2003-05-14 | BWBR0012177 | Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs
This commit is contained in:
parent
135874c067
commit
5b073c060b
1 changed files with 28 additions and 73 deletions
|
|
@ -38,7 +38,7 @@ d. fase 2 en fase 3 van de OOW: fase 2 respectievelijk fase 3, bedoeld in artike
|
|||
e. het BWOO: het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel;
|
||||
f. de WW: de Werkloosheidswet;
|
||||
g. de ZW: de Ziektewet;
|
||||
h. diensttijd: de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking als bedoeld onder b of de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking bij een universiteit, een hogeschool of een onderzoeksinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen, waaronder begrepen een dienstbetrekking als overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP bij een rechtsvoorganger van een werkgever als bedoeld onder b, met uitzondering van de tijd voorafgaand aan een aaneengesloten periode van meer dan 14 maanden waarin de betrokkene niet een zodanige dienstbetrekking had. Voor de periode van 14 maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had op een uitkering op grond van een wet als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW, of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten beschouwing;
|
||||
h. diensttijd: de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking als bedoeld onder b of de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking bij een universiteit, een hogeschool of een onderzoeksinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen, waaronder begrepen een dienstbetrekking als overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP bij een rechtsvoorganger van een werkgever als bedoeld onder b, met uitzondering van de tijd voorafgaand aan een aaneengesloten periode van meer dan 14 maanden waarin de betrokkene niet een zodanige dienstbetrekking had. Voor de periode van 14 maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had op een uitkering op grond van een wet als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, b of n WW, of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten beschouwing;
|
||||
i. ongemaximeerde berekeningsgrondslag: het dagloon dat geldt voor de WW, waarbij echter:
|
||||
|
||||
1. de maximumdagloongrens van artikel 9 Coördinatiewet sociale verzekering buiten beschouwing wordt gelaten;
|
||||
|
|
@ -48,7 +48,7 @@ j. gemaximeerde berekeningsgrondslag: de berekeningsgrondslag bedoeld onder i, m
|
|||
k. aanvulling op de WW-uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, bedoeld in artikel 4;
|
||||
l. aanvulling op de ZW-uitkering: de aanvulling op de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 6;
|
||||
m. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in artikel 8;
|
||||
n. bovenwettelijke uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, de aanvulling op de ZW-uitkering en de aansluitende uitkering;
|
||||
n. bovenwettelijke uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, de aanvulling op de ZW-uitkering, de aanvulling op de uitkering op grond van artikel 3:8 van de WAZO en de aansluitende uitkering;
|
||||
o. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de WW;
|
||||
p. eerste werkloosheidsdag: de eerste werkloosheidsdag, bedoeld in artikel 16, achtste en negende lid, WW;
|
||||
q. pensioenreglement: het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;
|
||||
|
|
@ -57,7 +57,9 @@ s. suppletie: een suppletie op grond van hoofdstuk 3 Besluit ziekte en arbeidson
|
|||
t. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, WW;
|
||||
u. loongerelateerde uitkering: de loongerelateerde uitkering, bedoeld in hoofdstuk IIA, afdeling II van de WW;
|
||||
v. vervolguitkering: de vervolguitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIA, afdeling III van de WW;
|
||||
w. kortdurende uitkering: de kortdurende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIB van de WW.
|
||||
w. kortdurende uitkering: de kortdurende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIB van de WW;
|
||||
x. de WAZO: de Wet arbeid en zorg;
|
||||
y. aanvulling op de WAZO-uitkering: de aanvulling op de WAZO-uitkering, bedoeld in artikel 7a.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -85,7 +87,7 @@ Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, geeft dit besluit geen aansprak
|
|||
|
||||
**2.** Op de duur van de aanvulling op de WW-uitkering zijn de artikelen 43 en 50 WW van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** De loongerelateerde uitkering wordt gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld tot 78% en vervolgens tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Voor de bepaling van de duur van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige volzin, wordt artikel 43 WW overeenkomstig toegepast, en worden perioden van aanvulling op de ZW-uitkering mede in aanmerking genomen.
|
||||
**3.** De loongerelateerde uitkering wordt gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld tot 78% en vervolgens tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Voor de bepaling van de duur van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige volzin, wordt artikel 43 WW overeenkomstig toegepast, en worden perioden van aanvulling op de ZW-uitkering en op de WAZO-uitkering mede in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -156,7 +158,7 @@ c. die recht op WAZO-uitkering heeft onder toepassing van artikel 3:10 WAZO en o
|
|||
|
||||
**2.** Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 16, 19, 20, 21, 76 en 78 WW van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op aansluitende uitkering niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op aansluitende uitkering niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
|
|
@ -190,7 +192,8 @@ e. 49 jaar of ouder is: 6,5 jaar verminderd met de duur van de vervolguitkering.
|
|||
Indien de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking recht heeft op:
|
||||
|
||||
a. een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag;
|
||||
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
|
||||
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag;
|
||||
c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, die weer onmiddellijk is gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZWuitkering of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
|
||||
|
||||
**7.** De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -204,6 +207,8 @@ b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overee
|
|||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 25 WW, artikel 31, eerste lid, ZW of artikel 49 ZW niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister de bovenwettelijke uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.
|
||||
|
||||
**4.** Op de aanvulling van de uitkering op grond van de WAZO is het derde lid en zijn de artikelen 3:12 en 3:16, eerste lid, onderdelen b, d, f en g, WAZO, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Met inachtneming van het tweede lid zijn de artikelen 30 tot en met 41 WW van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid. Artikel 41 WW wordt op de bovenwettelijke uitkering uitsluitend toegepast indien het uit te betalen bedrag van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering samen een hoogte heeft als bedoeld in artikel 41 WW.
|
||||
|
|
@ -218,6 +223,8 @@ c. worden bij samenloop van een of meer vervolguitkeringen en een of meer kortdu
|
|||
|
||||
**3.** De artikelen 31, tweede tot en met vijfde lid, 32 tot en met 33b, 40 tot en met 42, 47 tot en met 48, 50 en 85 ZW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Op de aanvulling van de uitkering op grond van de WAZO zijn de artikelen 3:14 en 3:16, tweede lid, onderdelen a en b, WAZO, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 11a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan regels stellen waarbij een recht op uitkering wordt toegekend aan categorieën van betrokkenen die op grond van de overige artikelen van dit besluit geen recht hebben op bovenwettelijke uitkering omdat zij geen recht hebben op WW-uitkering.
|
||||
|
|
@ -227,9 +234,11 @@ c. worden bij samenloop van een of meer vervolguitkeringen en een of meer kortdu
|
|||
Een recht op uitkering, toegekend op grond van het eerste lid:
|
||||
|
||||
a. wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een recht op bovenwettelijke uitkering; en
|
||||
b. eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd; en
|
||||
b. eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of verlof op grond van de WAZO niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd; en
|
||||
c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op WW-uitkering.
|
||||
|
||||
Onderdeel b van de vorige volzin is niet van toepassing in de situatie, bedoeld in artikel 6, tweede lid en artikel 7a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou hebben. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3
|
||||
|
|
@ -340,27 +349,6 @@ a. wordt een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee naar aard en strekk
|
|||
b. wordt, tenzij de nieuwe dienstbetrekking op grond van de WW voor de betrokkene passende arbeid is, het loon in de nieuwe dienstbetrekking geacht niet lager te zijn dan 70% van het dagloon waarop de WW-uitkering van de betrokkene was of zou zijn gebaseerd. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing;
|
||||
c. wordt het loon in de nieuwe dienstbetrekking overigens op dezelfde wijze vastgesteld als de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.** Op de betrokkene die is aangesteld of benoemd voor het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen en die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos dreigt te worden en die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking aanvaardt met een lager maximum salaris dan waarop hij in zijn oude dienstbetrekking recht had, zijn de bepalingen in artikel 15 van overeenkomstige toepassing, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene, die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos is geworden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien aan de nieuwe dienstbetrekking geen maximum salaris is verbonden, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitgegaan van het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het zevende en negende lid van artikel 15, is de loonsuppletie voor de betrokkene bedoeld in het eerste en het tweede lid gelijk aan het verschil tussen enerzijds het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds:
|
||||
|
||||
a. in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;
|
||||
b. na die eerste vijf jaar en doorlopend tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat geldt over de berekeningsperiode.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid vindt geen toepassing indien het negende lid van artikel 15 tot een voor de betrokkene gunstiger uitkomst leidt.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het bepaalde in het veertiende lid onder b van artikel 15 wordt er van uitgegaan dat het loon voor de betrokkene bedoeld in het eerste en het tweede lid in een nieuwe dienstbetrekking niet lager is dan het maximum van schaal 4 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het zesde lid wordt indien sprake is van passende arbeid op grond van de WW uitgegaan van het loon in de nieuwe dienstbetrekking.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -410,7 +398,7 @@ b. indien de duur van dit recht op het moment waarop het op grond van het eerste
|
|||
|
||||
**5.** Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het eerste tot en met vierde lid. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de vorige volzin.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste tot en met vijfde lid zijn mede van toepassing op de betrokkene die recht heeft op ZW-uitkering en die, als hij niet ziek was geweest, een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben gehad, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
|
||||
**6.** Het eerste tot en met vijfde lid zijn mede van toepassing op de betrokkene die recht heeft op ZW-uitkering of op uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO en die, als hij geen recht op die uitkering zou hebben gehad, een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben gehad, behalve in de situaties, bedoeld in artikel 6, tweede lid en artikel 7a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**7.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering die op grond van dit artikel is herleefd en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die naar aard en strekking met een van deze uitkeringen overeenkomt, heeft de op grond van dit artikel herleefde uitkering het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het recht op bovenwettelijke uitkering dat op grond van dit artikel is herleefd. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -449,58 +437,27 @@ Indien het niveau van de uitkering op grond van de WW een algemeen geldende neer
|
|||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Het BWOO wordt ingetrokken.
|
||||
**1.** Voorzover de WW en de ZW nog niet op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken ontlenen aan dit besluit. Voorzover de WW en de ZW op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken meer ontlenen aan het BWOO.
|
||||
|
||||
**2.** Voorzover de WW en de ZW nog niet op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken ontlenen aan dit besluit. Voorzover de WW en de ZW op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken meer ontlenen aan het BWOO.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Zonodig in afwijking van het eerste lid:
|
||||
|
||||
a. kan een recht op uitkering herleven op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, en
|
||||
b. kan een recht op loonsuppletie op grond van artikel 38, zesde lid, BWOO herleven. Voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op loonsuppletie op grond van artikel 38 BWOO en op grond van artikel 15, wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van Hoofdstuk I BWOO of Hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO, zoals deze luidden op de dag vóór de intrekking van het BWOO, of van wie een zodanig recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW zou herleven, heeft per die ingangsdatum, respectievelijk per de datum per welke die herleving zou hebben plaatsgevonden, recht op een bovenwettelijke uitkering indien hij:
|
||||
|
||||
a. op grond van artikel 31 OOW een recht op WW-uitkering verkrijgt, of
|
||||
b. op grond van artikel 31, eerste lid, slot, OOW uitsluitend omdat de duur van zijn recht op WW-uitkering zou zijn verstreken, geen recht op een WW-uitkering verkrijgt.
|
||||
|
||||
Duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering op grond van dit lid worden vastgesteld op grond van deartikelen 5 en 9, met inachtneming van het soort recht op uitkering op grond van het BWOO en de periode waarover de betrokkene reeds recht op die uitkering heeft gehad.
|
||||
|
||||
**4.** De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering, herleefd op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking van het BWOO, of van wie een recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO zou herleven, heeft per die ingangsdatum, respectievelijk per de datum per welke die herleving zou hebben plaatsgevonden, recht op bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 17. Voor de toepassing van artikel 17 wordt het recht op uitkering op grond van het BWOO van deze betrokkene aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering. Artikel 17, vijfde lid, is van toepassing op de betrokkene wiens recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO zou herleven.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 16 wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan:
|
||||
|
||||
a. een recht op aansluitende uitkering en een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a zijn verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 41 jaar oud was;
|
||||
b. een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a is verbonden, in de overige gevallen.
|
||||
a. een recht op aansluitende uitkering en een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, zijn verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 41 jaar oud was;
|
||||
b. een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, is verbonden, in de overige gevallen.
|
||||
|
||||
Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.
|
||||
|
||||
**6.** De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van artikel 39 BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking van het BWOO, die op grond van artikel 4 OOW recht verkrijgt op een ZW-uitkering en die, indien hij niet ziek was geweest, op grond van het tweede lid een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben verkregen, heeft recht op een aanvulling op de ZW-uitkering onder toepassing van deartikelen 6 en 7.
|
||||
|
||||
**7.** Onder rechten op grond van het BWOO als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, worden uitsluitend rechten verstaan in verband waarmee de WW en de ZW op de ingangsdatum van fase 2 van de OOW nog niet op de betrokkene van toepassing zijn geworden.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
De betrokkene die:
|
||||
|
||||
op de dag vóór de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht had op een loonsuppletie op grond van het BWOO en daar, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht op zou hebben gehad, of
|
||||
|
||||
vóór de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht heeft gehad op een loonsuppletie op grond van het BWOO, welk recht, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op of na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW zou zijn herleefd, heeft per de ingangsdatum van fase 3 van de OOW, respectievelijk per de datum waarop het recht op loonsuppletie op grond van het BWOO zou zijn herleefd, recht op loonsuppletie op grond van artikel 15. Voor de toepassing van artikel 15 wordt een recht op uitkering op grond van het BWOO, met uitzondering van een vervolguitkering op grond van hoofdstuk I BWOO, aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Op het moment waarop de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. een recht op bovenwettelijke uitkering verkrijgt op grond van artikel 22, blijft het niveau van zijn rechten en verplichtingen in verband met zijn werkloosheidsuitkering gelijk;
|
||||
b. een recht op loonsuppletie verkrijgt op grond van artikel 22, achtste lid, blijft het niveau van zijn rechten en verplichtingen in verband met zijn loonsuppletie, waaronder begrepen de mate waarin de hoogte van de loonsuppletie daalt zodra de tweede helft van de duur ingaat, gelijk.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid blijven garanties op grond van de artikelen II, IIa, IIe, III en IV van het Besluit van 4 februari 1994, Stb. 1994, 100, ook behouden na het moment waarop de betrokkene op grond van artikel 22 een recht op bovenwettelijke uitkering of op loonsuppletie verkrijgt.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van het BWOO, en die per die ingangsdatum geen recht op WW-uitkering of bovenwettelijke uitkering verkrijgt omdat hij buiten Nederland woont of anders dan wegens vakantie buiten Nederland verblijft, heeft recht op uitkering. Deze uitkering is gelijk aan de uitkering die hij op grond van het BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking, zou hebben ontvangen. Op de uitkering op grond van dit lid is artikel 11a, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste tot en met derde lid gelden onverminderd artikel 21 en houden geen garantie in ten aanzien van rechten en verplichtingen van administratieve of procedurele aard of ten aanzien van de hoogte van de netto uitkering.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben voorgedaan als dit besluit niet in werking zou zijn getreden, kan Onze Minister besluiten het door deze onbillijkheid voor de betrokkene ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.
|
||||
Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben voorgedaan als dit besluit niet in werking zou zijn getreden, kan Onze Minister besluiten het door deze onbillijkheid voor de betrokkene ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.
|
||||
|
||||
### Artikel 23a
|
||||
|
||||
|
|
@ -508,9 +465,7 @@ IWijzigt dit besluit.
|
|||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
**1.** Met uitzondering van artikel 22, eerste lid, treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 22, eerste lid, treedt in werking per 1 januari 2003.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue