2002-01-01 | BWBR0008114 | Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk

This commit is contained in:
Coornhert 2002-01-01 12:00:00 +00:00
parent e2dee8992f
commit 6208a4538c

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk
bwb_id: BWBR0008114
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2010-12-13'
datum_inwerkingtreding: '2001-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0008114
citeertitel: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk
---
@ -21,25 +21,56 @@ In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. betrokkene:
1e. de ambtenaar in vaste dienst, die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in burgerlijke rijksdienst werkzaam is of is geweest en die ten gevolge van een ontslag, met uitzondering van een ontslag op grond van de artikelen 49vv, zesde lid, 81, eerste lid, onderdeel l, 94 voor zover toepassing is gegeven aan artikel 49tt, eerste lid, 94b, tweede en vierde lid, 94c, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, 130d, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zoals deze luidde op 31 maart 2015, de artikelen 1 en 2 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal j° artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of artikel 87, eerste lid, onder l, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
1e. de ambtenaar in vaste dienst, die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in burgerlijke rijksdienst werkzaam is of is geweest en die ten gevolge van een ontslag, met uitzondering van een ontslag op grond van de artikelen 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste lid, en 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 116, eerste lid, onderdeel l, en 124a, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, of de artikelen 91 en 101, dertiende en veertiende lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
2e. de ambtenaar in vaste dienst die is aangesteld op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en die tengevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in Hoofdstuk 2 van dit besluit;
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in Hoofdstuk 3 van dit besluit;
e. bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende uitkering;
f. dagloon: het dagloon in de zin van artikel 1b, eerste en zesde lid, van de Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag;
g. pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
h. werkloosheidsuitkering: een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet;
i. maandloon: het maandloon, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, van de Werkloosheidswet;
j. bovenwettelijk maandloon: het maandloon, evenwel zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
k. inkomen in een kalendermaand: het inkomen in een kalendermaand, bedoeld in artikel 1b, vierde lid, van de Werkloosheidswet.
f. dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, evenwel zonder de maximumdagloongrens van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, verminderd met de bijdragen strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel *c*, van het besluit Algemene Dagloonregelen WW;
g. diensttijd:
**2.** Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een inhouding werd toegepast op grond van artikel 21a, vijfde lid, artikel 57b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, dan wel de artikelen 35 en 38 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, wordt voor het dagloon bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.
voorzover gelegen voor 1 januari 1996:
de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet;
voorzover gelegen op of na 1 januari 1996:
de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP;
in beide gevallen met uitzondering van de tijd:
a. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking waaraan een functioneel leeftijdsontslag is verbonden, mits uit hoofde van dat ontslag een uitkering is toegekend;
b. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering terzake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
c. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan een jaar;
d. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;
e. in een aangehouden betrekking.
Bij de bepaling van diensttijd wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995 mede in aanmerking genomen. Het verzoek als bedoeld is artikel D2 van genoemde wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
Indien en voor zover diensttijd bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten;
h. minimumloon: het minimumloon bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;
i. pensioenreglement: pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;
j. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement;
k. privatiseringsoperatie: een operatie die ten doel heeft werkzaamheden van de overheid uit te besteden of over te dragen aan een bestaande of voor dat doel opgerichte privaatrechtelijke organisatie;
l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van een privatiseringsoperatie door de overheid zijn uitbesteed of overgedragen;
m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
n. ontslag als werknemer: het ontslag uit de betrekking bij de privaatrechtelijke organisatie;
o. suppletie: een suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk;
p. werkloosheidsuitkering: een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet.
**2.** Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een inhouding werd toegepast op grond van artikel 21a, vijfde lid, dan wel artikel 57b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt voor het dagloon bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.
### Artikel 2
**1.** De uitkeringsduur van de bovenwettelijke uitkering bedraagt drie maal de uitkeringsduur zoals vastgesteld op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 4, van de Werkloosheidswet.
**1.**
**2.** De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, indien het moment van ontslag ten hoogste acht jaar ligt voor die leeftijd en hij direct voorafgaand aan het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaar heeft volbracht.
Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat wordt de duur van de uitkering vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor betrokkene:
a. die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een periode gelijk aan 18% van de diensttijd;
b. die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmend met 1,5%;
c. die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
**2.** De duur van de uitkering van betrokkene die ten tijde van het ontslag 55 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van tenminste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn, welke op basis van het eerste lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
## Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
@ -47,56 +78,37 @@ k. inkomen in een kalendermaand: het inkomen in een kalendermaand, bedoeld in ar
**1.** De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
**2.** Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
**2.** Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen van afdeling I van Hoofdstuk IIA en IIB, alsmede de artikelen 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
**3.** In afwijking van het tweede lid is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid en zijn de artikelen 47a en 47b van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
**3.** In afwijking van het tweede lid is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid en zijn de artikelen 34 en 35 van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
### Artikel 4
**1.**
**1.** Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2 van dit besluit, ten minste gelijk is aan de duur van de uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 en 49 of 52*g* van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet gedurende de eerste 12 maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en gedurende de daaropvolgende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon aangevuld.
De aanvulling op de werkloosheidsuitkering bedraagt de uitkomst van de formule: 0,7 * (A B) C,
**2.** Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2 van dit besluit korter is dan de duur van de uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 en 49 of 52*g* van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de artikelen 42 en 52*g* van de Werkloosheidswet gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld. Gedurende de vervolguitkering, bedoeld in artikel 49 van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet tot 100% van het minimumloon aangevuld, met dien verstande dat dit nooit meer bedraagt dan 70% van het dagloon.
in welke formule voorstelt:
A: het bedrag van het bovenwettelijk maandloon;
B: het bedrag van het inkomen in een kalendermaand;
C: het bedrag van de werkloosheidsuitkering.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn genoten.
**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn genoten.
### Artikel 5
**1.** Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens de Werkloosheidswet recht heeft op een uitkering, wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de Ziektewet, wordt die uitkering krachtens de Ziektewet aangevuld tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
**1.** Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens de Werkloosheidswet recht heeft op een uitkering, wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de Ziektewet, wordt die uitkering krachtens de Ziektewet aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in artikel 4, met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 3, heeft gehad.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering krachtens de Ziektewet die betrokkene in verband met haar bevalling heeft gedurende zestien weken na de dag waarop de bevalling plaatsvond, verminderd met het aantal dagen waarover ziekengeld is uitgekeerd of door toepassing van artikel 31, tweede lid, geen ziekengeld is ontvangen, in de periode vanaf de eerste dag waarop de bevalling binnen zes weken was te verwachten tot en met de vermoedelijke datum van die bevalling of, indien eerder gelegen tot en met de werkelijke datum van de bevalling, aangevuld tot 100% van het voor haar geldende dagloon.
### Artikel 5a
**3.** Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na afloop van de periode, waarin de Ziektewet op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 4 van dit besluit.
**1.**
De uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg die betrokkene heeft, wordt
a. in verband met haar zwangerschap en bevalling gedurende ten minste 16 weken aangevuld tot 100% van het voor haar geldende dagloon, en wel voor de periode
1°. die aanvangt zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de betrokkene dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijk datum van bevalling; en
2°. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen;
b. in verband met adoptie gedurende ten hoogste vier aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon; of
c. in verband met het opnemen van een pleegkind gedurende ten hoogste vier aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming van het pleegkind een aanvang heeft genomen of zal nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
### Artikel 6
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de betrokkene geacht steeds onverminderd ziekengeld te hebben genoten.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
### Artikel 7
Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende uitkering.
Indien ten aanzien van de werkloosheidsuitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende uitkering.
## Hoofdstuk 3. Aansluitende uitkering bij werkloosheid
@ -104,27 +116,23 @@ Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet
**1.** Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van artikel 2 van dit besluit langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak geven op een uitkering krachtens dit besluit.
**2.** Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, en de artikelen 47a, 47b, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
**2.** Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen van Hoofdstuk IIA, afdeling I, en de artikelen 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
**3.** In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdelen a, b, c en h, en 20, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet, niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
**3.** In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdelen a, b en i, en 20, eerste lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet, niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
**5.** In het geval van samenloop van een uitkering krachtens de Ziektewet en een aansluitende uitkering wordt de uitkering krachtens de Ziektewet geheel in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.
**4.** Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
### Artikel 9
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, eerste en tweede lid, van dit besluit verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.
### Artikel 10
De aansluitende uitkering bedraagt de uitkomst van de formule 0,7 * (A B).
**1.** De aansluitende uitkering bedraagt voor betrokkene gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75%, en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon.
in welke formule voorstelt:
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin betrokkene reeds recht heeft gehad op aanvullende uitkering.
A: het bedrag van het bovenwettelijk maandloon;
B: het bedrag van het inkomen in een kalendermaand.
**3.** Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering zijn de artikelen 45 en 47, tweede en derde lid van de Werkloosheidswet en artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de daarop gebaseerde dagloonregels van toepassing.
### Artikel 11
@ -132,31 +140,17 @@ B: het bedrag van het inkomen in een kalendermaand.
**2.** Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet danwel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking op grond waarvan de uitkering bedoeld in het eerste lid wordt toegekend worden in mindering gebracht.
## Hoofdstuk 3a. Aanvullende uitkering voor buiten Nederland wonenden
### Artikel 11b
**1.** De betrokkene die uitsluitend op grond van artikel 65 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 200) of op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii en b ii van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEU L28), geen recht op een werkloosheidsuitkering heeft, heeft recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van dit artikel, wanneer hij in zijn woonland recht heeft op een wettelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder h, respectievelijk artikel 4, eerste lid, onder g, van de verordening.
**2.** De bovenwettelijke werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene op grond van het eerste lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de werkloosheidsuitkering en de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.
**3.** De uitkering wegens werkloosheid, die de betrokkene ontvangt naar het recht van zijn woonland, wordt geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.
**4.** Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens werkloosheidswetgeving recht heeft op een werkloosheidsuitkering, (tijdelijk) wegens ziekte verhinderd is om arbeid te kunnen verrichten, waarbij in het woonland de werkloosheidsuitkering hierdoor niet tot uitbetaling kan komen omdat voor de werkloosheidsuitkering (tijdelijk) een uitkering wegens ziekte, zwangerschapsverlof of bevallingsverlof, naar het recht van zijn woonland in de plaats komt, wordt die uitkering voor de toepassing van het tweede lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de Ziektewet. Deze gelijkstelling vindt plaats met een maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de Ziektewet. Zolang deze gelijkstelling duurt, is de uitkering op grond van dit artikel gelijk aan de uitkering op grond van de Ziektewet en de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid wordt een uitkering op grond van artikel 3:10 van de Wet arbeid en zorg gelijkgesteld met een uitkering op grond van de Ziektewet.
**6.** De uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, arbeidsongeschiktheid of adoptie en pleegzorg die de betrokkene ontvangt naar het recht van zijn woonland, wordt geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.
**7.** Sancties die zijn opgelegd krachtens de werkloosheidswetgeving, dan wel ziektewetgeving of arbeidsongeschiktheidswetgeving van de andere lidstaat, werken op gelijke wijze door in de hoogte van de uitkering op grond van dit besluit.
**8.** Betrokkene is te allen tijde verplicht alle informatie die betrekking heeft, of kan hebben, op de hoogte van of het recht op de uitkering op grond van dit besluit, door te geven aan Onze Minister.
## Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
### Artikel 12
Vervallen
**1.** Voor betrokkene, die terzake van eenzelfde ontslag recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit en recht op een suppletie heeft, komt gedurende de termijn dat hij recht heeft op die suppletie het recht op een bovenwettelijke uitkering niet tot uitbetaling.
**2.** Betrokkene, bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 5, onderdeel *a*, van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk is geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit, voor de periode dat de duur van de bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene krachtens dit besluit recht zou hebben gehad indien hij geen recht op suppletie zou hebben gehad, langer is dan de duur van de suppletie.
**3.** Ter bepaling van de hoogte van de bovenwettelijke uitkering wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, als bedoeld in het eerste lid.
**4.** De bovenwettelijke uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de bovenwettelijke uitkering.
### Artikel 13
@ -164,9 +158,11 @@ Vervallen
**2.** Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering krachtens artikel 2 van dit besluit wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, als bedoeld in het eerste lid.
**3.** De hoogte van de bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van het ontslag, als bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 14
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel is geëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als werknemer en betrokkene vervolgens wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn verzoek het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover er een nieuw recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet bestaat, met ingang van de eerste dag waarop het nieuwe recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ontstaan. De duur en de hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de uitkering waarop betrokkene op grond van dit besluit nog recht zou hebben gehad indien hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als werknemer en betrokkene vervolgens wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn verzoek het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover er een nieuw recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet bestaat, met ingang van de eerste dag waarop het nieuwe recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ontstaan. De duur en de hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de uitkering waarop betrokkene op grond van dit besluit nog recht zou hebben gehad indien hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
**2.** Betrokkene aan wie een ontslag is verleend en die onmiddellijk aansluitend aan dat ontslag arbeid als werknemer gaat verrichten en die werkloos wordt in de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn verzoek recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit voor zover er een recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet zou bestaan op het moment van ontslagverlening en voor zover er een recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet bestaat op het moment van werkloos worden, met ingang van de eerste dag waarop recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ontstaan. De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene op het moment van ontslag recht zou hebben gehad, met dien verstande dat het recht op bovenwettelijke uitkering ingaat met ingang van de dag waarop het ontslag is verleend.
@ -180,35 +176,17 @@ De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en ho
### Artikel 15
**1.** De betrokkene die een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt, kan op zijn aanvraag gedurende de op basis van artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur een loonaanvulling krijgen, indien het dagloon in de nieuwe dienstbetrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit hij werkloos werd.
**1.** Betrokkene, wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is beëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als werknemer, ontvangt op zijn verzoek, gedurende de voor hem op de datum van ontslag vastgestelde uitkeringsduur, voor zover deze nog niet is verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit hij werkloos werd.
**2.**
**2.** De loonaanvulling vervalt met ingang van de dag, waarop de betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt of niet meer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid of als de duur van de uitkering is verstreken.
Het bedrag van de loonaanvulling bedraagt de uitkomst van de formule (C 1) * (B (D/E)*A)
**3.** De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil tussen het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de betrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden.
in welke formule voorstelt:
**4.** De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijke verschil in dagloon tussen de oude en nieuwe betrekking.
A: het bedrag van het bovenwettelijk maandloon;
**5.** De aanvraag om loonaanvulling wordt binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking ingediend. De loonaanvulling wordt door middel van een beschikbaar gesteld formulier aangevraagd. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag werd ingediend.
B: het bedrag van inkomen in een kalendermaand;
C: het voor betrokkene geldende uitkeringspercentage van de bovenwettelijke uitkering;
D: het aantal uren van de nieuwe dienstbetrekking, waarbij geldt dat indien D groter is dan E, D wordt gemaximeerd op E;
E: het aantal arbeidsuren dat betrokkene gemiddeld per week in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos werd werkzaam was in de 26 weken voorafgaand aan de kalenderweek waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen.
Bij een uitkomst kleiner dan nul is de loonaanvulling nihil.
**3.**
De loonaanvulling eindigt:
a. zodra de nieuwe dienstbetrekking eindigt;
b. zodra het totaal aan werkloosheidsuitkering, aanvullende of aansluitende uitkering en inkomen uit de nieuwe dienstbetrekking per maand gelijk is aan of hoger is dan het maandloon, of
c. zodra de voor betrokkene op basis van artikel 2 vastgestelde uitkeringsduur is verstreken.
**4.** De aanvraag om loonaanvulling wordt binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking ingediend. De loonaanvulling wordt door middel van een beschikbaar gesteld formulier aangevraagd. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag werd ingediend.
**6.** De loonaanvulling vormt geen onderdeel van het ambtelijk inkomen en telt niet mee voor de berekening van het pensioen.
### Artikel 16
@ -220,7 +198,7 @@ Op aanvraag van betrokkene kan het recht op bovenwettelijke uitkering op grond v
### Artikel 18
In afwijking van de artikelen 4 en 10 van dit besluit bedraagt het percentage 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984 houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (*Stb*. 657) op betrokkene van toepassing is.
In afwijking van de artikelen 4 en 10 van dit besluit bedraagt het percentage 77% in plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984 houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (*Stb*. 657) op betrokkene van toepassing is.
### Artikel 19
@ -230,47 +208,7 @@ In afwijking van de artikelen 4 en 10 van dit besluit bedraagt het percentage 67
### Artikel 20
Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris, van de vakantie-uitkering en van de eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop die wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
### Artikel 20a
Vervallen
### Artikel 20b
Vervallen
### Artikel 20c
Vervallen
### Artikel 20d
Vervallen
### Artikel 20e
**1.**
Ten aanzien van de betrokkene die op 31 december 2011 recht had op een bovenwettelijke uitkering op basis van dit besluit, blijft dit besluit van toepassing zoals het op die dag luidde, met dien verstande dat:
a. voor de ambtenaar bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit zoals dit gold op 31 december 2011, de uitkeringsduur wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. voor de ambtenaar bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het besluit zoals dit gold op 31 december 2011, het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, dan wel op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt indien dat eerder is.
**2.** Ten aanzien van de ambtenaar die voor 1 januari 2012 is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of artikel 49e, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 84d of artikel 84e, tweede lid, van Ambtenarenreglement Staten-Generaal en artikel 58c of artikel 58d, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en waarvan het ontslag, bedoeld in artikel 96 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk in artikel 126 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of in artikel 99 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, ingaat op of na 1 januari 2012, blijft artikel 2 van dit besluit van toepassing zoals het op 31 december 2011 luidde, met dien verstande dat de uitkeringsduur wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
### Artikel 20f
Ten aanzien van de ambtenaar:
a. die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 april 2013 is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of artikel 49e, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 84d of artikel 84e, tweede lid, van Ambtenarenreglement Staten-Generaal of artikel 58c of artikel 58d, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, en van wie het ontslag, bedoeld in artikel 96 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 126 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of artikel 99 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, ingaat op of na het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 11 september 2014 houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Rijkswachtgeldbesluit 1959 in verband met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd (Stb. 2014, nr 345), of
b. van wie het moment van ontslag ligt in de periode vanaf 1 juli 2013 tot en met de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 11 september 2014 houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Rijkswachtgeldbesluit 1959 in verband met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd (Stb. 2014, nr 345),
blijft artikel 2, tweede lid, van dit besluit van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip, met dien verstande dat de uitkeringsduur wordt verlengd tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
### Artikel 20g
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 20e en 20f van dit besluit, blijft op uitkeringen op grond van dit besluit, ingegaan vóór 1 juli 2015, dit besluit van toepassing, zoals dat luidde op 30 juni 2015.
Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.
### Artikel 21
@ -278,15 +216,14 @@ Onze Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
### Artikel 22
Dit besluit zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren in werking treedt blijft van toepassing ten aanzien van ambtenaren die:
Ontslaguitkeringen die zijn toegekend krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966 en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering, zoals die luidden op 31 december 2002, blijven uitsluitend gehandhaafd voor wat betreft:
a. op 31 december 2017 verplichte VWNW-kandidaat, als bedoeld in artikel 49r, onderdeel e, zijn;
b. uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel in werking treedt verplichte VWNW-kandidaat worden, of
c. ambtenaren die op of na de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel in werking treedt verplichte VWNW-kandidaat worden vanwege een reorganisatiebesluit dat voor die datum is genomen.
a. de hoogte en de duur;
b. de anticumulatie mits er in de zes maanden voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit gedurende ten minste drie maanden neveninkomsten uit arbeid of bedrijf zijn genoten. De anticumulatie blijft alsdan gehandhaafd gedurende ten hoogste tien jaar dan wel gedurende ten hoogste 15 jaar indien betrokkene op de datum voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit 50 jaar of ouder is.
### Artikel 22a
Vervallen
De ambtenaar, die voor of op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig hoofdstuk II van dit besluit.
### Artikel 23
@ -294,7 +231,7 @@ Vervallen
### Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001, met uitzondering van artikel 23, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2003.
### Artikel 25