diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-a/BWBR0012287/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-a/BWBR0012287/README.md index 8c4af4ee343..1ff48e06ecd 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-a/BWBR0012287/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-a/BWBR0012287/README.md @@ -18,7 +18,6 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A) | --- | --- | | AC | aanmeldcentrum | | ACRU | aanvullende Cao Rijk uitzendingen | -| ACVZ | Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken | | AIVD | Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst | | amv | alleenstaande minderjarige vreemdeling | | Anw | Algemene nabestaandenwet | @@ -42,6 +41,7 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A) | BZK | (Minister/Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | | Cao | collectieve arbeidsovereenkomst | | CIR | Centraal Insolventieregister | +| CJIB | Centraal Justitieel Incassobureau | | COA | Centraal Orgaan opvang asielzoekers | | COVOG | Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag | | Crebo | Centraal register beroepsopleidingen | @@ -72,6 +72,7 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A) | HKBV | Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 | | HvJ EG | Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen | | IBDP | Internationaal Baccalaureaat Diploma Programma | +| ICORN | International Cities of Refuge Network | | IND | Immigratie- en Naturalisatiedienst | | IOM | Internationale Organisatie voor Migratie | | IPS | Insurance Passport For Students | @@ -120,7 +121,7 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A) | RvR | Raad voor Rechtsbijstand | | RWN | Rijkswet op het Nederlanderschap | | SBB | stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven | -| SGC | Verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees parlement en de Raad betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) | +| SGC | Verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) | | SIRENE | Supplementary Information Request at the National Entries | | SIS | Schengen Informatiesysteem | | Stb. | Staatsblad | @@ -2353,10 +2354,10 @@ c. als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 3. de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan; 4. aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan. -In de onder het vierde punt genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM daarmee akkoord gaat. +In de onder c genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt d. als er voor de vreemdeling: -– een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een reëel risico op vervolging; en +– een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een gegronde vrees voor vervolging; en – er ook geen ander land kan worden aangewezen waarnaar de vreemdeling kan terugkeren. In de situatie gemeld onder d. wordt in het terugkeerbesluit opgenomen dat: @@ -2979,7 +2980,7 @@ De vreemdelingenketen moet contact opnemen met de DT&V voor informatie over: • internationale verdragen en overeenkomsten over terug- en overname van vreemdelingen; • de te volgen procedures bij terug- of overname van vreemdelingen. -## A4. Het inreisverbod en de ongewenstverklaring +## A4. Het inreisverbod, de ongewenstverklaring en het besluit tot signalering ### 1. Inleiding @@ -2988,6 +2989,7 @@ In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerkin • artikel 66a Vw; • artikel 66b Vw; • artikel 67 Vw; +• artikel 24, eerste en tweede lid, Vo (EU) 2018/1861; • de artikelen 6.5, 6.5a, 6.5b en 6.6 Vb; • de artikelen 8.18, aanhef en onder b, en 8.22 Vb. @@ -3026,18 +3028,16 @@ Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de amb De IND, de politie, KMar en ZHP bepalen de duur van een inreisverbod. Ingevolge artikel 66a, vierde lid, Vw wordt de duur van het inreisverbod berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein daadwerkelijk heeft verlaten. Met een inreisverbod wordt de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor een bepaalde termijn verboden. -Als de vreemdeling een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein en aan hem een inreisverbod is uitgevaardigd, begint de termijn voor de duur van het inreisverbod te lopen als de vreemdeling het grondgebied van Nederland verlaat. - De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a Vb is genoemd. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt, op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw, een inreisverbod uit voor de duur van één jaar, in de volgende gevallen: -• de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, is met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen overschreden; of -• de vreemdeling is bijvoorbeeld in het toezicht aangetroffen en voldoet niet of niet langer aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12 Vw en artikel 6 SGC, tenzij de vreemdeling onderbouwt dat dit is te wijten aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. +• de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen is overschreden; of +• de vreemdeling bijvoorbeeld in het toezicht is aangetroffen en niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12 Vw en artikel 6 SGC, tenzij de vreemdeling onderbouwt dat dit is te wijten aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt, op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw, een inreisverbod uit voor de duur van twee jaar in geval de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan 90 dagen is overschreden. -De IND, de politie, KMar en ZHP maken bij het bepalen van de duur van een inreisverbod geen gebruik van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb. Uit de jurisprudentie van de Raad van State volgt dat gezien de huidige formulering van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb als aanvullende eis wordt gesteld dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Als hier sprake van is, is tevens sprake van aanvullende omstandigheden en kan de duur van het inreisverbod onder meer aan de hand van artikel 6.5a, vijfde lid, Vb, worden bepaald. +De IND, de politie, KMar en ZHP maken bij het bepalen van de duur van een inreisverbod geen gebruik van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb. Gezien de formulering van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb wordt als aanvullende eis gesteld dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Als hier sprake van is, is tevens sprake van aanvullende omstandigheden en kan de duur van het inreisverbod onder meer aan de hand van artikel 6.5a, vijfde lid, Vb worden bepaald. De IND vaardigt een inreisverbod uit in beginsel voor de duur van tien jaar als er sprake is van één van de in artikel 6.5a, vijfde lid, Vb genoemde omstandigheden en sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. @@ -3289,25 +3289,27 @@ De vreemdeling hoeft geen verklaring als bedoeld in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring: -a. strijdigheid met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM; -b. strijdigheid met artikel 3 EVRM welke duurzaam is en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel; +a. de ongewenstverklaring is in strijd met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM; +b. de ongewenstverklaring is in strijd met artikel 3 EVRM welke duurzaam is en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel; c. artikel 3.105c of artikel 3.105e Vb is van toepassing. Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd. -In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken. +In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken. Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt de IND bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie: • of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zo ja • of de gevolgen van het handhaven van de ongewenstverklaring voor de vreemdeling disproportioneel zijn, afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat. -Voor een beschrijving van de term duurzaam onder *ad b* wordt verwezen naar paragraaf C2/7.10.2.6 Vc. +De IND neemt aan dat de ongewenstverklaring duurzaam in strijd is met artikel 3 EVRM als aan de volgende voorwaarden is voldaan: -Een vreemdeling heeft een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar hij zich kan vestigen als: +• de IND heeft in een besluit vastgesteld dat artikel 3 EVRM een beletsel is bij terugkeer naar land van herkomst; +• dit beletsel bestaat al minimaal 10 jaar en de vreemdeling bevindt zich al die tijd zonder verblijfsvergunning of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in Nederland; +• tijdens deze 10 jaar leefde de vreemdeling in vrijheid en maakte geen gebruik van de Nederlandse voorzieningen; en +• vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan die vertrekplicht niet mogelijk gebleken. -• aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen; of -• hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. +Een vreemdeling heeft een inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar hij zich kan vestigen. De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Bij de beoordeling betrekt de IND in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf. Als de vreemdeling disproportionaliteit aannemelijk heeft gemaakt, willigt de IND de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in. @@ -3316,9 +3318,10 @@ Als een ongewenstverklaarde vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunnin • aannemelijk maakt dat hij vluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, Vw; of • bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. -De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.105c Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, als: +De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als omschreven in artikel 3.105c Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, als: -• de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan verstoringen van de openbare orde als omschreven in artikel 3.105c Vb of artikel 3.105e Vb; of +• de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid; +• de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan verstoringen van de openbare orde; of • artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. #### 3.8. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring @@ -3439,6 +3442,75 @@ In aanvulling op artikel 8.22 Vb geldt bij de beoordeling door de IND van de aan • gegevens en bescheiden die bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om tegen de vreemdeling een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen en; • een schriftelijke verklaring van de vreemdeling en van de bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven waaruit blijkt dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is. +### 4. Het besluit tot signalering + +#### 4.1. Algemeen + +De IND legt een besluit tot signalering op als: + +• de aanwezigheid van de derdelander op het grondgebied van Nederland een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; en +• er een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden waarbij de persoonlijke omstandigheden van de derdelander zijn betrokken en is bezien wat de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf voor de derdelander zijn. + +Er wordt aangenomen dat er in ieder geval sprake is van een bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid als: + +• een derdelander in een lidstaat is veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar geldt; of +• er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de derdelander een ernstig strafbaar feit, onder meer een terroristisch misdrijf, heeft gepleegd of er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij overweegt een dergelijk feit te plegen op het grondgebied van een lidstaat; of +• er concrete aanwijzingen zijn dat een derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of nationale veiligheid; of +• de derdelander het Unierecht of het nationale recht voor binnenkomst in en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft omzeild of gepoogd heeft deze te omzeilen. + +Voor de toepassing van het begrip 'gevaar voor de nationale veiligheid' wordt verwezen naar paragraaf B1/4.4 Vc. + +Een inreisverbod en een besluit tot signalering kunnen naast elkaar bestaan. Als een zwaar inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw is opgelegd, wordt aangenomen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een besluit tot signalering + +Voor de signalering van de vreemdeling vanwege het besluit tot signalering wordt verwezen naar A2/12 Vc. + +#### 4.2. Duur besluit tot signalering + +Voor de duur van het besluit tot signalering is het beleid uit paragraaf A4/2.3 Vc van overeenkomstige toepassing. + +##### 4.2.1. Signalering in E&S + +De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat: + +• de vreemdeling in E&S gesignaleerd staat; en +• buiten Nederland is. + +De vreemdeling toont dit aan bij zijn verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering. + +##### 4.2.2. Signalering eerst in E&S, daarna in SIS + +De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat de vreemdeling, die in het SIS gesignaleerd staat, het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verlaten. + +De IND telt de duur dat de vreemdeling buiten Nederland (maar binnen het grondgebied van de lidstaten) heeft verbleven gedurende de signalering in E&S, mee. + +De vreemdeling moet hiervoor een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen. Zie hiervoor paragraaf A4/4.3 Vc. + +#### 4.3. Opheffing van het besluit tot signalering + +De IND gaat over tot opheffing van het besluit tot signalering als dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.5 en A4/3.6 Vc zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: + +• het vertrek uit Nederland en het onafgebroken verblijf buiten Nederland van toepassing is als sprake is van een signalering in E&S; en +• het vertrek uit het grondgebied van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland van toepassing is als sprake is van een signalering in SIS. + +De vreemdeling kan een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen als hij nog niet de vereiste duur buiten het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verbleven. De vreemdeling toont aan wanneer hij buiten Nederland, maar binnen het grondgebied van de lidstaten, heeft verbleven tijdens de periode van signalering in E&S. + +De IND gaat niet over tot opheffing van het besluit tot signalering op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het besluit tot signalering zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden. + +De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een besluit tot signalering dat aan een vreemdeling is opgelegd, omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, overeenkomstig artikel 6.5a, zesde lid, Vb, uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het besluit tot signalering, en: + +• het vertrek uit Nederland bij een signalering in E&S ten minste tien aaneengesloten jaren buiten Nederland heeft verbleven, of +• het vertrek uit het grondgebied van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland tenminste tien aaneengesloten jaren buiten voornoemd grondgebied heeft verbleven als sprake is van een signalering in SIS. + +Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de aanvraag om opheffing van het besluit tot signalering nog steeds een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, verlengt de IND de duur van het besluit tot signalering. + +#### 4.4. Tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering + +Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering. Zie paragraaf A4/3.7 Vc. + +#### 4.5. Bekendmaking besluit tot signalering + +De IND kan het besluit tot signalering zowel uitreiken als toezenden. + ## A5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen ### 1. Inleiding @@ -3848,7 +3920,7 @@ Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in #### 6.13. Tenuitvoerlegging strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming -Als tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis of arrest moet ondergaan, wordt voor zover de tenuitvoerlegging van het strafrechtelijk vonnis of arrest is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het OM over de executie van het vonnis. +Als tijdens de bewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis. #### 6.14. Beëindiging vrijheidsontneming