2013-01-01 | BWBR0020674 | Besluit inburgering
This commit is contained in:
parent
afb855f279
commit
5c8854450c
1 changed files with 183 additions and 671 deletions
|
|
@ -17,21 +17,11 @@ citeertitel: Besluit inburgering
|
|||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. wet: de Wet inburgering;
|
||||
b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet;
|
||||
c. Kwaliteitscentrum examinering inburgering: de krachtens artikel 3.17, eerste lid, aangewezen rechtspersoon;
|
||||
d. onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet;
|
||||
e. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet;
|
||||
f. Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen: het bestand, bedoeld in artikel 48 van de wet;
|
||||
g. potentiële inburgeringsplichtige: een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, tweede volzin, van de wet;
|
||||
h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
|
||||
i. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de wet, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel c, of artikel 22, tweede lid, van de wet;
|
||||
j. inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragrafen 2 en 3, van de wet, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;
|
||||
k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, en 24b, eerste lid, van de wet;
|
||||
l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;
|
||||
m. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
|
||||
n. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft;
|
||||
o. duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd;
|
||||
p. instapvoorziening inburgering: een voorziening welke de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar in staat stelt zich voor te bereiden, teneinde aan de inburgeringsvoorziening te kunnen deelnemen.
|
||||
b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdeel g, van de wet, ten bewijze waarvan het inburgeringsexamen is behaald;
|
||||
c. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet;
|
||||
d. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
|
||||
e. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;
|
||||
f. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
|
||||
|
||||
|
|
@ -94,147 +84,92 @@ e. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften ver
|
|||
f. een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding, mits een voldoende behaald is voor het vak Nederlandse taal;
|
||||
g. het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb. 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald;
|
||||
h. het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald;
|
||||
i. het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, met daarop de in artikel 5, tweede lid, van dat besluit bedoelde aantekening dat de verzoeker beschikt over de vereiste kennis van de Nederlandse taal;
|
||||
j. het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:
|
||||
i. het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:
|
||||
|
||||
1°. de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal:
|
||||
|
||||
– niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en
|
||||
– niveau 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven», en
|
||||
1°. niveau 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven, en
|
||||
2°. voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie:
|
||||
|
||||
– het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of
|
||||
– een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%, indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001, respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31 augustus 2001;
|
||||
k. het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:
|
||||
|
||||
1°. niveau NT2 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en
|
||||
2°. niveau NT2 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven», of
|
||||
l. het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.
|
||||
j. het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald;
|
||||
k. het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
|
||||
l. het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430).
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn behaald:
|
||||
|
||||
a. niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en
|
||||
b. niveau 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven».
|
||||
**1.** Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de betreffende onderdelen van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige:
|
||||
Van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven en het betreffende onderdeel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie is behaald:
|
||||
|
||||
a. die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie is behaald:
|
||||
|
||||
1°. het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of
|
||||
2°. een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%, indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001, respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31 augustus 2001;
|
||||
b. die kan aantonen dat hij in Nederland is geslaagd voor het toetsonderdeel van de kennis van de staatsinrichting en maatschappij van de naturalisatietoets, zoals deze gold voor 1 april 2007.
|
||||
a. het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of
|
||||
b. een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%, indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001, respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31 augustus 2001.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste of tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene:
|
||||
|
||||
a. ten aanzien van wie met toepassing van artikel 5, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers is besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten;
|
||||
b. die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten, of
|
||||
c. die kan aantonen dat hij ingevolge artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets de naturalisatietoets niet behoeft of behoefde af te leggen.
|
||||
Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten,
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6
|
||||
|
||||
**1.** Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, blijkt uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding.
|
||||
**1.** Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, blijkt uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inschrijving in de bevolkingsboekhouding, bedoeld in het eerste lid, en kan van het eerste lid worden afgeweken op grond van concrete aanwijzingen dat de inschrijving kennelijk onjuist was.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, en kan van het eerste lid worden afgeweken op grond van concrete aanwijzingen dat de inschrijving kennelijk onjuist was.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Vrijstelling op grond van korte vrijstellingstoets
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene die beschikt over een document waaruit blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:
|
||||
|
||||
a. vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en
|
||||
b. kennis van de Nederlandse samenleving op het krachtens artikel 2.10, eerste lid, vastgestelde niveau.
|
||||
|
||||
**2.** Door Onze Minister wordt op aanvraag een document verstrekt aan degene die een toets heeft afgelegd, waaruit blijkt dat hij beschikt over de in het eerste lid bedoelde vaardigheden en kennis.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gedaan door degene:
|
||||
|
||||
a. die reeds eerder de toets heeft afgelegd;
|
||||
b. die een lening heeft aangevraagd, of
|
||||
c. ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister stelt de toets vast en neemt deze af door middel van een geautomatiseerd systeem. Artikel 3.5, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De toets wordt onder toezicht van Onze Minister afgelegd op een door Onze Minister vast te stellen tijdstip en in een door Onze Minister vast te stellen ruimte, nadat de aanvrager overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels de terzake verschuldigde kosten heeft voldaan en zich met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht heeft geïdentificeerd.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister beoordeelt de resultaten van de toets door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het vierde lid. Deze resultaten worden niet herbeoordeeld.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister worden het model van het document, bedoeld in het tweede lid, en de kosten, bedoeld in het vijfde lid, vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van dit artikel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Ontheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8
|
||||
|
||||
**1.** Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door het college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
|
||||
**1.** Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
|
||||
|
||||
**2.** Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
**2.** Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het college, op grond van het advies, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden het betreft.
|
||||
**3.** Indien Onze Minister, op grond van het advies, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden het betreft.
|
||||
|
||||
**4.** De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald.
|
||||
**4.** De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht kan worden voldaan.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent het advies, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8a
|
||||
|
||||
**1.** Het college verleent op aanvraag ontheffing van de inburgeringsplicht, indien het college van oordeel is dat een inburgeringsplichtige aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.
|
||||
**1.** Onze Minister verleent op aanvraag ontheffing van de inburgeringsplicht, indien Onze Minister van oordeel is dat een inburgeringsplichtige aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Niveau van kennis en vaardigheden
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inburgeringsplichtige verwerft de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen:
|
||||
|
||||
a. spreekvaardigheid;
|
||||
b. luistervaardigheid;
|
||||
c. gespreksvaardigheid;
|
||||
d. schrijfvaardigheid;
|
||||
e. leesvaardigheid.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen d en e, verwerft de oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, de daargenoemde schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal ten minste op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
|
||||
c. schrijfvaardigheid;
|
||||
d. leesvaardigheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inburgeringsplichtige verwerft kennis van de Nederlandse samenleving, op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen eindtermen. De te verwerven kennis van de Nederlandse samenleving heeft in ieder geval betrekking op:
|
||||
|
||||
a. werk en inkomen;
|
||||
b. omgangsvormen, waarden en normen;
|
||||
c. wonen;
|
||||
d. gezondheid en gezondheidszorg;
|
||||
e. geschiedenis en geografie;
|
||||
f. instanties;
|
||||
g. staatsinrichting en rechtsstaat;
|
||||
h. onderwijs en opvoeding.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, verwerft de inburgeringsplichtige die geestelijke bedienaar is, tevens op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen eindtermen kennis van de Nederlandse samenleving die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is voor de vervulling van zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale taken.
|
||||
De inburgeringsplichtige verwerft kennis van de Nederlandse samenleving op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen eindtermen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Verlenging van de termijn
|
||||
|
||||
|
|
@ -244,33 +179,35 @@ De termijn, genoemd in artikel 7, eerste lid, van de wet wordt verlengd met de d
|
|||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.
|
||||
|
||||
**3.** In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlenging van de termijn.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Inburgeringsexamen
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Het inburgeringsexamen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Algemeen
|
||||
### Paragraaf 1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
**1.** Degene die wenst te worden toegelaten tot het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe aan overeenkomstig de door de exameninstelling gestelde regels.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt het inburgeringsexamen vast en neemt het af.
|
||||
|
||||
**2.** De exameninstelling bevestigt de aanmelding schriftelijk.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
**1.** Degene die wenst te worden toegelaten tot een examen van het centraal deel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe schriftelijk aan bij Onze Minister overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels.
|
||||
**1.** Degene die wenst te worden toegelaten tot een of meer onderdelen van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
**1.** Voor toelating tot de bij Onze Minister af te leggen examens is examengeld verschuldigd, dat overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde regels wordt voldaan.
|
||||
**1.** Voor toelating tot de af te leggen onderdelen van het inburgeringsexamen is examengeld verschuldigd, dat overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde regels wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het examengeld voor de examens die bij Onze Minister worden afgelegd, wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Het examengeld voor de examens die bij een op grond van artikel 3.14, eerste lid, aangewezen exameninstelling worden afgelegd, wordt vastgesteld door die exameninstelling.
|
||||
**2.** Het examengeld wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -278,65 +215,49 @@ Op verzoek van degene die het examen afneemt of daarop toezicht houdt, identific
|
|||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het college bij de toepassing van artikel 2.8 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanvraag de beschikking, bedoeld in het derde lid van dat artikel over.
|
||||
**2.** Indien Onze Minister bij de toepassing van artikel 2.8 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanvraag de beschikking, bedoeld in het derde lid van dat artikel over.
|
||||
|
||||
**3.** In de overige gevallen legt de kandidaat een advies over van een onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waaruit blijkt dat hij het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
|
||||
**3.** In de overige gevallen legt de kandidaat een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waaruit blijkt dat hij het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**1.** Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig examen aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de examencommissie op voorstel van de desbetreffende examinator het examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen. De examinator doet het voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan hem bekend is geworden.
|
||||
**1.** Indien een kandidaat zich ten aanzien van een onderdeel van het inburgeringsexamen aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan Onze Minister het inburgeringsexamen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het inburgeringsexamen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan de exameninstelling Onze Minister voorstellen, het examenresultaat ongeldig te verklaren. De exameninstelling doet het voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan haar bekend is geworden.
|
||||
**2.** Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan Onze Minister het examenresultaat ongeldig verklaren.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Inhoud van het inburgeringsexamen
|
||||
### Paragraaf 2. Inhoud van het inburgeringsexamen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
**1.** Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen omvat een beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in een aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap, werk, ondernemerschap, maatschappelijke participatie alsmede onderwijs, gezondheid en opvoeding.
|
||||
|
||||
**2.** Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een assessment, een portfolio dan wel een combinatie daarvan.
|
||||
|
||||
**3.** Het assessment dan wel de combinatie van een assessment en een portfolio, wordt afgenomen door een exameninstelling die is aangewezen op grond van artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het portfolio wordt beoordeeld door een exameninstelling die is aangewezen op grond van artikel 3.14, eerste lid, of Onze Minister.
|
||||
|
||||
**5.** Het resultaat van het praktijkdeel wordt vastgesteld door de exameninstelling en uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd».
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 3.7 omvat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen van de kandidaat die geestelijke bedienaar is, tevens een examen in de kennis, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 3.7, eerste lid, omvat het praktijkdeel een beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in een aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap, werk alsmede sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 3.7, derde en vierde lid, worden de daar genoemde onderdelen van het praktijkdeel afgenomen onderscheidenlijk beoordeeld door een door Onze Minister aan te wijzen exameninstelling.
|
||||
|
||||
**4.** Het examen, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden afgelegd nadat de examens, bedoeld in artikel 3.7 en het tweede lid, alsmede het centraal deel van het inburgeringsexamen is afgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het examen, bedoeld in het eerste lid, en de exameninstelling, bedoeld in het derde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit:
|
||||
Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende onderdelen:
|
||||
|
||||
a. een elektronisch praktijkexamen,
|
||||
b. een toets gesproken Nederlands, en
|
||||
c. een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.
|
||||
a. leesvaardigheid;
|
||||
b. luistervaardigheid;
|
||||
c. schrijfvaardigheid;
|
||||
d. spreekvaardigheid;
|
||||
e. kennis van de Nederlandse samenleving.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde examens worden afgelegd door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem.
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde onderdelen van het inburgeringsexamen, onder a, b, d en e worden afgelegd door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem. Het in het eerste lid, onder c, genoemde onderdeel van het inburgeringsexamen wordt schriftelijk afgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** De resultaten van de in het eerste lid genoemde examens worden door Onze Minister beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid. De resultaten worden uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De resultaten worden niet herbeoordeeld.
|
||||
**3.** De resultaten van de in het eerste lid genoemde onderdelen van het inburgeringsexamen, onder a, b, d en e worden door Onze Minister beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid. Het in het eerste lid, onder c, genoemde onderdeel van het inburgeringsexamen wordt beoordeeld door door Onze Minister aan te wijzen examinatoren. De resultaten worden uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De resultaten worden niet herbeoordeeld.
|
||||
|
||||
**4.** De resultaten van het in het eerste lid genoemde examen waarbij het geautomatiseerde systeem niet tot een beoordeling heeft kunnen komen, worden beoordeeld door examinatoren.
|
||||
**4.** De resultaten van de in het eerste lid, onder a, b, d en e, genoemde onderdelen van het inburgeringsexamen waarbij het geautomatiseerde systeem niet tot een beoordeling heeft kunnen komen, worden beoordeeld door de in het derde lid bedoelde examinatoren.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examens, genoemd in het eerste lid.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de onderdelen van het inburgeringsexamen, genoemd in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,239 +267,80 @@ c. een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.
|
|||
|
||||
**3.** Duplicaten van inburgeringsdiploma’s worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Examencommissies en commissies van beroep
|
||||
### Paragraaf 3. Examencommissies en commissies van beroep
|
||||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
**1.** De exameninstelling stelt een examencommissie in, die bestaat uit ten minste drie leden, onder wie ten minste twee examinatoren.
|
||||
|
||||
**2.** De examencommissie heeft tot taak het afnemen van een of meer van de examens van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
**3.** De leden van de examencommissie beschikken over relevante deskundigheid op het gebied van examinering en taalvaardigheidsonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Een examinator kan slechts worden benoemd tot lid van de examencommissie, indien hij de bij regeling van Onze Minister vastgestelde training met goed gevolg heeft afgerond.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de uitoefening van de taak, bedoeld in het tweede lid, heeft ten minste een van de examinatoren, bedoeld in het eerste lid, niet het inburgeringsonderwijs van de kandidaat verzorgd.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examencommissie.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
**1.** De exameninstelling stelt een onafhankelijke commissie van beroep in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
**2.** De commissie heeft tot taak de behandeling en beslechting van geschillen over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren terzake van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een plaatsvervangend voorzitter.
|
||||
|
||||
**4.** De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het bevoegd gezag van de exameninstelling of van een examencommissie als bedoeld in artikel 3.11.
|
||||
|
||||
**5.** De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.
|
||||
|
||||
**6.** De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag van de exameninstelling en aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. Zij kan bepalen dat opnieuw of alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de praktijkexamens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
|
||||
|
||||
**8.** Indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dit vereist, kan de commissie op verzoek van de kandidaat, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening treffen, na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben opgeroepen.
|
||||
|
||||
**9.** Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
|
||||
|
||||
**10.** De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie de inlichtingen die de commissie voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
|
||||
|
||||
**11.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de commissie van beroep. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
|
||||
### Paragraaf 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister worden normen voor de kwaliteit van de examinering vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de afname van de examens;
|
||||
b. de voorwaarden voor toelating tot de examens;
|
||||
a. de afname van de onderdelen van het inburgeringsexamen;
|
||||
b. de voorwaarden voor toelating tot de onderdelen van het inburgeringsexamen;
|
||||
c. de deskundigheid van de examinatoren;
|
||||
d. het vaststellen van de uitslag van de examens;
|
||||
d. het vaststellen van de uitslag van de onderdelen van het inburgeringsexamen;
|
||||
e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Aanwijzing exameninstellingen
|
||||
## Hoofdstuk 4. Sociale lening
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een instelling kan slechts als exameninstelling in de zin van artikel 15, eerste lid, van de wet worden aangewezen, indien:
|
||||
|
||||
a. de instelling een onderneming of rechtspersoon is die is ingeschreven in het handelsregister of een register dat wordt gehouden door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en dat een gelijkwaardig doel dient;
|
||||
b. de continuïteit van de instelling en de examinering redelijkerwijs zijn gewaarborgd, en
|
||||
c. de instelling beschikt over een examenreglement, waaruit blijkt dat de instelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Over de aanvraag tot aanwijzing wordt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering gehoord.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval het rapport van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, over.
|
||||
|
||||
**4.** Op de aanvraag wordt beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid alsmede omtrent de aanvraag en de behandeling daarvan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de instelling bij zijn verzoek om een onderzoek als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, verschaft.
|
||||
|
||||
**2.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering bevestigt de ontvangst van het verzoek om een onderzoek schriftelijk.
|
||||
|
||||
**3.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt het rapport vast binnen zes weken na ontvangst van het verzoek om een onderzoek. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de instelling uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering gestelde termijn van ten hoogste vier weken ongebruikt is verstreken.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan de instelling.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van het onderzoek en het rapport.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16
|
||||
|
||||
**1.** De aanwijzing kan worden geschorst of ingetrokken, indien zij is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens of indien de exameninstelling niet voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen dan nadat de exameninstelling op grond van de bevindingen over de examinering een waarschuwing is gegeven, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
**3.** De instelling kan niet eerder dan na verloop van een jaar na de in het eerste lid bedoelde intrekking opnieuw overeenkomstig artikel 3.14 worden aangewezen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Toezicht op de exameninstellingen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Kwaliteitscentrum examinering inburgering
|
||||
|
||||
### Artikel 3.17
|
||||
|
||||
**1.** Het toezicht op de exameninstellingen wordt uitgeoefend door een door Onze Minister aangewezen rechtspersoon (Kwaliteitscentrum examinering inburgering).
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering heeft tot taak het verrichten van onderzoek naar de mate waarin:
|
||||
|
||||
a. een instelling die voornemens is een aanvraag tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.14 in te dienen, voldoet aan de bij en krachtens de wet aan een exameninstelling gestelde eisen;
|
||||
b. de exameninstellingen en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verricht het onderzoek op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.18
|
||||
|
||||
**1.** Het bestuur van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering richt een stelsel van kwaliteitszorg in en draagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de taakuitoefening, met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen.
|
||||
|
||||
**2.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag aan Onze Minister. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt in het jaarverslag de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten bekend.
|
||||
|
||||
**3.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 oktober een jaarwerkplan voor het daaropvolgende kalenderjaar aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het jaarverslag en het jaarwerkplan.
|
||||
|
||||
**5.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt jaarlijks voor 1 november een verslag op over zijn bevindingen over de exameninstellingen en de examinering in het voorafgaande studiejaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.19
|
||||
|
||||
**1.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering brengt jaarlijks voor 1 juli een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar uit, die vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt de stukken, bedoeld in de eerste volzin, algemeen verkrijgbaar.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de verstrekking door Onze Minister aan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering van een subsidie voor de op grond van artikel 3.17 uit te voeren taken, en omtrent de inrichting van de begroting, de jaarrekening en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.20
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen, waaronder het intrekken van de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, indien het Kwaliteitscentrum examinering inburgering naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.
|
||||
|
||||
**2.** De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder getroffen dan nadat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. De uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.21
|
||||
|
||||
**1.** Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel b, onderzoekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering jaarlijks de exameninstellingen en de examinering door de exameninstellingen.
|
||||
|
||||
**2.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt de exameninstelling in kennis van de aanvangsdatum alsmede van de planning van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het onderzoek door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan de exameninstelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt zijn oordeel na een onderzoek als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, vast in een verklaring. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt:
|
||||
|
||||
a. een goedkeurende verklaring indien de exameninstelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen;
|
||||
b. een afkeurende verklaring indien de exameninstelling en de examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, waarbij het naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering niet aannemelijk is dat dit binnen een half jaar alsnog het geval zal zijn, alsmede in gevallen als bedoeld in het derde lid, of
|
||||
c. een voorwaardelijke verklaring indien de exameninstelling en de examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, waarbij het naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aannemelijk is dat dit binnen een half jaar alsnog het geval zal zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Indien er naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering op enig moment tijdens het onderzoek sprake is van een zodanige afwijking van de bij en krachtens de wet gestelde eisen, dat vaststaat dat zonder verbeteringen aan het eind van het onderzoek een afkeurende verklaring zal worden afgegeven, meldt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dit onverwijld aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Indien na het afgeven van een voorwaardelijke verklaring bij het eerstvolgende onderzoek blijkt dat opnieuw niet wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, wordt een afkeurende verklaring afgegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Een verklaring wordt door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voorzien van een onderbouwing van het oordeel.
|
||||
|
||||
**5.** Alvorens een verklaring vast te stellen, stelt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de exameninstelling in de gelegenheid van de ontwerpverklaring kennis te nemen en daarover overleg te voeren. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door de exameninstelling gewenste wijzigingen in de ontwerpverklaring, wordt de door de exameninstelling aangegeven zienswijze in een bij de verklaring behorende bijlage opgenomen.
|
||||
|
||||
**6.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt een verklaring onverwijld aan de exameninstelling. Indien het een goedkeurende verklaring betreft, meldt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dit aan Onze Minister. Indien het een afkeurende of voorwaardelijke verklaring betreft, zendt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering een afschrift van die verklaring onverwijld aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van de verklaring.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.23
|
||||
|
||||
**1.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt een verklaring als bedoeld in artikel 3.22 in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.
|
||||
|
||||
**2.** Tevens verstrekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan derden op verzoek een afschrift van de verklaring. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering kan een vergoeding van de kosten vragen overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen tarief voor de afgifte van een verklaring.
|
||||
|
||||
**3.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt een verklaring niet eerder aan derden dan nadat deze op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.24
|
||||
|
||||
Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt een klachtenregeling vast inzake behandeling van klachten over gedragingen van personen die belast zijn met het uitoefenen van taken voor het Kwaliteitscentrum examinering inburgering.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.25
|
||||
|
||||
**1.** Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitvoering van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
|
||||
|
||||
**2.** De instelling en de exameninstelling verstrekken desgevraagd aan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering alle voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 3.17, benodigde inlichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26
|
||||
|
||||
**1.** De exameninstellingen zenden het Kwaliteitscentrum examinering inburgering jaarlijks een verslag over de afgenomen examens, waaruit blijkt op welke wijze de exameninstelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting en openbaarmaking van de verslagen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Faciliteiten
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Lening
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Vaststelling van de lening
|
||||
### Paragraaf 1. Vaststelling van de lening
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, onderdeel e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 en die:
|
||||
|
||||
De lening wordt verstrekt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot, alsmede het afleggen van:
|
||||
|
||||
1°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus, en
|
||||
2°. indien de inburgeringsplichtige oudkomer is, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10, of
|
||||
b. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**2.** De lening wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt of heeft gevolgd bij een cursusinstelling die op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige zich voor de cursus heeft aangemeld, in het bezit is van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat.
|
||||
|
||||
**3.** De lening wordt niet verstrekt indien op enig moment voor de inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Een lening ten behoeve van het afleggen van het inburgeringsexamen wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige tevens een lening ontvangt ten behoeve van het volgen van een cursus.
|
||||
|
||||
**5.** De lening wordt niet verstrekt indien aan de inburgeringsplichtige een persoonsvolgend budget is verstrekt.
|
||||
a. anders dan voor een tijdelijk doel als bedoeld in artikel 2.1 in Nederland verblijft;
|
||||
b. ouder dan 16 jaar is dan wel de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt;
|
||||
c. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
|
||||
d. niet beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document;
|
||||
e. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan de inburgeringsplichtige kan eenmalig op aanvraag een lening van ten hoogste € 5.000,– worden verstrekt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
|
||||
b. het afleggen van een examen als bedoeld onder a.
|
||||
|
||||
**2.** De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan een lening worden verstrekt van ten hoogste € 10.000,–, aan de inburgeringsplichtige en kan hij de lening tevens aanwenden voor het volgen van een alfabetiseringscursus, indien hij:
|
||||
|
||||
a. rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, of
|
||||
b. als gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van die wet.
|
||||
|
||||
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
**5.** De lening ten behoeve van het volgen van een cursus wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een bij regeling van Onze Minister aan te wijzen keurmerk of van het in artikel 9, eerste lid, van de wet bedoelde certificaat.
|
||||
|
||||
**6.** De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede, derde en vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2
|
||||
|
||||
**1.** De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende een periode van ten hoogste drie jaar gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de eerste verstrekking van de lening.
|
||||
**1.** De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7, derde lid, van de wet of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet gestelde regels verlengde termijn. Een persoon als bedoeld in artikel 4.1 heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het geleende bedrag wordt niet uitgekeerd, indien de inburgeringsplichtige:
|
||||
Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
|
||||
|
||||
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
|
||||
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
|
||||
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e en l van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de hoogte en de betaling van de lening.
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de betaling van de lening.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -590,49 +352,45 @@ b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8,
|
|||
|
||||
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Terugbetaling van de lening
|
||||
### Paragraaf 2. Terugbetaling van de lening
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december ten behoeve van het daarop volgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd, zo dicht mogelijk bij 10 jaren, tussen 8 en 11 jaren.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 31 december ten behoeve van het daarop volgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd van drie tot vijf jaren.
|
||||
|
||||
**2.** De renteberekening gaat in op de dag waarop het bedrag aan lening bij Onze Minister is afgeschreven.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid geldt voor 2007 een rentepercentage dat door Onze Minister is vastgesteld vóór 1 januari 2007.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6
|
||||
|
||||
**1.** De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste drie jaren.
|
||||
**1.** De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren.
|
||||
|
||||
**2.** In geval van wijziging van het bedrag van de maandelijkse termijn naar aanleiding van een verzoek tot draagkrachtvaststelling als bedoeld in artikel 4.9, kan deze periode worden verlengd tot ten hoogste zeven jaren.
|
||||
**2.** De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.
|
||||
|
||||
**3.** De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.
|
||||
**3.** Gedurende de in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.
|
||||
|
||||
**4.** Gedurende de in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.
|
||||
**4.** In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 4.1 aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat aan de inburgeringsplicht is voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.7
|
||||
|
||||
**1.** De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde gevallen.
|
||||
**1.** De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde gevallen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag van de maandelijkse termijn wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin.
|
||||
**2.** De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, derde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in 4.6, tweede lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de hoogte van het bedrag van de maandelijkse termijn alsmede de wijze waarop deze wordt berekend.
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de hoogte van het termijnbedrag alsmede de wijze waarop dit wordt berekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.8
|
||||
|
||||
**1.** Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin, stelt Onze Minister het bedrag vast dat de debiteur overeenkomstig de artikelen 4.5 tot en met 4.7 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren.
|
||||
**1.** Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, derde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, tweede volzin, stelt Onze Minister het termijnbedrag vast dat de debiteur overeenkomstig de artikelen 4.5 tot en met 4.7 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde termijn.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het termijnbedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.9
|
||||
|
||||
Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde bedrag van de termijn te voldoen, kan hij bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode.
|
||||
Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijnbedrag te voldoen, kan hij bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.10
|
||||
|
||||
**1.** Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
|
||||
**1.** Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -642,9 +400,7 @@ Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde
|
|||
|
||||
**1.** Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 4.9, een beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld met ingang van de maand daaropvolgend. Daarbij wordt tevens zijn resterende terugbetalingsperiode bepaald.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de in artikel 4.8 vastgestelde termijn.
|
||||
**2.** Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijnbedrag, wordt het termijnbedrag opnieuw vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin Onze Minister het nieuwe termijnbedrag aan de debiteur bekend heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -658,7 +414,7 @@ Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning
|
|||
|
||||
### Artikel 4.14
|
||||
|
||||
**1.** De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, de termijn opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnen.
|
||||
**1.** De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, het termijnbedrag opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnbedragen.
|
||||
|
||||
**2.** De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat op dat ogenblik teniet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -666,185 +422,37 @@ Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning
|
|||
|
||||
De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet en artikel 4.2, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Slotbepaling
|
||||
### Paragraaf 3. Slotbepaling
|
||||
|
||||
### Artikel 4.16
|
||||
|
||||
De artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Vergoeding
|
||||
|
||||
### Artikel 4.17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in artikel 18, eerste lid, van de wet bedoelde vergoeding bestaat uit:
|
||||
|
||||
a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag, of
|
||||
b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte van de kosten die de gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
1°. het volgen van een cursus bij een cursusinstelling die op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige zich voor de cursus heeft aangemeld, over het in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat beschikte, en
|
||||
2°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus alsmede, indien de inburgeringsplichtige oudkomer is, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien een inburgeringsplichtige binnen drie jaar het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, heeft behaald, verstrekt Onze Minister aan die gewezen inburgeringsplichtige:
|
||||
|
||||
a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag, of
|
||||
b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte van de kosten die die gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt ten behoeve van het volgen van een cursus bij een cursusinstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.
|
||||
|
||||
Indien de gewezen inburgeringsplichtige oudkomer was, wordt de termijn van drie jaar berekend vanaf het tijdstip waarop het college ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de wet gaf.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid, verstrekt Onze Minister een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan de gewezen oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, die binnen drie jaar nadat het college ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de wet heeft gegeven, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10, heeft behaald.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.18
|
||||
|
||||
De termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet en artikel 4.17, tweede en derde lid, wordt verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.19
|
||||
|
||||
Onze Minister verstrekt ambtshalve de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, bedoelde vergoeding binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.20
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt ambtshalve of op aanvraag de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding, voorzover het bedrag daarvan het in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel a, bedoelde bedrag te boven gaat.
|
||||
|
||||
**2.** Ambtshalve verstrekking geschiedt binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald. Indien een aanvraag is gedaan, geeft Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag en de betaling van de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, bedoelde vergoedingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.21
|
||||
|
||||
**1.** Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, heeft de gewezen inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, onderdelen a en b, heeft degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c is behaald, niet inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens:
|
||||
|
||||
a. het bereiken van de 65-jarige leeftijd, of
|
||||
b. een andere omstandigheid en op dat tijdstip een schuld bestond uit een niet eerder dan drie jaar voor dat tijdstip overeenkomstig artikel 4.1 verstrekte lening.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid, onderdelen a en b, en derde lid heeft:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij het betreft een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;
|
||||
b. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt;
|
||||
c. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.22
|
||||
|
||||
**1.** Indien op de gewezen inburgeringsplichtige nog een verplichting rust tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening, verrekent Onze Minister de vergoeding met het terug te betalen bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent deze verrekening.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Gemeentelijk aanbod aan bijstands- en uitkeringsgerechtigden
|
||||
|
||||
### Artikel 4.23
|
||||
|
||||
De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in de artikelen 19, vierde lid, 24a, vierde lid, en 24b, eerste lid, van de wet, zijn:
|
||||
|
||||
a. de Werkloosheidswet;
|
||||
b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
||||
c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
|
||||
d. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
|
||||
e. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
|
||||
f. de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
|
||||
g. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
|
||||
h. de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
|
||||
i. de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten;
|
||||
j. de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Gemeentelijk aanbod aan geestelijke bedienaren
|
||||
|
||||
### Artikel 4.24
|
||||
|
||||
**1.** De inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, onderdeel b, en 24a, eerste lid, van de wet, omvat een cursus die toeleidt naar de ingevolge paragraaf 2, afdeling 1, van hoofdstuk 3, voor de geestelijke bedienaren en geestelijke bedienaren die vrijwillige inburgeraar zijn geldende onderdelen van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de cursus.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Inburgeringsalternatief bij verval inburgeringsvoorziening
|
||||
|
||||
### Artikel 4.25
|
||||
|
||||
**1.** Indien op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet een inburgeringsvoorziening vervalt, roept het college de inburgeringsplichtige binnen zes weken op voor het onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen zes weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking waarin als gelijkwaardig inburgeringsalternatief een op dat tijdstip passende inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 22, eerste lid, en 23, eerste, tweede en derde lid, van de wet is van toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar
|
||||
|
||||
### Artikel 4.26
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De overeenkomst, bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet, bevat ten minste een omschrijving van de overeengekomen voorziening, alsmede een omschrijving van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige inburgeraar ten aanzien van:
|
||||
|
||||
a. de termijn waarbinnen de vrijwillige inburgeraar moet hebben deelgenomen aan het inburgeringsexamen dan wel het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
b. de eventuele verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de mogelijkheid van betaling in termijnen;
|
||||
c. de gevolgen van niet-nakoming van de overeenkomst.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Persoonlijk inburgeringsbudget
|
||||
|
||||
### Artikel 4.27
|
||||
|
||||
**1.** Indien het college een persoonlijk inburgeringsbudget als bedoeld in artikel 19, tweede lid, of artikel 24a, tweede lid, van de wet aanbiedt, begeleidt het college de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar bij de vormgeving van zijn inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf.
|
||||
|
||||
**2.** Het voorstel van de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar behoeft de goedkeuring van het college.
|
||||
|
||||
**3.** De gemeenteraad bepaalt bij verordening wie als enige partij of partijen met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar sluit.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Handhaving
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Oproepen van personen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het college roept de vreemdeling die inburgeringsplichtig of potentieel inburgeringsplichtig is, met uitzondering van de oudkomer en de potentieel inburgeringsplichtige oudkomer, op voor het onderzoek:
|
||||
|
||||
a. indien hij in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft, binnen zes weken nadat hij na vertrek uit het centrum voor de eerste keer aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan;
|
||||
b. in de overige gevallen, binnen zes weken na het ontstaan van de grond waarop de vreemdeling inburgeringsplichtig is geworden of waarop het college kan vermoeden dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is geworden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid, onderdeel b.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het aantal oudkomers wordt vastgesteld aan wie het college in een door Onze Minister te bepalen tijdvak een handhavingsbeschikking bekendmaakt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
**1.** Indien niet aan de inburgeringsplicht is voldaan, verstrekt het college informatie over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige die uit de wet voortvloeien.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen twaalf weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** Indien ten aanzien van de inburgeringsplichtige geen beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet wordt gegeven, stelt het college hem binnen twaalf weken na het onderzoek schriftelijk in kennis van de voor hem geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Termijnverlenging en ontheffing van de inburgeringsplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.
|
||||
|
||||
**3.** In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlenging van de termijn.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag tot verlening van ontheffing van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college ambtshalve besluiten tot het verlenen van ontheffing. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** Het college kan op aanvraag de termijn, genoemd in het eerste lid, buiten toepassing laten, indien toepassing daarvan naar zijn oordeel, gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Informatiebepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -857,19 +465,10 @@ Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot d
|
|||
Het Informatiesysteem Inburgering bevat uitsluitend persoonsgegevens van:
|
||||
|
||||
a. inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen;
|
||||
b. andere dan de in onderdeel a bedoelde personen, die deelnemen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
c. vrijwillige inburgeraars, personen ten aanzien van wie op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet participatiebudget een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede andere dan de in onderdeel a of b bedoelde personen, ten aanzien van wie een naar het inburgeringsexamen toeleidende inburgeringsvoorziening is vastgesteld op grond van:
|
||||
|
||||
1°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31,
|
||||
2°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31,
|
||||
3°. de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal,
|
||||
4°. de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, of
|
||||
5°. de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007;
|
||||
d. partners van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald;
|
||||
e. kinderen van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald en van deze debiteur geen inkomensgegevens bij de rijksbelastingdienst bekend zijn;
|
||||
f. personen ten aanzien van wie na een onderzoek als bedoeld in artikel 25 van de wet, dan wel na een onderzoek door Onze Minister naar het bezit van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, is vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn;
|
||||
g. personen ten aanzien van wie is gebleken dat zij aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet;
|
||||
h. personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn.
|
||||
b. andere dan de in onderdeel a bedoelde personen, die deelnemen aan het inburgeringsexamen of aan wie een lening is verstrekt ten behoeve van het volgen van een inburgeringscursus of het afleggen van het inburgeringsexamen;
|
||||
c. partners van inburgeringsplichtigen, indien overeenkomstig artikel 4.1a, tweede lid, de hoogte van de lening wordt bepaald of overeenkomstig artikel 4.10 de draagkracht van de debiteur wordt bepaald;
|
||||
d. personen ten aanzien van wie is gebleken dat zij aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet;
|
||||
e. personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn of kunnen worden.
|
||||
|
||||
**2.** Het Informatiesysteem Inburgering bevat de in de bijlage bij dit besluit opgenomen gegevens. Persoonsgegevens worden opgenomen zoals deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -881,40 +480,30 @@ h. personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij
|
|||
|
||||
De volgende instanties verstrekken ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering aan de beheerder daarvan uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de wet aan die instanties zijn opgedragen:
|
||||
|
||||
a. het college;
|
||||
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
|
||||
c. Onze Minister van Justitie;
|
||||
d. de rijksbelastingdienst;
|
||||
e. de exameninstellingen;
|
||||
f. de cursusinstellingen;
|
||||
g. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;
|
||||
h. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;
|
||||
i. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
|
||||
j. Onze Minister;
|
||||
k. het College voor examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens;
|
||||
l. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
a. Onze Minister;
|
||||
b. de rijksbelastingdienst;
|
||||
c. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid;
|
||||
d. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vijfde lid bedoelde keurmerk;
|
||||
e. het College voor examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens;
|
||||
f. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de gegevensverstrekking aan het college, Onze Minister van Justitie en Onze Minister, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de wet worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:
|
||||
Onverminderd de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de wet aan Onze Minister, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de rijksbelastingdienst worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:
|
||||
|
||||
a. de exameninstellingen;
|
||||
b. de cursusinstellingen;
|
||||
c. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;
|
||||
d. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;
|
||||
e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
b. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid;
|
||||
c. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vijfde lid, bedoelde keurmerk.
|
||||
|
||||
Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in artikel 47, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** De verstrekking van gegevens met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid, bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel b, van de wet, geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.
|
||||
|
||||
**4.** De gegevens omtrent de beschikking, vastgesteld op grond van de artikelen 19a, tweede lid, 22 en 26 van de wet, en de kennisgeving, verstrekt op grond van artikel 5.3, derde lid, alsmede de gegevens omtrent de overeenkomst, vastgesteld op grond van artikel 24d, tweede lid, van de wet, worden door het college zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening van de beschikking, de kennisgeving dan wel de overeenkomst elektronisch verstrekt aan de beheerder van het Informatiesysteem Inburgering. Indien de gegevens na ommekomst van de in de eerste volzin genoemde termijn nog niet zijn verstrekt, worden deze alsnog door het college binnen vier weken schriftelijk verstrekt aan de beheerder ten behoeve van opname in het Informatiesysteem Inburgering.
|
||||
**4.** De instanties, genoemd in het eerste lid, verstrekken de gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering.
|
||||
|
||||
**5.** De instanties, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en e tot en met h, verstrekken de overige gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**7.** In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens opgenomen.
|
||||
**6.** In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens opgenomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -936,7 +525,7 @@ d. woonplaats;
|
|||
e. geboortedatum;
|
||||
f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;
|
||||
g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de inburgeringsplicht;
|
||||
h. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald;
|
||||
h. de datum en de wijze waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan;
|
||||
i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake van een lening.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -956,68 +545,29 @@ f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat de volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:
|
||||
|
||||
a. burgerservicenummer;
|
||||
b. A-nummer;
|
||||
c. naamgegevens;
|
||||
d. geslacht;
|
||||
e. geboortedatum;
|
||||
f. geboorteplaats;
|
||||
g. geboorteland of land van herkomst;
|
||||
h. adresgegevens;
|
||||
i. woonplaats;
|
||||
j. nationaliteit;
|
||||
k. gegevens inzake vestiging in en vertrek uit Nederland.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat tevens de volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister van Justitie:
|
||||
|
||||
a. gegevens inzake de aard van het verblijfsdoel;
|
||||
b. gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgende instanties verstrekken aan de beheerder van het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het bijhouden dan wel schonen van dat bestand:
|
||||
|
||||
a. het college;
|
||||
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
|
||||
c. Onze Minister van Justitie;
|
||||
d. Onze Minister;
|
||||
e. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
|
||||
**2.** Persoonsgegevens die zijn opgenomen in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen worden slechts ter beschikking gesteld aan het college, Onze Minister en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in artikel 48, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** De verstrekking, bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel c, van de wet geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen worden verstrekt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.6
|
||||
|
||||
Onze Minister verwijdert de gegevens van een in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen opgenomen persoon, indien de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. is overleden;
|
||||
b. blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of uit Nederland is vertrokken, of
|
||||
c. in het Informatiesysteem Inburgering wordt opgenomen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.7
|
||||
|
||||
Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen wordt opgeheven op 1 januari 2057.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.8
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het Informatiesysteem Inburgering en het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen is Onze Minister de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.
|
||||
Met betrekking tot het Informatiesysteem Inburgering is Onze Minister de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.9
|
||||
|
||||
Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een persoon wiens gegevens in het Informatiesysteem Inburgering of het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen zijn opgenomen, woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1033,26 +583,26 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c
|
|||
|
||||
Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de grondslag van:
|
||||
|
||||
a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
f. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
h. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
i. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
j. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008 heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald.
|
||||
j. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008 heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het variabele deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op de grondslag van:
|
||||
|
||||
a. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;
|
||||
b. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, heeft verstrekt;
|
||||
b. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432), heeft verstrekt;
|
||||
c. het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
|
||||
d. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.
|
||||
e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1081,14 +631,14 @@ A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [
|
|||
waarin wordt voorgesteld:
|
||||
|
||||
– met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;
|
||||
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
|
||||
– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter L;
|
||||
– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
|
|
@ -1099,11 +649,11 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
– met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter T;
|
||||
– met de letter V: het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter W: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening;
|
||||
– met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening;
|
||||
– met de letter Z: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;
|
||||
– met de letters AA: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter Z;
|
||||
– met de letters BB: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2007 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;
|
||||
– met de letters BB: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2007 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;
|
||||
– met de letters CC: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letters BB;
|
||||
– met de letters DD: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3, derde lid;
|
||||
– met de letters EE: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor.
|
||||
|
|
@ -1130,14 +680,14 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
– met de letter B: het verleende voorschot op het vaste deel van de rijksbijdrage;
|
||||
– met de letter C: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;
|
||||
– met de letter D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de bekendmaking van een handhavingsbeschikking;
|
||||
– met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, heeft verstrekt;
|
||||
– met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid;
|
||||
– met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432), heeft verstrekt;
|
||||
– met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
|
||||
– met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
|
||||
– met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar;
|
||||
– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
– met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid;
|
||||
– met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.
|
||||
– met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
|
||||
– met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
|
||||
|
||||
**2.** Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1155,9 +705,9 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het tweede lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
|
||||
**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het tweede lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 430) en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
|
||||
**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -1167,7 +717,7 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De colleges wie het betreft stellen Onze Minister voor 1 september, voorafgaand aan het jaar waarop de samenwerking betrekking heeft, in kennis van de samenwerking. Deze kennisgeving bevat in ieder geval:
|
||||
De colleges wie het betreft stellen Onze Minister voor 1 september, voorafgaand aan het jaar waarop de samenwerking betrekking heeft, in kennis van de samenwerking. Deze kennisgeving bevat in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de namen van de deelnemende gemeenten;
|
||||
b. de naam van de gemeente dan wel het openbaar lichaam aan wie de in het tweede lid genoemde rechten en verplichtingen zijn overgedragen;
|
||||
|
|
@ -1265,15 +815,15 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
|
||||
### Artikel 8.1
|
||||
|
||||
Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.2
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.3
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit naturalisatietoets.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1281,27 +831,15 @@ Wijzigt het Besluit naturalisatietoets.
|
|||
|
||||
### Artikel 9.1
|
||||
|
||||
**1.** Op een door een inburgeringsplichtige vóór 1 januari 2007 tijdig ingediende aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers of tot verlenging van de duur daarvan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van die wet, waarop vóór die datum nog niet is beslist, wordt alsnog beslist met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens die wet.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt afgewezen, blijft het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers op die inburgeringsplichtige van toepassing, onverminderd artikel 7 van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** Indien aan een inburgeringsplichtige met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers een ontheffing voor bepaalde tijd is verleend, vangt de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn niet eerder aan dan nadat de duur van die ontheffing is verstreken.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van artikel 64, eerste lid, van de wet wordt de inburgeringsplichtige die vóór 1 januari 2007 tijdig een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inburgering nieuwkomers heeft ingediend, geacht te hebben voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van die wet bedoelde verplichting.
|
||||
|
||||
**5.** Zolang het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers op de inburgeringsplichtige van toepassing is, is ten aanzien van hem § 1 van hoofdstuk 5 van de wet niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Ten aanzien van de inburgeringsplichtige op wie ingevolge artikel 64, eerste lid, van de wet dan wel het tweede of vierde lid van dit artikel het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers van toepassing is, geldt dat in de artikelen 2.3, eerste lid, onderdeel j, subonderdeel 1°, tweede streepje, en 2.4, eerste lid, onderdeel b, in plaats van «niveau 1» wordt gelezen: niveau 2.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.2
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.80a en 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van de artikelen 3.96a, 3.103 en 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de artikelen 20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip vijf jaar houder was van een verblijfsvergunning.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.3
|
||||
|
||||
**1.** De inburgeringsplichtige die op 1 januari 2007 deelneemt aan een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijft toegelaten tot deze opleiding.
|
||||
**1.** De inburgeringsplichtige die op 1 januari 2007 deelneemt aan een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijft toegelaten tot deze opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Het college kan de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, bekostigen uit het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage dat betrekking heeft op het jaar 2007.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1317,33 +855,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 9.6
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast, welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
|
||||
|
||||
**2.** De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [B x C] + [D x E].
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld:
|
||||
|
||||
– met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage;
|
||||
– met de letter B: het aantal door het college in 2006 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;
|
||||
– met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter B;
|
||||
– met de letter D: het aantal door het college in 2006, 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2006 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;
|
||||
– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter D.
|
||||
|
||||
**4.** Het college dient voor 1 april 2009 een schriftelijk verslag in over de activiteiten welke met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in 2007 en 2008 zijn verricht.
|
||||
|
||||
**5.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid, letters B en D, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet.
|
||||
|
||||
**6.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september 2009 heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B en D in de formule, genoemd in het derde lid, vast op nul.
|
||||
|
||||
**7.** Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde eenmalige rijksbijdrage vast voor 1 oktober 2009.
|
||||
|
||||
**8.** De eenmalige rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin de eenmalige rijksbijdrage wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**9.** Het bedrag van de vastgestelde eenmalige rijksbijdrage wordt binnen zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening met het voorschot dat ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers is verleend ten behoeve van het jaar 2006. Indien de vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage of de verrekening met het voorschot leidt tot een negatief bedrag, is Onze Minister bevoegd dat bedrag terug te vorderen.
|
||||
|
||||
**10.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van het in het vierde lid bedoelde verslag.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -1353,9 +865,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 9.8
|
||||
|
||||
**1.** De wet en dit besluit treden in werking op 1 januari 2007.
|
||||
**1.** De wet en dit besluit treden in werking op 1 januari 2007.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 65 van de wet werkt terug tot en met 1 januari 2006.
|
||||
**2.** Artikel 65 van de wet werkt terug tot en met 1 januari 2006.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.9
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue