2025-01-01 | BWBR0050226 | Besluit Deelnemingsvrijstelling

This commit is contained in:
Coornhert 2025-01-01 12:00:00 +00:00
parent a4528880b6
commit 6272ffa422

View file

@ -20,6 +20,8 @@ Dit besluit geeft een nadere invulling aan de artikelen die zien op de deelnemin
De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 18 december 2024, nr. 2024-27232, (Stcrt. 2024, 38580). Naast een redactionele aanpassing in de vorm van een vernummering van een voetnoot is de toepassing van onderdeel 13.2.1. vervallen voor fusies per 1 januari 2025 in samenhang met de aanpassing van artikel 13k, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 per 1 januari 2025 op grond van de wet Overige fiscale maatregelen 2025. Voorts is onderdeel 2.16.3. vervallen vanwege het andersluidende oordeel in het arrest HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1547. Eventuele overige gevolgen van dit arrest voor het Besluit Deelnemingsvrijstelling worden nog bestudeerd en zullen worden verwerkt bij een volgende actualisatie.
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
- *AWR*
@ -338,11 +340,7 @@ In de regeling voor aflopende deelnemingen komt twee maal het begrip jaar
Een belastingplichtige kan een belang in de zin van artikel 13, tweede en derde lid, Wet Vpb ten minste een jaar dat direct voorafgaat aan het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, hebben gehouden zonder dat de deelnemingsvrijstelling in die periode van toepassing is geweest op dat belang. De reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat de belastingplichtige in die periode niet belastingplichtig was voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. In dat geval is de regeling voor de aflopende deelneming niet van toepassing. De regeling vereist namelijk dat de belastingplichtige ten minste een jaar dat direct voorafgaat aan het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, Wet Vpb onafgebroken in aanmerking kwam voor de deelnemingsvrijstelling ter zake van het belang dat niet langer voldoet aan de 5%-voorwaarde.
#### 2.16.3. Aflopende deelneming; opties
De regeling voor de aflopende deelnemingen ziet niet op de situatie waarbij een belastingplichtige een optierecht op aandelen heeft die op grond van het Falconsarrest onder de deelnemingsvrijstelling valt en dit optierecht bij uitoefening niet langer tot het verkrijgen van een deelneming leidt. Het Falconsarrest brengt namelijk niet mee dat het optierecht als een deelneming wordt aangemerkt.
#### 2.16.4. Aflopende deelneming; meesleep- en meetrekregeling
#### 2.16.3. Aflopende deelneming; meesleep- en meetrekregeling
De regeling voor aflopende deelnemingen ziet niet op meegesleepte en meegetrokken belangen. Als een belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden lichaam niet langer een deelneming als bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid, Wet Vpb heeft, vallen alleen de voordelen uit deze belangen nog drie jaar onder de deelnemingsvrijstelling. De voordelen uit de meegesleepte en meegetrokken belangen (winstbewijzen, schuldvorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb en optierechten) vallen dan niet langer onder de deelnemingsvrijstelling.
@ -587,7 +585,7 @@ Uit de tekst van artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb blijkt dat bepalend is of to
Op grond van artikel 13d, negende lid, Wet Vpb wordt, bij de verkrijging van een deelneming van een verbonden lichaam, het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger gesteld dan het bedrag hetwelk dat lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat in dit kader de hardheidsclausule van artikel 63 AWR een rol zou kunnen spelen in gevallen waarin bijvoorbeeld het A-concern een B-concern overneemt. Bij een overdracht van een tot B-concern behorende deelneming kan het onder omstandigheden onredelijk zijn het opgeofferde bedrag te beperken tot hetgeen ooit is opgeofferd door het B-concern.17Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 8, p. 25.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat in dit kader de hardheidsclausule van artikel 63 AWR een rol zou kunnen spelen in gevallen waarin bijvoorbeeld het A-concern een B-concern overneemt. Bij een overdracht van een tot B-concern behorende deelneming kan het onder omstandigheden onredelijk zijn het opgeofferde bedrag te beperken tot hetgeen ooit is opgeofferd door het B-concern.18Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 8, p. 25.
De hiervoor bedoelde onredelijkheid doet zich bijvoorbeeld voor in de situatie waarbij kort na de verwerving van het B-concern door belastingplichtige, een herstructurering plaatsvindt waarbij de aandeelhouder van het B-concern wordt ontbonden en vereffend en de deelneming van deze aandeelhouder als liquidatie-uitkering wordt uitgekeerd aan de belastingplichtige. Deze herstructurering kan ertoe leiden dat de belastingplichtige het door hem voor het B-concern betaalde bedrag niet meer vertaald ziet in het opgeofferde bedrag dat voor hem op grond van artikel 13d, negende lid, eerste volzin, Wet Vpb gaat gelden voor de deelneming die hij in het kader van de vereffening van de aandeelhouder heeft verkregen. In een dergelijke situatie acht ik het binnen de strekking van artikel 13d, negende lid, Wet Vpb passend dat het opgeofferde bedrag voor de in het kader van de vereffening verkregen deelneming niet wordt beperkt tot hetgeen de aandeelhouder van het B-concern heeft opgeofferd voor die deelneming. Daarom keur ik het volgende goed.
@ -728,6 +726,8 @@ Artikel 13k, tweede lid, Wet Vpb regelt dat het opgeofferde bedrag voor de bij
#### 13.2.1. Doorschuiven opgeofferd bedrag bij juridische zusterfusie
Dit onderdeel is niet van toepassing op fusies die op of na 1 januari 2025 van kracht zijn geworden in de zin van artikel 318 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Naar mijn mening kunnen zich juridische fusies voordoen waarbij de hiervoor genoemde verlaging niet past binnen doel en strekking van de artikelen 13, 13d en 14b Wet Vpb. Ik denk dan met name aan juridische fusies waarbij de belastingplichtige vóór de juridische fusie een deelneming heeft in zowel de verdwijnende rechtspersoon als de verkrijgende rechtspersoon (een zogenoemde juridische zusterfusie). Voor deze juridische zusterfusies acht ik het gerechtvaardigd dat het opgeofferde bedrag van de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon kan worden doorgeschoven naar de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat bij een juridische zusterfusie het door belastingplichtige voor de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon opgeofferde bedrag wordt doorgeschoven naar de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon.