2009-01-01 | BWBR0002226 | Successiewet 1956
This commit is contained in:
parent
bcb211a5e3
commit
6205018944
1 changed files with 44 additions and 28 deletions
|
|
@ -324,17 +324,17 @@ onder letter *a:* de belasting bij een belaste verkrijging als daarnaast is verm
|
|||
|
||||
onder letter *b:* het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijging, gelegen tussen de daarnaast in de kolommen (1) en (2) vermelde bedragen.
|
||||
|
||||
| Gedeelte van de belaste verkrijging | Indien geërfd of verkregen wordt door: | | | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid^1 | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers | | | |
|
||||
| | | a | b | a | b | a | b |
|
||||
| 0– | 22382 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 |
|
||||
| 22382– | 44758 | 1119 | 8 | 5819 | 30 | 9176 | 45 |
|
||||
| 44758– | 89504 | 2909 | 12 | 12531 | 35 | 19245 | 50 |
|
||||
| 89504– | 178999 | 8278 | 15 | 28192 | 39 | 41618 | 54 |
|
||||
| 178999– | 357987 | 21702 | 19 | 63095 | 44 | 89945 | 59 |
|
||||
| 357987– | 894948 | 55709 | 23 | 141849 | 48 | 195547 | 63 |
|
||||
| 894948 | en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 179210 | 27 | 399590 | 53 | 533832 | 68 |
|
||||
| Gedeelte van de belaste verkrijging | Indien geërfd of verkregen wordt door: | | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid^1 | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers | | | |
|
||||
| | a | b | a | b | a | b |
|
||||
| 0–22 763 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 |
|
||||
| 22 763–45 519 | 1 138 | 8 | 5 918 | 30 | 9 332 | 45 |
|
||||
| 45 519–91 026 | 2 958 | 12 | 12 744 | 35 | 19 572 | 50 |
|
||||
| 91 026–182 042 | 8 418 | 15 | 28 671 | 39 | 42 325 | 54 |
|
||||
| 182 042–364 073 | 22 070 | 19 | 64 167 | 44 | 91 473 | 59 |
|
||||
| 364 073–910 163 | 56 655 | 23 | 144 260 | 48 | 198 871 | 63 |
|
||||
| 910 163 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 182 255 | 27 | 406 383 | 53 | 542 907 | 68 |
|
||||
|
||||
^1 voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan
|
||||
|
||||
|
|
@ -415,26 +415,36 @@ Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
|
|||
3°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:
|
||||
|
||||
a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a: € 523 667;
|
||||
b. kinderen tot 23 jaar: € 4479 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 10 150 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 429;
|
||||
c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 10 150;
|
||||
d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 10 150 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 852;
|
||||
e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b: € 523 667 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 261 836; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk € 209 465, € 157 098 en € 104 729;
|
||||
f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 44 752.
|
||||
a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a: € 532 570;
|
||||
b. kinderen tot 23 jaar: € 4556 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 10 323 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 658;
|
||||
c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 10 323;
|
||||
d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 10 323 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 27 309;
|
||||
e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b: € 532 570 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 266 288; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk € 213 026, € 159 769 en € 106 510;
|
||||
f. ouders voor wie de vrijstelling onder e genoemd niet van toepassing is: € 45 513.
|
||||
|
||||
Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters *a*, *b*, *c*, *e* en *f* meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters a, b, c, e en f meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden;
|
||||
6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 10 150 niet te boven gaat;
|
||||
7°. in andere gevallen, tot een bedrag van € 1942. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
8°. vervallen;
|
||||
6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters b, c, d, e en f niet van toepassing is, indien de verkrijging € 10 323 niet te boven gaat;
|
||||
7°. in andere gevallen, tot een bedrag van € 1976. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
8°. door een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen landelijke sportorganisatie die voldoet aan bij die ministeriële regeling gestelde voorwaarden, alsmede door een bij een dergelijke aangewezen organisatie aangesloten, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde vereniging of stichting die sportbeoefening bij die vereniging of stichting ten doel heeft, indien die landelijke sportorganisatie, vereniging of stichting is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen of Aruba, en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening;
|
||||
9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
|
||||
10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.
|
||||
10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten;
|
||||
11°. door een instelling die een onroerende zaak beheert en exploiteert, en voldoet aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 429 voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, slot, € 10 150 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen en € 8952 voor een ouder.
|
||||
a. de instelling beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich ten doel stelt de onroerende zaak te beheren en te exploiteren ten nutte van instellingen als hierna bedoeld in onderdeel e;
|
||||
b. de feitelijke werkzaamheden van de instelling komen overeen met de doelstelling;
|
||||
c. de instelling is niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen dan wel is daarvan vrijgesteld;
|
||||
d. de werkzaamheden van de instelling worden nagenoeg geheel verricht door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is;
|
||||
e. de instellingen die de onroerende zaak gebruiken, beschikken over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt, dan wel, voor zover het gaat om verenigingen als bedoeld in artikel 26 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die niet beschikken over notarieel verleden statuten, over door die verenigingen verstrekte verklaringen waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
|
||||
f. de feitelijke werkzaamheden van de in onderdeel e bedoelde instellingen komen overeen met de doelstelling;
|
||||
g. de in onderdeel e bedoelde instellingen zijn niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen dan wel zijn daarvan vrijgesteld;
|
||||
12°. door een bij ministeriële regeling aangewezen instelling die voldoet aan bij die ministeriële regeling gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 149 622 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 74 817 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing.
|
||||
**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters b en f, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 658 voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, slot, € 10 323 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen en € 9105 voor een ouder.
|
||||
|
||||
**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 152 166 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 76 089 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
|
|
@ -444,7 +454,11 @@ Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke u
|
|||
|
||||
### Artikel 32a
|
||||
|
||||
Van het recht van overgang is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.
|
||||
**1.** Van het recht van overgang is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.
|
||||
|
||||
**2.** Van het recht van overgang is vrijgesteld hetgeen wordt verkregen door een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen landelijke sportorganisatie die voldoet aan bij die ministeriële regeling gestelde voorwaarden, alsmede door een bij een dergelijke aangewezen organisatie aangesloten, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde vereniging of stichting die sportbeoefening bij die vereniging of stichting ten doel heeft, indien die landelijke sportorganisatie, vereniging of stichting is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen of Aruba, en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening.
|
||||
|
||||
**3.** Van het recht van overgang is vrijgesteld hetgeen wordt verkregen door een instelling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder 11°.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
|
|
@ -456,14 +470,16 @@ Van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
|
|||
2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie of gemeente;
|
||||
3°. door een provincie of gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
4°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4479. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4479 voor één kalenderjaar tot € 22 379 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4556. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4556 voor één kalenderjaar tot € 22 760 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
|
||||
6°. vervallen;
|
||||
7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2688 niet te boven gaat;
|
||||
7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2734 niet te boven gaat;
|
||||
8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen;
|
||||
9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven;
|
||||
10°. van een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
11°. door een rechtspersoon, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van die werknemers;
|
||||
12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding.
|
||||
12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
|
||||
13°. door een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen landelijke sportorganisatie die voldoet aan bij die ministeriële regeling gestelde voorwaarden, alsmede door een bij een dergelijke aangewezen organisatie aangesloten, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde vereniging of stichting die sportbeoefening bij die vereniging of stichting ten doel heeft, indien die landelijke sportorganisatie, vereniging of stichting is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen of Aruba, en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening;
|
||||
14°. door een instelling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder 11°.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een hiervoor bedoelde schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, wordt over het vrijgestelde gedeelte van de waarde van de bevoordeling een recht van schenking geheven, gelijk aan de in artikel 24, derde lid, bedoelde overdrachtsbelasting.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue