2002-02-01 | BWBR0012647 | Reglement justitiële jeugdinrichtingen
This commit is contained in:
parent
5039511773
commit
62a2c04f42
1 changed files with 284 additions and 297 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Reglement justitiële jeugdinrichtingen
|
|||
bwb_id: BWBR0012647
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2020-10-30'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2001-09-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012647
|
||||
citeertitel: Reglement justitiële jeugdinrichtingen
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -14,18 +14,11 @@ citeertitel: Reglement justitiële jeugdinrichtingen
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. de wet: de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
|
||||
b. executie-indicator: de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze Minister waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen beslissingen inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden en deelname aan een scholings- en trainingsprogramma aan de betrokken jeugdige;
|
||||
c. jeugdreclassering: gecertificeerde instelling, bij de uitvoering van jeugdreclassering;
|
||||
d. reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;
|
||||
e. raad voor de kinderbescherming: de raad, bedoeld in artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
|
||||
f. gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
|
||||
|
||||
**2.** Onder een jeugdige wordt voor de uitvoering van dit besluit mede verstaan een jongvolwassene die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren wel maar de leeftijd van 23 jaren nog niet had bereikt en ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
c. reclassering: de stichting alsmede een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onderscheidenlijk onder c, van de Reclasseringsregeling 1995.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma
|
||||
|
||||
|
|
@ -50,81 +43,66 @@ f. geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van d
|
|||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:
|
||||
|
||||
a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld, waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;
|
||||
b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen;
|
||||
c. voorlopig gehechte jeugdigen;
|
||||
d. jeugdigen ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland dienen te verlaten dan wel zullen worden uitgezet of uitgeleverd;
|
||||
e. de jeugdigen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet.
|
||||
Een voorlopig gehechte jeugdige komt, onverminderd de artikelen 8 en 9, slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking indien er ten aanzien van hem geen onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij een vrijheidsstraf, niet zijnde vervangende jeugddetentie, of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, openstaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de inrichting plaatsvindt, neemt deel aan een scholings- en trainingsprogramma, indien:
|
||||
Een tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdige komt, onverminderd de artikelen 8 en 9, slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking, indien:
|
||||
|
||||
a. de jeugdige tenminste tweederde van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en
|
||||
b. het strafrestant minimaal drie maanden bedraagt.
|
||||
a. hij ten minste de helft van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en
|
||||
b. het strafrestant ten minste een maand en ten hoogste drie maanden bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale duur van drie maanden.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
Van het in de eerste volzin, onder a en b, bepaalde kan worden afgeweken wanneer de jeugdige reeds tijdens de voorlopige hechtenis aan een scholings- en trainingsprogramma deelnam.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, neemt op zijn vroegst een aanvang:
|
||||
Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:
|
||||
|
||||
a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de maatregel die maximaal drie jaren duurt;
|
||||
b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of;
|
||||
c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die maximaal zeven jaren duurt.
|
||||
a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;
|
||||
b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen.
|
||||
|
||||
**3.** In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan, onverminderd de artikelen 8 en 9, drie maanden voor het beoogde einde van de maatregel die maximaal twee jaar duurt, of zes maanden voor het beoogde einde van de maatregel die meer dan twee jaar en maximaal vier jaar duurt, in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
|
||||
**2.** Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komt niet in aanmerking de jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 77s, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Jeugdigen die op grond van artikel 6.2.2 van de Jeugdwet in een inrichting verblijven komen niet in aanmerking voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, tenzij de deelname aan dit programma reeds een aanvang had genomen voor het tijdstip waarop de in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet bedoelde machtiging werd verleend.
|
||||
**1.** Een jeugdige die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting is geplaatst, kan, onverminderd de artikelen 8 en 9, drie maanden voor het beoogde einde van de uithuisplaatsing die in een inrichting ten uitvoer wordt gelegd, in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
|
||||
**2.** Een jeugdige als bedoeld in het eerste lid die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst, kan slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komen voor zover hij op grond van de terzake geldende regels voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking jeugdigen die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zullen dienen te verlaten of uitgezet of uitgeleverd zullen worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de wet schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en vermeldt de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid. De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
**1.** Indien de directeur het verantwoord acht dat een ingevolge de artikelen 3 tot en met 7 daarvoor in aanmerking komende jeugdige deelneemt aan een scholings- en trainingsprogramma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris. Hij betrekt in zijn voordracht de aspecten, genoemd in artikel 9, eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
|
||||
**2.** In het geval van een voorlopig gehechte jeugdige kan de voordracht ook door het openbaar ministerie worden gedaan, na advies van de raad voor de kinderbescherming. Wanneer de directeur de voordracht doet, doet hij deze met instemming van het openbaar ministerie, belast met de vervolging van de jeugdige, en wordt de raad voor de kinderbescherming in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. De voordracht wordt opgesteld in samenwerking met de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn aanvraag opstelt.
|
||||
**3.** De directeur voegt bij zijn voordracht in het geval van een tot jeugddetentie of tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de jeugdige een executie-indicator heeft gegeven. De voordracht wordt opgesteld in samenwerking met de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** De directeur stelt in het geval van een jeugdige die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting is geplaatst, zijn voordracht op met instemming van de betrokken gezinsvoogdij-instelling of voogdij-instelling.
|
||||
|
||||
Bij het opstellen van de aanvraag betrekt de directeur zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
|
||||
|
||||
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of
|
||||
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
|
||||
**5.** De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn voordracht doet.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het programma weigeren, indien:
|
||||
Bij het opstellen van de voordacht betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
|
||||
|
||||
a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid;
|
||||
b. naar zijn oordeel het karakter van vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met de wijze waarop het programma is vormgegeven onverenigbaar is, of;
|
||||
c. dat het programma naar zijn oordeel niet zal bijdragen aan een geslaagde terugkeer in de samenleving.
|
||||
|
||||
**7.** De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de jeugdreclassering, dan wel de reclassering die aan de aanvraag heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het een minderjarige jeugdige betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
**8.** Onze Minister kan nadere regels stellen over de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, de procedure voor het aanvragen en het verlenen van een machtiging tot deelname en de intrekking daarvan.
|
||||
a. deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of
|
||||
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:
|
||||
Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma betrekt de selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:
|
||||
|
||||
a. het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door de jeugdige en diens gemotiveerdheid om aan een scholings- en trainingsprogramma deel te nemen;
|
||||
b. de mate waarin de jeugdige tijdens zijn deelname in staat kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen;
|
||||
|
|
@ -133,23 +111,25 @@ d. de geschiktheid van de jeugdige voor een bepaald scholings- en trainingsprogr
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven betrekt de directeur tevens de volgende aspecten:
|
||||
Bij jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven betrekt de selectiefunctionaris tevens de volgende aspecten:
|
||||
|
||||
a. de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict;
|
||||
a. de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict onderscheidenlijk het delict waarvan de jeugdige wordt verdacht;
|
||||
b. het huidige detentieverloop;
|
||||
c. het gevaar voor recidive.
|
||||
|
||||
**3.** De directeur neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma niet dan nadat de jeugdige zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en naleving van de daaraan verbonden voorwaarden.
|
||||
**3.** De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma niet dan nadat de jeugdige zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en naleving van de daaraan verbonden voorwaarden.
|
||||
|
||||
**4.** De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in het arrondissement waarin de jeugdige tijdens het scholings- en trainingsprogramma zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn beslissing.
|
||||
**4.** De selectiefunctionaris stelt de raad voor de kinderbescherming en het openbaar ministerie, ingeval het een executie-indicator heeft gegeven, in kennis van zijn beslissing.
|
||||
|
||||
**5.** Bij aanvang van het scholings- en trainingsprogramma ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijke verklaring waarin de activiteiten van het scholings- en trainingsprogramma en de daaraan verbonden voorwaarden zijn vermeld, benevens de gronden waarop de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma kan worden beëindigd.
|
||||
**5.** De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma van een voorlopig gehechte jeugdige niet dan nadat de rechter hiermee heeft ingestemd.
|
||||
|
||||
**6.** Bij aanvang van het scholings- en trainingsprogramma ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijke verklaring waarin de activiteiten van het scholings- en trainingsprogramma en de daaraan verbonden voorwaarden zijn vermeld, benevens de gronden waarop de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma kan worden beëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een scholings- en trainingsprogramma ligt bij de directeur van de inrichting waarin de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma is ingeschreven.
|
||||
|
||||
**2.** De jeugdreclassering dan wel de reclassering die verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van het programma, is belast met de begeleiding van de jeugdige en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het scholings- en trainingsprogramma. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de deelnemer. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het scholings- en trainingsprogramma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte. Periodiek rapporteert zij aan de directeur over de deelname van de jeugdige aan het scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
**2.** De gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering die verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van het programma, is belast met de begeleiding van de jeugdige en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het scholings- en trainingsprogramma. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de deelnemer. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het scholings- en trainingsprogramma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte. Periodiek rapporteert zij aan de directeur over de deelname van de jeugdige aan het scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -165,7 +145,7 @@ a. de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma gedraagt zich overeenko
|
|||
b. hij doet tevoren melding aan de directeur van een verandering van zijn verblijfplaats;
|
||||
c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma kan de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de deelnemer zich onder elektronische toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronische toezicht.
|
||||
**2.** Aan de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma kan, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast, de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de deelnemer zich onder elektronisch toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronisch toezicht.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -173,29 +153,19 @@ Degene die belast is met de feitelijke uitvoering van het scholings- en training
|
|||
|
||||
a. het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma;
|
||||
b. wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden, gesteld aan deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;
|
||||
c. tijdelijke terugplaatsing van de jeugdige in de inrichting, met bepaling van de duur daarvan;
|
||||
d. algehele beëindiging van het scholings- en trainingsprogramma.
|
||||
c. het adviseren van de selectiefunctionaris de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma te beëindigen.
|
||||
|
||||
**4.** De directeur geeft de deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma van een beslissing als bedoeld in het derde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
|
||||
**4.** Ten aanzien van jeugdigen die op civielrechtelijke titel aan een scholings- en trainingsprogramma deelnemen, worden de beslissingen, bedoeld in het eerste en derde lid, genomen met instemming van de betrokken gezinsvoogdij-instelling of voogdij-instelling. Indien geen instemming wordt verleend, beslist de selectiefunctionaris.
|
||||
|
||||
**5.** Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, doet de directeur mededeling aan Onze Minister, de jeugdreclassering dan wel de reclassering die de jeugdige begeleidt, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
**5.** Ten aanzien van voorlopig gehechte jeugdigen worden de beslissingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, genomen met instemming van het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
### Artikel 12a
|
||||
**6.** De directeur geeft de deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma van een beslissing als bedoeld in het derde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de machtiging intrekken:
|
||||
|
||||
a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid;
|
||||
b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht;
|
||||
c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma;
|
||||
d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd.
|
||||
**7.** Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 12, derde lid.
|
||||
**1.** De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdelen a en b.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 65, tweede en derde lid, 66, 67, 68, 69, 70, 72, met uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het zesde lid, 73, 74, 75 en 76 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -216,8 +186,6 @@ b. een advocaat;
|
|||
c. een deskundige op het gebied van de gedragswetenschappen;
|
||||
d. een deskundige op het gebied van de pedagogische hulpverlening.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de commissie toezicht houdt op een afdeling waar geneeskundige behandeling als bedoeld in de artikelen 51a tot en met 51e van de wet wordt verricht, maakt ook een psychiater van de commissie deel uit.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.
|
||||
|
|
@ -236,8 +204,8 @@ a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onz
|
|||
b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting, dan wel leden van het bestuur of de Raad van Toezicht van de rechtspersoon die een inrichting beheert;
|
||||
c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, indien zij in het kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met de personen, ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van toezicht is ingesteld;
|
||||
d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het geding zou kunnen komen;
|
||||
e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als bedoeld in het Besluit inlichtingen justitiële documentatie of de politiegegevens, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. De bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden;
|
||||
f. personen werkzaam bij de Raad of de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
|
||||
e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als bedoeld in het Besluit inlichtingen justitiële documentatie of de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters. De bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden;
|
||||
f. personen werkzaam bij de Raad of de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -288,7 +256,7 @@ d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen of nalaten ernst
|
|||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 mei aan Onze Minister en aan de Raad en, voor zover het een particuliere inrichting betreft, tevens aan het bestuur, verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar. Een afschrift van het jaarverslag wordt aan de Inspectie gezondheidszorg en jeugd gezonden.
|
||||
**1.** De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 mei aan Onze Minister en aan de Raad en, voor zover het een particuliere inrichting betreft, tevens aan het bestuur, verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar. Een afschrift van het jaarverslag wordt aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming gezonden.
|
||||
|
||||
**2.** Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht zowel aan de door haar ingevolge artikel 64 van de wet verrichte bemiddelingen en de uitkomsten daarvan als aan de werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -296,86 +264,85 @@ d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen of nalaten ernst
|
|||
|
||||
**1.** De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat gedragen.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden, overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk gesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
|
||||
**2.** De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden, overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde vergoeding.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3a. Commissie van toezicht en beklagcommissie voor het vervoer
|
||||
|
||||
### Artikel 23a
|
||||
|
||||
**1.** De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer, genoemd in artikel 19b, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 14, derde lid, 15, 17, 19, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor benoeming als lid eveneens niet in aanmerking komen ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
### Artikel 23b
|
||||
|
||||
**1.** De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer hebben te allen tijde toegang tot de plaatsen waar en de vervoersmiddelen waarmee handelingen betreffende het vervoer worden uitgeoefend.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de commissie van toezicht ontvangen van Onze Minister en de directeur van de inrichting alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van het vervoer van jeugdigen en kunnen alle op het vervoer betreffende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister en de directeur van de inrichting brengen alle voor de uitoefening van de taak van de commissie van toezicht belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie van toezicht.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. De inrichting
|
||||
## Hoofdstuk 4. Opvang en behandeling
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
De inrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht gesteld pedagogisch dagprogramma en individueel behandelprogramma. Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het doel van het verblijf in de inrichting is de kans op ontsporing van de jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.
|
||||
**1.** De opvanginrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht gesteld pedagogisch dagprogramma en een individueel verblijfsplan voor zover de wet hiertoe verplicht. Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het doel van het verblijf in de opvanginrichting is de kans op ontsporing van de jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
|
||||
**2.** De behandelinrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht gesteld pedagogisch dagprogramma en individueel behandelprogramma. Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het doel van het verblijf in de behandelinrichting is de kans op ontsporing van de jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Verblijfsplan en behandelplan
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** Het perspectiefplan wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur.
|
||||
**1.** Het verblijfsplan en het behandelplan worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opstellen en het wijzigen van het perspectiefplan zijn in ieder geval betrokken de groepsleider of mentor van de jeugdige, een leerkracht en een gedragsdeskundige.
|
||||
**2.** Bij de opstelling van het verblijfsplan en het behandelplan zijn in ieder geval betrokken de groepsleider, een leerkracht en een gedragsdeskundige.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven, betrekt de inrichting tevens de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
**3.** Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan voor jeugdigen die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting zijn geplaatst, betrekt de inrichting de gezinsvoogdij-instelling of de voogdij-instelling onder wiens toezicht onderscheidenlijk voogdij de jeugdige staat.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor jeugdigen die op grond van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in een inrichting zijn geplaatst, pleegt de inrichting overleg met de betrokken gecertificeerde instelling.
|
||||
**4.** Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel zijn geplaatst, betrekt de inrichting tevens de gezinsvoogdij-instelling of de voogdij-instelling dan wel de reclassering alsmede de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
|
||||
Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
|
||||
|
||||
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of;
|
||||
a. deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of
|
||||
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het perspectiefplan wordt ten minste opgenomen:
|
||||
In het verblijfsplan worden ten minste opgenomen:
|
||||
|
||||
a. een diagnose van de problematiek van de jeugdige;
|
||||
b. een beschrijving van de behandeling;
|
||||
c. medische gegevens, voor zover deze relevant zijn voor de behandeling;
|
||||
d. de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige;
|
||||
e. de wijze waarop en de middelen waarmee die doelen bereikt kunnen worden;
|
||||
f. de verwachting met betrekking tot de behandelingsduur;
|
||||
g. een aanduiding van de groep, waarin de jeugdige verblijft;
|
||||
h. een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting;
|
||||
i. de soorten activiteiten, waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen;
|
||||
j. de personen van buiten de inrichting, waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en;
|
||||
k. het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.
|
||||
a. een omschrijving van de problemen van de jeugdige,
|
||||
b. een beschrijving van het hulpverleningsproces,
|
||||
c. medische gegevens voor zover deze relevant zijn voor het hulpverleningsproces,
|
||||
d. de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige,
|
||||
e. een aanduiding van de groep waarin de jeugdige verblijft,
|
||||
f. een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting,
|
||||
g. de soorten activiteiten waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen,
|
||||
h. de personen van buiten de inrichting waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en
|
||||
i. het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover aan de onderdelen h tot en met k van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn, worden deze opgenomen in het perspectiefplan en welke consequenties aan het niet naleven van deze voorwaarden zijn verbonden.
|
||||
**2.** Voor zover aan de onderdelen f tot en met i van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn worden deze opgenomen in het verblijfsplan en wordt aangegeven welke de consequenties zijn wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.
|
||||
|
||||
**3.** Het verlofplan, het scholings- en trainingsprogramma en de voorbereiding op de nazorg maken, voor zover van toepassing, onderdeel uit van het perspectiefplan.
|
||||
**3.** Het verlofplan, het scholings- en trainingsprogramma en de voorbereiding op de nazorg maakt, voor zover van toepassing, onderdeel uit van het verblijfsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
De directeur stelt het perspectiefplan tijdig ter beschikking aan het trajectberaad, bedoeld in artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het behandelplan worden ten minste opgenomen:
|
||||
|
||||
a. de diagnose van de problematiek en de indicatie voor plaatsing,
|
||||
b. medische gegevens voor zover deze relevant zijn voor de behandeling,
|
||||
c. de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige,
|
||||
d. de wijze waarop en de middelen waarmee die doelen bereikt kunnen worden,
|
||||
e. de verwachting met betrekking tot de behandelingsduur,
|
||||
f. een aanduiding van de groep waarin de jeugdige verblijft,
|
||||
g. een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting,
|
||||
h. de soorten activiteiten waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen,
|
||||
i. de personen van buiten de inrichting waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en
|
||||
j. het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover aan de onderdelen h en i van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn worden deze tevens opgenomen in het behandelplan en wordt aangegeven welke de consequenties zijn wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.
|
||||
|
||||
**3.** Het verlofplan, het scholings- of trainingsprogramma dan wel het proefverlof en de voorbereiding op de nazorg maakt onderdeel uit van het behandelplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Het perspectiefplan bestrijkt een periode van vier maanden, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is.
|
||||
**1.** Het verblijfsplan en het behandelplan bestrijken een periode van minimaal zes maanden, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is.
|
||||
|
||||
**2.** De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het perspectiefplan. Deze evaluatie vindt ten minste driemaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht of een verlenging als bedoeld in artikel 265c, eerste lid, of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
**2.** De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het verblijfsplan en het behandelplan. Deze evaluatie vindt ten minste viermaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht of een verlenging als bedoeld in artikel 262, eerste lid, of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**3.** De evaluatie van het perspectiefplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionaris en de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 25, vierde lid. De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken gecertificeerde instelling. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
|
||||
**3.** De evaluatie van het verblijfsplan en het behandelplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionarissen, bedoeld in artikel 25, tweede lid. De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de gezinsvoogdij-instelling of de voogdij-instelling die verantwoordelijk is voor de opname van de jeugdige in de inrichting. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -383,20 +350,20 @@ Bij de evaluatie worden de volgende aspecten betrokken:
|
|||
|
||||
a. het verblijf in de groep;
|
||||
b. het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot wijziging van de doelen;
|
||||
c. de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige in het kader van de behandeling;
|
||||
c. de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige in het kader van de opvang of behandeling;
|
||||
d. de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;
|
||||
e. belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is geweest;
|
||||
f. de noodzaak van verlenging van het verblijf in de inrichting.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Naar aanleiding van een evaluatie of tussentijds kan het perspectiefplan gewijzigd worden. Daarbij wordt ten minste het meest recente evaluatieverslag betrokken.
|
||||
**1.** Naar aanleiding van een evaluatie of tussentijds kunnen het verblijfsplan en het behandelplan gewijzigd worden. Bij een tussentijdse wijziging wordt ten minste het meest recente evaluatieverslag betrokken.
|
||||
|
||||
**2.** Een wijziging in het perspectiefplan wordt zo veel mogelijk in overleg met de jeugdige vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
|
||||
**2.** Een wijziging in het verblijfsplan of het behandelplan wordt zo veel mogelijk in overleg met de jeugdige vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt ter afsluiting van het perspectiefplan met de jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.
|
||||
Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt ter afsluiting van het verblijfsplan en het behandelplan met de jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Verlof
|
||||
|
||||
|
|
@ -429,8 +396,6 @@ c. recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.
|
|||
|
||||
**4.** De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder begeleiding of bewaking.
|
||||
|
||||
**5.** De directeur vraagt het openbaar ministerie om advies, indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
**1.** Aan de jeugdige kan incidenteel verlof worden verleend in verband met onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.
|
||||
|
|
@ -452,11 +417,11 @@ d. de bevalling van de partner.
|
|||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
**1.** Aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst kan planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van het perspectiefplan en dat ten doel heeft de resocialisatie van de jeugdige.
|
||||
**1.** Aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst kan planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van het verblijfsplan of het behandelplan en dat ten doel heeft de resocialisatie van de jeugdige.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste zes maanden en bevat:
|
||||
Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogte zes maanden en bevat:
|
||||
|
||||
a. een concrete aanduiding van het voorgenomen verloftraject in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de bestemming van het verlof,
|
||||
b. een motivering van het belang van het verlof met het oog op de behandeling en resocialisatie,
|
||||
|
|
@ -471,7 +436,7 @@ b. eendaags onbegeleid verlof zonder overnachting,
|
|||
c. onbegeleid verlof met één overnachting,
|
||||
d. onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.
|
||||
|
||||
**4.** Een voorlopig gehechte jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.
|
||||
**4.** Een voorlopig gehechte jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof gedurende de tijd dat hij in afwachting van plaatsing in een behandelinrichting in een opvanginrichting verblijft.
|
||||
|
||||
**5.** Een jeugdige ten aanzien van wie vaststaat dat hij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland zal dienen te verlaten dan wel zal worden uitgezet of uitgeleverd, komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.
|
||||
|
||||
|
|
@ -479,11 +444,11 @@ d. onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.
|
|||
|
||||
**1.** Het incidenteel verlof wordt door de jeugdige schriftelijk aangevraagd bij de directeur.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verzoek een voorlopig gehechte jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van het openbaar ministerie.
|
||||
**2.** Indien het verzoek een voorlopig gehechte jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van het openbaar ministerie. In de overige gevallen vraagt de directeur het openbaar ministerie om advies indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het verzoek een civielrechtelijk geplaatste jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van de betrokken gecertificeerde instelling.
|
||||
**3.** Indien het verzoek een civielrechtelijk geplaatste jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het verzoek een jeugdige betreft die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zal dienen te verlaten, of uitgezet of uitgeleverd zal worden, vraagt de directeur de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie om advies.
|
||||
**4.** Indien het verzoek een jeugdige betreft die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zal dienen te verlaten, of uitgezet of uitgeleverd zal worden, vraagt de directeur de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie om advies.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
|
|
@ -520,230 +485,252 @@ Op grond van gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds verleend verlo
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
Onze Minister kan nadere regels stellen over het aanvragen en het verlenen van verlof.
|
||||
Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor het aanvragen en het verlenen van verlof.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Proefverlof
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Tijdens het proefverlof neemt de jeugdige minimaal 26 uur per week deel aan activiteiten.
|
||||
|
||||
**2.** Het proefverlof duurt maximaal één jaar. In bijzondere gevallen kan een proefverlof langer duren.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De activiteiten tijdens het proefverlof zijn gericht op:
|
||||
|
||||
a. het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,
|
||||
b. het bieden van onderwijs,
|
||||
c. het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsbenemende maatregel,
|
||||
d. het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg,
|
||||
e. het invullen van de vrije tijd, of
|
||||
f. geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsbenemende maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging hiervan aan de opvoeding en behandeling van de jeugdige en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Indien de directeur het verantwoord acht dat aan een jeugdige proefverlof wordt verleend stelt hij een proefverlofplan op. Het proefverlofplan wordt opgesteld in samenwerking met de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering, zo mogelijk die in het arrondissement waarin de jeugdige tijdens dit proefverlof zal wonen.
|
||||
|
||||
**2.** Het proefverlofplan omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten en de voorwaarden, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het proefverlof, de begeleiding van en het toezicht op de jeugdige, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de jeugdige.
|
||||
|
||||
**3.** De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij het proefverlofplan opstelt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij het opstellen van het proefverlofplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
|
||||
|
||||
a. deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of
|
||||
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De machtiging tot het verlenen van proefverlof van Onze Minister wordt schriftelijk door de directeur aangevraagd.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur voegt bij zijn aanvraag het proefverlofplan en het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de jeugdige een executie-indicator heeft gegeven. De raad voor de kinderbescherming wordt ten aanzien van minderjarige jeugdigen in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag van de directeur. De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering die overeenkomstig artikel 42, eerste lid, aan de opstelling van het proefverlofplan heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het minderjarige jeugdigen betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij zijn beslissing om een jeugdige proefverlof te verlenen betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:
|
||||
|
||||
a. de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict;
|
||||
b. het huidige verloop van de vrijheidsbenemende maatregel, waaronder het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door de jeugdige en diens gemotiveerdheid ten aanzien van het proefverlof;
|
||||
c. het gevaar voor recidive;
|
||||
d. de mate waarin de jeugdige tijdens het proefverlof in staat kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen;
|
||||
e. een aanvaardbaar verblijfadres.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur verleent de jeugdige niet eerder proefverlof dan nadat deze zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot naleving van de aan het proefverlof verbonden voorwaarden.
|
||||
|
||||
**3.** Aan het verlenen van proefverlof kan de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de jeugdige zich onder elektronisch toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronisch toezicht.
|
||||
|
||||
**4.** De aan het proefverlof verbonden activiteiten en voorwaarden worden door de directeur ter kennis gebracht van de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering die de jeugdige zal begeleiden.
|
||||
|
||||
**5.** De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in het arrondissement waarin de jeugdige op grond van het proefverlofplan zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn beslissing.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Bij aanvang van het proefverlof ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijk verklaring waarin de voorwaarden zijn vermeld die aan het proefverlof zijn verbonden, benevens de gronden waarop de directeur het proefverlof kan intrekken.
|
||||
|
||||
**2.** De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens proefverlof komen niet ten laste van Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering is belast met de begeleiding van de jeugdige tijdens het proefverlof en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het proefverlof. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en of de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de jeugdige. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten tijdens het proefverlof worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen in het proefverlofplan stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte.
|
||||
|
||||
**2.** De gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering, belast met de begeleiding, rapporteert regelmatig aan de directeur over het verloop van het proefverlof, met dien verstande dat de eerste rapportage plaatsvindt nadat een maand van het proefverlof is verstreken, en dat vervolgens telkens wordt gerapporteerd nadat een periode van twee maanden is verstreken.
|
||||
|
||||
**3.** De gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering, belast met de begeleiding, rapporteert terstond aan de directeur ingeval de jeugdige de voorwaarden overtreedt of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar brengt of dreigt te brengen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De directeur kan in een geval als bedoeld in het derde lid beslissen tot:
|
||||
|
||||
a. het geven van een waarschuwing aan de jeugdige;
|
||||
b. wijziging of aanvulling van de voorwaarden, gesteld aan het proefverlof, met inachtneming van artikel 44, tweede lid;
|
||||
c. intrekking van het proefverlof.
|
||||
|
||||
**5.** De directeur geeft de jeugdige van een beslissing als bedoeld in het vierde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
|
||||
|
||||
**6.** Een beslissing als bedoeld in het vierde lid wordt door de directeur ter kennis gebracht van de gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling dan wel de reclassering die de jeugdige begeleidt.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de directeur het proefverlof intrekt geeft hij daarvan terstond kennis aan Onze Minister. Artikel 44, vijfde lid, is van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Indien Onze Minister de machtiging tot het verlenen van proefverlof intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop het proefverlof intrekt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd. De artikelen 44, vijfde lid, en 46, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
|
||||
## Hoofdstuk 8. Gedwongen geneeskundige handelingen
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
**1.** Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de handeling door een andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem overlegd.
|
||||
|
||||
a. *a-dwangbehandeling:* een onvrijwillige geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 51d, onder a, van de wet;
|
||||
b. *b-dwangbehandeling:* een onvrijwillige geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 51d, onder b, van de wet;
|
||||
c. *gedwongen geneeskundige handeling:* de gedwongen geneeskundige handeling als bedoeld in artikel 37 van de wet;
|
||||
d. *geneeskundige behandeling:* de onvrijwillige geneeskundige behandelingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, en de vrijwillige geneeskundige behandeling, bedoeld in artikel 51c van de wet;
|
||||
e. *geneeskundig behandelingsplan:* het geneeskundig behandelingsplan, bedoeld in artikel 51b van de wet;
|
||||
f. *inspecteur:* de inspecteur, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
|
||||
g. *voorzetting van a-dwangbehandeling:* de voortzetting van a-dwangbehandeling bedoeld in artikel 51e, vijfde lid, van de wet.
|
||||
**2.** Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder dwang noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, pleegt de directeur bovendien overleg met een psychiater.
|
||||
|
||||
### Artikel 48a
|
||||
**3.** In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of van anderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende handeling.
|
||||
|
||||
**1.** Een geneeskundige behandeling wordt verricht in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de behandelend arts.
|
||||
|
||||
**2.** In een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de wet is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, voldoende psychiatrisch geschoold verpleegkundig personeel aanwezig. Bovendien is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, een psychiater beschikbaar.
|
||||
|
||||
**3.** Een geneeskundige behandeling wordt slechts uitgevoerd door een arts of verpleegkundige die over voldoende deskundigheid beschikt deze behandeling uit te voeren en indien daartoe voldoende voorzieningen beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Eens per twee weken, of vaker indien het belang van de jeugdige dit eist, vindt een multidisciplinair overleg plaats, waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige deelnemen. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, worden zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het overleg.
|
||||
|
||||
### Artikel 48b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het geneeskundig behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
|
||||
|
||||
a. de diagnose van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige;
|
||||
b. de therapeutische middelen, zo mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de stoornis te onderscheiden zijn, die zullen worden toegepast teneinde een zodanige verbetering van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige te bereiken, dat het gevaar op grond waarvan deze in verband met zijn geestelijke gezondheidstoestand op een afdeling voor intensieve zorg of intensieve behandeling behoeft te verblijven, wordt weggenomen;
|
||||
c. of er overeenstemming over het geneeskundig behandelingsplan is.
|
||||
|
||||
**2.** Gedurende de behandeling kan het geneeskundig behandelingsplan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt de uitkomst van het multidisciplinair overleg, bedoeld in artikel 48a, vierde lid, betrokken.
|
||||
|
||||
**3.** Een wijziging van het geneeskundig behandelingsplan wordt, in overleg met de persoon, bedoeld in artikel 51c, onder b, van de wet vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
|
||||
**4.** De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van artikel 37 van de wet, de resultaten van het overleg alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medisch dossier.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.
|
||||
|
||||
In geval van een a- of b-dwangbehandeling wordt in het geneeskundig behandelingsplan eveneens opgenomen:
|
||||
**2.** Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige wordt tevens onverwijld melding gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg. Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.
|
||||
|
||||
a. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de jeugdige doet veroorzaken weg te nemen dan wel af te wenden; en
|
||||
b. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders ten aanzien van de behandeling.
|
||||
|
||||
**2.** Het deel van het geneeskundig behandelingsplan waarover geen overeenstemming kan worden bereikt met de jeugdige of indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, wordt slechts vastgesteld door een psychiater nadat een multidisciplinair overleg heeft plaatsgehad waaraan in ieder geval een psychiater, een psycholoog en een verpleegkundige hebben deelgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval van a-dwangbehandeling worden de verklaringen van de psychiaters, bedoeld in artikel 51e, tweede lid, van de wet, bij het in het tweede lid bedoelde overleg betrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 49a
|
||||
|
||||
**1.** Voordat de directeur beslist dat een door de arts noodzakelijk geachte b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de behandeling door een andere arts wordt verricht, wordt tevens met hem overlegd.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval van b-dwangbehandeling of indien het verrichten van een gedwongen geneeskundige handeling noodzakelijk is ter afwending van gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, pleegt de directeur bovendien overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater.
|
||||
|
||||
**3.** In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend.
|
||||
|
||||
### Artikel 49b
|
||||
|
||||
**1.** Zo spoedig mogelijk na de aanvang van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van een arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in geneeskundig behandelingsplan.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende handeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 49c
|
||||
|
||||
**1.** Voordat de directeur de beslissing tot voortzetting van a-dwangbehandeling neemt, pleegt hij overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft.
|
||||
|
||||
**2.** In het in het eerste lid bedoelde overleg wordt nagegaan of van de voortzetting van de behandeling alsnog het beoogde effect kan worden verwacht.
|
||||
|
||||
**3.** De uitkomsten van het multidisciplinaire overleg, bedoeld in artikel 48a, vierde lid, worden bij de beslissing meegenomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 49d
|
||||
|
||||
De jeugdige wordt gedurende de periode dat de a- of b-dwangbehandeling of de gedwongen geneeskundige handeling wordt verricht, zo vaak als nodig is bezocht door een arts of in diens opdracht een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.
|
||||
|
||||
### Artikel 49e
|
||||
|
||||
**1.** De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders in kennis van het voornemen tot een beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
**2.** De voorzitter van de commissie van toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris. De maandcommissaris bezoekt na de melding onverwijld de jeugdige.
|
||||
|
||||
**3.** Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van a-dwangbehandeling wordt uiterlijk bij de aanvang van de behandeling melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Ingeval van a- of b-dwangbehandeling en indien een gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in verband met een gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, wordt tevens melding gedaan aan de inspecteur.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de aanvang van een a-dwangbehandeling geeft de directeur daarvan eveneens kennis aan de in het eerste lid genoemde personen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De directeur zendt met de melding, bedoeld in het derde lid, een afschrift van de beslissing tot de behandeling mee waarin hij in ieder geval vermeldt:
|
||||
|
||||
a. in verband met welk gevaar is besloten tot een a- of b-dwangbehandeling, dan wel een gedwongen geneeskundige handeling;
|
||||
b. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar weg te nemen dan wel af te wenden;
|
||||
c. welke personen, bedoeld in artikel 51c, onder c, van de wet, zich tegen de behandeling verzetten;
|
||||
d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt de voorkeuren van zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders ten aanzien van de behandeling; en
|
||||
e. indien een behandeling plaatsvindt in een situatie waarin het de jeugdige is die zich verzet, of deze in staat kan worden geacht gebruik te kunnen maken van de regeling, vervat in Hoofdstuk XIII–XIV respectievelijk XV van de wet.
|
||||
|
||||
**6.** Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of voortzetting van a-dwangbehandeling, vermeldt de directeur tevens welke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming als bedoeld in artikel 51c, onder b, van de wet te komen. In geval van een beslissing tot a-dwangbehandeling vermeldt hij bovendien welke bezwaren tegen de behandeling zijn aangevoerd door de personen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**7.** Van een beëindiging van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling geeft de directeur kennis aan de personen, genoemd in het derde en – indien van toepassing – vierde lid.
|
||||
|
||||
**8.** Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 49f
|
||||
|
||||
De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling en voortzetting van a-dwangbehandeling en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 48a, vierde lid, artikel 49a en artikel 49c, alsmede de adviezen die daarbij zijn gegeven en de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.
|
||||
|
||||
### Artikel 49g
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur stelt na beëindiging van elke a- of b-dwangbehandeling, doch in ieder geval na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 51e, vierde lid, van de wet, een onderzoek in of de beslissing tot de behandeling zorgvuldig is genomen en of de uitvoering van de behandeling zorgvuldig is geschied.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur stelt eveneens een onderzoek in na beëindiging van elke gedwongen geneeskundige handeling indien die behandeling is verricht ter afwending van een gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige.
|
||||
**3.** De jeugdige wordt gedurende de periode die volgt op de gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door een arts dan wel in diens opdracht door een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medisch dossier.
|
||||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
**1.** Indien de toepassing van de behandeling, bedoeld in artikel 49a, tweede lid, de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een psychiater, een arts en een psycholoog.
|
||||
**1.** Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medisch dossier.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het eerste lid bedoelde termijn en, indien de onvrijwillige geneeskundige behandeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de behandeling.
|
||||
**2.** Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een arts of een psychiater en een psycholoog.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
|
||||
|
||||
### Artikel 50a
|
||||
|
||||
**1.** Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste vier maanden.
|
||||
|
||||
**2.** Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een telefoongesprek met een persoon als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.
|
||||
|
||||
**4.** De jeugdige wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op de hoogte gesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts geschieden in verband met:
|
||||
|
||||
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
|
||||
b. de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;
|
||||
c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de gedwongen geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de gedwongen geneeskundige handeling.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
**1.** Bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn een hoofd boeddhistische geestelijke verzorging, een hoofd hindoeïstische geestelijke verzorging, een hoofd islamitische geestelijke verzorging, een hoofdrabbijn, een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
|
||||
|
||||
**2.** De hoofden zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke verzorgers bij de rijksinrichtingen behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.
|
||||
Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijk verzorgers van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijk verzorgers van het humanistisch verbond.
|
||||
**1.** Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
|
||||
|
||||
**2.** De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor de aanstelling van geestelijk verzorgers bij de rijksinrichtingen, behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
**1.** De aanstelling van een geestelijk verzorger van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 51, eerste lid.
|
||||
**1.** De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De aanstelling van een geestelijk verzorger van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een justitiële particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 51, eerste lid.
|
||||
**2.** De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
Een andere geestelijk verzorger dan de in artikel 52 genoemde kan door de directeur toegang worden verleend tot de inrichting. De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met Onze Minister.
|
||||
**1.** Een geestelijk verzorger van een andere dan de in artikel 53 genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur van een rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een aanstelling. De directeur van de rijksinrichting neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting verbonden geestelijk verzorgers.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van geestelijk verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Een geestelijk verzorger die aan een rijksinrichting is verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen in de inrichting zijn betrokken.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
|
||||
|
||||
a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
|
||||
b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.
|
||||
|
||||
**2.** De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.
|
||||
|
||||
**3.** De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
|
||||
|
||||
**4.** De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
|
||||
|
||||
**5.** De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.
|
||||
|
||||
**6.** Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt is verbonden.
|
||||
|
||||
**7.** De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een klacht een bericht aan de klager.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door en uit de Raad benoemde commissie van drie leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.
|
||||
|
||||
**2.** Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of, indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop, van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
|
||||
|
||||
**4.** Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 81.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de klager in te zien.
|
||||
|
||||
**2.** De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
|
||||
|
||||
**3.** De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.
|
||||
|
||||
**4.** De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie kunnen worden gemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** De klager en de arts kunnen de voorzitter van de beroepscommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.
|
||||
|
||||
**6.** De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beroepscommissie aan de klager onderscheidenlijk de arts mondeling medegedeeld.
|
||||
|
||||
**7.** De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
|
||||
|
||||
**8.** De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994.
|
||||
|
||||
**9.** Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden met overeenkomstige toepassing van artikel 81.
|
||||
|
||||
**10.** Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager, de arts en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de beslissing van de beroepscommissie toegezonden of uitgereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 81.
|
||||
|
||||
**3.** De secretaris zendt van alle uitspraken van de beroepscommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:
|
||||
|
||||
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
|
||||
b. ongegrondverklaring van het beroep;
|
||||
c. gegrondverklaring van het beroep.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in de artikelen 55 tot en met 58 aan de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
|
||||
|
||||
a. de curator, indien de jeugdige onder curatele is gesteld;
|
||||
b. de mentor, indien ten behoeve van de jeugdige een mentorschap is ingesteld;
|
||||
c. de ouders of voogd, indien de jeugdige minderjarig is.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
|
||||
|
||||
|
|
@ -771,7 +758,7 @@ g. creatieve vorming.
|
|||
|
||||
**2.** Het onderwijs wordt gegeven door een daartoe bevoegde persoon.
|
||||
|
||||
**3.** Het onderwijs maakt deel uit van het perspectiefplan. Het perspectiefplan is richtinggevend voor het onderwijs.
|
||||
**3.** Het onderwijs maakt deel uit van het verblijfsplan en het behandelplan. Het verblijfsplan en het behandelplan zijn richtinggevend voor het onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
|
|
@ -822,7 +809,7 @@ a. afschriften van mededelingen, bedoeld in artikel 62, eerste en tweede lid, va
|
|||
b. uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in artikel 64, vijfde lid, van de wet;
|
||||
c. ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
|
||||
d. kopieën van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;
|
||||
e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid;
|
||||
e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, en 31, eerste lid, van de wet;
|
||||
f. verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;
|
||||
g. gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;
|
||||
h. mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
|
||||
|
|
@ -832,9 +819,9 @@ i. gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoer
|
|||
|
||||
**1.** De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
|
||||
**2.** De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het verblijfsplan of het behandelplan dit vereist.
|
||||
|
||||
**3.** De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
|
||||
**3.** De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het verblijfsplan of het behandelplan dit vereist.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -843,15 +830,15 @@ De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid:
|
|||
a. de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of
|
||||
b. een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.
|
||||
|
||||
**5.** Voor wat betreft het perspectiefplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
|
||||
**5.** Voor wat betreft het verblijfsplan, het behandelplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
|
||||
|
||||
**6.** Met toepassing van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
**1.** De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
|
||||
**1.** De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 16 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
|
||||
|
||||
**2.** De gecertificeerde instelling, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
|
||||
**2.** De gezinsvoogdij-instelling, de voogdij-instelling en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -866,7 +853,7 @@ d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
|
|||
|
||||
**1.** Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in artikel 12 van de wet, aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
|
||||
**2.** De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in artikel 16 van de wet, aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur het dossier aan de directeur, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -884,7 +871,7 @@ d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
|
|||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een voorziening van jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van de wet beheert.
|
||||
**1.** Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een residentiële voorziening van jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder b, van de Wet op de jeugdhulpverlening, beheert.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -924,7 +911,7 @@ De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregel
|
|||
|
||||
**1.** De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.
|
||||
|
||||
**2.** De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
|
||||
**2.** De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -936,22 +923,22 @@ De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke
|
|||
|
||||
### Artikel 77
|
||||
|
||||
De inrichting biedt passende behandeling aan. Onder passende behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.
|
||||
De inrichting biedt passende opvang of behandeling aan. Onder passende opvang of behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.
|
||||
|
||||
### Artikel 78
|
||||
|
||||
De inrichting organiseert het verblijf op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoord verblijf.
|
||||
De inrichting organiseert de opvang of behandeling op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde opvang of behandeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 79
|
||||
|
||||
**1.** Het uitvoeren van artikel 78 omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van het verblijf.
|
||||
**1.** Het uitvoeren van artikel 78 omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de opvang of behandeling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inrichting, afgestemd op de aard en omvang van de instelling, zorg voor:
|
||||
|
||||
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van het verblijf in een werkplan;
|
||||
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 78 leidt tot een verantwoord verblijf;
|
||||
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de opvang of behandeling in een werkplan;
|
||||
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 78 leidt tot een verantwoorde opvang of behandeling;
|
||||
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 78 wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue