2014-06-28 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
This commit is contained in:
parent
17937c8554
commit
645951a9eb
1 changed files with 18 additions and 16 deletions
|
|
@ -1028,23 +1028,23 @@ De termijn van drie maanden, zoals die in artikel 29 tweede lid, Vw wordt genoem
|
|||
• het gezinslid eerder dan de hoofdpersoon Nederland is ingereisd en hier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend; of
|
||||
• de hoofdpersoon in Nederland of het nareizende gezinslid in het land van herkomst, dan wel het land van bestendig verblijf, binnen de termijn van drie maanden een aanvraag indient voor een mvv.
|
||||
|
||||
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw uitsluitend als de hoofdpersoon zijn gezinsleden ook heeft genoemd tijdens zijn asielprocedure.
|
||||
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw als de hoofdpersoon zijn gezinsleden ook heeft genoemd tijdens zijn asielprocedure.
|
||||
|
||||
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw aan het gezinslid van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd.
|
||||
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw aan het gezinslid van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon in het bezit is van een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
|
||||
|
||||
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. De hoofdpersoon in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De hoofdpersoon onderbouwt dit met documenten. De hoofdpersoon moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de hoofdpersoon de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.
|
||||
|
||||
Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen.
|
||||
|
||||
De feitelijke gezinsband van ouders en hun biologische kinderen wordt op dezelfde wijze beoordeeld als beschreven in het reguliere beleid als beschreven in B7/3.2.1 Vc. Dit wordt als volgt uitgelegd:
|
||||
Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het beleid als beschreven in B7/3.2.1. Vc. Dit wordt als volgt uitgelegd:
|
||||
|
||||
Er is altijd sprake van gezinsleven tussen ouders en minderjarige biologische kinderen in de zin van artikel 8 EVRM. Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin.
|
||||
Er is altijd sprake van gezinsleven tussen ouders en hun, tijdens het huwelijk of met het huwelijk gelijkgestelde relatie geboren, minderjarige biologische kinderen in de zin van artikel 8 EVRM. Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin.
|
||||
|
||||
Ook als men niet heeft samengewoond of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken.
|
||||
|
||||
Het uitgangspunt is dat voor biologische minderjarige kinderen geldt dat de biologische band tussen de ouder(s) en het kind als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties eindigt de gezinsband tussen ouders en hun minderjarige biologische kinderen.
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden, kan worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:
|
||||
Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden, kan in ieder geval worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:
|
||||
|
||||
• het kind woont zelfstandig en voorziet in eigen onderhoud;
|
||||
• het kind vormt een eigen gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie;
|
||||
|
|
@ -1054,25 +1054,25 @@ Indien het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (bui
|
|||
|
||||
Het beleid voor biologische minderjarige kinderen is ook van toepassing op minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van de hoofdpersoon (voorkinderen) waarbij de biologische afstammingsrelatie is vastgesteld. Voor overkomst van het kind is een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder noodzakelijk.
|
||||
|
||||
Er bestaat enkel een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en een meerderjarig biologisch kind als sprake is van een meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid tussen ouders en een meerderjarig biologisch kind.
|
||||
De IND neemt een feitelijke gezinsband tussen ouders en hun kind aan, als sprake is van een meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid tussen de ouders en een meerderjarig kind.
|
||||
|
||||
Bij de vaststelling van de afhankelijkheid worden onder meer de volgende omstandigheden betrokken:
|
||||
De afhankelijkheidsrelatie moet de gebruikelijke banden overstijgen die normaal gesproken tussen meerderjarige kinderen en hun ouders bestaan. Een indicatie voor een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zou kunnen zijn dat het meerderjarige kind door zijn medische of psychische situatie dusdanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij zonder de zorg van de hoofdpersoon niet zelfstandig kan functioneren.
|
||||
|
||||
• heeft het meerderjarige kind samengewoond met de hoofdpersoon;
|
||||
• is het meerderjarige kind financieel afhankelijk van de hoofdpersoon;
|
||||
• is het meerderjarige kind door zijn medische of psychische situatie afhankelijk van de hoofdpersoon.
|
||||
Als de afhankelijkheid tussen de hoofdpersoon en het meerderjarige biologische kind zodanig bijzonder is dat aangenomen moet worden dat sprake is van meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid, dan wordt de feitelijke gezinsband aangenomen en kan de mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis worden ingewilligd. Indien hiervan geen sprake is, wordt de aanvraag afgewezen.
|
||||
|
||||
Als de afhankelijkheid tussen de hoofdpersoon en het meerderjarige biologische kind zodanig bijzonder is dat aangenomen moet worden dat sprake is van meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid, dan wordt het gezinsleven aangenomen en kan de mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis worden ingewilligd. Indien hiervan geen sprake is, kan de aanvraag worden afgewezen.
|
||||
De ‘meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid’ wordt in ieder geval niet aangenomen als het meerderjarige biologische kind op zichzelf woont en/of in zijn eigen levensonderhoud voorziet en/of een eigen gezin heeft gesticht.
|
||||
|
||||
De ‘meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid’ wordt niet aangenomen als het meerderjarige kind op zichzelf woont en/of in zijn eigen levensonderhoud voorziet en/of een eigen gezin heeft gesticht.
|
||||
Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de hoofdpersoon en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en het pleegkind. De hoofdpersoon en de vreemdeling moet dit aannemelijk maken.
|
||||
|
||||
Anders dan bij biologische kinderen kan bij pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de hoofdpersoon en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en het pleegkind. De hoofdpersoon moet dit aannemelijk te maken. Bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de hoofdpersoon, wordt onder meer betrokken:
|
||||
Bij de beoordeling of het (meerderjarige en minderjarige) pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de hoofdpersoon, wordt onder meer betrokken:
|
||||
|
||||
• de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de hoofdpersoon;
|
||||
• de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;
|
||||
• de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.
|
||||
|
||||
In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er geen sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de hoofdpersoon.
|
||||
In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de hoofdpersoon.
|
||||
|
||||
Bij het vaststellen van de feitelijke gezinsband tussen een ouder en het pleegkind moet er bij meerderjarige pleegkinderen, net zoals bij meerderjarige biologische kinderen, bovendien sprake zijn van meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid tussen ouders en een meerderjarig pleegkind. De vaststelling van de meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid is voor meerderjarige pleegkinderen gelijk aan die van meerderjarige biologische kinderen.
|
||||
|
||||
Als de feitelijke gezinsband tussen het pleegkind en de hoofdpersoon is vastgesteld, dan zijn de voorwaarden voor het verbreken van de feitelijke gezinsband voor niet-biologische kinderen gelijk aan die van biologische kinderen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1084,11 +1084,13 @@ De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van ar
|
|||
|
||||
• de hoofdpersoon documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;
|
||||
• de hoofdpersoon aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de hoofdpersoon het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen;
|
||||
• de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.3 Vc).
|
||||
• de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.1 Vc).
|
||||
|
||||
De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, onder a of b,Vw, als het huwelijk of partnerschap al bestond voordat de hoofdpersoon Nederland is ingereisd. De IND beschouwt een traditioneel huwelijk dat buiten Nederland is gesloten als een partnerschapsrelatie. Een traditioneel huwelijk dat buiten Nederland is gesloten, wordt niet gezien als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk.
|
||||
|
||||
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, onder a of b,Vw, als de hoofdpersoon in Nederland al duurzaam samenleeft met een andere partner.
|
||||
Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie komen slechts een echtgenoot of (geregistreerd) partner en de uit dit huwelijk/deze relatie voortgekomen kinderen voor verblijf in aanmerking. Van een polygame situatie is sprake als de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, tegelijkertijd met een andere persoon (of meerdere andere personen) een huwelijk of een duurzame relatie heeft (inclusief geregistreerd partnerschap).
|
||||
|
||||
Als de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e)alsmede de eventuele andere gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking.
|
||||
|
||||
De hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner moeten aannemelijk maken dat buiten Nederland al sprake is geweest van samenwoning. Indien buiten Nederland geen samenwoning heeft plaatsgevonden, dan moeten de hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner hiervoor een aannemelijke verklaring geven om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue