2024-07-01 | BWBR0046981 | Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022

This commit is contained in:
Coornhert 2024-07-01 12:00:00 +00:00
parent 14c5199031
commit 5e98c758ce

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
bwb_id: BWBR0046981
type: zbo
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2022-07-13'
datum_inwerkingtreding: '2024-06-13'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0046981
citeertitel: Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
---
@ -34,6 +34,8 @@ i. een verklaring dat de aanvrager zijn vordering tot vergoeding van schade op d
**4.** De aanvrager verschaft voorts de overige gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
**5.** Onder een aanvraag tot schadevergoeding wordt in dit artikel en de artikelen 1.2 tot en met 1.5 mede verstaan een aanvraag voor daadwerkelijk herstel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.
### Artikel 1.2
**1.** Het Instituut bevestigt de ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding binnen een week na de ontvangst daarvan.
@ -180,6 +182,8 @@ d. overnachtingskosten tot ten hoogste een bedrag gelijk aan het bedrag voor
**6.** Het eerste en vijfde lid gelden niet voor vergoeding van kosten voor bouwkundig advies, financieel advies en juridisch advies en rechtsbijstand, daaronder begrepen mediation.
**7.** Het tweede lid, aanhef, onderdeel d, en het derde lid, aanhef, onderdelen b, c en d, zijn van overeenkomstige toepassing, indien bij daadwerkelijk herstel deze kosten worden gemaakt.
### Artikel 2.7
**1.** Het Instituut kan indien schadevergoeding is toegekend voor fysieke schade aan een gebouw of werk een overlastvergoeding toekennen.
@ -292,6 +296,217 @@ Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot ee
• zich geen aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
• geen nieuwe schade aan het object is opgetreden als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
## Hoofdstuk 2c. Daadwerkelijk herstel
### Paragraaf 2c.1. Algemeen
### Artikel 2.11
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*adres:* adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;
*daadwerkelijk herstel:* het herstellen van schade aan:
(i) gebouwen;
(ii) gemetselde constructies;
(iii) constructies van brosse materialen; of
(iv) bestrating, indien sinds de aanleg van de bestrating een trilling van 25 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden;
*eerder beoordeelde schade:* schade die eerder is beoordeeld door de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V., het Centrum Veilig Wonen, de burgerlijke rechter, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen of het Instituut;
*finaliteit:* als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, of artikel 2.15, eerste lid;
*gebouw:* bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel met wanden omsloten ruimte vormt;
*herstel aannemer Instituut:* daadwerkelijk herstel dat geschiedt op basis van een overeenkomst die de aanvrager heeft gesloten met de Staat der Nederlanden;
*herstel eigen aannemer:* daadwerkelijk herstel dat plaatsvindt door een door de aanvrager gekozen aannemer waarmee het Instituut namens de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft gesloten;
*kadastrale aanduiding:* kadastrale aanduiding als bedoeld in artikel 2 van het Kadasterbesluit;
*klein duurzaam herstel:* maatregelen met beperkte kosten die constructieve verbeteringen aan een gebouw opleveren, zijn vermeld op de website van het Instituut en worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van het Instituut;
*mm/s:* mm/s te berekenen via de methode van Bommer [2019], met een overschrijdingskans van 1%;
*nieuwe schade:* schade die:
(i) niet is opgenomen in het deskundigenrapport dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel,
(ii) niet identiek is aan een schade die eerder is beoordeeld; en
(iii) geen schade is die hersteld is onder daadwerkelijk herstel en weer is teruggekomen, tenzij een situatie als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, zich heeft voorgedaan;
*onderneming:* onderneming in de zin van de artikelen 101, eerste lid, en 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
*schade:* fysieke schade die naar haar aard redelijkerwijs zou kunnen zijn ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk;
*woonfunctie:* wonen anders dan recreatief, logies of tijdelijk verblijf.
### Artikel 2.12
**1.** Het Instituut kan bij besluit een recht op daadwerkelijk herstel vaststellen. Aan het besluit tot toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel worden door het Instituut voorschriften en beperkingen verbonden.
**2.** Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1a.1 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen en de aanvrager hierom vraagt, kan het Instituut besluiten dat de aanvrager het bedrag dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel in geld krijgt uitgekeerd in plaats van het uitvoeren van daadwerkelijk herstel.
**3.** Het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel bedraagt per volledig object zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste een eigen adres € 60.000, inclusief btw.
**4.** Daadwerkelijk herstel is uitsluitend mogelijk voor schades, met uitzondering van schades aan mestkelders, die zijn opgenomen in het rapport van een deskundige dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel of nieuwe schades die gemeld en beoordeeld zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.17, tweede lid, of 2.21. Indien er sprake is van een eerder beoordeelde schade wordt tevens aan het bepaalde in artikel 2.14 voldaan.
**5.** Indien het gebouw ligt binnen het gebied als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel ii, en niet valt binnen de reikwijdte van artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdelen i of iii, is daadwerkelijk herstel, in afwijking van het eerste lid, uitsluitend mogelijk voor zetting- of zakkingschades.
**6.** Daadwerkelijk herstel ziet niet op constructieve verbeteringen, tenzij er sprake is van klein duurzaam herstel.
### Artikel 2.13
**1.**
Een aanvrager kan in aanmerking komen voor daadwerkelijk herstel, indien op het moment van de aanvraag aan de onderdelen a tot en met i is voldaan en op het moment van het nemen van een beslissing op die aanvraag aan de onderdelen a tot en met m is voldaan:
a. er is ten minste één schade die niet identiek is aan een eerder beoordeelde schade aan een gebouw dat in aanmerking komt voor daadwerkelijk herstel;
b. de aanvraag heeft betrekking op een volledig object, zijnde een onroerende zaak bestaande uit ten minste één gebouw of een gedeelte daarvan met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres;
c. de aanvrager is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die de eigendom heeft van het object onderscheidenlijk de houder is van een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht, indien de eigendom van het object daarmee is belast;
d. de aanvraag is ingediend door alle eigenaren onderscheidenlijk alle houders van de onder c bedoelde rechten;
e. aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, is voldaan;
f. indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, er nog geen drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere natuurlijke personen gezamenlijk, hebben geen van de aanvragers drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik gemaakt;
g. indien de aanvrager een rechtspersoon is, er nog geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de rechtspersoon tevens een onderneming is, de rechtspersonen en natuurlijke personen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel of een vaste vergoeding gebruik hebben gemaakt;
h. er geen sprake van fraude of misbruik is geweest en er bestaat bij het Instituut ook geen gegronde vrees hiervoor;
i. op het object rust geen finaliteit, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet;
j. indien de aanvrager een rechtspersoon is, ondertekent hij de door het Instituut versterkte standaardverklaring dat voldaan is aan het bepaalde onder g;
k. indien aan de aanvrager na het indienen van de aanvraag de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a, een vaste vergoeding als bedoeld in hoofdstuk 2b of daadwerkelijk herstel is voorgelegd en de aanvrager heeft niet voor de individuele maatwerkbeoordeling of de vaste vergoeding gekozen, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet;
l. de aanvrager heeft alle schade laten opnemen, indien het Instituut om een nulmeting heeft verzocht; en
m. de aanvrager de door het Instituut aangeboden vaststellingsovereenkomst sluit met de Staat der Nederlanden.
**2.**
Daadwerkelijk herstel is niet mogelijk, indien:
a. een gebouw geen intacte bouwschil of ernstig achterstallig onderhoud heeft;
b. het een tijdelijk gebouw betreft;
c. het gebouw wordt afgebroken;
d. geen van de gebouwen een woonfunctie heeft en de oppervlakte van het gebouw of de gebouwen groter is dan een door het Instituut te bepalen oppervlakte;
e. geen enkel gebouw een verblijfsfunctie heeft; of
f. het een mestsilo of mestsleuf betreft;
tenzij naar het oordeel van het Instituut voor een categorie van deze onderdelen of in een concrete situatie het redelijk is daadwerkelijk herstel toch mogelijk te maken.
**3.** Daadwerkelijk herstel is eveneens niet mogelijk, indien een gebouw geen woonfunctie heeft en het in de gegeven situatie naar het oordeel van het Instituut niet passend is daadwerkelijk herstel mogelijk te maken.
**4.** Indien niet voldaan is aan het eerste of tweede lid, of het derde lid van toepassing is, weigert het Instituut de aanvraag.
**5.** Het Instituut kan een besluit tot daadwerkelijk herstel geheel of gedeeltelijk intrekken, indien er sprake is van fraude, misbruik of het maximum in het eerste lid, onderdelen f of g, is overschreden. Bij intrekking blijft de finaliteit, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, gelden, tenzij het Instituut anders beslist.
### Artikel 2.14
**1.** Daadwerkelijk herstel vindt niet plaats in een ruimtes met alleen identieke schades die eerder beoordeeld zijn.
**2.** Indien zich in een ruimte schades bevinden die eerder beoordeeld zijn en zich in die ruimte ook schades bevinden die niet identiek aan de eerdere beoordeling zijn, dan bepaalt het Instituut het maximum bedrag dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel voor die ruimte. Dit bedrag wordt op dezelfde wijze bepaald als bij een maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a.
**3.** Het Instituut kan, in afwijking van het tweede lid, besluiten dat voor het herstel van eerder beoordeelde schades als bedoeld in het tweede lid, een bedrag ter grootte van ten hoogste de post onvoorzien, zoals opgenomen in het deskundigenrapport dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel, aangewend mag worden. Het Instituut besluit hiertoe alleen indien naar het oordeel van het Instituut dat herstel nodig is om andere schades te kunnen herstellen in de betreffende ruimte.
**4.** De aanvrager sluit voor werkzaamheden die niet onder daadwerkelijk herstel vallen een afzonderlijke overeenkomst met degene die deze werkzaamheden verricht.
### Artikel 2.15
**1.** Met het besluit tot daadwerkelijk herstel en een besluit als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, wordt alle schade aan het object finaal afgehandeld overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en dat besluit.
**2.** De finaliteit, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor mestkelders, indien na de bouw een trilling met een snelheid van 10 mm/s of hoger is berekend op het adres.
**3.**
De aanvrager ontvangt een vaste eenmalige en finale vergoeding ter hoogte van € 2.000, voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. De vergoeding, bedoeld in de vorige volzin, ziet niet op:
a. kosten, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdeel d, en het derde lid, onderdelen b, c en d;
b. waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3; en
c. immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4.
**4.** Artikel 2.10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de finaliteit niet eerder dan vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, kan worden doorbroken.
**5.** Indien een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede eigenaar is geworden van het object waarop het besluit tot daadwerkelijk herstel ziet en dit recht is overgegaan op de nieuwe eigenaar of mede-eigenaar, kan het Instituut het besluit op naam stellen van de nieuwe eigenaar of mede-eigenaar. Artikel 2.13, eerste en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 2.16
**1.** De aanvrager die in aanmerking komt voor daadwerkelijk herstel, deelt het Instituut voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst mede of hij kiest voor herstel aannemer Instituut onderscheidenlijk herstel eigen aannemer.
**2.** Het Instituut kan bepalen dat door hem te bepalen categorieën van aanvragen niet in aanmerking komen voor herstel aannemer Instituut.
**3.** Het Instituut deelt de aanvrager voor het maken van de keuze, bedoeld in het eerste lid, mede wat de geschatte wachttijd is voor herstel aannemer Instituut.
### Paragraaf 2c.2. Herstel aannemer Instituut
### Artikel 2.17
**1.** Bij herstel aannemer Instituut vindt het herstel plaats overeenkomstig het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst.
**2.** Een aanvrager die gekozen heeft voor herstel aannemer Instituut kan binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, maximaal vijf keer nieuwe schades melden bij het Instituut. Het Instituut kan voor de toepassing van de vorige volzin bepalen dat meerdere schademeldingen als één melding worden aangemerkt, indien de nieuwe schades tijdens het herstel worden geconstateerd en het aannemelijk is dat het geclusterd melden van nieuwe schades tot vertraging van de herstelwerkzaamheden zou kunnen leiden.
### Paragraaf 2c.3. Herstel eigen aannemer
### Artikel 2.18
**1.** Het herstel vindt plaats door een aannemer waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.19 heeft gesloten en waaraan de aanvrager de opdracht tot herstel heeft gegeven.
**2.** Het Instituut vergoedt uitsluitend de kosten van daadwerkelijk herstel, indien het Instituut de offerte van de aannemer vooraf bij besluit heeft goedgekeurd.
**3.** Een offerte wordt uiterlijk binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ingediend of, indien dit leidt tot een langere periode, één jaar na het melden van een nieuwe schade.
**4.** Een factuur wordt uiterlijk binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ingediend of, indien dit leidt tot een langere periode, één jaar nadat de offerte is goedgekeurd door het Instituut.
**5.** Het Instituut kan de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, verlengen, indien de aanvrager aannemelijk maakt dat die termijnen gegeven de situatie redelijkerwijs te kort waren. Aan een verlenging kunnen voorschriften verbonden worden.
### Artikel 2.19
**1.** Het Instituut biedt iedere aannemer die voldoet aan de door het Instituut gestelde voorwaarden de mogelijkheid aan een overeenkomst te sluiten met de Staat der Nederlanden over de voorwaarden waaronder daadwerkelijk herstel mogelijk is. Het Instituut stelt hiertoe een modelovereenkomst op. Het Instituut kan de modelovereenkomst wijzigen.
**2.** Een aannemer kan worden uitgesloten van het aanbieden van daadwerkelijk herstel of de overeenkomst kan worden opgezegd, indien niet aan de minimale voorwaarden is voldaan of er anderszins serieuze twijfels zijn over de geschiktheid. De artikelen 2.86, eerste, derde en vierde lid, 2.87, eerste lid, aanhef, onderdeel c, d, g, h en j, van de Aanbestedingswet 2012 zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.**
De minimale voorwaarden gesteld aan een aannemer, bedoeld in eerste lid, hebben in elk geval betrekking op:
a. de financiële positie van de aannemer;
b. de kwaliteit van de aannemer; en
c. het behandelen van geschillen.
**4.**
In de modelovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, staan in elk geval afspraken over:
a. de voorwaarden waaraan een offerte voor de aanvrager moet voldoen;
b. de voorwaarden waaraan een factuur voor de aanvrager moet voldoen;
c. de betaling door het Instituut aan de aannemer;
d. de bewijzen van herstel die aangeleverd moeten worden;
e. het melden van nieuwe schades;
f. het borgen van de belangen waarvoor minimale voorwaarden zijn gesteld of waarop een aannemer kan worden uitgesloten krachtens het tweede lid;
g. wat de gevolgen zijn indien de aannemer niet meer voldoet aan de minimale voorwaarden of de overeenkomst wordt opgezegd; en
h. de minimale looptijd van de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de aannemer en de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden gewijzigd.
**5.** Het Instituut plaatst de modelovereenkomst op zijn website en maakt eveneens op die website de minimale voorwaarden, bedoeld in het derde lid, kenbaar.
### Artikel 2.20
**1.** De aanvrager legt voordat tot herstel wordt overgegaan een offerte ter voorafgaande goedkeuring voor aan het Instituut. Het Instituut keurt een offerte in elk geval goed indien de offerte voldoet aan de door het Instituut gestelde eisen, het gegeven hersteladvies wordt gevolgd en het geoffreerde bedrag gelet op de te maken kosten niet onredelijk is.
**2.** Een bedrag is in elk geval onredelijk, indien het bedrag hoger is dan volgt uit het geldende calculatiemodel van het Instituut.
**3.** Het herstel van schades opgenomen in het deskundigenrapport dat ten grondslag ligt aan het besluit tot daadwerkelijk herstel is opgenomen in één offerte van één aannemer.
**4.** Een factuur is niet hoger dan het bedrag goedgekeurd in de offerte, vermeerderd met de post onvoorzien die het Instituut in het geldende calculatiemodel hanteert. Indien gebruik wordt gemaakt van de post wordt op de factuur gespecificeerd welke noodzakelijke extra werkzaamheden zijn verricht.
**5.**
Het Instituut kan besluiten de factuur geheel of gedeeltelijk niet te voldoen indien:
a. de offerte niet vooraf is goedgekeurd door het Instituut of artikel 2.21, vierde lid, niet in acht is genomen;
b. de werkzaamheden die op de offerte staan niet zijn verricht;
c. het vierde lid niet in acht is genomen of de extra werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, redelijkerwijs niet nodig zijn voor het herstel; of
d. de aannemer de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, niet is nagekomen wat betreft de voorwaarden die aan de factuur of de oplevering worden gesteld.
**6.** De betaling van de factuur geschiedt aan de aannemer, nadat de aanvrager aan het Instituut de opdracht tot betaling heeft gegeven en heeft verklaard dat de geoffreerde werkzaamheden, de extra werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, of het herstel van nieuwe schades, als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, zijn uitgevoerd.
### Artikel 2.21
**1.** Een aanvrager die gekozen heeft voor herstel eigen aannemer, kan maximaal vijf keer nieuwe schades melden bij het Instituut binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Het Instituut kan voor de toepassing van de vorige volzin bepalen dat meerdere schademeldingen als één melding worden aangemerkt, indien de nieuwe schades tijdens het herstel worden geconstateerd en het aannemelijk is dat het geclusterd melden van nieuwe schades tot vertraging van de herstelwerkzaamheden zou kunnen leiden. Artikel 2.20 is van overeenkomstige toepassing.
**2.** De aanvrager verstrekt bij de melding de door het Instituut gevraagde informatie over de locatie van de schade, de omvang van de schade en het beeldmateriaal.
**3.** Het Instituut laat nieuwe schades opnemen door een deskundige of opnemer, tenzij het Instituut beslist dat volstaan kan worden met de informatie die de aanvrager heeft verstrekt.
**4.** In afwijking van het eerste lid, derde volzin, is de aanvrager gerechtigd de post onvoorzien, zoals volgend uit het geldende calculatiemodel van het Instituut, te laten gebruiken voor het herstel van nieuwe schades, nadat het Instituut de aanvrager heeft medegedeeld dat de schade door mijnbouw kan zijn ontstaan.
**5.**
Het Instituut kan op verzoek van de aanvrager besluiten meerwerk te vergoeden dat noodzakelijk is voor het herstel van een schade, indien:
a. de informatie over het verwachte meerwerk aan het Instituut is verstrekt, op grond waarvan het Instituut kan bepalen of er sprake is van meerwerk dat voor vergoeding in aanmerking komt;
b. niet tot herstel is overgegaan dan nadat een offerte voor het meerwerk is goedgekeurd door het Instituut; en
c. het geoffreerde bedrag vermeerderd met de post onvoorzien, zoals volgend uit het geldende calculatiemodel van het Instituut, ontoereikend is voor het herstel. Artikel 2.20, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 3. Schade bestaande uit waardedaling
### Paragraaf 3.1. Waardedaling van woningen