2013-01-01 | BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB
This commit is contained in:
parent
2847cbc399
commit
5a8b3c05ee
1 changed files with 100 additions and 201 deletions
|
|
@ -420,33 +420,25 @@ Voor elke deelnemer met een leerlinggebonden budget dat beschikbaar is op grond
|
|||
|
||||
**2.** Artikel 56a, tweede en derde lid, van het Besluit bekostiging WEC is van toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Rijksbijdrage educatie en huisvesting opleidingen VAVO
|
||||
## Hoofdstuk 3. Educatie
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
### Paragraaf 1. Opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de WEB
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
### Artikel 3.1.1
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Een contactuur als bedoeld in artikel 2.3.4, derde lid, van de wet omvat een klokuur waarin educatie wordt gegeven aan een groep studenten, onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van de wet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. De rijksbijdrage educatie
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.1
|
||||
De groep, bedoeld in het eerste lid, omvat maximaal
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
a. 12 deelnemers indien het een opleiding betreft als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, voor zover gericht op alfabetisering, of e, van de wet;
|
||||
b. 16 deelnemers indien het een opleiding betreft als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, voor zover gericht op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs, of d, van de wet;
|
||||
c. 20 deelnemers indien het een opleiding betreft als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.2
|
||||
**3.** In de overeenkomst uitkering educatie, bedoeld in artikel 2.3.4, eerste lid, van de wet kan gemotiveerd worden afgeweken van de in het tweede lid genoemde aantallen deelnemers.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.3
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Rijksbijdrage voor huisvestingskosten vavo
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3.1
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld voor de in het eerste lid bedoelde contacturen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
|
||||
|
||||
|
|
@ -454,223 +446,129 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 4.1.1
|
||||
|
||||
**1.** De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet, met uitzondering van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover niet anders is bepaald.
|
||||
**1.** De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet, met uitzondering van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel voor zover niet anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** Paragraaf 4 is van toepassing op het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
|
||||
**2.** Paragraaf 4 is van toepassing op het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.2
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet;
|
||||
a. kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet;
|
||||
b. leerbedrijf: een bedrijf dat of organisatie die bevoegd is de beroepspraktijkvorming te verzorgen, op basis van een gunstige beoordeling op grond van door het kenniscentrum vastgestelde criteria als bedoeld in artikel 7.2.10 van de wet;
|
||||
c. normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5 bedoelde normatieve bpv-plaats;
|
||||
d. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen;
|
||||
e. exploitatiekosten: de kosten van een kenniscentrum niet zijnde de huisvestingskosten;
|
||||
f. deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1° en 2°, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsbegeleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt, voor zover deze deelnemer:
|
||||
|
||||
1°. uiterlijk op 31 december van eerstbedoeld jaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft afgesloten, en
|
||||
2°. een opleiding volgt als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, onder b, uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar, dan wel in geval de deelnemer een andere opleiding volgt uiterlijk op dezelfde datum als genoemd onder 1°, daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld onder 1°;
|
||||
g. voltijds deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, als voltijds deelnemer als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1º, 2º en 3º, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
h. deeltijds deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage wordt vastgesteld, als deeltijds deelnemer als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1° en 2°, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt.
|
||||
c. beroepsopleiding: een beroepsopleiding van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1° of b2°, van de wet;
|
||||
d. landelijke kwalificatiestructuur: de kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 7.2.4 van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.3
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage omvat:
|
||||
|
||||
a. een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens paragraaf 2, en
|
||||
b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens paragraaf 3.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.4
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de kenniscentra.
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de kenniscentra.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Exploitatiekosten
|
||||
### Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.1
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een kenniscentrum voor:
|
||||
Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten van de kenniscentra wordt verdeeld in:
|
||||
|
||||
a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf opleidingen,
|
||||
b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, en
|
||||
c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf leerbedrijven.
|
||||
a. een gedeelte van 20% voor de de taken rond de kwalificatiestructuur bedoeld in artikel 1.5.2, eerste en tweede lid, van de wet en
|
||||
b. een gedeelte van 80% voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming bedoeld in artikel 1.5.2, derde en vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.2
|
||||
|
||||
Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de kenniscentra wordt verdeeld als volgt:
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
a. 50% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de stabilisatiecomponent,
|
||||
b. 10% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen,
|
||||
c. 30% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, en
|
||||
d. 10% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf leerbedrijven.
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor een kenniscentrum voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:
|
||||
|
||||
a. het rijksbijdragedeel voor de taken rond de kwalificatiestructuur en
|
||||
b. het rijksbijdragedeel voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming,
|
||||
|
||||
zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor het kenniscentrum worden berekend op grond van artikel 4.2.3 onderscheidenlijk 4.2.4.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent voor een kenniscentrum de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen:
|
||||
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget voor de taken rond de kwalificatiestructuur volgens de formule:
|
||||
|
||||
a. het rijksbijdragedeel op grond van de stabilisatiecomponent, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.3a,
|
||||
b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.4,
|
||||
c. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.5, en
|
||||
d. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf leerbedrijven, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.7.
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
**2.** Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget.
|
||||
KDo: het gemiddelde aantal kwalificatiedossiers dat op voorstel van het kenniscentrum is vastgesteld en in de vijf jaren, voorafgaand aan het bekostigingsjaar, deel uitmaakte van de landelijke kwalificatiestructuur,
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
LDo: het gemiddelde aantal kwalificatiedossiers dat in de vijf jaren, voorafgaand aan het bekostigingsjaar, deel uitmaakte van de landelijke kwalificatiestructuur,
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.3a
|
||||
KKw: het gemiddelde aantal kwalificaties dat op voorstel van het kenniscentrum is vastgesteld en in de vijf jaren, voorafgaand aan het bekostigingsjaar, deel uitmaakte van de landelijke kwalificatiestructuur,
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de stabilisatiecomponent, op de wijze als bepaald in het tweede en derde lid.
|
||||
LKw: het gemiddelde aantal kwalificaties dat in de vijf jaren, voorafgaand aan het bekostigingsjaar, deel uitmaakte van de kwalificatiestructuur en
|
||||
|
||||
**2.** Voor elk kenniscentrum wordt het aandeel in het landelijk beschikbare budget van respectievelijk het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld en het daaraan voorafgaande jaar, uitgedrukt in een percentage van het landelijk beschikbare budget van genoemde jaren. Vervolgens worden voor elk kenniscentrum de percentages van de jaren, bedoeld in de eerste volzin, bij elkaar opgeteld en de uitkomst gedeeld door twee.
|
||||
LBa: het deel van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 4.2.1, onder a.
|
||||
|
||||
**3.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld overeenkomstig het in het tweede lid bedoelde percentage.
|
||||
**2.** Indien een kwalificatiedossier op voorstel van 2 of meer kenniscentra is vastgesteld, tellen het kwalificatiedossier en de daarin opgenomen kwalificaties bij de berekening, bedoeld in het eerste lid voor elk kenniscentrum mee volgens de verdeelsleutel: één gedeeld door het aantal kenniscentra op voorstel waarvan het kwalificatiedossier is vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf opleidingen, door:
|
||||
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming volgens de formule:
|
||||
|
||||
a. voor elke opleiding waarvoor het kenniscentrum de eindtermen heeft voorgesteld, en voor zover deze eindtermen op 1 augustus 2001 zijn vermeld in het Centraal register, het aantal studiebelastingsuren dat is vastgesteld als onderdeel van de eindtermen voor die opleiding te delen door 1600, dit aantal af te ronden op een half naar boven, en het totaal te vermenigvuldigen met
|
||||
b. het aantal in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, met dien verstande dat een deelkwalificatie slechts eenmaal meetelt, en de uitkomst te delen door
|
||||
c. het totaal van de in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, zonder de beperking in onderdeel b.
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
KA: het aantal actieve door het kenniscentrum erkende leerbedrijven, waar één of meer deelnemers de beroepspraktijkvorming volgen in het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het kenniscentrum, rekenkundig afgerond op een half. Op het aantal punten, bedoeld in de eerste volzin, wordt vervolgens een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel:
|
||||
LA: het aantal actieve erkende leerbedrijven van alle kenniscentra tezamen, waar één of meer deelnemers de beroepspraktijkvorming volgen in het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
| aantal punten | factor |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| 0,5 t/m 50 | 1 |
|
||||
| 51 t/m 60 | 0,95 |
|
||||
| 61 t/m 70 | 0,90 |
|
||||
| 71 t/m 80 | 0,85 |
|
||||
| 81 t/m 90 | 0,80 |
|
||||
| 91 t/m 100 | 0,75 |
|
||||
| 101 t/m 110 | 0,70 |
|
||||
| 111 en hoger | 0,65 |
|
||||
KE: het aantal door het kenniscentrum erkende leerbedrijven op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
**3.** Elk kenniscentrum heeft aanspraak op het gedeelte van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in het eerste lid, naar rato van het aantal punten van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie, bedoeld in het tweede lid, is toegepast.
|
||||
LE: het aantal erkende leerbedrijven van alle kenniscentra tezamen op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
KDe: het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een beroepsopleiding, gericht op een kwalificatie die op voorstel van het kenniscentrum is vastgesteld,
|
||||
|
||||
LDe: het landelijk aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een beroepsopleiding,
|
||||
|
||||
LBb: het deel van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 4.2.1, onder b.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het aantal door het kenniscentrum erkende leerbedrijven op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar groter is dan 125% van KA, bedoeld in het eerste lid, dan wordt KE, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld aan 125% van KA.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij de berekening van KDe en LDe, bedoeld in het eerste lid,
|
||||
|
||||
a. tellen alleen deelnemers mee die meetellen voor de berekening van de rijksbijdrage van de instellingen voor het desbetreffende bekostigingsjaar,
|
||||
b. tellen deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg van een beroepsopleiding mee met een factor 0,4 en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding met een factor 1,
|
||||
c. tellen deelnemers die zijn ingeschreven voor een kwalificatiedossier dat op voorstel van 2 of meer kenniscentra is vastgesteld, bij alle betrokken kenniscentra mee volgens de uitkomst van de breuk
|
||||
|
||||
met dien verstande dat deelnemers aan een assistentopleiding die is gericht op entree op de arbeidsmarkt in de berekening buiten beschouwing worden gelaten;
|
||||
d. tellen deelnemers die zijn ingeschreven voor een opleidingsdomein als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel t2, van de wet mee bij de kenniscentra waarvan een of meer kwalificaties zijn opgenomen in het desbetreffende opleidingsdomein, naar rato van de verdeling van de deelnemers die zijn ingeschreven voor een kwalificatie of een kwalificatiedossier binnen dat opleidingsdomein over de desbetreffende kenniscentra.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
**1.** Elk kenniscentrum verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een opgave van het aantal door dat kenniscentrum erkende leerbedrijven op peildatum 1 oktober van het voorafgaande jaar.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het aantal normatieve bpv-plaatsen voor elk kenniscentrum wordt bepaald door het aantal deelnemers bij opleidingen die behoren bij het desbetreffende kenniscentrum voorzover die opleidingen zijn vermeld in het Centraal register, bij elkaar op te tellen zoals hierna vermeld:
|
||||
|
||||
a. 100% van het aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld,
|
||||
b. 35% van het aantal voltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, en
|
||||
c. 10% van het aantal deeltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De optelling volgens het tweede lid leidt tot een aantal normatieve bpv-plaatsen voor een kenniscentrum, dat rekenkundig wordt afgerond op een geheel getal. Op het aantal normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel:
|
||||
|
||||
| Aantal normatieve bpv-plaatsen | Factor |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| 1 t/m 10.000 | 1 |
|
||||
| 10.001 t/m 15.000 | 0,985 |
|
||||
| 15.001 t/m 20.000 | 0,970 |
|
||||
| 20.001 t/m 25.000 | 0,955 |
|
||||
| 25.001 t/m 30.000 | 0,940 |
|
||||
| 30.001 t/m 35.000 | 0,925 |
|
||||
| 35.001 t/m 40.000 | 0,910 |
|
||||
| 40.001 t/m 45.000 | 0,895 |
|
||||
| 45.001 t/m 50.000 | 0,880 |
|
||||
| 50.001 en hoger | 0,865 |
|
||||
|
||||
**4.** De berekening volgens het derde lid leidt tot een aantal normatieve bpv-plaatsen voor het kenniscentrum, rekenkundig af te ronden op een geheel getal.
|
||||
|
||||
**5.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld naar rato van het aantal normatieve bpv-plaatsen van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie en de afronding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, heeft plaatsgevonden.
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde opgave gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.6
|
||||
|
||||
**1.** Elk kenniscentrum verstrekt jaarlijks voor 15 november aan Onze Minister een opgave van het aantal door dat kenniscentrum erkende leerbedrijven op peildatum 1 oktober van dat jaar.
|
||||
**1.** In geval van fusie van kenniscentra betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 4 de gegevens van de kenniscentra die in het gefuseerde kenniscentrum zijn opgegaan en berekent hij de bijdrage voor het gefuseerde kenniscentrum op basis van die gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** De verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, juncto artikel 2.5.10 van de wet heeft mede betrekking op de opgave, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.7
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf leerbedrijven, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Voor elk kenniscentrum wordt het aantal leerbedrijven vastgesteld op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Op het aantal leerbedrijven voor elk kenniscentrum, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel:
|
||||
|
||||
| Aantal leerbedrijven | Factor |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| 1 t/m 7.500 | 1 |
|
||||
| 7.501 t/m 10.000 | 0,965 |
|
||||
| 10.001 t/m 12.500 | 0,930 |
|
||||
| 12.501 t/m 15.000 | 0,895 |
|
||||
| 15.001 t/m 17.500 | 0,860 |
|
||||
| 17.501 t/m 20.000 | 0,825 |
|
||||
| 20.001 t/m 22.500 | 0,790 |
|
||||
| 22.501 t/m 25.000 | 0,755 |
|
||||
| 25.001 t/m 27.500 | 0,720 |
|
||||
| 27.501 t/m 30.000 | 0,685 |
|
||||
| 30.001 en hoger | 0,650 |
|
||||
|
||||
**4.** De berekening volgens het tweede en derde lid leidt tot een aantal leerbedrijven voor het kenniscentrum, rekenkundig af te ronden op een geheel getal.
|
||||
|
||||
**5.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld naar rato van het aantal leerbedrijven van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie en de afronding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.8
|
||||
|
||||
Bij de berekening, bedoeld in artikel 4.2.7, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit.
|
||||
**2.** In geval van splitsing van kenniscentra gaat Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 4 uit van de voorstellen omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de kenniscentra die daarvoor door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gedaan, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Huisvesting
|
||||
|
||||
### Artikel 4.3.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor elk kenniscentrum vast overeenkomstig het percentage dat op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, voor dat kenniscentrum is vastgesteld, met dien verstande dat aanpassingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel daarbij buiten beschouwing blijven.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Exploitatie en huisvesting kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving
|
||||
### Paragraaf 4. Exploitatiekosten en huisvestingskosten kenniscentrum op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.1
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage omvat:
|
||||
|
||||
a. een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens deze paragraaf, en
|
||||
b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.2
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het kenniscentrum op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.3
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage afzonderlijk voor:
|
||||
|
||||
a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet,
|
||||
b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, en
|
||||
c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.4
|
||||
|
||||
Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum wordt:
|
||||
|
||||
a. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder a, met dien verstande dat 10% van het desbetreffende deel van het landelijk beschikbare budget betrekking heeft op strategische expertise-ontwikkeling,
|
||||
b. 60% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder b, en
|
||||
c. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het kenniscentrum zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.6
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het kenniscentrum vast.
|
||||
**1.** Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang van de rijksbijdrage vast voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten van het kenniscentrum op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, met inachtneming van het uitgangspunt dat 20% van de bijdrage noodzakelijk is voor de taken rond de kwalificatiestructuur bedoeld in artikel 1.5.2, eerste en tweede lid, van de wet en 80% voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming bedoeld in artikel 1.5.2, derde en vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -772,7 +670,7 @@ c. de gegevens van een deelnemer of voormalige deelnemer, voorzover Onze Ministe
|
|||
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:
|
||||
|
||||
a. instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, van de wet,
|
||||
b. kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet, met uitzondering van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, en
|
||||
b. kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet, en
|
||||
c. instellingen als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1.2
|
||||
|
|
@ -843,9 +741,7 @@ Indien een instelling of een kenniscentrum de taken beëindigt en een rechtsopvo
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.4
|
||||
|
||||
**1.** Voor de uitkomsten van het functiewaarderingssysteem van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, en 12.3.8 van de wet of van een kenniscentrum geldt voor de functie van voorzitter van het college van bestuur en de centrale directie dat daaraan ten hoogste een salarisschaal is verbonden waarvan het hoogste bedrag overeenkomt met het maximum salarisbedrag van schaal 18 van bijlage 1A van het Kaderbesluit rechtspositie BVE, zoals dat luidde op 30 juni 2003.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde maximum kan worden bijgesteld aan de hand van de algemene salarisontwikkeling die voor het personeel van instellingen onderscheidenlijk kenniscentra wordt overeengekomen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Overgangs- en invoeringsbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -936,37 +832,40 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 6.3.1
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling wordt voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van de artikelen 4.2.4 tot en met 4.2.8 hanteert voor zover nog niet kan worden beschikt over de in die artikelen voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Tot het tijdstip van inwerkingtreding van bijlage 3 bij dit besluit wordt in artikel 4.2.8, eerste lid, onder a, in plaats van «bijlage 3 bij dit besluit» gelezen: bijlage 3 van de Regeling Informatievoorziening BVE.
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt het rijksbijdragedeel voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming in afwijking van artikel 4.2.4 berekend volgens de formule:
|
||||
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
KE: het aantal door het kenniscentrum erkende leerbedrijven op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
LE: het aantal erkende leerbedrijven van alle kenniscentra tezamen op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar,
|
||||
|
||||
KDe: het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een beroepsopleiding, gericht op een kwalificatie die op voorstel van het kenniscentrum is vastgesteld,
|
||||
|
||||
LDe: het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een beroepsopleiding,
|
||||
|
||||
LBb: het deel van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 4.2.1, onder b.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 4.2.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.2
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.5, 4.2.7 en 4.2.8 niet van toepassing.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum tot de in het eerste lid bedoelde datum op de in het derde lid bepaalde wijze. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
|
||||
Voor de bekostigingsjaren 2013 tot en met 2016 wordt in afwijking van artikel 4.2.3 in de formule
|
||||
|
||||
**3.** Voor elk kenniscentrum wordt het aandeel in het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van respectievelijk het jaar 2005 en het jaar 2006, uitgedrukt in een percentage van dat landelijk beschikbare budget van genoemde jaren. Vervolgens worden voor elk kenniscentrum de percentages van de jaren, bedoeld in de eerste volzin, bij elkaar opgeteld en de uitkomst gedeeld door twee. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de vorige volzin, is bepalend voor het vaststellen van het gedeelte van het landelijk beschikbare budget waarop elk kenniscentrum voor de rijksbijdrage aanspraak maakt.
|
||||
uitgegaan van de gemiddelde aantallen kwalificatiedossiers en kwalificaties in de jaren voorafgaand aan het bekostigingsjaar, gerekend vanaf 2012.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.3
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister stelt tot de datum, bedoeld artikel 6.3.2, eerste lid, het bedrag voor huisvestingskosten, bedoeld in artikel 4.3.1, eerste lid, voor elk kenniscentrum vast op basis van het percentage dat op grond van artikel 6.3.2, derde lid, voor dat kenniscentrum is vastgesteld. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
|
||||
De rijksbijdrage voor een kenniscentrum voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 wordt voor een deel berekend op grond van de artikelen 4.2.2, 4.2.3 en 4.2.4 juncto 6.3.1 en het eerste lid, en voor een deel op grond van de artikelen 6.3.2 en 6.3.3 zoals die artikelen luidden op 31 december 2012. De delen bedragen voor het kalenderjaar
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.4
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.6
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.7
|
||||
|
||||
Onze Minister evalueert de werking van hoofdstuk 4 na afloop van een periode van 5 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.
|
||||
a. 2013 20% onderscheidenlijk 80%,
|
||||
b. 2014 40% onderscheidenlijk 60%,
|
||||
c. 2015 60% onderscheidenlijk 40% en
|
||||
d. 2016 80% onderscheidenlijk 20%.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Gebruik persoonsgebonden nummers
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue