermijn bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b. -**10.** In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid, onderdeel *a*, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel *b*, wegens het enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing, als bedoeld in artikel 76. Voor de toepassing van het negende lid wordt een werknemer op wie de eerste volzin van toepassing is beschouwd als een werknemer die voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid. +**10.** Indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vastgesteld dat de werknemer voor een geringer aantal uren belastbaar is dan gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring als bedoeld in artikel 1 van die wet, doch minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan: het aantal uren dat die werknemer belastbaar is, tenzij dit leidt tot een hoger aantal uren. **11.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de maandag de eerste dag van de kalenderweek. -**12.** Indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vastgesteld dat de werknemer voor een geringer aantal uren belastbaar is dan gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring als bedoeld in artikel 1 van die wet, doch minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan: het aantal uren dat die werknemer belastbaar is, tenzij dit leidt tot een hoger aantal uren. +### Artikel 16a + +**1.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 16, eerste of achtste lid. + +**2.** Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet wordt voldaan aan een van de overige in dat lid bedoelde voorwaarden, of de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19, wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de overige voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan en artikel 19 niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat. + +**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid is de eerste dag van werkloosheid voor de werknemer, bedoeld in artikel 16, negende lid, de dag na het einde van de termijn, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b. ### Artikel 17 -Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij - -a. in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht; - -en -b. 1°. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen; - -of -2°. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel *b*, *c*, of *d*. +Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. ### Artikel 17a **1.** -Voor de vaststelling van het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 36 weken worden niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de werknemer: +Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 36 weken worden niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de werknemer: a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen; -c. vervallen; -d. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78 weken; of -e. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg. +c. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78 weken; of +d. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg. -**2.** Voor de vaststelling van het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk of hoofdstuk IIb dan wel op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. +**2.** Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 36 weken hoger worden vastgesteld en het in dat onderdeel bedoelde aantal van 26 weken lager worden vastgesteld. +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in artikel 17 bedoelde aantal van 36 weken hoger worden vastgesteld en het in dat onderdeel bedoelde aantal van 26 weken lager worden vastgesteld. **4.** -Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig in afwijking van het tweede lid, regels worden gesteld omtrent de berekening van het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 26 weken. Deze regels hebben betrekking op: +Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig in afwijking van het tweede lid, regels worden gesteld omtrent de berekening van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 weken. Deze regels hebben betrekking op: -a. de gelijkstelling van weken waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden met weken als bedoeld in artikel 17, onderdeel a; +a. de gelijkstelling van weken waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden met weken als bedoeld in artikel 17; b. het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht. ### Artikel 17b -**1.** - -Voor de toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1°, worden met dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld: - -a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover de uitkering wordt toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over periodes waarin de persoon slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van eerstgenoemde wet; -b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend. - -**2.** Voor de toepassing van artikel 17, aanhef en onderdeel *b*, onder 1°, worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. De in de vorige zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. - -**3.** Het tweede lid vindt geen toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid. - -**4.** - -Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt onder: - -a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind; -b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. - -**5.** Voor de toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1°, worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen, waarover loon is ontvangen. - -**6.** - -Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 17, onderdeel *b*, onder 1°, wordt - -a. de persoon, bedoeld in artikel 7, geacht als werknemer in een dienstbetrekking in de zin van deze wet te staan; -b. niet als loon beschouwd een uitkering op grond van deze wet, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet, een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van een uitkering aan de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van laatstgenoemde wet, alsmede een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. - -**7.** - -Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld: - -a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is ontvangen, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, onder 1°; -b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, onder 1°, dagen waarover, anders dan bedoeld in het vijfde lid, geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. - -### Artikel 17c - **1.** Indien in de kalenderweek na het ontstaan van een recht op uitkering ter zake van gedeeltelijke werkloosheid uit een dienstbetrekking, een nieuw recht op uitkering ontstaat ter zake van toegenomen werkloosheid uit dezelfde dienstbetrekking, of een dienstbetrekking die voor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, worden beide rechten samengevoegd tot een recht. **2.** Het eerste lid vindt geen toepassing met betrekking tot een recht dat reeds door samenvoeging van rechten is ontstaan. @@ -402,11 +361,7 @@ b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in art **1.** De werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden. -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan ten aanzien van een of meer bepaalde groepen werknemers voor de toepassing van het eerste lid, in afwijking van artikel 16, eerste lid, ook als werkloos wordt beschouwd de werknemer die minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. - -**3.** Artikel 17 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer. - -**4.** Bij de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van afdeling II en III blijven perioden waarin recht op uitkering op grond van het eerste lid bestaat buiten beschouwing. +**2.** De artikelen 17 en 42, tweede lid, zijn niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer. ### Artikel 19 @@ -488,29 +443,17 @@ e. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken. **2.** Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel *a*, van toepassing is eindigt het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd. -**3.** - -Op grond van het eerste lid, onderdeel *b*, eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer: - -a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16; -b. beschikbaar is voor arbeid voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16. +**3.** Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren. **4.** -Op grond van het eerste lid, onderdeel *b*, eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk indien de werknemer: +Zo nodig in afwijking van het derde lid eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer: -a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid als werknemer verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16; -b. beschikbaar is voor arbeid voor minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch voor ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16. +a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16; of +b. beschikbaar is voor arbeid voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16. **5.** -Voor de werknemer op wie: - -a. het vierde lid, onderdeel *a*, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht; -b. het vierde lid, onderdeel *b*, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid. - -**6.** - Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent: a. de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid, ter zake waarvan het recht op uitkering eindigt. Deze regels hebben betrekking op: @@ -542,7 +485,7 @@ c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden, kan, ook indien de **4.** Bij ministeriële regeling kan worden geregeld dat het derde lid buiten toepassing blijft voor categorieën van werknemers. -#### Paragraaf 2. Het geldend maken van het recht op loongerelateerde uitkering +### Paragraaf 2. Het geldend maken van het recht op uitkering ### Artikel 22 @@ -570,16 +513,12 @@ c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in art **2.** Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. -### Artikel 22b +### Artikel 23 **1.** De intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het UWV geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever. **2.** Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. -### Artikel 23 - -Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin. - ### Artikel 24 **1.** @@ -598,18 +537,22 @@ b. werkloos is of blijft, doordat hij: De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien: -a. hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben; -b. de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. +a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt; +b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. -**3.** De werknemer is niet verwijtbaar werkloos geworden, indien voor de opzegging van de dienstbetrekking toestemming is verleend krachtens artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en die toestemming uitsluitend is gemotiveerd door bedrijfseconomische omstandigheden. +**3.** Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening. -**4.** Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening. +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, bedoeld in het eerste en derde lid. -**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, bedoeld in het eerste en vierde lid. +**5.** De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25. -**6.** De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25. +**6.** Het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, of het vijfde lid. -**7.** Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel *b*, onder 1°, 2° en 4°, opgelegd. +**7.** Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°. + +**8.** Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel *b*, onder 1°, 2° en 4°, opgelegd. + +**9.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, opgelegd. ### Artikel 25 @@ -643,13 +586,15 @@ m. indien de belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn r **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat categorieën van aangiften van werkloosheid, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bij het UWV in plaats van de CWI worden gedaan. +**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdelen d, f of g, opgelegd. + ### Artikel 27 -**1.** Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3° opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. +**1.** Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3° opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken. **2.** Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen. -**3.** Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of zesde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet binnen de door het UWV, onderscheidenlijk de CWI daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert het UWV, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. +**3.** Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet binnen de door het UWV, onderscheidenlijk de CWI daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert het UWV, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. **4.** Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. @@ -741,15 +686,13 @@ Indien het UWV de werknemer de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blij ### Artikel 28 -**1.** Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd, zet het UWV in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 of 52d, eerste lid, een weigering van de uitkering voort. - -**2.** In afwijking van het eerste lid zet het UWV een weigering van de uitkering over de uren waarover het recht op uitkering ingevolge artikel 21 herleeft niet voort, indien ter zake van arbeid verricht sinds de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, is voldaan aan artikel 52b, eerste lid, en op grond van het derde lid van dat artikel geen recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIb is ontstaan. +Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd, zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 een weigering van de uitkering voort. ### Artikel 29 Bij een besluit tot herziening van de uitkering wordt mededeling gedaan van de herziening en, in een bijlage, van de op die herziening betrekking hebbende gewijzigde rechten en plichten van de werknemer. -#### Paragraaf 3. De betaling van de loongerelateerde uitkering +### Paragraaf 3. De betaling van de uitkering ### Artikel 30 @@ -767,22 +710,15 @@ c. de werknemer een verplichting, hem op grond van de artikelen 24, 25 of 26 van **4.** Het UWV stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het derde lid. +**5.** De uitkering wordt uitbetaald over 5 dagen per week. + ### Artikel 31 **1.** Het UWV kan een uitkering over een door hem te bepalen tijdvak als voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald. -**2.** +**2.** In afwijking van het tweede lid betaalt het UWV geen voorschot over tijdvakken waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de werknemer. -In afwijking van het eerste lid betaalt het UWV een voorschot op hetgeen de werknemer krachtens een aanspraak naar burgerlijk recht of krachtens deze wet kan toekomen, indien: - -a. onzekerheid bestaat omtrent het recht op onverminderde doorbetaling van loon, ingeval niet vaststaat dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd; of -b. het recht, bedoeld in onderdeel *a*, vaststaat, doch de werkgever het loon niet voldoet. - -**3.** Het UWV is bevoegd aan een voorschot, bedoeld in het tweede lid, voorschriften te verbinden. - -**4.** In afwijking van het tweede lid betaalt het UWV geen voorschot over tijdvakken waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de werknemer. - -**5.** Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld in het eerste en het tweede lid beschouwd als een uitkering op grond van deze wet. +**3.** Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld in het eerste lid beschouwd als een uitkering op grond van deze wet. ### Artikel 32 @@ -844,7 +780,7 @@ b. door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij ### Artikel 35 -Indien de werkloze werknemer arbeid als werknemer gaat verrichten gedurende minder dan vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, wordt de uitkering verminderd met 70% van hetgeen hij met die arbeid verdient. +De uitkering wordt niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin. ### Artikel 35a @@ -858,7 +794,7 @@ Indien de werknemer deelneemt aan een voor hem naar het oordeel van het UWV nood ### Artikel 35b -**1.** Indien de werknemer meer dan één recht op uitkering heeft, wordt, indien tenminste één van die rechten ontstaan is uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, voor de toepassing van de artikelen 34, 35, 35a en 35aa een volgorde in aanmerking genomen bij de vermindering van de uitkering. +**1.** Indien de werknemer meer dan één recht op uitkering heeft, wordt, indien tenminste één van die rechten ontstaan is uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, voor de toepassing van de artikelen 34, 35a en 35aa een volgorde in aanmerking genomen bij de vermindering van de uitkering. **2.** Bij de toepassing van het eerste lid worden de inkomsten bij voorrang in mindering gebracht op de uitkering waarmee zij de meeste samenhang hebben. @@ -875,7 +811,7 @@ b. de bedrijfstak of bedrijfstakken waarin de werknemer werkzaam was en die waar ### Artikel 35c -Indien tegelijkertijd recht bestaat op meer kortdurende uitkeringen en de som van de bedragen die aan deze uitkeringen zou moeten worden betaald groter is dan 70% van het minimumloon, wordt van elk van deze uitkeringen 70% van het minimumloon betaald, vermenigvuldigd met het aantal arbeidsuren terzake waarvan het betrokken recht bestaat gedeeld door het aantal arbeidsuren terzake waarvan recht op kortdurende uitkering bestaat. +Vervallen ### Artikel 36 @@ -959,68 +895,97 @@ De uitkering wordt niet betaald indien deze per week doorgaans minder bedraagt d Vervallen -### Afdeling II. De loongerelateerde uitkering - -#### Paragraaf 1. De duur van de uitkering +### Paragraaf 4. De duur van de uitkering ### Artikel 42 +**1.** De uitkeringsduur is drie maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. + +**2.** + +Indien de werknemer: + +a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon te hebben ontvangen; of +b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c, of d; + +wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt, met dien verstande dat de totale uitkeringsduur maximaal 38 maanden bedraagt. + +**3.** Bij het vaststellen van de uitkeringsduur op grond van het eerste en tweede lid blijven perioden waarin recht op uitkering bestaat op grond van artikel 18, eerste lid, buiten beschouwing. + +**4.** + +Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door samentelling van: + +a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en +b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het kalenderjaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998. + +**5.** Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien volgens een beschikking als bedoeld in artikel 83i van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat kalenderjaar over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen. + +**6.** Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt, indien over een kalenderjaar een beschikking als bedoeld in artikel 83i van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet is afgegeven, dat kalenderjaar in aanmerking genomen indien de werknemer aantoont daarin over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen. Artikel 42a is van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 42a + **1.** -Te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, is de duur van de loongerelateerde uitkering bij een arbeidsverleden van ten minste: +Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden met dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld: -4 jaren, zes maanden; +a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover de uitkering wordt toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over periodes waarin de persoon slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van eerstgenoemde wet; +b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend. -5 jaren, negen maanden; +**2.** Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. -10 jaren, een jaar; +**3.** Het tweede lid vindt geen toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid. -15 jaren, anderhalf jaar; +**4.** -20 jaren, twee jaar; +Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder: -25 jaren, tweeënhalf jaar; +a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind; +b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. -30 jaren, drie jaar; +**5.** Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen, waarover loon is ontvangen. -35 jaren, vier jaar; +**6.** -en +Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, wordt niet als loon beschouwd een uitkering: -40 jaren, vijf jaar. +a. op grond van deze wet, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet; +b. op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van een uitkering aan de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van die wet; +c. op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%; of +d. die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a, b of c. -**2.** De duur van de loongerelateerde uitkering voor de werknemer die voldoet aan artikel 17, onderdeel b, onder 2°, is bij een arbeidsverleden van minder dan 4 jaar zes maanden. +**7.** -**3.** +Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld: -Het arbeidsverleden wordt berekend door samentelling van: +a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is ontvangen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a; +b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, dagen waarover, anders dan bedoeld in het vijfde lid, geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. -a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en -b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998. +### Artikel 42b -**4.** Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, indien volgens de beschikking, bedoeld in artikel 83i van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat jaar over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen. +**1.** Indien het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens een nieuw recht op uitkering is ontstaan, zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, wordt voldaan, wordt met inachtneming van het tweede lid, de duur van dat nieuwe recht verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van het eerdere recht voorzover de werknemer hierover geen uitkering heeft ontvangen als gevolg van de eindiging van dat eerdere recht. -**5.** Bij de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt, indien over een kalenderjaar een beschikking als bedoeld in het vierde lid niet is afgegeven, dat kalenderjaar in aanmerking genomen indien de werknemer aantoont daarin over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen. Artikel 17b is van overeenkomstige toepassing. +**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing voorzover het eerdere recht geheel of gedeeltelijk was geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, en op grond van artikel 21 niet voor herleving in aanmerking zou zijn gekomen wegens het overschrijden van de in laatstgenoemd artikel bedoelde termijnen. ### Artikel 43 -**1.** Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt de loongerelateerde uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd. +**1.** Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt de uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd. -**2.** Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel *a*, buiten beschouwing gelaten. +**2.** Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing gelaten. -**3.** Voor de bepaling van de periode van drie maanden bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel *a*, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. +**3.** Voor de bepaling van de periode van drie maanden bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. **4.** Artikel 19, tweede lid, is van toepassing op het tweede en derde lid. -#### Paragraaf 2. De hoogte van de uitkering +### Paragraaf 5. De hoogte van de uitkering ### Artikel 44 -De uitkering op grond van deze afdeling wordt berekend naar het dagloon. +De uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt berekend naar het dagloon. ### Artikel 45 -**1.** Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze afdeling recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. +**1.** Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. @@ -1034,15 +999,11 @@ De uitkering op grond van deze afdeling wordt berekend naar het dagloon. ### Artikel 47 -**1.** De uitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, 70% van het dagloon. +**1.** De uitkering bedraagt gedurende de eerste twee maanden per dag 75% van het dagloon. Vanaf de derde maand bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon. -**2.** Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, niet volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering 70% van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel 16. +**2.** Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, niet volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering het op grond van het eerste lid vastgestelde percentage van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel 16. -**3.** Het tweede lid vindt geen toepassing voor zover bij de vaststelling onderscheidenlijk een herziening van het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in dat lid, rekening is gehouden. - -### Afdeling III. De vervolguitkering - -#### Paragraaf 1. De duur van de uitkering +**3.** Het tweede lid vindt geen toepassing voorzover bij de vaststelling of een herziening van het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in dat lid, rekening is gehouden. ### Artikel 48 @@ -1056,8 +1017,6 @@ Vervallen Vervallen -#### Paragraaf 2. De hoogte van de uitkering - ### Artikel 51 Vervallen @@ -1066,91 +1025,6 @@ Vervallen Vervallen -## Hoofdstuk IIB. De verplichte verzekering van kortdurende uitkering bij werkloosheid - -### Afdeling I. Algemene bepalingen - -#### Paragraaf 1. De voorwaarden voor het recht op kortdurende uitkering - -### Artikel 52a - -Met inachtneming van de artikelen 16 en 52*b* tot en met 52*d* en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op kortdurende uitkering. - -### Artikel 52b - -**1.** Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer die in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht, doch die geen recht op loongerelateerde uitkering heeft omdat hij noch aan de voorwaarde van artikel 17, onderdeel *b*, onder 1°, noch aan de voorwaarde van artikel 17, onderdeel *b*, onder 2°, voldoet. - -**2.** In afwijking van het eerste lid heeft een werknemer die terzake van werkloosheid uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone omstandigheden op grond van artikel 18 recht op uitkering heeft, terzake van dezelfde werkloosheid geen recht op kortdurende uitkering. - -**3.** In afwijking van het eerste lid ontstaat geen recht op uitkering voor het aantal arbeidsuren waarover een recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIa herleeft, dan wel, indien een recht ingevolge hoofdstuk IIa na herleving nogmaals herleeft, voor het totaal aantal uren van dat recht na de laatste herleving. Indien de resterende duur van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa bij herleving korter is dan zes maanden, ontstaat, nadat de geldende duur van die uitkering is verstreken en met inachtneming van de overige voorwaarden daarvoor, recht op uitkering voor het aantal arbeidsuren waarover het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa is geëindigd, en bedraagt de duur van die uitkering zes maanden verminderd met de duur van de herleefde uitkering op grond van hoofdstuk IIa. Geen recht op uitkering ontstaat indien, na toepassing van de eerste of tweede zin, het recht op uitkering dat zou ontstaan een omvang zou hebben van minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek en minder dan de helft van de arbeidsuren per kalenderweek. - -### Artikel 52c - -De artikelen 17a, 17c, 19, 20, en de daarop berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing. - -### Artikel 52d - -**1.** Indien het recht op uitkering op grond van artikel 52*c* in verbinding met artikel 20, eerste lid, onderdeel *a*, *b*, *c* of *d*, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van de in artikel 8 en artikel 21, derde lid, genoemde termijnen, voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk of ingevolge hoofdstuk II*a* bestaat. - -**2.** Artikel 21, tweede en vierde lid, en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Indien ter zake van na het ontstaan van het recht op kortdurende uitkering verrichte arbeid recht op loongerelateerde uitkering is ontstaan nadat het recht op kortdurende uitkering is herleefd, eindigt het recht op kortdurende uitkering voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterende aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren bedoeld in artikel 52*c* in verbinding met artikel 16, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend. - -**4.** Indien na het ontstaan van het recht op kortdurende uitkering aansluitend of na verrichte arbeid het recht op loongerelateerde uitkering is herleefd, eindigt het recht op kortdurende uitkering voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten zijn berekend, vermeerderd met het resterende aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 52a in verbinding met artikel 16, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren op grond waarvan het recht op kortdurende uitkering is ontstaan. - -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk eindigen van rechten op loongerelateerde uitkering enerzijds en op kortdurende uitkering anderzijds, bij samenloop van deze rechten. - -#### Paragraaf 2. Het geldend maken van het recht op kortdurende uitkering - -### Artikel 52e - -De artikelen 22 tot en met 27g, 28, eerste en derde lid, en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing. - -#### Paragraaf 3. De betaling van de kortdurende uitkering - -### Artikel 52f - -De artikelen 30 tot en met 41, alsmede de daarop berustende bepalingen, zijn van toepassing. - -### Afdeling II. De duur van de kortdurende uitkering - -### Artikel 52g - -De duur van de kortdurende uitkering is zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. - -### Artikel 52h - -**1.** Telkens nadat het recht op kortdurende uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 52*d*, eindigt de kortdurende uitkering met inachtneming van het tweede lid, zoveel later dan de in artikel 52*g* genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op kortdurende uitkering heeft geduurd. - -**2.** Artikel 43, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing. - -### Afdeling III. De hoogte van de kortdurende uitkering - -### Artikel 52i - -**1.** De kortdurende uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon. - -**2.** Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos werd niet volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering 70% van het minimumloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel 16. - -**3.** Voor de werknemer die op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt of zou ontvangen indien artikel 25, 28, 30 of 33 van die wet niet op hem van toepassing zou zijn bedraagt de uitkering per dag 70% van een percentage van het minimumloon. Het percentage is gelijk aan het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld. - -**4.** Indien het dagloon lager is dan het minimumloon wordt bij de toepassing van het eerste en tweede lid voor «minimumloon» gelezen «dagloon». De artikelen 45, 46 en 47, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing. - -**5.** Op de herziening van de uitkering als gevolg van een wijziging van het minimumloon zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. - -**6.** - -De kortdurende uitkering per dag bedraagt het op grond van de vorige leden berekende bedrag, verminderd met de hoogte van de uitkering op grond van hoofdstuk IIa, indien: - -a. het recht op kortdurende uitkering is ontstaan na toepassing van artikel 52b, derde lid; of -b. tegelijkertijd een recht op kortdurende uitkering herleeft en een recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa ontstaat. - -## Hoofdstuk IIC - -### Artikel 52j - -Vervallen - ## Hoofdstuk III. De vrijwillige verzekering van uitkering bij werkloosheid ### Artikel 53 @@ -1244,51 +1118,83 @@ Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn de overig ### Artikel 61 -**1.** Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald. - -**2.** Over de in artikel 64, onderdeel *b*, bedoelde termijn van opzegging heeft de werknemer slechts recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, voor zover hij arbeidsuren heeft verloren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of voor zover hij voor de in het eerste lid bedoelde werkgever arbeid blijft verrichten. Aan de werknemer die wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid of een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg, wordt het in de vorige volzin bedoelde vereiste van beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden niet gesteld. +Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald. ### Artikel 62 **1.** -Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, tenzij: +Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, tenzij: -a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; -b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand. +a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; of +b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand. -**2.** Indien de werkgever, bedoeld in artikel 61, eerste lid, een vaste inrichting heeft op het grondgebied van ten minste één andere lidstaat van de Europese Unie of een in ten minste één andere lidstaat van de Europese Unie wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, bestaat slechts recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk indien de werknemer zijn arbeid voor deze werkgever gewoonlijk verricht of verrichtte voor een vaste inrichting van de werkgever in Nederland onderscheidenlijk een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van de werkgever. +**2.** + +Geen recht op uitkering over de in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijn van opzegging, heeft de werknemer die niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, tenzij de werknemer: + +a. wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van arbeid; +b. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg; of +c. arbeid als werknemer of werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. + +**3.** De werknemer heeft geen recht op uitkering indien de aanvraag om een uitkering is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin. + +**4.** Indien de werkgever, bedoeld in artikel 61, een vaste inrichting heeft op het grondgebied van ten minste één lidstaat van de Europese Unie of een in ten minste één andere lidstaat van de Europese Unie wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, bestaat slechts recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk indien de werknemer zijn arbeid voor deze werkgever gewoonlijk verricht of verrichtte voor een vaste inrichting van de werkgever in Nederland of een in Nederland wonende of gevestigd vaste vertegenwoordiger van de werkgever. ### Artikel 63 **1.** -De werknemer, wiens werkgever verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, is verplicht: +De werknemer, wiens werkgever verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, is verplicht: a. indien geen tijdige betaling van loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft plaatsgevonden, binnen een week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben ontvangen daarvan aangifte te doen bij het UWV; en -b. binnen een week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, niet heeft betaald, daarvan aangifte te doen bij het UWV. +b. binnen een week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 61, niet heeft betaald, daarvan aangifte te doen bij het UWV. **2.** Indien de werknemer een verplichting hem op grond van het eerste lid opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering op grond van dit hoofdstuk tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. -**3.** Indien het de werknemer voor de totstandkoming van de dienstbetrekking of voor een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tijdens de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, geen of slechts ten dele betaling zou plaatsvinden van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of aan derden verschuldigde bedragen in verband met de dienstbetrekking van de werknemer, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. +**3.** Indien het de werknemer voor de totstandkoming van de dienstbetrekking of voor een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tijdens de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel 61, geen of slechts ten dele betaling zou plaatsvinden van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of aan derden verschuldigde bedragen in verband met de dienstbetrekking van de werknemer, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 64 +**1.** + Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat: -a. het loon over ten hoogste 13 weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking of, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten worden opgezegd; -b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van onderdeel *a* door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; -c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel *b* bedoelde termijn eindigt. +a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan: + +1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt; +2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt; +3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of +4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking; +b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en +c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt. + +**2.** Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd. + +**3.** De hoogte van de uitkering van het vakantiegeld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend op grond van de aanspraak op vakantiedagen die de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking heeft, met dien verstande dat de uitkering niet meer bedraagt dan het vakantiegeld over het aantal vakantiedagen dat hij kan verwerven in een jaar waarin hij een dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in artikel 61, heeft en waarin hij gedurende de volledig overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft. ### Artikel 65 -Op de uitkering, bedoeld in artikel 64, worden geheel in mindering gebracht de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, alsmede inkomsten wegens loonderving over de in die onderdelen bedoelde periode, tenzij de werknemer deze inkomsten reeds ontving naast het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft. +**1.** + +Op de uitkering, bedoeld in artikel 64, worden geheel in mindering gebracht: + +a. de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, verricht tijdens de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a en b; +b. de vakantiedagen en vakantiebijslag verworven uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, verricht tijdens de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a en b; +c. de door een werkgever niet zijnde de werkgever, bedoeld in artikel 61, verrichte betalingen van bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is; en +d. de inkomsten wegens loonderving over de periodes, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a en b. + +De eerste zin is niet van toepassing indien de werknemer deze inkomsten, vakantiedagen, vakantiebijslag of betalingen reeds ontving naast respectievelijk de inkomsten, vakantiedagen, vakantiebijslag of betalingen uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft. + +**2.** Door de werkgever, bedoeld in artikel 61, verrichte betalingen van verplichtingen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a, b en c, worden voor ieder van die verplichtingen afzonderlijk toegerekend aan de periode voorafgaand aan een periode als bedoeld in die onderdelen, indien de werknemer een vordering tot betaling van die verplichtingen heeft op de werkgever die op die beide periodes betrekking heeft. ### Artikel 66 -**1.** Voor zover het UWV op grond van dit hoofdstuk een vordering van een schuldeiser van de werkgever voldoet, treedt het in alle rechten, die de schuldeiser ter zake van die vordering heeft. +**1.** De vorderingen van de werknemer en derden op de werkgever, bedoeld in artikel 64, eerste lid, gaan over op het UWV, voorzover deze vorderingen door het UWV worden voldaan. -**2.** Het UWV heeft met betrekking tot de premies op grond van de sociale verzekeringswetten over de uitkering op grond van dit hoofdstuk verhaal op de werkgever. +**2.** Het UWV verhaalt de door werkgevers verschuldigde premies op grond van Wet financiering sociale verzekeringen over de uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk, op de werkgever. + +**3.** De vorderingen van het UWV, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaan boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede die van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. ### Artikel 67 @@ -1300,7 +1206,7 @@ c. onder werknemer ook verstaan: de persoon die uitsluitend omdat hij 65 jaar of ### Artikel 68 -**1.** De artikelen 17 tot en met 21, 28, 41, en 52*a* tot en met 52*i* zijn niet van toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk. +**1.** De artikelen 17 tot en met 21, 28, 35, 41, 42, 42a en 47 zijn niet van toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk. **2.** Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald zijn de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk. @@ -1326,8 +1232,8 @@ Vervallen Het UWV heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van: -a. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb, -b. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die kunnen aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb. +a. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk II, +b. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die kunnen aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk II. **2.** Het eerste lid is niet van toepassing op werknemers als bedoeld in het eerste lid, indien het UWV met burgemeester en wethouders van een gemeente overeenkomen dat op die werknemers artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand van toepassing is. @@ -1345,8 +1251,8 @@ b. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die kunnen aantonen dat de diens De overheidswerkgever heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van: -a. een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb; -b. een overheidswerknemer die kan aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te nemen dat hij recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb. +a. een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II; +b. een overheidswerknemer die kan aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te nemen dat hij recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk II. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het ten behoeve van een persoon als bedoeld in het eerste lid sluiten van een individuele reïntegratieovereenkomst met een reïntegratiebedrijf. @@ -1364,19 +1270,19 @@ Onze Minister is bevoegd regels te stellen op grond waarvan, in bij die regels a ### Artikel 76 -**1.** Indien de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb, deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het UWV, noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op uitkering op grond van het desbetreffende hoofdstuk bestaan. +**1.** Indien de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II, deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het UWV, noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op uitkering op grond van dat hoofdstuk bestaan. **2.** In de door Onze Minister te stellen regels, die voor verschillende groepen werknemers verschillend kunnen luiden, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de opleiding of scholing als bedoeld in het eerste en derde lid. -**3.** In afwijking van het eerste lid, blijft het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb van de herbeoordeelde bestaan totdat de, naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing is beëindigd, indien de opleiding of scholing deel uit maakt van een plan als bedoeld in artikel 29, tweede lid, dat binnen drie maanden na de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is opgesteld en met de opleiding of scholing is aangevangen voor de duur van de uitkering verstrijkt. +**3.** In afwijking van het eerste lid, blijft het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II van de herbeoordeelde bestaan totdat de, naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing is beëindigd, indien de opleiding of scholing deel uit maakt van een plan als bedoeld in artikel 29, tweede lid, dat binnen drie maanden na de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is opgesteld en met de opleiding of scholing is aangevangen voor de duur van de uitkering verstrijkt. **4.** Onder herbeoordeelde als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: de werknemer wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken. ### Artikel 76a -**1.** Het UWV kan toestemming verlenen aan de werknemer, die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb, om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten. +**1.** Het UWV kan toestemming verlenen aan de werknemer, die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II, om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten. -**2.** Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb bestaan, onverminderd artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel e, gedurende de periode waarover toestemming is verleend tot het verrichten van die werkzaamheden. +**2.** Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan, onverminderd artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel e, gedurende de periode waarover toestemming is verleend tot het verrichten van die werkzaamheden. **3.** @@ -1405,11 +1311,11 @@ Het UWV kan een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal zes maanden a. aannemelijk is dat de werknemer in de toekomst met die werkzaamheden structureel in zijn bestaan kan voorzien; b. de werkzaamheden nog geen aanvang hebben genomen; -c. de werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb, anders dan op grond van artikel 18; +c. de werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II, anders dan op grond van artikel 18; d. de werkloosheid van de werknemer niet uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend; en e. deze toestemming tijdens de uitkeringsduur niet eerder aan de werknemer is verleend. -**2.** Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft, onverminderd artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel e, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb bestaan. +**2.** Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft, onverminderd artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel e, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan. **3.** De werknemer aan wie toestemming is verleend als bedoeld in het eerste lid wordt geacht werknemer te zijn en te blijven zolang die toepassing duurt. @@ -1425,7 +1331,7 @@ De werknemer, ten aanzien van wie artikel 75, 76, 76a, 77 of 77a wordt toegepast Het UWV verhaalt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt: -a. de op grond van hoofdstuk IIa of IIb te betalen uitkering aan die overheidswerknemer, met uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen; +a. de op grond van hoofdstuk II te betalen uitkering aan die overheidswerknemer, met uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen; b. de op grond van enige wet over de uitkering, bedoeld in onderdeel a, door het UWV verschuldigde premies of vergoedingen als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen; c. de vergoeding, bedoeld in artikel 110 van de Wet financiering sociale verzekeringen, die betrekking heeft op de persoon die de in onderdeel a bedoelde uitkering ontving. @@ -1661,15 +1567,11 @@ Vervallen ### Artikel 125 -Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 wordt bekend gemaakt in de *Staatscourant*. - -### Artikel 126 - -Een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 wordt niet gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 125 bedoelde mededeling zijn verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan door een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. +Vervallen ## Hoofdstuk X. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie -### Artikel 126c +### Artikel 126 In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het UWV over het verzekerd zijn op grond van deze wet als bedoeld in artikel 127a, eerste lid. @@ -1729,7 +1631,7 @@ Ten aanzien van besluiten waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt zi ### Artikel 130 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de inschakeling in de arbeid van werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb, doeltreffender uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24, 26 en 72 tot en met 78 van deze wet. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt afgeweken. +**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de inschakeling in de arbeid van werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk II, doeltreffender uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24, 26 en 72 tot en met 78 van deze wet. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt afgeweken. **2.** Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar. Indien, voor een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. Het eerste lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. @@ -1837,7 +1739,13 @@ De periode waarbinnen de hoedanigheid van werknemer kan worden herkregen op gron ### Artikel 130o -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** De artikelen 15, 16, 17, 17a, 17b, 17c, 18, 19, 23, 24, 27, 28, 35c, 42, 43, 47, 52a tot en met 52i, 72, 72a, 76, 76a, 77a, 79 en 130 en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of voor die dag en de artikelen 42a en 42b blijven buiten toepassing met betrekking tot dat recht. + +**2.** Indien dit een langere duur van het recht op uitkering ten gevolge heeft, blijven de artikelen 42, 43, 52g en 52h, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van de in het eerste lid genoemde wet, tot vijf jaar na die dag, van toepassing met betrekking tot het recht op uitkering van de persoon die op of voor die dag recht op uitkering op grond van deze wet had, welk recht eindigt of is geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden als werknemer, en die ter zake van de verrichte werkzaamheden na die dag een nieuw recht op uitkering krijgt. + +**3.** De artikelen 16 en 31 en hoofdstuk IV en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, onder 1, van de in het eerste lid genoemde wet blijven van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste dag van de periode, bedoeld in artikel 64, onderdeel a, zoals dat luidde op die dag, is gelegen op of voor die dag. + +**4.** De artikelen 20 en 35 zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel O, onder 1, van de in het eerste lid genoemde wet blijven van toepassing op een verlies van arbeidsuren dat heeft plaatsgevonden op of voor die dag zolang er sprake is van aftrek van arbeidsinkomsten op grond van artikel 35 zoals dat luidde op die dag. ### Artikel 130q