diff --git a/beleidsregel/verzamelbesluit-pensioenen/BWBR0048382/README.md b/beleidsregel/verzamelbesluit-pensioenen/BWBR0048382/README.md index 74249e7846f..020a6969d23 100644 --- a/beleidsregel/verzamelbesluit-pensioenen/BWBR0048382/README.md +++ b/beleidsregel/verzamelbesluit-pensioenen/BWBR0048382/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Verzamelbesluit pensioenen bwb_id: BWBR0048382 type: beleidsregel status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2023-07-11' +datum_inwerkingtreding: '2025-02-27' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0048382 citeertitel: Verzamelbesluit pensioenen --- @@ -41,6 +41,8 @@ Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 december 2018, nr. 201 – Onderdeel 7. voorziet in de intrekking van twee besluiten die hun belang hebben verloren. – In onderdeel 8. is een citeertitel opgenomen. +Dit besluit is gewijzigd bij besluit van (6 februari 2025), nr. 2025-2109, (Stcrt. 2025-5878). De wijziging betreft de invoeging van een nieuw onderdeel 6. onder vernummering van de onderdelen 6. tot en met 8. tot 7. tot en met 9. In onderdeel 6. (nieuw) is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid. + ### 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen | AFM | Autoriteit Financiële Markten | @@ -476,11 +478,11 @@ Ik keur goed dat een premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid kan plaa Bovenstaande goedkeuring vervalt indien deze in de Wet LB is gecodificeerd. -## 6. Overgangsrecht +## 7. Overgangsrecht Indien gebruik gemaakt wordt van het overgangsrecht van artikel 38q Wet LB blijven de artikelen 18 tot en met 18ga en 19f Wet LB, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen van toepassing, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de WTP. In die situaties blijven 7 onderdelen van het besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514 (Stcrt. 2018-68653), laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsbesluit van 17 februari 2023, nr. 2023-1520, (Stcrt. 2023-6305) relevant. Deze onderdelen zijn hieronder opgenomen en gelden alleen indien en voor zover op een pensioenregeling het overgangsrecht van artikel 38q Wet LB wordt toegepast. -### 6.1. Uitbreiding begrip dienstjaren bij partner- en wezenpensioen op risicobasis +### 7.1. Uitbreiding begrip dienstjaren bij partner- en wezenpensioen op risicobasis Partner- en wezenpensioen zijn vaak (deels) verzekerd op risicobasis in plaats van op opbouwbasis. Het betreft dan de pensioenaanspraak (voor zover) die recht geeft op een partner- of wezenpensioen bij overlijden van de werknemer voor pensioendatum. @@ -496,13 +498,13 @@ Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden: 4. De maxima uit de voorwaarden 1 en 2 gelden met inachtneming van alle over de meetellende dienstjaren verzekerde rechten op partner- en wezenpensioen (inbouw opgebouwde c.q. verzekerde rechten). Als in het verleden een uitruil van de genoemde rechten naar andere pensioenrechten heeft plaatsgevonden, geldt als uitgangspunt de inbouw van de rechten op partner- en wezenpensioen op het moment direct voorafgaand aan de ruil. 5. De belanghebbende moet op verzoek van de inspecteur aannemelijk kunnen maken dat sprake is van ontbrekende dienstjaren en van onvoldoende verzekering van het partner- of wezenpensioen over die jaren. -### 6.2. Bereikbaar pensioengevend loon +### 7.2. Bereikbaar pensioengevend loon Als de werknemer vóór de pensioendatum overlijdt, mag voor het partner- en wezenpensioen als uitgangspunt gelden het aantal dienstjaren dat de werknemer tot aan de pensioendatum had kunnen bereiken (bereikbare dienstjaren) en het bereikbaar pensioengevend loon. Het bereikbaar pensioengevend loon is het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de voor hem vastgestelde loopbaanontwikkeling had kunnen bereiken in de functie die door hem werd uitgeoefend. Vanaf 1 januari 2015 mag het pensioengevend loon evenwel niet uitgaan boven het bedrag van artikel 18ga Wet LB. Voor de goede orde wijs ik erop dat in een middelloonstelsel het bereikbaar pensioengevend loon voor elk betreffend jaar afzonderlijk moet worden vastgesteld. Bij de vaststelling van het bereikbaar pensioengevend loon mag men voor de diensttijd vanaf het overlijden tot aan de pensioendatum die bij in leven zijn zou hebben gegolden, rekening houden met naar redelijkheid te bepalen niet-regelmatig genoten (variabele) loonbestanddelen. Dit variabele loon kan men in ieder geval stellen op het gemiddelde variabele loon van de laatste 5 jaar voor het overlijden. Dit geldt ook voor een op risicobasis verzekerd partner- of wezenpensioen volgens het eindloonstelsel. -### 6.3. Fiscale behandeling van partner- en wezenpensioen op risicobasis bij beperking van de opbouwruimte +### 7.3. Fiscale behandeling van partner- en wezenpensioen op risicobasis bij beperking van de opbouwruimte Mij is de vraag gesteld of de beperking van de pensioenkaders voor opbouw van partner- en wezenpensioen bij een pensioen op risicobasis alleen geldt vanaf de datum waarop de beperking in werking is getreden. Hierop heb ik aangegeven dat in geval van een partnerpensioen op risicobasis sprake is van een repeterende pensioentoezegging op basis van eenjarige risico’s. Indien het verzekerde risico zich aan het einde van het jaar niet heeft voorgedaan, dooft deze toezegging als het ware uit, waarbij de waarde van de toezegging daalt tot nihil. De werkgever doet vervolgens in het volgende jaar opnieuw een toezegging van een partnerpensioen op risicobasis en draagt hiervoor weer de eenjarige risicopremie af. Dit betekent dat voor het gehele partnerpensioen op risicobasis moet worden uitgegaan van het fiscale kader na de inwerkingtreding van de beperking van de opbouwruimte. Dit geldt zowel voor de reeds verstreken pensioengevende diensttijd als ook voor de pensioengevende diensttijd na inwerkingtreding van de beperking. Het vorenstaande is eveneens van toepassing bij wezenpensioen op risicobasis. Door deze systematiek ontstaat een ongewenst verschil in behandeling van partner- en wezenpensioen op risicobasis ten opzichte van partner- en wezenpensioen op opbouwbasis. Bij partner- en wezenpensioenen op opbouwbasis blijven de voor inwerkingtreding van de beperking in opbouwruimte opgebouwde pensioenen in stand en geldt de beperking alleen voor het daarna op te bouwen pensioen. Daarom sta ik met het oog op een redelijke wetstoepassing toe dat ook bij een partner- en wezenpensioen op risicobasis voor de pensioengevende dienstjaren voor inwerkingtreding van de beperking van de fiscale kaders voor pensioenopbouw, wordt uitgegaan van de fiscale kaders voor pensioenopbouw die voor deze beperking bestonden. Hiermee worden partner- en wezenpensioen op risicobasis op gelijke wijze behandeld als partner- en wezenpensioen op opbouwbasis. @@ -510,13 +512,13 @@ Met het oog op een redelijke wetstoepassing sta ik toe dat voor de toezegging va Hierbij is, naast de vóór de beperking geldende opbouwruimte, in een eindloonregeling tevens het pensioengevend loon op het moment voorafgaande aan de invoering van de beperking bepalend. Voor een middelloonregeling is het loon van elk van de betreffende voor de pensioenopbouw in aanmerking genomen jaren bepalend. -### 6.4. Conversie opgebouwde pensioenaanspraken met recht op indexatie +### 7.4. Conversie opgebouwde pensioenaanspraken met recht op indexatie Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet VAP is per 1 januari 2014 de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 67 jaar. Met ingang van 1 januari 2018 is de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 68 jaar. Het in de Wet LB (tekst 30 juni 2023) opgenomen aanpassingsmechanisme kan er toe leiden dat in de toekomst een verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd zal plaatsvinden. Daarbij is het mogelijk dat pensioenuitvoerders de reeds opgebouwde pensioenaanspraken willen omzetten naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd (conversie). Indien voor de opgebouwde pensioenaanspraken een recht op indexatie geldt, zal de conversie tot gevolg hebben dat een deel van het recht op indexatie wordt omgezet in een hogere pensioenaanspraak. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de vraag of het omzetten van een recht op indexatie in een hogere aanvangsuitkering voor een ouderdomspensioen slechts mogelijk is indien het pensioen na de conversie binnen de grenzen van artikel 18a, eerste, tweede en derde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023) blijft of dat deze grenzen als gevolg van de omzetting van de indexatie overschreden mogen worden. Artikel 18d, eerste lid, onderdeel e, Wet LB (tekst 30 juni 2023) regelt weliswaar de aanpassing van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum aan de nieuwe pensioenrichtleeftijd, maar alleen voor het ouderdomspensioen en niet voor de indexaties van het ouderdomspensioen en eventueel het partnerpensioen. Voor een partnerpensioen moet het pensioen na conversie binnen de grenzen blijven van artikel 18b, eerste, tweede en derde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023). Dit kan tot gevolg hebben dat conversie van de opgebouwde pensioenaanspraak inclusief het recht op indexatie naar de nieuwe fiscale pensioenrichtleeftijd, ondanks de bepaling opgenomen in artikel 18d, eerste lid, onderdeel e, Wet LB (tekst 30 juni 2023), in een aantal gevallen niet of niet volledig mogelijk is. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Ik keur goed dat de grenzen voor het ouderdomspensioen van artikel 18a, eerste, tweede en derde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023) en de grenzen voor het partnerpensioen van artikel 18b, eerste, tweede en derde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023) kunnen worden overschreden indien en voor zover dit het gevolg is van het in het kader van de overgang naar het regime van de Wet VAP omzetten van een reeds opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen of partnerpensioen met een recht op indexatie in een aanspraak op ouderdomspensioen of partnerpensioen met een vergelijkbaar recht op indexatie met de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in artikel 18a, zesde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023). -### 6.5. Aanwijzing van pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is ingegaan +### 7.5. Aanwijzing van pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is ingegaan Veel pensioenregelingen voorzien door middel van een verzekeringsovereenkomst in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. De voortzetting van de pensioenopbouw komt dan afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk voor rekening van de professionele verzekeraar. Bij wijziging van de fiscale regels geldt als hoofdregel dat bestaande pensioenregelingen worden aangepast. Dit geldt ook voor pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid al is ingegaan. @@ -553,7 +555,7 @@ Dit betreft op 31 december 2014 bestaande pensioenregelingen waarbij de periode In door (algemene) pensioenfondsen als bedoeld in artikel 1 PW, uitgevoerde pensioenregelingen wordt de voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid doorgaans gebaseerd op het pensioenreglement. Wijzigingen in het pensioenreglement, bijvoorbeeld na een wijziging van de fiscale regels, zijn dan automatisch ook van toepassing voor de premievrij voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. In die situatie is de aanwijzing dus niet van toepassing. Indien het pensioenfonds de voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid heeft ondergebracht bij een professionele verzekeringsmaatschappij zoals onder voorwaarde 2 beschreven en ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, kan de aanwijzing wel worden toegepast. -### 6.6. Aanwijzing combinatie-pensioenregelingen met samenloop middelloon- en eindloonfranchise +### 7.6. Aanwijzing combinatie-pensioenregelingen met samenloop middelloon- en eindloonfranchise Door de Wet Witteveen 2015 is het met ingang van 1 januari 2015 mogelijk om tijdsevenredig een ouderdomspensioen van 75% van het gemiddeld genoten loon op te bouwen in ten minste 40 dienstjaren. De jaarlijkse ruimte voor pensioenopbouw is per 1 januari 2015 beperkt tot ten hoogste 1,875% voor regelingen gebaseerd op het middelloonstelsel en tot ten hoogste 1,657% voor regelingen gebaseerd op het eindloonstelsel. @@ -571,7 +573,7 @@ Voor deze aanwijzing gelden de volgende drie voorwaarden: 2. De pensioenregeling voldoet voor het overige aan de eisen die de Wet LB daaraan stelt of is voor het overige aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. 3. Deze aanwijzing wordt niet gebruikt in combinatie met de goedkeuring voor een partner- en wezenpensioen op risicobasis als bedoeld in onderdeel 6.3. -### 6.7. Aanwijzing regelingen die na het verhogen van de pensioenrichtleeftijd een hoger opbouwpercentage hanteren dan het wettelijke maximum +### 7.7. Aanwijzing regelingen die na het verhogen van de pensioenrichtleeftijd een hoger opbouwpercentage hanteren dan het wettelijke maximum Per 1 januari 2018 is de pensioenrichtleeftijd van artikel 18a, zesde lid, Wet LB (tekst 30 juni 2023) Wet LB naar 68 jaar gestegen (zie artikel II onderdeel B, van het besluit van 21 december 2016 tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen (Staatsblad 2016, 549)). Het is mogelijk om in een pensioenregeling uit te gaan van een lagere pensioenrekenleeftijd dan de wettelijke pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. Wel geldt dan de voorwaarde dat de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger is dan het op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen naar de lagere pensioenrekenleeftijd herrekende fiscaal maximale ouderdomspensioen, dat ingaat op de eerste dag van de maand waarin de 68-jarige leeftijd wordt bereikt (zie vraag en antwoord 17-012 op centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl). Dat betekent dat bij een lagere pensioenrekenleeftijd een lager opbouwpercentage per dienstjaar moet worden gehanteerd dan het in de wet opgenomen maximale opbouwpercentage. Indien het vanaf 1 januari 2018 op te bouwen pensioen niet in voldoende mate wordt afgestemd op de wettelijke pensioenrichtleeftijd van 68 jaar, voldoet de pensioenregeling niet (meer) aan de dan geldende wettelijke voorwaarden. @@ -619,14 +621,14 @@ Bij toepassing van een opbouwpercentage van 1,657% en een pensioenrichtleeftijd De hierboven in beide voorbeelden gehanteerde opbouwpercentages uit het vraag en antwoord 17-012 gelden als een algemeen toepasbare richtlijn. Hiervan kan in individuele omstandigheden worden afgeweken. Daarvoor moet aannemelijk worden gemaakt dat in dat individuele geval een ander actuarieel herrekend opbouwpercentage moet worden toegepast. -## 7. Ingetrokken regelingen +## 8. Ingetrokken regelingen De volgende besluiten worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit: – besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514(Stcrt. 2018-68653), laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsbesluit van 17 februari 2023 nr. 2023-1520 (Stcrt. 2023, 6305). – besluit van 7 december 2020, nr. 2020-234674 (Stcrt. 2020, 62989). -## 8. Citeertitel +## 9*. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit pensioenen