2002-01-01 | BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB
This commit is contained in:
parent
52df52f8a5
commit
5e4964d752
1 changed files with 965 additions and 0 deletions
965
amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md
Normal file
965
amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,965 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
bwb_id: BWBR0010646
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1999-09-03'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0010646
|
||||
citeertitel: Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk I. Algemeen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1.1
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. wet: de Wet educatie en beroepsonderwijs;
|
||||
b. deelnemer: een in artikel 8.1.1, eerste lid, eerste volzin, van de wet bedoelde deelnemer.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1.2
|
||||
|
||||
Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.2.3, derde lid, 5.2.3, 6.1.1 en 6.1.4, tweede lid, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Bekostiging beroepsonderwijs
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De paragrafen 1, 2, 4 en 5 zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
a. regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
|
||||
b. vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet,
|
||||
c. instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en
|
||||
d. instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet,
|
||||
|
||||
waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
|
||||
|
||||
**2.** Paragraaf 1, paragraaf 2 met uitzondering van artikel 2.2.1, eerste lid, en artikel 2.2.5, alsmede paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en paragraaf 5 is van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
|
||||
|
||||
**3.** Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra.
|
||||
|
||||
**4.** Paragraaf 5 heeft mede betrekking op innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet, op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1.2
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. opleiding: een beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal register en die wordt bekostigd ingevolge een beslissing van Onze Minister op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, van de wet;
|
||||
b. voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van Wet studiefinanciering 2000 of van de de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
|
||||
c. deeltijds deelnemer: een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer;
|
||||
d. diploma beroepsonderwijs: een door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een onder a bedoelde opleiding, alsmede van een opleiding die niet langer is opgenomen in het in artikel 2.1.1 van de wet bedoelde overzicht,
|
||||
e. agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet;
|
||||
f. voorbereidend beroepsonderwijs: voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan een agrarisch opleidingscentrum;
|
||||
g. leerling: een leerling die voor het volgen van voorbereidend beroepsonderwijs is ingeschreven aan een agrarisch opleidingscentrum.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1.3
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten voor zowel het beroepsonderwijs als het voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Exploitatiekosten
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet dat in mindering wordt gebracht op het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het na toepassing van het eerste lid resterende deel van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar wordt verdeeld als volgt:
|
||||
|
||||
a. 80% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf ingeschreven deelnemers, en
|
||||
b. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:
|
||||
|
||||
a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers,
|
||||
b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, en
|
||||
c. het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers volgens de formule:
|
||||
|
||||
i = n
|
||||
|
||||
Σ {[(DDi x DFi) + VDi] x Pi}
|
||||
|
||||
i = 1
|
||||
|
||||
----------------------------------------------- x LMID
|
||||
|
||||
LDw
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
i: opleiding verzorgd aan de desbetreffende instelling,
|
||||
|
||||
n: het aantal opleidingen verzorgd aan de desbetreffende instelling,
|
||||
|
||||
DDi: het aantal deeltijds deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt, en voor zover het deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b, van de wet betreft, voor zover deze deelnemers:
|
||||
|
||||
a. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet hebben gesloten, en
|
||||
b. indien zij een opleiding volgen als bedoeld in het tweede lid, onder b, uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar, dan wel in geval zij een andere opleiding volgen uiterlijk op dezelfde datum als genoemd onder a, daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet volgen op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld onder a,
|
||||
|
||||
DFi: de op grond van het tweede lid aan de desbetreffende opleiding toegekende deeltijdfactor,
|
||||
|
||||
VDi: het aantal voltijds deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt,
|
||||
|
||||
Pi: de op grond van het derde lid aan de desbetreffende opleiding toegekende prijsfactor,
|
||||
|
||||
het gedeelte van de formule boven de streep: de deelnemerswaarde van de desbetreffende instelling,
|
||||
|
||||
LDw: de landelijke deelnemerswaarde, zijnde de som van de deelnemerswaarden van de instellingen, en
|
||||
|
||||
LMID: het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf ingeschreven deelnemers, zoals dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De deeltijdfactor, bedoeld in het eerste lid onder DFi, bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor de opleidingen die zijn opgenomen in het Centraal register en die worden bekostigd door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: 0,5;
|
||||
b. voor de opleidingen die zijn opgenomen in het Centraal register en die worden bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor zover voor die opleidingen eindtermen als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: 0,8, en
|
||||
c. voor de overige opleidingen: 0,35.
|
||||
|
||||
**3.** Jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, wordt bij ministeriële regeling de prijsfactor, bedoeld in het eerste lid onder Pi, vastgesteld die wordt toegekend aan een opleiding die in dat kalenderjaar voor het eerst in het Centraal register wordt opgenomen. Wijzigingen van prijsfactoren van reeds in het Centraal register opgenomen opleidingen worden eveneens jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.4
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs volgens de formule:
|
||||
|
||||
DI.1 + 2DI.2 + 4DI.3
|
||||
|
||||
----------------------------------- x LMD
|
||||
|
||||
LD.1 + 2LD.2 + 4LD.3
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
DI.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,
|
||||
|
||||
DI.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,
|
||||
|
||||
DI.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet,
|
||||
|
||||
LD.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,
|
||||
|
||||
LD.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,
|
||||
|
||||
LD.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet, en
|
||||
|
||||
LMD: het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, zoals dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder b.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.5
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet, voor een kalenderjaar door het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals dat voor dat kalenderjaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, over de instellingen te verdelen naar rato van het aantal deelnemers per instelling, voor zover deze deelnemers voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. zij waren op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar ingeschreven aan de desbetreffende instelling voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b, van de wet, en waren tevens
|
||||
b. niet in het bezit van:
|
||||
|
||||
1°. een diploma lager beroepsonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, tenzij dat diploma is verkregen op grond van een eindexamen waarbij een of meer vakken op A-niveau of vier of meer vakken op B-niveau zijn geëxamineerd,
|
||||
2°. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,
|
||||
3°. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
|
||||
4°. een diploma beroepsonderwijs van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met f, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.6
|
||||
|
||||
In geval van fusie van instellingen of indien vanwege afspraken tussen instellingen over de verzorging van beroepsopleidingen, bepaalde gegevens als bedoeld in de artikelen 2.2.3, eerste lid, 2.2.4 of 2.2.5, anders moeten worden toegerekend, geeft Onze Minister op overeenkomstige wijze toepassing aan die bepalingen. Afspraken als bedoeld in de eerste volzin blijken uit een door het bevoegd gezag, in voorkomend geval tezamen met andere betrokken bevoegde gezagsorganen, aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Voorbereidend beroepsonderwijs aan agrarische opleidingscentra
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn de volgende bekostigingsbepalingen van de wet niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. de artikelen 2.1.1 en 2.1.2,
|
||||
b. artikel 2.2.1, wat betreft de zinsnede «die ten aanzien van de in artikel 2.2.2, tweede lid, onder a en b, bedoelde gegevens betrekking heeft op het tweede aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar», en
|
||||
c. artikel 2.2.2, tweede lid, onder b, derde en vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn de volgende bekostigingsbepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. de artikelen 77 en 78,
|
||||
b. de artikelen 84 tot en met 89,
|
||||
c. de artikelen 96b tot en met 96r,
|
||||
d. artikel 97, alsmede de artikelen 98a tot en met 100,
|
||||
e. de artikelen 104, 105 en 106,
|
||||
f. de artikelen 107 tot en met 112.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een agrarisch opleidingscentrum voor de exploitatiekosten voor het voorbereidend beroepsonderwijs dat ten behoeve van deze berekening is onderverdeeld in beroepsonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs, volgens de formule:
|
||||
|
||||
{Liv x PLiv} + {Lil x PLil}
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
Liv: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het beroepsonderwijs,
|
||||
|
||||
Lil: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het leerwegondersteunend onderwijs,
|
||||
|
||||
PLiv: de op grond van het tweede lid voor het desbetreffende kalenderjaar toegekende prijs per leerling beroepsonderwijs, en
|
||||
|
||||
PLil: de op grond van het tweede lid voor het desbetreffende kalenderjaar toegekende prijs per leerling leerwegondersteunend onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, worden bij ministeriële regeling de prijzen per leerling vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Huisvesting
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verdeelt het op grond van artikel 2.1.3 voor een kalenderjaar vastgestelde landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs over de instellingen naar rato van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.2 berekende rijksbijdrage voor exploitatiekosten per instelling.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van scholen voor voortgezet onderwijs in scholengemeenschappen als bedoeld in artikel IV, eerste lid, van de Wet van 29 mei 1997 (Stb. 1997, 229) tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht, wordt bij ministeriële regeling jaarlijks een bedrag vastgesteld ten behoeve van de huisvestingskosten per deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar was ingeschreven aan een school voor voortgezet onderwijs als hiervoor bedoeld.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Vermindering rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5.1
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling:
|
||||
|
||||
1°. een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
|
||||
2°. een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet,
|
||||
3°. een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut, en
|
||||
4°. een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool;
|
||||
b. uitkering: een werkloosheidsuitkering als bedoeld in de hoofdstukken I en II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een instelling voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:
|
||||
|
||||
PI
|
||||
|
||||
------ x (A + B + C)
|
||||
|
||||
PL
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder
|
||||
|
||||
PI: de rijksbijdrage voor de desbetreffende instelling voor de exploitatiekosten zoals vastgesteld op grond van:
|
||||
|
||||
a. artikel 2.2.2, in geval van een agrarisch opleidingscentrum vermeerderd met de rijksbijdrage zoals vastgesteld op grond van artikel 2.3.2,
|
||||
b. paragraaf 1 van hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling WEB,
|
||||
c. paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling WEB, dan wel
|
||||
d. artikel 2 van het Besluit bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra 1997;
|
||||
|
||||
PL: de som van de rijksbijdragen van de instellingen voor de exploitatiekosten zoals vastgesteld op grond van de bij PI vermelde grondslagen;
|
||||
|
||||
A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar van gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
|
||||
|
||||
B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar van gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
|
||||
|
||||
C: 40% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage van een instelling voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
|
||||
|
||||
a. de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende instelling, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
|
||||
b. 60% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende instelling, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
|
||||
|
||||
**3.** De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5.3
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.5.2, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de rijksbijdrage.
|
||||
|
||||
**2.** De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het desbetreffende jaar.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Rijksbijdrage educatie en huisvesting opleidingen VAVO
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt onder volwassen inwoner verstaan, een persoon van 18 jaren of ouder die op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij een gemeente is ingeschreven.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. De rijksbijdrage educatie
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.1
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie wordt door Onze Minister berekend op grond van:
|
||||
|
||||
a. het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld,
|
||||
b. het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van de gemeente met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de rijksbijdrage, vermenigvuldigd met het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, en
|
||||
c. het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en 1 ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 1c bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie wordt de rijksbijdrage die op grond van het eerste lid is berekend voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten, vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
|
||||
|
||||
**3.** De in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie kan met inachtneming van het eerste en tweede lid worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2.3
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie voor 15% aan hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel a, voor 45% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel b, en voor 40% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Rijksbijdrage voor huisvestingskosten vavo
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3.1
|
||||
|
||||
**1.** De in artikel 2.3.1, derde lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet waarmee een gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet heeft gesloten, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 12.3.5 van de wet, wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld op het niveau van de vergoeding zoals voor die instelling is bepaald voor het kalenderjaar 1999.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Bekostiging landelijke organen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.1
|
||||
|
||||
**1.** De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet, met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover niet anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** Paragraaf 4 is van toepassing op het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
|
||||
|
||||
**3.** Paragraaf 5 is van toepassing op alle landelijke organen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.2
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. landelijk orgaan: een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet;
|
||||
b. leerbedrijf: een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 7.2.9, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, eerste lid, bedoelde beroepspraktijkvormingsplaats;
|
||||
d. normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, tweede lid, bedoelde normatieve bpv-plaats;
|
||||
e. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen;
|
||||
f. exploitatiekosten: de kosten van een landelijk orgaan niet zijnde de huisvestingskosten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.3
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage omvat:
|
||||
|
||||
a. een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens paragraaf 2, daaronder mede begrepen een bedrag in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en
|
||||
b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens paragraaf 3.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1.4
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de landelijke organen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Exploitatiekosten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.1
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een landelijk orgaan voor:
|
||||
|
||||
a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf opleidingen,
|
||||
b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
|
||||
c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.2
|
||||
|
||||
Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de landelijke organen wordt verdeeld als volgt:
|
||||
|
||||
a. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen,
|
||||
b. 60% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
|
||||
c. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent voor een landelijk orgaan de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen:
|
||||
|
||||
a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen,
|
||||
b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
|
||||
c. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg,
|
||||
|
||||
zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het landelijk orgaan worden berekend op grond van respectievelijk de artikelen 4.2.4 en 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8.
|
||||
|
||||
**2.** Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget.
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf opleidingen, door:
|
||||
|
||||
a. voor elke opleiding waarvoor het landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en voor zover deze eindtermen op 1 augustus voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt berekend, zijn vermeld in het Centraal register, het aantal studiebelastingsuren dat is vastgesteld als onderdeel van de eindtermen voor die opleiding te delen door 1600, dit aantal af te ronden op een half naar boven, en het totaal te vermenigvuldigen met
|
||||
b. het aantal in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, met dien verstande dat een deelkwalificatie slechts eenmaal meetelt, en de uitkomst te delen door
|
||||
c. het totaal van de in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, zonder de beperking in onderdeel b.
|
||||
|
||||
**2.** De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het landelijk orgaan, rekenkundig afgerond op een half. Onze Minister verdeelt het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget over de landelijke organen naar rato van het aantal punten van elk landelijk orgaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.5
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt onder een bpv-plaats verstaan, een beroepspraktijkvormingsplaats waarvoor een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet, is gesloten op grond waarvan een leerbedrijf verplicht is in het tweede studiejaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, beroepspraktijkvorming te verzorgen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt uitgegaan van een aantal normatieve bpv-plaatsen per landelijk orgaan per leerweg. Dat aantal wordt berekend door:
|
||||
|
||||
a. bij elkaar op te tellen de aantallen uren beroepspraktijkvorming van alle bpv-plaatsen in die leerweg in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft opleidingen waarvoor dat landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en
|
||||
b. dat totale aantal te delen door 960 uren.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.6
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het voorlaatste studiejaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, worden vastgesteld:
|
||||
|
||||
a. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg,
|
||||
b. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg,
|
||||
c. voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, en
|
||||
d. voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg.
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het tweede lid, aanhef en onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00433 en 0,00414, de uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijk aantal, overeenkomstig het in het derde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.7
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de drie studiejaren die voorafgaan aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, wordt een derde gedeelte bepaald van:
|
||||
|
||||
a. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
|
||||
b. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
|
||||
c. voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
|
||||
d. voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt.
|
||||
|
||||
**3.** Een leerbedrijf telt slechts eenmaal mee in de aantallen, bedoeld in het tweede lid, onder c en d.
|
||||
|
||||
**4.** De op grond van het tweede lid, onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00314 en 0,0018, de beide uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijke aantal, overeenkomstig het in het vierde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2.8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de vaststellingen, bedoeld in artikel 4.2.7, tweede lid, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven:
|
||||
|
||||
a. die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit, en
|
||||
b. waar op enig moment in het studiejaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, ten minste één deelnemer daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, stelt het landelijk orgaan de betrokken instellingen in kennis van de in het eerste lid onder a bedoelde codes van de leerbedrijven, en stelt het de instellingen tijdig in kennis van wijzigingen daarin. De in de eerste volzin bedoelde instellingen zijn instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 of 1.4.1 van de wet, een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut of een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Huisvesting
|
||||
|
||||
### Artikel 4.3.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor elk landelijk orgaan vast overeenkomstig het percentage dat op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, voor dat landelijk orgaan is vastgesteld, met dien verstande dat aanpassingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel daarbij buiten beschouwing blijven.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Exploitatie en huisvesting landelijk orgaan op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.1
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage omvat:
|
||||
|
||||
a. een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens deze paragraaf, daaronder mede begrepen een bedrag in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en
|
||||
b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.2
|
||||
|
||||
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.3
|
||||
|
||||
Onze Minister berekent de rijksbijdrage afzonderlijk voor:
|
||||
|
||||
a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet,
|
||||
b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, en
|
||||
c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.4
|
||||
|
||||
Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan wordt:
|
||||
|
||||
a. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder a, met dien verstande dat 10% van het desbetreffende deel van het landelijk beschikbare budget betrekking heeft op strategische expertise-ontwikkeling,
|
||||
b. 60% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder b, en
|
||||
c. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het landelijk orgaan zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4.6
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het landelijk orgaan vast.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Vermindering rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5.1
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering als bedoeld in de hoofdstukken I en II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5.2
|
||||
|
||||
**1.** Het in artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet bedoelde bedrag dat Onze Minister in verband met uitkeringen in mindering brengt op de rijksbijdrage voor een kalenderjaar, wordt berekend volgens het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen berekent voor elk landelijk orgaan, daaronder mede begrepen het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten in het totaal van deze rijksbijdragen zoals berekend volgens paragraaf 2 en paragraaf 4 voor zover het betreft de exploitatiekosten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een kalenderjaar een bedrag in mindering, berekend met de volgende formule:
|
||||
|
||||
RALO x (A + B + C)
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
RALO: het in het tweede lid bedoelde relatieve aandeel;
|
||||
|
||||
A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
|
||||
|
||||
B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;
|
||||
|
||||
C: 65% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage voor het landelijk orgaan voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten gezamenlijk, voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
|
||||
|
||||
a. de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
|
||||
b. 35% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
|
||||
|
||||
**5.** De uitkomsten van de in het derde en vierde lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5.3
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de rijksbijdrage.
|
||||
|
||||
**2.** De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** De definitieve vaststelling van de verminderingen betrekking hebbend op het kalenderjaar 2001 vindt plaats in euro's door de bedragen van de vermindering te delen door 2.20371.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Informatie
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1.1
|
||||
|
||||
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:
|
||||
|
||||
a. instellingen, voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
1°. regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
|
||||
2°. vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet,
|
||||
3°. instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en
|
||||
4°. instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet,
|
||||
b. landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, alsmede
|
||||
c. gemeentebesturen en instellingen als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1.2
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt onder gegevenswoordenboek verstaan, de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling, een gemeentebestuur of het bestuur van een landelijk orgaan te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Ordening en wijze van beschikbaarstelling gegevens
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.1
|
||||
|
||||
**1.** De informatieverzameling, bedoeld in de artikelen 2.2.4, 2.3.6, 2.5.3 en 2.5.5 van de wet, waarover het bevoegd gezag van een instelling dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit, met gebruikmaking van de codering zoals opgenomen in de bijlagen 1a tot en met 1c bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, waarover het gemeentebestuur dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**3.** De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.5.10 juncto artikel 2.5.5 van de wet, waarover het bestuur van een landelijk orgaan dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**4.** De gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.2
|
||||
|
||||
Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur dan wel het bestuur van een landelijk orgaan gegevens aan hem ter beschikking, die door de instelling, de gemeente of het landelijk orgaan op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld. De beschikbaarstelling geschiedt overeenkomstig de formulieren die op het beroepsonderwijs, de educatie respectievelijk de werkzaamheden van het landelijk orgaan van toepassing zijn, zoals die zijn opgenomen in bijlage 4, bijlage 5, respectievelijk bijlage 6 bij dit besluit. De beschikbaarstelling kan zowel schriftelijk als langs elektronische weg geschieden. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.3
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijst ten aanzien van bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag van een instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.4
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de landelijke organen, gedurende ten minste vijf jaren.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Overgangs- en invoeringsbepalingen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Beroepsonderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.1
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling kan worden voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van artikel 2.2.4 hanteert voor de bekostiging voor de jaren 2000 en 2001 voor zover nog niet kan worden beschikt over de in dat artikel voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan worden voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van artikel 2.2.5 hanteert voor de bekostiging voor zover nog niet kan worden beschikt over de in dat artikel, onder b, voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld:
|
||||
|
||||
a. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi: welke prijsfactor wordt toegekend aan opleidingen die op de dag voor de eerste toepassing van artikel 2.2.3 zijn opgenomen in het Centraal register,
|
||||
b. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
|
||||
|
||||
1°. tot uiterlijk 1 januari 1999 voor deelnemers aan 2-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
2°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deeltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
3°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deelnemers aan 3-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
4°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deeltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
5°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deelnemers aan 4-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs, en
|
||||
6°. tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
|
||||
wordt toegekend aan opleidingen waarvan de opleidingen zoals vermeld in het overzicht, bedoeld in artikel 12.3.17, eerste lid, van de wet, een voortzetting vormen.
|
||||
c. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
|
||||
|
||||
1°. tot uiterlijk 1 januari 1999 voor deelnemers aan 2-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
2°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deeltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
3°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deelnemers aan 3-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
4°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deeltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
5°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor voltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs, en
|
||||
6°. tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
|
||||
|
||||
wordt toegekend aan bekostigde opleidingen die niet vallen onder a of b en die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan de eerste toepassing van artikel 2.2.3 werden verzorgd aan de instellingen, en
|
||||
d. welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c met het oog op de toepassing van artikel 2.2.4, en voor zover van toepassing, welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c, met het oog op de toepassing van artikel 2.2.5.
|
||||
|
||||
**4.** Onder diploma's beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d, worden mede begrepen, bij ministeriële regeling aangewezen diploma's en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 12.3.2 van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.2
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 2.2.3, eerste lid, DDi, voor het kalenderjaar 2000 worden onder deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg van opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de wet, ook verstaan, deelnemers als bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 zoals luidend op 1 augustus 1998.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kalenderjaren 2001 en 2002, met dien verstande dat in genoemd artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, voor «1998» telkens wordt gelezen «1999» respectievelijk «2000» en voor «1999» telkens «2000» respectievelijk «2001».
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.3
|
||||
|
||||
**1.** Indien de op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, voor een instelling, niet zijnde een agrarisch opleidingscentrum, vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van de huisvestingskosten voor een kalenderjaar van de desbetreffende instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, tweede lid, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, voor een agrarisch opleidingscentrum vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van de huisvestingskosten voor een kalenderjaar van de desbetreffende instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, derde lid, minder bedraagt dan het op grond van artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 2.2.2, 2.4.1 en 6.1.3 wordt de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2000 van een instelling waarbij het verschil tussen B.2000 en het B.1999 negatief onderscheidenlijk positief is, verhoogd onderscheidenlijk verlaagd overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid. Van een negatief verschil is sprake indien de uitkomst van B.2000 lager is dan die van B.1999. Van een positief verschil is sprake indien de uitkomst van B.2000 hoger is dan die van B.1999. In de eerste en tweede volzin wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
B.2000: de som van de delen van de rijksbijdrage die op prijspeil 1999 voor de desbetreffende instelling worden vastgesteld voor het kalenderjaar 2000 ten behoeve van de exploitatiekosten respectievelijk de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs op grond van de artikelen 2.2.2 respectievelijk 2.4.1 en 6.1.3, eerste lid, met uitzondering van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 en in artikel 7 van het Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, en met uitzondering van de delen van de rijksbijdrage, bedoeld in de artikelen 2.2.2, 2.4.1 en 6.1.1 die zijn vastgesteld voor in artikel 2.2.3, tweede lid, onderdeel b, bedoelde opleidingen waarvoor een deeltijdfactor van 0,8 geldt, en
|
||||
B.1999: de som van de delen van de rijksbijdrage die op prijspeil 1999 voor de desbetreffende instelling worden vastgesteld voor het kalenderjaar 1999 ten behoeve van het beroepsonderwijs voor:
|
||||
|
||||
a. personeel, materieel, nascholing en studie- en beroepskeuzevoorlichting, op grond van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 dan wel in geval van een agrarisch opleidingscentrum, de Regeling bekostiging agrarische opleidingscentra tot 2000, alsmede
|
||||
b. huisvesting, op grond van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, voor zover het betreft agrarische opleidingscentra, dan wel de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999, met uitzondering van de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen vavo, als bedoeld in artikel 3.3.1.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van B.1999 blijven buiten beschouwing de aanvullende bedragen, toegekend op grond van de paragrafen 3, 4a, 5a, 5d, 5e, paragraaf 5f voor zover geen betrekking hebbend op beroepsonderwijs, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, alsmede artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999, dan wel ingeval van een agrarisch opleidingscentrum, artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector.
|
||||
|
||||
**2.** Een instelling met een negatief verschil als bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking voor een verhoging van de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2000 indien het bevoegd gezag binnen acht weken na ontvangst van de bekendmaking van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.4, eerste lid, van de wet, een plan indient bij Onze Minister dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en tevens ten aanzien van het onderliggende feitenmateriaal is voorzien van een verklaring omtrent de aanvaardbaarheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De verhoging van de rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formule:
|
||||
|
||||
2,3838 x (B.1999 – B.2000).
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De verlaging van de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend volgens de volgende formule:
|
||||
|
||||
RbI
|
||||
|
||||
------- x T
|
||||
|
||||
RbT
|
||||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
RbI: het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het eerste lid, B.2000, en het bedrag, bedoeld in het eerste lid, B.1999,
|
||||
|
||||
RbT: de som van RbI van de instellingen, en
|
||||
|
||||
T: de som van de verhogingen van de rijksbijdrage van de instellingen, zoals deze zijn berekend op grond van het derde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.5
|
||||
|
||||
Indien het negatieve verschil, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, bij een instelling gelijk is aan of meer is dan 8% van B.2000, geldt in plaats van de in artikel 6.1.4, derde lid, genoemde factor 2,3838 de factor 2,5855.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Educatie
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.1
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
rijksbijdrage educatie: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;
|
||||
|
||||
landelijk beschikbare budget: het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;
|
||||
|
||||
oude berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie zoals luidend op 1 september 1999, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000;
|
||||
|
||||
nieuwe berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de artikelen 3.2.2 en 3.2.3, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.2
|
||||
|
||||
**1.** De berekeningsmaatstaven, bedoeld in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3, worden in de jaren 2000 tot en met 2003 toegepast op het landelijk beschikbare budget, verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. In de ministeriële regeling worden de bedragen van de vermindering voor de jaren 2001, 2002 en 2003 vastgesteld op onderscheidenlijk 75%, 50% en 25% van het bedrag van de vermindering voor het jaar 2000.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid berekende verminderingen van de rijksbijdrage educatie kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de rijksbijdrage educatie in het jaar 2000 bij de nieuwe berekening hoger of lager is dan bij de oude berekening, wordt in de jaren 2000 tot en met 2003 de op grond van de artikelen 3.2.2, 3.2.3 en 6.2.2 bepaalde rijksbijdrage educatie verlaagd onderscheidenlijk verhoogd met het verschil tussen de uitkomsten van die beide berekeningen, vermenigvuldigd met A x B/C, waarin:
|
||||
|
||||
A =
|
||||
|
||||
– in het jaar 2000: 4/5,
|
||||
– in het jaar 2001: 3/5,
|
||||
– in het jaar 2002: 2/5,
|
||||
– in het jaar 2003: 1/5;
|
||||
|
||||
B = het landelijk beschikbare budget voor het desbetreffende jaar, verminderd met het op grond van artikel 6.2.2 voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedrag en
|
||||
|
||||
C = het landelijk beschikbare budget voor het desbetreffende jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie worden de op grond van het eerste lid berekende verlagingen of verhogingen van de rijksbijdrage educatie voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het eerste en tweede lid berekende verlagingen of verhogingen van de rijksbijdrage educatie kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.4
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister voegt in het jaar 2000 een bedrag toe aan de rijksbijdrage educatie voor een gemeente indien deze rijksbijdrage bij de nieuwe berekening ten minste f 2 000 000,– lager is dan bij de oude berekening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister voegt in het jaar 2000 een bedrag toe aan het totaal van de rijksbijdragen educatie in een samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen naar de situatie op 1 januari 1999, indien
|
||||
|
||||
a. het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening ten minste f 800 000,– lager is dan bij de oude berekening, of
|
||||
b. het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening, gelijk is aan of lager is dan 0,9 x dat totaal bij de oude berekening.
|
||||
|
||||
**3.** De op grond van het eerste of tweede lid toe te voegen bedragen worden bepaald door het op grond van artikel 6.2.2 voor het jaar 2000 vastgestelde bedrag te verdelen over de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid. Deze verdeling geschiedt naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten onderscheidenlijk bij het totaal van de gemeenten in die gebieden.
|
||||
|
||||
**4.** De op grond van het tweede en derde lid berekende bedragen voor de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, worden door Onze Minister verdeeld over de gemeenten in het desbetreffende gebied die bij de nieuwe berekening een lagere rijksbijdrage educatie zouden ontvangen dan bij de oude berekening. De verdeling vindt plaats naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de berekeningen, bedoeld in het tweede en vierde lid, en bij de berekening op grond van het derde lid met betrekking tot de gemeenten in de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, worden de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
|
||||
|
||||
**6.** In de jaren 2001, 2002 en 2003 voegt Onze Minister aan de rijksbijdragen van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de gemeenten, bedoeld in het vierde lid, onderscheidenlijk 75%, 50% en 25% van het bedrag voor het jaar 2000 toe.
|
||||
|
||||
**7.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie worden de op grond van het eerste tot en met zesde lid berekende bedragen voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
|
||||
|
||||
**8.** De op grond van het eerste tot en met zesde lid berekende bedragen kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.5
|
||||
|
||||
De in deze paragraaf voor de jaren 2002 en 2003 berekende bedragen worden vastgesteld in euro's door de uitkomst van de berekeningen te delen door 2.20371.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Landelijke organen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.1
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling wordt voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van de artikelen 4.2.4 tot en met 4.2.8 hanteert voor zover nog niet kan worden beschikt over de in die artikelen voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** Tot het tijdstip van inwerkingtreding van bijlage 3 bij dit besluit wordt in artikel 4.2.8, eerste lid, onder a, in plaats van «bijlage 3 bij dit besluit» gelezen: bijlage 3 van de Regeling Informatievoorziening BVE.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van paragraaf 2 van hoofdstuk 4 wordt de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kalenderjaar 2000 berekend op de som van:
|
||||
|
||||
a. 25% van de rijksbijdrage die voor het landelijk orgaan voor het kalenderjaar 1997 is berekend op grond van de Regeling bekostiging landelijke organen 1997 zoals luidend op 1 januari 1997, met dien verstande dat de berekening geschiedt op de grondslag van de gegevens die het landelijk orgaan heeft vermeld op het door Onze Minister vastgestelde en door de accountant van het landelijk orgaan gecontroleerde formulier betreffende de telling van de leerovereenkomsten en leerbedrijven 1996/1997, en
|
||||
b. 75% van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten zoals voor dat landelijk orgaan berekend op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 4 en met inachtneming van artikel 6.3.1.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister bepaalt het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan in het totaal van de in het eerste lid, onder b, bedoelde rijksbijdrage. Indien het totaal van de rijksbijdragen, berekend op grond van het eerste lid, minder is dan het bedrag dat voor de exploitatiekosten is opgenomen in de rijksbegroting, voegt Onze Minister het verschil overeenkomstig dat relatieve aandeel toe aan de voor elk landelijk orgaan op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 en van artikel 6.3.1 berekent Onze Minister de rijksbijdrage ten behoeve van huisvestingskosten voor een landelijk orgaan voor de kalenderjaren 2000 en 2001 op het totaal van de volgende bedragen, voor zover van toepassing:
|
||||
|
||||
a. het bedrag van de voor dat landelijk orgaan ten behoeve van het kalenderjaar 1996 vastgestelde vergoeding aan huurpenningen;
|
||||
b. de voor het kalenderjaar 1996 vastgestelde normatieve uitgaven voor rente en aflossing ten gevolge van de schuld die resteert van het op 31 december 1996 nog uitstaande door het Rijk aan dat landelijk orgaan overgedragen leenbedrag ter zake van een investering waarvoor door het Rijk toestemming is verleend;
|
||||
c. de omvang van de voor het kalenderjaar 1996 vastgestelde eigenaarsvergoeding, bedoeld in artikel 5 van de Regeling vaststelling grondslagen bekostiging landelijke organen ingaande 1 mei 1995.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een landelijk orgaan waarop het eerste lid niet van toepassing is, berekent Onze Minister de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten op 5 procent van de vergoeding ten behoeve van het kalenderjaar 1995, zoals berekend op grond van de artikelen H.3 tot en met H.8 van het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.
|
||||
|
||||
**3.** De rijksbijdrage voor zover berekend op grond van het eerste lid, onder a, kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.4
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan, na overleg met de landelijke organen, de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen, voor zover berekend op grond van artikel 6.3.3, eerste lid, onder a, voor het kalenderjaar 2000 of het kalenderjaar 2001 verhogen of verlagen indien de bij ministeriële regeling voor de toepassing van dit lid vastgestelde personele component van de rijksbijdrage voor dat kalenderjaar 20% of meer afwijkt van de vergoeding voor de personele component voor het kalenderjaar 1995, zoals berekend op grond van de artikelen H.3 tot en met H.7 van het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de in het eerste lid bedoelde berekening van de afwijking van de vergoeding van de personele component voor het kalenderjaar 1995 blijven algemene salarismaatregelen en andere uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kan jaarlijks een correctiefactor worden vastgesteld om de omvang van de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen in enig kalenderjaar, berekend op grond van het eerste lid, af te stemmen op de beschikbare middelen voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen in dat kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.5
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 4.5.2, derde lid, wordt voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 het onderdeel «(A + B + C)» van de formule «RALO x (A + B + C)» vervangen door «(A + B + C + quotum LOB's)».
|
||||
|
||||
**2.** Onder quotum LOB's als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, het deel van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar dat is ontstaan ten gevolge van de invoering van de Regeling bekostiging landelijke organen voor het beroepsonderwijs onder de WEB en dat volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften ten laste wordt gebracht van de landelijke organen gezamenlijk. Onze Minister stelt de landelijke organen in de gelegenheid, hem een voorstel te doen voor het gedeelte dat ten laste van de landelijke organen gezamenlijk dient te worden gebracht.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 4.5.2, derde lid, geldt voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 in plaats van onderdeel C van de in dat lid genoemde formule:
|
||||
|
||||
C: 65% van de kosten van de uitkeringen in het begrotingsjaar voor gewezen personeel van de landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998 en dat ingevolge bij ministeriële regeling te geven voorschriften niet wordt gerekend tot het quotum LOB's.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 4.5.2, vierde lid, onder b, behoren voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 tot de daar bedoelde kosten niet die welke op grond van het tweede lid niet worden gerekend tot het quotum LOB's.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.6
|
||||
|
||||
**1.** Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 lager is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verhoogd met 50% van het verschil.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 hoger is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verlaagd met 50% van het verschil.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de bepaling van het verschil, bedoeld in in het eerste en tweede lid, wordt de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor het jaar 2001 omgerekend in euro's door het vastgestelde bedrag te delen door 2,20 371.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.7
|
||||
|
||||
Onze Minister evalueert de werking van hoofdstuk 4 na afloop van een periode van 5 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1
|
||||
|
||||
**1.** Dit besluit treedt, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 voor zover het betreft de artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4, en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4 van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WEB.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1. Informatieverzameling instellingen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
A. Deelnemers
|
||||
|
||||
B. Personeel
|
||||
|
||||
INHOUDSOPGAVE
|
||||
|
||||
## Bijlage 1A. Vooropleidingentabel bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
## Bijlage 1B. Codetabel kwalificatiestructuur educatie bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
^1 Deze term wordt gebruikt in de Wet inburgering nieuwkomers en de bijbehorende AMvBs, maar wijkt af van de term «Maatschappelijke oriëntatie» uit de Regeling eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid, die gepubliceerd is in Uitleg nr. 1 van 15 januari 1997. Het gaat echter om dezelfde opleiding.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1C. Lijst ontwikkelde landen bij doelgroepen bve bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
Deze lijst bevat de (eventueel voormalige) landen die **géén doelgroepland** zijn voor de definitie van allochtoon bij Doelgroepen uit het Gegevenswoordenboek BVE-Instellingen. Alle andere landen zijn Doelgroepland. Daaronder vallen ook (eventueel voormalige) overzeese gebiedsdelen als Suriname en de Nederlandse Antillen en de EU-landen Griekenland, Italië, Portugal en Spanje.
|
||||
|
||||
Australië
|
||||
|
||||
België
|
||||
|
||||
Duitsland (incl. Bondsrepubliek en DDR)
|
||||
|
||||
Canada
|
||||
|
||||
Denemarken
|
||||
|
||||
Faeröer, de
|
||||
|
||||
Finland
|
||||
|
||||
Frankrijk
|
||||
|
||||
Groenland
|
||||
|
||||
Groot-Brittannië
|
||||
|
||||
Ierland
|
||||
|
||||
IJsland
|
||||
|
||||
Israël
|
||||
|
||||
Japan
|
||||
|
||||
Kaiser Wilhelmsland
|
||||
|
||||
Kanaaleilanden
|
||||
|
||||
Liechtenstein
|
||||
|
||||
Luxemburg
|
||||
|
||||
Man
|
||||
|
||||
Monaco
|
||||
|
||||
Nederland (exclusief overzeese gebiedsdelen)
|
||||
|
||||
Nederlands Indië
|
||||
|
||||
Nederlands Nieuw Guinea
|
||||
|
||||
New Foundland
|
||||
|
||||
Nieuw-Zeeland
|
||||
|
||||
Noorwegen
|
||||
|
||||
Norfolk
|
||||
|
||||
Oostenrijk
|
||||
|
||||
Oostenrijk-Hongarije
|
||||
|
||||
Palestina
|
||||
|
||||
Saarland
|
||||
|
||||
V.S.
|
||||
|
||||
Zweden
|
||||
|
||||
Zwitserland
|
||||
|
||||
## Bijlage 2. Informatieverzameling gemeenten bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
A. Contracten
|
||||
|
||||
B. Deelnemers
|
||||
|
||||
Inhoudsopgave
|
||||
|
||||
## Bijlage 3. Informatieverzameling landelijke organen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
INHOUDSOPGAVE
|
||||
|
||||
## Bijlage 4. Modellen van formulieren instellingen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
## Bijlage 5. Modellen van formulieren gemeenten bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
|
||||
## Bijlage 6. Modellen van formulieren landelijke organen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue