2010-10-02 | BWBR0027122 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
This commit is contained in:
parent
f2e1e7da7d
commit
60b7d17c30
1 changed files with 222 additions and 0 deletions
|
|
@ -1474,6 +1474,10 @@ Bovendien dient de optant door middel van een zogenaamde verklaring omtrent verb
|
|||
|
||||
Enkele optanten zijn niet verplicht een verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag af te leggen. Met betrekking tot de verklaring omtrent verblijfsstatus gaat het om opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste lid, RRWN. Met betrekking tot de verklaring omtrent gedrag gaat het om opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is) en c, RWN en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN indien de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft geen verklaring omtrent gedrag te worden ondertekend indien een optie op grond van artikel V, eerste lid, RRWN wordt afgelegd.
|
||||
|
||||
####### 2.2.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de Gouverneur – voor zover mogelijk – de optant die een optieverzoek ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN heeft ingediend of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 6, zesde lid, BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 1.14-1a en model 1.14-1b. Deze laatste verklaring moet alleen ondertekend worden door onderdanen van Egypte, Zuid-Afrika of Oostenrijk.Indien de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, dan vraagt de Gouverneur aan de Minister om advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Zie hiervoor de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a, vierde lid, RWN.2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-201001-10-2010Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.De paragraaf is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
###### 2.2.5. (overige) over te leggen documenten
|
||||
|
||||
De Gouverneur die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BVVN.
|
||||
|
|
@ -1638,6 +1642,10 @@ Tevens zendt de Gouverneur een afschrift van de optieverklaring en van de bevest
|
|||
|
||||
Indien naamsvaststelling heeft plaatsgevonden, wordt zowel het OM als de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte gesteld. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant, van welke kinderen in Aruba bij de ambtenaar van de burgerlijke stand geboorteakten zijn opgemaakt.
|
||||
|
||||
###### 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie
|
||||
|
||||
Als de optant aan de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de bevolkingsadministratie.Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd buiten Aruba, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant op dat moment is ingeschreven in de bevolkingsadministratie, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de bevolkingsadministratie wordt verwerkt.2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-201001-10-2010Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.De paragraaf is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
##### 2.7. Archivering
|
||||
|
||||
Tot slot archiveert de Gouverneur de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 24, tweede lid, BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de RWN weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 18 BVVN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
|
||||
|
|
@ -2010,6 +2018,216 @@ Als besloten wordt dat een kind niet kan delen in de verkrijging van het Nederla
|
|||
|
||||
De vreemdeling die de Nederlandse nationaliteit ooit door optie heeft verkregen en de Nederlandse nationaliteit vervolgens weer is verloren, bijvoorbeeld door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit of door het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit, kan de Nederlandse nationaliteit slechts door optie herkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN. Deze oud-Nederlander kan het Nederlanderschap dus niet herkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, e, g, of h, RWN ook al voldoet hij wel aan de voorwaarden genoemd in deze subleden. Hiermee wordt met name voorkomen dat minderjarigen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN die het Nederlanderschap door bevestiging van de optieverklaring hebben verkregen en daarna het Nederlanderschap hebben verloren op grond van artikel 16 RWN, in een gunstiger positie komen te verkeren dan de minderjarige oud-Nederlander die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verkregen op grond van artikel 3, 4 of 5 RWN.
|
||||
|
||||
## 6a
|
||||
|
||||
De afstandsverplichting geldt alleen voor optanten die op of na 1 oktober 2010 het optieverzoek hebben ingediend.
|
||||
|
||||
### 6a-1. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**De in artikel 6, tweede lid, bedoelde bevestiging wordt geweigerd indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, een andere nationaliteit bezit en niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de bevestiging, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Een vreemdeling die een artikel 6, eerste lid, onder e, RWN optieverzoek indient (vanaf het vierde levensjaar toelating en hoofdverblijf in een land van het Koninkrijk), moet in beginsel afstand doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem verlangd kan worden. Daarnaast zijn er categorieën optanten waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 6a, tweede lid, RWN).
|
||||
|
||||
Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.
|
||||
|
||||
Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft indien één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit:
|
||||
|
||||
|
||||
1.
|
||||
de optant die door verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit automatisch verliest;
|
||||
|
||||
|
||||
2.
|
||||
de optant die onderdaan is van een staat die niet toestaat dat afstand van die nationaliteit wordt gedaan;
|
||||
|
||||
|
||||
3.
|
||||
de optant die volgens de wetgeving van het land waarvan hij de nationaliteit bezit eerst afstand van die nationaliteit kán doen nadat hij Nederlander is geworden. Na de verkrijging van het Nederlanderschap dient de optant wél afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit;
|
||||
|
||||
|
||||
4.
|
||||
de optant die voor het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit een zodanig hoog bedrag moet betalen dat hij een substantieel financieel nadeel zal lijden;
|
||||
|
||||
|
||||
5.
|
||||
de optant die door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden;
|
||||
|
||||
|
||||
6.
|
||||
de optant die eerst afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kan doen, nadat hij in het land waarvan hij de nationaliteit bezit zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht;
|
||||
|
||||
|
||||
7.
|
||||
de optant van wie niet kan worden verlangd dat hij contact opneemt met de autoriteiten van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit;
|
||||
|
||||
|
||||
8.
|
||||
de optant die bijzondere en objectief waardeerbare redenen heeft om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit;
|
||||
|
||||
|
||||
9.
|
||||
de optant die onderdaan is van een staat welke niet door Nederland wordt erkend;
|
||||
|
||||
|
||||
10
|
||||
de optant die onderdaan is van een staat die partij is bij het zogenaamde Tweede Protocol;
|
||||
|
||||
|
||||
11.
|
||||
de optant die is geboren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van de optieverklaring;
|
||||
|
||||
|
||||
12.
|
||||
de optant die is gehuwd met een Nederlander;
|
||||
|
||||
|
||||
13.
|
||||
de optant die in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is erkend als vluchteling.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
|
||||
Een optant die in de bevolkingsadministratie is ingeschreven als staatloze en dus wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een optant die in de bevolkingsadministratie is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Eerst indien deze optant in de bevolkingsadministratie wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-2-a. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265).**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Het doen van afstand wordt in dit geval niet verlangd. Immers bij de verkrijging van het Nederlanderschap verliest de optant automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963, tenzij de eigen wetgeving het behoud toestaat (en dat kan alleen in de gevallen die genoemd zijn in het tweede protocol). De vreemdeling hoeft daarom geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
|
||||
|
||||
|
||||
Momenteel zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat momenteel geen vreemdeling onder de bepaling valt.
|
||||
|
||||
|
||||
Voor de toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel bij artikel 9, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-2-b. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en daar ten tijde van het optieverzoek zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft dan ook geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-2-c. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die gehuwd is met een Nederlander.**
|
||||
|
||||
### 6a-2-d. Toelichting ad
|
||||
|
||||
De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een Nederlandse verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of een Nederlands verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd).1Hoewel erkenning als vluchteling in Aruba, Curaçao en Sint Maarten vooralsnog niet mogelijk is, houdt de wetstekst daar wel rekening mee.
|
||||
|
||||
De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
|
||||
|
||||
### 6a-3. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**De autoriteit bedoeld in artikel 6, derde lid, beoordeelt of de vreemdeling heeft voldaan aan het vereiste, genoemd in het eerste lid, of dat de vreemdeling een beroep toekomt op een van de uitzonderingen, genoemd in het tweede lid. Indien dit het geval is en ook aan de overige vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De optiebevestiging van een optieverklaring geschiedt door de bevoegde autoriteit.
|
||||
De autoriteit beoordeelt of de optant, die gebruik maakt van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN en die tevens een andere nationaliteit of nationaliteiten bezit, al het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit(en) te verliezen, bereid is hiertoe het mogelijke te zullen doen, of dat aan hem een beroep toekomt op de in het eerste of tweede lid genoemde uitzonderingen. Indien dit het geval is en ook aan de overige vereisten voor optie is voldaan, bevestigt de autoriteit het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-4. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden besloten.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan de Minister om advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van model 1.50.
|
||||
|
||||
|
||||
Let op! Het is zinvol om de beslistermijn op grond van artikel 6, vijfde lid, RWN dan meteen te verlengen met 13 weken. De autoriteit deelt de optant vervolgens schriftelijk mee dat aan de Minister van Justitie om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. De Minister van Justitie (de IND) zal binnen vier weken na ontvangst van het advies de autoriteit hieromtrent adviseren.
|
||||
|
||||
|
||||
Het advies wordt gemotiveerd. Als de optant het niet eens is met het advies staat daartegen geen bezwaar en beroep open. De optant kan wèl bezwaar en beroep aantekenen tegen het besluit van de tot optie bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-5. Toelichting ad
|
||||
|
||||
De autoriteit besluit na ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De autoriteit besluit na de ontvangst van het advies van de Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de autoriteit afwijkt van het advies van de Minister, dient zij dit wel te motiveren in het besluit tot bevestiging dan wel tot afwijzing van de bevestiging. Indien de autoriteit het advies van de Minister aan haar besluit ten grondslag legt, kan zij ter motivering van dit besluit volstaan met een verwijzing naar het advies. Het advies moet dan wel worden meegezonden aan de optant.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 6a-6. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**De beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt met vier weken verlengd, indien de autoriteit Onze Minister verzoekt om advies, bedoeld in het vierde lid.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de autoriteit de Minister om advies vraagt, dan wordt de termijn waarbinnen op de optie dient te worden beslist (de termijn van 13 weken of, indien de termijn is verlengd, 26 weken), met vier weken verlengd (dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Dit wordt schriftelijk door de autoriteit aan de optant meegedeeld, zodra het advies aan de Minister is gevraagd.
|
||||
|
||||
|
||||
2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-10-2010
|
||||
|
||||
|
||||
01-10-2010
|
||||
|
||||
Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-10-2010.
|
||||
Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
## 7
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 2; 8 t/m 13 en 21
|
||||
|
|
@ -5538,6 +5756,10 @@ Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is
|
|||
|
||||
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
|
||||
|
||||
### 15-1-f. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.Van de optant die een optieverzoek indient op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) (artikel 30b BVVN).Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen (artikel 30d BVVN).Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (artikel 70, eerste lid, BVVN).2011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/12011255215-02-201102-02-2011WBN-A2011/116-02-201101-01-201001-01-2010Stcrt. 2011, 2552, datum inwerkingtreding 16-02-2011, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 01-01-2010.Het onderdeel is nieuw toegevoegd.
|
||||
|
||||
### 15-2. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue