2017-03-10 | BWBR0036628 | Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

This commit is contained in:
Coornhert 2017-03-10 12:00:00 +00:00
parent fe929b1a94
commit 5ad720df92

View file

@ -20,7 +20,7 @@ c. indien het verschil groter is dan 20 procent, bedraagt de verlaging 3 procent
### Artikel 2
**1.** Op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de randvoorwaarde die, gelet op haar geringe ernst, omvang en duur, in naar behoren gemotiveerde gevallen geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, besluit de minister dat ten aanzien van de in het tweede lid genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden, voor zover geen sprake is van een herhaling, sprake is van een niet-naleving waarvoor aan de landbouwer eerst een waarschuwing wordt gegeven als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
**1.** Op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de randvoorwaarde die, gelet op haar geringe ernst, omvang en duur, in naar behoren gemotiveerde gevallen geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, besluit de minister dat, voor zover geen sprake is van een herhaling, sprake is van een niet-naleving waarvoor aan de landbouwer eerst een waarschuwing wordt gegeven als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
**2.**
@ -35,17 +35,16 @@ f. artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde
g. artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, in samenhang met artikel 8, eerste lid, en artikel 12 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, alsmede artikel 104, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 10 in samenhang met artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van het verlies van één oormerk bij maximaal 10 procent van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen en de identiteit van de runderen kan worden aangetoond;
h. artikel 7, eerste lid, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, in samenhang met artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden ten aanzien van maximaal 10 procent van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld en de identiteit van de runderen kan worden aangetoond;
i. artikel 4, eerste en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 21/2004 in samenhang met de artikelen 8, vijfde lid, 12, 12e en 12f van de Regeling identificatie en registratie van dieren, alsmede artikel 104, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, en artikel 10 in samenhang met artikel 11, 36 en 38 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van het verlies van één identificatiemiddel bij maximaal 10 procent van de schapen of geiten tot het absolute aantal van 20 schapen en geiten;
j. de artikelen 38d en 38e van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het maximaal 3 mutaties betreft of in het geval de houder geen veeteelt bedrijft;
k. artikel 2.33, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een gering aantal kalveren;
l. artikel 2.22, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt;
m. artikel 2.23, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht, en
n. artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden.
j. artikel 2.33, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een gering aantal kalveren;
k. artikel 2.22, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt;
l. artikel 2.23, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht, en
m. artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden.
**3.** De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet meer dan één keer gegeven voor niet-nalevingen van eenzelfde randvoorwaarde gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren, gerekend vanaf en inclusief het jaar waarin de niet-naleving is geconstateerd.
**4.** In afwijking van het derde lid, kan voor de niet-naleving van de randvoorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen g en i, meer dan één keer een waarschuwing worden gegeven.
**5.** Ingeval de niet-naleving van de randvoorwaarde, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de door de bevoegde autoriteit aan de landbouwer medegedeelde termijn is hersteld, wordt het totale bedrag van de in artikel 92 van Verordening (EG) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen met terugwerkende kracht met 1 procent verlaagd voor het jaar waarin de niet-naleving waarop de waarschuwing is gebaseerd, heeft plaatsgevonden.
**5.** Ingeval de niet-naleving van de randvoorwaarde, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de door de bevoegde autoriteit aan de landbouwer medegedeelde termijn of binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, is hersteld, wordt het totale bedrag van de in artikel 92 van Verordening (EG) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen met terugwerkende kracht met 1 procent verlaagd voor het jaar waarin de niet-naleving waarop de waarschuwing is gebaseerd, heeft plaatsgevonden.
### Artikel 3
@ -86,10 +85,10 @@ c. de door de landbouwer aan de derde gegeven instructies.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
a. *areaal:* het areaal, bedoeld in artikel 23, tweede lid, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 640/2014;
b. *de verlaging GWD:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake gewasdiversificatie, bedoeld in artikel 24, van Verordening (EU) nr. 640/2014;
c. *de verlaging BG:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake blijvend grasland, bedoeld in artikel 25, van Verordening (EU) nr. 640/2014, en
d. *de verlaging EA:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake het ecologisch aandachtsgebied, bedoeld in artikel 26, van Verordening (EU) nr. 640/2014.
a. *areaal:* het areaal, bedoeld in artikel 23, tweede lid, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 640/2014;
b. *de verlaging GWD:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake gewasdiversificatie, bedoeld in artikel 24, van Verordening (EU) nr. 640/2014;
c. *de verlaging BG:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake blijvend grasland, bedoeld in artikel 25, van Verordening (EU) nr. 640/2014, en
d. *de verlaging EA:* de verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake het ecologisch aandachtsgebied, bedoeld in artikel 26, van Verordening (EU) nr. 640/2014.
**3.** De conformiteitsfactor Veldleeuwerik, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 1 indien 100 punten uit het Veldleeuwerik-pakket worden behaald en wordt met 0,0025 per ontbrekend punt verlaagd.
@ -111,9 +110,9 @@ g. jaarlijks benoemen van ten minste 4 maatregelen die betrekking hebben op de 1
Indien een landbouwer niet volledig voldoet aan de eisen uit het certificaat Akkerbouwstrokenpakket, inclusief Vogelakker, ontvangt de landbouwer geen certificaat als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en wordt de vergroeningsbetaling als volgt verlaagd:
a. indien de niet-naleving betrekking heeft op gewasdiversificatie, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 24 van Verordening (EU) nr. 640/2014;
b. indien de niet-naleving betrekking heeft op het onderdeel blijvend grasland, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 25 van Verordening (EU) nr. 640/2014, en
c. indien de niet-naleving betrekking heeft op het ecologisch aandachtsgebied, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 26 van Verordening (EU) nr. 640/2014.
a. indien de niet-naleving betrekking heeft op gewasdiversificatie, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 24 van Verordening (EU) nr. 640/2014;
b. indien de niet-naleving betrekking heeft op het onderdeel blijvend grasland, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 25 van Verordening (EU) nr. 640/2014, en
c. indien de niet-naleving betrekking heeft op het ecologisch aandachtsgebied, wordt de vergroeningsbetaling verlaagd volgens artikel 26 van Verordening (EU) nr. 640/2014.
**2.** In het geval een landbouwer minder dan 30% van zijn verplichting tot instandhouding van ecologische aandachtsgebieden invult met beheerde akkerranden wordt voor de toepassing van het eerste lid, onder c, een verlaging toegepast op het overige ecologisch aandachtsgebied.
@ -155,7 +154,7 @@ b. ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.
**2.**
Of de jonge landbouwer blokkerende zeggenschap heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt beoordeeld op basis van:
De blokkerende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, onderdeel, a, is uiterlijk op 15 mei van het eerste jaar waarin hij als jonge landbouwer een aanvraag indient verkregen en staat geregistreerd in het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en de juistheid van de registratie kan desgevraagd worden aangetoond door het overleggen van:
a. de statuten van de rechtspersoon, ingeval van een besloten vennootschap, naamloze vennootschap, een stichting en een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid;
b. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met alle maten, ingeval van een maatschap;
@ -166,8 +165,8 @@ d. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst tussen alle leden, ingeval van een
De datum vanaf welke de jonge landbouwer wordt geacht te voldoen aan het eerste lid, wordt bepaald door de datum waarop de jonge landbouwer blijkens de registratie in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, is toegetreden tot:
a. de maatschap of de vennootschap onder firma, of
b. het bestuur van de besloten vennootschap, de naamloze vennootschap, de stichting of de vereniging.
a. de maatschap of de vennootschap onder firma en de jonge landbouwer de blokkerende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft verkregen, of
b. het bestuur van de besloten vennootschap, de naamloze vennootschap, de stichting of de vereniging en de jonge landbouwer de blokkerende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft verkregen.
**4.**
@ -187,7 +186,7 @@ b. dat hij op een later moment mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering,
**8.** Op het samenwerkingsverband of de rechtspersoon waarin meer dan één jonge landbouwer deelneemt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de jonge landbouwers gezamenlijk dienen te voldoen aan de voorwaarden gesteld in dit artikel.
**9.** De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, is uiterlijk 25 kalenderdagen na de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, opgesteld.
**9.** De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, is uiterlijk 25 kalenderdagen na de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, opgesteld, en de registratie van de blokkerende zeggenschap, bedoeld in het tweede lid, heeft uiterlijk op deze datum plaatsgevonden.
### Artikel 6