diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-b/BWBR0012289/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-b/BWBR0012289/README.md index 45e0b32bbd9..563ad1adb45 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-b/BWBR0012289/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-b/BWBR0012289/README.md @@ -3,7315 +3,11904 @@ titel: Vreemdelingencirculaire 2000 (B) bwb_id: BWBR0012289 type: circulaire status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2019-03-14' +datum_inwerkingtreding: '2005-04-14' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012289 citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (B) --- # Vreemdelingencirculaire 2000 (B) -## B1. Regulier algemeen +## B1. Regulier -### 1. Inleiding +### 1. Algemene inleiding -In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in: +– machtiging tot voorlopig verblijf (2.2.1); +– document voor grensoverschrijding (2.2.2); +– openbare orde en nationale veiligheid (2.2.4); +– medisch onderzoek (2.2.5); +– middelen van bestaan (2.2.3); +– arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (2.2.6); +– beperking (2.2.7); +– hoofdverblijf (2.2.8); +– onjuiste gegevens (2.2.9). -• paragraaf 2, die gelden voor de aanvrager die verzoekt om erkenning als referent of de al erkende referent. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 2e en 2f Vw, de artikelen 1.18, 1.19 en 1.22 Vb en de artikelen 1.12, 1.15 VV; -• paragraaf 3 ten aanzien van de algemene voorschriften over de aanvraag tot erkenning als referent, de TEV-procedure en de overige verblijfsaanvragen. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 1, eerste lid, onder h, 1a, 14 en 23 Vw en de artikelen 1.24, 1.25. 1.26, 1.27, 1.29, 1.30, 1.31, 1.32, 3.57, 3.99 en 3.101 Vb; -• paragraaf 4 over de afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 16 Vw en de artikelen 3.71, 3.73, 3.74, 3.75, 3.99 en 3.101 Vb; -• paragraaf 5 over de specifieke kenmerken van de verblijfsvergunning. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.4, 3.7, 3.58 en 3.59 Vb; -• paragraaf 6 over de gronden van niet verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 18 en 19 Vw en de artikelen 3.80 en 3.82 Vb; -• paragraaf 7 over de rechtsmiddelen. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 69 tot en met 79 Vw, 84 tot en met 92 Vw en de Awb; -• paragraaf 8 over de bewijsmiddelen. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 2d en 24a Vw en de artikelen 1.15 en 3.34i VV; en -• paragraaf 9 over de handhavingsinstrumenten boete en verhalen van kosten op de referent. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 55a Vw en artikel 6.4 Vb. +#### 1.1. Machtiging tot voorlopig verblijf -### 2. Erkenning als referent - -#### 2.1. De erkenning als referent - - - -Op grond van artikel 2e, derde lid, Vw junctis artikelen 1.22, aanhef en onder b, Vb en 1.15 VV vraagt de IND een VOG aan degene die om erkenning als referent verzoekt (de aanvrager) als sprake is van één of meer strafrechtelijke antecedenten als genoemd in artikel 1.19 Vb ten aanzien van: - -• de aanvrager die verzoekt om erkenning als referent; en -• de bij de aanvrager om erkenning als referent betrokken (rechts)personen. - -Op grond van artikel 2e Vw junctis artikelen 1.18, 1.19, 1.22 Vb en de artikelen 1.12 t/m 1.15 VV wijst de IND de aanvraag tot erkenning als referent af in als: - -• de aanvrager- als dit is vereist op grond van de Handelsregisterwet 2007 – niet is ingeschreven in het handelsregister; -• de aanvrager, die niet inschrijfplichtig is in het handelsregister, niet de in artikel 1.12 VV gevraagde persoonsgegevens van de bij de onderneming of rechtspersoon betrokken bestuurders aan de IND verstrekt; -• de aanvrager failliet is, of in surseance van betaling verkeert; -• de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een negatief advies heeft afgegeven inzake de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager; -• de aanvrager, of de bij de aanvrager betrokken (rechts)personen, in het jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie keer failliet is verklaard; -• de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning fiscale vergrijpboetes op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f Algemene wet inzake Rijksbelastingen zijn opgelegd; -• de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de IND op grond van artikel 55a Vw; -• de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de NLA op grond van artikel 18 juncto 19a van de Wav; -• de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de NLA op grond van artikel 18b juncto 18c van de WML; -• de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd op grond van een combinatie van artikel 55a Vw en/of artikel 18 Wav en/of artikel 18b juncto 18c WML; -• de aanvrager in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is veroordeeld ter zake van mensenhandel/mensensmokkel, strafbaar gesteld in artikel 197a WvSr; -• de aanvrager in het kader van uitwisseling in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is veroordeeld ter zake van zedendelicten, strafbaar gesteld in artikel 250a WvSr; -• de aanvrager feitelijk wordt bestuurd door anderen dan op grond van de gegevens uit het handelsregister mag worden verondersteld; of -• de aanvrager desgevraagd geen VOG, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verstrekt. - -Op grond van artikel 2e Vw juncto artikel 1.19 en 1.22 Vb kan de IND de aanvraag tot erkenning als referent afwijzen als: - -a. de aanvrager om erkenning in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning boetes zijn opgelegd op grond van de Vw, Wav en/of WML door de IND of de NLA. Hierbij wegen de volgende elementen mee: - -• de grondslag van de boete; -• de hoogte van de opgelegde boete; en -• de vraag of sprake is van meerdere opgelegde boetes. -b. een erkenning van de referent in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is ingetrokken. - -Ad b. - -Van deze bevoegdheid maakt de IND in ieder geval geen gebruik als het een intrekking betreft als bedoeld in artikel 1.15a VV of de intrekking op verzoek van de erkende referent heeft plaatsgevonden, zonder dat zich daarbij een van de gronden als neergelegd in artikel 2g, aanhef en onder a, b, of c, Vw heeft voorgedaan. - -#### 2.2. Schorsen en intrekken van de erkenning als referent - - - -Op grond van artikel 2f, eerste lid, Vw juncto artikel 1.22 Vb schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet: - -• de IND doet aangifte bij de officier van justitie of bij een van zijn hulpofficieren tegen de referent of raakt bekend met de omstandigheid dat een ander overheidsorgaan aangifte heeft gedaan tegen de referent, dat er een opsporingsonderzoek is opgestart of vervolging is ingesteld tegen de referent; -• de IND heeft een klacht ingediend tegen een referent bij de Landelijke Commissie Gedragscode internationale student in het Nederlands hoger onderwijs; -• de Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek ingesteld naar een referent; of -• de NLA heeft een onderzoek naar fraude door de referent ingesteld in verband met het niet naleven van bepalingen uit de Wav of de Wml. - -Een schorsing van de erkenning duurt drie maanden. De IND verlengt de schorsing steeds met drie maanden als advies van derden of de uitkomst van onderzoek door derden of het OM moet worden afgewacht om een besluit omtrent de erkenning als referent te kunnen nemen. - -De IND trekt op grond van artikel 2g, aanhef en onder c, Vw de erkenning als referent in als zich één van de volgende omstandigheden voordoet: - -• de referent is voor de derde keer beboet wegens het niet naleven van de zorg- of informatieplicht waarbij de overtreding door de IND als ernstig is gekwalificeerd. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 9 van dit hoofdstuk; -• de referent weigert om zijn medewerking te verlenen aan nalevingstoezicht door de IND; -• de referent niet zorgvuldig toetst of de vreemdeling wiens overkomst hij wenst aan de verblijfsvoorwaarden voldoet; -• de referent heeft bij kennis of vermoedens van misstanden met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet adequaat opgetreden. - -De IND trekt op grond van artikel 2g, aanhef en onder b, Vw de erkenning als referent in ieder geval in als zich één van de volgende omstandigheden voordoet: - -• de referent is failliet; of -• de referent is uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. - -De IND trekt de erkenning als referent niet in als de referent in surseance van betaling verkeert. - -#### 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming - -Hoofdregel is dat de IND voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit van de startende onderneming (als bedoeld in artikel 1.13, tweede lid, VV) voldoende is gewaarborgd advies opvraagt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). - -De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen: - -Voor een positief advies zijn minimaal 50 punten vereist (maximaal te behalen 100 punten). - -Toets op inschrijving bij de Nederlandse Kamer van Koophandel - -• Is onderneming ingeschreven? -• Wisseling vennoten/aandeelhouders/zeggenschap ten opzichte van aanvraagdatum? -• Overname? -• Surseance? -• Faillissement? - -1. Criterium Marktpotentie - -1a. Product / dienst (maximaal te behalen 15 punten) - -• kenmerken -• toepassing -• behoefte (in hoeverre speelt product/dienst in op algemene marktbehoefte) -• unique selling points - -*Toelichting: *Er is sprake van een duidelijke beschrijving van product of dienst. Het is aannemelijk gemaakt dat product of dienst, gelet op de marktontwikkelingen, potentie heeft. Unique selling points zijn aannemelijk gemaakt. -1b. Marktanalyse (maximaal te behalen 25 punten) - -• potentiële klanten -• concurrenten -• toetredingsbarrières -• samenwerking -• risico’s -• prijsbeleid -• marketing / promotie - -*Toelichting: *De marktanalyse moet toegespitst zijn op de eigen specifieke bedrijfsomgeving. De analyse moet zowel kwalitatief als kwantitatief zijn. Marktomvang, doelgroep, eigen potentiële marktaandeel; helder prijs-, marketing- en promotiebeleid; vergelijking met concurrentie; vergelijking met trends en branchegegevens, ook regionaal; te relateren aan eigen situatie/mogelijkheden. Eigen onderzoek of door derden. -2. Criterium Organisatie (maximaal te behalen 20 punten) - -• ondernemingsstructuur -• competenties - -*Toelichting:* Er is sprake van een heldere en adequate organisatiestructuur van de onderneming in Nederland; de juiste competenties op het gebied van ondernemerschap, management en vak inhoud zijn binnen de onderneming in Nederland aanwezig. -3. Criterium Financiering - -3a. Solvabiliteit (verhouding Eigen vermogen – Totaal vermogen) - -*Toelichting:* Uitgaande van de omzet- en liquiditeitsprognoses moet de solvabiliteitsprognose zodanig zijn, dat financiële tegenvallers gedurende drie jaar opgevangen kunnen worden. -3b. Omzet - -*Toelichting:* De omzetprognose is aannemelijk en stemt overeen met de marktpotentie (met name de marktanalyse). -3c. Liquiditeitsprognose (maximaal te behalen 15 punten) - -(breakeven) - -*Toelichting:* De operationele cashflow (kasstroom uit de feitelijke bedrijfsactiviteiten) moet binnen drie jaar positief zijn. - -Uitzondering op de hoofdregel is dat de IND voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd geen advies hoeft op te vragen bij de RVO als het niet gaat om een daadwerkelijk ‘startende’ onderneming als beschreven in artikel 1.13, tweede lid, onderdelen a tot en met e, VV. - -De IND beoordeelt in beginsel de continuïteit en solvabiliteit van een au-pairbureau gevestigd in een andere lidstaat aan de hand van de gegevens/informatie uit het Informatiesysteem Interne Markt (IMI). In hoofdlijnen betekent dit dat: - -• de onderneming -voor zover vereist- geregistreerd staat in het handelsregister van de betreffende lidstaat. De volgende informatie wordt bij de beoordeling betrokken: - -– de activiteiten van de onderneming, de startdatum van de onderneming; en -– of de gegevens/registratie in het IMI-systeem overeen komen met de gegevens op het aanvraagformulier; -• de onderneming niet failliet mag zijn verklaard. Ook mag binnen de onderneming geen sprake zijn van surseance van betaling. - -Op grond van artikel 1.13, vierde en vijfde lid, VV vraagt de IND wel advies op bij de RVO als er twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd, ongeacht of het om een startende of gevestigde onderneming gaat. De IND hanteert dezelfde werkwijze als het een au-pairbureau betreft dat in een andere lidstaat van de EU of EER is gevestigd. - -### 3. Aanvraagprocedures - -#### 3.1. Biometrische gegevens - -Op grond van artikel 106a, eerste lid, Vw neemt de IND tien digitale vingerafdrukken af en maakt een gezichtopname van de vreemdeling van zes jaar en ouder voor het vaststellen of verifiëren van de identiteit bij: - - - • - een aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van de beperking van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd; - - - • - een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; en - - - • - een aanvraag tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb. - - - De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf neemt tien digitale vingerafdrukken af en scant de door de vreemdeling ingeleverde pasfoto als: - - - • - de vreemdeling een mvv aanvraag indient; of - - - • - de referent in Nederland ten behoeve van de vreemdeling een mvv aanvraag indient. - - - De bevoegdheid in artikel 106a, eerste lid, Vw geldt niet voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 106a, vierde lid, Vw juncto artikel 8.27Vb. +Op grond van artikel 16, onder a, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf is een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. -20186996431-12-201807-12-2018WBV2018/1420186996431-12-201807-12-2018WBV2018/1401-01-2019 + + De aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland. De verplichting om voor de komst naar Nederland een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst (zie voor de algemene afwijzingsgronden en bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning artikel 16 Vreemdelingenwet en artikel 3.13 t/m 3.56 Vreemdelingenbesluit). + + + De aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf leidt, na verstrekking van de machtiging, in de praktijk veelal tot afgifte van een D + C visum; een combinatie van een nationaal visum voor lang verblijf (mvv) met een kort verblijf Schengen C-visum. Doel van dit combinatievisum, goed voor meerdere reizen en met een geldigheid van 90 dagen vanaf datum afgifte, is het ondervangen van de problemen die voor de aanvrager mogelijk kunnen ontstaan door de periode die gemoeid is met het daadwerkelijk verstrekken van de verblijfstitel op basis van de mvv. Voor het combinatievisum gelden de bestaande voorwaarden en procedures, met dien verstande dat bij afwijzing van het D-visum, uiteraard geen afzonderlijk C-visum wordt verstrekt (zie verder A/7.2.7.3). + + + In artikel 17 Vreemdelingenwet en artikel 3.71 Vreemdelingenbesluit is een aantal categorieën aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Deze categorieën zijn verder uitgewerkt onder 1.2. + +200410911-06-200426-05-2004200410911-06-200426-05-200413-06-2004 + +##### 1.1.1. Achtergrond + +1. De vreemdeling verblijft in een land op basis van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden. +2. De vreemdeling is in het land waar hij of zij verblijft, gerechtigd de uitkomst van een aanvraag om verblijf (aldaar) af te wachten. +3. De vreemdeling heeft in het land waar hij of zij verblijft een verblijfsprocedure doorlopen, waarvan de uitkomst in rechte onaantastbaar is geworden, en er bestaat een juridisch beletsel tegen uitzetting. + +##### 1.1.2. Aanvraag en advies + +Een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf af in het land van herkomst of bestendig verblijf, met inachtneming van hetgeen bovenstaand is bepaald ten aanzien van verblijf in de vrije termijn. + + + Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde verzoeken om een advies in verband met een door de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. Het verzoek om advies wordt gericht aan de Visadienst. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv in het land van herkomst of bestendig verblijf te bevinden. Het oordeel van de Visadienst op het verzoek om advies is geen beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen een dergelijk oordeel staan dan ook geen rechtsmiddelen open. De vreemdeling, ten behoeve van wie een referentprocedure is gevoerd en voor wie aldus een oordeel van de Visadienst is ingewonnen, kan, indien hij in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, een aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open. + + + Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf of een verzoek om advies, wordt betrokkene respectievelijk referent door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging respectievelijk de Visadienst desgevraagd geïnformeerd welke documenten en gegevens in elk geval dienen te worden verstrekt. Hierbij wordt in het algemeen gebruikgemaakt van gestandaardiseerde brieven ‘voorwaarden en bescheiden’. + In het kader van de aanvraagprocedure bestaan van de brieven ‘voorwaarden en bescheiden’ voor de meest voorkomende verblijfsdoelen twee brieven, te weten een brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen en een brief waarin vermeld staat wat de referent dient te overleggen. In het kader van de adviesprocedure bestaat één brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen. In het model M138, waarmee de referent verzoekt om advies, zijn de door de referent te overleggen documenten en gegevens vermeld. Voor de referent kan dan ook bij de adviesprocedure worden volstaan met het model M138. + Voor ieder verblijfsdoel bestaan derhalve in totaal drie brieven. In aanvulling hierop kan betrokkene respectievelijk de referent schriftelijk worden verzocht aanvullende gegevens of bescheiden te verschaffen. Indien betrokkene niet beschikt over een referent, dient hij zelf alle voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te overleggen. + +200410911-06-200413-06-2004200410911-06-200413-06-200413-06-2004 + +##### 1.1.3. Aanvraagprocedure + +De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf. + + + De aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Voorts worden de verschuldigde leges voldaan, en toont de vreemdeling zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd. Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij éénmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. In voorkomende gevallen kan betrokkene tevens worden verzocht zich in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden teneinde een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven. + + + Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Voorts wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de Visadienst, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden. + + + Na ontvangst van de aanvraag gaat de Visadienst aan de hand van de door betrokkene verstrekte gegevens na of een (in Nederland woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent door de Visadienst schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Indien de referent van deze gelegenheid geen gebruik maakt, of niet alle gevraagde stukken overlegt, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de Visadienst of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken. + + + In eerste instantie zal de Visadienst zoveel als mogelijk zelfstandig de juistheid van de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie nagaan. Eerst nadat ernstige twijfel is gerezen over de juistheid van de verkregen informatie, documenten of anderszins en de Visadienst niet de aangewezen instantie is om het benodigde nader onderzoek te verrichten, kan de politie door middel van een onderbouwde onderzoeksvraag worden verzocht nader onderzoek in te stellen. In voorkomende gevallen kan de referent derhalve worden verzocht zich in persoon bij de politie aan te melden teneinde een mondelinge toelichting op de aanvraag te geven. + + + De Visadienst besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de machtiging tot voorlopig verblijf af te geven. + + + In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een machtiging tot voorlopig verblijf af te geven. De Visadienst stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt betrokkene uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf. Betrokkene dient zijn document voor grensoverschrijding mee te brengen, zodat de machtiging tot voorlopig verblijf in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling dient binnen zes maanden na de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst te verschijnen voor de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf (zie 1.1.5). + + + Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de Visadienst de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan betrokkene. Referent ontvangt een afschrift van de beschikking. + +20033317-02-200328-01-2003HKUit03-297AUB20033317-02-200328-01-2003HKUit03-297AUB01-04-2003 + +##### 1.1.4. Verzoek om advies + +Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, kan een hier te lande verblijvende referent door middel van een model M138 verzoeken om een advies in verband met het voornemen van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen in het buitenland. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv in het land van herkomst of bestendig verblijf te bevinden. + + + Het model M138 kan worden verkregen via het landelijk telefoonnummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.) en via de website (www.ind.nl) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het landelijk telefoonnummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. + + + De referent verzoekt om een advies door het daartoe bestemde formulier (model M138) ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan de Visadienst. Naar welk postadres het verzoek gestuurd moet worden, staat vermeld op de eventueel verstrekte retourenveloppe en (als het model M138 via de website van de IND wordt verkregen) op de website. Het langs elektronische weg indienen van een verzoek om advies is thans niet mogelijk. + + + Indien de referent bij het indienen van het verzoek om advies niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. + + + Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de Visadienst of de gevraagde gegevens en bescheiden zijn overgelegd, en of deze in orde zijn. In voorkomende gevallen kan referent tevens met het oog op administratief of politieel toezicht worden verzocht zich in persoon bij de politie aan te melden teneinde een mondelinge toelichting op het verzoek te geven. + + + De Visadienst brengt vervolgens een advies uit naar aanleiding van het verzoek. Indien op grond van de door de referent overgelegde gegevens en (kopieën van) bescheiden kan worden geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, ontvangt hij een negatief advies waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. De vreemdeling wordt hier niet ambtshalve van in kennis gesteld. Indien de vreemdeling in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, dan kan hij daartoe een aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open. + + + Indien wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, machtigt de Visadienst onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de machtiging tot voorlopig verblijf af te geven. Dit voorbehoud houdt in, dat nader onderzoek de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling bevestigt en dat zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf verzetten. + + + Voorts wordt de referent op de hoogte gebracht van de omstandigheid dat positief is geadviseerd omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, onder vermelding van het voorbehoud. Referent wordt er voorts op gewezen dat betrokkene ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf een aanvraag moet indienen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling wordt niet ambtshalve van het advies op de hoogte gebracht. + + + Nadat de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst gemachtigd is, dient de vreemdeling een aanvraag in om een machtiging tot voorlopig verblijf door een aanvraagformulier op te vragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en door dit ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren. Voor zover nadien de voor de aanvraag door betrokkene te verstrekken gegevens en bescheiden nog moeten worden aangevuld, wordt hij éénmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. + + + Bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt onderzocht of de dan door betrokkene te overleggen originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en het document voor grensoverschrijding, die door de referent in kopie bij de Visadienst zijn overgelegd, authentiek zijn en of deze (voor zover vereist) daadwerkelijk zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. + + + Als het onderzoek de authenticiteit van de desbetreffende documenten bevestigt en zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf verzetten, wordt de machtiging tot voorlopig verblijf verleend. + + + Indien uit dit onderzoek blijkt dat de betreffende documenten niet authentiek zijn of als zich feiten en omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf verzetten, wordt de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorgezonden naar de Visadienst, onder vermelding van alle relevante feiten en omstandigheden. De aanvraag wordt door de Visadienst getoetst. + + + Nota bene: indien betrokkene eerst na een periode van langer dan zes maanden na het bericht aan referent een aanvraag indient om een machtiging tot voorlopig verblijf, zal door de Visadienst in alle gevallen opnieuw worden bezien of aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan. + +200410911-06-200413-06-2004200410911-06-200413-06-200413-06-2004 + +###### 1.1.4.1. Overgangsregeling naar aanleiding van uitspraak ABRS 12 januari 2004 + +De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft in haar uitspraak van 12 januari 2004 (nr. 200306128/1) bepaald dat een advies omtrent afgifte van een mvv niet wordt aangemerkt als een besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Naar aanleiding hiervan zijn de op dat moment aanhangige bezwaarzaken in dergelijke adviesprocedures niet-ontvankelijk verklaard. Dit nu, heeft aanleiding gevormd voor het instellen van een overgangsregeling voor de bezwaarschriften in adviesprocedures die naar aanleiding van genoemde uitspraak niet-ontvankelijk zijn verklaard. + +De onderhavige beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie artikel 3.100 Vreemdelingenbesluit). -#### 3.2. Aanvraag tot erkenning als referent +Als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog een (positief advies omtrent afgifte van een) machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven: -De aanvrager dient de aanvraag tot erkenning als referent in bij een door de IND opgegeven postadres met een door de IND vastgesteld formulier dat bij de IND te verkrijgen is. +1. De vreemdeling had voor of op 12 januari 2004 een bezwaarschrift ingediend inzake een verzoek om advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, op welk bezwaarschrift nog geen beslissing was genomen; en +2. voor of op 12 januari 2004, op enig moment hangende die procedure, aangetoond dat aan alle voorwaarden werd voldaan; en +3. er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor, die aanleiding vormen om alsnog verblijf te weigeren. -De aanvrager moet binnen een termijn van acht weken nadat de IND daarom verzoekt een VOG overleggen. De IND verlengt deze termijn als sprake is van bijzondere omstandigheden. Zie verder paragraaf B1/3.4.1.2 Vc. +a. inmiddels is gebleken dat niet meer wordt voldaan aan het vereiste dat zelfstandig over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt; +b. inmiddels is gebleken dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; +c. inmiddels is gebleken dat het oorspronkelijke verblijfsdoel is komen te vervallen; +d. inmiddels wordt niet langer voldaan aan een of meer in het relevante artikel van het Vreemdelingenbesluit facultatief geformuleerde voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning. -#### 3.3. TEV-procedure +Ad a. Een geval waarin bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst inmiddels niet langer garantie biedt voor duurzame inkomsten, wordt niet aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die tot het alsnog weigeren van verblijf leidt. Dit is anders wanneer de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd en niet op andere wijze is gebleken van voldoende middelen van bestaan. De middelen van bestaan dienen in ieder geval zelfstandig verworven en voldoende hoog te zijn. Wanneer een nieuw verzoek of een nieuwe aanvraag op of na 1 april 2004 wordt ingediend, zal getoetst worden naar analogie van het overgangsrecht van artikel 116 Vreemdelingenwet, ook al is dat artikel sedert die datum niet langer toepasbaar. Benadrukt wordt dat deze analoge toepassing enkel in het kader van deze overgangsregeling geldt. -##### 3.3.1. Algemeen +Ad b. Wanneer uit nader bekend geworden gegevens blijkt dat op het toetsmoment of enig moment nadien bezwaren tegen het verblijf bestaan op grond van aspecten van openbare orde, vormt dit aanleiding om alsnog het verblijf te weigeren. -###### 3.3.1.1. Begin van de TEV-procedure +Ab c. Wanneer bijvoorbeeld in de eerdere procedure verblijf bij partner werd beoogd en de relatie blijkt inmiddels verbroken te zijn, zal niet worden overgegaan tot afgifte van de gevraagde mvv dan wel positieve advisering daaromtrent. -De TEV-procedure vangt aan door: +Ad d. In bepaalde gevallen bestaan er wettelijke beletselen tegen het toepassen van deze overgangsregeling. Dit betreft de gevallen waarin een facultatieve inwilligingsgrond in het relevante besluitsartikel zich daartegen verzet. Een voorbeeld hiervan is de vreemdeling die verblijf als au pair beoogt en die hangende de bezwaarfase in de eerdere procedure aangetoond aan alle geldende voorwaarden is gaan voldoen, maar hangende een nieuwe procedure 26 jaar is geworden. Vanwege de in artikel 3.43 Vreemdelingenbesluit neergelegde absolute leeftijdsgrens van 26 jaar en de facultatieve formulering van het artikel, kan hiervan niet afgeweken worden. -• indiening van een mvv-aanvraag door de vreemdeling bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf; of -• indiening van een mvv-aanvraag door de in Nederland verblijvende referent bij de IND in Nederland. +– wanneer een minderjarige verblijf in het kader van gezinshereniging beoogt en deze ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland inmiddels meerderjarig is geworden, zal binnen de ruimte die door artikel 3.13, tweede lid Vreemdelingenbesluit daartoe geboden wordt, in beginsel alsnog een mvv in het kader van gezinshereniging worden afgegeven; +– wanneer een minderjarige in het kader van gezinshereniging verblijf beoogt, en ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland de referteperiode van vijf jaar inmiddels is verstreken, zal in beginsel alsnog een mvv in het kader van gezinshereniging worden afgegeven; +– wanneer een meerderjarige in het kader van verruimde gezinshereniging verblijf beoogt, en ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland de referteperiode van respectievelijk een jaar inmiddels is verstreken, zal in beginsel alsnog een mvv in het kader van verruimde gezinshereniging worden afgegeven. -In aanvulling op artikel 2s, eerste lid, Vw geldt dat als de vreemdeling en de referent beiden in het buitenland verblijven, de vreemdeling de mvv-aanvraag indient. De referent toont dan aan dat hij ná binnenkomst in Nederland zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. +Een bijzondere categorie waarvoor wordt voorzien in een regel van overgang, betreft de zogeheten nareizers, die binnen drie maanden nadat een familielid een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, deze hoofdpersoon nareizen. Zij komen dan in beginsel ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De wijze waarop deze nareis vorm moet krijgen is neergelegd in C5/23.2.1. Daarin is bepaald dat de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt aangemerkt als begin van de nareis. -De vreemdeling dient de mvv-aanvraag in met het daarvoor vereiste aanvraagformulier, dat bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf is te verkrijgen. +##### 1.1.5. Afgifte machtiging tot voorlopig verblijf -De IND maakt op haar website kenbaar waar de referent de mvv-aanvraag moet indienen. De referent dient de mvv-aanvraag in met het bij de IND te verkrijgen daarvoor vereiste aanvraagformulier. +De machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De machtiging tot voorlopig verblijf kan slechts worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Deze machtiging is zes maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de Minister van Buitenlandse Zaken om een machtiging tot voorlopig verblijf te verstrekken. Binnen die zes maanden moet de vreemdeling de machtiging in ontvangst hebben genomen. Indien de vreemdeling zich niet binnen zes maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, zal een nieuwe aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf moeten worden ingediend. Indien de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf plaats heeft gevonden binnen die zes maanden, heeft de vreemdeling vervolgens zes maanden de tijd om vanaf datum afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf naar Nederland te reizen. + Alvorens de ambassade tot afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. Betrokkene dient zijn identiteit genoegzaam aan te tonen. + +20057822-04-200514-04-20052005/1820057822-04-200514-04-20052005/1824-04-2005 + +##### 1.1.6. Gedragslijn, indien uit het onderzoek blijkt dat de vreemdeling verblijf wil kiezen in een andere gemeente -###### 3.3.1.2. Bestendig verblijf +De mvv-aanvraag of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning moet, onder bijvoeging van terzake dienende bescheiden en gegevens, worden toegezonden aan het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waaronder de gemeente ressorteert waar de vreemdeling verblijf wil kiezen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND neemt aan dat sprake is van bestendig verblijf als de vreemdeling op het moment van indienen van de mvv-aanvraag of het toetsmoment: +##### 1.1.7. Samenloop aanvraagprocedures -• verblijft in een land op basis van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van drie maanden of meer; -• in het land waar hij verblijft, gerechtigd is de uitkomst van een aanvraag voor verblijf (aldaar) af te wachten; of -• verblijft in een land waar hij een verblijfsprocedure heeft doorlopen, waarvan de uitkomst in rechte onaantastbaar is geworden en er een juridisch beletsel bestaat tegen uitzetting. +Uit de systematiek van de wet volgt dat het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf geen betekenis heeft bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. In die gevallen waarin een vreemdeling eerst een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarna tevens een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt ten aanzien van de asielaanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Voor de reguliere aanvraag die hangende de asielprocedure wordt ingediend, wordt het mvv-vereiste evenwel onverkort gehandhaafd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND neemt uitsluitend genoegen met een termijn korter dan drie maanden als er geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure of oneigenlijk gebruik daarvan. +##### 1.1.8. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd -De IND neemt in ieder geval geen bestendig verblijf aan als de vreemdeling in een land verblijft op grond van een visum voor kort verblijf. +– onjuiste gegeven heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf; +– of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (de enkele omstandigheid dat de middelen door tijdsverloop niet meer duurzaam zijn, geldt niet als bijzonder); +– een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; +– niet voldoet aan de aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking; +– niet voldoet aan in het Vreemdelingenbesluit 2000 facultatief geformuleerde voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning; en +– niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt. -##### 3.3.2. Aanvraagprocedure mvv door de vreemdeling +#### 1.2. Vrijstellingen -De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging vraagt de vreemdeling: +##### 1.2.1. Vrijstellingen op grond van de -• bij de indiening van de mvv-aanvraag de voor de mvv-aanvraag gevraagde gegevens en bescheiden te verstrekken; -• bij de indiening van de mvv-aanvraag zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen; en -• binnen drie weken na ontvangst van een daartoe strekkende brief van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging de voor de mvv-aanvraag verschuldigde leges te betalen, in die gevallen dat de referent de leges niet betaalt. +a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen; +b. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing, als bedoeld onder a.; +c. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen; +d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van vrouwenhandel; +e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vreemdelingenwet; of +f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning. -De vreemdeling van zes jaar en ouder moet tien digitale vingerafdrukken af laten nemen en een pasfoto inleveren bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor het vaststellen van zijn identiteit (artikel 106a, eerste lid, Vw junctis artikel 54 Vw en artikel 1.31 Vb). +ad a. Deze landen zijn: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Japan, Luxemburg, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zweden en Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein). -De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geeft de vreemdeling die in gebreke blijft nog één keer een termijn van vier weken na vaststelling van dit verzuim om de mvv-aanvraag aan te vullen met de in de brief genoemde ontbrekende gegevens en bescheiden. +Voor vreemdelingen uit deze landen staat echter wel de mogelijkheid open om bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen ten einde hun verblijfsaanspraken vooraf te laten toetsen, zodat ook zij vroegtijdig weten of hun verblijfsrecht toekomt. -De IND stelt de referent van de vreemdeling (als deze bekend is) schriftelijk in de gelegenheid: +ad b. Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserse Bondsstaat, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e) of kind van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in artikel 1 Vreemdelingenwet). -• binnen twee weken na vaststelling van dit verzuim de mvv-aanvraag aan te vullen met de in de brief genoemde gegevens en bescheiden; en -• binnen twee weken de leges te betalen, in het geval de vreemdeling heeft aangegeven dat de referent de leges betaalt. +ad c. Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/1.1. -In geval van een inwilliging machtigt de IND de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv af te geven en stelt de IND de referent hiervan in kennis. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging meebrengen, zodat de mvv-sticker in dat document kan worden aangebracht. +ad d. Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel. Met de verblijfsregeling zoals neergelegd in artikel 3.48 Vreemdelingenbesluit wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge artikel 8, onder k, Vreemdelingenwet gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend. -Als de mvv-aanvraag in het kader van nareis niet voldoet aan de vereisten om deze in behandeling te kunnen nemen, dan geeft de IND de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb een termijn van vier weken na de brief om dit verzuim te herstellen. De IND schort in dit geval de beslistermijn op met ingang van de dag waarop de IND de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. +Ingeval het noodzakelijk is dat de vreemdeling in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in artikel 3.48 Vreemdelingenbesluit bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is. Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen. Er dient wel een proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn. -##### 3.3.3. Aanvraagprocedure mvv door de referent in Nederland +In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het Openbaar Ministerie de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen, er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn. -De referent moet bij de indiening van de aanvraag alle daarvoor benodigde gegevens verstrekken en op grond van artikel 2 l Vw de verschuldigde leges betalen. Wanneer de referent heeft nagelaten alle daarvoor benodigde gegevens te verstrekken, stelt de IND hem één keer in de gelegenheid om binnen twee weken na vaststelling van dit verzuim alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Indien de referent heeft nagelaten de leges te voldoen, ondanks dat de IND hem heeft bericht omtrent de hoogte van de leges, de betaalwijze en de termijn waarbinnen betaald moet worden, wordt de aanvraag, conform artikel 2n, eerste lid aanhef en onder d, buiten behandeling gesteld, zonder de aanvrager in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen. +ad e en f. Het mvv-vereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. -Als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, machtigt de IND onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven en stelt de IND de referent hiervan in kennis. Dit voorbehoud houdt in dat voor de afgifte van de mvv aan de vreemdeling: +Het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of er sprake is van voortgezet verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan zes maanden (artikel 3.82 Vreemdelingenbesluit) na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie ook B1/1.2.3). -• nader onderzoek de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsmiddelen betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling bevestigt; -• de vreemdeling voor het vaststellen van zijn identiteit tien digitale vingerafdrukken heeft laten afnemen en een pasfoto heeft ingeleverd (artikel 106a, eerste lid, Vw junctis artikel 54 Vw en artikel 1.31 Vb); en -• zich geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten. +##### 1.2.2. Vrijstellingen op grond van het -Uitsluitend als is voldaan aan deze voorwaarden en de IND een kennisgeving hoeft doen uitgaan naar de referent gaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging over tot afgifte van de mvv aan de vreemdeling. +Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in artikel 8 Vreemdelingenwet genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. -##### 3.3.4. Afwachten van de mvv-aanvraag in het buitenland +Onderdeel c ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland. De groep gezinsleden in dit artikelonderdeel komt overeen met de groep gezinsleden die onder het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging. Op de hier bedoelde personeelsleden en hun gezinsleden zijn de bepalingen van de Wet niet van toepassing. Zij bezitten een bijzondere status op grond van het op 18 april 1961 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101) of het op 24 april 1963 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake consulaire betrekkingen (Trb. 1965, 40). De invulling van het begrip ‘duurzaam verblijf’ in artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer zoals die per 1 januari 2000 wordt gehanteerd, heeft verblijfsrechtelijke gevolgen voor het administratief, technisch en bedienend personeel en voor particuliere bedienden van ambassades of consulaten en hun gezinsleden. Onder omstandigheden kunnen zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verblijfsstatus van de hoofdpersoon is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt daarmee tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden. De afhankelijke gezinsleden die tien jaar of langer bij de hoofdpersoon in Nederland verblijven komen evenals de hoofdpersoon onder omstandigheden in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Bij een afhankelijk verblijf van korter dan tien jaar kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden aangevraagd. Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet (meer) beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, sedert jaren daadwerkelijk verblijf houden in Nederland, is het redelijk van hen geen machtiging tot voorlopig verblijf te verlangen. Zie B12. -Uitgangspunt is dat de vreemdeling de aanvraag voor de mvv in het buitenland afwacht. +Onderdeel d ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vreemdelingenwet is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel 3.34 t/m 3.38 Vreemdelingenbesluit en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste. -De IND wijst de aanvraag voor een mvv af als de vreemdeling op grond van artikel 8, aanhef en onder f, dan wel h, Vw rechtmatig in Nederland verblijft. +Onderdeel e heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het besluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het besluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het besluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortgezet verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit kunnen voortvloeien. -De IND wijst de aanvraag voor een mvv niet af omdat de vreemdeling op grond van artikel 8, aanhef en onder i, Vw rechtmatig in Nederland verblijft, als uit de duur en het doel van dit verblijf blijkt dat de vreemdeling niet in Nederland verblijft met het oogmerk de TEV-procedure te omzeilen. +Onderdeel f heeft betrekking op de vreemdeling die met gebruikmaking van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet een verblijfsvergunning aanvraagt. Hierbij gaat het zowel om de ouder als het (meerderjarige) kind die eerder in Nederland hebben verbleven. Door de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet (en daarmee tevens naar het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet) is verzekerd dat de vrijstelling alleen van toepassing is op de vreemdeling die voor de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking komt. Deze bepaling ziet derhalve niet op de vreemdeling die op grond van eerdere of andere remigratieregelingen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en die wil terugkeren naar Nederland. De vreemdeling die binnen één jaar na remigratie uit Nederland op grond van de Remigratiewet een aanvraag om verblijf in Nederland indient en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, komt op grond van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Uit artikel 10, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet volgt dat alleen voor de terugkeeroptie in aanmerking komt, de vreemdeling die drie jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking van niet-tijdelijke aard. De beperkingen van tijdelijke aard zijn voor het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet geregeld in de Regeling Aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2000, 62). Uiteraard is de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet alleen van belang voorzover daaruit het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voortvloeit. In andere gevallen kan de vreemdeling op grond van deze terugkeeroptie een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. In het laatste geval kan de desbetreffende aanvraag niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Overigens verdient het de voorkeur dat deze vreemdelingen vóór hun terugkeer naar Nederland een machtiging tot voorlopig verblijf aanvragen. artikel 8 van de Remigratiewet heeft ook betrekking op kinderen van vreemdelingen. Ook deze kinderen kunnen van de terugkeeroptie gebruikmaken en zijn daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste. Concreet betekent dit, dat vrijgesteld is de vreemdeling die direct voorafgaande aan de remigratie als minderjarig kind van de ouder in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning of als Nederlander en binnen een jaar na de remigratie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet met de ouder naar Nederland terugkeert. Tevens is vrijgesteld de vreemdeling die binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en vervolgens zelfstandig naar Nederland terugkeert. -##### 3.3.5. Afgifte mvv en inreis in Nederland +De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën, aanstonds aan te tonen dat hij behoort tot een vrijstellingscategorie. Op het aanvraagformulier model M35-A staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit vermeld voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond. Indien de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft het beroep op één van deze vrijstellingscategorieën niet of niet afdoende middels bescheiden heeft onderbouwd, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hem in de gelegenheid het beroep alsnog afdoende te onderbouwen. Hiertoe wordt de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken gegund. -De vreemdeling ontvangt een kennisgeving dat de mvv wordt afgegeven door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Deze kennisgeving, is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. +Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. -De vreemdeling moet binnen: +De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier model M35-A vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. -a. drie maanden na de kennisgeving op de mvv-aanvraag in persoon verschijnen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf voor de vaststelling van zijn identiteit en afgifte van de mvv; en -b. 90 dagen vanaf de datum van de afgifte van de mvv Nederland inreizen. +Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vreemdelingenbesluit getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a t/m e dan wel l, Vreemdelingenwet en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vreemdelingenbesluit. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vreemdelingenbesluit getoetst. -De vreemdeling kan de afgiftelocatie, nadat de inwilligende beschikking is verzonden, niet zonder zwaarwegende redenen wijzigen (zie ook B1/4.1 Vc). De IND informeert de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf over het verzoek tot wijziging van de afgiftelocatie. +Indien de aanvraag wordt ingediend door een vreemdeling die de afgelopen vijf jaren geen verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e of onder l, Vreemdelingenwet en die geen gemotiveerd beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan, wordt de uitzetting op voorhand niet achterwege gelaten. Ingevolge artikel 62, eerste lid, Vreemdelingenwet dient de vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf is beëindigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Indien een eerste verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, mag de beslissing hierop uisluitend worden afgewacht als het binnen twee weken na bekendmaking van het besluit is ingediend. In bepaalde gevallen kan evenwel een kortere vertrektermijn geïndiceerd zijn. Artikel 62, vierde lid, Vreemdelingenwet biedt de mogelijkheid om in het belang van de uitzetting een kortere vertrektermijn te hanteren. Hierbij kan blijkens de memorie van toelichting bij dit artikel gedacht worden aan de situatie dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken dient te verlaten, echter de eerste reismogelijkheid dient zich ofwel direct, ofwel na zes weken aan. In die situatie kan beslist worden om een kortere vertrektermijn te geven. -De vreemdeling of diens referent moet een nieuwe mvv-aanvraag indienen als: +##### 1.2.3. Voortgezet verblijf -• de vreemdeling later dan drie maanden na de dagtekening van de kennisgeving aan de referent in persoon verschijnt bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om zijn mvv af te halen; -• de vreemdeling later dan 90 dagen na datum van afgifte van de mvv Nederland inreist (niet binnen de geldigheidsduur van de afgegeven mvv); of -• de vreemdeling na indiening van de mvv-aanvraag maar voor afgifte van de verblijfsvergunning zijn verblijfsdoel wil wijzigen. +a. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest; en +b. de aanvraag (tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van een verblijfsvergunning) is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden nadat het verblijfsrecht op grond van de eerdere verblijfsvergunning of het Nederlanderschap is geëindigd; en +c. geen onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; en +d. zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. -Indien zich na de kennisgeving feiten en omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot intrekking van de kennisgeving, legt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging deze voor aan de IND. De IND beziet de kennisgeving op de intrekking daarvan en in geval van intrekking van de kennisgeving wordt de aanvraag gelijktijdig afgewezen. +#### 1.3. Verkorte mvv-procedure -##### 3.3.6. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd +Voor bedrijven, onderwijsinstellingen (hieronder begrepen: onderzoeksinstellingen) en culturele uitwisselingsorganisaties bestaat onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure. Wanneer een bedrijf, onderwijsinstelling of culturele uitwisselingsorganisatie tot de verkorte mvv-procedure is toegelaten, kunnen mvv-aanvragen via deze procedure versneld worden afgedaan. De IND kan deze faciliteit verlenen, maar ook – bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan – weer intrekken. + + + Uit de aard van de verkorte mvv-procedure volgt dat deze procedure uitsluitend is bedoeld voor aanvragen waarbij criteria gelden die duidelijk en eenvoudig (en daardoor snel) te toetsen zijn. Daarom is de verkorte mvv-procedure alleen mogelijk voor aanvragen in het kader van arbeid in loondienst (inclusief stage), (de voorbereiding op) studie (uitsluitend hoger onderwijs) en culturele uitwisseling. Uitzondering betreft de aanvraag, onder bepaalde voorwaarden, in het kader van gezinshereniging (zie 1.3.4). + + + Een verzoek tot het verlenen van een mvv in de verkorte procedure zal bij inwilliging leiden tot afgifte van een D+C visum, met een geldigheid van 90 dagen vanaf de dag van afgifte van het C-deel, goed voor meerdere reizen (zie verder A2/7.2.7.3). + + + Zowel het verzoek om te worden toegelaten tot de verkorte mvv-procedure als alle mvv-aanvragen die via de verkorte mvv-procedure worden ingediend, moeten worden gericht aan: + + + IND locatie Zuid-West + Unit arbeid 2 + Postbus 3022 + 2280 GA RIJSWIJK + Telefoon: 0900-1234561 + Fax: 070-3709677 + +200221913-11-200204-11-20025175706/02/IND200221913-11-200204-11-20025175706/02/IND15-11-2002 -###### 3.3.6.1. Algemeen +##### 1.3.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure -De IND verleent de verblijfsvergunning ambtshalve door uitreiking van het verblijfsdocument aan de vreemdeling in persoon. +###### 1.3.1.1. Voorwaarden voor bedrijven -Ook als niet meer aan de vereiste voorwaarden wordt voldaan als gevolg van een verandering van het beleid in de periode tussen de aanvraag van de mvv en de afgifte van de verblijfsvergunning verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve aan de vreemdeling. +1. Het bedrijf moet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hiertoe dient een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel te worden overgelegd dat op het moment van het verzoek om tot de verkorte mvv-procedure te worden toegelaten niet ouder is dan 30 dagen. +2. De bedrijfsleiding dient desgevraagd aan te tonen dat het bedrijf solvabel is. Dit moet blijken uit het financieel jaarverslag met daarin de jaarrekeningen en belastinggegevens van het bedrijf. +3. In het jaar voorafgaand aan de datum waarop een bedrijf om toelating tot de verkorte mvv-procedure verzoekt, dienen via de reguliere procedure ten minste tien mvv-aanvragen voor het verrichten van arbeid in loondienst of stage bij dat bedrijf te zijn ingediend en ingewilligd. Deze voorwaarde geldt niet voor bedrijven die op 10 oktober 2001 reeds tot de verkorte mvv-procedure waren toegelaten. +4. Per jaar dienen ten minste tien mvv-aanvragen via de verkorte mvv-procedure te worden ingediend voor het verrichten van arbeid in loondienst of stage bij dat bedrijf. Deze aanvragen moeten uiteindelijk ook zijn ingewilligd. Het gaat daarbij om het bedrijf waaraan de tewerkstellingsvergunning is afgegeven en waar de vreemdeling ook daadwerkelijk zijn werkzaamheden zal gaan verrichten. +5. Het bedrijf moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling (model M47-A), dat de vreemdeling voor wie de mvv-aanvraag via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie hierna onder 2.2) en aan de specifieke voorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst (B5/2 en 3) of stage (B5/5) bij dat bedrijf. +6. Indien de vreemdeling niet langer bij het bedrijf werkzaam is, zorgt het bedrijf ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan Unit arbeid 2 van de IND locatie Zuid-West. -###### 3.3.6.2. Uitzondering in geval van nareis +###### 1.3.1.2. Voorwaarden voor onderwijsinstellingen -De IND merkt de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel aan de in Nederland verblijvende referent van de vreemdeling aan als de startdatum van de nareistermijn van drie maanden. De IND beschouwt de aanvraag tot het verlenen van een (onverplichte) mvv die het familie- of gezinslid binnen drie maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning asiel van de in Nederland verblijvende vreemdeling indient als een tijdig verzoek om nareis. +1. Het moet gaan om een hoger onderwijsinstelling als bedoeld in B6/2.1.1 +2. In het jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek van een onderwijsinstelling om toelating tot de verkorte mvv-procedure, dienen via de reguliere procedure ten minste tien mvv-aanvragen voor (de voorbereiding op) studie of arbeid in loondienst (of stage) aan die onderwijsinstelling te zijn ingediend en ingewilligd. Deze voorwaarde geldt niet voor onderwijsinstellingen die op 10 oktober 2001 reeds tot de verkorte mvv-procedure waren toegelaten. +3. Per jaar dienen ten minste tien mvv-aanvragen via de verkorte mvv-procedure te worden ingediend voor (de voorbereiding op) studie dan wel arbeid in loondienst (of stage) aan de betreffende onderwijsinstelling. Deze aanvragen moeten uiteindelijk ook zijn ingewilligd. +4. De onderwijsinstelling moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling (model M47-A), dat de vreemdeling voor wie de mvv-aanvraag via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie hierna onder 2.2) en de specifieke voorwaarden voor een verblijfsvergunning in het kader van (de voorbereiding op) studie (B6/2) dan wel arbeid in loondienst (B5/2 en 3) of stage (B5/5). +5. Indien de vreemdeling niet langer staat ingeschreven of niet langer (al dan niet als stagiair) werkzaam is bij de onderwijsinstelling zorgt deze instelling ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan Unit arbeid 2 van de IND locatie Zuid-West. -###### 3.3.6.3. Geen ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd +###### 1.3.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties -De IND verleent in ieder geval geen ambtshalve verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de volgende situaties: +1. Het moet gaan om een culturele uitwisselingsorganisatie als bedoeld in B7/4. +2. Ingeval van twijfel aan de solvabiliteit van de uitwisselingsorganisatie dient desgevraagd te worden aangetoond dat de organisatie solvabel is. Dit moet in dat geval blijken uit het financieel jaarverslag met daarin de jaarrekeningen en belastinggegevens van de organisatie. +3. In het jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek van een uitwisselingsorganisatie om toelating tot de verkorte mvv-procedure dienen via de reguliere procedure ten minste tien mvv-aanvragen voor uitwisseling via die organisatie te zijn ingediend en ingewilligd. Deze voorwaarde geldt niet voor culturele uitwisselingsorganisaties die op 10 oktober 2001 reeds tot de verkorte mvv-procedure waren toegelaten. +4. Per jaar dienen ten minste tien mvv-aanvragen via de verkorte mvv-procedure te worden ingediend voor uitwisseling via die organisatie. Deze aanvragen moeten uiteindelijk ook zijn ingewilligd. +5. De uitwisselingsorganisatie moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling (model M48), dat de vreemdeling voor wie de mvv-aanvraag via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie hierna onder 2.2) en de specifieke voorwaarden voor een verblijfsvergunning in het kader van uitwisseling (B7/1 en B7/4). +6. Indien de vreemdeling niet langer aan het uitwisselingsprogramma deelneemt, zorgt de uitwisselingsorganisatie ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan Unit arbeid 2 van de IND locatie Zuid-West. -• de vreemdeling reist in met een mvv waarvan de geldigheidsduur is verstreken (geen geldige mvv); -• de kennisgeving, waarmee de vreemdeling of diens referent op de hoogte is gesteld van de afgifte van een mvv, ingetrokken is en de aanvraag gelijktijdig afgewezen is; -• de mvv is ingetrokken; -• de mvv is door de KMar aan de grens geannuleerd; of -• de vreemdeling wil verblijf in Nederland voor een ander doel dan het doel waarvoor de mvv is afgegeven. +##### 1.3.2. Toelating van bedrijven, onderwijsinstellingen en culturele uitwisselingsorganisaties tot de verkorte mvv-procedure -Als de geldigheidsduur van de mvv is verlopen op het moment dat de vreemdeling zich meldt bij de IND dan kan de verblijfsvergunning regulier ambtshalve worden verleend als de medewerker van de IND oordeelt dat er verschoonbare redenen zijn waarom de vreemdeling zich na het verlopen van de geldigheidsduur van de mvv bij de IND meldt. +###### 1.3.2.1. Toelating -Bij intrekking van de mvv terwijl de vreemdeling nog in het buitenland verblijft, machtigt de IND de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging de mvv in te trekken, nadat de vreemdeling of diens referent conform artikel 4:8 Awb in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze uit te brengen. +Indien aan de in 1.3.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, ontvangt het bedrijf/de instelling schriftelijk toestemming om voor de duur van een jaar gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure. Daartoe wordt een convenant gesloten. Ondertekening van dit convenant geschiedt door zowel een door de Proces-directeur Regulier aangewezen persoon, als een vertegenwoordiger van het bedrijf of de instelling. Het bedrijf/de instelling wordt bij toelating tot de verkorte mvv-procedure expliciet gewezen op de geldende voorwaarden binnen de verkorte mvv-procedure. Het bedrijf/de instelling krijgt hierbij de benodigde inlichtingenformulieren (op diskette) aangeleverd. In deze inlichtingenformulieren is de tekst van een garantverklaring (model M47-A of M48) verwerkt, waarmee het bedrijf/de instelling zich committeert aan de voorwaarden voor de vreemdeling voor wie een mvv-aanvraag wordt ingediend. + + + Indien niet aan de voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure wordt voldaan, volgt een gemotiveerde afwijzing van het verzoek. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -###### 3.3.6.4. Ingangsdatum ambtshalve verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd +###### 1.3.2.2. Geldigheidsduur -In aanvulling op artikel 3.57, eerste lid, Vb en op grond van artikel 3.57, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning met ingang van de dag, die in het mvv-aanvraagformulier is opgegeven als de dag waarop de vreemdeling Nederland zal inreizen, als deze datum binnen de geldigheidsduur van de afgegeven mvv valt. +Het convenant bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en is geldig voor de duur van één jaar. Jaarlijks wordt door de IND het functioneren van het bedrijf/de instelling binnen de verkorte mvv-procedure (en daarmee de wenselijkheid van handhaving) beoordeeld. Bij twijfel kan (opnieuw) een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel worden gevraagd. Na een positieve beoordeling wordt de toestemming deel te nemen aan de verkorte mvv-procedure stilzwijgend voortgezet. + Bij de derde verlenging volgt schriftelijke toestemming voor onbepaalde tijd. Ook in dit convenant wordt uitdrukkelijk opgenomen dat het bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan, kan worden opgezegd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 3.4. Overige aanvraagprocedures voor een verblijfsvergunning regulier +###### 1.3.2.3. Beëindiging -##### 3.4.1. Algemene bepalingen +In het convenant wordt uitdrukkelijk vermeld dat het convenant kan worden opgezegd indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden of als sprake is van oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik. Tevens wordt vermeld op welke wijze en op welke termijn kan worden opgezegd. + + + Indien feiten of omstandigheden wijzen op oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik wordt door de IND een nader onderzoek ingesteld dat kan leiden tot opzegging van het convenant en daarmee beëindiging van het gebruik door het bedrijf/de instelling van de verkorte mvv-procedure. Indien zulks het geval is, ontvangt het bedrijf/de instelling een gemotiveerde beslissing dat niet langer van de verkorte mvv-procedure gebruik kan worden gemaakt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -###### 3.4.1.1. De aanvraag +##### 1.3.3. Beoordeling van individuele mvv-aanvragen via de verkorte mvv-procedure -De IND merkt in het kader van artikel 4:6 Awb enkel feiten en omstandigheden als nieuw aan die: +De mvv-aanvragen worden gedaan door het indienen van een inlichtingenformulier. Dit inlichtingenformulier dient ten behoeve van de vreemdeling te worden ingevuld door het bedrijf of de instelling en te worden gezonden aan Unit arbeid 2 van de IND locatie Zuid-West. Binnen de verkorte mvv-procedure zijn vier inlichtingenformulieren van toepassing: ‘(de voorbereiding op) studie’, ‘stage’, ‘arbeid in loondienst’ en ‘culturele uitwisseling’. + + + Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor de mvv-aanvraag benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt de aanvraag in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het Nationaal Schengen Informatie Systeem (NSIS) en het Nationale Opsporingsregister (OPS). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• op het moment waarop de eerste aanvraag werd afgewezen niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en -• aanleiding geven tot heroverweging van de eerste aanvraag. +###### 1.3.3.1. Beslissing -De IND beschouwt een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking als een aanvraag die niet is ingediend overeenkomstig de formele vereisten voor de indiening van een aanvraag. +Indien de vreemdeling niet voorkomt in NSIS/OPS en aan de overige voorwaarden wordt voldaan, volgt een positieve beslissing. Deze beslissing wordt door de IND naar de desbetreffende ambassade gezonden. De Nederlandse ambassade zal vervolgens de mvv afgeven, tenzij deze tegen de afgifte alsnog bezwaren ziet, bijvoorbeeld op grond van de openbare orde. Ook zal de Nederlandse ambassade de identiteit van de vreemdeling vaststellen alvorens tot afgifte van de mvv over te gaan. Voor aanvragers uit een van de vijf landen op het gebied van het schriftelijk bewijs (te weten: Ghana, Nigeria, India, Pakistan en de Dominicaanse Republiek) geldt dat de Nederlandse vertegenwoordiging pas tot afgifte van de mvv overgaat, nadat hun identiteit is vastgesteld aan de hand van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte. Voor het verkrijgen van de mvv zijn bij de Nederlandse ambassade leges verschuldigd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND stelt de vreemdeling in de gelegenheid om aan de formele vereisten te voldoen. +###### 1.3.3.2. Onvolledige aanvraag + +Indien bij de behandeling van de aanvraag blijkt dat niet aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan, of indien het inlichtingenformulier onvolledig is ingevuld dan wel niet is voorzien van de voor de aanvraag benodigde bijlagen, zal Unit arbeid 2 van de IND locatie Zuid-West het bedrijf of de instelling in de gelegenheid stellen de aanvraag binnen een bepaalde termijn aan te vullen. Indien de aanvraag niet binnen die termijn (voldoende) is aangevuld, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 1.3.3.3. Aanvraag verblijfsvergunning + +Nadat de vreemdeling in het bezit van een mvv Nederland is ingereisd, wordt de gangbare procedure gevolgd ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De gegevens die bij het inlichtingenformulier zijn verstrekt, dienen bij de aanvraag om een verblijfsvergunning bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats wenst te houden wederom te worden verstrekt. Voorts dienen aldaar de originele documenten te worden overgelegd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 1.3.4. Gezinshereniging + +a. de hoofdaanvrager (degene bij wie verblijf wordt beoogd) zelf via de verkorte mvv-procedure op grond van arbeid in loondienst verblijf in Nederland vraagt; +b. de hoofdaanvrager behoort tot een categorie arbeidskrachten, waarvan bij Ministerraadbesluit is vastgesteld dat er onvoldoende prioriteitgenietend aanbod is in Nederland of de Europese Unie. Thans geldt dit voor Research & Development-functies en functies in de sector Informatie- en Communicatie Technologie; en +c. de aanvragen *tegelijkertijd* met die van de hoofdaanvrager worden ingediend. -De IND beoordeelt slechts één verblijfsbeperking per aanvraag, met uitzondering van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb dan wel artikel 3.6a Vb. +– ingeval van een huwelijk dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven; +– ingeval van een relatie die reeds bestond toen beide partners nog in het buitenland verbleven; +– voor de uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin; +– voor de niet uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. -Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb, beoordeelt de IND ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb. +##### 1.3.5. Verblijf voor maximaal drie maanden -De IND doet dit volgens een vaste volgorde. +Het is niet mogelijk om een aanvraag ten behoeve van een vreemdeling die een verblijf in Nederland voor een periode van niet langer dan drie maanden beoogt binnen de verkorte mvv-procedure af te handelen. Indien een kort verblijf wordt beoogd, dient de vreemdeling daartoe zelf bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een visumaanvraag in te dienen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND beoordeelt ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb als de IND: - -• de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb afwijst; -• de aanvraag tot het verlengen van een geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb afwijst; -• de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb intrekt. - -De IND maakt geen gebruik van de bevoegdheid om ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder e, Vb juncto artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb. Dat laat onveranderd dat de IND – voor zover daar in wordt voorzien – ambtshalve een vergunning kan verlenen op grond van artikel 3.6b Vb. - -Als de IND ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van artikel 3.6, eerste lid, Vb, beoordeelt de IND: - -– Voor zover van toepassing en overeenkomstig paragraaf B11/2.5 Vc of er in het kader van een eerste reguliere aanvraag aanleiding bestaat een vergunning op grond van artikel 3.6ba Vb te verlenen; -– en indien toepassing van artikel 3.6ba Vb niet aan de orde is, of er op grond van artikel 6.1d Vb ambtshalve reden is voor toepassing van artikel 64 Vw. - -De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6 Vb en 6.1d Vb achterwege, als de IND aan de vreemdeling met de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een zwaar inreisverbod of een ongewenstverklaring oplegt. De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6ba Vb achterwege voor zover daar op grond van paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat. - -###### 3.4.1.2. Vereisten voor de indiening van de aanvraag - -Op grond van artikel 3.101 Vb worden de volgende aanvragen ingediend bij de IND: - -• de aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; -• de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; en -• de aanvraag tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb. - -De aanvrager dient de aanvraag in op een door de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar gemaakte wijze. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de aanvrager de leges moet betalen. De aanvrager dient de aanvraag in met het vereiste formulier, dat bij de IND verkrijgbaar is. - -De vreemdeling moet de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel indienen bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. - -De IND kan de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de behandeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb een aanwijzing geven door middel van model M117D, op de dag dat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een IND-loket indient. De IND licht de aanwijzing mondeling toe. - -De IND eist dat de vreemdeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb de verschuldigde leges per kas of per elektronische betaling ter plekke aan het IND-loket voldoet. - -De IND merkt als wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 23 Vw juncto artikel 3.99 Vb aan: - -• de ouder die het gezag heeft; -• de voogd; of -• de curator. - -Als degene die een aanvraag indient namens een minderjarig kind niet aantoont diens wettelijke vertegenwoordiger te zijn, geeft de IND een termijn van drie maanden na vaststelling van dit verzuim om dat gebrek te herstellen. Het herstellen van het gebrek geschiedt door: - -• een voogdijvoorziening in Nederland; of -• door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind die zich in het land van herkomst bevindt. - -De IND stelt de aanvraag buiten behandeling als: - -• het kind voor wie de aanvraag is ingediend jonger is dan 12 jaar; en -• de wettelijke vertegenwoordiging na afloop van genoemde termijn van drie maanden niet is aangetoond. - -De IND stelt de aanvraag niet buiten behandeling als de aanvraag is ondertekend door een vreemdeling van 12 jaar of ouder. - -###### 3.4.1.3. Herstel verzuim - -Als de aanvraag niet voldoet aan de vereisten om deze in behandeling te kunnen nemen, dan constateert de IND dat de aanvrager in verzuim is en geeft de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb, twee weken om dat verzuim te herstellen. De IND schort in dit geval de beslistermijn op met ingang van de dag waarop de IND de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. - -In afwijking hiervan geeft de IND de aanvrager: - -• een termijn van drie maanden na vaststelling van het verzuim dat de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarig kind niet is aangetoond (zie ook paragraaf 3.4.1.2 Vc bij indiening door een wettelijk vertegenwoordiger); -• een termijn van vier weken na vaststelling van het verzuim dat de vreemdeling niet meteen een geldig document van grensoverschrijding kan overleggen; -• een termijn van het tijdsverloop dat gemoeid is met de handeling van kas- of elektronische betaling, als sprake is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb en de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per elektronische betaling heeft voldaan. - -De IND geeft geen herstel verzuim als de IND van tevoren vaststelt dat de vreemdeling niet voldoet aan één of meer voorwaarden van het beoogde verblijfsdoel. De IND verlengt de in de brief genoemde termijn om de aanvraag aan te vullen als sprake is van bijzondere omstandigheden. - -De IND kan een (aanzienlijk) kortere termijn geven als: - -• sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb, waarbij de IND de vreemdeling al voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gewezen op het ontbreken van informatie en/of bewijsmiddelen; en -• de vreemdeling deze bewijsmiddelen desondanks niet heeft overgelegd op het moment dat de aanvraag wordt ingediend. - -###### 3.4.1.4. Beslistermijn - -De IND streeft ernaar om binnen een termijn van twee weken na ontvangst te beslissen op een door een erkende referent ingediende aanvraag met het oog op afgifte van een mvv of op een aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. - -De IND beslist niet binnen twee weken op voornoemde aanvragen als sprake is van één van de volgende gevallen: - -• de aanvraag is niet op de voorgeschreven wijze en voorzien van de benodigde gegevens ingediend; -• een nader onderzoek is vereist; -• het betreft een aanvraag voor een vergunning voor verblijf en arbeid; -• het betreft een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarvoor een TWV is vereist; of -• de aanvraag wordt niet aan de hand van de eigen verklaringen van de erkende referent beoordeeld, maar aan de hand van de onderliggende gegevens. - -De IND kan de beslistermijn van een mvv-aanvraag op grond van artikel 2u Vw in bijzondere omstandigheden eenmalig verlengen. - -De IND merkt in geval van een mvv-aanvraag die verband houdt met gezinshereniging bij een statushouder de volgende omstandigheden in ieder geval aan als bijzondere omstandigheid: - -• gecombineerde aanvragen (bijvoorbeeld nareis en 8 EVRM) voor verschillende gezinseenheden; -• ernstige crisis in land van herkomst die de toegang tot administratieve gegevens bemoeilijkt; -• veiligheidsproblemen in het land van herkomst of geselecteerde land van afgifte mvv waardoor er moeilijkheden zijn bij het organiseren van nader onderzoek met gezinsleden -• problemen bij de vaststelling van het ouderlijk gezag. Hieronder vallen in ieder geval zaken met: - -– aanvullend onderzoek na (ontbrekende of onvolledige) toestemmingsverklaring; -– vermiste/overleden ouder; en -– pleegkinderen. -• zaken met contra-indicaties waardoor aanvullend onderzoek nodig is; hieronder vallen in ieder geval zaken met: - -– valse documenten; -– negatieve DNA uitslag; -– indicaties van polygamie; en -– een onderzoek voor nationale veiligheid, 1F of openbare orde. -• zaken waarin referent of gezinsleden, zonder tijdige afmelding, niet komen opdagen voor hun nader onderzoek. - -###### 3.4.1.5. Bekendmaking van de beschikking - -De IND verzendt geen beschikking in het volgende geval: - -• de aanvraag wordt in eerste aanleg afgewezen en de vreemdeling mag de beslissing op het bezwaarschrift niet in Nederland afwachten en er wordt een vrijheidsbeperkende of vrijheidontnemende maatregel opgelegd; - -###### 3.4.1.6. Intrekking van de aanvraag - -De vreemdeling kan alleen met een model M53 zijn aanvraag om een verblijfsvergunning intrekken als hij in bewaring is gesteld. - -##### 3.4.2. Specifieke bepalingen over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - -De vreemdeling moet een gezichtopname laten maken en tien digitale vingerafdrukken laten afnemen door de IND voor het vaststellen van zijn identiteit (artikel 3.102a Vb). - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaan. - -De IND verstrekt de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen’ (bijlage 7g VV): - -• aan de vreemdeling als bewijs van het feit dat hij een aanvraag tot verlenen, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning heeft ingediend; en -• voor één maand korter dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met een maximum van zes maanden. - -De IND reikt het verblijfsdocument uit: - -• aan de vreemdeling in persoon; -• bij minderjarigheid in het bijzijn van de wettelijk vertegenwoordiger; en -• bij wijziging van de beperking of vernieuwing van het verblijfsdocument tegen inlevering van het oude verblijfsdocument, tenzij sprake is van verlies of diefstal van het oude verblijfsdocument. - -De korpschef reikt het verblijfsdocument aan de vreemdeling uit, als: - -• de vreemdeling slachtoffer is van dreigend eergerelateerd geweld; en -• veiligheidsaspecten uitreiking door de IND belemmeren. - -De IND verstrekt een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 Vw. - -Op deze regel zijn de volgende uitzonderingen van toepassing: - -• de vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld aangifte te doen van een overtreding van artikel 273 f WvSr (mensenhandel). De korpschef verstrekt een document of schriftelijke verklaring. -• uitzetting van de vreemdeling moet achterwege blijven op grond van artikel 64 Vw vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van zijn gezinsleden. Het bepaalde in paragraaf A4/7.3 Vc is van toepassing. - -### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd - -#### 4.1. Mvv-vereiste - -##### 4.1.1. Vrijstelling mvv-vereiste op medische grond - -Op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als: - -• het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidssituatie niet verantwoord is om te reizen; of -• als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. - -##### 4.1.2. Vrijstelling mvv-vereiste vanwege het Associatierecht EEG-Turkije - -Een vreemdeling is vrijgesteld van het MVV-vereiste, als artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb van toepassing is. De IND neemt aan dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht in de zin van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: - -• de vreemdeling of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol; -• de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend; -• de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning; en -• er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is. - -De bijzondere, individuele omstandigheden moeten het uitoefenen van het vrij verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een Turkse hoofdpersoon die tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, die Turkse hoofdpersoon door de bijzondere, individuele omstandigheden genoodzaakt wordt om te kiezen tussen het uitoefenen van de economische activiteit in Nederland en het gezinsleven in Turkije. - -De IND neemt in beginsel geen belemmering van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland aan als de bijzondere, individuele omstandigheden uitsluitend zien op de: - -• politieke, economische of sociale situatie in Turkije; of -• persoonlijke omstandigheden in Turkije. - -De IND neemt geen belemmering aan voor het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de: - -• (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland. - -Het is aan de vreemdeling om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. - -Aanvragen voor een verblijfsvergunning die door de IND zijn ontvangen voor 1 oktober 2022 worden niet afgewezen op het mvv-vereiste als de aanvrager onder het toepassingsbereik valt van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol en, behalve aan het mvv-vereiste, aan alle overige voorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel voldoet. - -##### 4.1.3. Hardheidsclausule - -Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). - -##### 4.1.4. Bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule - -De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval toe als aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ wordt voldaan, afgezien van het mvv-vereiste, en de vreemdeling: - -• het biologische of juridische minderjarige kind is van de referent, dat feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die referent en dat onder het rechtmatige gezag van de referent staat; -• de biologische of juridische ouder is van een hier te lande verblijvend minderjarig kind dat Nederlander is dan wel rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw; -• de biologische of juridische ouder is van een minderjarig kind voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ is ingediend; of -• aannemelijk heeft gemaakt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij naar het land van herkomst of bestendig verblijf reist vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent. Bij de beoordeling hiervan wordt de vreemdeling in ieder geval gevraagd nader toe te lichten: - -– waarom van hem niet verwacht kan worden dat hij vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent reist naar het land van herkomst of bestendig verblijf; -– op welke wijze hij de referent ondersteunt; en -– waarom deze ondersteuning niet door derden kan worden verleend, bijvoorbeeld door een familielid of medewerker van professionele (thuis)zorg. - -##### 4.1.5. Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule - -De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval niet toe als de vreemdeling: - -• het beroep op de hardheidsclausule niet heeft gemotiveerd of met relevante gegevens en bescheiden heeft onderbouwd binnen een door de IND gestelde termijn; -• stelt dat aan een of meer voorwaarden voor vrijstelling slechts op een onderdeel niet is voldaan; -• enkel stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste; -• asielgerelateerde gronden aanvoert; -• als asielzoeker is uitgeprocedeerd; -• meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om verlenging of wijziging hiervan heeft gevraagd tenzij het overschrijden van deze termijn niet aan de vreemdeling is toe te rekenen; of -• om praktische redenen zoals bijvoorbeeld kosten, tijd, moeite of wachttijd niet terug wíl reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf voor het ophalen van een geldige mvv. - -#### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding - -##### 4.2.1. Terminologie - -In de Vw is sprake van een document voor grensoverschrijding. In de praktijk is dat meestal een paspoort. In de Vc wordt daarom de term paspoort gebruikt. De verplichting te moeten beschikken over een paspoort, wordt het paspoortvereiste genoemd. - -##### 4.2.2. Belang paspoort - -Naast het gebruik als reisdocument is een paspoort vooral van belang voor de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. - -##### 4.2.3. Vrijstelling paspoortvereiste - -De IND kan de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldig paspoort (zie artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw) - -In artikel 3.72 Vb is geregeld dat de aanvraag niet wordt afgewezen als de vreemdeling naar het oordeel van de IND heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. - -Het is aan de vreemdeling om te onderbouwen dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit gesteld kan worden van een geldig paspoort. - -De vreemdeling moet daarbij ook aantonen dat hij zelf al het mogelijke heeft gedaan om door zijn eigen autoriteiten in het bezit gesteld te worden van een geldig paspoort. - -Hierbij wordt onder andere het volgende betrokken: - -• heeft de vreemdeling een oprechte inspanning geleverd om de paspoortaanvraag te onderbouwen, zoals: - -– terugkeer naar het land van herkomst om de afgifte van een paspoort te bewerkstelligen; -– overleggen van alle relevante documenten, die door de autoriteiten worden verlangd voor afgifte van een paspoort; -– inzet van bijvoorbeeld familieleden of derden in het land van herkomst voor het verkrijgen van (bron)documenten, die nodig zijn voor het verkrijgen van een paspoort; -• is er een overtuigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante documenten; -• de omstandigheden en administratieve praktijk in het land van herkomst; en -• eventuele contra-indicaties. - -Verder kan de IND de volgende documenten meenemen in de afweging of een vreemdeling van het paspoortvereiste vrijgesteld kan worden: - -• een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig paspoort. - -De IND bekijkt alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen in onderlinge samenhang. - -De volgende redenen leiden niet tot het oordeel dat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig paspoort kan worden gesteld: - -• de vreemdeling moet terug naar het land van herkomst om daar de afgifte van een geldig paspoort te bewerkstelligen; -• de vreemdeling moet zijn militaire plicht vervullen in het land van herkomst voor het verkrijgen van een geldig document van grensoverschrijding; -• de vreemdeling kan vanwege een belastingschuld of te hoge leges geen paspoort verkrijgen; of -• de vreemdeling ondergaat een medische behandeling in Nederland. - -Daarnaast is het mogelijk om vrijstelling te verlenen van het paspoortvereiste, als: - -• de diplomatieke vertegenwoordiging(en) van het land, waarvan de vreemdeling onderdaan is, gesloten is/zijn en het land in oorlog verkeert; -• de autoriteiten alleen een paspoort willen afgeven, als de vreemdeling een geldige verblijfsvergunning voor Nederland overlegt bij zijn aanvraag om een paspoort (waarbij de vreemdeling wel een bewijs overlegt, dat hij een paspoortaanvraag heeft ingediend); -• de autoriteiten bij vermissing van een paspoort geen nieuw paspoort verstrekken, onder de voorwaarden dat - -– de vreemdeling een proces-verbaal van vermissing van het paspoort kan overleggen; en -– het de IND bekend is dat de autoriteiten van een land van herkomst deze procedure volgen; of -• van de vreemdeling op dit moment in redelijkheid niet kan worden verwacht, dat hij zich tot zijn eigen autoriteiten in het land van herkomst wendt om een geldig paspoort te verkrijgen. - -De IND wijst de aanvraag verder niet af wegens het ontbreken van een geldig paspoort, als de vreemdeling behoort tot een van de volgende categorieën: - -• de vreemdeling is onderdaan van Somalië (zolang er geen internationaal erkend centraal gezag is in Somalië en Nederland de Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten niet erkent); -• de vreemdeling is als kind hier te lande geboren en vraagt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouder (familie- of gezinslid) aan (alleen als de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’). - -Ook wijst de IND de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig paspoort, als de IND ambtshalve een verblijfsvergunning verleent in het kader van de volgende verblijfsdoelen: - -• verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (zie B8); -• verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie B8). - -Als de vreemdeling: - -• dezelfde nationaliteit heeft als de referent; en -• de referent een asielstatus heeft; - -dan verlangt de IND in beginsel dat de vreemdeling een paspoort overlegt bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Als de vreemdeling in dat geval aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in het bezit gesteld kan worden van een paspoort, dan stelt de IND de vreemdeling vrij van het paspoortvereiste. Als de vreemdeling zelf een asielstatus uit het buitenland heeft en geen reisdocument kan verkrijgen van het land dat de asielstatus heeft toegekend, is vorenstaande van overeenkomstige toepassing. - -Als de referent een genaturaliseerde voormalig asielstatushouder is, wordt in beginsel vastgehouden aan het paspoortvereiste van de vreemdeling, tenzij de vreemdeling individuele redenen aanlevert, op grond waarvan toch van het paspoortvereiste moet worden afgezien. - -Als de vreemdeling niet beschikt over een paspoort dan moet de vreemdeling op andere manieren zijn identiteit en nationaliteit kunnen aantonen, bijvoorbeeld met een identiteitskaart, geboorteakte of nationaliteitsverklaring (waarbij documenten met foto een hogere bewijswaarde hebben dan documenten zonder foto). - -##### 4.2.4. Bewijsmiddelen - -De IND merkt een geldig paspoort dat door de Nederlandse autoriteiten wordt erkend, aan als geldig document voor grensoverschrijding. - -De IND merkt een paspoort, afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces (ook wel: blanco paspoort) in beginsel niet aan als een geldig paspoort (zie verder paragraaf B1/4.2.5 Vc). - -##### 4.2.5. Paspoort, afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces (‘blanco paspoort’) - -De IND merkt een paspoort aan als ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ als bij de aanvraag en/of afgifte geen kenbare toetsing van de identiteit van de houder van het paspoort heeft plaatsgevonden. - -Een indicatie dat sprake is van een dergelijk paspoort kan zijn: - -• het ontbreken van (uit- of inreis)stempels in het paspoort, terwijl het paspoort in het land van herkomst is afgegeven; -• het paspoort bevat geen handtekening of de handtekening is met behulp van druktechniek aangebracht; -• een afwijkende handtekening in het paspoort (in vergelijking met eerdere paspoorten of wat in de IND-administratie bekend is); -• het buitenlands paspoort is niet in persoon aangevraagd. - -Zolang vaststaat dat de vreemdeling op de juiste wijze is geïdentificeerd, is er geen sprake van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’. Een afgegeven paspoort met een deugdelijk identificatieproces kan onder andere blijken uit: - -• de vreemdeling is geïdentificeerd bij aanvraag en/of afgifte van het paspoort; -• de vreemdeling heeft als paspoort een elektronisch reisdocument overgelegd, waar op de chip biometrische kenmerken zijn opgenomen als vingerafdrukken, gezichtsherkenning of irisscan, op voorwaarde dat kan worden vastgesteld dat de vreemdeling voorafgaande aan de afgifte van het overgelegde paspoort daadwerkelijk door de bevoegde autoriteiten is geïdentificeerd; -• het paspoort is gebruikt voor internationale grensoverschrijding en bevat in- en uitreisstempels; -• het paspoort is al eerder gebruikt bij een (eerste) vergunningverlening en geaccepteerd als bewijsmiddel; of -• de vreemdeling heeft eerder een paspoort overgelegd dat is afgegeven na deugdelijk identificatieproces, waarvan de personalia overeenkomen met het opvolgende paspoort dat is afgegeven zónder deugdelijk identificatieproces. - -Als er sprake is van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ en er daardoor ook twijfel aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling bestaat, dan wordt herstelverzuim geboden. De vreemdeling wordt gevraagd om bewijsmiddelen over te leggen en uitleg te geven die de twijfel wegnemen. - -Het algemene uitgangspunt is dat de vreemdeling moet aantonen dat het paspoort terecht aan hem is verstrekt. Het paspoort kan alleen worden geaccepteerd, als gebleken is dat het paspoort authentiek is en aan de rechtmatige houder is afgegeven. De vreemdeling kan bijvoorbeeld door het overleggen van een (zo nodig) gelegaliseerde verklaring van de autoriteiten van het land van afgifte aantonen dat het paspoort authentiek is en aan hem als rechtmatige houder is afgegeven. - -Het feit dat een paspoort biometrisch is, betekent op zichzelf nog niet dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Daarom kunnen ook bij biometrische paspoorten aanvullende bewijsmiddelen worden verlangd. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer het paspoort niet in persoon bij de bevoegde autoriteiten van het land van afgifte is aangevraagd of opgehaald. Via een gelegaliseerde verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van afgifte, bijvoorbeeld een ambassade of consulaat, kan dan worden bevestigd dat het paspoort terecht aan de vreemdeling is verstrekt. - -De verklaring kan worden gelegaliseerd door de legalisatiebalie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Legalisatie van de consulaire verklaring maakt in dit verband ook onderdeel uit van het bewijs dat er een deugdelijke toetsing aan de identiteit heeft plaatsgevonden. Immers, de identiteitscheck is alleen deugdelijk te noemen als deze is gedaan door de daartoe bevoegde autoriteiten. - -Het is niet vereist dat in de bewijsmiddelen is opgenomen dat de persoon zich fysiek heeft geïdentificeerd, dan wel dat de betreffende autoriteit de persoon aan de hand van een ander identiteitsdocument heeft geïdentificeerd dan het paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’. - -Als de IND gerede twijfel heeft of bij de aanvraag en afgifte van een nationaal paspoort een goede identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden en daarom ook twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, dan kan de IND de vreemdeling vragen om een nationale identiteitskaart over te leggen. Zeker als bij een identiteitskaart sprake is van een chip met biografische en biometrische gegevens, dan kan een dergelijke identiteitskaart mogelijk de twijfel aan de identiteit en nationaliteit wegnemen. - -Als de handtekening in het paspoort van de vreemdeling ontbreekt, dan moet de vreemdeling zich wenden tot de autoriteiten van het land van herkomst en de handtekening alsnog in het paspoort plaatsen in het bijzijn van de bevoegde autoriteiten. De vreemdeling moet een (indien nodig gelegaliseerde) verklaring verkrijgen bij de bevoegde autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waaruit blijkt dat de handtekening onder toezicht van de autoriteiten van het land van herkomst is geplaatst. Deze (indien nodig gelegaliseerde) verklaring moet de vreemdeling vervolgens overleggen bij de IND. - -Als het niet mogelijk is om alsnog een handtekening in het paspoort te plaatsen, dan moet de vreemdeling een nieuw paspoort aanvragen bij de autoriteiten van het land van herkomst. De IND ontheft de vreemdeling in dat geval in beginsel niet van de verplichting van het overleggen van een geldig paspoort. - -Als er geen twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, dan werpt de IND het bezit van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ niet tegen. - -#### 4.3. Middelen van bestaan - -##### 4.3.1. Inleiding - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is de IND bevoegd de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen als de vreemdeling of de persoon bij wie deze wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen voor de beoordeling van de middelen van bestaan van een vreemdeling. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw worden bij de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan in sommige gevallen ook de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven betrokken. Wanneer de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven – al dan niet samen met die van de vreemdeling – worden beoordeeld, is dit in het betreffende materiehoofdstuk aangegeven. - -##### 4.3.2. Algemene beleidsregels - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw juncto artikel 26, eerste lid, Vw moet de vreemdeling op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND op die aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan: - -• de middelen van bestaan moeten zelfstandig zijn; -• de middelen van bestaan moeten duurzaam zijn; en -• de middelen van bestaan moeten voldoende hoog zijn. - -Dit betekent dus dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als: - -• op enig moment bij of na het indienen van de aanvraag is aangetoond, dat de middelen van bestaan zijn aan te merken als duurzaam; en -• deze middelen op het moment van beslissen niet meer duurzaam zijn. - -De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is geëindigd. Daarnaast moeten de middelen op het moment van beslissen ook nog steeds zelfstandig en voldoende hoog zijn. - -De IND past de eisen met betrekking tot de middelen van bestaan toe op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, tenzij in het Vb, het VV of de Vc voor specifieke groepen andersluidende bepalingen over de middelen van bestaan zijn opgenomen. - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -Op grond van artikel 3.103 Vb junctis artikelen 3.74 Vb en 3.19 VV past de IND het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen tenzij: - -• het normbedrag ten tijde van het beoordelen van deze aanvraag gunstiger is voor de vreemdeling; of -• de middelen van bestaan worden berekend in de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb of in de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV. In dat geval is het normbedrag van toepassing zoals dat gold in die betreffende periode. - -Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig én duurzaam zijn. - -Een vreemdeling beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de vreemdeling of diens referent. - -Het normbedrag voor alleenstaanden zoals opgenomen in artikel 3.19, eerste lid, VV geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaanden. In dit geval geldt in plaats van 70% van het wettelijk minimumloon de norm van 50% van het wettelijk minimumloon. - -Het normbedrag voor alleenstaande ouders zoals opgenomen in artikel 3.19, tweede lid, VV geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaande ouders. In dit geval geldt in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon. - -De afwijkende normbedragen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen. Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013. - -##### 4.3.3. Inkomen per inkomstenbron - -In de navolgende paragrafen worden, in aanvulling op de artikelen 3.73, 3.74 en 3.75 Vb en 3.19 VV, per bron de beleidsregels genoemd die bij de beoordeling van de zelfstandigheid, duurzaamheid en voldoende hoogte van de middelen van bestaan van toepassing zijn. - -###### 4.3.3.1. Inkomen uit arbeid in loondienst - -De IND merkt toeslagen en vergoedingen verworven uit arbeid in loondienst als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb aan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - -• de toeslagen en vergoedingen zijn contractueel vastgelegd; en -• over de toeslagen en de vergoedingen worden de vereiste belastingen en premies afgedragen. - -De IND stelt gesubsidieerde arbeid in loondienst gelijk aan andere vormen van arbeid in loondienst. - -Op grond van artikel 3.75, eerste lid, Vb beoordeelt de IND de middelen van bestaan uit arbeid in loondienst als duurzaam, wanneer de vreemdeling voor een periode van minder dan één jaar in Nederland wil verblijven en de middelen van bestaan gedurende deze periode beschikbaar zijn. - -####### 4.3.3.1.1. Flexibele arbeid - -De IND merkt inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24b VV, tenzij uit de overgelegde bewijsmiddelen uitdrukkelijk anders blijkt. - -####### 4.3.3.1.2. Samenvoegen van inkomstenbronnen - -De inkomsten uit arbeid in loondienst, bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24b VV, mogen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden samengevoegd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag. - -####### 4.3.3.1.3. Kortdurende werkloosheid - -De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook aan inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen. - -####### 4.3.3.1.4. Beroep op de algemene middelen - -Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb. - -Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV. - -####### 4.3.3.1.5. Proeftijd - -Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn. - -####### 4.3.3.1.6. Onregelmatige inkomsten - -Het komt voor dat vreemdelingen of referenten structureel onregelmatige inkomsten ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn. - -De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de vreemdeling aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam), als de referent elke maand van een jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in een jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen. - -Deze structurele onregelmatige inkomsten uit arbeid in loondienst worden meegerekend in de toets of het inkomen als voldoende kan worden beschouwd. De IND toetst of het totaal aan inkomsten, dat wil zeggen, de vaste maandelijkse inkomsten plus de onregelmatige inkomsten, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van beschikken, gedeeld door twaalf, uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert. - -###### 4.3.3.2. Inkomen uit arbeid als zelfstandige - -De IND beoordeelt de middelen van bestaan van een vreemdeling op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht. - -De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn. De IND middelt niet tussen meerdere boekjaren. - -De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten. - -###### 4.3.3.3. Inkomsten uit eigen vermogen - -De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn. - -Tot 1 januari 2018 geldt het volgende: Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als 4% van het eigen vermogen zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag. - -Vanaf 1 januari 2018 geldt het volgende: Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag. - -###### 4.3.3.4. Inkomsten uit overige bron - -De IND merkt de middelen van bestaan van de vreemdeling uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen. - -De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen worden afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb. - -#### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde af als de vreemdeling wegens een misdrijf: - -• een transactieaanbod heeft aanvaard; -• een strafbeschikking is opgelegd; of -• is veroordeeld tot: -• een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een vrijheidsontnemende maatregel, onvoorwaardelijke jeugddetentie, een onvoorwaardelijke maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, onvoorwaardelijke TBS, onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders of een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen; -• een taakstraf; of -• een onvoorwaardelijke geldboete. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af wegens gevaar voor de openbare orde als het transactieaanbod of de strafbeschikking er uitsluitend toe strekt dat de vreemdeling afstand doet van illegale beeld-of geluidsdragers. - -Onder gevaar voor de openbare orde verstaat de IND ook: - -• gevaar voor de openbare rust; -• gevaar voor de goede zeden; -• gevaar voor de volksgezondheid; -• gevaar voor de (goede) internationale betrekkingen; of -• ongewenste politieke activiteiten. - -De IND beoordeelt per geval of hiervan sprake is. - -Als een strafzaak wegens een misdrijf openstaat en de uitkomst hiervan voor het te nemen besluit noodzakelijk is, neemt de IND contact op met het OM. De IND verlengt de termijn voor het nemen van een besluit met maximaal zes maanden als het onderzoek niet is afgerond voor het verstrijken van de beslistermijn. Als de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid bedraagt de termijn waarmee de beslistermijn kan worden verlengd maximaal drie maanden. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder c, Vb als op het moment van de aanvraag of het moment van beslissen wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: - -• er zijn twintig jaren verstreken bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan zes jaar staat; -• er zijn tien jaren verstreken bij gewelds- en drugsmisdrijven waarop een gevangenisstraf van zes jaar of minder staat; of -• er zijn vijf jaren verstreken bij andere misdrijven dan hierboven genoemd. - -De hierboven genoemde termijnen vangen aan op de dag waarop: - -• het vonnis of strafbeschikking onherroepelijk is geworden; of -• het transactievoorstel is aanvaard. - -Als de tenuitvoerlegging van de straf, bijvoorbeeld vanwege een vonnis bij verstek, pas later heeft plaatsgevonden, vangt de termijn aan op de dag waarop de straf volledig ten uitvoer is gelegd. - -In de volgende gevallen is de straf volledig ten uitvoer gelegd: - -• bij een vrijheidsbenemende straf of maatregel: de datum van invrijheidstelling; -• bij een taakstraf: de datum waarop de taakstraf is voltooid; -• bij een vermogensstraf: de datum waarop de geldboete of transactie is betaald. - -De IND past deze regels ook toe als sprake is van het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een straf, zoals bedoeld in artikel 3.77, derde lid, Vb. - -De IND past de termijnen als hierboven beschreven niet toe in één van de volgende gevallen: - -• een veroordeling voor een misdrijf tegen het leven gericht; -• het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven; of -• ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. - -Van het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven is sprake als: - -• meer dan één straf is opgelegd; of -• één straf is opgelegd voor een aantal bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging). - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit: - -• een (individueel) ambtsbericht van de AIVD; of -• een (individueel) ambtsbericht van andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten. - -Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. - -Een gevaar voor de nationale veiligheid kan ook blijken uit de omstandigheid dat de vreemdeling: - -• is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83, 134a en 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht; of -• is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf in het buitenland; of -• is veroordeeld wegens een misdrijf uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, als bedoeld in artikel 98a tot en met 98d, 138ab, 138b, 138c, 177, 178, 272, 273, 328ter, 350a, 350c, 363, 364, 97 tot en met 97b of artikel 99 en dat misdrijf is gepleegd voor een buitenlandse mogendheid; of -• bijzonder ernstige gedragingen (heeft) verricht met een terroristisch oogmerk. - -Bovengenoemde omstandigheden zijn niet limitatief. - -#### 4.5. Medisch onderzoek - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af of verleent de IND niet ambtshalve een verblijfsvergunning als de vreemdeling: - -• niet bereid is een tbc-onderzoek te ondergaan; of -• niet meewerkt aan de behandeling van de tbc. - -De IND werpt het bovenstaande niet tegen bij de beoordeling van de voortzetting van het rechtmatig verblijf. - -Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen ‘intentieverklaring tbc-onderzoek’ ondertekent, geeft de IND hem een termijn van twee weken om dat alsnog te doen. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling de intentieverklaring niet binnen de hiervoor gegeven termijn ondertekent. Als sprake is van een erkende referent neemt de IND genoegen met een eigen verklaring van de referent waarin deze verklaard dat de vreemdeling bereid is een tbc-onderzoek te ondergaan. - -Als de vreemdeling aan de overige voorwaarden voor toelating voldoet, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de voorwaarde dat de vreemdeling daadwerkelijk binnen drie maanden na afgifte van het verblijfsdocument een tbc-onderzoek bij de GG&GD ondergaat. - -In de volgende gevallen trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in: - -• de vreemdeling is niet bereid een tbc-onderzoek te ondergaan; of -• de vreemdeling werkt niet mee aan de behandeling van de tbc. - -#### 4.6. Niet voldoen aan de beperking - -Op grond van artikel 16, eerste lid, onder g, Vw, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet voldoet aan de specifieke voorwaarden (de beperking) van het doel waarvoor hij wil verblijven. - -#### 4.7. Inburgeringsvereiste buitenland - -Voor de beoordeling of het inburgeringsvereiste buitenland een voorwaarde is, zijn de volgende artikelen van toepassing: - -• artikel 16, eerste lid, onder h, Vw; en -• artikel 3 Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022. - -In aanvulling op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, Vw wijst de IND de mvv-aanvraag af als de vreemdeling het basisexamen inburgering in het buitenland niet heeft behaald of niet heeft afgelegd, tenzij de vreemdeling hiervan vrijgesteld of ontheven is. - -In aanvulling op artikel 1, eerste lid, onder e, Wet inburgering en artikel 1.3 Regeling inburgering, zoals deze luidden tot 1 januari 2022, wordt in ieder geval niet als geestelijk bedienaar beschouwd, de vreemdeling die uitsluitend werkzaamheden verricht als: - -• contemplatieve, -• bestuurslid die niet in Nederland met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt, of -• andere interne functionaris, - -bij een godsdienstige of levensbeschouwelijke organisatie. Het inburgeringsvereiste buitenland is niet op hen van toepassing in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’. - -Voor het beoordelen van vrijstelling van het inburgeringsvereiste buitenland zijn de volgende artikelen van toepassing: - -• artikel 16, eerste lid, onder h, Vw juncto artikel 17, eerste lid, Vw; -• artikel 16, derde lid, Vw juncto artikel 3.13 VV; -• artikel 3.71a, tweede lid, Vb; -• artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder a, en 5 Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022; en -• artikelen 2.3, 2.4, 2.5 en 2.6 Besluit inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022. - -De vreemdeling kan vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, Wet Inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022 verkrijgen als eerder verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd heeft plaatsgevonden. Daarvoor is het niet vereist dat, in aanvulling op artikel 2.6, eerste lid, Besluit Inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022, sprake is van acht jaar ononderbroken inschrijving als ingezetene in de BRP of acht jaar rechtmatig verblijf. - -Voor het beoordelen van ontheffing van het inburgeringsvereiste buitenland is artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb juncto artikel 3.10 VV van toepassing. - -De IND wijst ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb de mvv-aanvraag niet af op grond van het inburgeringsvereiste als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die ertoe leiden dat de vreemdeling bij handhaving van de verplichting om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen, onmogelijk of uiterst moeilijk zijn recht op gezinshereniging kan uitoefenen. Er kan sprake zijn van een enkele omstandigheid of een combinatie van verschillende omstandigheden. - -De IND betrekt – waar relevant – in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden: - -– de door de vreemdeling getoonde wil om voor het examen te slagen; en -– de door de vreemdeling geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het basisexamen inburgering. De behaalde scores voor een examenonderdeel kunnen een indicatie geven voor de geleverde inspanningen. - -De inspanningen (pogingen en voorbereidingen) van de vreemdeling mogen niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. - -De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten: - -– de medische omstandigheden van de vreemdeling; -– de onveilige situatie in het land van herkomst. De vreemdeling zal zelf moeten aangeven wat dat betekent voor zijn individuele situatie; -– er is geen cursusmateriaal beschikbaar dat geschikt is voor de vreemdeling; -– acute omstandigheden in de situatie van gezinsleden in Nederland die aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk maken; -– de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden; -– de reeds gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen; -– de financiële situatie van de betrokken gezinsleden; -– opleidingsniveau / analfabetisme; het gratis beschikbaar gestelde lespakket bevat een alfabetiseringscursus. Overigens is het niet noodzakelijk gealfabetiseerd te zijn om de toets Spreekvaardigheid en de toets Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) te kunnen behalen; -– leeftijd van de vreemdeling; -– zorg voor afhankelijke gezinsleden in land van herkomst; -– duur van het huwelijk/ de relatie; -– tijdsverloop sinds start inspanningen tot gezinshereniging; -– beschikbaarheid van faciliteiten ter ondersteuning; -– de mogelijkheden om het basisexamen af te leggen in het land van herkomst of bestendig verblijf; -– de reisafstand naar de diplomatieke post. - -De mate waarin bovenstaande omstandigheden relevant zijn, is afhankelijk van de situatie van de vreemdeling. In bijzondere situaties kan ook een enkele omstandigheid leiden tot ontheffing van (een deel van) het basisexamen inburgering. - -De medische omstandigheden blijken uit een medische vragenformulier, dat is ingevuld door een arts die is aangewezen door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De IND beoordeelt aan de hand van het medische vragenformulier of de vreemdeling als gevolg van een medische aandoening voor een periode van drie jaar niet in staat is om (een deel van) het basisexamen af te leggen, dan wel om inspanningen te leveren ter voorbereiding op (een deel van) het basisexamen inburgering. - -De IND ontheft de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering in ieder geval als de vreemdeling aantoont dat sprake is van blindheid of doofheid. - -In aanvulling hierop ontheft de IND de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering als de vreemdeling aantoont dat: - -• sprake is van slechtziendheid of hardhorendheid; en -• hij niet met behulp van hulpmiddelen alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen heeft om het basisexamen inburgering af te kunnen leggen. - -In aanvulling op artikel 3.10 VV moet de vreemdeling als in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is waar het basisexamen kan worden afgenomen, een aangewezen arts raadplegen in het dichtstbijzijnde land waar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is en het basisexamen kan worden afgenomen. - -#### 4.8. Onjuiste gegevens - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling: - -• onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum kort verblijf, machtiging tot voorlopig verblijf of verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; en -• sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven; - -tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn. - -Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tevens af als de vreemdeling: - -• onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de voorliggende aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden leiden; en -• de vreemdeling de voorliggende aanvraag heeft ingediend voordat het tot zijn uitzetting of gecontroleerde vertrek is gekomen; - -tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn. - -Bij de afweging of de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, betrekt de IND in ieder geval: - -• de mate waarin sprake was van verwijtbaarheid bij het verstrekken van onjuiste gegevens; en -• de aard van de eerder verstrekte onjuiste gegevens en de ernst die daaraan wordt toegekend. Er wordt onder meer een zwaar gewicht toegekend aan: - -° een gefingeerd dienstverband; en -° een schijnrelatie. - -Deze opsomming is niet limitatief. De IND kan ook andere omstandigheden betrekken. Het ligt op de weg van de vreemdeling om individuele omstandigheden naar voren te brengen. Bij de beoordeling kunnen daarnaast alle bekende, in het dossier aanwezige feiten en omstandigheden worden betrokken. - -#### 4.9. Illegaal verblijf - -Met inachtneming van artikel 17a Vw en artikel 3.77, achtste en negende lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 16, eerste lid, onder j, Vw af als de vreemdeling sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder j, Vw als door de IND is vastgesteld dat de vreemdeling voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt die verband houdt met een beperking als opgesomd in artikel 6.6 VV. - -### 5. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - -#### 5.1. Algemeen - -De IND maakt bij de verlening van de verblijfsvergunning terughoudend gebruik van de in artikel 3.4, tweede lid, Vb neergelegde bevoegdheid om de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking nader te omschrijven. - -De IND vermeldt bij de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, Vb of het verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Als de IND dit niet aangeeft, is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard. - -De beperking en de arbeidsmarktaantekening waaronder de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, zijn in de desbetreffende materiehoofdstukken nader uitgewerkt. - -##### 5.1.1. Overgangsrecht nieuwe arbeidsmarktaantekening - -Aan de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van de vreemdeling die vóór 1 april 2017 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’, ‘houder van een Europese blauwe kaart’, ‘wetenschappelijk onderzoek in het kader van richtlijn 2005/71/EG’ of ‘Studie’, kunnen dezelfde rechten worden ontleend als aan de arbeidsmarktaantekening zoals die vanaf 1 april 2017 geldt voor deze verblijfsdoelen. - -Aan de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van de vreemdeling die vóór 1 oktober 2018 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overplaatsing binnen een onderneming’ kunnen per 1 oktober 2018 dezelfde rechten worden ontleend als aan de arbeidsmarktaantekening zoals die vanaf 1 oktober 2018 geldt voor dit verblijfsdoel. - -#### 5.2. Aantekening beroep algemene middelen - -De IND stelt de vreemdeling vooraf schriftelijk in kennis dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. De IND doet dit door een aantekening op te nemen op: - -• het verblijfsdocument; of -• de beschikking waarbij de IND de verblijfsvergunning toekent. - -#### 5.3. Wijziging van de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking - -Het mvv-vereiste is van toepassing als de aanvraag tot wijziging van de beperking wordt ingediend na de redelijke termijn van twee jaar (zie B1/6.1 ad b voor een toelichting op de redelijke termijn). - -De aanvraag tot wijziging van de beperking is vereist als de vreemdeling zijn verblijf in Nederland wil voortzetten op grond van een andere beperking dan de beperking waaronder hij aanvankelijk is toegelaten. - -De aanvraag tot wijziging van de beperking is ook vereist als de vreemdeling gezinshereniging wil bij een ander familie- of gezinslid dan bij wie hij aanvankelijk is toegelaten. - -Een aanvraag tot wijziging van de beperking is niet vereist in alle andere gevallen waarin de vreemdeling zijn verblijf wil voortzetten onder dezelfde beperking, maar bij een andere referent dan bij wie hij oorspronkelijk is toegelaten. - -In een dergelijk geval moet: - -a) de vorige referent de vreemdeling afmelden bij de IND met een bij de IND te verkrijgen formulier; en -b) de nieuwe referent de vreemdeling met een bij de IND te verkrijgen formulier aanmelden bij de IND. - -De nieuwe referent moet zich met het formulier referent stellen van de vreemdeling en verklaren dat de vreemdeling nog steeds aan alle voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voldoet. De melding moet binnen vier weken na de opgetreden wijziging door de IND zijn ontvangen. - -#### 5.4. Voorschriften - -De vreemdeling voldoet aan het voorschrift van artikel 3.7, tweede lid, Vb als hij voor zijn verblijf een passagebiljet deponeert dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning. - -Als de IND het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom, als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder a, Vb, aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verbindt, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van de factuur het op de factuur vermelde bedrag te voldoen. De IND geeft bij het in gebreke blijven van de vreemdeling, de vreemdeling één keer de gelegenheid (door middel van een aanmaning) om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen. - -De IND verbindt geen voorschrift aan het verblijfsdocument dat is verleend op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vw. - -#### 5.5. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning - -Op grond van artikel 3.58 Vb verleent en verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tot het maximum dat op basis van dit artikel mogelijk is, tenzij in de materiehoofdstukken is opgenomen dat de IND de betreffende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een kortere geldigheidsduur verleent of verlengt. - -### 6. Het verlengen en intrekken van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd - -#### 6.1. Toetsing aanvraag van het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning - -De IND wijst een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wanneer deze aanvraag meer dan drie maanden voor afloop van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingediend. - -De IND toetst aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als sprake is van: - -a. een situatie van verlenging genoemd in artikel 3.80, eerste lid, Vb; of -b. een situatie van verlenging genoemd in artikel 3.82, eerste lid, Vb, tenzij zich een geval genoemd in het tweede lid van dit artikel voordoet. - -De IND neemt aan dat een termijnoverschrijding niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend, als de verlengingsaanvraag is ingediend binnen vier weken na afloop van de aan hem verleende vergunning. - -De IND verlengt de verblijfsvergunning in beginsel aansluitend aan de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning, als: - -• de vreemdeling aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning; en -• de vreemdeling het bewijs dat hij voldoet aan de geldende voorwaarden uiterlijk binnen vier weken na het bieden van herstel verzuim aan heeft geleverd. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zonder meer aansluitend aan de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning, als de vreemdeling (of de erkend referent) de aanvraag om verlenging heeft ingediend meer dan vier weken na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande verblijfsvergunning. De vreemdeling krijgt de gelegenheid aannemelijk te maken dat sprake is van omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan hem toe te rekenen is. Op basis van de feiten en omstandigheden van de zaak beoordeelt de IND of de te late indiening aan de vreemdeling kan worden toegerekend. - -De IND rekent een te late indiening van de aanvraag niet toe aan de vreemdeling als hij zich als achtergelaten vreemdeling zo snel mogelijk tot de Nederlandse overheid heeft gewend. De IND houdt rekening met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vreemdeling met zich mee heeft gebracht. - -De in artikel 3.82, eerste lid, Vb bedoelde redelijke termijn is twee jaar. - -Als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling intrekt (al dan niet met terugwerkende kracht), vangt de redelijke termijn aan op de dag na bekendmaking van het intrekkingsbesluit. - -Als de IND de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekt en er sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb, dan geldt dat de aanvraag: - -• tijdig is ingediend als deze is ingediend vóór het tijdstip waarop de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingetrokken; of -• niet tijdig is ingediend als deze is ingediend ná het tijdstip waarop de verblijfsvergunning is ingetrokken. - -Als de IND het Nederlanderschap intrekt op grond van artikel 14 RWN, dan is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder b, Vb als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• het geven van een valse verklaring of het bedrog, of het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap relevant feit, voorafgaand aan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden ten behoeve van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; en -• de betreffende gegevens of feiten zouden hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur. - -#### 6.2. Gronden voor het niet-verlengen en intrekken van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - -De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wanneer in ieder geval één van de in artikel 18 Vw genoemde gronden zich voordoet. - -Op grond van artikel 19 Vw trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op de in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a en c tot en met i, Vw genoemde gronden. - -##### 6.2.1. Hoofdverblijf - -De IND beoordeelt of de vreemdeling het hoofdverblijf, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, heeft verplaatst aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard. Voor de beoordeling of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf zijn de hieronder genoemde termijnen leidend, waarbij de IND rekening houdt met de intenties van de vreemdeling, voor zover die intenties blijken uit de gedragingen van de vreemdeling. - -De IND neemt in beginsel aan dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als één van de volgende gevallen zich voordoet: - -a. de vreemdeling heeft bij zijn vertrek uit Nederland gebruikgemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling van de Remigratiewet; -b. de vreemdeling heeft meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen; of -c. de vreemdeling heeft voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan vier achtereenvolgende maanden buiten Nederland verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd. - -Ad b. - -De IND merkt verblijf buiten Nederland als gevolg van detentie aan als een omstandigheid die te wijten is aan de vreemdeling, mits de detentie het gevolg is van een daadwerkelijke rechterlijke veroordeling voor het plegen van een strafbaar feit. Bij lagere strafoplegging door een hogere rechterlijke instantie wordt het gedeelte van de straf dat ten onrechte is opgelegd, buiten beschouwing gelaten. - -De IND merkt verblijf buiten Nederland als gevolg van detentie niet aan als een omstandigheid die te wijten is aan de vreemdeling als de detentie het gevolg is van een veroordeling wegens een gedraging die in Nederland niet strafbaar is gesteld. - -De IND neemt aan dat geen sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als de vreemdeling: - -a. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft in het kader van studie aan het hoger onderwijs en in het kader van de voltooiing van zijn studie in Nederland tijdelijk hoger onderwijs in het buitenland gaat volgen. Tijdelijkheid wordt niet aangenomen als de periode van het volgen van hoger onderwijs in het buitenland langer is dan een jaar aaneengesloten; -b. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft in het kader van studie aan het hoger onderwijs en bij de IND is gemeld dat er sprake is van mobiliteit binnen de Europese Unie waarbij de vreemdeling ten hoogste 360 dagen per lidstaat een deel van de studie in één of meerdere tweede lidstaten volgt in het kader van de voltooiing van zijn studie in Nederland; -c. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; -d. de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 1 van de aanvullende cao Rijk uitzendingen (ACRU), die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland; -e. is achtergelaten in het land van herkomst en zich zo snel mogelijk tot de Nederlandse overheid (gemeente, diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, IND of AVIM) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren; -f. Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; -g. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ heeft en niet langer dan acht maanden arbeid buiten Nederland verricht mits de vreemdeling aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning blijft voldoen; -h. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wetenschappelijk onderzoek in de zin van de richtlijn 2005/71/EG’ of ‘onderzoek in de zin van de richtlijn (EU) 2016/801’ heeft en niet langer dan acht maanden arbeid buiten Nederland verricht mits de vreemdeling aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning blijft voldoen; -i. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG’ of ‘onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801’ heeft en bij de IND is gemeld dat er sprake is van mobiliteit binnen de Europese Unie waarbij de vreemdeling een deel van het onderzoek in één of meerdere tweede lidstaten uitvoert en de gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801 geldig blijft; -j. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’ heeft en niet langer dan acht maanden buiten Nederland verblijft mits de vreemdeling aan de voorwaarden blijft voldoen; -k. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overplaatsing binnen een onderneming’ heeft en op basis van die vergunning voor korte- of lange-termijnmobiliteit verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie; of -l. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ heeft en bij de IND is gemeld dat er sprake is van mobiliteit binnen de Europese Unie waarbij de vreemdeling als gezinslid de onder h. genoemde onderzoeker vergezelt wanneer deze een deel van het onderzoek in één of meerdere tweede lidstaten uit gaat voeren, of de onder j. genoemde werknemer vergezelt wanneer deze voor lange-termijnmobiliteit verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie. -m. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ heeft waarbij de vreemdeling als gezinslid de onder g. genoemde kennismigrant vergezelt wanneer deze niet langer dan acht maanden arbeid buiten Nederland verricht en aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning blijft voldoen. - -Ad e. - -Wat ‘zo snel mogelijk’ is, beoordeelt de IND per geval, waarbij de IND rekening houdt met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vreemdeling met zich heeft meegebracht. - -De toepasselijke regels voor verplaatsing van het hoofdverblijf door houders van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen staan in paragraaf D1/2.6 Vc. - -##### 6.2.2. Onjuiste gegevens - -De IND trekt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in indien sprake is van het gestelde in artikel 3.84, eerst lid, Vb. - -##### 6.2.3. Openbare orde en nationale veiligheid - -De IND past de regels van de artikelen 3.86 en 3.87 Vb ook toe als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• de vreemdeling heeft niet tijdig een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning; -• de aanvraag (tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van een verblijfsvergunning) is door de IND ontvangen binnen twee jaar nadat het verblijfsrecht op grond van de eerdere verblijfsvergunning of het Nederlanderschap is geëindigd; -• er zijn geen onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden, die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid; en -• de vreemdeling heeft het hoofdverblijf niet buiten Nederland gevestigd. - -Voor toepassing van artikel 3.86, vierde lid, Vb beoordeelt de IND of sprake is van het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven. Het bepaalde in paragraaf B1/4.4 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -Bij de verlenging van de TBS-maatregel (artikel 37a WvSr) beziet de IND of het verblijfsrecht van een vreemdeling met toepassing van de glijdende schaal als genoemd in art. 3.86, tweede lid Vb kan worden beëindigd. Daarbij is het bepaalde in paragraaf B1/4.4 Vc van overeenkomstige toepassing. - -Voor de toepassing van artikel 3.86, achtste lid Vb verzoekt de IND het OM te beoordelen of het buiten Nederland gepleegde feit een misdrijf oplevert en welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd. Hierbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de officier van justitie ter zitting. - -Aan het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een straf komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe. - -Voor de toepassing van deze grond is het bepaalde in paragraaf B1/4.4 Vc van overeenkomstige toepassing. - -##### 6.2.4. Middelen van bestaan - -De IND kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen wegens het niet voldoen aan artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, als de vreemdeling en/of de hoofdpersoon niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -Als de verblijfsvergunning is verleend in het kader van gezinsmigratie wordt de aanvraag alleen afgewezen wegens het niet voldoen aan artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, als de vreemdeling en/of de hoofdpersoon een beroep doet op de algemene middelen. - -Wat betreft de eerste verlenging na gebruikmaking van de start-up regeling door de vreemdeling wordt verwezen naar paragraaf B6/4.5 Vc. - -#### 6.3. Niet-verlenging en intrekking verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd - -Voor de beleidsregels over de gronden voor niet-verlenging en intrekking wordt verwezen naar hetgeen onder paragraaf B1/6.2. Vc is vermeld. - -De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in met ingang van de datum waarop niet (meer) werd voldaan aan de voorwaarden. - -De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet met terugwerkende kracht in, maar met ingang van de datum van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning, als de vreemdeling: - -• niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend; -• rechtmatig verblijft op grond van artikel 6 of 7 Besluit 1/80; en -• geen onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden hebben geleid. - -Voor de regels over het verkrijgen, ontzeggen en beëindigen van rechtmatig verblijf op grond van artikel 6 of 7 Besluit 1/80 wordt verwezen naar paragraaf B10/4 Vc. - -Als de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd intrekt of niet verlengt, zijn de regels van artikel 3.6, eerste, tweede en vierde lid, Vb overeenkomstig artikel 3.6, vijfde lid, Vb van toepassing. - -Als de IND geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van artikel 3.6, eerste lid Vb, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1d Vb ambtshalve of er reden is voor toepassing van artikel 64 Vw. De IND beoordeelt uitsluitend ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46 Vb of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als: - -• de vreemdeling zich in het kader van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beroept op medische omstandigheden; en -• de vreemdeling zijn relevante medische gegevens en overige bewijsmiddelen heeft overgelegd (zie paragraaf A3/7.1 Vc). - -Zie ook paragraaf B1/3.4.1.1 Vc onder het kopje ambtshalve toets. - -### 7. Rechtsmiddelen - -#### 7.1. Het indienen van rechtsmiddelen - -De in artikel 70, eerste lid, Vw genoemde personen dienen het bezwaar- of administratief beroepschrift in bij de IND. Een bezwaarschrift in visum- -zaken wordt gericht aan de Visadienst. Een bezwaar in mvv-zaken wordt gericht aan de IND. - -Als het bezwaar- of administratief beroepschrift niet voldoet aan één of meerdere van de in artikel 6:5 Awb genoemde vereisten voor het in behandeling nemen ervan, stelt de IND de indiener van het bezwaar- of administratief beroepschrift in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken hieraan alsnog te voldoen. - -Voor het indienen van de nadere gronden als bedoeld in artikel 6:5 Awb bij het bezwaar- of administratief beroepschrift verleent de IND: - -a. bij het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk uitstel tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is en de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk heeft aangetoond dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is; -b. bij plotselinge ziekte van de gemachtigde uitstel tot vijf werkdagen vanaf datum ziekte voor zaken waarin de termijn gedurende de eerstvolgende vijf werkdagen verloopt; -c. bij plotselinge ziekte van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen na zijn herstel als de ziekte door het verstrekken van een medische verklaring is aangetoond; of -d. bij vakantie van een rechtshulpverlener uitstel tot vijf werkdagen na de vakantie van de rechtshulpverlener als de vakantie ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld aan de IND. - -De IND verleent geen uitstel als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. - -Na ommekomst van de uitsteltermijn van vijf werkdagen gaat de IND ervan uit dat de zaken van de betreffende gemachtigde door de kantoorgenoten of collega’s kunnen zijn opgevangen. Als door het uitstel aan de gemachtigde de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a. - -Voor eenmanskantoren bepaalt de IND op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in een eerdere fase van de vreemdelingrechtelijke procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan honoreert de IND het verzoek om uitstel. De IND verstaat onder het in een eerdere fase van de vreemdelingrechtelijke procedure optreden als rechtshulpverlener/ gemachtigde ook het inzenden van een ongemotiveerd bezwaarschrift. - -De IND wijst een verzoek om uitstel af bij wijziging van rechtshulpverlener. - -#### 7.2. Het opschorten van de werking van het (afwijzende) besluit - - - -Indien de werking van een besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw is opgeschort door het indienen van een bezwaarschrift, wordt deze opschortende werking geacht automatisch mede de uitvoering van een jegens de vreemdeling uitgevaardigd overdrachtsbesluit op te schorten als bedoeld in artikel 27, derde lid, Dublinverordening. - -De IND plaatst in het identiteitspapier en/of geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling: - -1. een aantekening luidende: ’bezwaar/administratief beroep ingediend ... (datum)’, als de werking van het besluit wordt opgeschort totdat op het bezwaar of het administratief beroep is beslist; -2. een sticker ’Verblijfsaantekeningen vervolgprocedures’ (bijlage 7i VV), als de vreemdeling bezwaar maakt tegen een besluit waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd. Het verblijfsdocument wordt niet ingehouden als de uitzetting achterwege blijft. Op deze sticker vult de IND de datum en het nummer van het geldig document voor grensoverschrijding in achter de tekst ’bezwaar ingediend...’. - -De IND haalt de aantekening door als het bezwaar- of administratief beroepschrift ongegrond is verklaard. De ambtenaar die de doorhaling verricht dateert deze en voorziet deze van zijn paraaf. - -#### 7.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening - -De IND staat de vreemdeling toe om de uitspraak op een binnen 24 uur na de bekendmaking van het besluit ingediend verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten, tenzij: - -a. het een tweede of herhaald verzoek om een voorlopige voorziening betreft; -b. de aanvraag voor een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 4:6 Awb is afgewezen; -c. redenen van openbare orde (waaronder begrepen de openbare rust) of nationale veiligheid zich daartegen verzetten; -d. de uitzetting daardoor wordt belemmerd; -e. sprake is van misbruik van recht; of -f. er sprake is van een in werking getreden inreisverbod als bedoeld in A4/2.6 Vc. - -De IND staat het de vreemdeling evenmin toe een voorlopige voorziening af te wachten die is ingediend in het kader van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen, zoals opgenomen in paragraaf B9/6 Vc indien: - -– Er sprake is van een reeds in de jurisprudentie aanvaarde afwijzingsgrond, en -– Uitgesloten is dat in bezwaar te verstrekken gegevens aanleiding kunnen geven tot een andere beoordeling van die afwijzingsgrond. - -De hierboven gegeven regel over de mogelijkheid om de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten geldt niet wanneer het besluit betrekking heeft op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In dat geval wordt verwezen naar paragraaf C2/11 Vc onder voorlopige voorziening. - -De IND merkt een verzoek om een voorlopige voorziening aan als een eerste verzoek als niet eerder in dezelfde zaak om een voorlopige voorziening is verzocht. Een tweede of herhaald verzoek om een voorlopige voorziening mag niet worden afgewacht. Van een tweede verzoek om een voorlopige voorziening als hiervoor bedoeld is geen sprake als in dezelfde procedure eerder een verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter is toegewezen. - -De IND betrekt bij de vraag of er sprake is van een eerste voorlopige voorziening in het kader van de Afsluitingsregeling (paragraaf B9/6 Vc) ook de eerdere procedures in het kader van voorheen in die paragraaf opgenomen Definitieve Regeling. - -De IND merkt de volgende situaties in ieder geval aan als situaties die de uitzetting belemmeren: - -• het paspoort van de vreemdeling, de daarin voorkomende visa of de vervangende reisdocumenten, zijn nog slechts voor korte tijd geldig; -• de vreemdeling kan worden overgedragen op grond van terug- en overnameovereenkomsten en de terugname of overname op grond van de bepalingen van de overeenkomst zou niet meer haalbaar zijn; of -• de vreemdeling kan met een door de DTenV georganiseerde overheidsvlucht uitgezet worden, terwijl uitzetting door het afwachten van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening voor langere tijd niet meer haalbaar is. - -Van misbruik van recht is uitsluitend sprake als het verzoek om een voorlopige voorziening geen enkel redelijk belang heeft en sprake is van indiening van het verzoek te kwader trouw. - -Er is sprake van een in werking getreden inreisverbod als: - -• aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd; -• de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland heeft verlaten; en -• de vreemdeling in de tussentijd Nederland (weer) is ingereisd, terwijl de duur van het inreisverbod nog niet is verstreken. - -Vreemdelingen jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd - -Indien ten aanzien van een vreemdeling jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd een voorlopige voorziening wordt toegewezen, wordt deze toewijzing geacht automatisch mede de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten als bedoeld in artikel 27, derde lid, Dublinverordening. - -### 8. Bewijsmiddelen - -#### 8.1. Algemeen - -In deze paragraaf is opgenomen welke bescheiden de IND beschouwt als bewijsmiddelen van de voorwaarden voor erkenning als referent en de algemene toelatingsvoorwaarden. In ieder materiehoofdstuk (B2 tot en met B12) is opgenomen welke bescheiden door de IND zijn aangemerkt als bewijsmiddelen van de verblijfsdoelspecifieke toelatingsvoorwaarden. Het is niet (in alle gevallen) uitgesloten dat ook met andere bescheiden kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan, mits van deze bescheiden dezelfde bewijskracht uitgaat. - -Dat de bewijsmiddelen in de beleidsregels zijn opgenomen, betekent niet in alle gevallen dat de (erkende) referent of de vreemdeling deze over moet leggen bij de aanvraag (zie paragrafen 8.2.1 en 8.3.1). De IND maakt aan de hand van de aanvraagformulieren kenbaar welke bescheiden de aanvrager over moet leggen bij de aanvraag. - -Uit de genoemde bewijsmiddelen moet volgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan. - -##### 8.1.1. Gelegaliseerde bescheiden - -De IND baseert zich voor de legalisatie van buitenlandse bescheiden op de Circulaire inzake de legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen (verder de Circulaire). - -De IND accepteert buitenlandse bescheiden in de regel alleen als deze zijn gelegaliseerd. Voor uitzonderingen op deze regel baseert de IND zich op de uitzonderingen zoals deze zijn genoemd in de Circulaire. Bij twijfel aan de inhoud laat de IND de bescheiden verifiëren. - -##### 8.1.2. Gebruik van gegevens uit aangewezen administraties als bedoeld in - -Als de IND het voornemen heeft de aanvraag tot erkenning als referent of de aanvraag voor een verblijfsvergunning op basis van gegevens van de in bijlage 20 en 21 VV genoemde administraties (de aangewezen administraties) af te wijzen en deze gegevens wijken af van door de referent of vreemdeling verstrekte gegevens, dan: - -• stelt de IND de referent of vreemdeling schriftelijk in kennis van dit voornemen onder vermelding van de gegevens en de administratie(s) waaruit deze gegevens afkomstig zijn; en -• biedt de IND tegelijkertijd op grond van artikel 4:7 Awb een termijn van twee weken aan de vreemdeling of referent om zijn zienswijze op dit voornemen te geven. - -De IND neemt een besluit op de aanvraag op basis van de gegevens uit een aangewezen administratie als bedoeld in artikel 2d Vw als: - -• de referent of vreemdeling na ommekomst van twee weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen; of -• de referent of vreemdeling na ommekomst van twee weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld geen bewijsstukken over heeft gelegd op grond waarvan de IND kan aannemen dat de gegevens uit de aangewezen administratie onjuist zijn. - -Op grond van artikel 24a, derde lid, Vw vraagt de IND bij de vreemdeling of de (erkende) referent gegevens en bescheiden op als: - -• een aangewezen administratie (tijdelijk) is vervuild of om andere redenen onbruikbaar is; -• gerede twijfel bestaat over de juistheid of de volledigheid van de uit de aangewezen administratie verkregen gegevens; -• aanlevering van relevante wijzigingen in de aangewezen administratie aan de IND onvoldoende snel is om inzage in de actuele situatie te hebben; of -• de erkende referent de eigen verklaring niet wil of kan afleggen. - -#### 8.2. Bewijsmiddelen aanvraag tot erkenning - -##### 8.2.1. Gegevens en bescheiden uit aangewezen administraties - -Op grond van artikel 2d Vw, juncto artikel 1.16 VV vraagt de IND voor de beoordeling van de aanvraag tot erkenning als referent de volgende gegevens en bescheiden in beginsel op bij de aangewezen administraties: - -• een (uitgebreid) uittreksel uit het handelsregister; -• bekendmakingen van rechtbanken van surseance van betaling of faillissement; -• bewijs van het nastreven van een culturele doelstelling; -• bewijs van inschrijving van een onderwijsinstelling in het register van onderwijsinstellingen die de gedragscode internationale student in het Nederlandse hoger onderwijs hebben ondertekend; -• bewijs van inschrijving van een opleiding in het CROHO-register; -• bewijs van inschrijving in het register van toegelaten onderwijsinstellingen voor het verzorgen van opleidingen in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van BuZa; -• bewijs van inschrijving in het register van toegelaten onderwijsinstellingen die opleidingen faciliteren in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; -• bewijs dat voortgezet onderwijs wordt aangeboden als bedoeld in artikel 1.4 Wet voortgezet onderwijs 2020; -• bewijs dat beroepsonderwijs wordt aangeboden als bedoeld in artikel 1.2.1 Wet educatie en beroepsonderwijs; -• bewijs van vermelding in het NARCIS; -• bewijs van vermelding in het Register Normering Arbeid; en -• beschikbare bewijsmiddelen/informatie uit het Informatiesysteem Interne Markt (IMI), als het gaat om een au-pairbureau gevestigd in een lidstaat van de EU of EER. - -De IND neemt een beslissing op basis van gegevens van andere overheden. - -##### 8.2.2. Bewijsmiddelen erkenning als referent - -De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister als bewijsmiddel: - -• van inschrijving in het handelsregister van de rechtspersoon/onderneming van de referent die om erkenning verzoekt; en -• dat sprake is van een faillissement of surseance van betaling ten aanzien van de referent die om erkenning verzoekt. - -De IND beschouwt een uitspraak van de rechtbank als bewijsmiddel van het in surseance van betaling zijn of het in faillissement verkeren van een referent die om erkenning verzoekt in de volgende twee gevallen: - -• de referent die om erkenning verzoekt is niet inschrijvingsplichtig in het handelsregister op grond van de Handelsregisterwet 2007; -• een au-pairbureau dat ingeschreven staat in een andere lidstaat van de EU of EER. - -De IND verlangt de volgende aanvullende bewijsmiddelen in het geval een organisatie optreedt als referent voor uitwisselingsjongeren die in Nederland vrijwilligerswerk willen verrichten in het kader van het European Solidarity Corps: - -• een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt dat de referent een culturele doelstelling nastreeft. -• een goedkeuring van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voor het uitvoeren van een uitwisselingsprogramma. - -De IND verlangt van een onderneming die zich bezighoudt met het beschikbaar stellen van arbeidskrachten of payrolling aanvullend het volgende bewijsmiddel: - -• een bewijs van inschrijving in het Register normering arbeid. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de erkend referent een onderneming is met ten hoogste 50 medewerkers, ofwel een onderneming van een concern met ten hoogste 50 medewerkers, als bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onder b, VV: - -• een geanonimiseerde uitdraai van de verzamelloonstaat die op het moment van het beoordelen van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de waarborging van de continuïteit en solvabiliteit van een startende vestiging van een buitenlands bedrijf: - -• een verklaring van bekendheid van (een onderdeel van) de Netherlands Foreign Investment Agency (hierna: NFIA). - -De IND beschouwt als bewijs voor rechtspersoonlijkheid van een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie: - -• een uittreksel uit het handelsregister overeenkomstig artikel 2a Vw, juncto artikel 1.15 en 3.31, tweede lid, Vb, juncto artikel 1.10 VV. - -De IND beschouwt bij zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap die deel uitmaken van een koepelorganisatie met rechtspersoonlijkheid als bewijsmiddel: - -• bescheiden waaruit blijkt dat zij onderdeel vormen van deze koepelorganisatie. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de waarborging van de continuïteit en solvabiliteit van een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie: - -• een verklaring over het betalingsgedrag door de Belastingdienst; en -• een door een accountant goedgekeurde jaarrekening van het afgesloten boekjaar; of -• een rapport van bevindingen van een accountant over de continuïteit en solvabiliteit van de organisatie; of -• een bankverklaring waaruit blijkt dat de continuïteit en solvabiliteit van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie in Nederland voldoende zijn gewaarborgd. - -De IND verlangt als bewijsmiddel van de continuïteit en solvabiliteit van een startende onderneming of rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.13, tweede lid, VV: - -• een ondernemingsplan. - -Dit ondernemingsplan kan aangevuld worden met bijvoorbeeld de volgende bewijsmiddelen waaruit de continuïteit en solvabiliteit blijkt: - -• kopieën van onderzoeken, artikelen, verklaringen van branchedeskundigen, waaruit bijzonderheden en/of meerwaarde van product en/of dienst blijken; -• bewijsstukken zoals kopieën van marktonderzoeken, opdrachtovereenkomsten, ontvangen orders en volledige (omvang in tijdsduur en bedrag) intentieverklaringen, CV’s, referenties, diploma’s; -• (prognoses van) jaarrekeningen. Als een bank een onderneming financiert via een bedrijfskrediet of als de overheid (mede)financiert via kredietregelingen of subsidieregelingen, bewijsstukken waaruit dit blijkt; -• (prognoses van) exploitatieoverzichten. Die moeten sporen met de marktpotentie (met name marktanalyse). In het geval van realisaties zijn ter ondersteuning van de jaarrekening onderbouwingen nodig in de vorm van BTW-aangiftes en BTW-beschikkingen; -• liquiditeitsprognoses. Die moeten overeenkomen met de prognoses van de exploitatieoverzichten. - -De IND verlangt geen ondernemingsplan in de uitzonderingssituaties zoals genoemd in artikel 1.13, tweede lid onderdelen a t/m e VV. De IND beschouwt in die gevallen als bewijsmiddel van de continuïteit en de solvabiliteit de documenten zoals opgesomd in de verschillende onderdelen van het tweede lid van dit artikel. - -Als er twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd, beschouwt de IND het in artikel 1.13, vierde lid, VV gestelde als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. - -Voor de inhoudelijke beoordeling van continuïteit en solvabiliteit van de onderneming wordt verwezen naar paragraaf B1/2.3 Vc. - -#### 8.3. Bewijsmiddelen aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier - -##### 8.3.1. Gegevens en bescheiden uit aangewezen administraties - -Op grond van artikel 24a Vw juncto artikel 3.34l VV vraagt de IND voor de beoordeling van de verblijfsaanvraag de volgende gegevens en bescheiden op bij de aangewezen administraties: - -• bewijs van inschrijving als ingezetene in de BRP; -• bewijs van inschrijving huwelijk in de BRP; -• bewijs van verbreking huwelijk; -• bewijs van burgerlijke staat; -• bewijs van adresgegevens; -• een uittreksel uit het handelsregister; -• bewijs van inschrijving in het BIG-register. - -##### 8.3.2. Bewijsmiddelen vrijstelling leges op grond van artikel 8 EVRM - -De IND beschouwt als bewijsstukken dat vreemdeling bij de indiening van de aanvraag onvermogend is om leges te betalen: - -• een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 7, derde lid, onder e, Wet op de rechtsbijstand, ten behoeve van de referent; en -• bewijsstukken die aannemelijk maken dat de vreemdeling en de referent op korte termijn niet in het bezit zullen komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald. Hierbij moet de vreemdeling ook aannemelijk maken dat hij en de referent geen beroep kunnen doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden. - -##### 8.3.3. Bewijsmiddelen TEV-procedure - -De IND beschouwt officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft als bewijsmiddel van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als bedoeld in B1/3.2.1 en de periode van rechtmatig verblijf. - -##### 8.3.4. Bewijsmiddelen afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd - -Middelenvereiste - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst: - -• een kopie van de arbeidsovereenkomst; -• een recente werkgeversverklaring (niet ouder dan drie maanden, voorzien van datum, handtekening en firmastempel van de werkgever), in de vorm van een volledig ingevuld en ondertekend model of in de vorm van een verklaring waarin dezelfde inlichtingen als dit model zijn opgenomen; en -• kopieën van loonspecificaties over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag (tenzij de werkzaamheden op grond van de arbeidsovereenkomst minder dan drie maanden geleden zijn aangevangen). - -Voor zover relevant beschouwt de IND ten aanzien van het arbeidsverleden als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst: - -• kopieën van arbeids- of uitzendovereenkomsten van het jaar dan wel de drie jaren (in geval van toetsing aan respectievelijk artikel 3.24b VV dan wel artikel 3.75, derde lid, Vb) voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; -• kopieën van jaaropgaven over het jaar dan wel de drie jaren (in geval van toetsing aan respectievelijk artikel 3.24b VV dan wel artikel 3.75, derde lid, Vb) voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; en -• (voor zover van toepassing) uitkeringsbeschikkingen en specificaties over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.24b VV nog zes maanden beschikbaar zijn, een verklaring van de werkgever (bijvoorbeeld het uitzendbureau). - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige: - -• een recent uittreksel van de inschrijving van de onderneming of vestiging in het handelsregister (tenzij inschrijving niet mogelijk is); en -• een verklaring inkomen ondernemer, volledig ingevuld door: - -− een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur of een administrateur met een beconnummer van de Belastingdienst; -− ondertekend door zowel de administrateur als door de ondernemer zelf; en -− voorzien van de bijbehorende bijlagen. - -De IND beschouwt als aanvullend bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige: - -• bankafschriften; -• aanslagen inkomstenbelastingen; -• jaarrekeningen; en -• maandelijkse opgaven van de bedrijfsresultaten over de anderhalf jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit (een) inkomensvervangende uitkering(en): - -• een toekenningsbesluit van de uitvoeringsinstantie; en -• de meest recente uitkeringsspecificatie. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit eigen vermogen de volgende bescheiden: - -• de meest recente definitieve aanslag inkomstenbelasting zoals verkregen van de Belastingdienst; -• de meest recente voorlopige aanslag inkomstenbelasting zoals verkregen van de Belastingdienst; -• de meest recente opgave van het inkomen aan de Belastingdienst; en -• bescheiden waaruit het eigen vermogen blijkt op het moment van de indiening van de aanvraag. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit overige bronnen: - -• bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van inkomsten uit overige bronnen; en -• bescheiden waaruit blijkt dat over deze inkomsten de wettelijke belastingen zijn afgedragen. - -De IND beschouwt een geldig – door Nederland erkend – paspoort als bewijsmiddel dat de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat niet over een geldig document voor grensoverschrijding kan worden beschikt door de vreemdeling, een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is waarin wordt gemotiveerd waarom de vreemdeling niet (meer) in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. - -Als de vreemdeling niet in het bezit is van een geldig paspoort en heeft aangetoond dat hij niet (meer) in het bezit kan worden gesteld van een geldig paspoort, beschouwt de IND aanvullende gegevens en bescheiden als bewijsmiddel waaruit zijn identiteit en nationaliteit moet blijken. - -De IND beschouwt een ingevulde en ondertekende ‘intentieverklaring tbc-onderzoek’ als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zich bereid verklaart een medisch onderzoek en eventuele behandeling van tbc te ondergaan. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken of de vreemdeling van 12 jaar of ouder strafbare feiten heeft begaan: - -• een door de vreemdeling ingevuld en ondertekend vastgesteld formulier ‘Antecedentenverklaring’; of -• als de vreemdeling de ‘Antecedentenverklaring’ niet wil of kan ondertekenen, relevante gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat er antecedenten zijn. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor het bepalen van het moment waarop een opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd en de aanvang van de (maximale) termijn waarbinnen antecedenten kunnen worden tegengeworpen gegevens en bescheiden die zien op: - -• het moment van invrijheidsstelling; -• voltooiing van de taakstraf; of -• betaling van het opgelegde bedrag. - -De IND beschouwt een door de vreemdeling overgelegd gewaarmerkt afschrift van het buitenlandse strafvonnis als bewijsmiddel voor de toepassing van de glijdende schaal. - -De IND beschouwt een op naam van de vreemdeling gestelde uitslagbrief van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met de verklaring dat de vreemdeling het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd als bewijsmiddel dat het basisexamen met goed gevolg is afgelegd; dit examen is een jaar geldig na de datum van de uitslagbrief waarin is opgenomen dat het laatste examenonderdeel is behaald. Als het basisexamen vóór 1 november 2014 is afgelegd, dan heeft de vreemdeling de uitslagbrief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen. - -De IND beschouwt conform de Wet inburgering en het Besluit inburgering als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het basisexamen inburgering: - -• een op wettelijke basis uitgereikt Nederlands diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, of middelbaar beroepsonderwijs vanaf niveau 2, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal; -• een met een van de hierboven genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België of Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal; -• een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, waaruit blijkt dat een bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen opleiding is afgerond, mits een voldoende behaald is voor het vak Nederlandse taal; -• een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb. 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald; -• het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, als daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald; -• het inburgeringsdiploma van de Wet inburgering; -• het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430); -• een certificaat Inburgering in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat voor de onderdelen ‘luisteren’, ‘spreken’, ‘lezen’ en ‘schrijven’ ten minste NT2 niveau 2 is behaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd; -• een Certificaat Inburgering Oudkomers van de Regeling certificaat inburgering oudkomers, waaruit blijkt dat voor de onderdelen ‘luisteren’, ‘spreken’, ‘lezen’ en ‘schrijven’ niveau NT2-2 is behaald; -• een document ‘Korte Vrijstellingstoets’ bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Besluit inburgering, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, waaruit blijkt dat aanvrager niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald; -• een kopie van het besluit waaruit blijkt dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten, omdat een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg is afgelegd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden van het basisexamen niet behoeven te worden behaald, het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de kennis van de Nederlandse samenleving van het basisexamen niet behoeft te worden behaald, het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie is behaald het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%, indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001, respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31 augustus 2001. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor het vereiste dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst, waaruit blijkt dat voor Nederlands een voldoende is behaald. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het basisexamen inburgering: - -• een diploma Staatsexamen Nederlands als tweede taal, programma I of II. -• een uittreksel van de Basisregistratie personen (BRP) of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Nederland. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ter onderbouwing van het beroep op bijzondere individuele omstandigheden: - -• bescheiden waaruit blijkt dat de vreemdeling inspanningen heeft geleverd die in redelijkheid kunnen worden gevergd om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Dit kan onder meer blijken uit het één of meermalen afleggen van het basisexamen inburgering, waarbij een positief resultaat is behaald voor het onderdeel Spreekvaardigheid en de toets Kennis van de Nederlandse Samenleving, maar geen positief resultaat is behaald voor het onderdeel Leesvaardigheid. Een afschrift van deze resultaten voegt de vreemdeling bij de mvv-aanvraag; -• bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden aan de hand waarvan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid oordeelt of de vreemdeling bij handhaving van de verplichting om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen, onmogelijk of uiterst moeilijk zijn recht op gezinshereniging kan uitoefenen; en - -een kopie van het vragenformulier dat is ingevuld en ondertekend door een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts, in het geval van medische omstandigheden (bijlage 19 VV). - -##### 8.3.5. Bewijsmiddelen aanvraag verlenging verblijfsvergunning - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling na toelating zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan: - -• een jaarlijks door de vreemdeling ingevuld en ondertekend vastgesteld formulier ‘Eigen verklaring vreemdeling middelen van bestaan in het kader van studie’. - -##### 8.3.6. Bewijsmiddelen aanvraag vervanging of vernieuwing document - -Als sprake is van verlies of diefstal van het verblijfsdocument, beschouwt de IND een kopie van het proces-verbaal van de aangifte bij de politie van verlies of diefstal van het verblijfsdocument als bewijsmiddel hiervan. - -#### 8.4. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een verklaring van het tolkencentrum als bewijsmiddel, waaruit moet blijken: - -• wanneer de eerstvolgende datum is waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is; of -• dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. - -### 9. Bestuurlijke boete - -#### 9.1. Inleiding - -Uit artikel 55a Vw volgt dat de IND boetes op kan leggen aan zowel de (erkend) referent als aan de vreemdeling. - -De IND kan een bestuurlijke boete in ieder geval aan de referent opleggen in het geval van een overtreding van één van de volgende wettelijke verplichtingen: - -1. De zorgplicht van de erkend referent; -2. De informatieplicht van de referent; -3. Het volledig en naar waarheid afleggen van eigen verklaringen; en -4. De administratieplicht van de referent. - -De IND kan een bestuurlijke boete opleggen aan een vreemdeling als sprake is van het overtreden van de informatieplicht. - -De IND kan een bestuurlijke boete alleen opleggen aan de vreemdeling als: - -a. de vreemdeling geen referent heeft; -b. het aannemelijk is dat de vreemdeling op de hoogte was van het feit dat zijn referent niet langer voldeed aan zijn wettelijke verplichtingen als referent; of -c. het gegevens betreft waar alleen de vreemdeling van op de hoogte is. - -De IND kan geen bestuurlijke boete opleggen als de vreemdeling binnen twee weken nadat hij op de hoogte raakte van het feit dat de referent niet langer aan zijn wettelijke verplichting voldeed, de IND die informatie verstrekt. - -De vreemdeling heeft zich niet gehouden aan de uit artikel 4.43, Vb voortvloeiende termijn van vier weken. - -De IND stelt de vreemdeling schriftelijk op de hoogte dat de referent niet langer aan zijn wettelijke verplichtingen voldoet als de IND grond heeft om aan te nemen dat de vreemdeling daarvan niet op de hoogte is. De vreemdeling krijgt een termijn van twee weken om de gegevens te controleren en wijzigingen aan te brengen. - -De IND kan ook een bestuurlijke boete opleggen aan de vreemdeling in de volgende gevallen: - -• de vreemdeling wordt op grond van artikel 4.38 Vb gevorderd informatie te verschaffen; en -• de vreemdeling verschaft de gevraagde informatie niet of houdt zich niet aan de in de vordering bedoelde termijn. - -#### 9.2. Waarschuwing - -De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B9/5 Vc of er aanleiding bestaat een bestuurlijke boete op te leggen zonder dat de referent of de vreemdeling eerst wordt gewaarschuwd voor de begane overtreding(en). - -Een waarschuwing blijft gedurende 24 maanden van kracht. Een waarschuwing op grond van artikel 55a Vw is geen besluit in de zin van de Awb. Op een waarschuwing zijn derhalve de voorbereidingsvereisten voor een beschikking, zoals het indienen van een zienswijze op een voornemen, niet van toepassing. Tevens is het niet mogelijk om rechtsmiddelen in te dienen tegen een waarschuwing. - -Als de referent of de vreemdeling binnen 24 maanden nadat hij een eerste waarschuwing heeft gekregen opnieuw dezelfde wettelijke verplichting overtreedt, kan de IND ook een bestuurlijke boete opleggen bij een mindere ernstige overtreding als bedoeld in paragraaf B1/9.5 Vc. - -#### 9.3. Opleggen van een bestuurlijke boete - -De IND stelt de referent of vreemdeling in de gelegenheid om een zienswijze te geven op het voornemen om hem een bestuurlijke boete op te leggen. Dit kan schriftelijk of mondeling. In het laatste geval geeft de IND de in artikel 5:10a Awb bedoelde cautie, wat inhoudt dat de IND erop wijst dat de vreemdeling of referent niet verplicht is tot antwoorden omtrent de overtredingen. - -De IND geeft deze cautie ook in de volgende gevallen: - -− vanaf het moment dat de referent, de vreemdeling of iemand anders tijdens een contactmoment (bijvoorbeeld aan de telefoon) met informatie komt die kan duiden op boetewaardig gedrag; of -− vanaf het moment dat de referent of vreemdeling wordt verhoord met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. - -De IND legt op grond van artikel 5:53, tweede lid, Awb geen boete op zonder dat een rapport als bedoeld in artikel 5:48 Awb is uitgebracht en de referent of de vreemdeling de gelegenheid heeft gekregen om hierop een zienswijze naar voren te brengen. De IND maakt een rapport van bevindingen op waarin het volgende staat: - -− de dagtekening; -− de naam van de overtreder; -− de overtreding; -− het overtreden voorschrift; en zo nodig -− een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd. - -De medewerker van de IND die het rapport van bevindingen opstelt, neemt in het rapport de relevante omstandigheden van het geval op, waaronder ook ontlastende omstandigheden. - -Als daartoe aanleiding bestaat, dan neemt de IND voorafgaand aan het opstellen van het rapport contact op met de referent en/of de vreemdeling. Dit om vast te kunnen stellen of er sprake is van een overtreding van een wettelijke verplichting. Er is in ieder geval aanleiding om contact op te nemen met de referent als het voor de IND op basis van een schriftelijke controle van de administratie van de referent niet duidelijk is of de referent voldoende invulling heeft gegeven aan de zorgplicht en de referent hierover nog niet is bevraagd. - -Op basis van het rapport van bevindingen wordt door een andere medewerker van de IND dan de opsteller van het rapport van bevindingen beoordeeld of er aanleiding bestaat om een boete op te leggen. Bij het voornemen tot oplegging van de bestuurlijke boete moet de IND altijd een afschrift van het rapport van bevindingen toevoegen. - -De medewerker van de IND moet bij de beoordeling of er aanleiding bestaat om een boete op te leggen beoordelen of het rapport van bevindingen voldoende informatie bevat om een voornemen uit te brengen. Als dat niet het geval is moet de medewerker van de IND: - -− een verzoek voor een aanvullend rapport van bevindingen indienen bij de opsteller van het rapport van bevindingen; of -− zelf aanvullend onderzoek verrichten. - -De IND legt geen bestuurlijke boete op aan de referent of de vreemdeling als: - -− wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd (artikel 5:43 Awb); -− tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd (artikel 5:44, eerste lid, Awb); of -− na de zienswijze is meegedeeld dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd (artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Awb). - -De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van dezelfde overtreding of gedraging in de zin van artikel 5:43 dan wel 5:44 Awb ieder geval: - -• de aard van de overtreden normen; en -• de daaraan ten grondslag liggende gedragingen. - -De IND neemt in ieder geval niet aan dat sprake is van dezelfde gedraging als er sprake is van samenloop tussen: - -− een boete op grond van artikel 55a Vw wegens schending van de informatieplicht enerzijds; en -− een bestuurlijke boete of strafrechtelijke vervolging op grond van wettelijke bepalingen die niet voortvloeien uit de Vw. - -Anders dan de informatieplicht, strekken wettelijke bepalingen die niet voortvloeien uit de Vw er niet toe dat de IND binnen een bepaalde termijn over de rechtens juiste gegevens wordt geïnformeerd. De IND neemt in ieder geval aan dat er sprake is van dezelfde gedraging als wegens schending van dezelfde wettelijke verplichting reeds vervolging plaatsvindt of heeft plaatsgevonden op grond van artikel 108 Vw. - -De IND gaat direct over tot aangifte bij het OM als er sprake is van een zeer ernstige schending of grove overtreding. Hiervan is in ieder geval sprake als: - -− het een zeer ernstige overtreding van de zorgplicht betreft; -− het een overtreding betreft die gericht is op het bewust misbruiken van (verblijfsrechtelijke) procedures; of -− er sprake is van uitbuiting in het kader van mensenhandel. - -#### 9.4. Berekening hoogte van de bestuurlijke boete - -Gelet op artikel 5:46 Awb houdt de IND bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete rekening met: - -− de ernst van de overtreding (paragraaf 9.5 en 9.7 Vc); -− de verwijtbaarheid (paragraaf 9.6 en 9.7 Vc); en -− de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de evenredigheid (paragraaf 9.8 Vc) - -De IND gaat over tot matiging van de bestuurlijke boete aan de hand van de volgende uitgangspunten: - -− bij matiging tot nihil wordt géén bestuurlijke boete opgelegd. De IND gaat behoudens het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, in dat geval wel over tot het opleggen van een schriftelijke waarschuwing; -− matigingsfactoren worden gecombineerd toegepast. - -De IND voert – als eerste afweging van omstandigheden in het kader van artikel 5:46 Awb – per wettelijke verplichting afzonderlijk beleid ten aanzien van de ernst van de overtreding en in voorkomende gevallen ook ten aanzien van de verwijtbaarheid. - -Zie voor deze uitwerking per wettelijke verplichting paragraaf 9.7.1 Vc (de zorgplicht), paragraaf 9.7.2. Vc (de inlichtingenplicht) en paragraaf 9.7.3 Vc (de administratieplicht). - -#### 9.5. De ernst van de overtreding - -Als de IND niet eerder aan een referent of een vreemdeling een bestuurlijke boete heeft opgelegd of een waarschuwing heeft gegeven voor de betreffende wettelijke verplichting, gaat de IND alleen over tot het opleggen van een bestuurlijke boete als de ernst van de overtreding dat rechtvaardigt. - -De IND hanteert als hoofdregel dat de ernst van de overtreding het rechtvaardigt om zonder waarschuwing een bestuurlijke boete op te leggen als het bepaalde in paragraaf B1/9.7 Vc bij de eerste afweging van de ernst aanleiding geeft om tenminste 50 procent van het maximaal toepasselijke boetebedrag op te leggen. - -Als in een zaak sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de in het beleid opgenomen uitgangspunten, dan kan dat voor de IND aanleiding zijn om een op de zaak toegespitst boetebedrag vast te stellen. Dit kan tot een hoger boetebedrag leiden dan hetgeen in paragraaf B1/9.7 als uitgangspunt is gekozen. De IND maakt terughoudend en enkel op grond van niet reeds bij het beleid betrokken factoren gebruik van de mogelijkheid om een hoger bedrag vast te stellen. - -De IND legt voor een overtreding een bestuurlijke boete op die ten hoogste gelijk is aan de in artikel 55a Vw opgenomen (maximale) normen. - -De IND legt een bestuurlijke boete op die bestaat uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen als sprake is van meerdere overtredingen van verschillende of dezelfde wettelijke verplichting(en). De hoogte van de (totale) op te leggen bestuurlijke boete is niet gemaximeerd. Als de referent de zorgplicht voor vijf vreemdelingen heeft overtreden en de informatieplicht voor één vreemdeling, kan de IND de referent ten aanzien van alle zes de overtredingen een bestuurlijke boete opleggen. Het totaalbedrag hiervan kan ten hoogste zes maal het toepasselijke boetebedrag als bedoeld in artikel 55a, eerste of derde lid, Vw bedragen. - -De IND beperkt in het geval van een schending van de administratieplicht van meerdere vreemdelingen de hoogte van de totaal op te leggen bestuurlijke boete als de (erkend) referent: - -− ten aanzien van die individuele vreemdelingen wel een administratie voert; -− die administraties onvolledig zijn wegens dezelfde reden; en -− de schending van de administratieplicht niet dusdanig ernstig is dat dat afzonderlijke oplegging van bestuurlijke boetes per individueel geval rechtvaardigt. - -In dit geval stelt de IND op de gebruikelijke wijze de hoogte van de eerste bestuurlijke boete vast en voor iedere volgende overtreding van de administratieplicht legt de IND een boete op van 20 procent van het bedrag van de eerste boete. - -Als de IND eerder een bestuurlijke boete heeft opgelegd, en de (erkend) referent of vreemdeling pleegt binnen een periode van 24 maanden opnieuw een overtreding van dezelfde wettelijke verplichting, dan verhoogt de IND op grond van artikel 55a, derde lid, Vw de op te leggen boete met 50 procent. - -#### 9.6. Verwijtbaarheid van de overtreding - -De IND legt geen bestuurlijke boete op als de overtreding van de wettelijke verplichting de referent of de vreemdeling niet te verwijten is. - -Van het vorenstaand is in ieder geval sprake in de volgende gevallen: - -a. de overtreding is het gevolg van een andere onvermijdelijke handeling; of -b. de referent of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de overtreding het gevolg is van niet aan de referent toe te rekenen handelen door derden. - -Ad b: - -Handelen door derden wordt in ieder geval aan de referent toegerekend als de referent werkzaamheden aan deze derden heeft uitbesteed. - -De IND stelt de bestuurlijke boete, naast de beoordeling van de ernst, vast aan de hand van de mate van verwijtbaarheid. De IND hanteert daarbij de volgende uitgangspunten: - -a. Opzet dan wel grove schuld: 100 procent, te verminderen tot 75 procent. -b. Normale verwijtbaarheid: 50 procent. -c. Verminderde verwijtbaarheid: 25 procent. - -Ad a: - -Als er gelet op de aard van de normschending niet reeds van opzet of grove schuld kan worden uitgegaan levert de IND afdoende bewijs voor de aanwezigheid van opzet of grove schuld. De IND kan zich baseren op feiten die door de referent of de vreemdeling niet of niet voldoende zijn weersproken. - -De IND gaat in het geval van opzet steeds uit van 100 procent van het op te leggen boetebedrag. In het geval van opzet is er immers sprake van het willens en wetens schenden van een wettelijke verplichting. Bij grove schuld gaat het in de regel om ernstige nalatigheid, onzorgvuldigheid, onachtzaamheid, roekeloosheid of de betrokkene is onoordeelkundig met als gevolg dat wettelijke verplichtingen niet behoorlijk worden nageleefd. De IND beoordeelt aan de hand van de omstandigheden van het geval of grove schuld aanleiding geeft om uit te gaan van maximale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid van 75 procent. Daarbij kent de IND in ieder geval betekenis toe aan de bijzondere verantwoordelijkheid van de erkend referent om op adequate wijze invulling te geven aan zijn verplichtingen. - -Ad c: - -De referent dan wel de vreemdeling levert afdoende bewijs van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete omdat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Als de IND op de hoogte is van bijzondere omstandigheden inzake de verwijtbaarheid wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete hiermee rekening gehouden. - -De IND gaat ten aanzien van ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties uit van verminderde verwijtbaarheid als er ten tijde van het begaan van de overtreding: - -− sprake was van adequate maatregelen door de onderneming, de rechtspersoon of een andere organisatie om te voorkomen dat er wettelijke verplichtingen worden geschonden. Daarbij betrekt de IND ook of gebleken is dat de onderneming, de rechtspersoon of de andere organisatie in andere gevallen grotendeels heeft voldaan aan de wettelijke verplichting ten aanzien waarvan hem een boete wordt opgelegd; of -− sprake was van meerdere omstandigheden die niet op zichzelf voldoende zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, maar wel in onderlinge samenhang. - -De IND gaat bij natuurlijke personen uit van verminderde verwijtbaarheid op basis van een individuele beoordeling van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan eveneens sprake zijn van meerdere omstandigheden die niet op zichzelf voldoende zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, maar wel in onderlinge samenhang. - -#### 9.7. Uitwerking wettelijke verplichtingen - -##### 9.7.1. De zorgplicht - -De IND beschouwt schending van de zorgplicht als een ernstige overtreding. In een dergelijk geval is er – ten aanzien van de ernst van de overtreding – in beginsel aanleiding om uit te gaan van 100 procent van het toepasselijke boetebedrag. - -De IND gaat bij het niet nakomen van de zorgplicht in de regel er van uit dat: - -− tenminste sprake is van grove schuld – gelet op de positie van de erkend referent en de op hem rustende verantwoordelijkheden; en -− de niet-nakoming van de zorgplicht het aannemen van maximale verwijtbaarheid rechtvaardigt. - -De IND ziet enkel aanleiding om tot matiging van de bestuurlijke boete over te gaan als de referent – zowel ten aanzien van de individuele vreemdeling als in zijn algemeenheid – kan aantonen dat er sprake is van een daadwerkelijke en serieuze inspanning om invulling te geven aan de op hem rustende zorgplicht. Bij deze beoordeling betrekt de IND alle wettelijke verplichtingen die de referent heeft op grond van de zorgplicht. Er is voor de IND in ieder geval geen aanleiding om de bestuurlijke boete te matigen als een erkend referent aan verschillende elementen van een op hem rustende zorgplicht heeft voldaan, maar hij ten aanzien van andere elementen van de op hem rustende zorgplicht geen serieus te nemen inspanningen heeft verricht. Deze situatie doet zich in ieder geval voor als een erkend referent zich houdt aan een deel van zijn zorgplicht, maar aan ander deel niet. - -De IND matigt de bestuurlijke boete met maximaal 50 procent. - -##### 9.7.2. De informatieplicht - -De IND bepaalt de ernst van de overtreding in ieder geval aan de hand van de volgende elementen: - -− de aard van de niet (tijdig) gemelde informatie; en -− of de informatie uit eigen beweging is gemeld. - -De IND betrekt bij de verdere afweging van de ernst steeds de overige omstandigheden van het geval, voor zover nog niet verdisconteerd in de beleidsregels. - -De IND legt wegens schending van de informatieplicht zonder waarschuwing een boete op als de gecombineerde matiging van de bestuurlijke boete op grond van paragraaf B1/9.7.2.1 en B1/9.7.2.2 Vc leidt tot een bestuurlijke boete van tenminste 50 procent van het maximale boetebedrag. - -###### 9.7.2.1. De aard van de niet-gemelde gegevens - -De IND gaat bij het schenden van de informatieplicht in beginsel uit van de volgende boetebedragen: - -a. Een boetebedrag van 50 procent als er geen sprake is van verminderde of verhoogde ernst. -b. Een boetebedrag van 100 procent in het geval van verhoogde ernst. - -Ad b: - -De IND beschouwt een schending van de informatieplicht als een schending met een verhoogde ernst in ieder geval in één van de volgende situaties: - -− Het verstrekken van kennelijk onjuiste informatie/gegevens of het achterhouden van gegevens door de referent of de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval in de situatie dat een vreemdeling van meet af aan of overwegend niet heeft voldaan aan de voorwaarden of er (schijn)constructies zijn gehanteerd. -− Eigen verklaringen door de referent die niet volledig en naar waarheid zijn opgesteld, zoals bedoeld in artikel 2t, tweede lid, Vw of artikel 24a, tweede lid, Vw. - -De IND gaat alleen uit van een boetebedrag van 100 procent als de aard van de onjuiste eigen verklaringen dit rechtvaardigt. - -− Het nalaten van het verstrekken van gegevens die betrekking hebben op de zorgplicht door de referent. Te denken valt aan de situatie waarin de referent niet (langer) op adequate wijze kan voldoen aan zijn zorgplicht en de referent daar te laat of geen melding van maakt bij de IND. - -c. Een boetebedrag van 25 procent in gevallen van verminderde ernst. - -Als er sprake is van verminderde ernst, bestaat er aanleiding om het boetebedrag te matigen tot 25 procent van het toepasselijke boetebedrag. Er is in ieder geval sprake van verminderde ernst als het vaststaat dat er geen vreemdelingrechtelijk of een ander voordeel (bijvoorbeeld financieel) is ontstaan door het niet tijdig doorgeven van de relevante gegevens. De IND neemt in ieder geval aan dat hier sprake van is als de referent er niet (tijdig) aan de IND heeft gemeld dat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan en daarbij vaststaat dat de betreffende vreemdeling op dat moment ook daadwerkelijk Nederland heeft verlaten. - -###### 9.7.2.2. Verdere matiging wegens melden uit eigen beweging - -De IND ziet aanleiding om tot (verdere) matiging van de bestuurlijke boete vanwege schending van de informatieplicht over te gaan over te gaan als de relevante informatie *uit eigen beweging* te laat worden verstrekt. De IND matigt de bestuurlijke boete in dat geval met 50 procent. - -De IND neemt in ieder geval niet aan dat er sprake is van het uit eigen beweging verstrekken van informatie als: - -• de informatie wordt verstrekt nadat de IND of andere organisaties de referent en/of de vreemdeling al dan niet in het kader van de handhaving hebben benaderd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het melden van de informatie daarmee verband houdt; -• de IND op andere wijze kennis heeft genomen van de informatie; -• de IND wegens een lopend onderzoek reeds bekend is of had kunnen zijn met de verstrekte informatie, bijvoorbeeld in het kader van een verblijfsrechtelijke procedure. - -##### 9.7.3. De administratieplicht - -De IND ziet in een overtreding van de administratieplicht aanleiding om uit te gaan van een boetebedrag van 50 procent van het toepasselijke boetebedrag, waarbij de IND steeds beziet of er redenen zijn om te matigen of om een hogere boete op te leggen. - -De ernst van de overtreding kan de IND aanleiding geven om bij het opleggen van een boete uit te gaan van maximale ernst. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de erkend referent in het geheel geen administratie bijhoudt. - -In het geval van verminderde ernst bij overtreding van de administratieplicht bestaat er aanleiding om de bestuurlijke boete te matigen tot minder dan 50 procent, maar niet verder dan tot 25 procent van het toepasselijke boetebedrag. De IND gaat uit van deze maximale matiging als de administratie voor het overgrote deel compleet is. De IND gaat alleen uit van verminderde ernst als de ontbrekende stukken onverwijld aan de administratie worden toegevoegd. - -De IND gaat in het kader van de administratieplicht in beginsel uit van maximale verwijtbaarheid. Daarbij is van belang dat er sprake is van een duidelijk omschreven en met beperkte inspanningen te realiseren verplichting. - -De IND beoordeelt een overtreding van de verplichting van de referent om binnen twee weken het gewijzigde adres ter plaatse waar de administratie wordt gevoerd door te geven als volgt: bij de eerste schending van deze verplichting legt de IND in beginsel een waarschuwing op, tenzij er sprake is van bijkomende omstandigheden zoals het actief doorgeven van een onjuist adres. - -De IND betrekt bij de vraag of een bestuurlijke boete moet worden opgelegd in ieder geval of het juiste adres ten tijde van het begaan van de overtreding reeds in het handelsregister was opgenomen. De IND legt in het geval het adres ook in het handelsregister onbekend was, in beginsel een bestuurlijke boete op van 100 procent van het toepasselijke boetebedrag. - -#### 9.8. De omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de evenredigheid - -De IND betrekt alle relevante omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd bij de vaststelling van de hoogte van de boete. Deze omstandigheden kunnen leiden tot verdergaande matiging dan de eerste afweging die daartoe reeds in het beleid is gemaakt. In het kader van de evenredigheid betrekt de IND in ieder geval de financiële draagkracht en de overschrijding van de termijn. - -Het is aan de referent of de vreemdeling om te stellen en te onderbouwen dat zijn financiële draagkracht een lagere bestuurlijke boete rechtvaardigt. Daartoe moet een zo volledig mogelijk inzicht worden gegeven in de financiële draagkracht. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van door de IND opgestelde draagkrachtformulieren ten behoeve van natuurlijke personen en zakelijke referenten. - -Er is in ieder geval geen aanleiding om een lagere boete op te leggen als de beperkingen in financiële draagkracht onvoldoende worden onderbouwd. Dit geldt zowel voor natuurlijke personen als zakelijke referenten. - -Als de IND aan een natuurlijk persoon een bestuurlijke boete oplegt, dan matigt de IND de boete op basis van de financiële draagkracht in ieder geval als: - -• de persoon in kwestie minder dan het wettelijk minimumloon uit arbeid ontvangt; en -• voorzienbaar is dat de bestuurlijke boete daaruit moet worden betaald. - -De IND neemt als uitgangspunt voor het instellen van een betalingsregeling voor een natuurlijk persoon dat: - -• de bestuurlijke boete binnen een periode van respectievelijk 24, 18, 12 en 6 maanden voldaan moet kunnen worden in het geval het boetebedrag in het kader van verwijtbaarheid wordt vastgesteld op respectievelijk 100 procent, 75 procent, 50 procent en 25 procent; en -• het maximaal te betalen bedrag 10 procent van het toepasselijk wettelijk minimumloon bedraagt, vermenigvuldigd met het aantal hierboven bedoelde maanden. - -De IND hanteert voor zakelijke referenten in beginsel dezelfde termijnen voor een betalingsregeling met dien verstande dat: - -• bij overtreding van de zorgplicht en/of het meermaals begaan van ernstige overtredingen de IND uit kan gaan van een langere termijn van maximaal 48 maanden; en -• de IND het maximale bedrag op individuele wijze vaststelt, waarbij in ieder geval de rechtsvorm van het bedrijf wordt betrokken. - -In het kader van de evenredigheidtoets kan de IND met zowel een natuurlijk persoon als een zakelijke referent een betalingsregeling treffen met een looptijd die aansluit bij de hierboven genoemde termijnen. Voor een betalingsregeling moet in beide gevallen een schriftelijk verzoek worden ingediend bij de IND. - -De IND beslist op grond van artikel 5:51 Awb binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport van bevindingen. In het geval van een voorlegging aan het OM leidt dit tot opschorting van voornoemde beslistermijn. De beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag daarop de gedragingen aan het OM zijn voorgelegd, tot de dag waarop het bestuursorgaan (in dit geval de IND) weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 5:51, tweede lid, Awb). - -Indien wegens dezelfde overtreding meerdere rapporten van bevindingen worden uitgebracht, hanteert de IND de datum van het rapport van bevindingen met de laatste dagtekening. - -Overschrijding van de beslistermijn door de IND heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt of die boete voor matiging in aanmerking komt. - -De IND ziet in een langer durende overschrijding van de termijn wel aanleiding om de boete te matigen aan de hand van de volgende uitgangspunten: - -− als er meer dan 1 maand na het verstrijken van de 13 weken termijn nog geen voornemen is uitgebracht, matigt de IND de boete met 5 procent; -− als er meer dan 3 maanden na de 13 weken termijn nog geen voornemen is uitgebracht, matigt de IND de boete met 10 procent; en -− Voor iedere volgende drie maanden matigt de IND de boete steeds met 5 procent extra. - -### 10. Verhalen van de kosten van uitzetting op de referent - -#### 10.1. Geen kostenverhaal op de referent - -In aanvulling op artikel 6.4, derde lid, Vb, verhaalt de IND de kosten van uitzetting van de vreemdeling in de volgende gevallen niet op de (gewezen) referent: - -− de referent toont door middel van objectief waardeerbare bescheiden aan dat de vreemdeling uit eigen beweging is teruggekeerd naar zijn land van herkomst of naar een land waar zijn toelating is gewaarborgd; -− de referent toont aan dat bij rechterlijk vonnis een faillissement uitgesproken is en de rechtspersoon of onderneming ontbonden en uitgeschreven is uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; -− de referent toont aan dat bij rechterlijk vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken en de schuldsaneringsregeling nog van kracht is; of -− de referent is overleden. De mogelijkheid van het verhalen van de kosten van uitzetting vervalt als dit op het moment van overlijden nog niet onherroepelijk is. Het te claimen bedrag vervalt dan voor zover het op dat tijdstip nog niet is betaald. - -#### 10.2. Kosten van uitzetting - -De kosten voor een vliegticket en een vervangend document voor grensoverschrijding, zoals opgenomen in bijlage 22 van het VV behorende bij artikel 6.2a VV, zijn variabel. Dit betekent dat de IND de daadwerkelijke kosten die de overheid hiervoor heeft gemaakt, in rekening brengt bij de referent. - -Voor de kosten van het vervoer naar het vliegveld of naar de grens brengt de IND de vastgestelde tarieven zoals opgenomen in bijlage 22 van het VV (zie artikel 6.2a VV) in rekening. - -De vreemdeling wordt door DTenV tijdens de procedure tot uitzetting in de gelegenheid gesteld om zelf, of via de (gewezen) referent, op eigen kosten een vliegticket te boeken. - -## B2. Uitwisseling - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven in het kader van uitwisseling om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur. Verblijf in het kader van uitwisseling heeft verschillende vormen: - -• Working Holiday Scheme (WHS) en/of Working Holiday Programme (WHP); -• Au pair; -• Particuliere uitwisseling; en -• Europees vrijwilligerswerk (EVS). - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb en VV: - -• artikel 3.43 Vb; en -• artikel 3.24 en 3.24a VV. - -### 2. Beleidsregels - -#### 2.1. Working Holiday Scheme (WHS) / Working Holiday Programme (WHP) - -Nederland heeft met Canada, Zuid-Korea, Argentinië, Hongkong, Japan, Taiwan, Uruguay (WHP), Australië en Nieuw-Zeeland (WHS) een overeenkomst gesloten op grond waarvan jongeren uit deze landen of gebieden onder bepaalde voorwaarden tijdelijk in Nederland mogen verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur, en omgekeerd. Met Canada, Zuid-Korea, Argentinië, Hongkong, Taiwan, Uruguay, Australië en Nieuw-Zeeland is de overeenkomst op basis van een Memorandum of Understanding (MoU). Met Japan is de overeenkomst op basis van een Note Verbale. Voor de buitenlandse deelnemers heeft het verblijf het karakter van een kennismaking met de Nederlandse samenleving en cultuur en is daarom slechts éénmalig en de verblijfsvergunning wordt voor ten hoogste één jaar verleend. De jongeren mogen niet ten laste komen van de publieke middelen en de (tijdige) terugreis moet gewaarborgd zijn. Het begrip uitwisseling kenmerkt zich door wederkerigheid, in die zin dat de mogelijkheid om de samenleving en cultuur te leren kennen ook in de landen en gebieden van herkomst van de buitenlandse jongeren bestaat voor de Nederlandse jongeren. - -De uitwisselingsjongere dient zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Om het verblijf in Nederland financieel te ondersteunen, mag de uitwisselingsjongere overeenkomstig artikel 3.3 onderdeel b, BuWav werken zonder dat de werkgever in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Voorwaarde daarbij is dat het hoofddoel van het verblijf in Nederland – culturele uitwisseling – voorop blijft staan. Het werk mag dus alleen van incidentele aard zijn. - -De IND kan de vergunning in ieder geval weigeren of intrekken wegens het niet (meer) voldoen aan de voorwaarden als er sprake is van strijdigheid met het MoU of de Note Verbale. De IND beoordeelt per geval of daar sprake van is. - -De IND neemt aan dat de uitwisselingsjongere die in Nederland verblijft, niet zelfstandig in zijn levensonderhoud kan voorzien als bedoeld in artikel 3.24a VV als een beroep wordt gedaan op de algemene middelen. - -Gedurende het verblijf in Nederland is het toegestaan om een korte studie dan wel een cursus te volgen. - -##### 2.1.1. WHS/WHP Australië, Canada en Nieuw-Zeeland - -Een aanvraag kan worden ingediend bij een IND-loket in Nederland. - -De IND wijst de aanvraag van een vreemdeling die in het kader van de internationale overeenkomsten (MoU) WHS/WHP Australië, Canada of Nieuw-Zeeland in Nederland willen verblijven af als de vreemdeling: - -– jonger dan 18 jaar is of ouder dan 30 jaar op het moment van indiening van de aanvraag; -– geen retourticket heeft dan wel niet de middelen van bestaan heeft voor de aanschaf van een retourticket; -– eerder in Nederland in het kader van uitwisseling heeft verbleven; -– ten laste komt van de algemene middelen. - -##### 2.1.2. WHP Argentinië, Hongkong, Zuid-Korea, Japan, Taiwan en Uruguay - -Per 1 januari 2019 heeft Nederland met Hongkong een MoU betreffende een WHP afgesloten. Jaarlijks wordt een maximum van 100 WHP-verblijfsvergunningen verstrekt door de IND. Een aanvraag kan alleen worden ingediend bij het Nederlandse Consulaat-Generaal in Hongkong. - -Per 1 oktober 2018 heeft Nederland met Zuid-Korea een MoU betreffende een WHP afgesloten. Met ingang van 1 januari 2024 is het maximum aantal WHP-verblijfsvergunningen dat jaarlijks wordt verstrekt verhoogd naar 200. Een aanvraag kan worden ingediend bij een IND-loket in Nederland. De IND stelt als voorwaarde voor het in behandeling nemen van de aanvraag dat deze vergezeld gaat van een geldig bewijs van pré-registratie voor deelname aan het WHP, welke is voorzien van een volgnummer, en is verstrekt door de IND. De uitwisselingsjongere moet binnen 90 dagen na afgifte van de pré-registratie bij de IND in Nederland een aanvraag om een WHP-verblijfsvergunning hebben ingediend. - -Per 1 juli 2017 heeft Nederland met Argentinië een MoU betreffende een WHP afgesloten. Jaarlijks wordt een maximum van 100 WHP-verblijfsvergunningen verstrekt door de IND. Een aanvraag kan alleen worden ingediend bij de Nederlandse ambassade in Buenos Aires. - -Per 1 april 2020 heeft Nederland met Japan een Note Verbale uitgewisseld betreffende een WHP. Jaarlijks wordt een maximum van 200 WHP-verblijfsvergunningen verstrekt door de IND. Een aanvraag kan worden ingediend bij een IND-loket in Nederland. De IND stelt als voorwaarde voor het in behandeling nemen van de aanvraag dat deze vergezeld gaat van een geldig bewijs van pré-registratie voor deelname aan het WHP, welke is voorzien van een volgnummer, en wordt per 1 januari 2025 verstrekt door de IND. De uitwisselingsjongere moet binnen 90 dagen na afgifte van de pré-registratie bij de IND in Nederland een aanvraag om een WHP-verblijfsvergunning hebben ingediend. - -Per 1 april 2020 treedt het tussen Nederland en Taiwan afgesloten MoU aangaande het WHP in werking. Dit MoU is afgesloten tussen het Netherlands Trade and Investment Office (NTIO) te Taipei en het Taipei Representative Office in the Netherlands. Jaarlijks wordt een maximum van 100 WHP-verblijfsvergunningen aan Taiwanese jongeren verstrekt door de IND. Een aanvraag kan alleen worden ingediend bij het NTIO in Taipei. - -Per 1 april 2020 heeft Nederland met Uruguay een MoU betreffende een WHP afgesloten. Jaarlijks wordt een maximum van 100 WHP-verblijfsvergunningen aan Uruguayaanse jongeren verstrekt door de IND. In Uruguay is er geen Nederlandse ambassade. Een aanvraag kan derhalve alleen worden ingediend bij de Nederlandse ambassade in Buenos Aires (Argentinië). - -De IND wijst de aanvraag van een vreemdeling die in het kader van de internationale overeenkomsten (MoU of Note Verbale) WHP Argentinië, Hongkong, Zuid-Korea, Japan, Taiwan of Uruguay af als de vreemdeling: - -– jonger dan 18 jaar is of ouder dan 30 jaar op het moment van indiening van de aanvraag; -– geen retourticket heeft dan wel niet de financiële middelen heeft voor de aanschaf van een retourticket; -– eerder in Nederland in het kader van uitwisseling heeft verbleven; -– ten laste komt van de algemene middelen; -– het quotum voor het aantal inwilligingen van het WHP Zuid-Korea, Hongkong, Japan, Taiwan, Uruguay dan wel Argentinië is bereikt. - -#### 2.2. Au pairs - -Het au-pairbureau moet erkend zijn door de IND. De aanvraag voor een verblijfsvergunning voor een au pair wordt ingediend door een erkend au-pairbureau. Het verblijf heeft het karakter van een kennismaking met de Nederlandse samenleving en cultuur en is daarom slechts éénmalig en de verblijfsvergunning wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Het verblijf heeft dus primair een cultureel karakter. Dit moet ook blijken uit het door de IND goedgekeurde uitwisselingsprogramma bij het verzoek om erkenning door een au-pairbureau. - -De au pair woont bij een gastgezin, bestaande uit minimaal twee personen. De au pair heeft niet eerder voor het gastgezin werkzaamheden verricht. Voorts mag er geen sprake zijn van een familierechtelijke relatie tot en met de derde graad met het gastgezin. In ruil voor kost en inwoning mag de au pair maximaal acht uren per dag en maximaal 30 uren per week licht ondersteunende huishoudelijke werkzaamheden verrichten. Een au pair heeft minimaal twee dagen per week vrij. De taken met betrekking tot het verrichten van licht huishoudelijk werk worden opgenomen in een dagindeling (voor alle zeven dagen van de week) met het gastgezin. De dagindeling wordt door zowel het gastgezin als de au pair ondertekend. - -De IND wijst de aanvraag voor verblijfsvergunning met als doel ‘au pair’ af als de vreemdeling: - -a) jonger is dan 18 of ouder dan 25 jaar op het moment van indiening van de aanvraag; -b) gehuwd is en (pleeg)kinderen heeft; -c) eerder in Nederland een verblijfsvergunning heeft gehad voor uitwisseling; -d) een borg aan een (Nederlands of buitenlands) bemiddelingsbureau of uitwisselingsorganisatie ter beschikking heeft gesteld; -e) een contract met een gastgezin of (Nederlands of buitenlands) bemiddelingsbureau of uitwisselingsorganisatie heeft ondertekend waarmee de aanvrager zich verplicht tot het betalen van geld of een geldboete als sanctie wegens het niet nakomen van een of meerdere bepalingen van dit contract; -f) een geldbedrag heeft betaald aan kosten die verband houden met de voorbereiding op het verblijf in Nederland dat in totaal hoger is dan tien procent van het maximale bedrag dat een gastgezin maandelijks als zakgeld aan een au pair mag betalen; -g) taken verricht of gaat verrichten voor mensen die een meer bijzondere zorg nodig hebben, welke taken een specifieke vaardigheid vereisen. - -Het maximale bedrag dat een gastgezin maandelijks als zakgeld aan een au pair mag geven is opgenomen in het besluit ‘Loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen, achterwege laten inhouding loonheffing au pairs’ van 21 december 2000. - -Ad b - -De au pair toont bij het au-pairbureau aan ongehuwd te zijn. Dit gebeurt op de in het land van herkomst voorgeschreven manier. Deze verklaring wordt zo nodig voorzien van een legalisatie door de autoriteiten in het land van herkomst en de Nederlandse autoriteiten, of van een apostille. - -De au pair overlegt bij het au-pairbureau een eigen verklaring waaruit blijkt dat zij geen (pleeg)kinderen heeft. Uit deze verklaring moeten de personalia van de au pair blijken. Daarnaast moet deze verklaring door de au pair zijn ondertekend. - -Ad f - -De IND betrekt bij de bepaling van de hoogte van het betaalde geldbedrag in ieder geval de volgende kosten: - -– de kosten die de vreemdeling betaald heeft aan een (Nederlands of buitenlands) bemiddelingsbureau voor inschrijving en bemiddeling; -– de kosten voor het volgen van een (door de eigen overheid voorgeschreven) cursus ter voorbereiding op het verblijf in Nederland. - -Bij de bepaling van de hoogte van het betaalde geldbedrag, laat de IND de volgende kosten buiten beschouwing: - -– kosten voor de reis naar Nederland en de terugreis naar het land herkomst of bestendig verblijf; -– kosten voor het visum, inclusief de direct hiermee verband houdende reis- en verblijfskosten; -– kosten voor het aanvragen, vertalen en legaliseren van de geboorteakte; -– kosten voor het reisdocument. - -De nieuwe aanscherpingsvoorwaarden gelden alleen voor aanvragen die op of na 1 oktober 2022 zijn ingediend. - -#### 2.3. Particuliere uitwisselingsorganisaties - -Jongeren kunnen als deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma tijdelijk via particuliere uitwisselingsorganisaties voor maximaal een jaar – onder bepaalde voorwaarden – in Nederland verblijven om kennis te maken met de Nederlandse cultuur en samenleving. De particuliere uitwisselingsorganisatie moet erkend zijn door de IND. De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend door de erkende uitwisselingsorganisatie. - -Een uitwisselingsjongere die via een particuliere uitwisselingsorganisatie deelneemt aan een cultureel uitwisselingsprogramma wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie. Het gastgezin moet minimaal bestaan uit twee personen. - -De uitwisselingsjongere maakt kennis met de Nederlandse cultuur en samenleving via het verblijf in het gastgezin, via activiteiten van de organisatie en via het volgen van onderwijs. De uitwisselingsjongere heeft niet eerder voor het gastgezin (bestaande uit minimaal 2 personen) werkzaamheden verricht. - -Eventueel te verrichten vrijwilligerswerk is uitsluitend toegestaan indien hiervoor een TWV is verleend. Als een jongere met de Canadese, Australische of Nieuw-Zeelandse nationaliteit ook voldoet aan alle in 2.1.1. genoemde voorwaarden dan prevaleert de voor de jongere meest gunstige regeling. - -De IND wijst de aanvraag voor verblijfsvergunning met als doel uitwisseling af als de vreemdeling: - -− jonger is dan 18 of ouder dan 30 jaar op het moment van indiening van de aanvraag, tenzij de jongere tussen de 15 en 18 jaar is en deze mogelijkheid is opgenomen in het culturele uitwisselingsprogramma; -− eerder in Nederland een verblijfsvergunning heeft gehad voor uitwisseling; -− een borg aan een (Nederlands of buitenlands) bemiddelingsbureau of uitwisselingsorganisatie ter beschikking heeft gesteld; -− een contract met een gastgezin of (Nederlands of buitenlands) bemiddelingsbureau of uitwisselingsorganisatie heeft ondertekend waarmee de aanvrager zich verplicht tot het betalen van geld of een geldboete als sanctie wegens het niet nakomen van een of meerdere bepalingen van dit contract. - -#### 2.4. Europees Vrijwilligerswerk - -Nederland heeft zich in Europees verband gecommitteerd aan de uitvoering van het uitwisselingsprogramma ‘Youth in Action’, waarvan Europees vrijwilligerswerk deel uitmaakt. In het kader van Europees vrijwilligerswerk kunnen jongeren – waaronder jongeren afkomstig van buiten de EU – voor ten hoogste 1 jaar vrijwilligerswerk doen in Nederland. Het Nationaal Agentschap voor het Europees vrijwilligerswerk is ondergebracht bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). De uitwisselingsorganisatie moet erkend zijn door de IND. De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend door de erkende uitwisselingsorganisatie. De IND neemt aan dat de jongere die in Nederland verblijft, niet zelfstandig in zijn levensonderhoud kan voorzien als bedoeld in artikel 3.24a VV als een beroep wordt gedaan op de algemene middelen. - -### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder o, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Uitwisseling’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan'. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder o, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de verblijfsvergunning wordt verleend op grond van de internationale overeenkomsten met Canada, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea, Argentinië, Hongkong, Japan, Taiwan, Uruguay en Australië: ’TWV niet vereist voor incidentele arbeid in het kader van WHP/WHS, andere arbeid niet toegestaan'. - -Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb is aan de afgifte van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling die in het kader van uitwisseling (niet zijnde au pair) in Nederland wil verblijven het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid aanhef en onder o, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van ten hoogste één jaar. - -### 4. Bewijsmiddelen - -#### 4.1. Algemeen - -De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de leeftijdseis als bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24, eerste lid, VV. - -De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling staat ingeschreven op hetzelfde adres als het gastgezin en waaruit de gezinssamenstelling blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling in een gastgezin verblijft bestaande uit ten minste twee personen. - -#### 4.2. WHS/WHP - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat het tijdige vertrek van de vreemdeling uit Nederland als bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder d, Vb is gewaarborgd: - -• een retourticket; of -• bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling over middelen van bestaan beschikt om een retourticket aan te schaffen. - -#### 4.3. Au pair - -Verwezen wordt naar artikel 1.14, sub b, Vb en de paragrafen B2/2.2 en B2/2.3 Vc. De au pair die in het kader van culturele uitwisseling in Nederland wenst te verblijven laat zich door een als referent erkende particuliere uitwisselingsorganisatie vertegenwoordigen. - -De als referent erkende particuliere uitwisselingsorganisatie moet over een door de IND goedgekeurd uitwisselingsprogramma beschikken. Het door de IND te beoordelen uitwisselingsprogramma en de aanvraag voor een verblijfsvergunning culturele uitwisseling wordt in naam van de au pair door een als referent erkende particuliere uitwisselingsorganisatie ingediend. - -Het uitwisselingsprogramma geldt voor alle vreemdelingen voor wie de als referent erkende uitwisselingsorganisatie verblijf in Nederland aanvraagt. Als de als referent erkende uitwisselingsorganisatie het uitwisselingsprogramma wenst aan te passen, moet het uitwisselingsprogramma opnieuw goedgekeurd worden door de IND. - -De IND beschouwt de tussen het gastgezin en de vreemdeling overeengekomen en ondertekende dagindeling voor de lichte huishoudelijke werkzaamheden als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 3.24, derde lid, aanhef en onder d, VV. Voor alle zeven dagen van de week dient een dagindeling te worden opgesteld. De dagindeling moet door het gastgezin en de vreemdeling zijn ondertekend. In de dagindeling wordt minimaal opgenomen: - -• hoeveel uur per dag de vreemdeling lichte huishoudelijke werkzaamheden gaat verrichten; -• welke werkzaamheden de vreemdeling gaat verrichten; -• welke dagen de vreemdeling vrij is; en -• wie er als alternatief fungeert of fungeren voor het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden. - -De dagindeling is alleen geldig gedurende het verblijf van de vreemdeling in Nederland. - -#### 4.4. Particuliere uitwisselingsorganisaties - -Verwezen wordt naar artikel 1.14, sub b, Vb en de paragrafen B2/2.2 en B2/2.3 Vc. De als referent erkende particuliere uitwisselingsorganisatie moet over een door de IND goedgekeurd uitwisselingsprogramma beschikken. Het door de IND te beoordelen uitwisselingsprogramma en de aanvraag voor een verblijfsvergunning culturele uitwisseling wordt door een als referent erkende particuliere uitwisselingsorganisatie ingediend. - -Het uitwisselingsprogramma geldt voor alle vreemdelingen voor wie de als referent erkende uitwisselingsorganisatie verblijf in Nederland aanvraagt.Als de als referent erkende uitwisselingsorganisatie het uitwisselingsprogramma wenst aan te passen, moet het uitwisselingsprogramma opnieuw goedgekeurd worden door de IND. - -#### 4.5. Europees vrijwilligerswerk - -De IND beschouwt een door de uitwisselingsorganisatie en de vreemdeling ondertekende overeenkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.43, vierde lid, Vb. In de overeenkomst moeten de onderdelen uit artikel 3.24, vijfde lid, VV zijn opgenomen. - -#### 4.6. Au pair - -## B3. Studie - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor het volgen van een opleiding aan een onderwijsinstelling voor: - -• hoger onderwijs; -• middelbaar beroepsonderwijs; of -• voortgezet onderwijs. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb en VV: - -• artikel 3.3, 3.41, 3.87a, 3.91b en 4.47 Vb; -• artikelen 3.21, 3.22, 3.23, 4.20 en 4.24 VV. - -De beleidsregels over mobiliteit binnen de Europese Unie van studenten zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8 en 12 uit de Vw. - -### 2. Beleidsregels - -#### 2.1. Hoger onderwijs - -De IND verstaat onder geaccrediteerd onderwijs in de zin van artikel 3.41 Vb onderwijs conform artikel 6.2 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs. - -Binnen deze vorm van mobiliteit voor studenten is een onderscheid te maken tussen: - -• Uitgaande mobiliteit, waarbij de IND aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Studie’ heeft verleend en Nederland de eerste lidstaat is; of -• Inkomende mobiliteit, zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, Vb, waarbij aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor studie is verleend door een andere lidstaat binnen de Europese Unie en Nederland de tweede lidstaat is. - -Bij mobiliteit voor studenten moet altijd sprake zijn van een EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs op grond waarvan de vreemdeling voor de duur van maximaal 360 dagen per tweede lidstaat of lidstaten mag verblijven zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid van richtlijn (EU) 2016/801. - -De erkende referent is verplicht om, indien de vreemdeling in het bezit is van een door de IND afgegeven verblijfsvergunning regulier voor studie en hij een deel van het onderwijsprogramma gaat volgen in één of meerdere tweede lidstaten, uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle volgende informatie te melden bij de IND: - -• De verwachte duur van de mobiliteit met de verwachte begin- en einddatum; -• In welke tweede lidstaat of lidstaten de vreemdeling een deel van het onderwijsprogramma gaat volgen; -• Of de vreemdeling aansluitend terugkeert naar Nederland als eerste lidstaat en zo ja, wanneer hij verwacht terug te keren; en -• Van welk EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs de vreemdeling gebruik maakt. - -De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, eerste lid, Vb respectievelijk artikel 4.47 vierde lid, Vb, desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan: - -• De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning met de vermelding van het verblijfsdoel studie, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning verleent met het verblijfsdoel studie, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van studie heeft; -• Het verblijf van de vreemdeling in Nederland valt onder een EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs; -• De kennisgeving is voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B3/5 Vc ingediend door een hiertoe gemachtigde erkende onderwijsinstelling in Nederland of de vreemdeling zelf; -• De mobiliteit is voor de duur van maximaal 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; -• De vreemdeling gaat een deel van de studie in Nederland volgen aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling; en -• Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb. - -Indien niet langer aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit wordt voldaan, maakt de IND bij de gemachtigde onderwijsinstelling en/of de vreemdeling kenbaar dat het verblijfsrecht in kader van de inkomende mobiliteit is geëindigd. Hierop is artikel 62a, derde lid, Vw van toepassing. - -#### 2.2. Middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs - - - - - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het volgen van middelbaar beroepsonderwijs of voortgezet onderwijs in ieder geval af op grond van artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen. - -Voor zover de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding niet in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 3.41, eerst lid, aanhef en onder b, Vb als niet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling is afkomstig uit en heeft de nationaliteit van Suriname, Indonesië of Zuid-Afrika; -• de vreemdeling heeft familiebanden met rechtmatig in Nederland verblijvende personen; of -• de vreemdeling is de Nederlandse taal machtig. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de opleiding niet van wezenlijke betekenis is voor de arbeidsmarkt van het herkomstland of land van bestendig verblijf. - -De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling: - -• in het bezit is van een verblijfsdocument voor geprivilegieerden verstrekt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken; -• op het moment van indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een opleiding in Nederland volgt en deze hier te lande wil afronden; en -• deze opleiding volgt aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling. - -De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling: - -• de opleiding gaat volgen aan een onderwijsinstelling die voldoet aan de in artikel 1.9 VV genoemde voorwaarden; en -• het Internationaal Baccalaureaat Diploma Programma volgt. - -#### 2.3. Pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ - -De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb wordt voldaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan: - -• de vreemdeling volgt (of gaat volgen) een Engelstalige opleiding aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4; -• de onderwijsinstelling waaraan de vreemdeling gaat studeren is aangesloten bij de Gedragscode ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ en opgenomen in het bijbehorende register; -• de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de vreemdeling valt binnen de criteria voor de pilot zoals opgenomen in artikel 8.1 van de Gedragscode ‘Inkomende mobiliteit mbo4’; -• de vreemdeling is 18 jaar of ouder; en -• de vreemdeling heeft een minimale score behaald van 4.5 bij het International English Language Testing System (IELTS) of heeft de vooropleiding in het Engels genoten. - -#### 2.4. Middelen van bestaan - -In aanvulling op artikel 3.22 VV en paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb: - -• een inkomen uit een studiebeurs; -• een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of anderszins; of -• een bedrag dat op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar is. - -Op grond van artikel 3.75, vierde lid, Vb en artikel 3.22 VV beschouwt de IND middelen van bestaan als duurzaam als: - -• deze op het tijdstip waarop de aanvraag regulier voor bepaalde tijd is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland duurt, beschikbaar zijn; of -• naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom als het verblijf en de studie van de vreemdeling in Nederland met periodieke betalingen wordt bekostigd. - -### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Studie’. - -De IND vermeldt op het verblijfsdocument: ‘Studie, mobiliteit cf. aanvullend document’. Als de vreemdeling gebruik gaat maken van mobiliteit binnen de EU ontvangt hij van de IND een aanvullend document waarop het onderwijsprogramma met mobiliteitsmaatregelen vermeld staat. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder c, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid in loondienst niet toegestaan’. - -De werkgever kan pas in het bezit worden gesteld van een TWV voor een vreemdeling nadat deze in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor ‘Studie’. Een verblijfssticker in het paspoort van de vreemdeling is onvoldoende voor afgifte van de TWV. - -De werkzaamheden mogen verricht worden zonder TWV als de vreemdeling: - -• in het bezit is van een verblijfsvergunning voor studie en arbeid als zelfstandige verricht; of -• als stagiair wordt tewerkgesteld in het kader van zijn studie. - -Ook de vreemdeling die in het kader van inkomende mobiliteit voor studenten in Nederland verblijft, mag werkzaamheden verrichten. Ook hier geldt dat een TWV is vereist voor arbeid van bijkomende aard en andere arbeid in loondienst niet is toegestaan. Het aantonen van het verblijfsrecht in kader van mobiliteit binnen de EU alsmede een verblijfssticker in het paspoort van de vreemdeling is voldoende voor afgifte van de TWV. - -Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb kan aan de afgifte van de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden worden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten. - -De vreemdeling die uitsluitend om studieredenen in Nederland verblijft, is niet verzekeringsplichtig in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De vreemdeling kan dan geen basisverzekering afsluiten in Nederland. - -Een (buitenlandse) ziektekostenverzekering volstaat bij studie, voor zover deze voldoende dekking biedt in Nederland. Een (buitenlandse) ziektekostenverzekering waarin een uitsluitingsclausule is opgenomen voor nog niet bekende kwalen wordt niet geaccepteerd, omdat deze onvoldoende dekking biedt. - -Wanneer de vreemdeling naast de studie (vrijwilligers)werk gaat verrichten (niet zijnde stage in het kader van de studie), is de vreemdeling verzekeringsplichtig in het kader van de Zvw en moet hij een basisverzekering in Nederland afsluiten. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de opleiding vermeerderd met in beginsel één jaar voor een voorbereidende opleiding, en drie extra maanden voor de administratieve afronding van de opleiding, met een maximum van vijf jaar. De IND verstaat onder voorbereidend onderwijs ook een schakeljaar. - -De IND verleent de verblijfsvergunning in het kader van de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ voor de duur van maximaal twaalf maanden. - -### 4. Verlenging en intrekking - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de resterende duur van de opleiding vermeerderd met drie maanden voor de administratieve afronding van de opleiding. Dit is niet van toepassing op de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot ‘inkomende mobiliteit mbo4’. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ niet. - -Op grond van artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder b, Vb trekt de IND de verblijfsvergunning in als de vreemdeling na het volgen van maximaal één jaar voorbereidend onderwijs niet is ingeschreven voor de daadwerkelijke opleiding voor het hoger onderwijs. - -### 5. Bewijsmiddelen - - - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven aan de onderwijsinstelling binnen twee weken nadat hij rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 Vw, of het voorbereidend jaar heeft afgerond, één van de volgende bescheiden: - -• een voorlopig bewijs van inschrijving; -• een definitief bewijs van inschrijving; of -• een verklaring van de onderwijsinstelling dat de vreemdeling een uitwisselingsprogramma volgt. - -De gemachtigde en krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling of de vreemdeling stuurt met de kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, Vb, de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND: - -• Een ingevuld en ondertekend machtigingsformulier waarmee de vreemdeling de erkende onderwijsinstelling in Nederland machtigt; -• Een verklaring van de gemachtigde onderwijsinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit; -• Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor studie zoals afgegeven door de eerste lidstaat als bedoeld in paragraaf B3/2.1 Vc; -• Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; en -• Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring. - -Indien de vreemdeling geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de onderwijsinstelling te machtigen, dan is de vreemdeling zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de kennisgeving voorzien van alle relevante bewijsmiddelen zoals hierboven van de gemachtigde erkende onderwijsinstelling gevraagd, met uitzondering van de verklaring van de gemachtigde onderwijsinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit. - -In dat geval wordt van de vreemdeling gevraagd dat de kennisgeving, in aanvulling op de hierboven reeds genoemde bewijsmiddelen, vergezeld gaat van: - -• Een bewijs van (voorlopige) inschrijving bij de onderwijsinstelling; -• Een bewijs dat het verblijf van de vreemdeling in Nederland onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs valt; -• Een bewijs dat de mobiliteit voor de duur van maximaal 360 dagen is en binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning past; -• Een bewijs dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan zoals genoemd in paragraaf B3/2.4 Vc; en -• Een bewijs dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten zoals genoemd in paragraaf B3/3 Vc. - -De IND staat geen mobiliteit toe aan de vreemdeling indien de kennisgeving niet is voorzien van alle relevante bewijsmiddelen gelet op de termijn van 30 dagen als bedoeld in artikel 31, zevende lid van richtlijn (EU) 2016/801. - -De IND beschouwt een verklaring van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) of een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de opleiding niet in zijn land van herkomst of zijn land van bestendig verblijf kan volgen. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de opleiding van de vreemdeling van betekenis is voor de arbeidsmarkt van zijn land van herkomst. - -De IND beschouwt een verklaring van de onderwijsinstelling als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat: - -• de vreemdeling een Internationaal Baccalaureaat Diploma Programma (IBDP) opleiding volgt aan een door de Internationale baccalaureaatorganisatie (IBO) geaccrediteerde onderwijsinstelling; en -• de onderwijsinstelling deel uitmaakt van een internationale organisatie waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie of de onderwijsinstelling zijn leerlingen plaatst in een internaat. - -De IND beschouwt een verklaring van de onderwijsinstelling als bewijsmiddel: - -• wanneer uit deze verklaring blijkt dat de vreemdeling het voltijds vierde studiejaar middelbaar beroepsonderwijs (inclusief de mogelijkheid tot een stage) volgt; -• wanneer het onderwijs wordt gevolgd aan een onderwijsinstelling, die is opgenomen in het register van de Gedragscode middelbaar beroepsonderwijs; en -• dit in overeenstemming is met de voorwaarden voor de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’. - -De IND beschouwt een verklaring van IELTS als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voor het Engelstalig onderwijs minimaal een ‘score’ van 4.5 op alle onderdelen heeft behaald. - -Indien de vreemdeling zijn vooropleiding heeft genoten in het Engels en is vrijgesteld van de verplichting om een taaltest af te leggen, moet dat blijken uit een verklaring van de onderwijsinstelling. - -## B4. Arbeid tijdelijk - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor: - -• lerend werken; -• seizoenarbeid; of -• schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 2u Vw, 3.30c, 3.39 Vb en artikel 3.4, vierde lid, Vb jo artikel 3.16c VV. - -### 2. Lerend werken - -#### 2.1. Beleidsregels - -De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb juncto artikel 3.19, eerste lid, VV als het UWV een positief advies heeft afgegeven voor de te verrichten arbeid. - -De IND neemt aan dat de vreemdeling voldoet aan artikel 3.39, aanhef en onder a, Vb als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling is Canadees onderdaan; -• de vreemdeling is ten minste achttien jaar en niet ouder dan dertig jaar; en -• de vreemdeling studeert of is op het moment van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet langer dan twaalf maanden geleden afgestudeerd. - -Wanneer het lerend werken plaatsvindt in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie dan hoeft de werkgever op grond van artikel 3.4 van het BuWav niet te beschikken over een TWV. Er hoeft in dit geval geen GVVA te worden aangevraagd. - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling: - -• tijdelijk arbeid verricht in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie; en -• met inbegrip van de stagevergoeding beschikt over een inkomen van tenminste 50% van het minimum(jeugd)loon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Hierbij wordt rekening gehouden met eigen middelen, zoals beurzen. - -#### 2.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘lerend werken’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘arbeid toegestaan conform aanvullend document’. - -Wanneer een GVVA niet is vereist dan luidt op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder b, VV de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van maximaal één jaar. Ook is het niet mogelijk om na verblijf als stagiair (beperking lerend werken), dat verblijf voort te zetten als praktikant (beperking lerend werken). - -#### 2.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een advies van het UWV dat ten behoeve van de vreemdeling is afgegeven als bewijsmiddel dat: - -• met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend; en -• dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV, waaruit moet blijken dat de vreemdeling relevante werkervaring opdoet in het kader van zijn studie buiten Nederland, de bijlage Gegevens (over noodzaak) lerend werken in het kader van studie, met toegevoegd: - -• gegevens over de arbeidsplaats; -• gegevens over het eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland; -• een stageovereenkomst met een beschrijving van het stageprogramma; -• indien de vreemdeling studeert: een bewijs van inschrijving en een verklaring van de onderwijsinstelling waaruit de noodzaak van de stage blijkt; -• indien de vreemdeling is afgestudeerd (alleen bij stagiairs die een HBO/WO-opleiding hebben afgerond): een diploma waaruit blijkt dat de vreemdeling niet langer dan twee jaar geleden is afgestudeerd. - -De IND beschouwt een door de bevoegde autoriteiten gewaarmerkt afschrift van het diploma voor hoger onderwijs als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag niet langer dan twee jaar geleden is afgestudeerd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV, waaruit moet blijken dat de vreemdeling relevante werkervaring opdoet in het kader van zijn arbeid buiten Nederland, de bijlage Gegevens (over noodzaak) lerend werken in het kader van arbeid, met toegevoegd: - -• gegevens over de arbeidsplaats; -• gegevens over het eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland; -• een samenwerkingsovereenkomst tussen de Nederlandse en de buitenlandse werkgever met handtekening van beide werkgevers en de vreemdeling; -• een leerplan; en -• een terugkeerverklaring. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling werkervaring opdoet in het kader van zijn studie op grond van een actieprogramma van de Europese Unie: - -• gegevens over de arbeidsplaats; -• gegevens over het eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland; -• de bijlage Gegevens (over noodzaak) van lerend werken in het kader van studie; -• een stageovereenkomst; -• een beursverklaring; en -• indien de vreemdeling studeert: een verklaring van de onderwijsinstelling dat de stage plaatsvindt in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie; of -• indien de vreemdeling is afgestudeerd: (alleen bij hoger opgeleide stagiairs die een HBO/WO-opleiding hebben afgerond): een diploma waaruit blijkt dat de vreemdeling niet langer dan twee jaar geleden is afgestudeerd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling werkervaring opdoet in het kader van arbeid op grond van een actieprogramma van de Europese Unie: - -• gegevens over de arbeidsplaats; -• gegevens over het eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland; -• de bijlage Gegevens (over noodzaak) van lerend werken in het kader van arbeid; -• bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de arbeid plaatsvindt in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie; -• een samenwerkingsovereenkomst tussen de Nederlandse en de buitenlandse werkgever met handtekening van beide werkgevers en de vreemdeling; en -• een terugkeerverklaring. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV, waaruit moet blijken dat de vreemdeling relevante werkervaring opdoet in het kader van zijn studie buiten Nederland: - -• gegevens over de arbeidsplaats; -• gegevens over het eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland; -• de bijlage Gegevens (over noodzaak) van lerend werken in het kader van studie met toegevoegd een: - -• stageovereenkomst; -• studieverklaring en een -• stageprogramma. - -De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling Canadees onderdaan is en ten minste 18 jaar en niet ouder dan 30 jaar is. - -De IND beschouwt een bewijs van inschrijving aan een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling studeert. - -De IND beschouwt een door de bevoegde autoriteiten gewaarmerkt afschrift van het diploma als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag niet langer dan twaalf maanden geleden is afgestudeerd. - -### 3. Seizoenarbeid - -#### 3.1. Beleidsregels - - - -De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een risico vormt op illegale migratie, als bedoeld in artikel 3.30c, tweede lid, Vb, wanneer de vreemdeling in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag eerder illegaal in Nederland heeft verbleven. - -De IND neemt aan dat de vreemdeling die seizoenarbeid verricht zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb juncto artikel 3.19, eerste lid, VV als het UWV een positief advies heeft afgegeven voor de te verrichten arbeid. - -De IND beslist op grond van 2u, eerste lid Vw binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘seizoenarbeid’. - -Uitzondering daarop is de aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘seizoenarbeid’ van een vreemdeling, die binnen 5 jaar een herhaalde aanvraag voor seizoenarbeid indient. In dat geval beslist de IND binnen 60 dagen. - -#### 3.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘seizoenarbeid’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan conform aanvullend document’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de GVVA met een geldigheidsduur van maximaal 24 weken. De geldigheidsduur van de GVVA eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV. - -#### 3.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een positief advies van UWV als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat de vreemdeling met de arbeid in loondienst zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -### 4. Schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van een zeeschip - -#### 4.1. Beleidsregels - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16c VV aan de vreemdeling die in Nederland wil verblijven om schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van een zeeschip te verrichten. De verblijfsvergunning is gekoppeld aan één specifiek schip, ook als de vergunning wordt verlengd. De verblijfsvergunning voor schepelingendienst wordt alleen verleend aan zeevarenden voor schepelingendienst op schepen die langer dan 90 dagen in de haven liggen. Het aantal zeevarenden mag in beginsel de minimumbemanning voor dat schip niet overschrijden. - -#### 4.2. Middelen van bestaan - -Gelet op artikel 3.16c, tweede lid, aanhef en onder a, VV moet een zeevarende een bruto inkomen verwerven dat tenminste gelijk is aan de standaardbeloning van een volmatroos, zoals bedoeld in Voorschrift 2.2, Leidraad B2.2.4, van het Maritiem arbeidsverdrag, 2006. - -In 2025 was de standaardbeloning van een volmatroos bepaald op USD 690. De zeevarende beschikt derhalve over voldoende middelen van bestaan, als hij een inkomen heeft van tenminste op USD 690 bruto per maand. - -#### 4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16c VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening in verband met verblijf onder de beperking schepelingendienst: ‘Arbeid niet toegestaan’. De zeevarenden die een verblijfsvergunning krijgen onder de beperking schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip treden namelijk niet toe tot de Nederlandse arbeidsmarkt. - -Gelet op artikel 3.16c, VV verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal 11 maanden. Op grond van dezelfde bepaling wordt de geldigheidsduur van de vergunning niet verlengd na ommekomst van 11 maanden. - -#### 4.4. Bewijsmiddelen - -Artikel 3.16c, tweede lid, VV bepaalt dat een zeevarende een arbeidsovereenkomst en een monsterboekje moet overleggen bij de aanvraag en omvat de eisen die hieraan worden gesteld. - -De IND beschouwt bovengenoemde arbeidsovereenkomst, waaruit blijkt dat de zeevarende in ieder geval een inkomen heeft van USD 690 per maand ook als bewijsmiddel dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb. - -## B5. Arbeid regulier - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor: - -• arbeid in loondienst; -• grensoverschrijdende dienstverlening; of -• arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.31, 3.31a, 3.40, 3.89 en 3.91, eerste lid, Vb. - -### 2. Arbeid in loondienst - -#### 2.1. Beleidsregels - -##### 2.1.1. Arbeid op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat en arbeid op een Nederlands zeeschip - -Op grond van artikel 3.31, vijfde lid, Vb kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die: - -• een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft; -• op grond van dat arbeidsverleden recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet; en -• met deze uitkering zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -Op grond van artikel 3.31, vijfde lid, Vb kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die: - -• een arbeidsverleden heeft aan boord van een Nederlands zeeschip van ten minste zeven jaar waarbij de totale duur van de onderbrekingen van de arbeid in deze periode niet langer is dan achttien maanden; -• tijdens dat arbeidsverleden zijn verlofperioden geheel in Nederland heeft doorgebracht; en -• nog ten minste een jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands zeeschip. - -Op grond van artikel 3.31, vijfde lid, Vb kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die: - -• op moment van indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gedurende nog ten minste een jaar beschikt over een arbeidsplaats op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat; en -• met deze werkzaamheden zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. - -Op grond van artikel 3.31, vijfde lid, Vb kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die: - -• een ononderbroken arbeidsverleden van ten minste zeven jaar aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft; -• op grond van dit ononderbroken arbeidsverleden recht heeft op een uitkering krachtens de WW; en -• met deze uitkering zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. -• Het arbeidsverleden als hierboven bedoeld is niet onderbroken in geval van: - -• tussentijdse, in Nederland doorgebrachte perioden van werkloosheid van elk ten hoogste zes maanden; of -• tussentijdse perioden van tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de internationale arbeidsmarkt van, bij elkaar opgeteld, ten hoogste twaalf maanden. - -##### 2.1.2. Arbeid op grond van een zetelovereenkomst - -Op grond van artikel 3.31, vijfde lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling die: - -• werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het op 7 juni 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 25); of -• werkzaamheden verricht als bedoeld in de voorlaatste alinea van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties, behorend bij het op 21 december 2007 te New York tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon (Trb. 2007, 228). - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, Vw, als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -##### 2.1.3. Intra-concern uitzendingen anders dan voor overplaatsing binnen een onderneming - -De IND verstaat onder een intra-concern uitzending een vorm van uitzending waarbij de werkgever de vreemdeling tijdelijk overplaatst van een buitenlandse vestiging naar een vestiging in Nederland en waarbij geen sprake is van een overplaatsing binnen een onderneming als bedoeld in artikel 3.30d Vb. - -Op grond van paragraaf 8.3.b.5 van de RuWav 2022, gaat het om de volgende categorieën vreemdelingen: - -• leidinggevenden; -• trainers en trainees; en -• specialisten. - -De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb juncto artikel 3.19, eerste lid, VV als het UWV een positief advies heeft afgegeven voor de te verrichten arbeid. - -##### 2.1.4. Geestelijk bedienaren - -In aanvulling op artikel 3.31 Vb: - -de IND wijst de aanvraag om een GVVA voor het verrichten van arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie af als de vreemdeling het basisexamen inburgering in het buitenland niet heeft behaald of afgelegd, tenzij de vreemdeling hiervan is vrijgesteld. Voor het inburgeringsvereiste buitenland zie paragraaf B1/4.7 Vc. - -##### 2.1.5. Arbeid in het kader van de Regeling internationaal handelsverkeer - -In aanvulling op artikel 3.31, eerste lid, Vb, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Regeling internationaal handelsverkeer aan de vreemdeling die: - -– tijdelijk werkzaamheden verricht in het kader van een traject dat is toegelaten tot de Regeling internationaal handelsverkeer (artikel 5.2 van het BuWav); -– en door de werkgever is aangemeld bij het UWV. - -##### 2.1.6. Pilot ‘Arbeid als essentieel startup personeel’ - -Op grond van artikel 3.31, zesde lid, Vb, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ aan het essentiële personeelslid van een startup onderneming met schaalbare bedrijfsactiviteiten. - -De IND wijst de aanvraag voor het verrichten van arbeid als essentieel startup personeel af als in totaal vijf vreemdelingen op basis van dit verblijfsdoel werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor dezelfde startup onderneming. - -De IND wijst de aanvraag voor het verrichten van arbeid als essentieel startup personeel af indien de onderneming op het moment van beoordeling arbeid laat verrichten door meer dan vijftien werknemers op basis van een arbeidsovereenkomst. - -De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan als aan het salariscriterium en de medewerkersparticipatie wordt voldaan die uit artikel 2.7, eerste lid, onder a en b, Buwav en artikel 3.20e VV volgen. - -Het advies van de Minister van EZ ten aanzien van het innovatieve en startende karakter van de onderneming heeft een geldigheidsduur van drie jaar na ingang van de eerste verblijfsvergunning voor arbeid als essentieel personeelslid bij die onderneming. - -##### 2.1.7. Arbeid in loondienst na verblijf als familie- of gezinslid - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ aan de vreemdeling waarvan het verblijf als familie- of gezinslid is beëindigd, als wordt voldaan aan artikel 3.31, eerste lid, Vb. - -In het geval de vreemdeling korter dan 5 jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet, op grond waarvan hij mocht werken, beoordeelt de IND of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, Vb aan de hand van een individueel arbeidsmarktadvies van het UWV. - -De IND vraagt het UWV niet om een individueel arbeidsmarktadvies als de IND op grond van het algemeen arbeidsmarktadvies dat het UWV jaarlijks uitbrengt kan beoordelen of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, Vb. - -#### 2.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -##### 2.2.1. Beperking - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Arbeid in loondienst’. - -##### 2.2.2. Arbeidsmarktaantekening - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder d, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan conform aanvullend document’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.5 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.6 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’. - -##### 2.2.3. Voorschrift - -Op grond van artikel 10 Wav kunnen aan de afgifte van een GVVA voorschriften worden verbonden. - -##### 2.2.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning regulier arbeid in loondienst – algemeen - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent de IND de GVVA voor de duur van maximaal drie jaar. De geldigheidsduur van de GVVA eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de arbeidsovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan: - -– voor de duur van drie jaar; of -– voor vijf jaar als de vreemdeling gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw en hij zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de arbeidsovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan: - -– voor de duur van maximaal drie jaar, -– of voor de duur van maximaal vijf jaar indien de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt. - -De IND hanteert in de hieronder genoemde situaties de volgende beleidsregels ten aanzien van de geldigheidsduur. - -###### 2.2.4.1. Geldigheidsduur vergunning wegens arbeid op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat en arbeid op een Nederlands zeeschip - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van maximaal drie jaar. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in ieder geval: - -• voor de duur van een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet; of -• voor de duur van de arbeidsovereenkomst, -• maar voor maximaal drie jaar. - -###### 2.2.4.2. Geldigheidsduur vergunning wegens arbeid op grond van een zetelovereenkomst - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal drie jaar. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal vijf jaar. - -#### 2.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een advies van het UWV dat ten behoeve van de vreemdeling is afgegeven als bewijsmiddel dat: - -• met de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend; en -• dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV in ieder geval: - -• de bijlage Gegevens arbeidsplaats, inclusief een arbeidsovereenkomst; -• de bijlage Gegevens eerder verblijf en toekomstig woonadres in Nederland. - -In de hieronder genoemde specifieke gevallen beschouwt de IND verder als bewijsmiddel: - -• Goederen leveren door en aan buitenlands bedrijf: -• de bijlage Gegevens levering goederen. -• Kunst en cultuur: -• de bijlage Gegevens musicus/artiest in topsegment. -• Geestelijke bedienaar: -• de bijlage Gegevens geestelijke bedienaar. -• Arbeid in loondienst overig: -• de bijlage Gegevens vacaturevoorziening. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de continuïteit en solvabiliteit van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie in Nederland voldoende zijn gewaarborgd: - -• een verklaring over het betalingsgedrag door de Belastingdienst; en -• een door een accountant goedgekeurde jaarrekening van het afgesloten boekjaar; of -• een rapport van bevindingen van een accountant over de continuïteit en solvabiliteit van de organisatie; of -• een bankverklaring waaruit blijkt dat de continuïteit en solvabiliteit van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie in Nederland voldoende zijn gewaarborgd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op het continentaal plat heeft: - -• een arbeidsovereenkomst; en -• een werkgeversverklaring. - -De IND beschouwt een toekenningsbeschikking van de uitkeringsinstantie op grond van de ZW als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling: - -• uit hoofde van zijn dienstbetrekking op grond van een door Nederland gesloten sociaal zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse sociale verzekeringen; en -• recht heeft op een uitkering op grond van de ZW, die niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt. - -De IND beschouwt een kopie van het monsterboekje als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling: - -• een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip heeft van ten minste zeven jaar, waarin de totale duur van de onderbrekingen van de arbeid niet langer is dan achttien maanden; -• tijdens dat arbeidsverleden de verlofperioden geheel in Nederland heeft doorgebracht. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gedurende ten minste nog één jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands schip, waarmee hij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt: - -• een arbeidsovereenkomst; en -• een werkgeversverklaring. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning gedurende ten minste nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, waarmee hij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt: - -• een arbeidsovereenkomst; en -• een werkgeversverklaring. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een ononderbroken arbeidsverleden van ten minste zeven jaar aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft: - -• een arbeidsovereenkomst; en -• een werkgeversverklaring. - -De IND beschouwt een toekenningsbeschikking van de uitkeringsinstantie op grond van de WW als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling: - -• uit hoofde van zijn dienstbetrekking op grond van een door Nederland gesloten sociaal zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse sociale verzekeringen; en -• recht heeft op een uitkering op grond van de WW en dat deze niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling tijdelijk arbeid verricht in het kader van de Regeling internationaal handelsverkeer: - -• een beschikking van het UWV waaruit blijkt dat het traject voldoet aan de voorwaarden van de Regeling internationaal handelsverkeer, zoals neergelegd in artikel 5.2 van het BuWav; en -• een bewijs van aanmelding van de vreemdeling bij het UWV. - -De IND beschouwt een advies van het UWV dat ten behoeve van de vreemdeling is afgegeven als bewijsmiddel dat: - -• met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend; en -• dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -De IND beschouwt een verklaring van het Ministerie van BuZa als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling onder de werking valt van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland of onder de werking valt van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon. - -Financiële bewijsmiddelen ter staving van de aanvraag moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde onafhankelijke externe, bij een relevante beroepsorganisatie aangesloten, deskundige. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling of er een overeenkomst is tussen de startende ondernemer en het essentiële personeelslid: - -• een arbeidsovereenkomst waaruit de aard van de werkzaamheden en het salaris blijkt; -• een door beide partijen (onderneming en essentieel personeelslid) ondertekende overeenkomst waaruit de vorm, het percentage en de voorwaarden van de medewerkersparticipatie blijkt en de bijbehorende participatieregeling. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de onderneming door niet meer dan vijftien werknemers arbeid laat verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst: - -• een geanonimiseerde uitdraai van de verzamelloonstaat die op het moment van het beoordelen van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling van de voorwaarden van de medewerkersparticipatie, in het geval van: - -a. Aandelen: - -• Statuten van de vennootschap; -• De aandeelhoudersovereenkomst; en -• Het aandeelhoudersregister. -b. Opties op aandelen: - -• Statuten van de vennootschap; en -• Optieovereenkomst. -c. Certificaten van aandelen die worden gehouden in een Stichting Administratiekantoor: - -• Statuten van de vennootschap die aandelen heeft gecertificeerd; -• Statuten van de Stichting Administratiekantoor; -• Administratievoorwaarden van de Stichting Administratie Kantoor; en -• Register van certificaathouders. -d. Aandeel in de winst van een Commanditaire Vennootschap: - -• Vennootschapsovereenkomst. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling of de onderneming startend en innovatief is met schaalbare bedrijfsactiviteiten in ieder geval: - -a. Ten aanzien van de organisatie van de onderneming: - -• CV‘s van de oprichters, directie of bestuurders en het essentiële personeel; -• diploma’s en referenties van de oprichters, directie of bestuurders en het essentiële personeel of andere bewijzen van kennis en/of competenties; -• een bewijs van inschrijving van de onderneming in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. -b. Ten aanzien van de groei van de onderneming: - -• bedrijfsdocumentatie, bijvoorbeeld een businessplan, waarmee aangetoond wordt: - -i. dat de onderneming innovatief is en aan schaalbare bedrijfsactiviteiten vorm geeft; -ii. welke activiteiten of stappen de onderneming neemt om groei te realiseren; -iii. welke essentiële rol het aan te trekken personeelslid gaat vervullen binnen de onderneming om de groei te realiseren. -c. Ten aanzien van de financiering van de onderneming: - -• recente jaarrekeningen, inclusief (openings)balans, winst & verliesrekening en toelichting; -• overeenkomsten met/garantstellingen door financiers en/of accountantsverklaringen en/of bankafschriften en onderbouwende financiële prognoses bestaande uit prognose balansen, -winst & verliesrekeningen en -cashflowoverzichten; -• BTW-, VPB en IB-aangiftes en beschikkingen; -• als aanwezig en van toepassing: termsheets en/of intentieverklaringen van financiers voor de toekomstige financieringsrondes wanneer deze staan vermeld in de financiële prognoses. - -Als de startup onderneming ten tijde van de aanvraag een begeleidingsovereenkomst voor een startup verblijfsvergunning heeft of heeft gehad met een facilitator, dan overlegt deze onderneming ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling of de onderneming startend en innovatief is, enkel de bewijsmiddelen ten aanzien van de groei onder iii. Als er geen lopende overeenkomst meer is met de facilitator, dan moet de aanvraag voor het essentiële personeelslid maximaal 18 maanden na afloop van de begeleidingsovereenkomst ingediend zijn. De facilitator moet nog aantoonbaar en actief betrokken zijn bij de startup onderneming. - -Als de startup onderneming kan aantonen dat zij een financieringsovereenkomst van minimaal € 100.000 met een durfinvesteerder of een Nederlands bank heeft, dan hoeven overige bewijsmiddelen ten aanzien van de financiering van de onderneming niet overgelegd te worden. - -### 3. Grensoverschrijdende dienstverlening - -#### 3.1. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder i, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘grensoverschrijdende dienstverlening’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder i, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6 Buwav, met een maximum van twee jaar. - -#### 3.2. Bewijsmiddelen - -Als de werkzaamheden van de vreemdeling voor aanvang daarvan bij het online meldloket bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) via www.postedworkers.nl zijn gemeld door de werkgever, beschouwt de IND deze melding als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling gerechtigd is in het land van vestiging van de dienstverlener te verblijven en gerechtigd is daar in dienst van de dienstverlener arbeid te verrichten: - -• een verblijfsvergunning van het land van vestiging; en -• een werkvergunning van het land van vestiging. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de terugkeer van de vreemdeling naar het land van bestendig verblijf is gewaarborgd: - -• een verblijfsvergunning; -• een werkvergunning; en -• een arbeidsovereenkomst met de dienstverlener. - -De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en werkvergunning van het land van bestendig verblijf mag niet zijn verstreken op de dag na het beëindigen van de gemelde werkzaamheden in Nederland. - -### 4. Arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel - -#### 4.1. Beleidsregels - -De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb wanneer de vreemdeling behoort tot een in Nederland gelegerde of op doortocht zijnde krijgsmacht en verbonden is aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier. - -#### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder l, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder l, Vb verleent of verlengt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar. - -#### 4.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling behoort tot een in Nederland gelegerde of op doortocht zijnde krijgsmacht en verbonden is aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en niet geprivilegieerd is: - -• een militair identificatiebewijs dat afgegeven is door de zendende staat; en -• een Travel Order of een daarmee vergelijkbaar document. - -### 5. Zoekperiode - -Op grond van artikel 3.91, eerste lid, Vb, verleent de IND de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe arbeidsplaats te vinden als de vreemdeling werkloos raakt. - -In aanvulling op artikel 3.91, eerste lid, Vb verleent de IND ook een zoekperiode van drie maanden om in geval van werkloosheid een nieuwe arbeidsplaats te vinden aan de vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’, die geen aanvullend document bevat, gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning. De IND trekt de verblijfsvergunning in nadat deze zoekperiode is verstreken. - -De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden. - -## B6. Kennis en talent - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor de volgende verblijfsdoelen: - -• het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst; -• arbeid als kennismigrant; -• onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801; -• arbeid als zelfstandige; -• houder van een Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2021/1883/EU; of -• overplaatsing binnen een onderneming. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb, het BuWav en het VV: - -• artikelen 3.3, 3.4, 3.23b, 3.23c, 3.30, 3.30a, 3.30b, 3.30d, 3.32, 3.33 en 3.42, 3.89b, 3.89ba, 3.91c, 4.43 en 4.47 Vb; -• artikelen 2.1, 2.2, 2.3 en 2.6 BuWav; -• artikelen 3.20a, 3.20b, 3.20c, 3.20d, 3.23, 4.24, 4.35 en 4.36 VV. - -De beleidsregels over kortermijnmobiliteit binnen de Europese Unie van onderzoekers en hun gezinsleden zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8 en 12 uit de Vw. - -### 2. Beleidsregels - -#### 2.1. Algemeen - - - -#### 2.2. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst - -Bij het bepalen van de ingangsdatum van de drie jaren, zoals opgenomen in artikel 3.42, eerste lid, Vb geldt: - -• voor vreemdelingen die aan een Nederlandse onderwijsinstelling zijn afgestudeerd de datum die op het diploma is vermeld of de datum waarop volgens schriftelijke verklaring van de onderwijsinstelling is voldaan aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van die opleiding; en -• voor vreemdelingen die aan een buitenlandse onderwijsinstelling zijn afgestudeerd of gepromoveerd de datum die op het diploma is vermeld. - -In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder c, Vb beschouwt de IND het afronden van een postdoctorale opleiding als voldoende, als deze: - -• voor een academisch jaar is aangegaan; en -• vanwege de zomerperiode korter dan 12 maanden, maar minimaal 10 maanden, heeft geduurd. - -In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder e, Vb en artikel 3.23 VV geldt het volgende. - -In het geval de onderwijsinstelling niet is opgenomen in de top 200 van ten minste twee van de algemene lijsten genoemd in artikel 3.23 VV, maar wel is opgenomen in de top 200 van de ranglijsten per faculteit en vakgebied, dient de vreemdeling te zijn afgestudeerd of gepromoveerd in het vakgebied waarmee de onderwijsinstelling in de top 200 van de ranglijst per faculteit en vakgebied staat om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. - -In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder e, Vb en artikel 3.23 VV geldt dat de onderwijsinstelling op de datum van afstuderen of promoveren in de top 200 van de ranglijsten als bedoeld in artikel 3.23 VV staat. - -Voor afgestudeerde UAF-studenten die in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het zoekjaar hoogopgeleiden geldt aanvullend het volgende: - -• de aanvraag dient in beginsel door tussenkomst van de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF te worden ingediend; -• op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb kan worden voorbijgegaan aan het mvv-vereiste indien de afgestudeerde UAF-student rechtmatig in Nederland verblijft; en -• het paspoortvereiste wordt niet tegengeworpen als op grond van een individuele beoordeling op basis van de aanwezige documenten de identiteit en nationaliteit van de betreffende afgestudeerde UAF-student voldoende aannemelijk zijn gemaakt. - -In aanvulling op artikel 3.42, tweede lid, Vb geldt dat een tweede verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ alleen wordt verleend als de vreemdeling na afloop van het eerste zoekjaar een nieuwe opleiding heeft afgerond of opnieuw wetenschappelijk onderzoek heeft verricht als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Vb. - -#### 2.3. Arbeid als kennismigrant - -Voor de hoogte van het looncriterium wordt verwezen naar artikel 2.1, eerste en vijfde lid, BuWav. - -De vereisten zoals opgenomen in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb zijn van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning als de vreemdeling conform artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b of c, BuWav wordt aangemerkt als: - -• een wetenschappelijk onderzoeker; of -• een arts in opleiding tot specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. - -De IND past het verlaagde looncriterium als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav toe als: - -– de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van het zoekjaar hoogopgeleiden zoals opgenomen in artikel 3.42, eerste lid, Vb; en -– de in artikel 3.42, eerste lid, Vb genoemde periode van drie jaar niet is verstreken. - -Op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon. - -De IND telt bij de berekening van het bruto maandloon als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, BuWav de onkostenvergoedingen en toeslagen mee, als: - -• de werkgever het loon inclusief onkostenvergoedingen en toeslagen over een periode van ten hoogste een maand elke maand giraal overmaakt op een bankrekening, bestemd voor girale betaling, die op naam is gesteld van de vreemdeling; en -• de onkostenvergoeding en toeslagen contractueel zijn vastgelegd. - -De IND telt bij het bruto maandloon niet mee: - -• (de waarde van) in natura uitgekeerd loon; -• de vakantietoeslag; en/of -• de waarde van onzekere, niet vaste, loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen. - -De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30a Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. - -De IND verleent de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden als de vreemdeling werkloos raakt. De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden. - -De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ in: - -– nadat de zoekperiode van drie maanden is verstreken; en -– de vreemdeling geen nieuwe functie als kennismigrant heeft gevonden. - -De IND trekt deze verblijfsvergunning in per datum einde zoekperiode. - -De IND trekt deze verblijfsvergunning niet in als de vreemdeling binnen drie maanden een nieuwe functie als kennismigrant vindt, voor zover wordt voldaan aan alle voorwaarden. - -#### 2.4. Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 - - - -De IND verstaat onder onderzoekers in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 ook promovendi en onbezoldigd onderzoekers zoals bursalen en ontvangers van stipendia. - -Onderzoekers kunnen voor twee verblijfsbeperkingen in aanmerking komen: - -• als onderzoeker in de zin van richtlijn (EU) 2016/801; of -• als kennismigrant conform de gelijknamige regeling (zie paragraaf B6/2.3 Vc). - -Uit een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, Vb moet in ieder geval blijken dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• het onderzoeksproject is goedgekeurd door de onderzoeksinstelling; -• de vreemdeling beschikt over een passend diploma van hoger onderwijs waarmee toegang bestaat tot een doctoraatprogramma; en -• de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn opgenomen in de gastovereenkomst. - -De IND verleent in aanvulling op artikel 3.33, eerste lid, Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. - -Een diploma van hoger onderwijs geeft toegang tot doctoraatprogramma’s om onderzoek te mogen doen in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. - -In afwijking hiervan kan een vreemdeling in aanmerking komen voor verblijf in Nederland om onderzoek (PhD) te verrichten en hiervoor een verblijfsvergunning te verkrijgen zonder al in het bezit te zijn van een passend diploma van hoger onderwijs, voor zover de erkende onderzoeksinstelling verklaart dat op individuele gronden is aangetoond dat de vreemdeling over het benodigde niveau beschikt. - -De IND beschouwt deze vreemdeling als een student die in het bezit is van een passend diploma van hoger onderwijs, voor zover de erkende onderzoeksinstelling waarbij de student onderzoek gaat doen bereid is om hem voor dit doel toe te laten. - -De vreemdeling die dan onderzoek mag verrichten en gelijktijdig een masterprogramma volgt, valt in dat geval onder de beleidsregels voor onderzoek in de zin van de richtlijn (EU) 2016/801. - -In aanvulling op paragraaf B1/4.3 Vc beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb: - -• een inkomen uit een (studie)beurs, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; -• een inkomen uit een stipendium, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; -• een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of op andere wijze, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; of -• een op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar bedrag. - -Richtlijn (EU) 2016/801 maakt twee vormen van mobiliteit mogelijk voor onderzoekers en diens gezinsleden, te weten: - -1. Kortetermijnmobiliteit, zoals opgenomen in artikel 3.3, vierde lid, Vb; en -2. Langetermijnmobiliteit, zoals opgenomen in artikelen 29 en 30 van richtlijn (EU) 2016/801, waarvoor de voorwaarden zijn opgenomen in artikel 3.33 Vb. - -Binnen deze twee vormen van mobiliteit is een onderscheid te maken tussen: - -• Uitgaande mobiliteit, waarbij de IND aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 heeft verleend en Nederland de eerste lidstaat is; of -• Inkomende mobiliteit, waarbij aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 is verleend door een andere lidstaat binnen de Europese Unie en Nederland de tweede lidstaat is. - -De erkende referent is verplicht om, indien de vreemdeling in het bezit is van een door de IND afgegeven verblijfsvergunning regulier voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en hij tevens onderzoek gaat verrichten in één of meerdere tweede lidstaten, uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle volgende informatie te melden bij de IND: - -• De verwachte duur van de mobiliteit met de verwachte begin- en einddatum; -• In welke tweede lidstaat of lidstaten de vreemdeling onderzoek gaat verrichten; en -• Of de vreemdeling aansluitend terugkeert naar Nederland als eerste lidstaat en zo ja, wanneer hij verwacht terug te keren. - -De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, eerste lid, Vb respectievelijk artikel 4.47 vierde lid Vb, desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan: - -• De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie zonder Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning heeft afgegeven met het verblijfsdoel onderzoek, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van onderzoek heeft; -• De vreemdeling is in het bezit van een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801; -• De kennisgeving is voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B6/4.4 Vc ingediend door een hiertoe gemachtigde erkende onderzoeksinstelling in Nederland of de vreemdeling zelf; -• De mobiliteit is voor de duur van maximaal 180 dagen in een periode van 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; -• De vreemdeling gaat in Nederland onderzoek verrichten aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling; en -• Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb. - -De gezinsleden van de vreemdeling hebben op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder b, Vb het recht om de vreemdeling tijdens de inkomende kortetermijnmobiliteit te vergezellen. De onderzoeker dient als referent de kennisgeving, zoals genoemd in artikel 30, tweede lid, juncto artikel 28, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/801, in voor diens gezinsleden. - -De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan: - -• De vreemdeling is, als gezinslid van de onderzoeker, in het bezit van een geldige door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning; -• De kennisgeving is, voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B6/4.4 Vc, ingediend door de onderzoeker als referent; -• De mobiliteit is voor de duur van maximaal 180 dagen in een periode van 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; en -• Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb. - -Indien niet langer aan de voorwaarden voor inkomende kortetermijnmobiliteit wordt voldaan, maakt de IND bij de gemachtigde onderzoeksinstelling en/of de vreemdeling kenbaar dat het verblijfsrecht in kader van de inkomende kortetermijnmobiliteit is geëindigd. Hierop is artikel 62a, derde lid, Vw van toepassing. - -De erkende referent is verplicht om uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle informatie te melden bij de IND zoals genoemd bij de uitgaande kortetermijnmobiliteit voor onderzoekers. - -De erkende referent dient bij inkomende langetermijnmobiliteit als onderzoeker namens de vreemdeling een aanvraag in bij de IND in voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. Om voor inwilliging in aanmerking te komen moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: - -• De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie zonder Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning heeft afgegeven met het verblijfsdoel onderzoek, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van onderzoek heeft; -• De vreemdeling is in het bezit van een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801; -• De mobiliteit is voor de duur van meer dan 180 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; -• De vreemdeling gaat in Nederland onderzoek verrichten aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling; en -• Het onderzoeksprogramma bevat mobiliteitsmaatregelen in het kader waarvan de vreemdeling in Nederland onderzoek gaat verrichten. - -De gezinsleden van de vreemdeling hebben op grond van artikel 30, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/801 het recht om de vreemdeling tijdens zijn mobiliteit te vergezellen. - -De gezinsleden die de onderzoeker willen vergezellen, dienen bij inkomende langetermijnmobiliteit een aanvraag in bij de IND (zie hoofdstuk B7 Vc). De onderzoeker mag als referent de aanvraag voor diens gezinsleden indienen. Gelet op artikel 3.26 VV geldt dat erkende referenten als bedoeld in artikel 3.99, eerste lid, Vb ook de aanvraag ten behoeve van een gezinslid in mogen dienen. De als referent erkende onderzoeksinstelling mag derhalve de aanvraag indienen. - -#### 2.5. Arbeid als zelfstandige - -Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking ‘arbeid als zelfstandige’ niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als: - -• de aanvraag is ingediend in het kader van artikel 3.30, zesde lid, Vb; en -• de vreemdeling al in Nederland is in verband met het oprichten van een innovatieve onderneming en in het bezit van een visum kort verblijf of niet-visumplichtig is. - -De aanvraag voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt geweigerd, als: - -• de vreemdeling op de loonlijst staat maar zelf buiten Nederland woont; of -• de vreemdeling geld investeert in een bedrijf maar zelf geen ondernemingsactiviteiten verricht. - -In aanvulling op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ aan een vreemdeling als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling wil een onderneming voeren in de individuele gezondheidszorg en registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG; of -• de vreemdeling is in het bezit van alle noodzakelijke vergunningen voor de uitoefening van de onderneming. Dit hangt af van de betreffende wetgeving die voor de onderneming geldt. - -In aanvulling op artikel 3.30 Vb beschouwt de IND de vreemdeling als zelfstandige die een directeur-(groot)aandeelhouder is als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling heeft een belang van 25% of meer in de onderneming; -• de vreemdeling loopt een ondernemingsrisico; en -• de vreemdeling kan de hoogte van het salaris zelf beïnvloeden. - -De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30 Vb aan een vreemdeling die onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika of Japan op grond van de hierboven genoemde Verdragen als wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden als genoemd in artikel 16 Vw met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onder c, Vw, én de vreemdeling: - -a. handel drijft tussen de grondgebieden van de twee verdragspartijen en zich bezighoudt met daarmee samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; of -b. de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd of waarin deze daadwerkelijk bezig is dat te doen, ontwikkelt en leidt. - -Ad b. - -De IND verstaat onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ in ieder geval één van de volgende situaties: - -• de vreemdeling vertegenwoordigt een Amerikaanse of Japanse onderneming in Nederland en is in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie; of -• de vreemdeling oefent een vrij beroep uit tenzij sprake is van een zekere publieke taak of een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidssector. - -De IND verstaat onder ‘aanzienlijk kapitaal’ in de hierna genoemde situaties het volgende: - -• eenmanszaak: een kapitaal waarmee de ondernemer zelfstandig de onderneming kan exploiteren. De IND beoordeelt de hoogte van het kapitaal per situatie, maar houdt als minimum een kapitaal van € 4.500 aan; -• Vof: een kapitaal van ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum een kapitaal van € 4.500; -• Cv: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen onderneming uit en valt niet onder het bepaalde in de verdragen; -• Bv: een kapitaal van ten minste 25% van het gestorte kapitaal, met als minimum een kapitaal van € 4.500. -• Nv: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 45.000, zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste € 11.250 beslaat. - -De IND telt geleend kapitaal niet mee als onderdeel van het ‘aanzienlijk kapitaal’. - -De IND trekt de verblijfsvergunning in als het aanzienlijk kapitaal onder het voor de ondernemingsvorm geldende minimum komt. - -Een vreemdeling die een beroep als zelfstandig kunstenaar uitoefent kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als hij voldoet aan het gestelde in artikel 3.30 Vb in samenhang met artikel 3.20a, vijfde lid, VV en bijlage 8aaa behorend bij artikel 3.20a, vijfde lid, VV. - -#### 2.6. Houder van een Europese blauwe kaart - -##### 2.6.1. Looncriterium - -Voor de hoogte van het looncriterium en de wijze van uitbetaling van het loon wordt verwezen naar artikel 2.2, eerste lid, onder b, zesde, zevende en achtste lid, BuWav. - -Op grond van artikel 3.30b, eerste lid, sub c, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Europese blauwe kaart’ af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon. - -Voor de vraag welke bestanddelen meetellen bij het vaststellen van de hoogte van het bruto maandloon is het gestelde in paragraaf B6/2.3 Vc onder het kopje *‘Bestanddelen bruto maandloon kennismigranten’* van overeenkomstige toepassing. - -##### 2.6.2. Hogere beroepskwalificaties - -In aanvulling op artikel 3.30b Vb geldt dat de daar bedoelde getuigschriften voldoen als de vreemdeling arbeid gaat verrichten waarvoor minimaal een diploma van hoger onderwijs vereist is. - -Deze paragraaf is een uitwerking van artikel 3.30b, derde lid, Vb. Voor de invulling van hogere beroepsvaardigheden wordt uitgegaan van hetgeen blijkt uit de eigen verklaring aangevuld met de informatie die blijkt uit de andere bewijsmiddelen zoals genoemd in paragraaf B6/4.6.3 Vc. - -In aanvulling op artikel 3.30b Vb hebben de werkgever en de vreemdeling bij een gereguleerd beroep de verantwoordelijkheid om desgevraagd bij een controle door de bevoegde instantie aan te tonen dat de vreemdeling beschikt over de erkenning van de vereiste beroepskwalificaties voor dit beroep. Zie hiervoor artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. - -De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30b Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. - -##### 2.6.3. Zoekperiode - -Deze paragraaf is een aanvulling op de artikelen 4.43, 3.89b en 3.89ba Vb. De IND geeft de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart een zoekperiode van drie maanden als de vreemdeling werkloos raakt om een nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart te vinden. De IND verruimt deze zoekperiode tot zes maanden als de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden. - -De IND trekt de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’ in: - -– nadat de zoekperiode zoals hierboven is beschreven, is verstreken; en -– de vreemdeling geen nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart heeft gevonden bij een werkgever die voor hem optreedt als referent. - -De IND trekt de verblijfsvergunning niet in als de vreemdeling binnen drie maanden een nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart vindt, mits wordt voldaan aan alle voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De IND verruimt deze termijn tot zes maanden als de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. - -#### 2.7. Overplaatsing binnen een onderneming - -Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb vraagt de IND advies aan het UWV indien de referent erkend is en: - -• de vreemdeling een trainee-werknemer is; of -• het salaris als niet marktconform wordt beschouwd als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder g, Vb. - -De IND beschouwt een salaris dat voldoet aan het looncriterium voor arbeid als kennismigrant als marktconform als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder g, Vb. - -Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb vraagt de IND geen advies aan het UWV en wijst de IND de aanvraag af of trekt de vergunning in, als: - -• de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.30d, eerste lid, onder j, k of l, Vb; -• sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3.30d, tweede lid, aanhef en onder c, Vb; -• het onderdeel van de onderneming, waarnaar de vreemdeling in Nederland wordt overgeplaatst, niet is ingeschreven in de Kamer van Koophandel; -• de vreemdeling voor meer dan 50% eigenaar is van de onderneming. - -Als de vreemdeling meer dan 50% eigenaar is van de onderneming, dan beschouwt de IND deze persoon als zelfstandige. Op dat moment is de ICT-richtlijn niet op hem van toepassing (artikel 2, aanhef en onder d, Richtlijn 2014/66/EU). - -Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb wijst de IND de aanvraag af of trekt de vergunning in indien het UWV een negatief advies geeft omtrent: - -• de voorwaarden genoemd in artikel 3.30d, eerste lid, onderdelen a tot en met j, Vb; of -• de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.30d, tweede lid, Vb. - -Op grond van artikel 11, vierde lid, respectievelijk 22, vierde lid, van de richtlijn 2014/66/EU vermeldt de IND op het verblijfsdocument van de werknemer ‘ICT’ respectievelijk ‘mobile ICT’. - -De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30d Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. - -### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -#### 3.1. Beperking - -##### 3.1.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. - -##### 3.1.2. Arbeid als kennismigrant - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder d, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als kennismigrant’. - -##### 3.1.3. Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801’. - -Op grond van artikel 3.103a, zesde lid, Vb vermeldt de IND aanvullend op het verblijfsdocument: ‘Onderzoekersmobiliteit’. - -##### 3.1.4. Arbeid als zelfstandige - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als zelfstandige’. - -##### 3.1.5. Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’. - -##### 3.1.6. Overplaatsing binnen een onderneming - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: - -‘Overplaatsing binnen een onderneming’. - -#### 3.2. Arbeidsmarktaantekening - -##### 3.2.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt verleend op grond van artikel 3.42 Vb: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -##### 3.2.2. Arbeid als kennismigrant - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder g, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als kennismigrant en als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. - -Op grond van in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -##### 3.2.3. Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Ook de vreemdeling, die als gezinslid in het kader van inkomende langetermijnmobiliteit de onderzoeker vergezelt en in Nederland verblijft, mag werkzaamheden verrichten. Hiervoor geldt dat arbeid vrij is toegestaan en een TWV niet vereist is (zie paragraaf B7/4 Vc). - -##### 3.2.4. Arbeid als zelfstandige - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder i, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’. - -Op grond van in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -##### 3.2.5. Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder h, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart en als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening, als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -##### 3.2.6. Overplaatsing binnen een onderneming - -Op grond van artikel 3.1. vijfde lid, aanhef en onder n, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid wegens overplaatsing binnen een onderneming en arbeid als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. - -#### 3.3. Geldigheidsduur - -##### 3.3.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van één jaar. - -##### 3.3.2. Arbeid als kennismigrant - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder d, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: - -• voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden; of -• voor de duur van de opleiding als de vreemdeling als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister. - -##### 3.3.3. Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: - -• voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden; of -• voor ten hoogste de duur van de opleiding als de kennismigrant als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister. - -De vreemdeling kan een aanvraag indienen voor verlenging van de inkomende langetermijnmobiliteit. Verlenging is slechts mogelijk voor zover dit past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat en zolang de vreemdeling blijft voldoen aan de voorwaarden voor langetermijnmobiliteit. - -Bovenstaande geldt ook bij de inkomende langetermijnmobiliteit van de gezinsleden van onderzoeker. - -##### 3.3.4. Arbeid als zelfstandige - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van maximaal twee jaar of voor maximaal één jaar als de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 3.30, zesde lid, Vb. - -##### 3.3.5. Houder van een Europese blauwe kaart - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder e, Vb verleent of verlengt de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst of aanstelling aangevuld met drie maanden maar niet langer dan vijf jaar. - -##### 3.3.6. Overplaatsing binnen een onderneming - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van de duur van de overplaatsing, maar met een maximale geldigheidsduur van drie jaar in geval van een leidinggevende of specialist en één jaar in geval van een trainee-werknemer. - -Indien sprake is van lange-termijnmobiliteit, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de overplaatsing, maar met een maximale geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor overplaatsing binnen een onderneming. - -### 4. Bewijsmiddelen - -#### 4.1. Algemeen - - - -#### 4.2. Het zoeken naar en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling aan een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs met goed gevolg een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding of een postdoctorale opleiding heeft afgerond: - -• een diploma of getuigschrift; of -• een verklaring met de datum waarop aan alle voorwaarden is voldaan voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van die opleiding. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling een dergelijke opleiding heeft afgerond, een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling die: - -• opleidingen verzorgt in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; -• opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; of -• is aangewezen in het Voorschrift Vreemdelingen. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een Erasmus Mundus Masters Course heeft afgerond: - -• een diploma of getuigschrift; en -• een schriftelijke diplomawaardering van Nuffic van dit diploma of getuigschrift. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een masteropleiding, een postdoctorale opleiding of een promotietraject aan een buitenlandse onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.23 VV heeft afgerond: - -• een diploma of getuigschrift; en -• een schriftelijke diplomawaardering van Nuffic van dit diploma of getuigschrift. - -Een diplomawaardering van Nuffic hoeft niet overgelegd te worden als de opleiding voorkomt in het Vlaamse Hogeronderwijsregister. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een minimaal niveau van kennis van de Engelse of Nederlandse taal heeft: - -• een testrapport van het International English Language Testing System met een minimale score van 6.0; of -• een testrapport van een andere Engelse taaltest zoals opgenomen in de Gedragscode internationale student hoger onderwijs met een vergelijkbare minimale score; of -• een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit inburgering; of -• een bewijsstuk waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn masteropleiding, postdoctorale opleiding of promotietraject heeft genoten in het Engels of het Nederlands. - -#### 4.3. Arbeid als kennismigrant - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium zoals is vastgelegd in artikel 2.1, BuWav: - -• een arbeidsovereenkomst; -• een aanstellingsbesluit; of -• als sprake is van overplaatsing in concernverband, niet zijnde een overplaatsing binnen een onderneming als bedoeld in artikel 3.30d Vb, en geen arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het in Nederland gevestigde onderdeel van het bedrijf: een verklaring van het bedrijf in het buitenland waarin staat wat de duur van de overplaatsing is, de aard van het dienstverband en het loon. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan: - -• een arbeidsovereenkomst; of -• een aanstellingsbesluit. - -De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling een marktconform loon verdient, documenten met daarin informatie over: - -• de aard van het bedrijf en het totale personeelsbestand van het bedrijf; -• de opleiding van de kennismigrant. De werkgever moet inzichtelijk maken dat de kennismigrant over bepaalde kwalificaties beschikt. Dit kan de werkgever aantonen door het overleggen van diploma’s en/of getuigschriften van de kennismigrant. Kopieën van diploma’s en getuigschriften moeten zijn gewaardeerd door het Nuffic; -• de functie die de kennismigrant gaat vervullen. De werkgever moet: -• aangeven wat de naam van de functie is en welke taken de kennismigrant binnen deze functie gaat vervullen; en -• aantonen welke speciale deskundigheid op het gebied van opleiding en werkervaring nodig is om deze functie te doen vervullen door een kennismigrant; en -• de arbeidsplaats. De werkgever moet: -• aangeven of er een Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) van toepassing is, en zo ja, welke; en -• inzichtelijk maken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden (inclusief de overige vergoedingen die aan de kennismigrant betaald gaan worden), overeenkomen met de laatst overeengekomen CAO. - -Als geen sprake is van een CAO moet de werkgever informatie verstrekken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden overeenkomen met vergelijkbare functies. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het loon blijken en waarin de functiescheiding en de functiecode zoals gedefinieerd in het universitair functieordeningssysteem zijn opgenomen: - -• een arbeidsovereenkomst; of -• een aanstellingsbesluit. - -• een aanstellingsbesluit; of -• een gastovereenkomst. - -De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het opleidingsregister van de Medische Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven als arts of specialist in opleiding. - -#### 4.4. Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 - -De IND beschouwt een gastovereenkomst als bedoeld in paragraaf B6/2.4 Vc als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, Vb. - -De gemachtigde en krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling of de vreemdeling stuurt met de kennisgeving de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND: - -• Een ingevuld en ondertekend machtigingsformulier waarmee de vreemdeling de erkende onderzoeksinstelling in Nederland machtigt; -• Een verklaring van de gemachtigde onderzoeksinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij kortetermijnmobiliteit van onderzoekers; -• Een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801, waarin de gegevens zijn opgenomen als bedoeld in artikel 3.20d VV; -• Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor onderzoek zoals afgegeven door de eerste lidstaat; -• Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; en -• Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring. - -Indien de vreemdeling geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de onderzoeksinstelling te machtigen, dan is de vreemdeling zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de kennisgeving voorzien van alle relevante bewijsmiddelen zoals hierboven van de gemachtigde erkende onderzoeksinstelling gevraagd, met uitzondering van de verklaring van de gemachtigde onderzoeksinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit. - -In dat geval wordt van de vreemdeling gevraagd dat de kennisgeving, in aanvulling op de hierboven reeds genoemde bewijsmiddelen, vergezeld gaat van: - -• Een bewijs van de Nederlandse onderzoeksinstelling dat de vreemdeling toegelaten is tot het in Nederland te verrichten onderzoek; -• Een bewijs dat de mobiliteit voor de duur van maximaal 180 dagen is en binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning past; -• Een bewijs dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan zoals genoemd in paragraaf B6/2.4 Vc; en -• Een bewijs dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten. - -Voor de gezinsleden van de onderzoeker moeten met de kennisgeving dezelfde bovenvermelde bewijsmiddelen meegezonden worden. - -De IND staat geen mobiliteit toe aan de vreemdeling indien de kennisgeving niet is voorzien van alle relevante bewijsmiddelen gelet op de termijn van 30 dagen als bedoeld in artikel 28, zevende lid, respectievelijk artikel 30, tweede lid van richtlijn (EU) 2016/801. - -De erkende referent stuurt met de aanvraag de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND: - -• Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor onderzoek zoals afgegeven door de eerste lidstaat; -• Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; -• Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring; en -• Een verklaring van de erkende referent dat de onderzoeker voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij langetermijnmobiliteit van onderzoekers. - -#### 4.5. Arbeid als zelfstandige - -De IND beschouwt een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel met een omschrijving van het beroep of de bedrijfsactiviteiten die in de onderneming worden uitgeoefend als bewijsmiddel dat de onderneming is ingeschreven in het handelsregister. - -Financiële bewijsmiddelen ter staving van de aanvraag moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde onafhankelijke externe deskundige (register accountant, een accountant administratieconsulent, boekhouder of een financieel adviseur). - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.20b, VV, in ieder geval een van de volgende bewijsmiddelen: - -a. De vreemdeling zelf bekostigt de financiering: - -• een afschrift van een bankrekening die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling of van de onderneming is gesteld, waarop het saldo staat vermeld dat beschikbaar is; of -• een verklaring van de buitenlandse bank waar de vreemdeling een rekening heeft waaruit blijkt welk bedrag (maandelijks) ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland, die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling staat; -b. De begeleider bekostigt de financiering: - -• De overeenkomst tussen de vreemdeling en de begeleider dat aan de vreemdeling financiële middelen worden toegekend; -c. Een derde persoon of rechtspersoon bekostigt de financiering: - -• een verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland gedurende het verblijf in Nederland; of -• een verklaring van de derde persoon of rechtspersoon welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland gedurende diens verblijf in Nederland; en -• een recent(e) bankafschrift of rekeningspecificatie waar het rekeningsaldo van de derde persoon of rechtspersoon op staat; en -• een kopie van het paspoort van de derde persoon. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid van de begeleider: - -• een bewijs van inschrijving van de start-up van de vreemdeling in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; -• bewijsstukken waaruit blijkt dat de begeleider minimaal 2 jaar ervaring heeft in het selecteren en begeleiden van startende ondernemers, zoals een eigen ondernemingsplan, voorbeelden van begeleide start-ups, referenties en/of het curriculum vitae van minimaal twee medewerkers waaruit ervaring blijkt; -• bewijsstukken waaruit blijkt dat de begeleider financieel gezond is, zoals recente jaarrekeningen, overeenkomsten met financiers, garantstellingen door financiers, accountantsverklaringen, bankafschriften en/of onderbouwde financiële prognoses. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de vreemdeling (start-up): - -• een bewijs van inschrijving van de begeleider in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; -• een stappenplan van de vreemdeling dat informatie bevat over: - -• de rol van de vreemdeling in de start-up (de organisatie); -• het idee voor het product of de dienst van de start-up; -• de innovatie van het product of de dienst; -• de activiteiten (stappen) die de startende ondernemer neemt in het eerste jaar om van idee tot onderneming te komen. -• een door beide partijen ondertekende overeenkomst tussen de vreemdeling en de begeleider dat informatie bevat over: - -• de aard van de begeleiding (bijvoorbeeld de aangeboden faciliteiten, bijvoorbeeld over toegang tot coaching, technologie, onderzoek, bescherming intellectueel eigendom, marktonderzoek, financiering etc); -• de voorwaarden waaronder de begeleiding wordt aangeboden; -• het (mogelijk) belang van de begeleider in de onderneming. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat er geen familierechtelijk relatie is tussen de vreemdeling en de begeleider een verklaring waarin de vreemdeling bevestigt dat er geen familierechtelijke relatie (tot en met de derde graad) bestaat tussen de vreemdeling en de begeleider. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling bevoegd is een beroep of onderneming uit te oefenen: - -• een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; en -• een document afgegeven door de bevoegde Nederlandse autoriteit dat de vreemdeling in het bezit is van de noodzakelijke vergunningen om een beroep of onderneming uit te oefenen. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ of het Ministerie van VWS: - -• een document afgegeven door de bevoegde Nederlandse autoriteit, dat de vreemdeling in het bezit is van de noodzakelijke vergunningen om een beroep of onderneming uit te oefenen; -• een volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage verklaring inkomen zelfstandig ondernemer’ met de daarin gevraagde bewijsmiddelen; -• een ondernemingsplan dat informatie bevat over: - -• persoonlijke gegevens van de ondernemer; -• het product of de dienst; -• een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst; -• de organisatie; -• de (openings)balans; -• de omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen; en -• een specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen. -• afschriften van behaalde diploma’s voorzien van een Nuffic/ stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) waardering voor zover het een buitenlands diploma betreft; -• afschriften van getuigschriften (diploma, promotie) van een Nederlandse opleiding (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); -• als sprake is van een onderneming in het land van herkomst: de akte van oprichting en de statuten van de onderneming; -• arbeidsovereenkomst(en) en referenties van de voormalige dienstbetrekking(en); -• financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten, loonaangiften, e.d. -• bewijsmiddelen (bijv. patenten of referenties van kennisinstellingen e.d.) die het innovatieve karakter van het product of de dienst voor Nederland aantonen (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); -• bewijsmiddelen van arbeidscreatie in de eigen onderneming (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); -• gegevens met betrekking tot de voorgenomen investeringen (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); -• als sprake is van een bv: een kopie van het aandelenregister en de oprichtingsakte; -• als sprake is van een vof/cv: een kopie van vof/cv contract met daarin: inbreng van vennoten, verantwoordelijkheden en aandeel in resultaat; -• als de vreemdeling een freelancer is: kopieën van intentieverklaringen en/of overeenkomst(en) van (de) opdracht(en) waaruit blijkt dat de vreemdeling in opdracht werkzaamheden als freelancer gaat uitvoeren. - -De vreemdeling die arbeid wil verrichten als zelfstandig kunstenaar moet ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van OCW de bewijsmiddelen overleggen zoals genoemd in bijlage 8aaa, behorend bij artikel 3.20a, vijfde lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000. - -De IND vraagt advies op bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de vraag of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd indien een vreemdeling, die eerder gebruik heeft gemaakt van de start-up regeling, een aanvraag heeft ingediend tot een eerste verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 3.30 Vb en niet voldoet aan artikel 3.20, eerste lid, VV. Bij een positief advies van de RVO kan de IND de middelen van bestaan in dat geval ook als duurzaam aanmerken. Voor de door de vreemdeling te overleggen bewijsmiddelen ten behoeve van het advies van de RVO omtrent de continuïteit en de solvabiliteit van de onderneming wordt verwezen naar paragraaf B1/8.2.2 Vc. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd: - -• bij een eenmanszaak: een bankafschrift van de onderneming waarop het geïnvesteerde bedrag staat en de (openings)balans; -• bij een vof: een oprichtingsakte of contract waarin staat hoe groot de financiële deelname is van iedere vennoot, de (openings)balans en een bankafschrift van de onderneming; of -• bij een bv en een nv: de oprichtingsakte. - -#### 4.6. Houder van een Europese blauwe kaart - -##### 4.6.1. Loon - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium voor houders van een Europese blauwe kaart: - -• een arbeidsovereenkomst; of -• een aanstellingsbesluit. - -Paragraaf B6/4.3 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -##### 4.6.2. Diploma - -De IND beschouwt een schriftelijke Internationale Diplomawaardering als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs en dat deze opleiding vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding voor hoger onderwijs. - -De IND beschouwt een origineel gewaarmerkte kopie van het diploma van hoger onderwijs in Nederland als bewijsmiddel waar uit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs. - -##### 4.6.3. Hogere beroepsvaardigheden - -Deze paragraaf is een uitwerking van artikel 4.35, lid 1, onder e VV en artikel 3.30b Vb. - -De IND beschouwt in ieder geval als begin van bewijs dat de vreemdeling beschikt over voldoende en relevante hogere beroepsvaardigheden: - -• een eigen verklaring; -• een cv; en -• een afschrift van de vacaturetekst. - -Dit bewijs moet aangevuld worden met een of meerdere overige stukken zoals bijvoorbeeld: - -• referenties van werkgevers; -• voorgaande arbeidscontracten; -• een overzicht van het relevante arbeidsverleden vanuit de officiële overheidsinstantie(s); of relevante tewerkstellingsvergunningen afgegeven door de officiële overheidsinstantie(s). - -##### 4.6.4. Economische activiteit - -De IND beschouwt de volgende stukken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er economische activiteit plaats vindt bij de referent: - -• een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; -• een bewijs van een eigen adres waar economische activiteiten verricht worden, zoals een huurcontract of koopakte; -• een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008, die op de datum van indiening niet ouder is dan drie maanden; en -• een geanonimiseerde verzamelloonstaat waaruit blijkt dat ten minste een fte al werkzaam is in de gastentiteit vóór de komst van een beoogd houder van een Europese blauwe kaart. - -De IND vereist bovenstaande bewijsmiddelen niet als het gaat om een erkend referent. - -De IND beschouwt een postbus niet als een bewijs van een eigen adres. - -##### 4.6.5. Individuele gezondheidszorg - -De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het BIG-register als bewijsmiddel dat de vreemdeling in het BIG-register is geregistreerd. - -##### 4.6.6. Erkenning beroepskwalificaties - -De IND beschouwt als bewijsmiddel documenten waarin staat dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten om een gereguleerd beroep uit te oefenen en dat deze vereisten erkend zijn in de zin van artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. - -##### 4.6.7. Mvv-vereiste voor de houder van de Europese blauwe kaart - -De IND beschouwt een document waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als houder van een Europese blauwe kaart in de andere EU-lidstaat blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen. - -##### 4.6.8. Langetermijnmobiliteit - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling houder is van een door een andere lidstaat afgegeven Europese blauwe kaart: - -• Een kopie van het verblijfsdocument met de vermelding ‘Europese blauwe kaart’ afgegeven door de andere lidstaat van de EU. - -#### 4.7. Overplaatsing binnen een onderneming - -• De IND beschouwt een positief advies van het UWV dat ten behoeve van de vreemdeling is afgegeven als bewijsmiddel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.30d, eerste lid, onderdelen a tot en met i, Vb. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV in ieder geval: - -• Een opdrachtbrief van de werkgever met daarin de gegevens zoals vermeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder d, Vb; en -• Een cv van de vreemdeling waaruit blijkt welke opleidingen hij heeft afgerond en waaruit – indien van toepassing – de werkervaring blijkt. - -Vorenstaande bewijsmiddelen gelden zowel voor de erkend-referent in de gevallen zoals genoemd in paragraaf B6/2.7 Vc, als de niet-erkend referent en de vreemdeling die voor overplaatsing binnen een onderneming in aanmerking wil komen. - -In de hieronder genoemde specifieke gevallen beschouwt de IND verder als bewijsmiddel: - -• Bij de uitoefening van een gereglementeerd beroep: - -− Bewijs van erkenning van de beroepskwalificaties - -• Bij een trainee-werknemer die géén houder is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor overplaatsing binnen een onderneming: - -− Diploma’s en getuigschriften waaronder een cv en een kopie van een behaald masterdiploma; en -− Een trainee-overeenkomst die verband houdt met de voorbereiding voor zijn toekomstige functie binnen de onderneming of groep van ondernemingen, met daarin: - -○ een beschrijving van het traineeprogramma waaruit blijkt dat het doel van het verblijf is de trainee-werknemer op te leiden voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfstechnieken – en methoden; -○ de duur ervan; en -○ de wijze waarop tijdens de overplaatsing toezicht zal worden uitgeoefend op de trainee-werknemer. - -In aanvulling op het bovenstaande beschouwt de IND bovendien de volgende stukken als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het UWV als bedoeld in artikel 3.30d, vierde lid Vb, indien de referent niet erkend is: - -• Een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; -• Een bewijs van een eigen adres waar economische activiteiten verricht worden, zoals een huurcontract of koopakte; -• Een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008, die op de datum van indiening niet ouder is dan drie maanden; en -• Een geanonimiseerde verzamelloonstaat waaruit blijkt dat ten minste een fte al werkzaam is in de gastentiteit vóór de komst van de ICT. - -De IND beschouwt een postbus niet als een bewijs van een eigen adres. - -De IND beschouwt als een bewijsmiddel dat de vreemdeling houder is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor overplaatsing binnen een onderneming: - -• Een kopie van het verblijfsdocument met de vermelding ‘ICT’ afgegeven door de andere lidstaat van de EU. - -In (bijzondere) gevallen kan de IND afwijken van de over te leggen bewijsmiddelen door niet-erkend referenten. Dit geeft het UWV enige ruimte bij de beoordeling van adviesaanvragen die niet volledig aan de voorwaarden voldoen, maar waarbij op andere wijze is aangetoond dat de overkomst van de ICT naar de bestaande gastentiteit toch een positieve bijdrage levert aan de Nederlandse economie. - -### 5. Verlenging - -#### 5.1. Arbeid als kennismigrant - -De IND willigt de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb in als niet aan het looncriterium voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder wordt voldaan als aan alle volgende voorwaarden wel wordt voldaan: - -• de vreemdeling heeft voor het bereiken van het dertigste levensjaar verblijf gekregen als kennismigrant; -• de vreemdeling wijzigt niet van werkgever; en -• de vreemdeling voldoet nog aan het looncriterium voor vreemdelingen jonger dan dertig jaar zoals is vastgelegd in artikel 2.1, BuWav. - -De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ niet af, op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb, als sprake is van alle volgende omstandigheden: - -• de vreemdeling voldoet niet aan het looncriterium als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, BuWav; -• voor de vreemdeling gold bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav; en -• de vreemdeling voldoet nog aan dit looncriterium. - -De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 18 Vw en trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van artikel 19 Vw, juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend en: - -• de kennismigrant langer dan drie maanden werkloos is; of -• de kennismigrant een uitkering krachtens de Pw heeft aangevraagd. - -#### 5.2. Houder van een Europese blauwe kaart - -##### 5.2.1. Werkloosheid - -Als de houder van de Europese blauwe kaart werkloos is op het moment dat de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend wijst de IND de aanvraag af op grond van artikel 3.89b, tweede lid, Vb en trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van artikel 3.91c Vb als: - -• de houder van een Europese blauwe kaart langer dan drie maanden werkloos is en de vreemdeling korter dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart; of -• de houder van een Europese blauwe kaart langer dan zes maanden werkloos is en de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. - -In aanvulling op het voorgaande wordt verwezen naar de artikelen 3.84, 3.89b, 3.89ba, 3,89c, 3.91c en 3.91d Vb met daarin de gronden om de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet te verlengen of in te trekken in paragraaf B6/5.2 Vc. - -## B7. Gezinsmigratie - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven als *familie- of gezinslid* van een in Nederland verblijvende *referent*. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.13 tot en met 3.22a, 3.23, 3.23b, 3.24a, 3.26, 3.27 en 3.28 Vb. - -Ten aanzien van de volgende categorieën familie- of gezinsleden zijn de toelatingsvoorwaarden opgenomen in respectievelijk de hoofdstukken B10, B12 en B13: - -• familie- of gezinsleden van onderdanen van Zwitserland of van een lidstaat van de EU/EER; -• familie- of gezinsleden van onderdanen van Turkije op grond van Besluit 1/80; -• familie- of gezinsleden van een ex-geprivilegieerde; -• familie- of gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning regulier voor (on)bepaalde tijd die in een andere EU-lidstaat de status hebben verkregen van EG-langdurig ingezetene; en -• familie- of gezinsleden van onderdanen van het VK die een verblijfsvergunning hebben op grond van het Brexit terugtrekkingsakkoord. - -### 2. Algemene beleidsregels - -#### 2.1. Middelen van bestaan - -De persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, de referent, moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De beleidsregels opgenomen in B1/4.3 zijn van toepassing op de beoordeling van de middelen van bestaan van de referent. - -##### 2.1.1. Vrijstellingsgronden middelen van bestaan - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als de referent voldoet aan één van de volgende voorwaarden: - -• de referent heeft de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW bereikt; -• de referent is naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt; of -• de referent is blijvend niet in staat aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent: - -• een uitkering ontvangt op grond van de WAO, WAZ of de Wajong en voldoet aan alle volgende voorwaarden: -• uit de toekenningsbeschikking op grond van de WAO, WAZ of Wajong van de uitkerende overheidsinstantie blijkt dat de referent volledig arbeidsongeschikt is; en -• uit de meest recente uitkeringsspecificatie (die van minimaal één jaar na datum toekenningsbeschikking is) blijkt dat de referent op het moment van het indienen of beoordelen van de aanvraag nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is, omdat de uitkering minimaal op gelijke hoogte is gebleven. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent: - -• een uitkering op grond van de WIA ontvangt en voldoet aan één van de volgende voorwaarden: -• de referent valt onder de regeling IVA en uit de toekenningsbeschikking en/of uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er geen kans is op herstel; of -• de referent valt onder de regeling IVA en uit zowel de toekenningsbeschikking als uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er een geringe kans is op herstel. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb, in ieder geval niet aan als de referent een uitkering WIA ontvangt op grond van de regeling WGA. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent: - -• een uitkering op grond van de Wet Wajong ontvangt en voldoet aan één van de volgende voorwaarden: -• de referent is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en uit de toekenningsbeschikking en/of uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er geen kans is op herstel; of -• de referent is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en uit zowel de toekenningsbeschikking als uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er een geringe kans is op herstel. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent geen uitkering op grond van de WIA, WAO, WAZ, Wet Wajong of Wajong ontvangt en als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• de referent is ten minste twee jaar volledig arbeidsongeschikt; -• (gedeeltelijk) herstel van de referent is voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs uitgesloten; en -• niet al op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, is geheel of gedeeltelijk herstel van de referent na dit jaar te verwachten. - -Met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb wijst de IND de verblijfsvergunning niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, Vw als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. - -De IND neemt in ieder geval aan dat de referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 Pw te voldoen als de referent voldoet aan de twee volgende voorwaarden: - -• de referent is vijf jaar door B&W op grond van artikel 9, tweede lid, Pw volledig ontheven van de verplichting bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, Pw (plicht tot arbeidsinschakeling); en -• gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent is niet binnen één jaar te voorzien. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent beschikt over een geldige Wsw-indicatie. - -De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent op het tijdstip waarop de verblijfsaanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven ten minste twee jaar beschikt over een geldige indicatie banenafspraak in de zin van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. - -Als de referent een verblijfsvergunning heeft op tijdelijke humanitaire gronden, verband houdend met mensenhandel of eergerelateerd geweld of huiselijk geweld, dan wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb niet af op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -Met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de echtgeno(o)t(e) of het ongehuwde minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een referent niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, Vw als de referent op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag is toegelaten. - -##### 2.1.2. Gezinsvorming en alimentatie - -De IND brengt de alimentatie die moet worden betaald voor zowel de huwelijks- of geregistreerde partner als de alimentatie voor de kinderen, in mindering op het inkomen van de referent als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• er is sprake is van een aanvraag met als doel gezinsvorming; en -• de referent heeft in een eerdere verblijfsprocedure zijn (ex)-partner tegen zijn wil en zonder identiteitspapieren achtergelaten in het land van herkomst. - -##### 2.1.3. Referent met verblijfsrecht als bedoeld in - -In aanvulling op artikel 3.22, eerste lid, Vb beschouwt de IND de middelen van bestaan van de referent die verblijfsrecht heeft in het kader van studie, onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, arbeid als kennismigrant, het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, overplaatsing binnen een onderneming of arbeid als zelfstandige als bedoeld in artikel 3.30, zesde lid, Vb als duurzaam als de middelen van bestaan beschikbaar zijn voor een jaar of zoveel korter als de verblijfsduur van de referent. - -Middelen van bestaan van de referent uit een andere bron zoals genoemd in artikel 3.73, eerste lid, Vb worden ook als middelen van bestaan in het kader van de aanvraag om familie- of gezinslid beschouwd als deze voor de hoofdpersoon meetellen bij het beoordelen of deze duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -#### 2.2. Referent met tijdelijk verblijfsrecht - -Met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan familie- of gezinsleden van een referent met tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5 Vb als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning onder één van de volgende beperkingen: - -• studie; -• het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst; -• grensoverschrijdende dienstverlening; -• overplaatsing binnen een onderneming; -• verblijf als familie- of gezinslid, als de referent een tijdelijk verblijfsrecht heeft; -• asiel voor bepaalde tijd; -• medische behandeling; -• het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap; -• tijdelijke humanitaire gronden (met uitzondering van verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling); -• vermogende vreemdeling (uitsluitend indien de referent verblijf heeft als vermogende vreemdeling); of -• grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk. - -### 3. Specifieke beleidsregels - -#### 3.1. Huwelijk en (geregistreerd) partnerschap - -##### 3.1.1. Duurzame en exclusieve relatie - -De IND neemt aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als de IND onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan de IND de aanvraag afwijzen. - -De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen. - -##### 3.1.2. Leeftijd echtgenoten of geregistreerd partners - -In afwijking van artikel 3.14, aanhef en onder a, Vb en artikel 3.15, eerste lid, Vb verleent de IND met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb de verblijfsvergunning als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling en de referent hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt; -• er is sprake van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap; en -• het huwelijk of het geregistreerd partnerschap bestond al in het buitenland, voordat de referent rechtmatig verblijf in Nederland had. - -##### 3.1.3. Samenwoning - -De IND neemt aan dat de vreemdeling en de referent samenwonen als bedoeld in artikel 3.17 Vb als zij aan alle volgende voorwaarden voldoen: - -• de referent en de vreemdeling wonen feitelijk samen; -• de referent en de vreemdeling voeren naar buiten toe hetzelfde adres; en -• de referent en de vreemdeling zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de BRP. - -##### 3.1.4. Polygamie - -De IND wijst de aanvraag van de buitenlandse echtgenoot alsmede eventuele gezinsleden af als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft. - -##### 3.1.5. Verbreking huwelijk - -De IND neemt aan dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken. - -#### 3.2. Minderjarige kinderen - -##### 3.2.1. Gezinsband - -De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, zoals bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1). - -Op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb verleent de IND in afwijking van artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb de verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind dat: - -• onder rechtmatig gezag staat van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de referent; en -• naar het oordeel van de IND feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot, geregistreerd partner of partner. - -De IND neemt in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als: - -• het kind zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of -• het kind een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie. - -Als het kind zelf de zorg heeft voor buitenhuwelijkse kinderen, is dit uitsluitend een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de referent, als daarnaast sprake is van een van de twee hiervóór genoemde omstandigheden. - -De IND neemt aan dat in Nederland buitenshuis wonende kinderen nog feitelijk tot het gezin van hun de ouder(s) behoren, als die (al dan niet met studiebeurs) een volledige dagopleiding volgen. - -##### 3.2.2. Zorgrecht en gezag - -De IND neemt aan dat van rechtswege rechtmatig gezag hebben als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb: - -• beide echtgenoten als het kind is geboren tijdens het huwelijk; of -• de alleenstaande moeder. - -Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust. - -De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt. - -##### 3.2.3. Toestemming voor vertrek naar het buitenland van de andere met het gezag belaste ouder - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb af als: - -• het rechtsstelsel in het land van herkomst het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stelt van toestemming van de andere ouder; -• beide ouders het gezag hebben over het kind; -• een van de ouders achterblijft in het land van herkomst; en -• de achterblijvende ouder geen toestemming verleent voor het vertrek van het kind. - -De toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie kan voor de hierboven bedoelde toestemming in de plaats worden gesteld als de ouder wiens toestemming is vereist: - -• de toestemming niet wil geven; -• onvindbaar is; of -• is overleden. - -##### 3.2.4. Bereiken meerderjarigheid - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond 3.14, aanhef en onder c, Vb om de enkele reden dat het kind de achttienjarige leeftijd heeft bereikt als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• het kind is in het land van herkomst achtergebleven in verband met de vervulling van de militaire dienstplicht; -• het kind had op het tijdstip waarop de andere gezinsleden naar Nederland vertrokken de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt; en -• de aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het ontslag uit militaire dienst. - -##### 3.2.5. Meetellen gezinsinkomen - -De IND telt het zelfstandige en duurzaam verworven inkomen van de partner van de referent mee bij het beoordelen van het inkomen van de referent als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• de referent en zijn partner zijn gehuwd of zijn een (geregistreerd) partnerschap aangegaan; -• de partner van de referent is een Nederlander of heeft rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of l, Vw; en -• de referent en de partner wonen samen. - -Als de referent voldoet aan bovenstaande voorwaarden, dan beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende in de zin van artikel 3.22, eerste lid, Vb, als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb. - -De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van vereiste met betrekking tot middelen van bestaan op grond van artikel 3.22, tweede lid, Vb of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid van het kind niet af op grond van artikel 3.22, eerste lid, Vb omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• het minderjarige kind beoogt verblijf bij zijn juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij zijn (huwelijks)partner (de referent van de ouder); en -• door de referent van de ouder wordt zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan of deze is vrijgesteld van het vereiste met betrekking tot middelen van bestaan. - -Dit geldt ook als de referent van het minderjarige kind inmiddels rechtmatig verblijf heeft, of Nederlander is. - -##### 3.2.6. Polygamie - -Als de referent met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of (geregistreerd) partnerschap is verbonden, verleent de IND op grond van artikel 3.16 Vb geen verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind van de referent als sprake is van één van de volgende omstandigheden: - -• de referent in Nederland leeft samen met één van de partners én deze partner is niet de biologische of juridische ouder van het minderjarige kind; of -• de referent in Nederland leeft samen met een kind dat is geboren uit een andere relatie dan die tussen de biologische of juridische ouders van het minderjarige kind. - -#### 3.3. In Nederland geboren kinderen - -De IND wijst de aanvraag van een in Nederland geboren kind als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, Vb niet af als het rechtmatig gezag van de ouders niet is aangetoond. - -De IND wijst de aanvraag niet af wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan niet mee te werken. - -Onder artikel 3.23 Vb wordt ook begrepen de situatie dat: - -• het kind in Nederland is geboren; -• het kind behoort tot het gezin van een ouder, die na de geboorte van het kind genaturaliseerd is; -• het kind sinds de geboorte feitelijk is blijven behoren tot het gezin; -• het kind en de referent sinds de geboorte van het kind het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst; en -• het kind voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.23, vierde en vijfde lid, Vb. - -Ook in deze situatie wijst de IND de aanvraag niet af wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan niet mee te werken - -#### 3.4. Gezinshereniging bij minderjarige houder verblijfsvergunning asiel - -##### 3.4.1. Leeftijd van de referent - -De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in 3.24a Vb niet als de referent 18 jaar of ouder is, tenzij de referent wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld of er een mentorschap is ingesteld, als bedoeld in artikelen 378, 431 en 450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. - -##### 3.4.2. Alleenstaand - -De referent wordt niet als alleenstaand als bedoeld in artikel 3.24a, eerste lid, Vb aangemerkt als hij onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene. - -De IND wijst de aanvraag niet af op grond van artikel 3.24a, eerste lid, Vb vanwege het feit dat de referent niet alleenstaand is, als door de Nederlandse rechter een in Nederland gevestigde persoon of instelling als voogd is benoemd, tenzij de voogd een bloedverwant in de rechtstreeks opgaande lijn is. - -#### 3.5. Gezinsleden van een verblijfsvergunninghouder medische behandeling - -De IND kan op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb een verblijfsvergunning verlenen aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden, van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, als genoemd in artikel 3.14, sub a en c, Vb: - -• de huwelijks- of (geregistreerde) partner die 21 jaar of ouder is; -• de biologische of juridische kinderen die onder rechtmatig gezag van de referent vallen. - -Als de referent een minderjarig kind is, verleent de IND op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden: - -• de biologische of juridische ouders, als het kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouders; -• de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouders een verblijfsvergunning heeft verleend als gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voor medische behandeling’. De minderjarige broers en zussen staan onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders. - -Op grond van artikel 3.46, vierde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ die verleend is nadat gedurende ten minste een jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw. - -#### 3.6. Buitenlandse adoptiekinderen en adoptiefkinderen - -##### 3.6.1. Buitenlandse adoptiekinderen - -De IND maakt een onderscheid tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse adoptiefkinderen (zie paragraaf 3.6.4). - -De IND verstaat onder buitenlandse adoptiekinderen: - -• niet Nederlandse en in de zin van de Nederlandse wet minderjarige kinderen; -• die buiten Nederland zijn geboren; en -• in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke worden of zullen worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers de plaats van de ouders innemen. - -De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een buitenlands adoptiekind aan artikel 3.26, eerste lid, Vb als sprake is van één van de volgende omstandigheden: - -• in Nederland moet (alsnog) in de adoptie worden voorzien; -• de buitenlandse rechter heeft ingestemd met de plaatsing van het kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders maar hij moet de definitieve adoptie nog uitspreken; of -• erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:109 BW moet nog plaatsvinden; of -• de buitenlandse adoptiebeslissing kan niet op grond van het Haags adoptieverdrag of op grond van artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW worden erkend; of -• de rechtsgeldigheid van de buitenlandse adoptiebeslissing is nog niet door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing erkend, in de situatie dat de aspirant- adoptiefouders die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben niet de procedure hebben gevolgd zoals vereist op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka). - -##### 3.6.2 - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier onder de beperking familie- of gezinslid als aan alle volgende vereisten van de Wobka als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, Vb is voldaan: - -• de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (die Rechtsbescherming in zijn portefeuille heeft) heeft een beginseltoestemming afgegeven (artikel 2 Wobka); -• de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (die Rechtsbescherming in zijn portefeuille heeft) heeft ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders; -• er is een medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse adoptiekind (artikel 8, aanhef en onder b, Wobka) overgelegd waaruit blijkt dat het kind niet lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er niet toe leiden dat een gehandicapt kind nooit zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op tbc is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar tbc te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is; -• de afstand door de biologische ouder(s) van het buitenlandse adoptiekind is naar behoren geregeld (artikel 8, aanhef onder d, Wobka); en -• de autoriteiten in het land van herkomst stemmen in met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders (artikel 8, aanhef en onder e, Wobka). - -De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond. - -De IND handelt de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van het adoptiekind versneld – binnen twee weken – af als deze wordt ingediend door de bemiddelende, vergunninghoudende instantie namens de aspirant-adoptiefouders. - -Nadat de IND heeft gecontroleerd of de beginseltoestemming is afgegeven en de Statement of approval (bij Verdragsadopties) dan wel de beginseltoestemming op naam (bij niet Verdragsadopties) en de leges zijn betaald, geeft de IND de toestemming aan de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst voor afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf. Hierbij geldt het voorbehoud dat de volgende bewijsmiddelen worden overgelegd bij de Nederlandse vertegenwoordiging: - -• de afstandsverklaring van de biologisch ouders; -• de verklaring van de bevoegde autoriteiten waaruit moet blijken dat zij hebben ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders; -• de medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat het adoptiekind niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. - -De betrokken Nederlandse vertegenwoordiging controleert of de afstandsverklaring van de biologische ouders, de verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst, waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders en de medische verklaring aanwezig zijn. - -Als er bij de Nederlandse vertegenwoordiging twijfel bestaat over de juistheid van bovengenoemde documenten, legt de Nederlandse vertegenwoordiging de zaak aan de IND voor. De IND stelt nader onderzoek in en beslist op basis van het onderzoeksresultaat of de machtiging tot voorlopig verblijf kan worden afgegeven door de Nederlandse vertegenwoordiging. - -##### 3.6.3. Afwachten van het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders - -Als het buitenlandse adoptiekind, als bedoeld in artikel 3.27 Vb, op het tijdstip van de inreis in Nederland sinds meer dan een jaar verblijft bij de aspirant-adoptiefouders en door hen wordt verzorgd en opgevoed, vindt er geen onderzoek meer plaats naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders. De IND merkt het buitenlands adoptiekind dan aan als een minderjarig juridisch kind als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid aanhef en onder c, Vb, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27, eerste lid aanhef en onder a en b. Vb. In dat geval beoordeelt de IND de toelating van het kind aan de hand van artikelen 3.13 t/m 3.22 Vb. - -De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond. - -##### 3.6.4. Buitenlandse adoptiefkinderen - -Een adoptiefkind is een juridisch kind als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, Vb. - -Onder buitenlands adoptiefkind wordt verstaan een niet Nederlands en in de zin van de Nederlandse wet minderjarig kind: - -• van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van het Haags adoptieverdrag van rechtswege wordt erkend; -• van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van artikel 10:108 BW van rechtswege wordt erkend; -• van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van artikel 10:109 BW door de Nederlandse rechter is erkend; -• van wie de rechtsgeldigheid van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing is erkend, in de situatie dat de adoptiefouders die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben niet de procedure hebben gevolgd zoals vereist op grond van de Wobka; of -• dat in Nederland is geadopteerd. - -De IND beoordeelt de toelating van buitenlandse adoptiefkinderen aan de hand van artikelen 3.13 t/m 3.22a Vb. - -#### 3.7. Buitenlandse pleegkinderen - - - -De IND beschouwt als buitenlandse pleegkinderen vreemdelingen die: - -• om andere redenen dan adoptie in hun belang naar Nederland worden overgebracht; en -• worden geplaatst in een pleeggezin waarbij de pleegouders feitelijk de plaats van de biologische of juridische ouders innemen. - -Daarbij kan sprake zijn van een situatie dat het pleegkind: - -• in het land van herkomst nog geen deel uitmaakte van het gezin van de aspirant-pleegouders (zie verder paragraaf B7/3.7.1 Vc); of -• in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort (zie verder paragraaf B7/3.7.2 Vc). - -##### 3.7.1. Het kind maakte in het land van herkomst nog geen deel uit van het gezin van de aspirant-pleegouders - -###### 3.7.1.1. Geen aanvaardbare toekomst - -De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. - -Onder naaste bloed- of aanverwanten wordt verstaan de ouders, grootouders, broers of zusters, van het buitenlandse pleegkind of de broers of zusters van de ouders van het buitenlandse pleegkind (ooms en tantes van het buitenlandse pleegkind). - -De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind, genoemd in artikel 3.28, derde lid, Vb, blijkt dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. - -Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind nooit zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op TBC is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar TBC te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is. - -###### 3.7.1.2. Aanvullende voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - -In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: - -1. het buitenlandse pleegkind een bloed- of aanverwant is als bedoeld in artikel 1:3 BW van de referent; -2. a. de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; óf -b. de autoriteiten van het land van herkomst stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders, in het geval dat de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) overleden zijn of een onbekende verblijfplaats hebben; en -3. de voogdij van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten. - -De referent moet een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, of oom of tante van het pleegkind zijn. - -Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is zowel instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) als instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist. - -##### 3.7.2. Het kind behoorde in het land van herkomst feitelijk reeds tot het gezin van de pleegouders - -###### 3.7.2.1. Geen aanvaardbare toekomst - -De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als het kind: - -• in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort; en -• minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen. - -De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie paragraaf B7/3.8.1 Vc). - -De pleegouders hoeven geen bloed- of aanverwant te zijn van het kind. - -###### 3.7.2.2. Aanvullende voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - -In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND uitsluitend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: - -• de pleegouders die het kind minimaal een jaar hebben verzorgd en opgevoed in het land van herkomst hebben in die periode de voogdij over het kind gekregen; -• de voogdij van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst; en -• de autoriteiten van het land van herkomst stemmen in met het vertrek naar en het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders in Nederland. - -##### 3.7.3. Meetellen gezinsinkomen - -De IND telt de zelfstandige en duurzame middelen van bestaan van de partner van de referent mee bij het beoordelen van de middelen van bestaan van de referent als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de referent en diens partner zijn gehuwd of een (geregistreerd) partnerschap aangegaan; -• de partner van de referent is een Nederlander of een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, Vw; en -• de referent en diens partner wonen samen. - -De IND beschouwt in deze gevallen de middelen van bestaan als voldoende in de zin van artikel 3.22, eerste lid, Vb, als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het referentiebedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb. - -De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van het middelenvereiste op grond van artikel 3.22, tweede lid, Vb of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner. - -#### 3.8. Familie of gezinsleven als bedoeld in Artikel 8 EVRM - -##### 3.8.1. Familie- of gezinsleven - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb. - -De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen: - -• echtgenoten in een reëel huwelijk (lawful and genuine marriage); -• partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie; -• ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen; of -• minderjarige broers en zussen, die bloedverwant zijn en die in hetzelfde gezin hebben samengeleefd. - -De IND neemt in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn: - -• erkenner; -• biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren); -• adoptiefouder(s); -• pleegouder(s); -• opvangouder(s); -• stiefouder(s); -• grootouder(s); -• oom/ tante; -• neef/nicht; -• minderjarige broer of zus met wie bloedverwantschap bestaat en met wie niet in hetzelfde gezin is samengeleefd; -• minderjarige broer of zus met wie geen bloedverwantschap bestaat; of -• meerderjarige broer of zus, - -als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. - -De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. - -De IND neemt familie- en gezinsleven aan als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind: - -• Jongvolwassen is; -• met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft; -• niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en -• geen zelfstandig gezin heeft gevormd. - -De IND neemt aan dat het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie. - -##### 3.8.2. Inmenging - -De IND neemt inmenging in het familie- en gezinsleven aan, als: - -• de vreemdeling ooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; -• aan de vreemdeling een inreisverbod wordt opgelegd; of -• de vreemdeling met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst wordt verklaard. - -##### 3.8.3. Belangenafweging - -Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid. - -Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging. - -Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling. - -### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij (naam van de partner/ echtgenoot/ minderjarig kind, enz)’. - -Als de referent een Nederlander is, dan luidt op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ - -Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning, dan is de arbeidsmarktaantekening van familie- en gezinsleden dezelfde als die van diens referent. - -In afwijking hiervan wordt op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ geplaatst op het verblijfsdocument van een gezinslid van een: - -• kennismigrant; -• houder van een Europese blauwe kaart; -• vergunninghouder in het kader van overplaatsing binnen een onderneming; of -• onderzoeker in de zin van richtlijn (EU) 2016/801; -• essentieel personeelslid van een startup onderneming; -• niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel als bedoeld in paragraaf B5/4 Vc, die werkzaam is voor het Headquarters Allied Joint Force Command Brunssum, zolang de referent aldaar werkzaam is. - -Op grond van artikel 3.1, derde lid, onderdeel p, VV wordt de aantekening ‘Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ geplaatst op het verblijfsdocument van een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. - -Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder m, Vb dan luidt op grond van artikel 3.1, derde lid, onder l, VV de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid niet toegestaan’. - -Als de referent in het bezit is van een GVVA, dan luidt voor gezinsleden de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’. - -Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk’ dan luidt voor gezinsleden de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van het verblijfsrecht van de referent. Als de referent Nederlander is of verblijf heeft voor langer dan vijf jaar, dan verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van vijf jaar. - -In geval van langetermijnmobiliteit van onderzoekers verleent de IND aan de gezinsleden van de onderzoeker, mits zij in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning voor verblijf als partner of minderjarig kind zoals afgegeven door een andere lidstaat binnen de Europese Unie, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gelijk aan de duur van het verblijfsrecht van de referent. - -### 5. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de WAO, WAZ of Wajong ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is: - -• een toekenningsbeschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt; -• de meest recente herbeoordeling; en -• de meest recente uitkeringsspecificatie. - -De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de WIA of Wet Wajong ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is: - -• een toekenningsbeschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt; en -• de meest recente herbeoordeling. - -De IND beschouwt in het geval de referent geen uitkering op grond van de WIA, WAO, WAZ, Wet Wajong of Wajong ontvangt een verklaring van een bedrijfsarts of verzekeringsarts als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. De arts die de verklaring heeft afgegeven moet met een aantekening over het betreffende specialisme in het BIG-register staan ingeschreven. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent blijvend niet in staat is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 Pw te voldoen: - -• toekenningsbesluiten op grond van de Pw die betrekking hebben op de vijf jaar voorgaand aan de indiening van de aanvraag; -• correspondentie met het College van B&W over ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag; en -• (als aanwezig) bewijsmiddelen waaruit blijkt dat arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is. - -De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is gehuwd met de referent. - -De IND beschouwt een akte van geregistreerd partnerschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een geregistreerd partnerschap is aangegaan met de referent. - -De IND beschouwt de relatieverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een relatie heeft met de referent. - -De IND beschouwt de ingevulde partnervragenlijst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. - -De IND beschouwt een ongehuwdverklaring uit het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf niet is gehuwd. De ongehuwdverklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden. - -De IND beschouwt een ongehuwdverklaring uit het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent in het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf niet is gehuwd. De ongehuwdverklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden. - -De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten: - -• recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of -• een recente verklaring van de politie of het OM waaruit blijkt dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld. - -Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. - -De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld. - -Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld: - -• de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71 lid 1 BW. - -De IND beschouwt in ieder geval een geboorteakte als bewijsmiddel dat sprake is van juridisch ouderschap. - -De IND beschouwt een ‘Bijlage verklaring burgerlijke staat’ als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling die 15 jaar of ouder is feitelijk tot het gezin van de referent behoort. - -De IND beschouwt bescheiden waaruit het rechtmatig gezag blijkt als bewijsmiddel van het rechtmatig gezag van de referent over de vreemdeling. - -De IND beschouwt -in het geval van een achtergebleven ouder met rechtmatig gezag- als bewijsmiddel dat de achtergebleven ouder toestemming heeft gegeven voor de komst van het minderjarige kind naar Nederland: - -• een door de achtergebleven ouder ondertekende toestemmingsverklaring; en -• een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de achtergebleven ouder. - -De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de minderjarige vreemdeling de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten: - -• recente medische informatie van de (vertrouwens)arts; of -• een recente verklaring van een andere hulpverlener; of -• recente gegevens over verblijf in de opvang; of -• andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron, waaruit voldoende blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. - -De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s). - -De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld. - -De IND beschouwt bescheiden met betrekking tot de familierechtelijke relatie, zoals een geboorteakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een familielid is van referent als bedoeld in artikel 3.24a Vb. - -a. *De vreemdeling is nog niet geadopteerd of de buitenlandse adoptiebeslissing moet nog worden erkend door de Nederlandse rechter. De vreemdeling zal ter adoptie worden opgenomen in het gezin van de referent.* - -De IND beschouwt een beginseltoestemming van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent geschikt is bevonden om een buitenlands kind op te nemen ter adoptie. - -De IND beschouwt het Statement of approval van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent het buitenlandse kind in zijn gezin mag opnemen ter adoptie, als het gaat om een Verdragsadoptie (Haags Adoptieverdrag). - -De IND beschouwt de beginseltoestemming op naam van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent het buitenlandse kind in zijn gezin mag opnemen ter adoptie, als het gaat om een niet-Verdragsadoptie. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met de opneming van de vreemdeling door de referent ter adoptie. - -De IND beschouwt een afstandsverklaring van de biologische ouders als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de biologische ouders afstand hebben gedaan van de vreemdeling. - -De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. - -De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een adoptiebeslissing is erkend één van de volgende bescheiden: - -• een verklaring van conformiteit op grond van artikel 23 van het Haags Adoptieverdrag (HAV), in geval van een Verdragsadoptie; -• een door de bevoegde instantie in het land van herkomst afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing (als de adoptiebeslissing op grond van artikel 10:108 BW van rechtswege wordt erkend); -• een door de bevoegde instantie afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing en een uitspraak van de Nederlandse rechter (als de adoptiebeslissing op grond van artikel 10:109 BW door de Nederlandse rechter moet zijn erkend); -• een door de bevoegde instantie afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing en een onherroepelijke uitspraak van de rechter (als de rechtsgeldigheid van de adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing moet zijn erkend, in de situatie dat de adoptiefouders die hun woon- en verblijfplaats in Nederland hebben, de procedure op grond van de Wobka niet hebben gevolgd); of -• een adoptie-uitspraak waaruit blijkt dat het kind in Nederland is geadopteerd. -b. *Verblijf gedurende het afwachten van het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders als bedoeld in artikel 11 Wobka* - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is opgenomen in het gezin van de aspirant-adoptiefouders in de periode dat de aspirant-adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, bescheiden waaruit het vorenstaande blijkt, bijvoorbeeld een afschrift uit de openbare registers uit het desbetreffende land. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouders van het kind, of als deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van herkomst vóór de komst naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van het kind en met de opneming van het kind ter adoptie in het gezin van de aspirant-adoptiefouders: - -• een instemmingsverklaring van de ouders; of -• een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst. - -De IND beschouwt bescheiden zoals vliegtickets als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat het kind met de aspirant-adoptiefouders Nederland is ingereisd. - -De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte. - -De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat de vreemdeling niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd als bewijsmiddel dat de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft. - -De aspirant-pleegouder moet aantonen wie de in het land van herkomst wonende naaste bloed- en aanverwanten zijn (bijv. familieboekje). - -Het bewijsmiddel moet afkomstig zijn uit een objectieve bron uit het land van herkomst (bijvoorbeeld een verklaring van een welzijnsinstelling, een verklaring van een arts of een uitspraak van een rechter). Een verklaring uit niet-objectieve bron (bijvoorbeeld familieleden) geldt in het algemeen niet als bewijsmiddel van geen aanvaardbare toekomst. - -Het komt regelmatig voor dat de aspirant-pleegouder verklaringen van de familieleden in het land van herkomst overhandigt waarin staat dat zij niet in staat zijn om het buitenlandse pleegkind te verzorgen. Als deze verklaringen niet worden onderbouwd met bewijsmiddelen uit een objectieve bron, neemt de IND in het algemeen niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst voor het kind in het land van herkomst. - -De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie blijkt als bewijsmiddel dat de referent een bloed- of aanverwant is van de vreemdeling in de zin dat hij een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, oom of tante van de vreemdeling is. Als bewijsmiddel geldt bijvoorbeeld een familieboekje. - -De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger en – als het recht van het land van herkomst dit vereist – de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met het verblijf van de vreemdeling in het gezin van de pleegouders: - -• een instemmingsverklaring van de ouders of wettelijk vertegenwoordigers; en -• een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten (bij voorkeur) van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de aspirant-pleegouders de voogdij hebben over de vreemdeling. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring is een voogdijbeschikking. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met het vertrek naar en het verblijf van de vreemdeling in het gezin van de pleegouders in Nederland een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de pleegouders de voogdij hebben gekregen over de vreemdeling. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring is een voogdijbeschikking. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor de vreemdeling te zorgen. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring waaruit dit kan blijken is een voogdijbeschikking. - -De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en de referent blijkt als bewijsmiddel waaruit moet blijven dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. - -De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat invulling wordt gegeven aan het gezinsleven tussen de vreemdeling en de referent als bewijsmiddel van de feitelijke invulling. - -De IND beschouwt gegevens en bescheiden waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen. - -Voor de bewijsmiddelen van gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel wordt verwezen naar C2/4.1.2. - -## B8. Humanitair tijdelijk - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen: - -• eergerelateerd en huiselijk geweld; -• slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel; -• vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken; -• amv’s die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken; -• remigratie op grond van artikel 8 Remigratiewet; -• overgangsrecht naar aanleiding van wijziging beleid voor amv’s per 1 juni 2013; -• verblijf in afwachting van een verzoek ex artikel 17 RWN; -• medische behandeling; -• verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen; -• plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996; -• verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden; -• verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel; -• verblijf als beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid; -• mensenrechtenverdedigers. - -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.6, 3.46, 3.48, 3.49, 3.99a, 3.102b, 61c en 6.1d Vb. - -### 2. Eergerelateerd en huiselijk geweld - -#### 2.1. Beleidsregels - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder e, Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer van eergerelateerd geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: - -1. er is sprake van een dreiging met eergerelateerd geweld in Nederland én in het land van herkomst; -2. er is een reële dreiging die niet op korte termijn kan worden weggenomen; -3. de wijze waarop uiting kan worden gegeven aan het eergerelateerd geweld is voldoende ernstig; en -4. de vreemdeling komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning. - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als uit het deskundigenadvies van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld voor de Nederlandse politie (LEC EGG) blijkt dat sprake is van een reële en langdurige dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland. Het LEC EGG betrekt in haar advies in ieder geval de mogelijkheid om de dreiging af te wenden. - -Naast dreiging in Nederland moet ook in het land van herkomst van het slachtoffer dreiging aanwezig zijn. Het slachtoffer moet in dit kader aannemelijk maken of: - -• familieleden in het land van herkomst wonen; -• welke familieleden dat zijn; en -• waar deze familieleden woonachtig zijn. - -De IND verstaat onder een voldoende ernstige uiting van eergerelateerd geweld in ieder geval: - -• levensbedreigende delicten gericht tegen het slachtoffer of zijn kinderen, waaronder ook wordt begrepen het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen weerstand kan bieden; -• andere strafbare feiten, gericht tegen het slachtoffer of zijn kinderen, zoals verminking, mishandeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving; -• verstoting, met als gevolg dat het slachtoffer zich niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst; -• kinderontvoering; of -• als het geweld leidt tot schrijnende omstandigheden, zoals gedwongen scheiding tussen ouder en kind of een gedwongen uithuwelijking. - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, Vb een verblijfsvergunning aan een slachtoffer van huiselijk geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: - -1. er is sprake van (een reële dreiging van) huiselijk geweld; -2. het huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de (huwelijks)relatie; -3. het huiselijk geweld heeft geen relatie met eer(wraak); -4. het slachtoffer kan zich niet onttrekken aan het huiselijk geweld door vestiging in het land van herkomst; en -5. het slachtoffer komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning. - -Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. - -Uitsluitend bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken. - -De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland moet ook in het land van herkomst dreiging aanwezig zijn. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat. - -#### 2.2. Verlenging en intrekking - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het slachtoffer van eergerelateerd of huiselijk geweld niet. - -Het slachtoffer van eergerelateerd of huiselijk geweld kan na 1 jaar een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ (zie paragraaf B9/11 Vc): - -• bij voortduring van de dreiging in verband waarmee de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend; of -• of als sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard. - -De IND trekt de verblijfsvergunning in als naar het oordeel van het LEC EGG geen sprake meer is van een reële en langdurige dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland en in het land van herkomst. - - - -#### 2.3. Bewijsmiddelen - - - - - -De IND beschouwt het schriftelijke advies van het LEC EGG als bewijsmiddel waaruit blijkt dat sprake is van een reële dreiging met eergerelateerd geweld in Nederland en in het land van herkomst, waarbij deze dreiging niet op korte termijn kan worden weggenomen en waarbij de uitingsvorm voldoende ernstig is om voor vergunningverlening in aanmerking te komen. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er familieleden in het land van herkomst wonen, welke familieleden dat zijn en waar zij woonachtig zijn, bijvoorbeeld bewijsmiddelen als een familieboekje, een uittreksel uit de burgerlijke stand of een notariële akte waaruit de gezinssamenstelling en de woonplaats blijkt. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld: - -a. recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of -b. een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld. - -*Ad a:* De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s). - -Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. - -De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld. - -Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld: - -• de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71, eerste lid, BW. - -### 3. Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel - -#### 3.1. Beleidsregels - -De Commandant van de Koninklijke Marechaussee heeft dezelfde bevoegdheden als de Korpschef van de Nationale Politie voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling. - -EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf neergelegde bepalingen voor zover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht. - -De IND onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel: - -1. de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel; -2. de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en -3. de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel. - -Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien. - -Op vorenstaande regel geldt een uitzondering voor de vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is en aan wie bedenktijd is verleend na 18 mei 2023. Aan hen wordt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, Vw een bedenktijd van dertig dagen gegund. - -Aan vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is en aan wie bedenktijd is verleend voor 18 mei 2023 wordt een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund. - -Al bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en/of op voorspraak van de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie (OD-NLA), biedt de politie of KMar aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan. - -Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op. - -De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd. - -De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die in Nederland verblijven en: - -• werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr; -• nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of -• geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de KMar, zo nodig in overleg met het OM, de bedenktijd aanbiedt bij de geringste aanwijzing van mensenhandel. - -De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel. - -Als de AVIM of KMar bedenktijd aanbiedt aan de vreemdeling die zich in vreemdelingenbewaring bevindt, dan wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven. - -Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie of KMar waar hij of zij administratief is ondergebracht. - -De bedenktijd eindigt op het moment dat: - -• de politie of KMar vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken; -• het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of -• het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. - -Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op. - -De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie of KMar is doorgestuurd naar de IND. - -In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling: - -• een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan of anderszins medewerking is verleend; of -• niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. - -De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op wie de Dublinverordening niet van toepassing is binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de kennisgeving van een aangifte mensenhandel door een vreemdeling door de politie of KMar aan de IND is verzonden. - -De IND verleent aan een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g, Vb enkel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel dan wel als getuige-aangever, nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. - -De IND beslist op een aanvraag ingediend door een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is: - -• binnen een streeftermijn van 24 uur nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel; of -• zo snel mogelijk nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. - -Als de aangifte niet is gedaan binnen een termijn van drie maanden na indiening van de eerste asielaanvraag in Nederland, kan de IND de aanvraag afwijzen zonder het bericht van het OM af te wachten. - -Als de vreemdeling te kennen geeft aangifte te willen doen van mensenhandel en geen aangifte heeft gedaan voorafgaand aan de overdracht, kan de DTenV besluiten de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat doorgang te laten vinden. - -De IND toetst ex nunc bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel. - -De IND laat de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel achterwege als: - -• de vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel; of -• de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers die is ingetrokken. - -De IND beoordeelt ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel en wijst af als: - -• de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. - -De IND kan aan een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, Vb een verblijfsvergunning verlenen, als het vermoedelijke slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met: - -• een ernstige bedreiging; -• een medische of psychische beperking; en/of -• minderjarigheid. - -In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het vermoedelijke slachtoffer dat niet kan of wil meewerken niet af als het vermoedelijke slachtoffer: - -• een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waar de vreemdeling slachtoffer van is; of -• niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. - -#### 3.2. Verlenging en intrekking - - - - - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer van mensenhandel alleen als sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever alleen als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk acht. - -De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens: - -• het ontbreken van zelfstandige, duurzame en voldoende middelen van bestaan; en -• gevaar voor de openbare orde, als sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan of anderszins medewerking is verleend. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer van mensenhandel dat geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar niet. - -De vreemdeling kan: - -• na een jaar een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ (zie paragraaf B9/10 Vc); of -• tussentijds of na een jaar alsnog aangifte doen of medewerking verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar. - -De IND trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel dat aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt in als geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De vreemdeling mag het beroep in cassatie in Nederland afwachten, omdat de Hoge Raad de zaak nog terug kan wijzen naar het Gerechtshof. De vreemdeling mag cassatie in het belang der wet niet in Nederland afwachten, omdat cassatie in het belang der wet geen verandering in de rechten en positie van partijen teweeg brengt en dus geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen heeft. - -De IND trekt de verblijfsvergunning van een getuige-aangever van mensenhandel in als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland niet langer noodzakelijk acht. - -#### 3.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een verklaring van het OM als bewijsmiddel waaruit blijkt dat het OM heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. - -De IND beschouwt een verklaring van de politie, de KMar of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid over mensenhandel, nog loopt. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met een ernstige bedreiging en/of een medische of psychische beperking en/of minderjarigheid: - -• een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel en in ieder geval een van onderstaande drie verklaringen: -• een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat van de vreemdeling niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar. Als deze verklaring wordt overgelegd, wordt hiermee ook aannemelijk geacht dat betrokkene zich niet aan de bedreigingen kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst, omdat mensenhandelbendes vrijwel altijd opereren over de grenzen heen; of -• een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van een medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt: - -• de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s); -• welke medische klachten de vreemdeling heeft; -• welke gevolgen de genoemde klachten hebben voor de medewerking aan het strafproces; of -• een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat van de vreemdeling niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met de minderjarigheid van de vreemdeling. Deze verklaring bevat een nadere en op het individuele geval toegespitste toelichting, waarin wordt ingegaan op de gevolgen die de minderjarigheid heeft voor de medewerking aan het strafproces. Van de minderjarigheid wordt enkel uitgegaan indien deze op grond van identificerende documenten, dan wel op grond van paragraaf C1/2.2 Vc is vastgesteld door de IND. - -#### 3.4. Afspraken ketenpartners - - - -De politie of KMar meldt aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel: - -• dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen; -• of het vermoedelijke slachtoffer gebruik wenst te maken van de periode van de bedenktijd; en -• dat een slachtoffer aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking verleent of heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel. - -Het Coördinatiecentrum Mensenhandel is, ten behoeve van de landelijke rapportage aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, belast met de landelijke registratie van het aantal aangemelde gevallen van vermoedelijke slachtoffers. Ook als het Coördinatiecentrum Mensenhandel niet betrokken is bij de opvang en huisvesting, moet de politie of KMar het vermoedelijke slachtoffer voor registratie bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel aanmelden. - -Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties of acties van de KMar die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Ook moeten voorbereidingen worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaand aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers. - -Als het vermoedelijke slachtoffer nog geen opvang heeft, bemiddelt het Coördinatiecentrum Mensenhandel bij het zoeken naar opvang en schakelt na een melding van de politie of KMar de zorgcoördinator mensenhandel in de regio in. De zorgcoördinator is verantwoordelijk voor de dagelijkse begeleiding van het vermoedelijke slachtoffer. Als in de regio nog niet is voorzien in zorgcoördinatie, blijft het Coördinatiecentrum Mensenhandel verantwoordelijk voor de zorgcoördinatie. De beschikbare capaciteit bepaalt de plaatsing van het vermoedelijke slachtoffer. Als hoofdregel geldt dat in het belang van het onderzoek gedurende de periode van de bedenktijd opvang wordt gezocht binnen de politieregio of in de regio waar de KMar werkzaam is. - -De Korpschef of de Commandant wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek. - -Als het slachtoffer minderjarig is, dan moet in het gezag worden voorzien. - -Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale opvangvoorzieningen en noodbedden. Plaatst de politie of KMar het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren, dan meldt de politie of KMar dit met spoed aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens beoordeelt het Coördinatiecentrum Mensenhandel of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd. - -Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer zich voor vervolgopvang wenden tot: - -• de zorgcoördinator in de regio waar hij of zij verblijft; of -• als geen zorgcoördinator beschikbaar is, tot het Coördinatiecentrum Mensenhandel. - -Vervolgopvang op een andere locatie kan aangewezen zijn, als de opvanglocatie die in de periode van de bedenktijd werd geboden niet geschikt is voor een langduriger verblijf. - -Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie of KMar het aanvraagformulier voor de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) aan het vermoedelijke slachtoffer. - -Dit geldt niet voor vermoedelijke slachtoffers die al aanspraak kunnen maken op voorzieningen, zoals vermoedelijke slachtoffers die asiel hebben aangevraagd of die beschikken over een verblijfsvergunning. - -De politie of KMar voegt bij het aanvraagformulier de kennisgeving waaruit blijkt dat aan de vreemdeling bedenktijd is verleend (model M55). Het model M55 wordt ook beschouwd als een verklaring als bedoeld in artikel 2 Rvb. - -De zorgcoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijke slachtoffer. De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijke slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en zich zo nodig te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning moet een tbc-onderzoek onderdeel uitmaken van dit medisch onderzoek. - -De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Als het noodzakelijk blijkt om voor het geven van juridisch advies gedurende de periode van de bedenktijd een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt de rechtshulpverlener hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand. - -### 4. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken - -#### 4.1. Beleidsregels - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder a, Vb, ambtshalve of op aanvraag, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken. Dit blijkt uit een ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DTenV waarin wordt vermeld dat sprake is van een buitenschuldsituatie. - -De voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zijn: - -1. er bestaat geen redelijke twijfel over de identiteit en nationaliteit of staatloosheid van de vreemdeling; -2. de vreemdeling heeft de DTenV om bemiddeling verzocht ten behoeve van zijn vertrek uit Nederland of het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, en deze bemiddeling heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd; -3. de vreemdeling heeft naar het oordeel van de DTenV in houding en gedrag laten zien dat hij wil terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij zich heeft gehouden aan de afspraken die de DTenV met hem heeft gemaakt gedurende de bemiddelingsprocedure; en -4. op het moment van beslissen is er geen sprake van een lopende procedure in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning en voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor verlening van een andere verblijfsvergunning. - -Ad 1. - -Als de vreemdeling tijdens het terugkeertraject buiten zijn schuld zijn identiteit of nationaliteit niet met documenten kan onderbouwen, zal dit niet worden tegengeworpen in het kader van de verlening van de verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid als: - -• de identiteit en nationaliteit tijdens eerdere toelatingsprocedures geloofwaardig zijn geacht; en -• er nadien geen redenen tot twijfel zijn opgekomen. - -Ad 2. - -De vreemdeling dient een bemiddelingsverzoek in bij de DTenV met een compleet ingevuld aanvraagformulier, waarbij een schriftelijke verklaring aan zijn diplomatieke vertegenwoordiging met het verzoek om hulp bij het terugkeren is gevoegd. - -Wanneer de IND dit nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag, verzoekt de IND de DTenV om een ambtsbericht. Daarin geeft de DTenV aan: - -• waarom hij de bemiddeling heeft beëindigd, zonder dat een positief zwaarwegend advies kon worden gegeven; of -• dat de bemiddeling door de DTenV nog loopt, om welke reden de DTenV nog geen zwaarwegend advies kan geven; of -• dat sprake is van een buitenschuldsituatie, om welke reden de DTenV een positief zwaarwegend advies geeft. - -De IND wijst de aanvraag af zonder dat de DTenV om een ambtsbericht is verzocht, wanneer hij over voldoende gegevens beschikt om te beoordelen dat niet aan de voorwaarden van het buitenschuldbeleid wordt voldaan. Daarvan is in ieder geval sprake als: - -• er redelijke twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling (en dit reeds in voorgaande procedures in rechte is komen vast te staan); -• openbare-orde-aspecten op voorhand in de weg staan aan verlening van een verblijfsvergunning op grond van buitenschuld; -• de vreemdeling zich niet met een bemiddelingsverzoek tot de DTenV heeft gewend; of -• er nog een procedure loopt in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning op een andere verblijfsgrond. - -Ad 3. - -Tijdens de bemiddeling zal de DTenV monitoren in hoeverre de vreemdeling doet, wat van hem verwacht mag worden om te kunnen vertrekken. De DTenV zal daarbij rekening houden met de specifieke omstandigheden van de vreemdeling. Bij het onderzoek naar vertrekmogelijkheden, en de medewerking daaraan van de vreemdeling, zal de DTenV meewegen, dat het voor de vreemdeling lastiger kan zijn om zijn verklaringen met documenten te onderbouwen, als sprake is van vastgestelde staatloosheid. - -De IND verleent de verblijfsvergunning aan het gezinslid van de vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken als de gezinsband al bestond vóórdat de gezinsleden toegang tot Nederland kregen. - -De IND verleent de verblijfsvergunning aan de leden van één gezin met verschillende nationaliteiten en/of waarvan de leden afkomstig zijn uit verschillende landen van herkomst als zij aan alle hiervoor genoemde voorwaarden voldoen, waarbij: - -• alle gezinsleden de noodzakelijke stappen hebben ondernomen om terugkeer voor het gehele gezin naar één land te bewerkstelligen; en -• zij dit hebben gedaan ten aanzien van alle landen waarvan op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat het gezin daar toegang zal worden verleend. - -De IND neemt aan dat sprake is van een ‘gezin’ in de volgende situaties: - -• (huwelijks)partners die feitelijk een gezin vormen; -• (één) ouder(s) met één of meer minderjarige kinderen die feitelijk een gezin vormen; of -• (één) ouder(s) met één of meer meerderjarige kinderen die zodanig afhankelijk zijn van hun ouder(s) dat feitelijk sprake is van een gezin. - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, Vb een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken als: - -• BMA heeft vastgesteld dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen; of -• is aangetoond dat de vreemdeling en de betrokken instanties alle inspanningen hebben verricht om het vertrek uit Nederland te realiseren, waaronder het verkrijgen van vervangende reisbescheiden, en gebleken is dat de voorgeschreven fysieke overdracht niet te realiseren is. - -#### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid met een geldigheidsduur van één jaar. - -#### 4.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt uitsluitend een ambtsbericht van de DTenV waarin wordt aangegeven dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich tot de DTenV heeft gewend en dat bemiddeling van de DTenV niet het gewenste resultaat heeft gehad. - -De IND beschouwt een BMA-advies als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling om medische redenen niet kan reizen. - -#### 4.4. Verlenging en intrekking - -De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning af indien uit nieuwe informatie van de DTenV blijkt dat de vreemdeling alsnog kan terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land. - -De IND trekt de verblijfsvergunning in indien uit nieuwe informatie blijkt dat de vreemdeling alsnog kan terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land. - -### 5. Verblijfsvergunning in het kader van remigratie op grond van de - -#### 5.1. Beleidsregels - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder a, VV een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor remigratie als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de vreemdeling is meerderjarig; -• de vreemdeling heeft afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit; en -• de vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet. - -De IND wijst de aanvraag niet af als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. - -#### 5.2. Verlenging - -Als de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indient, wijst de IND de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsgunning regulier voor bepaalde tijd af, tenzij de remigrant van de overschrijding van de termijn van zes maanden redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. - -#### 5.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een geldig paspoort dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is. - -De IND beschouwt een verklaring dat de vreemdeling afstand heeft gedaan als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit. - -De IND beschouwt een kopie van een verklaring van de SVB waarin staat dat positief zal worden beslist op de aanvraag voor remigratievoorzieningen als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een aanvraag is ingediend voor remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet. - -#### 5.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - - - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -De IND plaatst in het geldig document voor grensoverschrijding de aantekening ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland binnen zes maanden ligt. - -### 6. Amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken - -#### 6.1. Beleidsregels - -Op grond van artikel 3.48 Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een amv als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: - -• de vreemdeling is alleenstaand; -• de vreemdeling is (nog) minderjarig; -• de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -• voor de vreemdeling is in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan geen adequate opvang of het vertrek kan buiten de schuld van de vreemdeling niet plaatsvinden en hij heeft zich actief ingezet om zijn vertrek te realiseren. - -De IND verleent de verblijfsvergunning niet aan de minderjarige vreemdeling in één van de volgende gevallen: - -• de vreemdeling reist met zijn meerderjarige ouder(s) Nederland in; -• de vreemdeling reist met zijn eventuele in het buitenland toegewezen voogd Nederland in; -• de ouder(s) van de vreemdeling bevind(t)(en) zich al in Nederland; of -• de in het buitenland toegewezen voogd bevindt zich al in Nederland. - -De IND beschouwt een minderjarige vreemdeling als alleenstaand, als zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn en niet zijn gehuwd. - -De IND beoordeelt de minderjarigheid naar Nederlands recht op grond van artikel 1:233 BW. - -Als de IND twijfelt aan de leeftijd van de betrokken vreemdeling en deze zijn gestelde leeftijd niet met bescheiden kan aantonen, kan de IND de vreemdeling in de gelegenheid stellen een leeftijdsonderzoek te laten verrichten. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek zijn nader uitgewerkt in paragraaf C1/2.2 Vc. Als een verricht leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie over de minder- of meerderjarigheid leidt, kan de IND de vreemdeling binnen één à twee jaar opnieuw oproepen voor een leeftijdsonderzoek. - -De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden. - -De IND neemt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aan als sprake is van één van de volgende omstandigheden: - -a. in het betreffende land is een familielid tot in de vierde graad aanwezig; -b. uit feiten en omstandigheden komt naar voren dat een ander familielid dan in a. gesteld of een meerderjarige, niet zijnde een familielid, adequate opvang kan bieden; -c. opvang in een (particuliere) opvanginstelling is voorhanden en de IND beschouwt deze opvang naar lokale omstandigheden als aanvaardbaar; -d. uit het landgebonden asielbeleid volgt dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang; -e. op grond van algemene informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn. - -Bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een amv als adequaat mag worden beschouwd, zal primair worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat. - -Een opvangvoorziening wordt aangemerkt als adequaat indien de opvangvoorziening de minderjarige in ieder geval naar lokale maatstaven biedt: - -• onderdak tot de minderjarige de leeftijd van 18 jaar zal bereiken, tenzij de opvang dient tot het overbruggen van een beperkte periode, waarna de minderjarige door zijn eigen familie, of door anderen bij wie er sprake is van adequate opvang, kan worden opgevangen; -• beschikbaarheid van voedsel, kleding en hygiëne; -• toegang tot onderwijsvoorzieningen; en -• aanwezigheid van medische verzorging. - -#### 6.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen de maximale termijn van drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag - -##### 6.2.1. Vertrek kan buiten de schuld van de minderjarige vreemdeling niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (ambtshalve verlening zonder nader onderzoek) - -De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan ambtshalve zonder nader onderzoek worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: - -• de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -• de vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden; -• uit de verklaringen van de vreemdeling komt naar voren dat er geen familieleden of andere personen zijn die adequate opvang kunnen bieden, naar wie de vreemdeling kan terugkeren; -• de vreemdeling heeft tijdens de procedure een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land niet gefrustreerd; -• bekend is dat in het algemeen geen adequate opvang beschikbaar is en aangenomen wordt dat deze niet binnen afzienbare tijd beschikbaar komt, in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan. In een dergelijke situatie wordt aangenomen dat het de DTenV niet zal lukken om binnen de termijn van drie jaar een vorm van adequate opvang te vinden. - -##### 6.2.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (verlening na nader onderzoek) - -De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de eerste verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: - -• De vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -• de vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden; -• de vreemdeling heeft zich actief ingezet om zijn eigen terugkeer te realiseren. Zo heeft hij zich actief ingezet om zijn eigen identiteit en nationaliteit aan te tonen, een (vervangend) reisdocument te verkrijgen (indien nodig) en contact te leggen met familie of andere personen of organisaties in het land van herkomst naar wie hij zou kunnen terugkeren; -• in nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van adequate opvang; -• er is op het moment van beoordeling geen zicht op feitelijk vertrek naar het land van herkomst. - -#### 6.3. Verlening en intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s, ambtshalve of op aanvraag. - -Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s kan op elk moment na indiening van de eerste verblijfsaanvraag verleend worden, vanaf het moment dat aan de voorwaarden wordt voldaan. - -De IND verleent geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die tijdens de verblijfsprocedure een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land frustreert. - -Op grond van artikel 19 juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw beziet de IND de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s op intrekking als: - -• de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; -• de vreemdeling niet voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. -• na herhaald leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling op het moment van het eerste onderzoek meerderjarig was; of -• na herhaald leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling op dat moment meerderjarig is. - -#### 6.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, tweede lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s met een geldigheidsduur van vijf jaar. - -### 7. Overgangsrecht - -#### 7.1. Overgangsrecht naar aanleiding van wijziging beleid voor amv’s per 1 juni 2013 - -##### 7.1.1. Algemeen - -Per 1 juni 2013 geldt voor nieuwe verblijfsaanvragen nieuw beleid. - -##### 7.1.2. Lopende procedures - -De IND beoordeelt verblijfsaanvragen van amv’s die op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid een aanvraagprocedure hebben lopen op grond van het oude recht zoals dat gold voor 1 juni 2013, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Dit laatste is het geval wanneer de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de buitenschuldvergunning voldoet. - -Indien de vreemdeling, die bij zijn laatste aanvraag nog niet de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, voldoet aan het gestelde in paragraaf B8/6 zal hij volgens nieuw recht worden beoordeeld. - -##### 7.1.3. Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ of ‘voortgezet verblijf’ - -Van vreemdelingen, die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ zal de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd doorlopen en worden verlengd volgens de regels van het oude recht. Ook de mogelijkheden om na afloop van de drie jaar in aanmerking te komen voor voortgezet verblijf zullen blijven bestaan onder dezelfde voorwaarden. Ook hier geldt de uitzondering dat nieuw recht wordt toegepast wanneer dit voor hen gunstiger is. - -### 8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex artikel 17 RWN - -#### 8.1. Beleidsregels - -De IND verleent op grond van artikel 3.49 Vb een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in afwachting is van een verzoek ex. artikel 17 RWN als de vreemdeling: - -• op grond van een besluit van de Minister van Asiel en Migratie niet als vreemdeling uit Nederland wordt verwijderd in afwachting van het besluit op het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap ex. artikel 17 RWN; -• zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en -• het verzoek ex. artikel 17 RWN klaarblijkelijk niet van elke grond is ontbloot. - -De IND-medewerker, die een verzoek ex artikel 17 RWN behandelt, moet advies vragen aan de afdeling Nationaliteitsvraagstukken over de vraag of het verzoek ex artikel 17 RWN niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. - -De IND-medewerker kan slechts een verblijfsvergunning verlenen, als uit het advies van de afdeling Nationaliteitsvraagstukken blijkt dat het verzoek niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. - -#### 8.2. Verlenging - -Nadat de rechtbank te ‘s-Gravenhage uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex artikel 17 RWN, wijst de IND de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet af omdat de vreemdeling niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, als de vreemdeling: - -• een cassatieverzoek heeft ingediend, waarop nog geen beschikking is gegeven; -• zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en -• hangende het cassatieverzoek niet als vreemdeling uit Nederland zal worden verwijderd, omdat het verzoek naar het oordeel van de IND niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. - -Als de aanvraag op grond van het openbare orde criterium wordt afgewezen, wordt de vreemdeling niet uitgezet als op het verzoek ex artikel 17 RWN niet is beslist. - -De IND-medewerker, die aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ex artikel 17 RWN behandelt, moet advies vragen aan de afdeling Nationaliteitsvraagstukken over de vraag of het verzoek ex artikel 17 RWN niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. - -De IND-medewerker kan slechts een verblijfsvergunning verlengen, als uit het advies van de afdeling Nationaliteitsvraagstukken blijkt dat het verzoek niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. - -#### 8.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. - -De IND beschouwt een afschrift van het verzoek ex artikel 17 RWN aan de rechtbank als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap is aangespannen. - -#### 8.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder r, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van één jaar. - -### 9. Medische behandeling - -#### 9.1. Beleidsregels - -##### 9.1.1. Algemene voorwaarden - - - - - -De IND verleent vrijstelling van het vereiste over een geldig document voor grensoverschrijding te beschikken als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - -• de vreemdeling verblijft in Nederland; -• er bestaat voldoende inzicht in de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is betwisten de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet; -• de vreemdeling toont aan dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst; -• als gevolg van stopzetting van de medische behandeling ontstaat een medische noodsituatie; en -• de behandeling van de medische aandoening kan niet plaatsvinden in het land van herkomst. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning af als de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. - -De IND wijst de aanvraag af als de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling met algemene middelen worden gefinancierd. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af als artikel 3.46, vierde lid, Vb van toepassing is. - -Met een jaar direct voorafgaand aan de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 3.46, vierde lid, Vb, bedoelt de IND dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voordat de vreemdeling de aanvraag indient voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling. - -De IND verleent geen verblijfsvergunning regulier medisch als de vreemdeling onvoldoende actief heeft gewerkt aan: - -• het verkrijgen van garanties voor toegang tot medische zorg in het land van herkomst; -• het realiseren van zijn vertrek. - -Paragraaf A3/7.3.1 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -Van onvoldoende meewerken is in ieder geval sprake als de vreemdeling: - -• Heeft geweigerd een medisch dossier over te leggen ter vertaling voor medicus in land van herkomst; -• Geen serieuze poging heeft verricht om reispapieren te regelen; -• Niet heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. - -De vreemdeling draagt zelf de volledige verantwoordelijkheid voor de tijdige indiening van de aanvraag. Als de vreemdeling de aanvraag voor de verblijfsvergunning niet tijdig indient, is er geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag. - -De IND beschouwt de aanvraag als tijdig ingediend als de vreemdeling de aanvraag bij de IND indient in de periode tussen: - -• 28 dagen voor het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw; en -• 28 dagen na het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw. - -Als de vreemdeling de aanvraag later indient dan 28 dagen nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, dan beschouwt de IND de aanvraag als tijdig, als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe rekenen. In deze gevallen geeft de IND toepassing aan artikel 3.46, vierde lid, Vb. De IND vindt in ieder geval dat de volgende omstandigheden geen verschoonbare redenen zijn voor de te late indiening: - -• de vreemdeling geeft aan dat de IND hem er niet op heeft gewezen dat zijn rechtmatig verblijf binnenkort eindigt en dat hij een aanvraag indienen; of -• de vreemdeling geeft aan meer tijd nodig te hebben om de voor de aanvraag benodigde bewijsmiddelen te verzamelen. - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met medische behandeling met als ingangsdatum de datum van de aanvraag van de verblijfsvergunning. - -Als de vreemdeling de voor de aanvraag relevante gegevens na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd, dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt. - -Daarnaast geldt het volgende: - -• Als de vreemdeling de aanvraag indient na 28 dagen voor het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf, maar voor de datum waarop het rechtmatige verblijf grond van artikel 64 Vw eindigt, verleent de IND de verblijfsvergunning niet eerder dan met ingang van de datum waarop het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw eindigt; -• Als de vreemdeling de aanvraag indient na de datum waarop het rechtmatige verblijf grond van artikel 64 Vw eindigt, maar binnen 28 dagen na het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf, verleent de IND de verblijfsvergunning altijd met een onderbreking in het verblijfsrecht; -• Als de vreemdeling de aanvraag indient voor het einde van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw, verleent de IND de verblijfsvergunning met onderbreking in het verblijfsrecht, als de vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd aantoont aan alle voorwaarden te voldoen. - -Bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling telt de IND de voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, Vw niet mee voor de periode van drie jaar rechtmatig verblijf die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet tijdelijk humanitair’ (zie in dit verband paragraaf B9/8 Vc). - -##### 9.1.2. Meest aangewezen land - -De IND beschouwt Nederland uitsluitend als het meest aangewezen land voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling, als bedoeld in artikel 3.46 Vb, als de vreemdeling voldoet aan elk van de voorwaarden die genoemd worden in de op de vreemdeling toepasselijke situatie van de hier, onder 1 t/m 5 genoemde situaties: - -1. Nederland heeft internationaal gezien een bijzonder specialisme voor de medische noodzakelijke behandeling van de betreffende aandoening. -2. a. de vreemdeling verblijft ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland; -b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst, of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden; -c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en -d. de medische behandeling vindt ten minste één jaar plaats. -3. a. de vreemdeling is in Nederland; -b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden; -c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en -d. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze medische noodsituatie zal naar verwachting langer dan één jaar duren. -4. a. de vreemdeling verblijft langdurig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw; en -b. de vreemdeling ondergaat in Nederland een medisch noodzakelijke behandeling. -5. a. de vreemdeling is zwanger; -b. de vreemdeling is hier te lande woonachtig; -c. uit het BMA-advies blijkt dat het verlenen van specialistische prenatale zorg medisch noodzakelijk is; -d. er is sprake van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een (geregistreerd) partnerschap; en -e. de partner of echtgenoot van de vreemdeling is Nederlander of verblijft in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw. - -Het gestelde in paragraaf A3/7.1.3 en A3/7.1.4 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -De IND verleent geen verblijfsvergunning, maar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als de medische behandeling ter voorkoming van deze medische noodsituatie één jaar of korter zal duren (zie hoofdstuk A3/7 Vc). - -Onder langdurig verblijf verstaat de IND: verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij de IND onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet tegenwerpt. - -##### 9.1.3. Medische noodsituatie - -Het gestelde in paragraaf A3/7.1.3 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -##### 9.1.4. Noodzakelijke medische behandeling - -De IND betrekt het advies van het BMA bij de beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, als bedoeld in artikel 3.46 Vb. - -##### 9.1.5. Deugdelijke financiering van de medische behandeling - -De IND beschouwt een toereikende ziektekostenverzekering als deugdelijke financiering van de medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46 Vb. De IND beschouwt een ziektekostenverzekering in ieder geval niet als toereikend als: - -• de ziektekostenverzekering uit de algemene middelen wordt betaald; of -• de premie van de ziektekostenverzekering wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de algemene middelen. - -De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning af bij niet deugdelijke financiering van de medische behandeling. - -##### 9.1.6. Raadplegen BMA - -Paragraaf A3/7.2.6 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -##### 9.1.7. Feitelijke toegankelijkheid - -Paragraaf A3/7.1.5 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -##### 9.1.8 - -De IND beoordeelt ambtshalve bij afwijzing van een aanvraag voor medische behandeling of aan de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleend moet worden. Hoofdstuk A3/7 Vc is in dat geval van toepassing. - -De IND past artikel 64 Vw toe voor de duur van het reisbeletsel met als maximum een jaar. - -##### 9.1.9. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling - -Het gestelde in paragraaf A3/7.3.2.5 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -De vreemdeling moet daarbij een geldig document voor grensoverschrijding hebben overgelegd (paragraaf B8/9.1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing); - -#### 9.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening, en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning als bedoeld in paragraaf B8/9.1.1 Vc onder de beperking: ‘medische behandeling’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘arbeid niet toegestaan’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van de medische behandeling voor maximaal één jaar. - -De IND kan de verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar verlenen als: - -• het BMA vijf jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de beschikbaarheid van de medische behandeling ongewis is in het land van herkomst. Ongewis houdt in dat er geen actuele landeninformatie beschikbaar is over de beschikbaarheid van medische behandeling. De behandelmogelijkheden zijn daardoor onbekend; of -• het BMA in een op de vreemdeling betrekking hebbend advies drie jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de voor de betrokken vreemdeling noodzakelijke medische behandeling niet beschikbaar is in het land van herkomst. - -#### 9.3. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt een daartoe strekkende medische verklaring als bewijsmiddel van de bijzonderheid van het specialisme als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 1. - -Het kan gaan om de volgende verklaring: - -• een verklaring van een zorginstelling in Nederland dat betrokkene kan worden behandeld door deze instelling/specialist; en -• een verklaring van de behandelaar in het buitenland waaruit blijkt dat het specialisme ontbreekt of dat de vreemdeling in eigen land is uitbehandeld. - -De IND beschouwt objectieve bescheiden als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2. Ook moet uit deze of andere bescheiden het moment van aanvang van medische behandeling blijken. De IND beschouwt getuigenverklaringen niet als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2. - -De IND beschouwt officiële bescheiden, zoals een familieboekje of overlijdensakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er geen gezins- of familieleden in het land van herkomst of bestendig verblijf zijn die de mantelzorg op zich kunnen nemen. - -De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel dat de vreemdeling is gehuwd met de partner of echtgenoot van de vreemdeling, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5: - -• een daartoe strekkende akte van erkenning opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand; of -• een daartoe strekkende notariële akte van erkenning. - -Als de erkenning naar vreemd (niet-Nederlands) recht heeft plaatsgevonden, beschouwt de IND bewijsmiddelen over de staat van personen als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend. - -De IND beschouwt een geldige polis van de afgesloten ziektekostenverzekering waaruit blijkt dat de kosten voor de volledige medische behandeling gedekt zijn als bewijsmiddel dat sprake is van deugdelijke financiering van de medische behandeling als bedoeld in paragraaf B8/9.1.5 Vc. De IND beschouwt een polis van de afgesloten ziektekostenverzekering in ieder geval niet als bewijsmiddel in een van de volgende situaties: - -• de ziektekostenverzekering uit de algemene middelen wordt betaald; of -• de premie van de ziektekostenverzekering wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de algemene middelen. - -De IND beschouwt in ieder geval de bewijsmiddelen 1, 2 en 3 genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc, onder het kopje ‘*bewijsmiddelen’* als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich terecht beroept op medische gronden. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding: - -• een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en -• aanvullende gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring. - -#### 9.4. Overgangsrecht - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier medisch voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die daartoe een aanvraag heeft ingediend, en die een jaar voorafgaand reeds rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder j, Vw om medische redenen als: - -• er nog geen besluit is genomen op deze aanvraag; -• de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier medisch voor bepaalde tijd is ingediend vóór 1 september 2017; en -• de IND heeft aangenomen dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen, conform het beleid zoals dat geldt vanaf 1 september 2017. - -De IND zal bij de aanvraag van een vreemdeling voor verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’ bij een ongewijzigde medische gesteldheid de vergunninghouder niet tegenwerpen dat het BMA minder stellig is over de waarschijnlijkheid dat zich een medische noodsituatie op korte termijn zal voordoen. - -De IND zal bij de aanvraag van een vreemdeling als bedoeld in paragraaf B9/9 Vc bij een ongewijzigde medische gesteldheid de vergunninghouder niet tegenwerpen dat het BMA minder stellig is over de waarschijnlijkheid dat zich een medische noodsituatie op korte termijn zal voordoen. - -De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’ niet af op grond van het gegeven dat uit het BMA advies blijkt dat professionele thuiszorg beschikbaar is in het land van herkomst, als de medische gesteldheid van de vreemdeling ongewijzigd is. - -### 10. Verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen - -#### 10.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV aan een verwesterde minderjarige vrouw als de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk. - -De IND beoordeelt of sprake is een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden: - -a. de mate van verwestering van de minderjarige vrouw; -b. individuele humanitaire omstandigheden, waaronder in ieder geval wordt betrokken de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid) en het overlijden in Nederland van een gezinslid van de minderjarige vrouw; en -c. de mogelijkheden tot deelname in de Afghaanse samenleving, waarbij in ieder geval wordt betrokken de samenstelling van het gezin en de aanwezigheid van machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren) om de minderjarige vrouw te beschermen. - -De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden: - -• de minderjarige vrouw is tenminste tien jaar oud; -• de verblijfsduur in Nederland bedraagt tenminste acht jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot aan de aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zoals in deze paragraaf is omschreven; en -• het volgen van onderwijs in Nederland. - -Indien de minderjarige vrouw niet voldoet aan één of meer van de onder ad a genoemde omstandigheden, dan rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van dit beleid. - -De IND betrekt ook aspecten die er op duiden dat er geen sprake is een verwesterde schoolgaande minderjarige vrouw, waaronder in ieder geval: - -– gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal; -– ongeoorloofd schooluitval; of -– (uitingen van) gedrag conform de sociale Afghaanse islamitische normen. - -De IND kan besluiten om geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb, jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV, te verlenen, als sprake is van één van de volgende omstandigheden: - -• de minderjarige vrouw of een van haar gezinsleden de terugkeer naar Afghanistan frustreert (waaronder het voeren van procedures die enkel zijn gericht op het bemoeilijken van de terugkeer); -• de minderjarige vrouw tussentijds is teruggekeerd naar Afghanistan; of -• het gestelde in paragraaf B1/4.4 Vc van toepassing is (openbare orde beleid). - -De IND merkt de groep vreemdelingen die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor verwesterde minderjarige vrouwen aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend. - -De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding. - -Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen (zie C7/3.2.2) blijft voor minderjarige vrouwen bestaan. - -#### 10.2. Beleidsregels voor de gezinsleden van de hoofdpersoon - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV, aan de ouders van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk. - -De IND merkt de ouders van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend. - -De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding. - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV niet als ten aanzien van de ouders het gestelde in paragraaf C2/7.10 van toepassing is (openbare orde beleid). - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb, aan de volgende gezinsleden van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk: - -• minderjarige broer(s) en/of zus(sen); en -• meerderjarige broer(s) en/of zus(sen) die nog deel uitmaken van het gezin. - -De IND neemt aan dat meerderjarige broer(s) en/of zus(sen) niet langer deel uitmaken van het gezin als: - -• de meerderjarige broer of zus zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of -• de meerderjarige broer of zus een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie. - -Als de meerderjarige broer of zus zelf de zorg heeft voor buitenhuwelijkse kinderen, is dit uitsluitend een reden om aan te nemen dat hij/zij niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de hoofdpersoon, als daarnaast sprake is van een van de twee hiervóór genoemde omstandigheden. - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb niet als ten aanzien van de broer(s) en/of zus(sen) het gestelde in paragraaf C2/7.10 Vc van toepassing is (openbare orde beleid). - -De IND wijst de aanvraag van de broer(s) en/of zus(sen) van de verwesterde minderjarige vrouw niet af wegens het ontbreken van een referentverklaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder k, Vw. - -#### 10.3. Verlenging en intrekking - -De IND wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen af, of trekt deze alleen in, als door een wijziging in de situatie in het land van herkomst de grond onder de vergunning komt te vervallen. - -#### 10.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de hoofdpersoon en haar ouders onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de broer(s) en/of zus(sen) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ (bij de hoofdpersoon). - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening van de hoofdpersoon, haar ouders en de broer(s) en/of zus(sen) ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de hoofdpersoon en haar ouders met een geldigheidsduur van één jaar. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de broer(s) en/of zus(sen) met de geldigheidsduur van één jaar. - -### 11. Plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland - -#### 11.1. Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV) - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een minderjarige vreemdeling die vanuit een ander land op grond van het HKBV wordt geplaatst in een pleeggezin of in een instelling in Nederland, als alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de Nederlandse Centrale autoriteit heeft een verklaring afgegeven, waarin staat dat de Nederlandse Centrale autoriteit instemt met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland (instemmingsverklaring); -• de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft het besluit genomen om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of in een instelling in Nederland (instemmingsbesluit); -• het betreft een plaatsing met een tijdelijke duur; -• het gezag over de vreemdeling moet door de autoriteiten van het land van herkomst zijn geregeld; -• de aspirant-pleegouders hebben rechtmatig verblijf, als bedoeld artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, of zijn Nederlander. - -De IND wijst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV niet af wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. - -#### 11.2. Beperking, arbeidsmarktbeperking en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV onder de beperking: ‘tijdelijk humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV met de geldigheidsduur van één jaar. - -#### 11.3. Verlenging en intrekking - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV alleen als nog steeds sprake is van plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland. - -De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV in als de plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland is geëindigd. - -#### 11.4. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt de instemmingsverklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de Nederlandse Centrale autoriteit heeft ingestemd met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland. - -De IND beschouwt het instemmingsbesluit van de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling als bewijsmiddel dat de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft besloten om in te stemmen de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland. - -De IND beschouwt een verklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit dat de plaatsing tijdelijk is als bewijsmiddel dat het gaat om tijdelijke plaatsing. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel dat het gezag over de vreemdeling is geregeld. - -### 12. Verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden - -#### 12.1. Beleidsregels - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb, juncto artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder d, VV, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die: - -1. zich in Nederland bevindt; -2. zich in een terminale fase van een ziekte bevindt; en -3. niet meer (curatief) medisch wordt behandeld en enkel palliatieve zorg krijgt. - -De IND wijst de aanvraag niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, Vw. - -De IND wijst de aanvraag af wanneer de vreemdeling al een verblijfsvergunning in een andere EU-lidstaat heeft. - -Het BMA stelt vast dat er sprake is van een terminale fase van een ziekte. - -De uitleg van een terminale fase van een ziekte is gesteld op: vreemdelingen die zich in een terminale fase van hun ziekte bevinden, niet meer curatief behandeld worden en enkel palliatieve zorg krijgen. Op een enkele uitzondering gaat het naar verwachting om oncologische aandoeningen. Terminaal wil – qua termijn – zeggen dat de verwachting is dat een patiënt binnen zes maanden tot anderhalf jaar overlijdt. Het betreft altijd somatische ziekten. Psychiatrische stoornissen vallen hier niet onder. Een vreemdeling die chronisch suïcidaal is, is niet terminaal. Ook HIV is een chronische ziekte die meestal goed te behandelen is met medicatie en deze gevallen zullen evenmin onder de definitie vallen. - -Wanneer het BMA vaststelt dat er sprake is van een terminale fase van een ziekte, brengt het BMA geen medisch advies uit, maar legt het de bevindingen neer in een memo. - -#### 12.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. - -#### 12.3. Bewijsmiddelen - -De IND sluit ten aanzien van de bewijsmiddelen aan bij de in paragraaf A3/7.2.4 Vc onder 1, 2, en 3 genoemde bewijsmiddelen. - -Als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc overlegt en deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, legt de IND deze niet voor aan het BMA. - -#### 12.4. Gezinsleden - -De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden, van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’, als genoemd in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb, juncto artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder d, VV: - -• de huwelijks- of (geregistreerde) partner die 21 jaar of ouder is; -• de biologische of juridische kinderen die onder rechtmatig gezag van de referent vallen. - -Als de referent een minderjarig kind is, verleent de IND op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden: - -• de biologische of juridische ouders, als het kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouders; -• de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouders een verblijfsvergunning heeft verleend als gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’, als genoemd in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb, juncto artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder d, VV. De minderjarige broers en zussen staan onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders. - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder b en c, Vw. - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de gezinsleden onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Na het overlijden van de hoofdpersoon vervalt het verblijfsrecht van de gezinsleden. De IND trekt een nog geldige verblijfsvergunning van gezinsleden niet eerder in dan per de datum, gelegen twaalf weken na de dag van het overlijden van de hoofdpersoon. Wanneer de referent is komen te overlijden, wordt een verlengingsaanvraag afgewezen. - -### 13. Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel - -#### 13.1. Ondertoezichtstelling - -De IND verleent op grond van 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een minderjarige vreemdeling die door de kinderrechter onder toezicht is gesteld, als uit advies van de DTenV blijkt dat de kinderbeschermingsmaatregel niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend. - -Daarnaast dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: - -1. De vorenbedoelde kinderbeschermingsmaatregel is door de kinderrechter voor één jaar opgelegd; -2. De minderjarige vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd. - -De IND wijst de aanvraag af indien niet aan alle hiervoor genoemde voorwaarden wordt voldaan. - -#### 13.2. Vragen van advies aan de DTenV - -De IND vraagt de DTenV om advies inzake de overdraagbaarheid van de kinderbeschermingsmaatregel, behoudens het bepaalde in paragraaf B8/13.3. - -#### 13.3. Afwijzing van de aanvraag zonder advies DTenV - -De IND wijst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een minderjarige vreemdeling die door de kinderrechter onder toezicht is gesteld af, zonder advies te vragen aan de DTenV, als: - -– de minderjarige vreemdeling of diens gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft; -– de vorenbedoelde kinderbeschermingsmaatregel door de kinderrechter voor korter dan één jaar is opgelegd; -– de minderjarige vreemdeling kan worden overgedragen op grond van de Dublinverordening; of -– de minderjarige vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat. - -#### 13.4. Inwilliging als de feitelijke overdracht van de ondertoezichtstelling binnen anderhalf jaar niet heeft plaatsgevonden - -De IND verleent op grond van 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb in samenhang met artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een minderjarige vreemdeling die door de kinderrechter onder toezicht is gesteld, als aan alle hierna volgende voorwaarden wordt voldaan: - -1. de minderjarige vreemdeling staat gedurende een aaneengesloten periode van in totaal anderhalf jaar onder toezicht, gerekend vanaf de datum dat hij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’ wegens een ondertoezichtstelling heeft ingediend; -2. de verblijfplaats van de minderjarige vreemdeling is in de hiervoor genoemde periode steeds bekend geweest bij de DTenV; -3. uit het advies van de DTenV blijkt dat de feitelijke overdracht van de hiervoor genoemde kinderbeschermingsmaatregel aan de autoriteiten van het land van herkomst, of aan de autoriteiten van een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend, niet binnen de hiervoor genoemde anderhalf jaar heeft plaatsgevonden; en -4. de minderjarige vreemdeling komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning. - -Ad 1 - -Voor de onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling die een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’ wegens een ondertoezichtstelling heeft ingediend vóór 1 april 2025 geldt de datum van de oplegging OTS als begindatum voor het berekenen van de termijn van anderhalf jaar. - -#### 13.5. MVV-vrijstelling - -De onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb), als hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van paragraaf B8/13.1 of B8/13.4 Vc. - -#### 13.6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar. De einddatum van de geldigheidsduur van de verblijfsververgunning kan niet later zijn dan de einddatum van de ondertoezichtstelling. - -#### 13.7. Verlenging en intrekking - -De IND wijst de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, of trekt deze in als een van de volgende situaties zich voordoet: - -1. De geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter is niet verlengd; of -2. Uit advies van de DTenV blijkt dat de ondertoezichtstelling inmiddels kan worden overgedragen aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend. - -Ad1 De IND wijst de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet af of trekt deze niet in, als de ondertoezichtstelling slechts voor minder dan 1 jaar is verlengd. - -Ad2 De IND wijst de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur eveneens af, als de minderjarige vreemdeling of diens gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft, waardoor de IND geen advies kan opvragen bij de DTenV. - -#### 13.8. Bewijsmiddelen - -De IND beschouwt de beschikking van de kinderrechter als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken of de duur daarvan is verlengd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt welke hulpverlening de minderjarige vreemdeling nodig heeft als bedoeld in B8/13.3 Vc en in B8/13.7 Vc: - -– het rapport van de Raad voor Kinderbescherming; of, indien van recenter datum: -– het rapport van de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert. - -De IND beschouwt uitsluitend een advies van de DTenV als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling van een minderjarige vreemdeling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend. - -#### 13.9. Gezinsleden van minderjarige vreemdelingen met een kinderbeschermingsmaatregel - -De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende gezinsleden: - -• de biologische of juridische ouder(s), als het onder toezicht gestelde kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouder(s); -• de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouder(s) een verblijfsvergunning heeft verleend als gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’, als genoemd in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb, jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV. De minderjarige broers en zussen moeten onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders staan. - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en k, Vw. - -#### 13.10. MVV-vrijstelling gezinsleden - -De gezinsleden worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, gelet op het bepaalde in artikel 3.71, derde lid, Vb, als zij aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling. - -#### 13.11. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de gezinsleden onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij (hoofdpersoon)’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -De IND verleent de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van het verblijfsrecht van de onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling. - -### 14. Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid - -#### 14.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder g VV, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan beschermde getuigen die in het beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid zijn opgenomen als er een daartoe strekkend verzoek is gedaan door de Officier van Justitie belast met getuigenbescherming en bijzondere getuigen van de Landelijke Eenheid. - -#### 14.2. Beleidsregels voor de gezinsleden van de hoofdpersoon - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder g, VV, aan de (adoptie- of pleeg) kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner die feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. - -De hoofdpersoon moet aantonen dat zijn (adoptie- of pleeg)kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. - -#### 14.3. MVV-vrijstelling - -De beschermde getuige opgenomen in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid en zijn gezinsleden worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb), als hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder g, VV. - -#### 14.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb niet. - -De vreemdeling kan: - -• na zes maanden een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ (zie paragraaf B9 Vc). - -Bij beëindiging van het beschermingsprogramma zal de IND de verblijfsvergunning in beginsel intrekken. Als tussentijds blijkt dat de betreffende vreemdeling niet langer voldoet aan één van de voorwaarden die aan het verblijfsrecht is verbonden, beoordeelt de IND of dit aanleiding is het verblijfsrecht te beëindigen. - -### 15. Mensenrechtenverdedigers - -#### 15.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon - -De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo. artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder h, VV een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan mensenrechtenverdedigers, indien zij deelnemen aan het programma van ICORN (Vluchtstad) en er een daartoe strekkend verzoek is gedaan door een desbetreffende aan ICORN deelnemende gemeente. - -#### 15.2. Beleidsregels voor de gezinsleden van de hoofdpersoon - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo. artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder h, VV aan de (adoptie- of pleeg)kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner die feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. - -De hoofdpersoon moet aantonen dat zijn (adoptie- of pleeg)kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat de feitelijke gezinsband niet verbroken is. - -#### 15.3. Middelen van bestaan - -Deelnemers aan het programma van ICORN (Vluchtstad) zijn vrijgesteld van het middelenvereiste, omdat de desbetreffende gemeente zorgt draagt voor de middelen voor het levensonderhoud van de deelnemers en hun gezinsleden. - -#### 15.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake mensenrechtenverdedigers met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar. - -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake mensenrechtenverdedigers niet. - -Bij beëindiging van deelname aan het programma van ICORN (Vluchtstad) zal de IND de verblijfsvergunning in beginsel intrekken. - -## B9. Humanitair niet-tijdelijk - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op niet-tijdelijk humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen: - -• Oud-Nederlanders; -• Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken; -• Terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet; -• Terugkeeroptie (minderjarige vreemdelingen); -• Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen; -• Verblijfsvergunning na eerder verblijf als minderjarige in het kader van verblijf als familie- of gezinslid; -• Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid; -• Na verblijf in het kader van medische behandeling; -• Na verblijf als slachtoffer van mensenhandel die hiervan geen aangifte kan of wil doen; -• Na verblijf als slachtoffer van (dreigend) eergerelateerd geweld of (dreigend) huiselijk geweld; -• Na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel; -• Na verblijf als getuige-aangever van mensenhandel; -• Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM; -• Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996; -• Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel; -• Verblijf als beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid - -De beleidsregels zijn een nadere invulling of een uitwerking van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb. - -### 2. Oud-Nederlanders - -#### 2.1. Als Nederlander in Nederland geboren en getogen oud-Nederlanders - -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, Vb. - -Het ‘in Nederland zijn geboren en getogen’ houdt in dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen. - -#### 2.2. Buiten Nederland geboren oud-Nederlanders - -De IND neemt aan dat in ieder geval sprake is van bijzondere banden met Nederland als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder e, Vb als sprake is van één van de volgende omstandigheden: - -• de vreemdeling heeft als Nederlander in Europees of Caribisch Nederland of op Aruba, Sint-Maarten of Curaçao minstens de helft van het basisonderwijs gevolgd; -• de vreemdeling heeft gedurende zijn minderjarigheid een opleiding gevolgd, die meer dan in die tijd in dat land gebruikelijk was, op Nederland zelf was gericht; of -• er is sprake van bijvoorbeeld een opvoeding, maatschappelijke positie en/of dienstbetrekking die op Nederland gericht zijn (zie bijvoorbeeld KNIL-militairen met pensioen en ambtenaren in Nederlandse dienst). - -#### 2.3. Oud-Nederlanders ( - -##### 2.3.1. Algemene verblijfsvoorwaarden - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder a, VV verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als: - -• de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van c en k; -• de vreemdeling meerderjarig is; -• de vreemdeling op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend ten minste drie aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, aanhef en onder a, b, e, of l, Vw in Nederland verbleef; -• de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en -• de aanvraag is ontvangen binnen twee jaar na verlies van het Nederlanderschap op grond van: - -– artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN in het kader van de intrekkingsprocedure van het Nederlanderschap. De IND stelt als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfvergunning dat een vreemdeling gedurende de periode waarin op hem de verplichting rustte om afstand te doen van zijn oorspronkelijke (niet-Nederlandse) nationaliteit, door het afleggen van een verklaring afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Deze afstandsverplichting volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN; of -– artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN. - -##### 2.3.2. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door intrekking ( - -20143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3420143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3401-01-2015 - -##### 2.3.3. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door het afleggen van een verklaring van afstand ( - -20143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3420143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3401-01-2015 - -### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken - -De IND verleent op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder a, 3, Vb de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als: - -• de vreemdeling drie jaar rechtmatig verblijf heeft gehad onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, Vb; -• de vreemdeling op het moment van de indiening van de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, en -• er geen overige gronden voor weigering zijn. - -### 4. Terugkeeroptie op grond van - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder g, Vb. - -### 5. Terugkeeroptie (minderjarige vreemdelingen) - - - - - -De IND beoordeelt of Nederland het meest aangewezen land is, zoals bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder f, sub 2, Vb en betrekt daarbij in ieder geval één of meer van de volgende omstandigheden: - -• de reden van de remigratie; -• de duur van het verblijf in Nederland en in het land van herkomst; -• de in Nederland en in het buitenland gevolgde schoolopleiding; -• de in Nederland en in het buitenland opgedane werkervaring; -• de kennis van de Nederlandse taal; -• de aanwezigheid van familieleden in Nederland; en -• eerdere pogingen om terug te keren naar Nederland. - -### 6. Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen - -#### 6.1. Inleiding - -In de brief aan de Tweede Kamer van 29 januari 2019 (Nieuwe Balans in het Regeerakkoord, TK 2018–2019, 19 637, nr. 2459) is opgenomen dat de Definitieve Regeling per 29 januari 2019 wordt beëindigd en dat er een overgangsregeling komt voor langdurig verblijvende kinderen. Dit is de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (verder: de Afsluitingsregeling). In dit hoofdstuk wordt de beëindiging met terugwerkende kracht van de Definitieve Regeling geregeld en zijn beleidsregels opgenomen inzake deze Afsluitingsregeling. - -#### 6.2. Beëindiging Definitieve Regeling - -De Definitieve Regeling, zoals voorheen opgenomen in dit hoofdstuk, wordt – met terugwerkende kracht – afgeschaft per 29 januari 2019. - -De IND beoordeelt lopende procedures inzake de Definitieve Regeling aan de hand van de voorwaarden en contra-indicaties van de Afsluitingsregeling. De Afsluitingsregeling heeft immers als doel om tot een herbeoordeling te komen van de Definitieve Regeling. Ook is van belang dat in de Afsluitingsregeling, onder handhaving van de overige voorwaarden en contra-indicaties, een wijziging heeft plaatsgevonden van de contra-indicatie niet meewerken aan vertrek. Deze contra-indicatie wordt vervangen door de contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek. Deze aanpassing geldt als gunstiger recht in de zin van artikel 3.103 Vb en wordt bij de beoordeling van alle lopende procedures betrokken, inclusief (hoger) beroepsprocedures. - -#### 6.3. Afsluitingsregeling – algemeen - -De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder b, VV. - -De IND beoordeelt de Afsluitingsregeling op basis van: - -• alle lopende procedures inzake de Definitieve Regeling, waaronder (hoger) beroepsprocedures. De vreemdeling hoeft in dat geval geen nieuwe aanvraag in te dienen; -• ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling, indien de eerdere afwijzing op grond van enkel het meewerkcriterium in rechte onaantastbaar is geworden. In paragraaf B9/6.4 Vc is geregeld onder welke voorwaarden en op welke van twee manieren vreemdelingen voor herbeoordeling in aanmerking kunnen komen; -• aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling, ingediend na 29 januari 2019 en uiterlijk binnen twee weken na inwerkingtreding van deze regeling, overeenkomstig paragraaf B9/6.8 Vc. De IND merkt vóór de inwerkingtreding van dit WBV ingediende aanvragen, waarin een beroep wordt gedaan op (de strekking van) eerdergenoemde Kamerbrief van 29 januari 2019, aan als aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling. Vreemdelingen hoeven in dat geval niet opnieuw een schriftelijke aanvraag in te dienen. - -Vreemdelingen die buiten deze termijn een aanvraag indienen, kunnen zich niet beroepen op de Afsluitingsregeling. - -Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van hoofdstuk B1 onverkort. - -#### 6.4. Herbeoordeling Definitieve Regeling - -De IND gaat onder de hieronder genoemde voorwaarden over tot ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling als de eerdere aanvraag enkel op grond van het meewerkcriterium is afgewezen. - -Uit de uitwerking hieronder volgt dat herbeoordeling op twee manieren kan plaatsvinden: - -– volledig ambtshalve door de IND en zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten; -– op basis van een signaal van de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling. - -Ambtshalve herbeoordeling vindt voor de eerste groep plaats zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten. Dat geldt voor vreemdelingen waarvan op voorhand met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat zij op 29 januari 2019 in Nederland verbleven. Tevens bestaat er bij die groep voldoende zekerheid omtrent het adres waar deze vreemdelingen verblijven en hun actuele gezinssamenstelling. - -De IND gaat ten aanzien van de hiervoor bedoelde groep over tot ambtshalve herbeoordeling indien: - -a) de vreemdeling reeds eerder een aanvraag op grond van de Definitieve Regeling heeft ingediend en er tegen de afwijzing van die aanvraag geen procedure meer loopt; -b) er in die eerdere beoordeling van de Definitieve Regeling geen andere contra-indicaties of afwijzingsgronden dan het meewerkcriterium zijn tegengeworpen; -c) de vreemdeling op 29 januari 2019 in een opvangvoorziening van het COA verbleef dan wel onder toezicht van het NIDOS stond. - -Ad c) Onder opvangvoorzieningen van het COA vallen ook de gezinslocaties (GL) en de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). De gemeentelijke noodopvang waaronder de zogenoemde bed, bad en brood locaties vallen hier niet onder. - -In afwijking van vorenstaande vindt deze herbeoordeling niet plaats als zich een van de volgende in paragraaf B9/6.6 Vc opgenomen contra-indicaties voordoet: - -– de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning, behoudens de verblijfsvergunningen die in paragraaf B9/6.6 onder b Vc zijn uitgezonderd; -– de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten (paragraaf B9/6.6, onder f Vc). - -Voor vreemdelingen is het kenbaar of zij op grond van vorenstaande bepalingen voor ambtshalve herbeoordeling in aanmerking komen. Dat is immers gebaseerd op objectieve en voor de vreemdeling kenbare uitgangspunten. - -De tweede groep die voor herbeoordeling in aanmerking komt, met toepassing van dezelfde contra-indicaties, betreft vreemdelingen die: - -– reeds op 29 januari 2019 in Nederland verbleven (paragraaf B9/6.5 Vc); -– voldoen aan de hierboven onder a) en b) genoemde voorwaarden; -– niet reeds op grond van punt c) hierboven zullen worden herbeoordeeld; en -– binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling kenbaar maken dat zij voor herbeoordeling in aanmerking wensen te komen. Zij dienen hiervoor een beroep te doen op de Afsluitingsregeling middels het op de website (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Reeds ingediende aanvragen of verzoeken om herbeoordeling hoeven niet opnieuw middels dit aanvraagformulier te worden ingediend. - -De daadwerkelijke herbeoordeling vindt plaats aan de hand van alle voorwaarden (paragraaf B9/6.5 Vc) en contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc). Mocht eerst bij de herbeoordeling blijken dat er sprake is van een van de twee hierboven genoemde contra-indicaties, dan worden die bij de beoordeling onverkort tegengeworpen. - -Herbeoordeling vindt plaats door op grond van artikel 3.6b Vb een ambtshalve beschikking te nemen. Alvorens een inwilligend ambtshalve besluit te nemen, stelt de IND de vreemdeling in staat te voldoen aan de voorwaarde dat alle lopende procedures worden ingetrokken. Tevens kunnen daarbij nadere gegevens worden verlangd voor de afgifte van een verblijfsdocument of anderszins. - -Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening (paragraaf B9/6.5 Vc), dan wel indien er sprake is van contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc), weigert de IND bij ambtshalve beschikking een vergunning op grond van de Afsluitingsregeling te verlenen. Tegen deze beschikking kan bezwaar worden gemaakt. - -#### 6.5. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling - -De IND beoordeelt in alle gevallen of de vreemdeling zich op de peildatum van 29 januari 2019 in Nederland bevond. De IND verleent geen verblijfsvergunning aan vreemdelingen die zich op de peildatum niet in Nederland bevonden. - -De IND neemt verblijf op de peildatum in beginsel aan indien de vreemdeling op die datum dan wel op enig moment in de periode van uiterlijk drie maanden daarvoor bekend was bij de IND, DTenV, COA, of AVIM. De IND beoordeelt dat overeenkomstig de voorwaarde als bedoeld onder paragraaf B9/6.5, onder c, Vc. - -De IND neemt – in uitzondering op vorenstaande – niet aan dat er sprake was van verblijf in Nederland als er concrete indicaties zijn dat de vreemdeling op de peildatum buiten Nederland verbleef. Een concrete indicatie doet zich in ieder geval voor bij aantoonbaar vertrek uit Nederland en waarbij er nadien niet is gebleken dat de vreemdeling weer is teruggekeerd. - -De IND neemt ook aan dat er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum als op basis van bij de IND bekende gegevens buiten twijfel is dat de vreemdeling op de peildatum in Nederland verbleef. - -De IND beoordeelt aan de hand van bij de IND de bekende gegevens of er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum. Indien de IND daartoe aanvullende gegevens verlangt, wordt de vreemdeling hiertoe in de gelegenheid gesteld. - -Deze voorwaarde laat onveranderd dat een vergunning tevens kan worden geweigerd wegens verblijf buiten de Europese Unie, voor zover paragraaf B9/6.6, onder f, Vc van toepassing is. - -De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling: - -a. die jonger is dan 19 jaar op het moment van de oorspronkelijke aanvraag, dan wel op enig moment tussen 1 februari 2013 en 29 januari 2019; -b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven; -c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DTenV, COA of AVIM (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én -d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van deze Afsluitingsregeling. - -De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. - -Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/6.2.1 Vc (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet. - -De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden: - -• sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DTenV, COA, of AVIM (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en -• niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest. - -Als sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden. - -De IND beoordeelt in het kader van ambtshalve herbeoordeling niet opnieuw of aan deze voorwaarde is voldaan. - -De IND beoordeelt in het geval van een ingediende aanvraag of de vreemdeling in de periode vanaf zijn eerste asielaanvraag (maar niet eerder dan 27 juni 2010) tot aan de peildatum van 29 januari 2019 aan deze voorwaarde voldeed. - -Als de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt, bijvoorbeeld ingevolge de Dublinverordening, dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden. - -Als de gezinsband is verbroken, wordt dit uitsluitend aan het betreffende gezinslid tegengeworpen. - -De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op de peildatum van 29 januari 2019 deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij op het moment van beoordeling de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. - -De IND beoordeelt de aanspraken op de Afsluitingsregeling in de context van het gezin. Dat betekent dat een afwijzingsgrond of een contra-indicatie voor één van de gezinsleden er toe leidt dat het hele gezin niet in aanmerking komt voor verblijf, tenzij bij het betreffende criterium van dat uitgangspunt wordt afgeweken. - -De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7. - -Onder gezinsleden verstaat de IND: - -• ouders; -• minderjarige broer(s)of zus(sen) die minderjarig waren op de peildatum; -• meerderjarige broer(s)of zus(sen) die op de peildatum nog onderdeel vormen van het gezin. - -En als de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken: - -• de vreemdeling van achttien jaar of ouder die op de peildatum een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de hoofdpersoon of die met hem een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan; of -• het minderjarige kind van wie de hoofdpersoon de biologische of juridische ouder is, mits er op de peildatum feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven. - -#### 6.6. Contra-indicaties - -De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de volgende contra-indicaties: - -a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid; -b. de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning; -c. de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU; -d. de vreemdeling heeft de identiteit of nationaliteit niet kunnen aantonen door onder meer het overleggen van documenten of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden; -e. de vreemdeling is niet beschikbaar geweest in het kader van vertrek; of -f. de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten. - -De IND verleent de verblijfsvergunning niet als de vreemdeling of één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval als: - -• wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) of maatregel(en) in totaal ten minste één maand bedraagt; of -• bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. - -Als bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn. - -Deze contra-indicatie leidt niet tot weigering van de verblijfsvergunning indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met: - -– medische behandeling (artikel 3.4, onder p, Vb); -– tijdelijke humanitaire gronden (artikel 3.4, onder q, Vb); of -– studie (artikel 3.4, eerste lid onder m, Vb). - -Als een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid. - -Als de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder j, Vw (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen. - -De vreemdeling moet bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Daarnaast moet hij in de eerste asielprocedure consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit. Als de vreemdeling zijn identiteit niet kan aantonen met documenten maar wel consistent en naar waarheid heeft verklaard, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen. Indien na de beoordeling van de oorspronkelijke aanvraag andere identiteitsgegevens bekend zijn geworden, wordt beoordeeld of deze contra-indicatie alsnog aan de vreemdeling wordt tegengeworpen. - -Indien de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de BRP inschrijft met een andere identiteit of nationaliteit, dan trekt de IND de vergunning in. - -De IND neemt aan dat de vreemdeling beschikbaar is geweest voor vertrek aan de hand van de volgende uitgangspunten. - -De toetsperiode is overeenkomstig de relevante toetsperiode van de voorwaarde niet onttrekken aan het toezicht, zoals bedoeld in paragraaf B9/6.5, onder c Vc. - -De vreemdeling is in ieder geval beschikbaar geweest voor vertrek, indien de daadwerkelijke verblijfplaats van de vreemdeling bekend was bij de IND, DTenV, COA of AVIM, tenzij de vreemdeling op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken. Het vertrek met onbekende bestemming wordt niet tegengeworpen indien de vreemdeling binnen drie maanden weer in beeld is gekomen (paragraaf B9/6.5, onder c Vc). - -De daadwerkelijke verblijfsplaats is in ieder geval bekend als de vreemdeling verbleef in een opvanglocatie bij wege van de Rijksoverheid (zie paragraaf B9/6.4, onder c Vc). - -Vertrek met onbekende bestemming kan onder meer aan de hand van een model M-100 worden vastgesteld. De vreemdeling heeft de opvanglocatie niet uit eigen beweging verlaten in het geval van vertrek naar aanleiding van een (voorgenomen) ontruiming van de opvanglocatie. - -De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie. - -De IND werpt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie altijd tegen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang. - -In het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen. - -Daarbuiten wordt deze contra-indicatie uitsluitend niet tegengeworpen, indien de vreemdeling na terugkeer opnieuw een asielaanvraag indient en hij nadien vijf jaar in Nederland verblijft overeenkomstig paragraaf B9/6.5, onder b Vc. - -Als de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden. - -#### 6.7. Vereisten aanvraagprocedure - -Voor het indienen van de aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling zijn overeenkomstig artikel 3.34, onder s, VV leges verschuldigd. - -De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis. In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1 Vc merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend. - -Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1 Vc, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid onder a, Vw. - -#### 6.8. Procedurele bepalingen - -Het ambtshalve herbeoordelingsbesluit wordt schriftelijk bekend gemaakt door toezending er van aan het (laatst bekende) adres de vreemdeling. - -Vreemdelingen die wegens het voldoen aan de voorwaarden een beroep op de Afsluitingsregeling willen doen, moeten hiertoe tijdig schriftelijk een aanvraag indienen. - -Een aanvraag is tijdig ingediend indien de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling een schriftelijke aanvraag heeft ingediend. - -Er kan daartoe gebruik worden gemaakt van het op de website van de IND (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Op de website is opgenomen op welke wijze de aanvraag kan worden ingediend. - -Ook aanvragen die niet middels dit aanvraagformulier zijn ingediend en waarin een beroep wordt gedaan op de afschaffing van de Definitieve Regeling dan wel de kamerbrief van 29 januari 2019, worden aangemerkt als aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling. - -De IND nodigt de vreemdeling vervolgens op grond van artikel 3.99, tweede lid, onder a, Vb uit om in persoon aan het loket te verschijnen. - -Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken. - -De IND verleent de verblijfsvergunning met ingang van: - -• 29 januari 2019, voor zover de verblijfsvergunning ambtshalve op basis van een herbeoordeling wordt verleend; -• de datum waarop de aanvraag is ontvangen indien er geen sprake is van een herbeoordeling maar van een ingediende aanvraag. De verblijfsvergunning wordt niet verleend met een eerdere datum dan 29 januari 2019. - -### 7. Verblijfsvergunning na eerder verblijf als minderjarige vreemdeling in het kader van verblijf als familie- of gezinslid - -De IND verleent de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb ook aan de vreemdeling die: - -• in het jaar na zijn verblijfsaanvaarding in het kader van verblijf als familie- of gezinslid meerderjarig is geworden; of -• nog feitelijk bij zijn ouder(s) woont en van wie de gezinsband niet is verbroken en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.50 Vb. - -### 8. Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid - -#### 8.1. Algemene verblijfsvoorwaarden - -Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, als: - -1. gedurende vijf jaren geen grond is geweest voor intrekking van de verblijfsvergunning; -2. de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of ingevolge artikel 3.80a Vb hiervan is vrijgesteld of ontheven; en -3. de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van de subcategorieën b, c en k. - -Op grond van artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, als: - -• de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of ingevolge artikel 3.80a Vb hiervan is vrijgesteld of ontheven; en -• de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid Vw, met uitzondering van de subcategorieën c en k. - -##### 8.1.1. Verblijfsgat - -De IND werpt een verblijfsgat niet tegen als voldaan wordt aan alle hierna genoemde voorwaarden: - -• het verblijfsgat is ontstaan doordat de vreemdeling de verlengingsaanvraag niet-tijdig heeft ingediend; -• de vreemdeling heeft de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend binnen de redelijke termijn van twee jaar (zie paragraaf B1/6.1 Vc); en -• de vreemdeling heeft gedurende vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden, onafgebroken voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden van de oorspronkelijk aan hem verleende verblijfsvergunning. - -##### 8.1.2. Vrijstellingen en ontheffingen inburgeringsvereiste - -###### 8.1.2.1. Vrijstellingen - -De IND past de vrijstellingen toe genoemd in artikel 3.80a, tweede lid, Vb. - -De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef. - -Op 1 januari 2022 is de Wi 2021 in werking getreden. Deze heeft als doel alle nieuwe inwoners van Nederland met een inburgeringsplicht zo snel mogelijk Nederlands te leren spreken en schrijven op het voor hen hoogst haalbare niveau, zodat zij zo goed mogelijk mee kunnen draaien in de Nederlandse samenleving. - -De inburgeringseisen van de Wi 2013, inclusief vrijstellingen en ontheffingen, werken door naar de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit voor vreemdelingen die op tijdelijke basis in Nederland verblijven en op enig moment sterker verblijf aanvragen. Deze doorwerking van de Wi 2013 blijft ook gelden na 1 januari 2022 voor: - -• niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen; en -• inburgeringsplichtige vreemdelingen, die voor 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden. - -Verder werkt ook de ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege ‘aantoonbaar geleverde inspanningen’ als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder b, Wet inburgering 2007 door naar de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit. - -Inburgeringsplichtige vreemdelingen die onder de Wi 2021 vallen en onder dat regime hun inburgeringsplicht vervullen of daarvan worden vrijgesteld, of ontheven, op basis van hun inburgeringsdiploma,- certificaat, vrijstelling of ontheffing voldoen hiermee tevens aan het inburgeringsvereiste en kunnen op basis hiervan ook sterker verblijf aanvragen. De doorwerking van het inburgeringsregime blijft derhalve gehandhaafd. - -De grondslag voor het stellen van het inburgeringsvereiste voor sterk verblijf is te vinden in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit (art 16a Vw jo. art 3.80a Vb; art 21 Vw jo. art 3.96a Vb; art 34 Vw jo. 3.107a Vb en art 45b Vw jo 3.126 Vb). - -###### 8.1.2.2. Medische ontheffing - -De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen. De procedure hiervoor is terug te vinden in bijlage 4 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022. - -###### 8.1.2.3. Onbillijkheid van overwegende aard (ook wel: hardheidsclausule) - -De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar: - -• de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of -• aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan het examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen. - -Daarnaast ontheft de IND de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht, als de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd. - -De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald in ieder geval de hardheidclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, op grond van het feit dat de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht, als: - -a. de vreemdeling ten minste driemaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan: - -1°. een inburgeringscursus; -2°. een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus; -3°. een cursus Nederlands als tweede taal; of -4°. een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal. -b. de vreemdeling minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk Keurmerk en de vreemdeling aangetoond heeft met een door DUO afgenomen toets naar het leervermogen dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of -c. de vreemdeling ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen. - -DUO geeft advies of iemand voldoet aan de criteria genoemd onder a, b en c. De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet het advies zelf aanvragen bij DUO. Voor het aanmeldformulier en meer informatie over deze procedure raadpleeg de website van DUO www.inburgeren.nl. - -Tot 1 juli 2013 kon een vreemdeling zich wenden tot het ROC Amsterdam voor een advies op basis van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek. Adviezen die bij het ROC zijn aangevraagd vóór 1 juli 2013 zullen nog worden meegenomen door de IND bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing. - -De IND neemt het ROC-advies niet over als: - -• dit advies op de dag van de indiening van de aanvraag ouder is dan vijf jaar; -• de IND constateert dat de vreemdeling in een vreemdelingenrechtelijke procedure verklaringen heeft afgelegd die in tegenspraak zijn met het advies; of -• op een andere manier dan uit een vreemdelingenrechtelijke procedure blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond. - -De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald de hardheidsclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, als blijkt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen. - -De IND betrekt in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden: - -− de door de vreemdeling getoonde wil om voor het inburgeringsexamen te slagen; en -− de door de vreemdeling geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het inburgeringsexamen. - -De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten: - -• leeftijd van de vreemdeling; -• opleidingsniveau van de vreemdeling; -• de financiële situatie van de vreemdeling; of -• de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden van de vreemdeling. - -De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval niet de stelling dat de vreemdeling: - -• geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening heeft gekregen; -• geen inburgeringsvoorziening heeft opgelegd gekregen; -• geen aanbod tot een taalkennisvoorziening heeft gekregen; -• geen taalkennisvoorziening heeft opgelegd gekregen; of -• nooit heeft geweten dat hij het inburgeringsexamen moet behalen. - -De IND past eveneens de hardheidsclausule toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb. - -De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht indien de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd, als bedoeld in artikel 3.80a, 3.96a en 3.107a, Vb. Onder aantoonbaar voldoende ingeburgerde vreemdelingen worden vreemdelingen bedoeld, die: - -• ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven zijn geweest; -• gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk hebben verricht in Nederland; en -• de vaardigheden in de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 2.9, onderdelen a en b, van het Besluit inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022, beheersen op het in dat artikel bedoelde niveau. - -De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet hiervoor een advies aanvragen bij DUO en deze meesturen bij de aanvraag voor een sterker verblijf. De IND gaat bij de beoordeling van de ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van DUO. - -#### 8.2. Bijzondere voorwaarden na een (huwelijks)relatie - -Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan alle volgende voorwaarden: - -• de vreemdeling is een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie aangegaan met een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft; en -• de (huwelijks)relatie bestaat vijf jaren (of heeft vijf jaren bestaan) en de vreemdeling heeft ten minste vijf jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning gehad. - -Op grond van artikel 3.51, negende lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is als: - -• aan hem de in artikel 3.31b Vb bedoelde vergunning is verleend (zie B11) en hij uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb verwerft; of -• hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. - -#### 8.3. Bijzondere voorwaarden na verruimde gezinshereniging - -Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning alleen als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/ 8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaren in het kader van verruimde gezinshereniging een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft. - -#### 8.4. Verblijfsvergunning na overlijden van de referent - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vb af als de vreemdeling verblijf heeft gekregen op grond van het beleid voor gezinshereniging van een alleenstaande vreemdeling van 65 jaar of ouder met zijn kind. - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vb niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, Vw. - -#### 8.5. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ verleend na verblijf in het kader van medische behandeling - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder l, VV verleent de IND een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ alleen aan de vreemdeling die aan de volgende voorwaarden voldoet: - -• de hoofdpersoon bij wie verblijf is verleend, is op grond van artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, of artikel 3.51, eerste lid, onderdeel b, Vb, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ na: - -a. drie jaar als houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’; of -b. twee jaar als houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ die verleend is direct nadat zijn uitzetting uit Nederland op grond van artikel 64 Vw gedurende ten minste een jaar achterwege was gebleven; en -• de vreemdeling heeft gedurende de gehele periode voldaan aan alle voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning; -• de vreemdeling voldoet, op het moment waarop hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ indient, aan alle voorwaarden voor verlenging van de oorspronkelijke verblijfsvergunning; -• de vreemdeling dient tegelijkertijd met, of op een latere datum dan de hoofdpersoon een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’; en -• de vreemdeling voldoet aan de algemene verblijfsvoorwaarden genoemd in artikel 16 Vw. De vreemdeling hoeft niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan of een verklaring van een referent (als gevolg van art. 3.51, vierde lid, Vb). - -#### 8.6. Verblijf wegens bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder c, VV als: - -• de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb of artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb; en -• de vreemdeling heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. Voor een uitwerking van de bijzondere individuele omstandigheden die een rol in dit kader kunnen spelen zoekt de IND aansluiting bij de bijzondere omstandigheden genoemd in paragraaf B9/11 Vc. - -#### 8.7. Bijzondere voorwaarden na verblijf bij houder blauwe kaart - -In aanvulling op de in artikel 3.51 Vb, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen als het gezinslid, naast de in paragraaf B9/8.1 genoemde voorwaarden, ook voldoet aan de volgende voorwaarde: - -• het gezinslid heeft twee jaren voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. - -Deze voorwaarde geldt ook in aanvulling op artikel 3.51, vierde lid, aanhef en onder a en b, Vb voor de gezinsleden van een langdurig ingezetene met de aantekening ‘voormalig houder van een Europese blauwe kaart’. - -### 9. Na verblijf in het kader van medische behandeling - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, en artikel 3.51, eerste lid, onderdeel b, Vb, uitsluitend als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden: - -a. de vreemdeling is ten minste drie jaar direct voorafgaand aan de aanvraag houder geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; of -b. de vreemdeling is direct nadat zijn uitzetting op grond van artikel 64 Vw gedurende ten minste een jaar achterwege is gebleven, ten minste twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag houder geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; en -c. de medische behandeling is voor ten minste nog één jaar noodzakelijk; en -d. de vreemdeling heeft gedurende de gehele periode voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; en -e. de vreemdeling voldoet op het moment waarop hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden indient, nog steeds aan alle voorwaarden voor verlenging van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. De vreemdeling hoeft niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan. - -### 10. Na verblijf als slachtoffer van mensenhandel die hiervan geen aangifte kan of wil doen - -De IND verleent een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder d, VV, als: - -• het slachtoffer aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; of -• uit recente medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer (nog steeds) in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces; of -• het slachtoffer op het moment van de aanvraag minderjarig is en uit een recente verklaring van de politie of KMar blijkt dat van de vreemdeling (nog steeds) niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met diens minderjarigheid. - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder d, VV, als: - -• de vreemdeling ten minste één jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel die hiervan om zwaarwegende redenen geen aangifte kan of wil doen of anderszins geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar; en -• geen sprake meer is van een ernstige bedreiging, een fysieke of psychische beperking of minderjarigheid, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; en -• er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, waardoor van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. - -### 11. Na verblijf als slachtoffer van (dreigend) eergerelateerd geweld of van (dreigend) huiselijk geweld - -De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder i en j, Vb, als de vreemdeling aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt. - -Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld geen sprake meer, dan verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder e, VV, als er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. - -De IND neemt aan dat bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval gelegen kunnen zijn in: - -a. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst; -b. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst; -c. de omstandigheid dat in het land van herkomst geen naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is; -d. de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren en/of een opleiding volgen; -e. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie; of -f. de banden met Nederland. - -De IND houdt bij de beoordeling rekening met de situatie van vreemdelingen en hun kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. - -De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als: - -• sprake is van gedwongen uithuwelijking in het land van herkomst; of -• de eigen familie in het land van herkomst de vrouw heeft verstoten; of -• de vrouw naar het recht van het land van herkomst niet de mogelijkheid heeft te scheiden. - -De IND verleent de verblijfsvergunning als de vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie. - -Bij een minderjarige vreemdeling is het in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband met de referent is verbroken. - -De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als: - -• sprake is van in Nederland geboren kinderen, of kinderen met (ook) de Nederlandse nationaliteit; en -• aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding in het land van herkomst. - -### 12. Na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, VV verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, en b, en g, Vb, als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet: - -1. de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en dat heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b, en g, Vb; -2. het gerechtshof heeft het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv ter zake van mensenhandel gegrond verklaard en het gerechtshof heeft de officier van justitie bevolen strafvervolging ter zake van mensenhandel in te stellen; of -3. er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar onafgebroken op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland. - -Een vervolgingsbeslissing is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging. - -De IND kan de verblijfsvergunning zowel ambtshalve (artikel 3.6b Vb) als op aanvraag verlenen. - -Als de vreemdeling geen aanvraag heeft ingediend, maar wel de beschikking van het gerechtshof heeft overlegd waarin het gerechtshof het beklag gegrond heeft verklaard, verleent de IND de verblijfsvergunning ambtshalve. De ingangsdatum van deze vergunning is de datum van de beschikking van het gerechtshof, als op die datum ook aan de overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan. - -Als de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend, verleent de IND de verblijfsververgunning met als ingangsdatum de datum van de aanvraag, als op die datum aan alle voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan. - -Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1, 2 en 3 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. - -De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat: - -• risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden; -• risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en -• de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst. - -### 13. Na verblijf als getuige-aangever van mensenhandel - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder g, VV verleent de IND een verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder c, Vb als: de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. - -De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat: - -• risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden. Als de aangifte door de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte moet bij de beoordeling van het risico voor represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht moet worden toegekend aan de veroordeling; -• risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en -• de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst. - -### 14. Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM - -#### 14.1. Privéleven - -De IND verleent de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder h, VV. - -Volgens de jurisprudentie van het EHRM wordt het begrip privéleven gevormd door de volgende elementen: - -• het recht op identiteit; -• het recht op persoonlijke ontwikkeling; -• het recht om relaties aan te gaan met andere mensen en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld; -• elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht, naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven; en -• geestelijke stabiliteit. - -De IND betrekt bij de beoordeling van een beroep op het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM in ieder geval: - -• de vraag of aan de vreemdeling in Nederland verblijf is toegestaan op grond van een verblijfsvergunning; -• de verblijfsduur in Nederland; en -• het totaal van de in het gastland aangegane sociale banden en de intensiteit daarvan. - -#### 14.2. Inmenging - -De IND neemt inmenging in het privéleven aan, als de vreemdeling: - -• een inreisverbod is opgelegd; -• met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst is verklaard; of -• in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. - -#### 14.3. Belangenafweging - -Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de IND een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe. - -De IND bepaalt de uitgangspositie van de belangenafweging mede door de omstandigheid of sprake is van inmenging. Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging. - -Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling. - -### 15. Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV) - -De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder i, VV, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een buitenlandse minderjarige vreemdeling, die vanuit een ander land op grond van het HKBV wordt geplaatst in een pleeggezin of in een instelling in Nederland, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -• de Nederlandse Centrale autoriteit heeft een verklaring afgegeven, waarin staat dat de Nederlandse Centrale autoriteit instemt met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland (instemmingsverklaring); -• de Centrale Autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft het besluit genomen om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of in een instelling in Nederland (instemmingsbesluit); -• de Nederlandse Centrale autoriteit heeft vastgesteld dat de vreemdeling niet meer zal kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke gezinssituatie en tot zijn 18de jaar in een pleeggezin of instelling in Nederland zal gaan verblijven; -• het gezag over de vreemdeling moet door de autoriteiten van het land van herkomst zijn geregeld; -• de aspirant-pleegouders hebben rechtmatig verblijf, als bedoeld artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, of zijn Nederlander. - -De IND wijst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder i, VV niet af wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. - -### 16. Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel - -#### 16.1. Inleiding - -Deze paragraaf bevat de beleidsregels voor vergunningverlening op niet-tijdelijke humanitaire gronden aan minderjarige vreemdelingen (en hun gezinsleden): - -1. Als het gezag van de ouder(s) over hen is beëindigd en een voogd is benoemd (zie paragraaf B9/16.2 tot en met 16.4 Vc); dan wel -2. Als zij gedurende één jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV (zie paragraaf B9/16.5 en 16.6 Vc). - -#### 16.2. Gezagsbeëindiging - -De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een minderjarige vreemdeling als: - -1. Het gezag van de ouder(s) over de minderjarige vreemdeling is beëindigd door de kinderrechter; én -2. De minderjarige vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd. - -#### 16.3. Mvv-vrijstelling - -De minderjarige vreemdeling, die aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B9/16.2 Vc voldoet, wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb). - -#### 16.4. Gezinsleden van de minderjarige vreemdeling over wie het gezag van de ouders is beëindigd - -De gezinsleden van de minderjarige vreemdeling, over wie het gezag van de ouders is beëindigd, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vorenbedoelde minderjarige vreemdeling, tenzij weigering van verblijf aan de gezinsleden een schending van artikel 8 EVRM oplevert (zie paragraaf B7/3.8 Vc). - -#### 16.5. Niet-tijdelijk verblijf na verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel - -De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - -1. De minderjarige vreemdeling is gedurende één jaar in bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ̀ tijdelijke humanitaire gronden´ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV; -2. Uit het advies van de DTenV blijkt dat de ondertoezichtstelling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend. - -De IND wijst de aanvraag af, als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. De IND wijst de aanvraag eveneens af, als de minderjarige vreemdeling of zijn gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft, waardoor de IND geen advies kan opvragen bij de DTenV. - -#### 16.6. Gezinsleden - -De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende gezinsleden van een onder toezicht gestelde vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B9/16.5 Vc: - -• de biologische of juridische ouder(s), als het onder toezicht gestelde kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouder(s); -• de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouder(s) een verblijfsvergunning heeft verleend voor gezinsleden van de onder toezicht gestelde vreemdeling. De minderjarige broers en zussen moeten onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders staan. - -De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en k, Vw. - -De IND stelt gezinsleden vrij van het mvv-vereiste gelet op het bepaalde in artikel 3.71, derde lid, Vb, als zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de onder toezicht gestelde minderjarige. - -### 17. Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder k, VV verleent de IND een verblijfsvergunning aan de vreemdeling als: - -• De vreemdeling nog immer is opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma van de Politie Landelijke eenheid; en -• De vreemdeling nog immer voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid Vw, met uitzondering van de subcategorie c en k. - -### 18. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met de geldigheidsduur van vijf jaar. - -### 19. Verlenging en intrekking - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar. - -De IND trekt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ niet in en wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend. Onder de oorspronkelijke verblijfsvergunning verstaat de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die voorafging aan de verlening van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. - -De IND merkt de aanvraag van de afhankelijke gezinsleden van oud-Nederlanders om opnieuw te worden toegelaten tot Nederland aan als een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als: - -• de aanvraag tegelijk met de aanvraag van de oud-Nederlander is ontvangen binnen zes maanden nadat de militaire dienstplicht of detentie van de oud-Nederlander is beëindigd; en -• de afhankelijke gezinsleden voorafgaand aan hun vertrek uit Nederland daarvan kennis hebben gegeven aan de Korpschef. - -Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen. - -Als de IND verblijfsrecht van de oud-Nederlander niet beëindigt, dan beëindigt de IND evenmin het verblijfsrecht van de afhankelijke gezinsleden als de afhankelijke gezinsleden niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet samenwonen met de oud- Nederlander. - -### 20. Bewijsmiddelen - -#### 20.1. Algemene bewijsmiddelen - -De IND beschouwt het inburgeringsdiploma of bewijsstukken waaruit blijkt dat de vreemdeling is vrijgesteld of ontheven van het inburgeringsexamen als bewijsmiddel dat de vreemdeling voldoet aan het inburgeringsvereiste, met inachtneming van het gestelde in paragraaf B9/8.1.2 Vc over de inwerkingtreding van de Wi 2021. - -De IND beschouwt conform het Besluit inburgering en de Wi één van onderstaande bescheiden als bewijsmiddel dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het inburgeringsexamen: - -• een op wettelijke basis uitgereikt Nederlands diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, of middelbaar beroepsonderwijs vanaf niveau 2, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal; -• een met een van de hierboven genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België of Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal; -• een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding, mits een voldoende behaald is voor het vak Nederlandse taal; -• een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald; -• het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, als een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald; -• een certificaat Naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007 waaruit blijkt dat aanvrager is geslaagd voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid; -• een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer uiterlijk 31 december 2006 het inburgeringstraject is afgerond, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat een profieltoets met de uitkomst voor de onderdelen ‘luisteren’ en ‘spreken’ niveau NT2-2 is behaald, voor de onderdelen ‘lezen’ en ‘schrijven’ niveau NT2-1 en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd; -• een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat voor de onderdelen ‘luisteren’, ‘spreken’, ‘lezen’ en ‘schrijven’ ten minste NT2 niveau 2 is behaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd; -• het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald; -• het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wi zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wi en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430); -• een document ‘Korte Vrijstellingstoets’ bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Besluit inburgering zoals dat besluit luidde tot 1 januari 2013, waaruit blijkt dat aanvrager niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald; -• een beschikking van het College van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma in het kader van de WIN achterwege is gelaten omdat de vreemdeling als bedoeld in artikel 5, tweede lid, WIN de kennis, inzicht en vaardigheden in voldoende mate op andere wijze zou verwerven; -• een beschikking van het College van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma in het kader van de WIN achterwege is gelaten omdat een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, WIN met goed gevolg is afgelegd; -• een bewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling ingevolge artikel 4 Besluit Naturalisatietoets, zoals deze geldig was op 1 april 2003, is of was ontheven van de wettelijke verplichting om alle in dat artikel bedoelde toetsonderdelen af te leggen; -• een brief van DUO waarin staat dat DUO vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen van de vreemdeling tot het oordeel komt dat het voor de vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 30 september 2017 inburgeringsplichtig zijn geworden); -• een brief van DUO waarin staat dat de vreemdeling heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht, omdat DUO aan de vreemdeling ontheffing heeft verleend op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen en hij om deze reden de inburgeringsexamens niet hoeft te behalen, en omdat de vreemdeling het participatieverklaringstraject heeft afgerond (in geval van vreemdelingen die na 30 september 2017 inburgeringsplichtig zijn geworden); -• een brief van DUO waarin staat dat de vreemdeling door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die na 31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn geworden); -• een advies van DUO waaruit blijkt dat de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd (zie ook B9/8.1.2.3 Vc bij onderdeel c, over ontheffing vanwege aantoonbaar voldoende inburgering); -• een brief van het College van B&W waarin staat dat het college vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen van de vreemdeling tot het oordeel komt dat het voor de vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden); of -• een brief van het College van B&W waarin staat dat de vreemdeling door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden). - -Als vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, beschouwt de IND een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst, waaruit blijkt dat voor Nederlands een voldoende is behaald als bewijsmiddel hiervan. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de beoordeling of de IND kan overgaan tot een medische ontheffing als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.2 Vc: - -• een advies afgegeven door een arts die door het College van B&W van de woonplaats van de vreemdeling is aangewezen en als de vreemdeling is verhuisd: een advies afgegeven door een aangewezen arts uit de vorige woonplaats (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden); of -• een advies afgegeven door een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onafhankelijk medisch adviseur. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een beoordeling van de hardheidsclausule op basis van de geleverde inspanning als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.3 Vc: - -• een door DUO afgegeven advies, waarin DUO aangeeft dat de vreemdeling ondanks de aangetoonde inspanningen het inburgeringsexamen niet kan halen; of -• een verklaring van het ROC van Amsterdam, waarin deze aangeeft dat de vreemdeling analfabeet is en wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen binnen vijf jaar af te leggen; en -• de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’ (A2-niveau). - -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een beoordeling van de hardheidsclausule vanwege bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.3 Vc, bescheiden waaruit deze bijzondere individuele omstandigheden blijken. Aan de hand hiervan beoordeelt de IND of de vreemdeling voor ontheffing in aanmerking komt. De bescheiden bevatten in ieder geval een onderbouwing van: - -• de wil en de geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het inburgeringsexamen; en -• de bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan het met goed gevolg afleggen (van een deel) van het inburgeringsexamen niet kan worden gevergd. - -#### 20.2. Verblijfsspecifiek - -De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling geboren is in Nederland. - -De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling niet woont in het land waarvan hij onderdaan is. - -De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is. - -De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. - -De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. - -De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijs dat de aanvraag binnen twee jaar na intrekking van het Nederlanderschap is ingediend. - -De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is. - -De IND beschouwt een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren. - -De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. - -De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waarin de datum is opgenomen waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat door de vreemdeling afstand is gedaan van het Nederlanderschap. - -De IND beschouwt een afschrift van de beschikking van de SVB, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum van de vreemdeling is vermeld, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen één jaar na remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet. - -De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minderjarig is. - -Verblijfsvergunning na overlijden referent - -De IND beschouwt een afschrift van de overlijdensakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de huwelijks- of (geregistreerd) partner, ouder, adoptie- of pleegouder van de vreemdeling is overleden. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de medische behandeling van de vreemdeling voor ten minste één jaar noodzakelijk is: - -• een door de medische behandelaars van de vreemdeling volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’, die niet ouder is dan zes weken; -• een door de vreemdeling zelf volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens’ die niet ouder is dan zes maanden; en -• relevante medische gegevens zoals beschreven in paragraaf A3/7.1 Vc. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld: - -a. recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of -b. een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld. - -Ad a: De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s). - -Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. - -De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld. - -Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld: - -• de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71 lid 1 BW. - -De IND beschouwt de dagvaarding of een andere verklaring van het OM als bewijsmiddel waaruit blijkt dat het OM tot vervolging overgaat ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. - -De IND beschouwt een verklaring van de politie, KMar of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, nog loopt. - -De IND beschouwt een door de vreemdeling overgelegde beschikking van het gerechtshof, waaruit blijkt dat het gerechtshof het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv ter zake van mensenhandel gegrond heeft verklaard en de officier van justitie bevolen heeft strafvervolging van ter zake van mensenhandel in te stellen, als bewijsmiddel. - -De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces, omdat de ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar voortduren. - -De IND beschouwt medische informatie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die aan het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven. - -De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit blijkt dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met de minderjarigheid van de vreemdeling. De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag minderjarig is. Als de vreemdeling op grond van artikel 3.72 Vb wordt vrijgesteld van het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, dan dient hij zijn minderjarigheid met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Daarbij wordt betrokken of sprake is van bewijsnood. - -De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling voor mensenhandel. - -De IND beschouwt bewijsstukken waaruit de banden met Nederland en de intensiteit daarvan blijken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling privéleven heeft opgebouwd in Nederland. - -De IND beschouwt de instemmingsverklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de Nederlandse Centrale autoriteit heeft ingestemd met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland. - -De IND beschouwt het instemmingsbesluit van de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling als bewijsmiddel dat de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft besloten om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland. - -De IND beschouwt een verklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de vreemdeling niet meer zal kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke gezinssituatie en tot zijn 18de jaar in een pleeggezin of instelling zal gaan verblijven. - -De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel dat het gezag over de vreemdeling is geregeld. - -De IND beschouwt een uitspraak van de kinderrechter als bewijsmiddel dat het gezag van de ouders over een minderjarige vreemdeling is beëindigd en dat er een voogd is benoemd. - -De IND beschouwt de beschikking van de kinderrechter als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling is verlengd. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt welke hulpverlening de minderjarige vreemdeling nodig heeft als bedoeld in B9/16.5 Vc: - -• het rapport van de Raad voor Kinderbescherming; of, indien van recenter datum: -• het rapport van de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert. - -De IND beschouwt uitsluitend een advies van de DTenV als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling van een minderjarige vreemdeling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang kan worden verleend. - -### 21. Tijdelijke regeling voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen, die als gevolg van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zijn kwijtgeraakt - -#### 21.1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, die tot 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit bezaten en ten aanzien van wie een eenmalige, bijzondere humanitaire regeling in het leven is geroepen. Deze regeling loopt van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025. - -In deze periode kunnen bedoelde niet-rechtmatige verblijvende Surinamers op aanvraag voor rechtmatig verblijf in aanmerking komen. De grondslag voor deze eenmalige, bijzondere humanitaire regeling is artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder m, VV. - -#### 21.2. Aanvraagprocedure - -De Surinaamse vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor deze regeling, meldt zich eerst bij het Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV). Het ASKV begeleidt Surinaamse vreemdelingen uit alle gemeenten in Nederland die een beroep doen op deze regeling. - -Het ASKV bespreekt samen met de Surinaamse vreemdeling of de vreemdeling aan de in paragraaf B9/21.3 Vc genoemde voorwaarden voldoet, welke bewijsmiddelen de vreemdeling nodig heeft en hoe deze bewijsmiddelen te verkrijgen. Het ASKV ondersteunt vervolgens de Surinaamse vreemdeling bij het verzamelen van voornoemde bewijsstukken. Nadat alle bewijsstukken zijn verzameld ondertekent de vreemdeling een antecedentenverklaring die bij de aanvraag wordt gevoegd. De aanvraag wordt vervolgens vóór 1 juli 2025 bij de IND ingediend. - -Als de vreemdeling nog in afwachting is van al eerder opgevraagde aanvullende bewijsmiddelen met betrekking tot de identiteit en nationaliteit kunnen deze binnen een redelijke termijn na de sluitingsdatum van 1 juli 2025 worden verstrekt zolang de aanvraag vóór 1 juli 2025 is ingediend. - -Namens de Surinaamse vreemdeling wordt enkel een aanvraag ingediend als de vreemdeling de volgende bewijsmiddelen over heeft gelegd: - -• een bewijs van oud-Nederlanderschap tenzij het oud- Nederlanderschap al is komen vast te staan door het overleggen van een identiteitsbewijs; -• een bewijs van een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland van tien jaar (Burgemeestersverklaring); -• een antecedentenverklaring; en -• een identiteitsbewijs tenzij de identiteit al is komen vast te staan door het overleggen van een bewijs van oud-Nederlanderschap. - -In de overige gevallen wordt namens de vreemdeling door het ASKV geen aanvraag ingediend. - -Als de Surinaamse vreemdeling bewijs heeft overgelegd dat hij een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland heeft gehad van tien jaar, dan geeft de gemeente Amsterdam een ondertekende Burgemeestersverklaring af. Namens de vreemdeling wordt deze ondertekende Burgemeestersverklaring samen met de andere bewijsmiddelen door het ASKV aan de IND gestuurd. - -De IND wijst de aanvraag onverkort af als: - -• de vreemdeling zonder tussenkomst van het ASKV bij de IND een aanvraag heeft ingediend; of -• de aanvraag van de vreemdeling niet is voorzien van een Burgemeestersverklaring. - -Paragraaf B1/8.1.1 Vc die ziet op gelegaliseerde bescheiden is van overeenkomstige toepassing. - -#### 21.3. Voorwaarden - -Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder m, VV verleent de IND een verblijfsvergunning voor bepaalde duur aan de Surinaamse vreemdeling, die: - -a. voor 1975 Nederlander is geweest en het Nederlanderschap als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 heeft verloren; -b. voorafgaand aan 1 januari 2025 een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland heeft gehad van tien jaar, zoals vastgelegd in de Burgemeestersverklaring, afgegeven door de gemeente Amsterdam; -c. zijn identiteit aantoont door het bezit van een geldig identiteitsbewijs, paspoort, een verklaring van nationaliteit of bewijs van voormalig Nederlanderschap; en -d. binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag om de verblijfsvergunning niet is veroordeeld voor een misdrijf - -Als de Surinaamse vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze regeling, wordt de vreemdeling vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige mvv. - -##### 21.3.1. De Surinaamse vreemdeling is voor 1975 Nederlander geweest en heeft het Nederlanderschap als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname in 1975 verloren - -Deze regeling geldt alleen voor de Surinaamse vreemdeling, die geboren is vóór 25 november 1975 en op 25 november 1975 het Nederlanderschap bij de onafhankelijkheid van Suriname heeft verloren als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Suriname en Nederland. De vreemdeling moet aantonen hij voor 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, bijvoorbeeld via een bewijs van verklaring van ex-Nederlanderschap of door het overleggen van een verlopen Nederlands paspoort van voor 25 november 1975. - -##### 21.3.2. De Surinaamse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf heeft voorafgaand aan 1 januari 2025 een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland gehad van tien jaar, zoals vastgelegd in de Burgemeestersverklaring, afgegeven door de gemeente Amsterdam - -Het ASKV beoordeelt of er bij Surinaamse vreemdeling sprake is van: - -• niet-rechtmatig verblijf; -• een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland van tien jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag. - -Het is voor de Surinaamse vreemdeling niet noodzakelijk dat hij aantoont de gehele periode van tien jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag, geen rechtmatig verblijf te hebben gehad. Kortdurend verblijf buiten Nederland, bijvoorbeeld vanwege ziekte of familiebezoek, wordt niet tegengeworpen. Het gaat om het aannemelijk maken van langdurig feitelijk verblijf in Nederland. - -Een lijst van bewijsmiddelen waarmee de Surinaamse vreemdeling de duur van het verblijf kan aantonen is op de website van ASKV en/of gemeente Amsterdam beschikbaar. - -##### 21.3.3. De Surinaamse vreemdeling toont zijn identiteit aan door het bezit van een geldig identiteitsbewijs, paspoort, een verklaring van nationaliteit of bewijs van voormalig Nederlanderschap - -Als bewijs van zijn identiteit en nationaliteit legt de Surinaamse vreemdeling over een: - -• Surinaamse identiteitskaart; -• Surinaams paspoort; -• verklaring van nationaliteit van de Surinaamse autoriteiten. Deze verklaring mag niet ouder zijn dan één jaar; of -• bewijs van voormalig Nederlanderschap, bestaande uit een verlopen Nederlands paspoort van voor 25 november 1975 of een verklaring van ex-Nederlanderschap van de Surinaamse autoriteiten. - -##### 21.3.4. De Surinaamse vreemdeling is binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag van de verblijfsvergunning niet veroordeeld voor een misdrijf - -De Surinaamse vreemdeling die binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag van de verblijfsvergunning is veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf, wegens het plegen van één of meerdere misdrijven komt op grond van de openbare orde niet in aanmerking voor deze regeling als: - -• hiertegen gevangenisstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a of 38m of van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, de vreemdeling bij strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen in totaal ten minste één maand bedraagt; - -In het algemeen wordt hierbij een termijn gehanteerd van een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel van ten minste één maand. Dit geldt eveneens voor een onherroepelijk opgelegde taakstraf of een boete die niet ter uitvoering kon worden gelegd en heeft geleid tot een vervangende gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel van ten minste één maand. - -Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. - -Als voornoemde termijn langer is dan een maand dan moet dit worden beoordeeld in het licht van de strekking van deze eenmalige, bijzondere humanitaire regeling. - -Bovenstaande beleidsregels met betrekking tot de openbare orde wijken af van de algemene beleidsregels over de openbare orde als opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. - -Voor wat betreft een eventueel gevaar voor de nationale veiligheid is paragraaf B1/4.4 Vc van overeenkomstige toepassing. - -#### 21.4. Gezinshereniging - -Het algemene beleid inzake gezinshereniging is van toepassing. - -#### 21.5. Beperking, arbeidsmarktaantekening, geldigheidsduur en vrijstelling mvv - -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’. - -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. - -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met de geldigheidsduur van vijf jaar. - -#### 21.6. Verlenging of intrekking - -Paragraaf B9/19 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -Paragraaf B9/19 Vc is van overeenkomstige toepassing. - -## B10. EU-recht en Internationale Verdragen - -### 1. Inleiding - -In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen ten aanzien van: - -• het recht van de Europese Unie; -• internationale Verdragen; -• de Associatieovereenkomst EG-Turkije. - -### 2. Het recht van de Europese Unie +### 2. De inwilliging van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd #### 2.1. Inleiding -In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van richtlijn 2004/38, artikel 10 van verordening 492/2011, artikel 20 VWEU en artikel 21 VWEU. +In artikel 14, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet is de bevoegdheid neergelegd van de Minister van Justitie om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt geen gebruik gemaakt. + +Als regel van de Vreemdelingenwet geldt dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve verleend kunnen worden). Dat geldt ook voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tevens voor wijziging van een zodanige verblijfsvergunning. + +Gelet op artikel 3.100 Vreemdelingenbesluit is, in gevallen waarin de vreemdeling hangende de besluitvorming op een aanvraag een ander verblijfsdoel nastreeft, sprake van wijziging van het verblijfsdoel, waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. + +In gevallen waarin de vreemdeling een ander verblijfsdoel nastreeft dan waarvoor hij verblijf heeft gevraagd, is er geen ruimte om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen voor een ander doel dan waarom is gevraagd, gelet op hetgeen in 2.2.1 is vermeld (er moet op de aanvraag worden beslist zoals deze is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan waarom is gevraagd), met uitzondering van verblijfsvergunningen als bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit die ook zonder daartoe strekkende aanvraag kunnen worden verleend. + +Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel. + +Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wordt echter wel gebruik gemaakt indien intrekking van een verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de orde is wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, maar internationale verplichtingen aan verblijfsbeëindiging in de weg staan, als bedoeld in 2.2.9. + +##### 2.1.1. Beperking + +a. gezinshereniging of gezinsvorming (zie B2); +b. verblijf ter adoptie of als pleegkind (zie B3); +c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant- adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (zie B2); +d. familiebezoek (zie B13); +e. het verrichten van arbeid als zelfstandige (zie B5); +f. het verrichten van arbeid in loondienst (zie B5); +g. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar (zie B5); +h. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst (zie B5); +i. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5); +j. het doorbrengen van verlof in Nederland (zie B5); +k. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5); +l. verblijf als stagiaire of practicant (zie B5); +m. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel (zie B12); +n. het volgen van studie (zie B6); +o. voorbereiding op hoger onderwijs (zie B6); +p. verblijf als au pair (zie B7); +q. verblijf in het kader van uitwisseling (zie B7); +r. het ondergaan van medische behandeling (zie B8); +s. de vervolging van mensenhandel (zie B9); +t. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (zie B3); +u. voortgezet verblijf (zie B2); +v. wedertoelating (zie B4); +w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie C Vreemdelingencirculaire); +x. het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag (zie C Vreemdelingencirculaire); +y. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (zie C Vreemdelingencirculaire). + +Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd alleen onder een beperking verband houdende met het verblijfsdoel worden verleend en is verlening van een zodanige verblijfsvergunning zonder beperkingen niet mogelijk. + +a. de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beziet of de vreemdeling het waarom en de noodzaak van het andere verblijfsdoel dan wel de andere beperking heeft vermeld; +b. de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beziet of de vreemdeling een en ander met gegevens en bescheiden heeft onderbouwd overeenkomstig 4.1.1.8; +c. de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beslist vervolgens namens de Minister op de aanvraag. + +##### 2.1.2. Ingangsdatum + +###### 2.1.2.1. Ingangsdatum eerste verblijfsaanvaarding + +Ingevolge artikel 26, eerste lid, Vreemdelingenwet wordt de verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dat geldt zowel voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als voor onbepaalde tijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.2.2. Ingangsdatum voortgezet verblijf + +Indien voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zowel de verlengingsaanvraag en de gegevens en bescheiden waarmee is aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn ontvangen, zal het verblijfsrecht van de vreemdeling niet aaneengesloten zijn. Dat heeft gevolgen voor de opbouw van rechten (bijvoorbeeld voor de latere verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie). Het is derhalve van belang dat de vreemdeling de aanvraag en de gegevens tijdig indient. + +Ingevolge artikel 26, derde lid, Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning echter worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt, indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen. + +Beleidsregel: Indien de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden de vreemdeling niet is toe te rekenen, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning. + +Omstandigheden die een te late indiening niet verschonen, zijn in ieder geval vakantie, detentie, nonchalance of het niet hebben ontvangen of gelezen van de rappelbrief. In deze gevallen ontstaat er een gat in het verblijfsrecht. Zie artikel 3.80 en 3.81 Vreemdelingenbesluit. + +##### 2.1.3. Geldigheidsduur + +Ingevolge artikel 14, derde lid, Vreemdelingenwet wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren en worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Deze regels zijn neergelegd in artikel 3.57 t/m 3.70 Vreemdelingenbesluit. + + + De hoofdregels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend of verlengd, zijn neergelegd in artikel 3.57 en 3.68 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.57 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt, behoudens artikel 3.68, verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd. + + + + Van deze hoofdregel wordt, afhankelijk van het verblijfsdoel, afgeweken in artikel 3.58 t/m 3.70 Vreemdelingenbesluit. Tenzij de vergunning wordt verleend of verlengd met vrijstelling van het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding, geldt in alle gevallen de tweede hoofdregel van artikel 3.68 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.68 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van de artikelen 3.57 tot en met 3.67 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend met een geldigheidsduur die één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven. + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.3.1. Geldigheidsduur: afwijkende bepalingen bij eerste verblijfsaanvaarding + +Artikel + 3.58 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van artikel 8, onder a, c, e of l, van de Wet, van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet of als Nederlander voor vijf jaren. + + + + + + Artikel + 3.59 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend. + + + + + + Artikel + 3.60 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden. + + + + + + Artikel + 3.61 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. + + + + + + Artikel + 3.62 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating worden verleend voor vijf jaren. + + + + + + Artikel + 3.63 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan. + + + + + + Artikel + 3.64 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren. + + + + + + Artikel + 3.65 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd. + + + + + + Artikel + 3.66 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd. + + + + Beleidsregel: De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het Vreemdelingenbesluit mogelijk is. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.3.2. Geldigheidsduur: afwijkende bepalingen bij voortgezet verblijf + +Artikel + 3.67 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + In afwijking van artikel 3.57 kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven: + + + a. + gedurende een jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in artikel 3.14, en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van artikel 3.5 is, of + + + b. + gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van artikel 3.5 is. + + + + + 2 + In afwijking van artikel 3.57, kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge artikel 3.57 alweer zou zijn geëindigd. + + + + + + + Artikel + 3.69 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd. + + + + + + Artikel + 3.70 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes maanden niet verlengd. + + + + Beleidsregel: In aanvulling op artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit geldt dat bij verlenging van de geldigheidsduur van een afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur ervan zich niet uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit en zolang de vreemdeling nog niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf. + + + Het is immers niet de bedoeling de vreemdeling met een afhankelijk verblijfsrecht een sterker verblijfsrecht te geven dan het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, zolang de vreemdeling met het afhankelijke verblijfsrecht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.4. Arbeidsmarktaantekening + +– de categorie als genoemd in artikel 3 Wet arbeid vreemdelingen (onder andere gemeenschapsonderdanen); en +– vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid (artikel 4 Wet arbeid vreemdelingen). + +Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet verschaft de Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met h, en j tot en met l van de Vreemdelingenwet, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. De vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder i, van de Vreemdelingenwet, wordt desgevraagd een dergelijk document of verklaring verschaft. + +1. De vreemdeling heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier ingediend en nog voordat de voorbereiding van de uitzetting is aangevangen is reeds bekend dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand niet uitgezet zal kunnen worden. + +2. De vreemdeling heeft hetzij nimmer een aanvraag ingediend, hetzij de politie is reeds met uitzettingshandelingen begonnen alvorens blijkt dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling zich verzet tegen zijn uitzetting. + +###### 2.1.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +Per hoofdstuk zal hier nader op worden ingegaan. + +Op het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, kunnen verschillende arbeidsmarktaantekeningen worden geplaatst. Voor de vreemdeling is het van groot belang dat de juiste arbeidsmarktaantekening zo spoedig mogelijk wordt geplaatst op zijn document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Een verkeerde aantekening kan immers grote gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. Het is van belang dat de vreemdeling wordt gewezen op de rechten die voortvloeien uit deze aantekening. + +De vreemdeling is met deze aantekening volledig vrij op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat hij dit recht behoudt gedurende de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure. Wanneer de beperking wijzigt waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan hem is verleend, blijft de arbeidsmarktaantekening ongewijzigd (bijv. indien de beperking van een verblijfsvergunning bij Nederlandse echtgenoot wijzigt in een verblijfsvergunning voor studie). + +EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en gemeenschapsonderdanen mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom hebben zij per definitie recht op deze arbeidsmarktaantekening op hun document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Deze aantekening is met name van belang voor gemeenschapsonderdanen, die geen EU/EER-onderdaan, of Zwitserse onderdanen zijn. EU/EER-onderdanen, en Zwitserse onderdanen kunnen immers aan de hand van hun paspoort of identiteitsbewijs aantonen dat zij vrij toegang hebben tot de arbeidsmarkt (zie ook B10). + +De vreemdeling heeft hiermee een beperkt recht om zich op de arbeidsmarkt te begeven. Slechts indien zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van zijn tewerkstelling is het de vreemdeling toegestaan om arbeid te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen die in het kader van het verrichten van arbeid in loondienst tot Nederland worden toegelaten alsmede hun gezinsleden krijgen deze aantekening). Deze aantekening kan echter wijzigen. + +Indien de vreemdeling gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met deze aantekening, heeft hij recht op de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. + +De vreemdeling met deze aantekening kan zich slechts op een specifiek omschreven deel van de arbeidsmarkt begeven onder de voorwaarde dat zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van zijn tewerkstelling. Het is niet toegestaan om andere arbeid te verrichten dan de arbeid waarvoor toestemming is verleend (bijvoorbeeld vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip is verleend). + +Het is de vreemdeling niet toegestaan arbeid in Nederland te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning onder een beperking genoemd in B9 Vreemdelingencirculaire of verband houdende met verblijf als au pair is verleend). + +###### 2.1.4.2. Voortgezet verblijf + +Op 5 december 1997 is het besluit van 14 november 1997 (Stb. 1997, 583) tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen (Stb. 406) in werking getreden. Dit besluit heeft betrekking op vreemdelingen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Zij behouden hun vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zolang zij de beslissing op hun aanvraag om (voortgezet) verblijf met instemming van de Minister in Nederland mogen afwachten. + +De achtergrond van dit besluit is gelegen in de ongewenste gevolgen die de voorheen geldende regeling bleek te hebben. In die situatie zouden werkgevers een tewerkstellingsvergunning moeten aanvragen en bij weigering daarvan de vreemdeling moeten ontslaan, terwijl de vreemdeling nadien weer het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt zou (kunnen) verkrijgen. Ook uit oogpunt van het algemeen belang is het te verkiezen dat vreemdelingen, aan wie mogelijk voortgezet verblijf wordt toegestaan, beschikken over een werkkring waarmee zij in hun onderhoud (blijven) voorzien. + +Het besluit van 14 november 1997 heeft uitdrukkelijk géén betrekking op vreemdelingen: + +– die voor het verrichten van arbeid in loondienst in het bezit dienen te zijn van een tewerkstellingsvergunning; of +– aan wie het verrichten van arbeid niet is toegestaan. + +##### 2.1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht + +– gezinshereniging en gezinsvorming met of verblijf als adoptiekind of pleegkind van een Nederlander of een vreemdeling die zelf verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is; +– het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag; +– voortgezet verblijf; +– wedertoelating; +– het verrichten van arbeid in loondienst; +– het verrichten van arbeid als zelfstandige. + +##### 2.1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen + +Artikel + 4.21, + vijfde lid, Vreemdelingenbesluit: + + Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, is verbonden, wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’ gesteld. + + + + + + Artikel + 3.4, + vierde lid, Vreemdelingenbesluit: + + Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r, en het derde lid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze beperkingen. + + + + Het doen van een beroep op de publieke middelen kan betekenen dat niet langer wordt voldaan aan tenminste een van de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning wordt verleend, zodat verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden geweigerd met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet. + Onder ‘beperkingen’ wordt in dit verband mede verstaan de voorwaarden die zijn gesteld aan verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + + + Tevens is het doen van een beroep op de publieke middelen een aanwijzing dat niet wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet. + + + Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet zijn dit tevens intrekkingsgronden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + + + Hetzij de vreemdeling zelf, hetzij degene bij wie aan de vreemdeling verblijf is toegestaan, beschikt kennelijk niet langer zelfstandig over duurzame middelen van bestaan, wanneer hij of zij een beroep doet op de publieke middelen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.7. Voorschriften + +Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften. + + + + + Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + a. + het deponeren van een waarborgsom ter dekking van de kosten, verbonden aan de reis van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd; + + + b. + de schriftelijke garantstelling door een solvabele derde voor de kosten die voor de Staat en andere openbare lichamen uit het verblijf van de houder van de verblijfsvergunning kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, en + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + + + + + 2 + In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd. + + + 3 + In plaats van zekerheid, gesteld overeenkomstig het eerste lid, onder a of b, kan zakelijke zekerheid worden gesteld. + + + 4 + Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt niet aan de verblijfsvergunning verbonden dan op aanwijzing van Onze Minister. + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.7.1. Voorschriften tot het stellen van zekerheid + +Aan de verblijfsvergunning kan als voorschrift worden verbonden het deponeren van een passagebiljet, voor de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd. + +In verband met de beperkte geldigheidsduur van passagebiljetten wordt van deze mogelijkheid slechts gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend, is in deze gevallen steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling wordt geacht aan dit voorschrift te hebben voldaan, indien hij reeds in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. + +Indien het deponeren van een passagebiljet als voorschrift aan een verblijfsvergunning regulier wordt verbonden - en het biljet is niet reeds gedeponeerd in verband met verblijf in de vrije termijn - dient het alsnog te worden gedeponeerd bij één van de visumloketten, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn ingericht in Rijswijk en Zwolle. Afhankelijk van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling stelt de medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) middels een kopie van de beschikking hetzij het visumloket in Rijswijk, hetzij het visumloket in Zwolle, op de hoogte van het feit dat aan de verblijfsvergunning een dergelijk voorschrift is verbonden. De vreemdeling ontvangt vervolgens een schriftelijke uitnodiging van het betreffende visumloket om het passagebiljet aldaar in persoon te deponeren. Ten bewijze van het feit dat het passagebiljet is gedeponeerd ontvangt de vreemdeling een ontvangstbewijs. Het visumloket bericht vervolgens de medewerker dat het biljet is gedeponeerd. + +Teruggave van het passagebiljet geschiedt bij één van de visumloketten. Hiertoe zal de vreemdeling schriftelijk worden opgeroepen teneinde het passagebiljet in persoon in ontvangst te nemen. Bij de teruggave van het passagebiljet tekent de vreemdeling een ontvangstbewijs, ten bewijze van het feit dat het biljet aan hem is geretourneerd. + +Van de mogelijkheid aan de verblijfsvergunning een voorschrift te verbinden tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt. + +Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen worden gegeven in artikel 3.8 tm 3.11 Vreemdelingenbesluit. + +Indien het deponeren van een waarborgsom als voorschrift aan een verblijfsvergunning wordt verbonden, informeert de medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de afdeling Financieel Beheer van het hoofdkantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Rijswijk hiervan middels een kopie van de beschikking. + +Vervolgens wordt een factuur vervaardigd die aan de vreemdeling wordt toegezonden. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om binnen vier weken het op de factuur vermelde bedrag te voldoen. Indien hij na ommekomst van deze periode het bedrag nog niet heeft betaald, wordt hem een aanmaning toegezonden om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen. Deze aanmaning geldt als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim. Het bedrag kan overigens zowel per bank als per giro worden voldaan. + +De vreemdeling ontvangt na betaling een bevestiging. De betreffende medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt eveneens op de hoogte gesteld van het feit dat de waarborgsom is gedeponeerd. + +Indien de vreemdeling zich in Nederland bevindt, vindt de terugbetaling van de waarborgsom en de uitbetaling van de toekomende rente bij voorschot plaats door de Minister. Het bedrag wordt door de afdeling Financieel Beheer van het hoofdkantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Rijswijk gestort op het aldaar bekende bank- of girorekeningnummer van de vreemdeling. De vreemdeling wordt tevens bij brief bericht dat het bedrag is teruggestort. + +Een aanvraag om wijziging of opheffing van het aan de verblijfsvergunning verbonden voorschrift tot het stellen van zekerheid komt voor inwilliging in aanmerking, indien op andere wijze zekerheid wordt gesteld of indien de redenen die hebben geleid tot het verbinden van het voorschrift aan de vergunning zijn vervallen. + +De vreemdeling moet door middel van een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende tegen ziektekosten verzekerd is. + +Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten (met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting) wordt aan de verblijfsvergunning verbonden, tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +###### 2.1.7.2. Voorschriften in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid + +Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid worden verbonden. + + + Zulke voorschriften moeten worden onderscheiden van maatregelen van toezicht die in dat belang kunnen worden genomen (zie A3 Vreemdelingencirculaire). + + + Een voorschrift als hier bedoeld, kan aan de verblijfsvergunning worden verbonden bij verlening of (alsnog) bij verlenging van de geldigheidsduur daarvan. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.2. De afwijzing van de aanvraag + +a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd; +b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; +c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; +d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; +e. de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan; +f. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan; of +g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. + +##### 2.2.1. Mvv-vereiste + +– aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vreemdelingenwet); +– een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vreemdelingenwet); +– een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vreemdelingenwet). + +– aan de alleenstaande minderjarige asielzoeker (zie C); +– de vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie C); +– de asielzoeker die drie jaren in procedure is (zie C). + +1. de vreemdeling heeft voor 1 april 2001 een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling; +2. de vreemdeling beoogt gezinshereniging (geen gezinsvorming) met een vreemdeling die hier ter lande verblijft op grond van een verblijfsvergunning regulier danwel asiel of met een Nederlander; +3. de vreemdeling voldoet, behoudens het mvv-vereiste, aan alle voorwaarden en voorschriften voor de verlening van een verblijfsvergunning, zoals vermeld in B2. + +a. stelt dat aan een of meer vrijstellingsvereisten slechts op een onderdeel niet is voldaan; +b. stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste (mits betrokkene niet valt onder de hierboven beschreven toezeggingen van de Minister); +c. het beroep niet heeft gemotiveerd; +d. het gemotiveerde beroep – hoewel mogelijk – niet met relevante stukken heeft onderbouwd binnen een daartoe gestelde termijn; +e. asielgerelateerde gronden aanvoert (dergelijke gronden worden alleen in het kader van een asielaanvraag beoordeeld); +f. als asielzoeker is uitgeprocedeerd; +g. stelt dat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd en dat – hoewel mogelijk – niet binnen een daartoe gestelde termijn met stukken heeft onderbouwd; +h. aangeeft dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer – teneinde een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen – naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie; +i. niet ontoerekenbaar, niet-tijdig en na afloop van een redelijke termijn – meer dan zes maanden na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd – om verlenging of wijziging ervan of om verlening van een verblijfsvergunning heeft gevraagd. + +##### 2.2.2. Geldig document voor grensoverschrijding + +In de meeste gevallen geldt als geldig document voor grensoverschrijding een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend. + +Er zijn gevallen bekend waarin op (al dan niet schriftelijk) verzoek van de vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden zonder dat de beoogde houder zich in persoon voor de autoriteiten heeft moeten melden. Aangezien in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding. + +Bij de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van de reguliere verblijfsvergunning legt de vreemdeling in persoon in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (artikel 3.102, eerste lid, Vreemdelingenbesluit). Indien de vreemdeling bij de aanvraag geen geldig document voor grensoverschrijding overlegt, wordt hij in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist. + +De redelijke termijn bedraagt in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document kan overleggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft. + +Gedurende deze periode kan de vreemdeling alsnog een geldig document voor grensoverschrijding overleggen. Ook kan hij nader onderbouwen dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, en daarbij aanvullende gegevens en bescheiden over zijn identiteit en nationaliteit overleggen. In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van artikel 4:15Algemene wet bestuursrecht opgeschort. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij artikel 3.72 of 3.83 Vreemdelingenbesluit van toepassing is. + +De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf ter adoptie of verblijf hangende het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant adoptiefouders (artikel 3.26, tweede lid, en 3.27, tweede lid, Vreemdelingenbesluit). Voor gemeenschapsonderdanen, EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B10 Vreemdelingencirculaire. Voor asielzoekers wordt verwezen naar deel C Vreemdelingencirculaire. + +Het paspoortvereiste geldt niet voor de verlening van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking die verband houdt met: + +– verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie C); +– verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (zie C); +– het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag (zie C). + +Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Ingevolge artikel 18, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Die regels zijn neergelegd in artikel 3.83 Vreemdelingenbesluit. + +Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet worden ingetrokken op deze grond. + +Er is in Somalië geen internationaal erkend centraal gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder documenten voor grensoverschrijding, door Nederland niet erkend. + +Ten aanzien van onderdanen van Somalië wordt in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, een en ander in de zin van de artikelen 3.19, 3.72 en 3.83 van het Vreemdelingenbesluit. + +Indien de situatie in Somalië zich wijzigt met betrekking tot een internationaal erkend centraal gezag, zal opnieuw worden bezien of er nog steeds aanleiding bestaat om ten aanzien van onderdanen van Somalië in het algemeen te stellen dat zij hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. + +Niettemin zal van vreemdelingen die stellen Somalisch onderdaan te zijn, worden verlangd dat zij op andere wijze aantonen dat zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezitten. + +Deze voorwaarden worden gesteld om een succesvolle intrekking van de verleende verblijfsvergunning wegens onjuiste gegevens te bevorderen (fraudebestrijding), in gevallen waarin later mocht blijken dat de betrokkene een andere identiteit of nationaliteit bezit. + +Indien de vreemdeling met inachtneming van het vorenstaande wordt vrijgesteld van de verplichting te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt deze in verband met de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf door de betreffende Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland in het bezit gesteld van een laissez-passer. + +##### 2.2.3. Middelen van bestaan + +Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in artikel 3.73 en verder Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.73 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval zelfstandig, indien verworven uit: + + + a. + wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; + + + b. + wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; + + + c. + inkomensvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, of + + + d. + eigen vermogen, voorzover de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. + + + + + 2 + Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het eerste lid. + + + + + + + Artikel + 3.74 + Vreemdelingenbesluit: + + De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan: + + + a. + de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld; + + + b. + in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wet op de Studiefinanciering 2000, aangevuld met de college- en lesgelden die de vreemdeling verschuldigd is; + + + c. + in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: een combinatie van de onder a en b genoemde normbedragen; + + + d. + ingeval van gezinsvorming: 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. + + + + + + + + Artikel + 3.75 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. + + + 2 + Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, indien zij gedurende een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst. + + + 4 + Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige. + + + + + + + Artikel + 3.85 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. + + + 2 + De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. + + + + + Als hoofdregel geldt dat vreemdelingen die in Nederland willen verblijven, zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bepaalde gevallen dient degene bij wie de vreemdeling in Nederland wil verblijven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Voor degene bij wie de vreemdeling wil verblijven geldt als uitgangspunt dat diens solvabiliteit buiten twijfel moet staan. Deze persoon wordt in ieder geval niet als solvabel aangemerkt in geval van faillissement of surseance van betaling, omdat daarbij onder meer de (vrije) beschikking over het vermogen of de boedel is verloren. + + + Beleidsregel: De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling dan wel degene bij wie hij in Nederland wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + + + Beleidsregel: De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling en degene bij wie verblijf als gezinslid in Nederland is toegestaan niet gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, tenzij het tweede lid van artikel 3.85 Vreemdelingenbesluit van toepassing is dan wel in de desbetreffende materiehoofdstukken anders is bepaald. + + + Beleidsregel: De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken indien de vreemdeling en degene bij wie verblijf als gezinslid in Nederland is toegestaan niet gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, tenzij in de desbetreffende materiehoofdstukken anders is bepaald. + In artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voorzover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven. + In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het middelenvereiste. De middelen van bestaan dienen zelfstandig te worden verworven. Daarnaast dienen zij duurzaam beschikbaar te zijn en van voldoende hoogte. + Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het Vreemdelingenbesluit en de Vreemdelingencirculaire in de betreffende materiehoofdstukken (B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen. + +200423910-12-200406-12-2004200423910-12-200406-12-200412-12-2004 + +###### 2.2.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan + +Als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet worden aangemerkt inkomsten uit arbeid in loondienst. Naast het loon (salaris, soldij) behoren daartoe tevens: + +– vakantiegeld, vakantiebonnen (bouw) en reserveringen (uitzendbranche); de hoogte van het vakantiegeld voor werknemers is slechts gebonden aan een wettelijk minimum, namelijk 8% van het bruto-maandsalaris; dit is een bruto bedrag. In CAO-besprekingen kan worden onderhandeld over een hoger percentage vakantiegeld voor de werknemer; een werknemer zal in veel gevallen netto op een hoger bedrag vakantiegeld uitkomen dan de vakantie-uitkering in de bijstandsuitkering; het kan dus voorkomen dat een werknemer zonder vakantiegeld onder de bijstandsnorm uitkomt, terwijl hij met vakantiegeld wel aan de norm voldoet; +– overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag en fooien, mits structureel; hiervoor geldt overigens dat het contractueel vastgesteld netto-inkomen ten minste 70% van de Abw-norm voor de desbetreffende categorie dient te bedragen; het netto-inkomen dient ten minste twaalf maanden te worden aangevuld met de overwerkvergoeding of onregelmatigheidstoeslag; +– uitbetaling van een dertiende maand, mits contractueel vastgelegd; en +– loon in natura, mits dit loon structureel is en contractueel vastgelegd; de waarde van het loon in natura dient op de salarisspecificaties te zijn vermeld en moet deel uitmaken van de grondslag van de loonheffing; het netto-inkomen dient ten minste twaalf maanden te zijn aangevuld met het loon in natura. + +– arbeid ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW); +– In- en doorstroombanen (ID-banen); +– WIW-dienstbetrekking jongeren; +– WIW-werkervaringsplaats; +– WIW-dienstbetrekking langdurig werklozen (tijdelijk en permanent); +– Regeling schoonmaakdiensten voor particulieren (RSP); en +– inkomen uit een zogeheten Melkert-I-baan. + +1. Indien door de werkgever geen enkele arbeidsovereenkomst is aangemeld, wordt aangenomen dat er geen premies voor de betrokken werknemer worden afgedragen. +2. Indien de individuele arbeidsovereenkomst niet tussentijds is aangemeld, wordt aangenomen dat er geen premies ten behoeve van de betrokken werknemer worden afgedragen. + +De werkgever wordt geacht ingevolge een goed werkgeversschap in het belang van zijn werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds aan te melden, als hij weet hoe belangrijk dat is voor een werknemer voor wie gezinsvorming of gezinshereniging aan de orde is. Als de werkgever dat desondanks niet doet, kan de werknemer hem daarop aanspreken. + +De werknemer kan de werkgever met name ook verzoeken om een afschrift van de aanmelding van de arbeidsovereenkomst, zodat dat bij de aanvraag om een verblijfsvergunning kan worden overgelegd. Dit afschrift dient een aantekening te bevatten inhoudende dat de melding door de uitvoeringsinstantie is ontvangen (ontvangststempel). +3. Indien een werkgever een aantal werknemers heeft aangemeld, maar een betalingsachterstand heeft, anders gezegd, de betaling van voorschotten heeft gestaakt, is er aanleiding om aan te nemen dat er ook voor de individuele werknemer niet langer premies worden afgedragen. +4. Indien de individuele arbeidsovereenkomst wel is aangemeld en er (voorschotten ter zake van) sociale premies worden afgedragen – dus een totaalsom – wordt er in het algemeen vanuit gegaan dat premieafdracht ook ten behoeve van de betrokken hoofdpersoon plaatsvindt. + +Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt aangetoond door het overleggen van: + +– een afschrift van de arbeidsovereenkomst; +– een recente werkgeversverklaring (op het moment van overleggen niet ouder dan zes maanden), voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel. De werkgeversverklaring wordt overgelegd in de vorm van een volledig ingevuld en ondertekend model M54 of in vorm van een verklaring waarin dezelfde inlichtingen als in dit model zijn opgenomen; en +– (indien de arbeidsovereenkomst meer dan drie maanden geleden is aangevangen) afschriften van loonstroken over de drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag; +– (indien de arbeidsovereenkomst minder dan drie maanden geleden is aangevangen) afschriften van loonstroken over het aantal gewerkte maanden direct voorafgaand aan de aanvraag; +– een afschrift van een officieel document waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst bij de uitvoeringsinstelling is aangemeld (zie ook hierboven onder ‘verificatie in geval van twijfel’). Als dit bewijsstuk niet bij het indienen van de aanvraag is overgelegd, hoeft de aanvrager niet in de gelegenheid te worden gesteld dit alsnog te overleggen, indien geen twijfel bestaat dat de vereiste premies worden afgedragen. + +– afschriften van arbeids- dan wel uitzendovereenkomsten van de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; en +– afschriften van jaaropgaven over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; en +– (voor zover van toepassing) uitkeringsbeschikkingen en –specificaties over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. + +Als middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet wordt aangemerkt inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen. Het gaat hierbij om: + +– de Werkloosheidswet (WW); +– de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); +– de Ziektewet (ZW); +– de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ); +– de Algemene Ouderdomswet (AOW); +– de Algemene nabestaandenwet (ANW); het recht op deze uitkering vervalt onder meer als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren; en +– de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA). + +Als middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet wordt tevens aangemerkt inkomen uit eigen vermogen, bijvoorbeeld inkomsten uit (lijf)rente, aandelen, obligaties, huur of kostgeld. Daarbij geldt dat de bron van de inkomsten uit eigen vermogen niet mag worden aangetast. + +Als middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet wordt tevens aangemerkt: + +– alimentatie die wordt ontvangen ten behoeve van kinderen; +– vakantiegeld; +– contractueel vastgelegde uitbetaling van dertiende maand; +– structurele onregelmatigheidstoeslag; +– structurele overwerkvergoeding; +– soldij; +– inkomsten uit een particuliere pensioenverzekering. Indien de vreemdeling verblijf beoogt als echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner van de hoofdpersoon die deze inkomsten ontvangt, kunnen deze middelen slechts als duurzaam worden aangemerkt indien met een verklaring van de betreffende verzekeraar is aangetoond dat het recht op uitkering niet ophoudt in geval van samenwonen of (her-)trouwen; +– stijging van het netto-inkomen door toekenning van een heffingskorting, niet zijnde de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting. Deze stijging wordt door de vreemdeling aangetoond door overlegging van een beschikking van de Belastingdienst, waaruit de toekenning van de (hoogte van de) desbetreffende heffingskorting blijkt; +– inkomsten uit de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv); +– inkomsten uit de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo); +– inkomsten uit de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp); +– inkomsten uit de Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden-Oorlogsslachtoffers (Wbpzo); +– inkomsten uit de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv). + +– de Algemene bijstandswet (Abw); +– de Wet werk en bijstand (Wwb); +– het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz); +– de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw); +– de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (Ioaz); +– de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik); +– de Toeslagenwet; +– de Wet Werkloosheidsvoorziening (overgangsregeling op grond van artikel 5 van deInvoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, Stb. 1986, 567); +– de Wet op de arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten (Wajong); en +– de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (Wbia). + +– een beurs krachtens de Wet Studiefinanciering (Stb. 1991, 112); +– bijdragen in de vorm van subsidies (zoals het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, het Fonds voor de scheppende toonkunst, etc.); +– huursubsidie; +– alimentatie die betaald wordt aan de ex-echtgeno(o)t(e); +– kinderbijslag; +– pleeggeld ten behoeve van een in het gezin opgenomen pleegkind (conform artikel 4 Wet werk en bijstand); +– periodieke giften; +– toekomstige loonsverhoging; +– reiskostenvergoeding; +– loon in natura anders dan omschreven bij de zelfstandige inkomsten uit arbeid in loondienst (bijv. PC-privé); +– spaarloonregelingen; +– winstdeling; +– vermogen; +– huur/kostgeld dat betaald wordt; +– hypotheeklasten; +– hypotheekaftrek voor de belasting; +– bijtelling voor de belasting wegens privé-gebruik van een auto van de zaak; +– schulden bij derden, de bank of de werkgever; +– tegoeden bij derden of de werkgever (met uitzondering van loontegoeden); +– een Persoonsgebonden Budget (PGB) op grond van de Regeling subsidies Awbz en Ziekenfondswet, tenzij de vreemdeling door een derde betaald wordt uit het PGB en voor de vreemdeling feitelijk sprake is van een inkomen uit arbeid; +– een uitkering op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS); +– een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000); +– inkomsten uit de Tijdelijke Vergoedingsregeling Psychotherapie na-oorlogse generatie (Tvp); +– inkomsten uit een particuliere arbeidongeschiktheidsverzekering. -In richtlijn 2004/38 staan de regels voor het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie van Unieburgers en hun familieleden. +###### 2.2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan -Artikel 10 van verordening 492/2011 geeft rechten aan kinderen van een Unieburger, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn en onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers van deze staat toegelaten zijn tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding. +Aan de omstandigheid dat bij een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, wordt voor de bepaling van de duurzaamheid geen betekenis toegekend. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld, de proeftijd nog niet is verstreken, is dat geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Daarbij heeft de proeftijd geen negatieve invloed op het oordeel over de duurzaamheid, en wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de duur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan evenwel verblijfsrechtelijke gevolgen hebben (zie voor de regelgeving inzake gezinshereniging en gezinsvorming B2/5.2.2, B2/7.2, B2/9.2.2 en B2/11.2.2). -Artikel 20 VWEU bevat de rechten van burgers van de Unie. +In verband met de flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt door werkgevers steeds meer gebruik gemaakt van kortdurende en flexibele arbeidsovereenkomsten. Hierdoor worden minder arbeidsovereenkomsten met de minimale duur van één jaar afgesloten. Met het oog op deze ontwikkeling is in het Vreemdelingenbesluit een uitzonderingsregel getroffen ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Beschikt de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet over inkomsten die op het moment van de aanvraag, het beslismoment of op enig tussenliggend moment nog voor een jaar beschikbaar zijn, of is er sprake van een flexibele arbeidsovereenkomst, dan wordt aan de hand van het arbeidsverleden vastgesteld of de duurzaamheid van de inkomsten voor de toekomst is gegarandeerd. -Artikel 21 VWEU bevat het recht om vrij te reizen en vrij te verblijven, onder voorbehoud van beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. +– door de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken (al dan niet op basis van overeenkomsten met een bepaalde duur) is gewerkt en in die gehele periode een inkomen uit arbeid in loondienst is verworven dat ten minste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm in de zin van de Wet werk en bijstand; en +– deze inkomsten uit arbeid voor nog minimaal zes maanden beschikbaar zijn. Dit wordt aangetoond met een verklaring van de werkgever (bijvoorbeeld het uitzendbureau). Voor deze verklaring van de werkgever kan model M54 worden gebruikt, of een verklaring waarin dezelfde inlichtingen als in dit model gevraagd worden, zijn opgenomen. -De beleidsregels zijn tevens een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8.7 t/m 8.25 Vb. +Bij de duurzaamheid van inkomsten uit de Algemene nabestaandenwet (Anw) is van belang dat het recht op deze uitkering onder meer vervalt als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid wordt hiermee rekening gehouden. Om die reden worden inkomsten uit deze bron in ieder geval niet duurzaam geacht indien op grond van het doel waarvoor verblijf wordt aangevraagd vaststaat dat de hoofdpersoon (met de vreemdeling) zal gaan samenwonen. Dat de uitkering op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend of de beslissing wordt genomen wel over deze uitkering wordt beschikt, doet daar niet aan af. -#### 2.2. Beleidsregels +###### 2.2.3.3. Voldoende middelen van bestaan -##### 2.2.1. Economisch actieve Unieburgers +a. de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld; +b. in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wet op de Studiefinanciering 2000, aangevuld met de college- en lesgelden die de vreemdeling verschuldigd is; +c. in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: een combinatie van de onder a en b genoemde normbedragen. -###### 2.2.1.1. Werknemer +Als hoofdregel geldt dat middelen van bestaan voldoende zijn, indien het netto-inkomen ten minste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Wet werk en bijstand voor de desbetreffende categorie (alleenstaanden, alleenstaande ouders, of echtparen en gezinnen). De toepasselijke bijstandsnorm wordt vastgesteld aan de hand van het hoogste normbedrag voor personen van 21 jaar of ouder, met inbegrip van het vakantiegeld. -In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb beschouwt de IND een Unieburger als werknemer als: +###### 2.2.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige -• deze gedurende een bepaalde tijd prestaties levert in een bepaalde gezagsverhouding; -• als tegenprestatie een vergoeding ontvangt; en -• de Unieburger reële en daadwerkelijke arbeid verricht. +Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van artikel 3.20 Voorschrift Vreemdelingen. Uitgangspunt van artikel 3.20 Voorschrift Vreemdelingen is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef. -###### 2.2.1.2. Behouden status werknemer +De inkomsten van de gevestigd ondernemer uit diens arbeid als zelfstandige over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar, worden aangetoond met de volgende stukken: -In aanvulling op artikel 8.12, tweede lid, Vb gaat de IND ingeval van werkloosheid uit van onvrijwillige werkloosheid tenzij door de gemeentelijke sociale dienst of het UWV genoegzaam is vastgesteld dat hier geen sprake van is +– model M57 (Verklaring inkomen ondernemer), volledig ingevuld door een erkende administrateur (registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur) of een administrateur met een beconnummer van de Belastingdienst, en ondertekend door zowel de administrateur als door de ondernemer zelf; +– de bijlagen die volgens het model gelet op de situatie van de ondernemer tevens noodzakelijk zijn; +– een uittreksel van de Kamer van Koophandel (tenzij inschrijving onmogelijk is, bijvoorbeeld ingeval van vrije beroepen). -###### 2.2.1.3. Zelfstandige +– De winst van het afgesloten boekjaar dan wel van het lopende boekjaar van een onderneming wordt berekend door de som van de bedrijfsopbrengsten te verminderen met de som van de bedrijfskosten. -In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb beschouwt de IND een Unieburger als zelfstandige als de arbeid wordt verricht: +De opbrengsten en de kosten dienen te worden berekend volgens de algemeen aanvaarde bedrijfseconomische opvattingen. Ten aanzien hiervan wordt nog het volgende opgemerkt. Wanneer er geen afgesloten boekjaar is, dient er bij de berekening van de maandelijkse winst te worden uitgegaan van de zogenaamde ‘permanence’. Dit houdt in dat zowel de bedrijfsopbrengsten als de bedrijfskosten toerekenbaar moeten zijn aan de betreffende periode. -• zonder enige gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van deze activiteit, de arbeidsomstandigheden en de beloning; -• onder zijn eigen verantwoordelijkheid; en -• tegen een beloning die volledig en rechtstreeks aan hem wordt uitbetaald. +Indien de onderneming de vorm van een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap heeft, wordt de winst vervolgens verdeeld over de maten, firmanten of vennoten. -###### 2.2.1.4. Reële en daadwerkelijke arbeid +Vervolgens wordt het netto-jaarinkomen van de gevestigde ondernemer berekend door de winst te verminderen met 20%. Met deze forfaitaire vermindering met 20% is aansluiting gezocht bij de benadering die is gekozen in artikel 6, tweede lid, Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Het bruto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep wordt in dat Besluit met een forfaitair percentage verminderd om dit inkomen vergelijkbaar te laten zijn met de bijstandsnorm. Dit percentage komt overeen met de belasting en volksverzekeringspremies die worden afgedragen voor bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar en is per 1 januari 2002 bij Ministeriële Regeling van 11 december 2001 (Stcrt. 2001, nr. 244) vastgesteld op 20%. -Een Unieburger die op grond van de voorgaande paragrafen te beschouwen is als werknemer of zelfstandige moet reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. Werkzaamheden van zo geringe omvang dat ze louter marginaal en bijkomstig zijn, worden uitgesloten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling. +Indien de gevestigde ondernemer van oordeel is dat het reële netto-inkomen hoger is dan via deze manier is berekend, staat voor hem de mogelijkheid open om het reële netto-inkomen zelf aan te tonen aan de hand van een verklaring van een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur of een belastingadviseur met een beconnummer van de Belastingdienst. Omdat een dergelijke herberekening slechts in uitzonderingssituaties de doorslag zal geven, is hiermee geen rekening gehouden in het aanvraagformulier. De aanvrager zal eigenstandig een dergelijke verklaring dienen op te stellen en mee te sturen. +– Ingevolge artikel 6, tweede lid, Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 wordt bij bijstandverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar (niet het inkomen over een kalenderjaar). -Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als: +Bij de behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning wordt hierbij aansluiting gezocht. Aangezien rekening wordt gehouden met het gemiddeld inkomen over een boekjaar, zijn de inkomsten in iedere afzonderlijke maand van dat boekjaar voor de beoordeling niet relevant; +– De informatie die met het model wordt gevraagd over het voorlaatste afgesloten boekjaar zal voor de beoordeling van de duurzaamheid van de inkomsten niet van belang zijn, indien het laatste afgesloten boekjaar en het lopende boekjaar tezamen reeds een periode van anderhalf jaar beslaan; +– In het model worden – naast de gegevens over de voor de beoordeling van het middelenvereiste relevante inkomsten – tevens vragen gesteld over de fiscale winst en de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting door de Belastingdienst. De betreffende gegevens moeten de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in staat stellen de inkomensgegevens in geval van twijfel te verifiëren bij de Belastingdienst. -• de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm voor de desbetreffende categorie; of -• de Unieburger ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. +Voor het inkomen van een freelancer (die dat inkomen verwerft uit arbeid op basis van een overeenkomst van opdracht) geldt hetzelfde als voor het inkomen van een zelfstandige. -###### 2.2.1.5. Legale arbeidsmarkt +##### 2.2.4. Openbare orde en nationale veiligheid -De IND kan een Unieburger op grond van de voorgaande paragrafen alleen aanmerken als werknemer of zelfstandige als de arbeid op de legale arbeidsmarkt wordt verricht. Dat is het geval indien alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften bij het verrichten van de arbeid in acht zijn genomen. +– gemeenschapsonderdanen en Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan het Associatieverdrag: in B10 en B11; +– vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is beslist: in B1/2.2.11; +– de verblijfsvergunning asiel: in C1/5.13. -###### 2.2.1.6. Werkzoekenden +– de verlening en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zijn opgenomen in B1/4.4.2; +– toegang zijn opgenomen in A2/4.2; +– ongewenstverklaring zijn opgenomen in B1/2.2.4.4. -De IND beschouwt als werkzoekende: +###### 2.2.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding -• de Unieburger die Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt door middel van een inschrijving bij het UWV. De Unieburger behoudt deze status voor in ieder geval zes maanden gerekend vanaf de datum van inschrijving bij het UWV. -• De Unieburger die langer dan zes maanden in Nederland is zonder te zijn toegetreden tot de arbeidsmarkt, staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV en aantoont dat hij een reële kans maakt om te worden aangenomen. +Beleidsregel: De aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (artikel 38m Wetboek van Strafrecht) dan wel in een inrichting voor jeugdigen (artikel 77h, vierde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht) alsook de terbeschikkingstelling (artikel 37a Wetboek van Strafrecht) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend. -##### 2.2.2. Economisch inactieve Unieburgers +a. ingeval van vrijheidsbenemende straf of maatregel: de datum van invrijheidstelling; +b. ingeval van taakstraf: de datum waarop de taakstraf is voltooid; +c. ingeval van vermogenssanctie: de datum waarop de geldboete of transactie is betaald. -De IND onderscheidt twee groepen economisch inactieve Unieburgers: +###### 2.2.4.2. Verdere verblijfsaanvaarding -• een economisch inactieve Unieburger met regelmatige inkomsten. De IND merkt een Unieburger die beschikt over middelen ter hoogte van het normbedrag dat in artikel 3.74 Vb voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval aan als een economisch inactieve Unieburger met regelmatige inkomsten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling; of -• een economisch inactieve Unieburger zonder regelmatige inkomsten. De IND beschouwt een Unieburger die beschikt over een banksaldo dat tenminste twaalf keer het in artikel 3.74 Vb genoemde normbedrag per maand bedraagt, gerekend vanaf het moment van indienen van de aanvraag, als een economische inactieve Unieburger zonder regelmatige inkomsten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling. +De ernst van de inbreuk op de openbare orde wordt bepaald aan de hand van de strafmaat. Om te beoordelen of het verdere verblijf aan een vreemdeling kan worden ontzegd, wordt de hoogte van de opgelegde straf gerelateerd aan de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland, op het moment dat het misdrijf werd gepleegd. Dit is het principe van de zogenaamde glijdende schaal. -Uitkeringen waaraan geen premie- of bijdragebetalingen door de ontvanger vooraf zijn gegaan, kunnen niet worden aangemerkt als inkomsten van een economisch inactieve Unieburger. +– de aanvraag (tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van een verblijfsvergunning) is ontvangen binnen zes maanden nadat het verblijfsrecht op grond van de eerdere verblijfsvergunning of het Nederlanderschap is geëindigd; +– er geen onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel gegevens zijn achtergehouden, die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid; en +– de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. -Voor de vaststelling of de Unieburger over voldoende middelen beschikt, is het voldoende dat deze middelen aantoonbaar beschikbaar en rechtmatig zijn. De herkomst doet niet ter zake. De wettelijke en bestuurlijke voorschriften omtrent de middelen en inkomsten dienen te zijn nageleefd. +Verder verblijf wordt ontzegd, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling of een in Nederland verblijvend gezinslid als bedoeld in artikel 29, onder e en f, Vreemdelingenwet, zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in deel C1/ 5.13.3. Voor een in Nederland verblijvend gezinslid dat op eigen gronden aanspraak maakt op vluchtelingenrechtelijke bescherming zie deel C1/ 4.6.4. -##### 2.2.3. Studenten +Verder verblijf wordt ontzegd, indien de vreemdeling wegens een misdrijf; -De IND beschouwt een Unieburger als student als deze ingeschreven staat voor een opleiding die is opgenomen in de Registratie Instellingen en Opleidingen. +– waartegen bij een verblijfsduur van minder dan drie jaar een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd, of bij een verblijfsduur van drie jaar of meer een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd; +– bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis; +– is veroordeeld tot een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf, of hem een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht) is opgelegd; en +– het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van die straf of maatregel ten minste gelijk is aan de corresponderende norm van de glijdende schaal. -In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verstaat de IND onder ‘beroepsopleiding’ iedere onderwijsvorm (inclusief stage) die opleidt voor een: +De enkele omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de desbetreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (de artikelen 92-423 WvS), maar ook in bijzondere wetten, zoals de Wet Economische Delicten (WED) en de Opiumwet. Steeds zal de desbetreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het desbetreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is. Deze wetten zijn te raadplegen via de website www.overheid.nl. -• speciaal beroep; -• vak; -• betrekking; of -• bijzondere bekwaamheid om een beroep uit te oefenen. +Tegen de meeste misdrijven is een maximale door de rechter op te leggen straf bedreigd van drie jaar of meer. Een aantal misdrijven kent een lagere strafbedreiging van twee jaar, waarvan de belangrijkste zijn mishandeling (art. 300, eerste lid WvS) en vernieling (art. 350 WvS). -##### 2.2.4. Verblijfsrecht van familieleden van een Unieburger +Het vonnis waarbij de straf of maatregel is opgelegd, moet onherroepelijk zijn. Indien het vonnis nog niet onherroepelijk is, of indien er een strafzaak openstaat, wordt contact opgenomen met het Openbaar Ministerie. De beslistermijn kan met toepassing van artikel 25, tweede lid, Vreemdelingenwet schriftelijk met maximaal zes maanden worden verlengd. -De IND beschouwt de personen genoemd in artikel 8.7 tweede lid tot en met het vierde lid Vb als familieleden van een Unieburger. +Bij de glijdende schaal worden alleen de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van de straf meegeteld bij de berekening van de norm in de glijdende schaal. -###### 2.2.4.1. Echtgenoten en geregistreerd partners +In geval van meerdere veroordelingen worden de onvoorwaardelijke gedeelten bij elkaar opgeteld, indien de verblijfsduur (de periode waarin de vreemdeling, voorafgaande aan het plegen van het eerste misdrijf, op grond van een geldige verblijfsvergunning in Nederland verbleef) vijf jaren of korter is. -De IND erkent in beginsel een huwelijk dat op een naar Nederlands recht geldige wijze is gesloten. +Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte, ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beiden. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de toepassing van de glijdende schaal. Dit betekent dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. (Zie de artikelen 22 c en d WvS.) -De IND erkent gedwongen en polygame huwelijken niet. De IND kent uitsluitend aan één (huwelijks)partner een afgeleid verblijfsrecht toe. +Aan het feit dat een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe. -De IND beschouwt het huwelijk als ontbonden wanneer de echtscheiding door een Nederlandse rechter is uitgesproken en is ingeschreven in de BRP. Als het huwelijk door een buitenlandse rechter is ontbonden, is het internationaal privaatrecht van toepassing. Het geregistreerd partnerschap wordt als beëindigd beschouwd als de beëindiging (bij overeenkomst of via de rechter) in de BRP is ingeschreven. +Op grond van hun bijzondere banden met Nederland vinden ongewenstverklaring en ontzegging van verder verblijf op grond van gevaar voor de openbare orde niet plaats ten aanzien van deze vreemdelingen (zie artikel 3.50, vierde lid Vreemdelingenbesluit). -###### 2.2.4.2. Rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn +Om reden van hun bijzondere banden met Nederland geldt voor hen dat bij een verblijfsduur van ten minste tien en minder dan vijftien jaar alleen in geval van veroordeling wegens handel in verdovende middelen ontzegging van verder verblijf en ongewenstverklaring plaats zal vinden en bij een verblijfsduur van ten minste vijftien jaar niet tot verblijfsbeëindiging wordt overgegaan. -De IND beschouwt kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen als rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn (als bedoeld in artikel 8.7, lid 2 sub c, Vb) als deze +Bij een verblijfsduur van tien jaren, wordt alleen tot verblijfsbeëindiging overgegaan ingeval van een geweldsmisdrijf of handel in verdovende middelen. Bij een verblijfsduur van vijftien jaren, wordt alleen tot verblijfsbeëindiging overgegaan ingeval van handel in verdovende middelen. Bij een verblijfsduur van twintig jaren, wordt niet meer tot verblijfsbeëindiging overgegaan. -• jonger dan 21 jaar zijn; of -• ten laste van de Unieburger of van zijn (huwelijks)partner zijn. +###### 2.2.4.3. Procedurele aspecten -De IND stelt adoptiefkinderen gelijk met rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn. +Bij de aanvraag die in Nederland wordt ingediend, wordt door iedere vreemdeling van 12 jaar of ouder een antecedentenverklaring ondertekend. De vreemdeling die aangeeft de verklaring niet naar waarheid te kunnen ondertekenen, verschaft daarvoor de reden(en) en onderbouwt die met de relevante gegevens en bescheiden. -###### 2.2.4.3. Rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn +Zowel bij de weigering van eerste verblijf als bij ontzegging van voortgezet verblijf wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid dient steeds beoordeeld te worden of de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard (Zie B1/2.2.4.4). -De IND beschouwt ouders, grootouders en overgrootouders als rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn (als bedoeld in artikel 8.7, lid 2 sub d, Vb). Ook zij moeten ten laste van de Unieburger of van zijn (huwelijks)partner komen. +###### 2.2.4.4. Ongewenstverklaring -###### 2.2.4.4. Andere familieleden +Ad a. Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie artikel 108 Vreemdelingenwet). Er moet ter zake een proces-verbaal zijn opgemaakt of sprake zijn van een transactie ter zake van de gepleegde overtredingen om tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan. -Andere familieleden als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, Vb dienen een nauwe en duurzame familieband met een Unieburger te hebben wegens bijzondere feitelijke omstandigheden zoals genoemd onder sub a en b in het Vb. Er zijn geen beperkingen met betrekking tot de graad van verwantschap ten aanzien van deze familieleden. +Het kan hier bijvoorbeeld betreffen overtredingen van de artikelen 4.37, 4.38 en 4.39 Vreemdelingenbesluit. Een vreemdeling, die na zijn uitzetting wederom – in strijd met de wettelijke bepalingen – hier te lande wordt aangetroffen, dient te worden gewaarschuwd dat, indien hij nogmaals op onwettige wijze Nederland binnenkomt, zijn ongewenstverklaring zal worden voorgesteld. Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt. -####### 2.2.4.4.1. Ten laste komen van +Ad b. Het betreft hier vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verbleven en wier verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd, bijvoorbeeld door een beslissing om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet te verlengen of de verblijfsvergunning in te trekken. De glijdende schaal (artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit) is daarbij van toepassing. In alle gevallen vergt verblijfsbeëindiging dat de sanctie onherroepelijk is geworden. Indien de vreemdeling, binnen zes maanden nadat de geldigheidsduur van de verleende vergunning is verstreken, een aanvraag heeft ingediend tot verlenging van de verblijfsvergunning, is de glijdende schaal eveneens van toepassing. -Als een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb en artikel 8.7, derde lid, Vb stelt ten laste te zijn van een Unieburger, dan beoordeelt de IND of dit familielid, op het moment dat dit familielid verzoekt om hereniging met de Unieburger, in het land van herkomst of het land waar het familielid eerder woonde (dat wil zeggen niet in Nederland) materieel werd ondersteund door de Unieburger. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn. +Ad c. Het betreft hier vreemdelingen die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning noch op basis van het gemeenschapsrecht, de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat of het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije hier te lande verblijven. Niet is vereist dat deze vreemdelingen zich feitelijk in Nederland bevinden. -####### 2.2.4.4.2. Familieleden in de zin van +Ten aanzien van deze grond vallen de volgende categorieën gevallen te onderscheiden: -Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d en derde lid Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften voorziet. Waarom het familielid een beroep doet op materiële ondersteuning is niet van belang. +– Gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van straf of maatregel tenminste een maand bedraagt; het is daarbij niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden; +– Gevallen waarin de vreemdeling bij herhaling is veroordeeld tot een (korte) gevangenisstraf of hem een taakstraf ter zake van een misdrijf is opgelegd, dan wel hij een transactieaanbod ter zake van een misdrijf heeft aanvaard. Door het herhaald plegen van strafbare feiten veroorzaakt deze categorie dusdanige overlast dat ook de niet onherroepelijk opgelegde vrijheidstraf of maatregel in aanmerking wordt genomen. -Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid aanhef en onder c en d en derde lid Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning reëel is als de burger van de Unie aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst of het land waar het familielid eerder woonde (niet zijnde Nederland). +Ad d. Een vreemdeling die in één van de Benelux of Schengen lidstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van een der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard. -###### 2.2.4.5. Ongehuwde partners +Ad e. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. -De IND neemt aan in aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, Vb dat een Unieburger en de ongehuwde partner een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. +Is de korpschef van oordeel dat er termen aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maakt hij dat onverwijld kenbaar aan de Minister, hetzij middels een gemotiveerd voorstel (model M63), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dient de korpschef alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de Minister te zenden. Het verdient aanbeveling dat de korpschef de Minister in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat hij niet wacht tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. -De IND kan op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval een relatie als duurzaam aanmerken als de Unieburger en de ongehuwde partner: +Overeenkomstig artikel 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. -• nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond; en -• gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. +a. de vreemdeling illegaal hier te lande verblijft; +b. de vreemdeling zich in een politiecel of in een Huis van Bewaring bevindt; +c. de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend. -De IND betrekt bij die beoordeling de redenen, waarom de Unieburger en de ongehuwde partner (tijdelijk) niet samenwonen. +Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van artikel 67 Vreemdelingenwet ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ‘s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open. Tegen de uitspraak van de vreemdelingenkamer staat hoger beroep open bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. -Verder kan de IND daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie als hier bedoeld: +Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (artikel 6:16 Awb) -• de duur van de gezamenlijke huishouding; -• het dragen van zorg voor elkaar; -• het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen; -• het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden (hypotheek, gezamenlijke schulden of gezamenlijke bankrekeningen) of gezamenlijk grote aankopen of eigendommen; -• samenwoning in het verleden (in Nederland of in het buitenland); en/of -• de frequentie van het contact en elkaar zien. +Artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder h Vreemdelingenbesluit luidt -In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie. De IND kent uitsluitend aan één (ongehuwde) partner een afgeleid verblijfsrecht toe. +1. De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent: +- - (...) +h. ongewenstverklaring. +- (...) -Een minderjarig kind van de ongehuwde partner van een Unieburger moet voldoen aan (de reguliere) toelatingsvoorwaarden van artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb. +Een besluit tot inwilliging of niet-inwilliging van een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring is een beschikking waarbij de Minister bevoegd is deze beslissing te nemen. Wanneer de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken. -#### 2.3. Schoolgaande kinderen van werknemers en hun verzorgers (artikel 10 +Zie A3/4.2.1 en A3/4.2.2. -Op grond van artikel 10 Verordening nr. 492/2011 hebben kinderen van een Unieburger, die op het grondgebied van een andere lidstaat reële en daadwerkelijke arbeid verricht of heeft verricht, als zij aldaar woonachtig zijn, recht op toelating tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers van deze staat. De IND verleent het kind en de verzorgende ouder een afgeleid verblijfsrecht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: +##### 2.2.5. Medisch onderzoek -• het kind moet in de gastlidstaat zijn gevestigd waar de ouder als werknemer daadwerkelijke en reële arbeid (heeft) verricht (zie ook paragraaf B10/2.2.1 Vc); en -• het kind moet in de gastlidstaat hebben verbleven op het moment dat de ouder reële en daadwerkelijke arbeid verrichte. +In artikel 3.18 Voorschrift Vreemdelingen zijn de landen vermeld, waarvan de onderdanen van dit vereiste zijn vrijgesteld. Het betreft onderdanen van de Europese Unie, de lidstaten van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. In deze landen komt verhoudingsgewijs weinig tuberculose voor. -Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. +Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortgezet verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortgezet verblijf. -#### 2.4. Bijzondere categorieën gerechtigden +Dat betekent dat, indien wordt geoordeeld dat niet redelijkerwijs kan worden of behoort te worden gesproken van voortgezet verblijf, het vereiste wel geldt, met name gelet op het tweede lid van artikel 3.82 Vreemdelingenbesluit. -De IND verleent aan het familielid van een Unieburger, zoals bedoeld in artikel 8.7 Vb, op grond van artikel 21 VWEU een afgeleid verblijfsrecht in situaties waarin het recht van vrij verkeer van Unieburgers wordt belemmerd. +De te onderzoeken vreemdeling vervoegt zich bij de aangewezen GGD. Naast het document voor grensoverschrijding dat bij de gemeente is overgelegd, wordt het verwijzingsformulier aan de onderzoeksarts overgelegd. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het formulier. De onderzoeksarts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar het juiste kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), dat de aanvraag in behandeling heeft. -De IND neemt in ieder geval aan dat het recht van vrij verkeer van de Unieburger wordt belemmerd: +Uit het feit dat de vreemdeling zich inderdaad bij de onderzoeker heeft gemeld en het onderzoek naar tuberculose aan de ademhalingsorganen daadwerkelijk heeft ondergaan, wordt de bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan vastgesteld. De bereidheid om een onderzoek naar tuberculose te ondergaan blijkt uit het feit dat het originele verwijzingsformulier (formulier model M38) aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is teruggezonden. Met de ontvangst van dat originele formulier door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt de bereidheid van de vreemdeling om een onderzoek naar tuberculose aan de ademhalingsorganen te ondergaan, geacht reeds ten tijde van de aanvraag aanwezig te zijn geweest. Eerst nadat de vreemdeling het onderzoek heeft ondergaan en het originele formulier model M38 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is ontvangen, kan de vergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. -• als de Unieburger genaturaliseerd is tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit) nadat hij ooit in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8.12 Vb. Een afgeleid verblijfsrecht kan alleen worden toegekend als de Unieburger aan artikel 8.12, eerste lid onder a, b of c Vb voldoet; -• als de verzorgende ouder niet bij de minderjarige Unieburger kan verblijven (zie paragraaf B10/2.4.1); -• als de familieleden van Unieburgers naar hun lidstaat terugkeren (zie paragraaf B10/2.4.2 Vc); of -• als er sprake is van verblijf op grond van het terugtrekkingsakkoord (zie paragraaf B10/2.4.3). +Indien na verlening van de vergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk bereid is gebleken de behandeling te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de vergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt. -##### 2.4.1. Verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger (artikel 21 VWEU) +Indien de vreemdeling bij wie tuberculose is geconstateerd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, kan dat een reden vormen om de uitzetting van die vreemdeling en diens eventuele gezinsleden achterwege te laten, omdat het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen (zie artikel 64 Vreemdelingenwet). -De IND verleent op grond van artikel 21 VWEU aan de ouder van een minderjarige Unieburger een afgeleid verblijfsrecht als: +1. De vreemdeling heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier ingediend en nog voordat de voorbereiding van de uitzetting is aangevangen, is reeds bekend dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand niet uitgezet zal kunnen worden. -• de minderjarige Unieburger beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een verzekering die de ziektekosten volledig dekt; en -• deze ouder daadwerkelijk voor hem zorgt. +Hierbij zij met nadruk vermeld dat de vraag of uitzetting op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet achterwege moet blijven, zich niet eerder kan voordoen dan vanaf het moment waarop een uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet zou kunnen plaatsvinden. Derhalve kan geen beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet worden gedaan indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft ingevolge artikel 8 Vreemdelingenwet. Wanneer de vreemdeling zich bijvoorbeeld in de situatie bevindt waarin hij de beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing een verblijfsvergunning regulier te verlenen, in Nederland mag afwachten, is artikel 64 Vreemdelingenwet nog niet aan de orde. Wanneer de vreemdeling zich daarentegen in de situatie bevindt waarin de werking van een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet (langer) is opgeschort, is een beroep op artikel 64 Vreemdelingenwet mogelijk, ongeacht de vraag of de uitzetting daadwerkelijk aan de orde is. +2. De vreemdeling heeft hetzij nimmer een aanvraag ingediend, hetzij de politie is reeds met uitzettingshandelingen begonnen, alvorens blijkt dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling zich verzet tegen zijn uitzetting -De minderjarige Unieburger voldoet aan het middelenvereiste als die minderjarige Unieburger voldoende middelen ter beschikking staan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid Vb. +Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier schort het beëindigen van de verstrekkingen, voor zover hiervan sprake is, niet op. Ook doet een reguliere aanvraag geen recht op opvang ontstaan. De aanspraak op verstrekkingen is -ingevolge de Rva- immers in beginsel gerelateerd aan een eerste asielaanvraag. -##### 2.4.2. Verblijfsrecht van de familieleden van Nederlanders die naar hun lidstaat terugkeren +Vreemdelingen die een reguliere (vervolg)aanvraag doen, bijvoorbeeld met als doel ‘het ondergaan van medische behandeling’, maken dan ook géén aanspraak op verstrekkingen. Dit is slechts anders indien zij zich feitelijk in dezelfde medische situatie bevinden als vreemdelingen die met de uitzetting worden bedreigd en niet in staat zijn om te reizen. Deze vreemdelingen hebben rechtmatig verblijf ex artikel 8 aanhef en onder f, of h, Vreemdelingenwet en vallen derhalve niet onder de werking van artikel 64 Vreemdelingenwet. Er dreigt immers geen uitzetting. Evenmin is er sprake van een rechtsplicht om Nederland te verlaten. -Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid: +In geval er echter sprake is van feitelijk dezelfde situatie, zoals bedoeld in artikel 64 Vreemdelingenwet, kunnen ook deze vreemdelingen – voor wat betreft het verlenen van verstrekkingen – analoog aan artikel 64 Vreemdelingenwet worden behandeld. Het belang van de vreemdeling ligt in dat geval niet in het achterwege laten van de uitzetting – hij heeft immers rechtmatig verblijf –, maar in het (her)krijgen of behouden van de verstrekkingen ingevolge de Rva. Het enkele beroep op analoge toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet geeft nog geen recht op opvang. -• daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU; en -• gedurende ten minste drie maanden van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of artikel 16 van richtlijn 2004/38 en -• tijdens dat daadwerkelijke verblijf een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. +In deze gevallen dient de vreemdeling zich allereerst te wenden tot de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met het verzoek om vast te stellen dat er in zijn geval sprake is van de situatie analoog aan die als bedoeld in artikel 64 Vreemdelingenwet. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelt, na advies te hebben ingewonnen van de medisch adviseur, vast of de vreemdeling medisch gezien kan reizen en of er derhalve sprake is van een situatie analoog aan artikel 64 Vreemdelingenwet. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door de medisch adviseur van het Bureau Medische Advisering dan wel een andere arts die door de medisch adviseur hiertoe wordt ingeschakeld. -De IND past bij het familielid van een Nederlander hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb en paragraaf B10/2.2.2. Vc naar analogie toe. +Indien het beroep op analoge toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet is gehonoreerd, vult een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) – ten behoeve van de aanmelding van de betreffende vreemdeling bij het COA – het aanvraagformulier voor Rva-verstrekkingen (model M54) in, waarin tevens wordt vermeld dat de vreemdeling zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 Vreemdelingenwet en in procedure is omtrent zijn verblijfsrecht. Ook de duur van de periode waarin verwacht wordt dat de medische beletselen aanwezig zijn, dient te worden vermeld. Hierbij zij voorts verwezen naar het beleid zoals neergelegd in A4/7. -Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. +De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zendt het volledig ingevulde aanvraagformulier naar het Centraal Bureau van het COA te Rijswijk, t.a.v. de Afdeling Plaatsing/Instroom, directie Huisvesting, Postbus 3002, 2280 ME te Rijswijk. Het Centraal Bureau zorgt voor de administratieve inschrijving van de vreemdeling en of zijn gezinsleden in een opvangcentrum, alsmede voor de inschrijving in de WA-verzekering en ziektekostenregeling. De inschrijvingsbewijzen voor de ziektekostenregeling en de beslissing tot toekenning Rva-verstrekkingen worden door het Centraal Bureau naar de aanvrager of diens gemachtigde gezonden. Voor de verstrekking van de wekelijkse financiële toelage kan de betreffende vreemdeling gevraagd worden zich periodiek te melden. Het COA zorgt voor de betaling van de financiële toelage en zonodig voor de plaatsing van betrokkene en zijn eventuele gezinsleden in een opvangvoorziening. -##### 2.4.3. Verblijfsrecht van familieleden van Nederlanders die terugkeren uit het Verenigd Koninkrijk op grond van het terugtrekkingsakkoord +De aanspraak op verstrekkingen ontstaat niet door de vaststelling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat er sprake is van een situatie analoog aan artikel 64 Vreemdelingenwet, maar pas nadat het COA de aanvraag van betrokkene heeft getoetst aan de bepalingen van de Rva. Het is namelijk denkbaar dat een vreemdeling slechts een deel van de voorzieningen nodig heeft, bijvoorbeeld omdat hij verblijf bij partner beoogt en bij die partner daadwerkelijk verblijft. -Voor een uit het derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat bij terugkeer uit het Verenigd Koninkrijk een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als: +Indien geen sprake is van de situatie analoog aan artikel 64 wordt de vreemdeling hiervan door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in beginsel schriftelijk op de hoogte gebracht, veelal onder verwijzing naar het medisch advies. In dat geval wordt het aanvraagformulier voor de Rva-verstrekkingen niet ingevuld. Tegen deze vaststelling staat op grond van artikel 72 derde lid Vreemdelingenwet het rechtsmiddel bezwaar open. Het bezwaarschrift dient binnen vier weken te worden ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). -• de Nederlander en het uit een derde land afkomstige familielid voldoen aan de voorwaarden genoemd onder paragraaf B10/2.4.2. Vc; -• de Nederlander vóór of op 31 december 2020 in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was; en -• het uit een derde land afkomstige familielid vóór of op 31 december 2020 reeds familielid was van de Nederlander en ook daarna (op het moment dat het uit een derde land afkomstige familielid zich bij de Nederlander in het Verenigd Koninkrijk voegt én na terugkeer in Nederland) sprake is van een bestendigde familierechtelijke relatie met de Nederlander. +Indien de vreemdeling, tijdens de periode dat de analoge toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet van kracht is, en dientengevolge gebruik wordt gemaakt van de Rva-verstrekkingen, in de situatie komt dat hij (bijvoorbeeld door afwijzing van zijn verblijfsaanvraag) geen rechtmatig verblijf meer heeft ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, of h, Vreemdelingenwet, verkrijgt de vreemdeling van rechtswege rechtmatig verblijf ex artikel 8, aanhef en onder j juncto artikel 64 Vreemdelingenwet. Voor de resterende periode hoeft de vreemdeling geen separaat beroep te doen op artikel 64 Vreemdelingenwet, omdat feitelijk geen verandering intreedt in de medische situatie van de vreemdeling. In dat geval eindigt het rechtmatig verblijf ex artikel 8 aanhef en onder j Vreemdelingenwet op de laatste dag van de periode waarin sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 64 Vreemdelingenwet. -De IND past bij het familielid van een Nederlander hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb en paragraaf B10/2.2.2. Vc toe. +##### 2.2.6. Arbeid in strijd met de -Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. +Gereserveerd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -##### 2.4.4. EU-grensarbeid +##### 2.2.7. Niet voldoen aan de beperking -De IND verstrekt een sticker ’verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan’ (bijlage 7h, VV) met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist’ aan de uit een derde land afkomstige vreemdeling, als: +Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder g, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, Vreemdelingenwet met uitzondering van onderdeel b (de vreemdeling beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding). + + + Ingevolge het tweede lid van zowel artikel 16 als 18 Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden bedoeld in het eerste lid. + + + Beleidsregel: De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. + + + Beleidsregel: De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het Vreemdelingenbesluit of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de Vreemdelingencirculaire anders is bepaald. + + + Beleidsregel: De vergunning wordt ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het Vreemdelingenbesluit of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de Vreemdelingencirculaire anders is bepaald. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• de vreemdeling een familielid van de Unieburger is als bedoeld in artikel 8.7 tweede, derde of vierde lid Vb; -• hij verblijft in een andere EU-lidstaat; -• hij arbeid verricht in Nederland of werkzoekende is, én; -• de Unieburger op dat moment eveneens reële en daadwerkelijke arbeid verricht in Nederland. +##### 2.2.8. Verplaatsing hoofdverblijf -In de overige gevallen geldt dat het uit een derde land afkomstige familielid van een Unieburger die op grond van het EU-recht verblijft in een andere EU-lidstaat alleen in Nederland arbeid mag verrichten als de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de Wav anders bepaalt. +– uitschrijving uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA); +– de afmelding bij de belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland; +– mededeling aan de korpschef van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, onder d, in samenhang met 4.37, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit); +– het nemen van ontslag bij de werkgever of bedrijfsbeëindiging; +– het opzeggen van een bank- of girorekening; +– het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland; +– de afkoop van pensioenrechten; +– de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en +– het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland. -#### 2.5. Gezinsleden van een (minderjarig) Nederlands kind +a. bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet; +b. meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden; of +c. voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd. -##### 2.5.1. Derdelands ouder van een minderjarig Nederlands kind +a. Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of +b. buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd. -De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij: +a. indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of +b. indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. -a. zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; -b. een minderjarig, Nederlands kind heeft; en -c. er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. +##### 2.2.9. Onjuiste gegevens -De IND kan niet vaststellen dat er sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als de derdelands ouder onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. +Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt ook begrepen het achterhouden van essentiële (juiste) gegevens. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.84 Vreemdelingenbesluit. Zij zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. + + + *Gevolgen van het verstrekken van onjuiste gegevens* + + + + + Artikel + 3.84 + Vreemdelingenbesluit: + + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen om reden dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + + Beleidsregel: Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd. + + + Niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. Bepalend is immers of de verblijfsvergunning bij bekendheid met de juiste gegevens zou zijn verleend, verlengd of gewijzigd. Het is niet van belang of de onjuiste gegevens zijn verstrekt of de juiste gegevens zijn achtergehouden door de vreemdeling zelf of andere belanghebbenden. Daarbij zij gewezen op hetgeen daaromtrent is vermeld in Toelichting op artikel 18 Vreemdelingenwet: “Het kan hier niet alleen gaan om gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt of zijn achtergehouden, maar ook om gegevens die door belanghebbende derden zijn verstrekt of achtergehouden. Hierbij kan gedacht worden aan gegevens over de gezinsband die door een echtgenoot of echtgenote zijn verstrekt, indien de vergunning is verleend in het kader van gezinshereniging of -vorming.” + + + Verblijfsbeëindiging blijft achterwege, indien dat in strijd zou komen met een ieder verbindende verdragsbepaling (bijvoorbeeld artikel 8 EVRM) of voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht). + In dergelijke gevallen kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd echter wel (ambtshalve) worden gewijzigd wegens veranderde omstandigheden, met toepassing van artikel 14, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet. Door die wijziging wordt dan de onjuiste situatie uit het verleden gecorrigeerd door de beperkingen en voorschriften die aan de verblijfsvergunning waren verbonden te vervangen door beperkingen en voorschriften op basis van de veranderde omstandigheden. + + + Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, wordt de zaak bezien op aangifte van een strafbaar feit bij het Openbaar Ministerie (artikel 162 Wetboek van Strafvordering). Daarbij kan wel van belang zijn wie de onjuiste gegevens heeft verstrekt of de juiste gegevens heeft achtergehouden, of dat opzettelijk is gebeurd, en of de vreemdeling daarbij persoonlijk betrokken is geweest. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Dit verblijfsrecht is afgeleid van artikel 20 VWEU. +##### 2.2.10. De gevolgen van de afwijzing -###### 2.5.1.1. Identiteit en nationaliteit +a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is; dat laatste is bijvoorbeeld het geval indien hij al over een andere verblijfsvergunning beschikt (zie artikel 8 Vreemdelingenwet); +b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 Vreemdelingenwet gestelde termijn, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet (zie A4); en +c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten (zie A4). -Als een vreemdeling geen geldig paspoort of een geldige identiteitskaart heeft overgelegd, kan hij zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen aannemelijk maken, waaronder zijn verklaringen. +###### 2.2.10.1. Vertrektermijn -Alle aangevoerde documenten en verklaringen moeten afzonderlijk en in onderlinge samenhang worden bezien. De IND kijkt bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten naar de manier waarop het document is afgegeven. Hierbij is het van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door de betreffende autoriteiten is opgesteld. De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van afgifte zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens van de vreemdeling op het document staan. +a. de uitzetting, bijvoorbeeld in gevallen waarin de mogelijkheid om uit te zetten voor langere tijd illusoir zou worden indien de vreemdeling de vertrektermijn van vier weken zou worden gegund, alsmede indien het een vreemdeling betreft wiens uitzetting dient te geschieden door middel van overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten (in verband met een gehonoreerde claim) en voorts indien de vreemdeling in bewaring is gesteld ter fine van uitzetting; +b. de openbare orde (waaronder begrepen de openbare rust) of de nationale veiligheid. -De IND houdt bij de beoordeling van deze documenten ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en de administratieve praktijken die in het land van herkomst of in het land van afgifte gangbaar zijn. +##### 2.2.11. Tijdsverloop in reguliere zaken -###### 2.5.1.2. Ouderschap +Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. -Er is in ieder geval sprake van ouderschap als het juridische of het biologische ouderschap is aangetoond. Ook andere feitelijke verzorgers, zoals stief-, pleeg- en opvangouders, kunnen als ouder in de zin van dit beleid worden aangemerkt, zolang zij die rol op vergelijkbare wijze invullen. +Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en kan anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruikmaken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vreemdelingenwet blijven van toepassing. -Het juridische ouderschap kan worden aangetoond met een geboorteakte, akte van erkenning of met andere officiële documenten waaruit een juridische band tussen de ouder en het kind blijkt. Biologisch ouderschap kan worden aangetoond aan de hand van een DNA-test. +a. Een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit) of omdat de vreemdeling of degene bij wie deze wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, indien op de aanvraag drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk is beslist, terwijl de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vreemdelingenwet in afwachting van de beslissing op deze aanvraag of het bezwaarschrift of het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van deze aanvraag. Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijk gesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. Ook in deze gevallen moet het gaan om een beslissing, die nog niet onherroepelijk is, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vreemdelingenwet. Voor reeds afgesloten zaken geldt het beleid dus niet. -Gezag is geen zelfstandige voorwaarde voor het ouderschap. +Tevens dient het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog van toepassing te zijn. Gedurende de periode van drie jaar moet de oorspronkelijke aanvraag nog aan de orde zijn, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet inmiddels een ander verblijfsdoel nastreeft. Indien de vreemdeling bijvoorbeeld een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, maar hij inmiddels een verblijfsvergunning met een beperking verband houdend met gezinsvorming wenst, dan wordt niet aan de hier bedoelde voorwaarde voldaan. -Het Nederlanderschap van het minderjarige kind kan worden aangetoond door middel van een geldig Nederlands paspoort of een geldige Nederlandse identiteitskaart. +b. Er moet sprake zijn van beleidsmatige redenen voor het rechtmatig verblijf. De vreemdeling moet rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vreemdelingenwet. -###### 2.5.1.3. Zodanige afhankelijkheid +Deze voorwaarde omvat dus zowel de gevallen waarin de vreemdeling de behandeling van de aanvraag of een bezwaar- of beroepschrift op grond van hoofdstuk 7, afdeling 2, Vreemdelingenwet mag afwachten als de gevallen waarin het bestuursorgaan of de rechter heeft bepaald dat de vreemdeling om redenen verband houdend met de onderhavige aanvraag de behandeling in Nederland mag afwachten. Dit rechtmatig verblijf gedurende drie jaar moet dus samenhangen met het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel. -####### 2.5.1.3.1. Hoofdregel +Indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op de aanvraag af te wachten om een andere reden, bijvoorbeeld omdat inmiddels een aanvraag voor een ander verblijfsdoel is ingediend, dan levert het rechtmatig verblijf geen aanspraak op een verblijfsvergunning vanwege het driejarenbeleid op. -De IND neemt in beginsel een zodanige afhankelijkheid aan als de derdelander ouder duurzaam samenwoont met een minderjarig Nederlands kind over wie hij het gezag heeft en voor wie hij de wettelijke en financiële last draagt en met wie hij een affectieve band heeft. +Hierbij geldt nog het volgende. Een rechterlijke uitspraak waarbij het beroep of hoger beroep gegrond is verklaard, maakt de periode van daaraan voorafgaand niet-rechtmatig verblijf alsnog rechtmatig. Dit betekent dat de vreemdeling ofwel aansluitend vanaf de datum van de aanvraag om (verlenging van de geldigheidsduur van) een verblijfsvergunning tot aan het moment van het vollopen van de driejaartermijn rechtmatig verblijf heeft gehad omdat hij de beslissing op de aanvraag mocht afwachten, ofwel na een rechterlijke uitspraak geacht wordt de gehele periode van drie jaar rechtmatig verblijf te hebben gehad. Indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen dan wel het (hoger) beroep gegrond is verklaard, geldt de tijd vanaf de datum van het verzoekschrift (verzoek om een voorlopige voorziening, (hoger) beroepschrift) als relevante tijd voor het bepalen van de driejaartermijn. -In andere gevallen beoordeelt de IND de zodanige afhankelijkheid aan de hand van de volgende omstandigheden: +In het geval de rechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit heeft vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat, wordt de periode van behandeling van het (hoger) beroep niet alsnog rechtmatig geacht. Eén van de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing is immers dat er aanspraken kunnen ontstaan op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. -• de derdelands ouder zorgt daadwerkelijk voor het kind; -• de vreemdeling heeft het ouderlijk gezag over het minderjarige Nederlandse kind; -• de rol van de andere Nederlandse ouder(s); -• de vreemdeling draagt de wettelijke en financiële lasten voor het Nederlandse kind en heeft een affectieve band met het Nederlandse kind; -• de woonsituatie van het kind; -• de leeftijd van het kind; -• het lichamelijke en emotionele ontwikkelingsniveau, de gezondheid en de economische situatie van het kind; -• het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als hij van zijn ouder wordt gescheiden. +c. Er mag geen sprake zijn van de afwijzingsgronden van artikel 16 Vreemdelingenwet, behoudens het mvv-vereiste en het middelenvereiste. -Het gaat hier niet over cumulatieve voorwaarden, maar omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. +– er zijn onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl de verstrekt of achtergehouden gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid; +– de vreemdeling heeft zich onttrokken aan het toezicht. -####### 2.5.1.3.2. Zorg- en opvoedingstaken +Gelet op het bijzondere karakter van het driejarenbeleid worden de voordelen van dit beleid niet verstrekt, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt. -De IND merkt zorgtaken in elk geval aan als daadwerkelijke zorgtaken als deze op dagbasis terugkeren. +Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn; pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt gaat er een nieuwe termijn lopen. -De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de derdelander ouder niet is aan te rekenen. Dit wordt de derdelander ouder niet aangerekend als aangetoond wordt dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert, terwijl eerder wel sprake was van het verrichten van daadwerkelijke zorgtaken door de vreemdeling. +De termijn van drie jaar gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag om een verblijfsvergunning, het wijzigen daarvan of het verlengen van de geldigheidsduur, door middel van het formulier als bedoeld in artikel 3.99 Vreemdelingenbesluit. De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn. -Onder zorgtaken wordt niet verstaan enkel omgang of contact met het minderjarige Nederlandse kind. +Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. -####### 2.5.1.3.3. Ouderlijk gezag +Let wel, deze procedure staat los van de procedure die betrekking heeft op de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingprocedure. -Gezag is geen zelfstandige voorwaarde, maar speelt wel een rol bij de beoordeling van de zodanige afhankelijkheidsverhouding. Gezag is een indicatie dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid. +Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep, wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan. -####### 2.5.1.3.4. Rol andere ouder +Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep, wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan. -Dat een andere ouder voor het kind zorgt of kan en wil zorgen is geen zelfstandige reden om de zodanige afhankelijkheid tussen de vreemdeling en het kind niet vast te stellen. Als het zwaartepunt van de verzorging bij de andere ouder ligt, dan is dat wel een indicatie dat het kind minder afhankelijk is van de vreemdeling. +Bij het berekenen van deze termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin: -####### 2.5.1.3.5. Wettelijke en financiële lasten en affectieve band +a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a t/m e of l, Vreemdelingenwet; +b. de vreemdeling niet in Nederland verblijft, tenzij de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verblijft; +c. onderzoek wordt gedaan naar door de vreemdeling verstrekte gegevens of bescheiden, die naar het oordeel van de Minister in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden kunnen leiden. -Een vreemdeling draagt de wettelijke last voor een Nederlands kind als vaststaat dat er tussen de vreemdeling en het kind een familierechtelijke betrekking bestaat. De familierechtelijke betrekking wordt aangetoond met een geboorteakte of bewijs van erkenning of met andere officiële documenten waaruit een juridische band tussen de ouder en het kind blijkt. +ad a. In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. -Een vreemdeling draagt de financiële last voor een Nederlands kind als hij op duurzame wijze een financiële bijdrage levert aan de opvoeding en verzorging van het kind. De vreemdeling kan dit met ieder passend middel aantonen. +Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. -Een vreemdeling heeft een affectieve band met het kind als er is aangetoond dat er sprake is van een duurzame emotionele band tussen de vreemdeling en het kind. Bij het beoordelen van de duurzaamheid van de affectieve band worden in elk geval de volgende omstandigheden betrokken: +Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejaartermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. -– de leeftijd van het kind, en; -– de duur van de relatie tussen de ouder en het betrokken kind. +Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken, dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. -####### 2.5.1.3.6. Woonsituatie van het kind +Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld. -Bij het beoordelen van de woonsituatie beoordeelt de IND in elk geval of de vreemdeling en het Nederlandse kind samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hier geldt dat samenwoning sneller in de richting van een zodanige afhankelijkheid wijst dan niet-samenwoning. +ad b. In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn, buiten beschouwing blijft de periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van Onze Minister een verklaring heeft gekregen die hem recht geeft op terugkeer naar Nederland, en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting, dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen. -##### 2.5.2. Derdelands minderjarige (voor)kinderen van ouders met een afgeleid verblijfsrecht op grond artikel 20 VWEU +ad c. In onderdeel c is bepaald dat indien de vreemdeling gegevens of bescheiden heeft overgelegd, waarnaar onderzoek heeft moeten plaatsvinden, terwijl achteraf blijkt dat die in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden hebben kunnen leiden, deze periode niet meetelt voor de opbouw van de driejarentermijn. De noodzaak tot het verrichten van onderzoek wordt dan beschouwd als voort te vloeien uit een handeling van de vreemdeling, waardoor de extra proceduretijd die met het onderzoek gemoeid is voor rekening van de vreemdeling komt. -Een derdelands (voor)kind heeft in ieder geval rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij: +Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing. -• minderjarig is; -• het biologische of juridische kind is van een derdelands ouder met een verblijfsrecht of een faciliterend visum op grond van 20 VWEU; -• met deze ouder familieleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM; -• zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen dan wel verklaringen ingeval hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; -• zodanig afhankelijk is van zijn derdelands ouder dat het minderjarige Nederlandse kind, bij wie de derdelands ouder verblijf heeft, de Europese Unie moet verlaten als hem het verblijfsrecht wordt geweigerd; en -• een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder heeft overgelegd als bedoeld in paragraaf B7/3.2.3 Vc. +Het driejarenbeleid geldt ook voor aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier. Aangezien in deze procedures het mvv-vereiste veelal niet van toepassing zal zijn, zijn de effecten van het tijdsverloop beperkt tot het niet stellen van het middelenvereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 18 Vreemdelingenwet gelden hier dus onverkort. Zie voor de toepassing van deze gronden 2.2. -De regels in paragraaf B10/2.5 Vc die zien op ‘identiteit en nationaliteit’, ‘minderjarigheid’ en ‘zodanige afhankelijkheid’ zijn van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf. +Na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet op 1 april 2001 moet een vreemdeling een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid Vreemdelingenbesluit aangeven. In zaken van vóór 1 april 1998, waarin van de vreemdeling niet gevergd werd een dergelijke beperking aan te geven, dan wel in zaken waarin de vreemdeling vóór 1 januari 2000 een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met als doel “zonder beperking” of vanwege “klemmende redenen van humanitaire aard” en geen beperking kon aangeven, kan op grond van artikel 3.4, derde lid Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een verblijfsaanvraag. Dit houdt verband met het feit dat er niet een concreet verblijfsdoel is geweest waaraan kon worden getoetst. -#### 2.6. Procedurele voorwaarden +In de beschikking dient te worden aangegeven dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van dit beleid, als vastgesteld in TBV 2002/62. Op het verblijfsdocument komt te staan “verblijf onder beperking conform beschikking Minister”. De arbeidsmarktaantekening wordt dan: “Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist”. -##### 2.6.1. Toetsen EU-verblijfsrecht in andere procedures +Voor de verlenging van deze verblijfsvergunning gelden geen bijzondere voorwaarden. -Als de IND tijdens een andere procedure – hetzij een aanvraag, verlenging of intrekking – de aanvraag afwijst, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning, beoordeelt de IND of er aanknopingspunten zijn voor een verblijfsrecht op grond richtlijn 2004/38, artikel 10 van verordening 492/2011, artikel 21 VWEU of artikel 20 VWEU. De IND verricht hier (ambtshalve) onderzoek naar. - -##### 2.6.2. Rechtsmiddelen - -Na een beslissing van de IND tot ontzegging of beëindiging van het rechtmatig verblijf, of een beslissing gericht op de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, geldt het volgende: - -• de Unieburger of diens familielid heeft van rechtswege niet langer rechtmatig verblijf; -• de Unieburger of diens familielid moet Nederland binnen een maand uit eigen beweging verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet; -• het instellen van tijdig bezwaar heeft opschortende werking tenzij de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen of artikel 8.24, derde lid, Vb van toepassing is; en -• het instellen van beroep heeft geen opschortende werking. - -De vertrektermijn wordt alleen bekort tot minder dan een maand in dringende gevallen in de zin van artikel 8.24, derde lid, Vb. Hiervan is in ieder geval sprake als: - -• het persoonlijk gedrag van de Unieburger of diens familielid een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt als bedoeld in artikel 8.22 Vb; of -• sprake is van rechtsmisbruik of fraude, als bedoeld in artikel 8.25 Vb. - -#### 2.7. Bewijsmiddelen - -##### 2.7.1. Hoofdregel bewijs - -Voor het EU-recht geldt een vrije bewijsleer, tenzij anders is bepaald in Vb, VV, of Vc. De IND beperkt de bewijsmiddelen voor de Unieburger en zijn familieleden niet. - -##### 2.7.2. Arbeid als zelfstandige - -De IND beschouwt de bewijsmiddelen zoals onder andere genoemd in artikel 7.2a Vv als bewijsmiddelen dat sprake is van het verrichten van arbeid als zelfstandige. - -##### 2.7.3. Duurzame relatie - -In aanvulling op artikel 8.13, derde lid, Vb beschouwt de IND in ieder geval als bewijsmiddel: - -• een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, huurcontracten of afschriften van rekeningen op beider naam als sprake is van een gezamenlijke huishouding buiten Nederland; -• een bewijs van inschrijving als ingezetene in de BRP als de partners in Nederland samenwonen of recentelijk hebben samengewoond. - -##### 2.7.4. Derdelands familielid - -Een uit een derde land afkomstig familielid is niet verplicht om bij de aanvraag een verklaring van inschrijving van de Unieburger te overleggen. - -#### 2.8. Ontzegging of beëindiging rechtmatig verblijf - -##### 2.8.1. Beroep op de algemene middelen - -Op grond van artikel 8:16 Vb kan een beroep op de algemene middelen leiden tot een verblijfsbeëindiging. Daartoe wordt niet overgegaan indien persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf B10/2.8 Vc zich hiertegen verzetten. Het rechtmatig verblijf van een economisch niet-actieve Unieburger of diens familielid wordt beëindigd bij een beroep op de algemene middelen door de Unieburger of diens familielid als een van beiden: - -• in de eerste twee jaar van dat verblijf een – al dan niet aanvullend – beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw; -• in het derde jaar van dat verblijf twee maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende drie maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; -• in het vierde jaar van dat verblijf vier maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende zes maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; -• in het vijfde jaar van dat verblijf zes maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende negen maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; -• in achtereenvolgende jaren van verblijf of binnen een jaar meermalen een beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw; of -• binnen drie jaren van verblijf vijftien maanden of meer een aanvullend beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw. - -##### 2.8.2. Uitzonderingen - -Een (aanvullend) beroep op een uitkering in het kader van de Pw heeft in ieder geval géén gevolgen voor het verblijfsrecht als de Unieburger of diens familielid: - -• slachtoffer is van huiselijk geweld en dit op dezelfde wijze heeft aangetoond als bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden na huiselijk geweld op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder e, VV; of -• slachtoffer is van mensenhandel en voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld aan verblijf als slachtoffer-aangever of getuige-aangever mensenhandel. Voorwaarde hierbij is wel dat de Unieburger rechtmatig verblijf moet hebben gehad (zie paragraaf B8/3 Vc). - -Het verblijfsrecht van een familielid van een Unieburger eindigt niet indien de Unieburger is genaturaliseerd tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit). - -Het verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc, eindigt bij de meerderjarigheid van het kind, tenzij de aanwezigheid van de verzorgende ouder nodig is om de opleiding te kunnen voortzetten en voltooien. - -###### 2.8.2.1. Definitie aanvullend beroep op een uitkering in het kader van de - -De IND verstaat onder een aanvullend beroep op een uitkering in het kader van de Pw een beroep van maximaal 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Als de Unieburger of diens familielid een uitkering krijgt van meer dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm beschouwt de IND dit als een meer dan aanvullend beroep. - -##### 2.8.3. Niet langer voldoen aan de voorwaarden en beëindiging EU-recht - -In aanvulling op artikel 8.16 Vb geldt dat de IND: - -• in specifieke gevallen van redelijke twijfel onderzoekt of de Unieburger of diens familielid nog altijd aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als genoemd in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 Vb voldoet; en -• het verblijfsrecht van de Unieburger of diens familielid per beschikking beëindigt als de IND vaststelt dat de Unieburger of diens familielid niet langer aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet. - -##### 2.8.4. Belangenafweging - -De IND verricht bij ontzegging of beëindiging van het verblijf een belangenafweging. De IND maakt geen belangenafweging indien de aanvrager nimmer begunstigde is geweest als bedoeld in artikel 8.7 Vb. - -Bij de belangenafweging worden in ieder geval de volgende belangen betrokken: - -• de duur van het verblijf; -• de banden die de Unieburger of het familielid nog heeft met het land van herkomst; -• de gezinssituatie van de Unieburger of het familielid; -• de medische situatie van de Unieburger of het familielid; -• de leeftijd van de Unieburger of het familielid; -• de mate van sociale zekerheidspremies die de Unieburger of het familielid eerder heeft betaald; en -• de mate van integratie in Nederland van de Unieburger en zijn familieleden. - -Als een beroep wordt of is gedaan op de sociale bijstand wordt bij de belangenafweging eveneens betrokken: - -• de duur, de frequentie en de omvang van het beroep dat de Unieburger of het familielid op de algemene middelen heeft gedaan; -• de (overige) beroepen op (sociale) voorzieningen; -• de reden waarom de Unieburger of het familielid tijdelijk of permanent niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien; en -• de nabije toekomstverwachting, oftewel of de Unieburger of zijn familielid nog bijstand nodig zal hebben op korte termijn. - -##### 2.8.5. Rechtsmisbruik en fraude - -Op grond van artikel 8.25 Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als er sprake is van fraude of misbruik. - -Er is sprake van fraude als de Unieburger of het familielid: - -• frauduleuze documenten overlegt waarin wordt gesteld dat aan alle formele voorwaarden is voldaan; of -• documenten overlegt die zijn opgesteld op basis van een onjuiste voorstelling van feiten betreffende de voorwaarden voor het verblijfsrecht. - -Er is sprake van misbruik als de Unieburger of het familielid kunstmatig gedrag vertoont met als enig doel een verblijf te verkrijgen op grond van het recht op vrij verkeer. Daarbij is van belang dat de Unieburger of het familielid formeel voldoet aan de voorwaarden van het recht op vrij verkeer, maar dat de Unieburger of het familielid in strijd met het doel van het recht op vrij verkeer handelt. - -##### 2.8.6. Openbare orde en openbare veiligheid - -Op grond van artikel 8.22, eerste lid, Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf als het persoonlijke gedrag van een Unieburger of diens familielid een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij in geval van strafrechtelijke veroordelingen dan wel de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag analoge toepassing van artikel 3.77 of 3.86 Vb niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden. - -De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb. - -De IND legt een ongewenstverklaring op overeenkomstig paragraaf A4/3.1 Vc. Voor de signalering van de Unieburger of het familielid van een Unieburger wordt verwezen naar paragraaf A2/12.6 Vc. - -Deze passage is tevens van toepassing op de gezinsleden van een (minderjarig) Nederlands kind als bedoeld onder paragraaf B10/2.5 Vc en op de gezinsleden van schoolgaande kinderen als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc. - -##### 2.8.7. Volksgezondheid - -Op grond van artikel 8.23, eerste lid, Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als de in artikel 8.23, eerste lid, Vb genoemde gevallen zich voordoen. - -### 3. Internationale Verdragen +### 3. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd #### 3.1. Inleiding -In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van internationale Verdragen. Alleen de Verdragen die verblijfsrechtelijke gevolgen hebben, zijn opgenomen in dit hoofdstuk. Verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM is opgenomen in B7/3.8. +– Belgen en Luxemburgers, zie B10; +– Onderdanen van de Republiek Suriname op wie de Overeenkomst van 1975 inzake verblijf en vestiging nog van toepassing is, zie B11. + +#### 3.2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd: algemene voorwaarden + +a. de duur van het rechtmatig verblijf (artikel 21, eerste lid, aanhef Vreemdelingenwet; 3.2.1); +b. de middelen van bestaan (artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet, artikel 3.94 Vreemdelingenbesluit; 3.2.2); +c. de openbare orde (artikel 21, eerste lid, aanhef, en onder b, Vreemdelingenwet, artikel 3.95 Vreemdelingenbesluit; 3.2.3); +d. het hoofdverblijf (artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet; 3.2.4); +e. de nationale veiligheid (artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet; 3.2.5); +f. onjuiste gegevens (artikel 21, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet; artikel 3.96 Vreemdelingenbesluit; 3.2.6); +g. de aard van het verblijfsrecht (artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet; 3.2.7). + +##### 3.2.1. De duur van het verblijf in Nederland + +Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelden bijzondere regels voor Belgen en Luxemburgers op grond van het Benelux-Verdrag (zie B10). + +Indien de vreemdeling op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet, maar op het tijdstip waarop op de aanvraag wordt beslist wel, aan de termijn voldoet, wordt de aanvraag niet op deze grond afgewezen. + +Niet van belang is of de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een verblijfsvergunning asiel of regulier is. Indien de vreemdeling aanvankelijk als houder van een verblijfsvergunning asiel in Nederland heeft verbleven en het verblijf aansluitend heeft voortgezet op grond van een verblijfsvergunning regulier, wordt de gehele ononderbroken periode in aanmerking genomen. + +Bij de berekening van de perioden wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 9 t/m 10 van de Vreemdelingenwet 1965. + +Voor uitzonderingen op deze voorwaarde, wordt verwezen naar: + +– wedertoelating, zie B4; +– terugkeeroptanten Remigratiewet, zie B4; +– diplomaten, zie B12. + +##### 3.2.2. Middelen van bestaan + +Beleidsregel: Onder gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft, wordt hier verstaan: + +– de echtgeno(o)t(e) en de al dan niet geregistreerde partner van de vreemdeling met wie de vreemdeling samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert; of +– het andere gezinslid bij wie de vreemdeling oorspronkelijk in het kader van (verruimde) gezinshereniging verblijf was toegestaan en bij wie de vreemdeling nog steeds verblijft. + +De aanvraag wordt niet afgewezen op het middelenvereiste, indien: + +a. de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet heeft gehad (artikel 21, tweede lid, Vreemdelingenwet); + +als *beleidsregel* geldt dat perioden van verblijf in Nederland in dat tijdvak als Nederlander of als houder van een verblijfsvergunning asiel eveneens meetellen; +b. de vreemdeling: + +– in Nederland is geboren of voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef; +– sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en +– inmiddels achttien jaar is; in afwijking van het eerste lid van artikel 21 Vreemdelingenwet behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn (artikel 21, vierde lid, Vreemdelingenwet); +c. de vreemdeling: + +– als minderjarige onder een beperking verband houdende met gezinshereniging rechtmatig verblijf heeft gehad; +– de gezinsband niet binnen een jaar na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet) is verbroken; +– de vreemdeling sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; +– de vreemdeling inmiddels achttien jaar is; en +– de vreemdeling ten minste vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet (artikel 21, vijfde lid, Vreemdelingenwet); + +als* beleidsregel* geldt dat perioden van verblijf in Nederland in dat tijdvak als Nederlander of als houder van een verblijfsvergunning asiel, eveneens meetellen; +d. de aanvraag wordt niet afgewezen op het middelenvereiste, indien de vreemdeling duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke uitkering is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 55% op basis van een volledige werkweek (artikel 3.94 Vreemdelingenbesluit); +e. de aanvraag wordt niet afgewezen op het middelenvereiste, indien de vreemdeling gebruik kan maken van de in artikel 3.92 Vreemdelingenbesluit geregelde terugkeeropties. + +##### 3.2.3. Openbare orde + +Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, dan wel l, Vreemdelingenwet, worden afgewezen indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd. Op grond van artikel 21, zesde lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.95 Vreemdelingenbesluit. Zij zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet (zie artikel 3.98 Vreemdelingenbesluit). + + + + + Artikel + 3.95 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan op grond van artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede lid. + + + 2 + Artikel 3.86, derde tot en met het negende lid, is van overeenkomstige toepassing. + + + + + + + Artikel + 3.98 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede lid. + + + 2 + Artikel 3.86, derde tot en met het achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. + + + + + Beleidsregel: In die gevallen waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden afgewezen op basis van artikel 3.95 Vreemdelingenbesluit dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden ingetrokken op basis van artikel 3.98 Vreemdelingenbesluit, wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt, tenzij dat in strijd zou komen met internationale verplichtingen. + + + Ook bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning regulier voor onbepaalde tijd geldt als uitgangspunt dat naarmate de verblijfsduur van de vreemdeling langer en diens banden met Nederland sterker zijn, de inbreuk op de openbare orde ernstiger en de opgelegde straf zwaarder dient te zijn. De hoogte van de opgelegde straf wordt gerelateerd aan de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland, op het moment dat het misdrijf werd gepleegd. Dit is het principe van de zogenaamde glijdende schaal. Zie verder B1/2.2.4.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.4. Hoofdverblijf + +a. bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet; +b. meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden; of +c. voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd. + +a. Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of +b. buiten Nederland is gedetineerd en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd. + +a. indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of +b. indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. + +Beleidsregel: De aanvraag wordt niet afgewezen wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien de aanvraag is ingediend door de in artikel 3.92 Vreemdelingenbesluit bedoelde vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf op grond van de daar geregelde terugkeeropties. + +##### 3.2.5. Gevaar voor de nationale veiligheid + +Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet, van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet, worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. + + + Gevaar voor de nationale veiligheid wordt per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot de gevallen waarin de aanvraag op deze grond wordt afgewezen of de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op deze grond wordt ingetrokken. + + + Indien naar de mening van de korpschef een bepaalde vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, maakt hij dit onverwijld schriftelijk aan de Minister kenbaar. De korpschef stelt de Minister onverwijld alle relevante gegevens en bescheiden ter beschikking. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.6. Onjuiste gegevens + +Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet, van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet, worden afgewezen indien deze onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid. Op grond van artikel 21, zesde lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.96 Vreemdelingenbesluit. Zij zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet (artikel 3.97 Vreemdelingenbesluit). + + + + + Artikel + 3.96 + Vreemdelingenbesluit: + + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet afgewezen op de in artikel 21, eerste lid, onder e, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + + + + Artikel + 3.97 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet ingetrokken op de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + + Beleidsregel: Indien er bij de verlening, wijziging of verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden en bij bekendheid van de juiste gegevens geen verlening, wijziging of verlenging had plaatsgevonden, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen, tenzij sedert de verlening, verlenging of wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + In dergelijke gevallen zou de vreemdeling bij bekendheid van de juiste relevante gegevens immers niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, en behoort hij ook niet in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + + + Beleidsregel: Indien er bij de verlening, wijziging of verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden en bij bekendheid van de juiste gegevens geen verlening, wijziging of verlenging had plaatsgevonden, wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken, tenzij sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + Indien bedoelde twaalf jaren zijn verstreken weegt het algemene belang niet (langer) op tegen het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het verblijf in Nederland. + + + Zie B1/2.2.9. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.7. Tijdelijk verblijfsrecht + +Doorslaggevend is dat het verblijfsrecht van de vreemdeling op het tijdstip van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard is. Daarbij is niet van belang hoe lang dat verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is. Indien de vreemdeling in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, wordt de aanvraag niet op die grond afgewezen, indien het verblijfsrecht op het tijdstip van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard is. + +Als voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie in aansluiting op (tijdelijk) verblijf in het kader van studie (zie B6) in het kader van gezinsvorming met een Nederlander (niet-tijdelijk) verblijf is toegestaan (zie B2), en die nadien een aanvraag indient tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde duur. Zijn verblijfsrecht is op het moment van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard. Dat hij daarvoor enkele jaren verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, is niet van belang. Wel moet het eerdere verblijfsrecht in totaal ten minste vijf jaren bestrijken (zie B1/3.2.1). + +Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelden bijzondere regels voor Belgen en Luxemburgers op grond van het Benelux-Verdrag (zie B10). + +#### 3.3. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd: bijzondere categorieën + +Het gaat hier om de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan bijzondere categorieën die niet onverkort aan alle bovengenoemde algemene voorwaarden behoeven te voldoen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.3.1. Secundaire migranten + +a. in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef; +b. sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en +c. achttien jaar of ouder is. + +##### 3.3.2. Terugkeeroptie + +– al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; +– zijn hoofdverblijf eerder buiten Nederland heeft gevestigd; +– niet gedurende een periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verbleef; of +– op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft. + +##### 3.3.3. Voormalig geprivilegieerden + +– niet gedurende een periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verbleef; of +– op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft; +– inkomsten uit arbeid in loondienst heeft, waarvoor zijn werkgever (namelijk de ambassade of het consultaat van een andere mogendheid) geen premies sociale verzekeringen en belastingen heeft afgedragen. + +#### 3.4. De intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd + +a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; +b. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid; +c. de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd; +d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. + +##### 3.4.1. Hoofdverblijf + +Ingevolge artikel 22, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. + + + Beleidsregel: De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet wordt op grond van artikel 22, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet ingetrokken, indien de houder ervan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. + + + De in 3.2.4 opgenomen regels inzake weigering van de verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wegens verplaatsing hoofdverblijf zijn van overeenkomstige toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.2. Onjuiste gegevens + +Ingevolge artikel 22, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid. Op grond van artikel 22, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.97 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.97 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet ingetrokken op de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. + + + + Beleidsregel: De vergunning wordt ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens, indien bekendheid van de juiste gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of het verlengen zou hebben geleid, tenzij artikel 3.97 Vreemdelingenbesluit van toepassing is. + Deze grond is niet beperkt tot het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens die hebben geleid tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Ook indien onjuiste gegevens zijn verstrekt, of gegevens zijn achtergehouden, die tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden hebben geleid, als deze bekend waren geweest, wordt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. + + + Zie B1/2.2.9. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.3. Openbare orde + +Ingevolge artikel 22, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet, kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd. Op grond van artikel 22, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.98 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.98 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede lid. + + + 2 + Artikel 3.86, derde tot en met het achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. + + + + + Beleidsregel: In de gevallen, bedoeld in artikel 3.98 Vreemdelingenbesluit, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet. + + + Zie B1/2.2.4.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 7.2 en 8.26 Vb. +##### 3.4.4. Nationale veiligheid -#### 3.2. Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand +Ingevolge artikel 22, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Op grond van artikel 22, tweede lid, Vreemdelingenwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Van deze mogelijkheid is geen gebruikgemaakt. + + + Zie B1/2.2.4. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 +### 4. Procedures en rechtsbescherming +#### 4.1. De aanvraag +Een vreemdeling kan hetzij middels een formulier M53, hetzij middels een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken. +Het formulier M53 wordt gebruikt ingeval: -Dit Verdrag is alleen voor onderdanen van Turkije, Servië, Montenegro, Macedonië en Andorra van belang. +1. de vreemdeling zich in een politiecel bevindt; +2. de vreemdeling zich in een Huis van Bewaring bevindt; +3. de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; +4. de vreemdeling zich in een uitzetcentrum bevindt; +5. de vreemdeling zich in een cel van de Koninklijke Marechaussee bevindt -De IND verstaat onder rechtmatig verblijf in overeenstemming met artikel 11 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, en j en l, Vw. +Ad 1 tot en met 3 Het formulier model M53 wordt ten overstaan van de korpschef ingevuld en ondertekend. Indien de vreemdeling de aanvraag en de eventuele vervolgprocedures middels het formulier M53 wenst in te trekken, vergewist de korpschef zich ervan dat de vreemdeling de inhoud en de strekking van de door hem te ondertekenen verklaring kent en begrijpt. Op het formulier M53 wordt nadrukkelijk vermeld welke procedure(s) wordt (worden) ingetrokken. Zonodig wordt door de korpschef een (telefonische) tolk ingeschakeld in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. De korpschef maakt verder een proces-verbaal of een ambtelijk verslag op van de reden(en) van de vreemdeling om tot intrekking van de toelatingsprocedure(s) over te gaan en van de omstandigheden waaronder de ondertekening van het formulier M53 plaatsvond. De korpschef zendt het formulier M53 en het opgemaakte proces-verbaal of het ambtelijke verslag zo spoedig mogelijk door naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de vreemdeling een raadsman heeft ingeschakeld, neemt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van de stukken contact op met de raadsman voor het beëindigen van de procedure(s). -De IND verstaat onder ‘repatriëring’ verblijfsbeëindiging, inclusief uitzetting. De IND verstaat onder ‘het behoeven van bijstand’ het doen van een beroep op de algemene middelen. +Ad 4 en 5 Het formulier model M53 wordt ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee ingevuld en ondertekend. Indien de vreemdeling de aanvraag en de eventuele vervolgprocedures middels het formulier M53 wenst in te trekken, vergewist de Koninklijke Marechaussee zich ervan dat de vreemdeling de inhoud en de strekking van de door hem te ondertekenen verklaring kent en begrijpt. Op het formulier M53 wordt nadrukkelijk vermeld welke procedure(s) wordt (worden) ingetrokken. Zonodig wordt door de Koninklijke Marechaussee een (telefonische) tolk ingeschakeld in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. De Koninklijke Marechaussee maakt verder een proces-verbaal of een ambtelijk verslag op van de reden(en) van de vreemdeling om tot intrekking van de toelatingsprocedure(s) over te gaan en van de omstandigheden waaronder de ondertekening van het formulier M53 plaatsvond. De Koninklijke Marechaussee zendt het formulier M53 en het opgemaakte proces-verbaal of het ambtelijke verslag zo spoedig mogelijk door naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de vreemdeling een raadsman heeft ingeschakeld, neemt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van de stukken contact op met de raadsman voor het beëindigen van de procedure(s). -Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand beëindigt de IND het verblijf van de rechtmatig verblijvende onderdaan van een andere partij die een beroep doet op de algemene middelen uitsluitend als de vreemdeling: +– op het moment waarop de eerste aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en +– aanleiding geven tot heroverweging van de afwijzing van de eerste aanvraag. -a. het grondgebied heeft betreden vóór het bereiken van de leeftijd van 55 jaar en minder dan vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad; -b. het grondgebied heeft betreden ná het bereiken van de leeftijd van 55 jaar en minder dan tien jaar rechtmatig verblijf heeft gehad (zie artikel 7 van het Verdrag); -c. als de intrekkingsgronden van artikel 19 juncto 18, eerste lid, met uitzondering van onderdelen b en d, Vw van toepassing zijn. +Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De aanvrager behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag inhoudelijk dan wel procedureel aan te vullen; van het toepassen van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht kan immers worden afgezien. -De IND beëindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een beroep doet op de algemene middelen in ieder geval niet als de vreemdeling: +Artikel 3.1, eerste lid Vreemdelingenbesluit bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Gelet op de strekking van dit artikel is het noodzakelijk om een herhaalde aanvraag met grote voortvarendheid te behandelen. -• in een staat van gezondheid verkeert die vervoer niet toelaat (zie artikel 7, aanhef en onder (a) en (ii), van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand en artikel 64 Vw); en -• een bijzondere band met Nederland heeft (zie artikel 7, aanhef en onder (a) en (iii), van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand). +Worden wel nieuw gebleken feiten en omstandigheden vermeld, dan is er geen sprake van een herhaalde aanvraag, maar van een tweede of volgende aanvraag. -Naarmate de vreemdeling langer in Nederland verblijft, neemt de IND eerder aan dat de vreemdeling een bijzondere band met Nederland heeft. +N.B.: In een bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag, aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden zijn geen reden voor gegrondverklaring van het bezwaarschrift, aangezien zij niet aangevoerd zijn bij de aanvraag en daarom niet afdoen aan de juistheid van de verkorte afdoening van de aanvraag. Deze nieuwe feiten en omstandigheden kunnen aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning of een machtiging tot voorlopig verblijf in te dienen. -#### 3.3. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers +Als de vreemdeling wel een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje “herhaalde aanvraag” is opgenomen van toepassing. +##### 4.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag +###### 4.1.1.1. Schriftelijke aanvraag +De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij er door de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft op gewezen dat de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 +###### 4.1.1.2. Indiening in persoon -Het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers is alleen van belang voor Turkse werknemers en alleen voor zover Turkse werknemers geen rechten kunnen ontlenen aan Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije. Daarnaast is het van belang voor onderdanen van Albanië, Moldavië en Oekraïne. +Als hoofdregel wordt de aanvraag, in het belang van de behandeling van die aanvraag en in het belang van het toezicht op vreemdelingen, door de vreemdeling in persoon ingediend. Indien de vreemdeling het aanvraagformulier niet in persoon inlevert bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft, doch het schriftelijk retourneert, zal hij worden verzocht in persoon te verschijnen teneinde aldaar alsnog een aantal gegevens in persoon te verstrekken. De burgemeester tekent op het aanvraagformulier aan op welke datum de aanvraag door hem is ontvangen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid wegens afvloeiing of langdurige ziekte tot maximaal vijf maanden na het intreden van de ziekte of de werkloosheid, maar niet langer dan de duur van de uitkering in het kader van de WW. De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen voor: +###### 4.1.1.3. Plaats van indiening van de aanvraag regulier en de aanvraag tot vervanging of vernieuwing van een verblijfsdocument -• het zoeken naar werk; -• omscholing; of -• revalidatie. +De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt schriftelijk ingediend bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. -De IND neemt in ieder geval aan dat geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid als sprake is van één van de situaties zoals opgenomen in paragraaf B5/5 Vc onder verwijtbare werkloosheid. +De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt eveneens schriftelijk ingediend bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. -### 4. Associatieovereenkomst EG – Turkije, aanvullend protocol EG – Turkije en Besluit 1/80 +Ingevolge het bepaalde in artikel 3.101, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. -#### 4.1. Inleiding +###### 4.1.1.4. Vastgesteld formulier -In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor verblijf op grond van de Associatieovereenkomst EG-Turkije en Besluit 1/80. +– model M35-A voor de indiening van een aanvraag tot verlening of wijziging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de situatie dat de vreemdeling niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; +– model M35-A-1 voor de indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de situatie dat de vreemdeling in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; +– model M35-B voor de indiening van een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; +– model M35-D voor de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; +– model M35-E voor de indiening van een verzoek om toetsing aan het recht van de Europese gemeenschappen; -Besluit 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Besluit 1/80 ziet, met uitzondering van de standstillbepaling van artikel 13, niet op eerste toelating. Aan de artikelen 6, eerste lid, en 7, Besluit 1/80 kan een vreemdeling recht op voortgezette arbeid ontlenen. Dit recht op voortgezette arbeid brengt een recht op voortzetting van verblijf met zich mee. Dit verblijfsrecht ontstaat en vervalt van rechtswege. +Een formulier kan worden verkregen: -De IND legt de begrippen ‘werknemer’ en ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ voor zover gebruikt in deze paragraaf, op dezelfde wijze uit als in paragraaf B10/2 Vc. Onder ‘gezinsleden’ verstaat de IND de echtgenoot of geregistreerd partner van de Turkse werknemer, hun rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot of geregistreerd partner, die te hunnen laste zijn. Het gezinslid hoeft zelf niet de Turkse nationaliteit te hebben. +– via de website van de IND (www.ind.nl); +– via de infolijn van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND); telefoonnummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.). Dit landelijk telefoonnummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 17.00 uur en +– via de burgemeester van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling. -#### 4.2. Beleidsregels +– het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis op een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, hetzij +– het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis zonder geldige machtiging tot voorlopig verblijf, hetzij +– het aanvraagformulier tot afgifte van een bewijs waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, aan de vreemdeling worden verstrekt. +###### 4.1.1.5. Ondertekening van de aanvraag +De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door diens wettelijke vertegenwoordiger. Als zodanig gelden uitsluitend een ouder, voogd of curator (dus niet een advocaat of zaakwaarnemer). Degene die een aanvraag namens een minderjarig kind wenst in te dienen, toont aan diens wettelijke vertegenwoordiger te zijn. Indien dat niet is aangetoond, geeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een termijn van drie maanden om dat gebrek te herstellen. Dat laatste geschiedt hetzij door een voogdijvoorziening in Nederland, hetzij door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijk vertegenwoordiger van het kind in het land van herkomst. Indien na afloop van de termijn van drie maanden de wettelijke vertegenwoordiging niet is geregeld en het kind jonger is dan twaalf jaar, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Indien het kind twaalf jaar of ouder is, kan genoegen worden genomen met ondertekening door het kind zelf. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND betrekt bij de beoordeling of het verblijf van een ((ex-) gezinslid van een) Turkse onderdaan beëindigd moet worden ambtshalve of de verblijfsbeëindiging in strijd is met Besluit 1/80. +###### 4.1.1.6. Vermelding van naam en adres van de aanvrager en dagtekening -De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning op grond waarvan hem is toegestaan die arbeid te verrichten. De IND neemt ook aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling arbeid heeft verricht tijdens de procedure ter verkrijging (of herkrijging) van een verblijfsvergunning en voor zover hij voor (een deel van) deze periode alsnog een verblijfsvergunning verkrijgt. +De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, en de dagtekening van de aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND neemt in ieder geval aan dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80 als alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in acht zijn genomen en de werknemer dus het recht heeft op Nederlands grondgebied een beroepsactiviteit uit te oefenen. +###### 4.1.1.7. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd -De IND verstaat ook onder 'dezelfde werkgever' als bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80: +a. (verdrags)vluchteling is; +b. gegronde redenen heeft bij uitzetting een reëel risico te lopen om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; +c. niet kan terugkeren naar het land van herkomst op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit dat land van herkomst; of +d. niet kan terugkeren naar het land van herkomst, omdat dat van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. -• een uitzendbureau; -• een inlener; -• een detacheringsbureau; -• een bedrijf dat achtereenvolgens door verschillende ondernemingen wordt geëxploiteerd door fusie of overnamen; of -• een bedrijf dat wegens faillissement wordt overgenomen door een ander bedrijf. +a. de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (artikel 29, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet); en +b. de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij om die reden behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (artikel 29, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet). -De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken legale arbeid bij dezelfde werkgever het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is. +###### 4.1.1.8. Onderbouwende gegevens en bescheiden -De IND past de tijdvakken als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80 alleen toe op Turkse werknemers die ten minste één jaar, maar minder dan drie jaar legale arbeid hebben verricht bij dezelfde werkgever. +De vreemdeling draagt zorg voor de legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Zie B2. -Bij toepassing van artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80, gaat de IND ervan uit dat op het moment dat de werkzaamheden bij dezelfde werkgever worden hervat, verder wordt gegaan met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid. +Er is in Somalië geen internationaal erkend gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder bewijsstukken betreffende de staat van personen, door Nederland niet erkend. Zie voor wat betreft documenten voor grensoverschrijding 2.2.2 slot. -Op grond van artikel 7, eerste alinea, Besluit 1/80 ontstaat voor het gezinslid van een Turkse werknemer een recht op voortzetting van verblijf als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: +###### 4.1.1.9. Specifieke bepalingen inzake de procedure en de afhandeling van de aanvraag tot verlening of tot wijziging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd -• het gezinslid is in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming toegelaten tot Nederland of in Nederland is geboren en heeft hier aansluitend verbleven; -• de Turkse werknemer heeft op enig moment na de toelating van het gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming gedurende een periode van drie jaar tot de legale arbeidsmarkt behoord. In deze periode is afwezigheid van de arbeidsmarkt vanwege onvrijwillige werkloosheid van maximaal zes maanden toegestaan; en -• het gezinslid heeft gedurende die periode van drie jaar onafgebroken bij de Turkse werknemer gewoond waarbij de IND korte legitieme onderbrekingen van het samenleven van niet langer dan zes maanden die niet zijn bedoeld om het samenleven op te geven, gelijkstelt met perioden waarin het gezinslid werkelijk met de Turkse werknemer heeft samengeleefd. De IND verstaat onder korte legitieme redenen in de hiervoor bedoelde zin bijvoorbeeld vakantie of familiebezoek. +Sinds de voltooiing van de overdracht van de toelatingstaken inzake reguliere aanvragen van de korpschef naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de gemeenten, fungeren de gemeenten als front-office, waar aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, tot wijziging van de verblijfsvergunning of tot toetsing aan het gemeenschapsrecht worden ingediend, registratie van de vreemdeling plaatsvindt, de sticker “Verblijfsaantekeningen Algemeen” en de sticker “Verblijfsaantekeningen voor Gemeenschapsonderdanen” worden verstrekt, beleidsarme informatie wordt gegeven en verblijfsdocumenten worden uitgereikt. -De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken rechtmatig verblijf bij een Turkse werknemer het bepaalde in artikel 7, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is. +Deze handeling wordt verricht door de burgemeester in het kader van de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). De identiteit van de vreemdeling dient te worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de GBA-wetgeving. De vreemdeling legt hiertoe gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit. -De IND acht het bij de beoordeling of een verblijfsrecht ontstaat op grond van artikel 7, tweede alinea, Besluit 1/80, niet van belang: +Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vreemdelingenwet is de vreemdeling leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag in door de Minister te bepalen gevallen en volgens door die Minister te geven regels. Tevens kan de Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van documenten waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. De Minister heeft van deze bevoegdheden gebruik gemaakt bij de artikelen 3.34 en 3.34a Voorschrift Vreemdelingen. -• of de Turkse werknemer op het moment van aanvang van, of gedurende de studie nog steeds legale arbeid verricht of in Nederland woonachtig is; -• om welke reden het kind aanvankelijk een inreis- en verblijfsrecht is verleend; of -• op welk niveau de beroepsopleiding is gevolgd. +De burgemeester verstrekt de sticker “Verblijfsaantekeningen Algemeen” (bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingen) aan de vreemdeling ten bewijze van het feit dat de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend. De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, met in beginsel een maximumduur van zes maanden. -Bij de beoordeling of een recht op verblijf ontstaat op grond van artikel 7 Besluit 1/80 acht de IND het niet relevant of: +De burgemeester plaatst de sticker “Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdaan” in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of voorziet het reisdocument van een zogeheten inlegvel. De sticker of het inlegvel bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf, tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt. -• de Turkse werknemer rechten ontleent of ontleende aan artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80; -• de werknemer de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, mits de Turkse nationaliteit hierbij behouden is gebleven of daarna is herkregen. +De burgemeester maakt ten behoeve van de vreemdeling een kopie van de pagina van het aanvraagformulier waarop de persoonsgegevens van de aanvrager staan vermeld, alsmede diens handtekening. Deze kopie wordt gewaarmerkt en vervolgens overhandigd aan de vreemdeling. -#### 4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening, voorschrift en geldigheidsduur +De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument. -De IND verleent de verblijfsvergunning ontleend aan het eerste of het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 onder de beperking: 'arbeid in loondienst'. +Naast bovengenoemde specifieke handelingen verschaft de burgemeester beleidsarme algemene informatie aan de vreemdeling. -De IND verleent de verblijfsvergunning aan (ex-)gezinsleden van Turkse werknemers die een recht op verblijf ontlenen aan artikel 7 Besluit 1/80 onder de beperking: 'niet-tijdelijke humanitaire gronden’. +###### 4.1.1.10. Specifieke bepalingen inzake de procedure van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd -Arbeidsmarktaantekening: +De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier model M35-B, respectievelijk model M35-D. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de gelegenheid gesteld alsnog een schriftelijke aanvraag in te dienen. -De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het eerste streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV. Dit is op grond van artikel 7.2 BuWav anders als de vreemdeling in het bezit is (geweest) van een verblijfsvergunning met daarop de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. In dat geval luidt de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. +De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zendt de vreemdeling drie maanden vóór de expiratie van de verblijfsvergunning een aanvraagformulier (model M35-B) toe, waarmee de vreemdeling kan verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. -De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. +De leges die verschuldigd zijn voor de afdoening van een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alsmede voor de afdoening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden namens de Minister door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geïnd. De procedure terzake van het innen van de leges is in paragraaf 4.1.2.1 meer uitgebreid beschreven. -De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan artikel 7, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. +De vreemdeling aan wie het is toegestaan na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland te verblijven, hangende de beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, kan ten bewijze van dit rechtmatig verblijf een sticker “Verblijfsaantekeningen Algemeen” (bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingen) verkrijgen. Op de sticker worden de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst “verlenging aangevraagd voor de geldigheidsduur op” of na de tekst “aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning”. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via het landelijk telefoonnummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.). Dit nummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. Vervolgens bepaalt een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de tijd en locatie waar de sticker kan worden verkregen. Het vorenstaande is tevens van toepassing op de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. -De IND voorziet de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 6, Besluit 1/80 van de aantekening: ‘Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. +De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument. -Geldigheidsduur +###### 4.1.1.11. De aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument -De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van artikel 6, Besluit 1/80 voor de duur van de arbeidsovereenkomst met een maximum van vijf jaar, maar in ieder geval voor ten minste één jaar. +De houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarvan de geldigheidsduur van het verblijfsdocument afloopt, wordt analoog aan de procedure zoals omschreven in paragraaf B1/ 4.1.1.10 (“Specifieke bepalingen inzake de procedure van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd”) door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gewezen op de mogelijkheid om dit document te vernieuwen door middel van het indienen van het aanvraagformulier model M83. -De IND verleent de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 7, Besluit 1/80 voor de duur van vijf jaar. +De aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument wordt schriftelijk ingediend door middel van het formulier model M83. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de gelegenheid gesteld alsnog een schriftelijke aanvraag in te dienen.“ -#### 4.4. Ontzegging of beëindiging rechtmatig verblijf +Een formulier voor een aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument (formulier model M83) kan telefonisch via het nummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.) worden verkregen. Het nummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. -##### 4.4.1. Verlies van het recht op arbeid en verblijf +De aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument wordt rechtstreeks naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gezonden. Het adres waar het aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden, naar toe kan worden gezonden is: -Het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid en artikel 7 van Besluit 1/80 gaat in de volgende gevallen verloren: +De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument. -a. als het verblijfsrecht wordt beëindigd op grond van artikel 14 van Besluit 1/80; -b. bij langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland; +##### 4.1.2. Leges -Bovendien gaat het recht op arbeid op grond van artikel 6, eerste lid van Besluit 1/80 verloren: +– tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; +– tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; +– tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; +– tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. -c. als de Turkse onderdaan niet meer tot de legale arbeidsmarkt behoort. +###### 4.1.2.1. Procedure leges -De IND beëindigt het verblijfsrecht van een Turkse werknemer of het gezinslid, als het persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. +Bij het in ontvangstnemen van de aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning bepaalt de burgemeester de voor de aanvraag geldende leges. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld de verschuldigde leges per kas of per pin ter plekke aan de kas te voldoen. De vreemdeling dient het verschuldigde bedrag in één keer te voldoen. Betaling in termijnen is niet mogelijk. Na betaling van het verschuldigde bedrag ontvangt de vreemdeling een betalingsbewijs. -De artikelen 8.22, eerste lid, 8.23 en 8.24 Vb zijn van overeenkomstige toepassing. +De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier wordt rechtstreeks naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gezonden. De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt eveneens rechtstreeks naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gezonden. -De IND neemt aan dat geen sprake is van langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland als de Turkse werknemer of het gezinslid: +###### 4.1.2.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning -• korter dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven; of -• Nederland heeft verlaten om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, en hiervan sprake was gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden; of -• Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht. +Vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend (onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, of met verblijf op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag) zijn in het algemeen geen leges ter zake van afdoening van een aanvraag verschuldigd. Zij hebben immers geen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier ingediend, maar een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor de afdoening waarvan geen leges zijn verschuldigd. + + + Indien zij, hoewel niet nodig, toch een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder een van de hier bedoelde beperkingen, worden leges geheven ter afdoening van die aanvraag. + +20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND01-05-2002 -Als de Turkse werknemer of het gezinslid gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 6 en/of 7 van Besluit 1/80 neemt de IND langdurige afwezigheid en daarmee verlies van de rechten van artikel 6 en/of 7 van Besluit 1/80 aan als de werknemer of het gezinslid in ieder geval twee jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven. De reden van de afwezigheid is niet van belang. +###### 4.1.2.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel -De IND neemt in ieder geval aan dat de Turkse vreemdeling niet meer tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, als hij die arbeidsmarkt definitief heeft verlaten. Hiervan is sprake bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of als de vreemdeling anderszins geen enkele kans meer maakt op re-integratie op de arbeidsmarkt. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is de arbeidsmarkt verlaten, tenzij er nog reële en daadwerkelijke arbeid wordt verricht. +a. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (artikel 29, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet); of +b. die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij om die reden behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (artikel 29, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet). -De IND neemt verder aan dat de Turkse vreemdeling, die in het bezit is van de rechten van artikel 6 eerste lid, derde streepje van Besluit 1/80, niet meer als werknemer tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort als hij, na het stoppen van de werkzaamheden (ongeacht om welke reden), niet binnen een redelijke termijn nieuw werk in loondienst heeft gevonden. Als de werkzaamheden zijn gestaakt door detentie dan moet binnen een redelijke termijn ná de detentie een nieuwe dienstbetrekking zijn gevonden. De IND hanteert als redelijke termijn een termijn van zes maanden. Er moet sprake zijn van daadwerkelijk zoeken naar werk en een reële kans op werk. De IND verlengt de termijn eenmalig met drie maanden, als er na zes maanden nog geen werk is gevonden, maar er nog wel een reële kans op werk bestaat. De vreemdeling moet na uiterlijk negen maanden werk gevonden hebben. +###### 4.1.2.4. Restitutie van leges -Heeft de Turkse vreemdeling nog geen verblijfsrecht op grond van artikel 6, eerste lid, derde streepje opgebouwd, dan gaan de opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje verloren, wanneer hij van werkgever verandert of wanneer de werkzaamheden zijn gestopt vanwege een andere reden dan genoemd in artikel 6, tweede lid van Besluit 1/80 (zoals vanwege detentie of vrijwillige werkloosheid). +Restitutie is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk, zoals in het geval van een te hoog legesbedrag, een formele vrijstellingsgrond, een aanvraag tijdens vreemdelingenbewaring, een buiten behandelingstelling op grond van het mvv-vereiste, of een anderszins onverschuldigde betaling (bijvoorbeeld een tweede betaling voor dezelfde aanvraag). + Financiële draagkracht speelt bij de legesverplichting geen rol. + + + Ontwikkelingen na de indiening van de aanvraag (waaronder dus een negatieve beslissing, een buiten behandelingstelling, of een intrekking van de aanvraag) leiden niet tot restitutie. + Het naast elkaar indienen van twee aanvragen (zoals tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en om naturalisatie) leidt ook niet tot recht op restitutie van leges bij het eerste zodra het tweede wordt verleend. + + + Een verzoek om restitutie moet worden ingediend bij (een vast aanspreekpunt van) het betreffende kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het verzoek dient gemotiveerd te zijn en bevat de volledige personalia en het bank- of gironummer van de vreemdeling. + + + Indien de leges namens de Minister zijn geheven door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, bevat het verzoek tevens welke gemeente het betreft. + + + Indien de leges namens de Minister zijn geheven door de Immigratie- en Naturalisatiedienst bevat het verzoek tevens welk kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het betreft. + + + Afhankelijk van door wie namens de Minister de leges zijn geheven, wordt hetzij de betreffende gemeente, hetzij het betreffende kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vervolgens om nadere informatie gevraagd. + Na beoordeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt de verzoeker hetzij bericht dat terugbetaling via het hoofdkantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst zal plaatsvinden, hetzij bericht dat geen restitutie wordt verleend. + + + Indien wordt besloten niet te restitueren, bestaat de mogelijkheid om tegen die beslissing een bezwaarschrift in te dienen. + Overigens zal, gelet op het strikte karakter van de legesbepalingen, in veel gevallen het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:3 onder b Algemene wet bestuursrecht zonder horen kunnen worden afgedaan. + + + Indien tot restitutie is besloten, worden de relevante stukken (restitutieverzoek plus volledig ingevuld informatieformulier met bijlagen) met een bijbehorend betalingsverzoek doorgezonden naar de afdeling Bedrijfsvoering op het hoofdkantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -##### 4.4.2. Ontzegging recht op arbeid en verblijf +#### 4.2. De behandeling van de aanvraag -De IND ontzegt het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, en op grond van artikel 7, Besluit 1/80, als: +##### 4.2.1. Herstel verzuim -• de verblijfsvergunning is verleend op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens, terwijl die gegevens zouden leiden of hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning (fraude); of -• sprake is van rechtsmisbruik. +De termijn die gegeven wordt om de aanvraag aan te vullen kan in beginsel worden verlengd. Daarvoor zullen uiteraard bijzonder goede redenen aanwezig moeten zijn. Indien de reeds gegeven termijn redelijk is geweest en de aanvraag toch niet is aangevuld, zal er in het algemeen echter geen aanleiding bestaan om die termijn te verlengen. -Artikel 8.25 Vb in combinatie met paragraaf B10/2.8.5 Vc is van overeenkomstige toepassing. +##### 4.2.2. Inwinnen zienswijze -De IND ontzegt de rechten op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 7, Besluit 1/80, met terugwerkende kracht, als zij zijn verkregen op grond van fraude of rechtsmisbruik. +Uit de artikelen 4:7 en 4:8 Algemene wet bestuursrecht kan een verplichting voortvloeien om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien wordt overwogen om een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen (of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) daartoe te adviseren) of een beschikking te geven waarom de vreemdeling niet heeft gevraagd. + Een zodanige verplichting is er met name indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de vreemdeling betreffen, die gegevens afwijken van gegevens die de vreemdeling zelf heeft verstrekt, en de afwijking van meer dan slechts geringe betekenis voor de vreemdeling kan zijn. + + + De vreemdeling hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, indien wordt overwogen een beschikking te geven waar de vreemdeling niet om heeft gevraagd, en de vreemdeling niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om gegevens te verstrekken. + + + De vreemdeling kan zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Hoe in een concreet geval uitvoering is gegeven aan de verplichting om de zienswijze in te winnen wordt vastgelegd. Indien de zienswijze mondeling naar voren wordt gebracht, wordt deze op schrift gesteld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 4.5. Bewijsmiddelen +##### 4.2.3. Beslistermijn -De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van legale arbeid: +###### 4.2.3.1. Beslistermijn van zes maanden -• het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen; -• arbeidscontracten; en -• jaarloonopgaven. +De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (artikel 25, eerste lid, Vreemdelingenwet). Dat geldt zowel voor de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), alsook voor de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het wijzigen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd). + + + De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en loopt door totdat op de aanvraag is beslist. In die periode van zes maanden moeten alle handelingen hebben plaatsgevonden die tot een deugdelijke beslissing leiden en moet de beslissing zijn genomen. + + + In het geval de aanvraag door of namens de aanvrager schriftelijk wordt ingetrokken, vervalt de verplichting om te beslissen in eerste aanleg. + In geval bezwaar wordt gemaakt tegen het niet tijdig beslissen, vervalt die verplichting *gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is* en vervalt die verplichting *na de beslissing op het bezwaar of beroep* indien de indiener van de aanvraag als gevolg daarvan geen belang meer heeft bij een besluit op de aanvraag (artikel 6:20, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van daadwerkelijk naar werk zoeken: +###### 4.2.3.2. Verlenging met ten hoogste zes maanden -• een bewijs van inschrijving bij het UWV WERKbedrijf vanaf het moment dat de vreemdeling vrijwillig werkloos is geworden; en -• sollicitatiebrieven voor passende functies en reacties daarop van de beoogde werkgevers. +De wettelijke beslistermijn van zes maanden kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd, indien advies of onderzoek door derden of het Openbaar Ministerie nodig is (artikel 25, tweede lid, Vreemdelingenwet). Van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, wordt zo terughoudend mogelijk gebruikgemaakt. + + + Verlenging is slechts mogelijk, indien het gaat om onderzoek door derden dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Onder derden wordt hierbij verstaan: personen die geen aanwijzingen van de Minister in acht behoeven te nemen terzake van het door hen te verrichten onderzoek, alsmede het Openbaar Ministerie. Naast het Openbaar Ministerie (in strafrechtelijke procedures) valt in elk geval te denken aan ministeries als Buitenlandse Zaken, Financiën, Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en aan externen die medisch onderzoek verrichten (via Bureau Medische Advisering) of anderszins (bijvoorbeeld DNA-onderzoek) advies uit moeten brengen. De ambtenaren van de politie die onderzoek verrichten, worden niet aangemerkt als derden; zij dienen aanwijzingen van de Minister in acht te nemen. + + + Verlenging van de beslistermijn met toepassing van artikel 25, tweede lid, Vreemdelingenwet is niet mogelijk indien het gaat om mvv-aanvragen. + + + Bij de kennisgeving van de verlenging van de beslistermijn wordt aangegeven waarom de beslistermijn wordt verlengd. Tevens wordt aangegeven dat tegen de verlenging geen bezwaar kan worden gemaakt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een reële kans op werk een brief van een beoogde werkgever waaruit blijkt dat de sollicitatieprocedure wordt voortgezet. +###### 4.2.3.3. Opschorting in verband met een onvolledige aanvraag -De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van onafgebroken en daadwerkelijk samenwonen: +De beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Dat houdt in dat, indien de aanvrager twee weken worden gegund om bepaalde gegevens te overleggen en hij de gevraagde gegevens al na een week overlegt, de beslistermijn uiteindelijk maar met een week (en dus niet met twee weken) is opgeschort. De beslistermijn gaat weer lopen op de dag van ontvangst van de aanvullende gegevens. -• een afschrift uit de BRP waaruit de verblijfshistorie blijkt; -• aan het gezinslid geadresseerde post waaruit dit blijkt; en -• aan de werknemer geadresseerde post waaruit dit blijkt. +Als de aanvrager op grond van artikel 4:7 of 4:8 Algemene wet bestuursrecht moet worden gevraagd zijn zienswijze naar voren te brengen, omdat de aanvraag zal worden afgewezen op grond van gegevens die afwijken van de gegevens die hij zelf heeft verstrekt, en hij daarvoor een termijn krijgt, schort dat de beslistermijn niet op. Die termijn gaat dus af van de tijd die feitelijk beschikbaar is om een beslissing te nemen. -De IND beschouwt als bewijsmiddel van het behoud of de herkrijging van de Turkse nationaliteit na naturalisatie tot Nederlander: +*Opschorting* van de beslistermijn in verband met het herstel van een verzuim (artikel 4:5 in samenhang met 4:15 Algemene wet bestuursrecht) sluit niet uit de verlenging van de beslistermijn met toepassing van artikel 25, tweede lid, Vreemdelingenwet. -• een Turks paspoort of een Turkse identiteitskaart (Nüfus), afgegeven ná de naturalisatie tot Nederlander; of -• een verklaring van de Turkse autoriteiten waaruit het behoud of de herkrijging van de Turkse nationaliteit blijkt. +###### 4.2.3.4. Vertrek naar andere gemeente hangende de beslissing op de aanvraag -## B11. Bijzonder verblijf +Indien de vreemdeling hangende de beslissing op een aanvraag vertrekt naar een andere gemeente, maakt hij dit kenbaar aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in verband met de afhandeling van de aanvraag. Het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waar de aanvraag van de vreemdeling op dat moment in behandeling is, beziet vervolgens of er in verband met de verhuizing van de vreemdeling aanleiding bestaat de aanvraag voorzien van de relevante bescheiden en gegevens ter afhandeling naar een ander kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te zenden. + + + Ingevolge het bepaalde in artikel 4.37, eerste lid, Vreemdelingenbesluit stelt de vreemdeling tevens de korpschef in kennis van zijn vertrek naar een andere gemeente. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming + +a. De vreemdeling die in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht (mensenhandel). + +In afwijking van de hoofdregel wordt het bescheid rechtmatig verblijf in deze situatie verstrekt door de korpschef. +b. De vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van Vreemdelingenwet. + +In afwijking van de hoofdregel wordt het bescheid rechtmatig verblijf in deze situatie verstrekt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + +Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via het landelijk telefoonnummer 0900-1234561 (€ 0,10 p.m.). Dit nummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. Vervolgens bepaalt een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de tijd en de locatie waar het bescheid rechtmatig verblijf kan worden verkregen. + +Op de sticker “Verblijfsaantekeningen Algemeen” (bijlage 7g, Voorschrift Vreemdelingen) wordt dan de datum van de aanvraag en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning op…[datum]’. +c. De vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + +#### 4.4. Bevoegdheid + +Ingevolge artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou kunnen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. + +Aan de toelichting op artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht is het volgende ontleend. In normale gevallen behoort niet van een beleidsregel te worden afgeweken. Een structurele afwijking in normale, door de beleidsregel voorziene, gevallen betekent namelijk een materiële wijziging van de beleidsregel. Uit het oogpunt van rechtszekerheid moet die niet via een afwijking van de beleidsregel geschieden, maar via een overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht bekend te maken wijziging van de beleidsregel. Een incidentele afwijking in een normaal geval komt al snel in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In bijzondere gevallen kan een afwijking van een beleidsregel noodzakelijk zijn. + +Deze situatie moet overigens wel worden onderscheiden van het geval waarin alsnog is aangetoond dat aan de (alle) voorwaarden is voldaan. Het gaat immers om een geval waarin de beleidsregel niet ‘past’. + +Het vorenstaande betekent dat alleen in bijzondere gevallen een beslissing anders dan conform de beleidsregel behoort plaats te vinden. In bezwaar speelt de inherente afwijkingsbevoegdheid ook een rol. + +#### 4.5. Bekendmaking + +##### 4.5.1. Algemene regels ( + +De hoofdregel is dat een beschikking in reguliere zaken aan de belanghebbende wordt toegezonden; zulks is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3:41Awb. Voor de uitzonderingen zie hierna onder 2. + +1. Bij de toezending dienen de volgende situaties te worden onderscheiden: + +a. Er is een raadsman of gemachtigde, die de belangen van de vreemdeling behartigt. Aan de gemachtigde van de vreemdeling wordt een schriftelijke, gemotiveerde beschikking toegezonden. In deze beschikking is een clausule opgenomen omtrent de mogelijkheid om daartegen bezwaar of administratief beroep bij de Minister – indien het een beschikking in eerste aanleg betreft – dan wel beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage in te stellen. + +De korpschef ontvangt eerst bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) terzake van een afwijzende beslissing, wanneer deze beslissing in rechte onaantastbaar is geworden. Dit in verband met het regelen van het vertrek van de vreemdeling. Daarnaast wordt een afschrift gezonden aan degene die uitgenodigd was om ter zitting van een hoorcommissie zijn zienswijze naar voren te brengen. +b. Er is géén raadsman of gemachtigde bekend. In deze gevallen geldt verzending van de schriftelijke, gemotiveerde beschikking naar het adres – zoals blijkt uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op het moment van verzending – van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking. In deze beschikking is een (Nederlandstalige) clausule opgenomen omtrent de mogelijkheid om daartegen bezwaar of administratief beroep bij de Minister – indien het een beschikking in eerste aanleg betreft – dan wel beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage in te stellen. + +Bij minderjarige vreemdelingen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. + +Blijkt de vreemdeling niet of niet meer op het in de GBA vermelde adres te wonen en heeft hij verzuimd een ander adres door te geven, dan geldt de verzending aan het laatst bekende GBA-adres als rechtsgeldige bekendmaking. + +Indien de vreemdeling een adres in het buitenland heeft, kan de beschikking, via het ministerie van Justitie, door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aldaar worden toegezonden of uitgereikt. +2. Gevallen waarin de – originele – beschikking wordt uitgereikt. + +Uitzonderingen op de hoofdregel dat een beschikking wordt toegezonden, worden gemaakt in de volgende gevallen: + +– de vreemdeling zit in vreemdelingenbewaring. In dit geval dient overeenkomstig het bepaalde in A5/5.3.4.4 de grondslag van de inbewaringstelling bij beschikking te worden gewijzigd. Derhalve moeten beide beschikkingen tegelijkertijd aan betrokkene worden uitgereikt; +– de vreemdeling wordt ongewenst verklaard. Ongewenstverklaring heeft een ingrijpend karakter, gelet op de onmiddellijk intredende strafbaarheid (artikel 197 Sr.); derhalve zal uitreiking in persoon in die gevallen plaatsvinden (zie voor die gevallen dat uitreiking niet in persoon kan plaatsvinden hierna); +– de aanvraag wordt in eerste aanleg afgewezen (volledige afwijzing) en de beslissing op het in te dienen bezwaarschrift mag niet in Nederland worden afgewacht (bij de beschikking is dan aangegeven dat de betrokken vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten) en er wordt een vrijheidsbeperkende of –ontnemende maatregel opgelegd. + +De vreemdeling is op daartoe strekkende vordering verplicht een goed gelijkende pasfoto ter beschikking te stellen (artikel 4.45 Vreemdelingenbesluit). + +a. aan een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, of +b. aan een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is verleend, of +c. aan een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, of +d. aan een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend +e. aan een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar verblijf wordt toegestaan op grond van het gemeenschapsrecht + +Van een beschikking niet gegeven in overeenstemming met een door de vreemdeling ingediende aanvraag is sprake, indien: + +1. aan de vreemdeling wel (voortgezet) verblijf wordt toegestaan, maar gedeeltelijk van zijn aanvraag wordt afgeweken (de vergunning tot verblijf wordt bijvoorbeeld verleend voor een kortere duur dan gevraagd); +2. een door de vreemdeling ingediende aanvraag wordt afgewezen; +3. een aan de vreemdeling verleende verblijfstitel wordt ingetrokken. + +Voor wat betreft de wijze van kennisgeving van de mededeling dat uitzetting niet achterwege zal blijven, zie ook A4. + +Een beschikking die niet aan de vreemdeling in persoon kan worden uitgereikt, wordt bij aangetekende brief verzonden aan zijn laatst bekende (GBA-)adres. + +Indien bij de beschikking (voortgezet) verblijf wordt toegestaan, wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een verblijfsdocument. Het verblijfsdocument wordt uitgereikt door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. + +Maakt de vreemdeling bezwaar bij de Minister tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, dan wordt het verblijfsdocument niet ingehouden indien de uitzetting achterwege blijft. In dat geval wordt in het document voor grensoverschrijding een sticker “Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures” (bijlage 7i Voorschrift Vreemdelingen) geplaatst. Op deze sticker wordt de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst “bezwaar ingediend…”. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via het landelijk telefoonnummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.). Dit nummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. Vervolgens bepaalt een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de tijd en locatie waar de sticker kan worden verkregen. + +Indien geen bezwaar is gemaakt, wordt het verblijfsdocument ingehouden door de korpschef dan wel op de sticker in het document voor grensoverschrijding door de ambtenaar belast met het toezicht de aantekening ‘vervallen’ geplaatst. + +Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden in het bezit gesteld van een verblijfsdocument volgens artikel 3.1 Voorschrift Vreemdelingen. Op het verblijfsdocument staat de beperking aangegeven welke aan de verblijfsvergunning is gesteld. In de desbetreffende hoofdstukken van deel B van deze circulaire wordt voor de daar behandelde categorieën vreemdelingen aangegeven onder welke beperking de vergunning tot verblijf wordt verleend. + +De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de termijn waarmee deze wordt verlengd, is steeds ten minste een maand korter dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van zijn document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het document is afgegeven (artikel 3.68 Vreemdelingenbesluit). + +In de volgende gevallen wordt geen rekening gehouden met de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding: + +a. bij de houder van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort, indien de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf langer is dan de termijn waarbinnen hij op grond van dat paspoort kan terugkeren naar het land waar hem voordien verblijf was toegestaan; +b. bij de in Nederland gevestigde houder van een Nederlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort, ongeacht de geldigheidsduur van het reispapier. + +Deze vreemdelingen mogen niet worden verplicht om een Nederlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort aan te vragen dan wel de geldigheidsduur daarvan te doen verlengen. Met het oog op het maken van reizen naar het buitenland zullen vreemdelingen als hier bedoeld er echter wel belang bij kunnen hebben om er voor zorg te dragen dat zij in het bezit zijn van een geldig vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort. In voorkomende gevallen moet de vreemdeling hierop worden gewezen. + +Voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie of van een van de overige partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: zie B10. + +Kinderen beneden de twaalf jaar worden begrepen in de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van één van de ouders bij wie zij inwonen. Deze kinderen worden feitelijk in het bezit gesteld van een verblijfsdocument waaruit het verblijfsrecht blijkt (artikel 4.21, tweede lid, Vreemdelingenbesluit). Zie hiervoor onder “Verblijfsdocument voor een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar”. + +##### 4.5.2. Weigering van een verblijfsvergunning en weigering de geldigheidsduur ervan te verlengen + +Van deze beschikking wordt niet afzonderlijk kennis gegeven indien tevens verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt geweigerd of de vergunning wordt ingetrokken. In dat geval wordt bij beschikking tot weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning of tot intrekking daarvan tevens uitdrukkelijk de aanvraag om wijziging van de vergunning (beperking) afgewezen. + +De vreemdeling wordt schriftelijk kennisgegeven van de inwilliging van de aanvraag om wijziging of opheffing van het voorschrift tot het stellen van zekerheid. Zie voor de bij afwijzing van de aanvraag toepasselijke regels. + +###### 4.5.2.1. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd + +Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.5.2.2. Beschikkingen betreffende verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +Zie voor de toepasselijke algemene regels 4.5.2. Aan de vreemdeling wordt door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft een verblijfsdocument (bijlage 7b Voorschrift Vreemdelingen) uitgereikt. + + + Is de vreemdeling houder van een document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen), dan wordt hij bij de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in het bezit gesteld van een verblijfskaart (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) met daarop de aantekening ‘Houder is tevens houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet’ (zie ook B10). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.5.2.3. Weigering van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.5.2.4. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.6. Rechtsmiddelen + + + +#### 4.7. Bezwaar en beroep + +In deze paragraaf worden de rechtsmiddelen bezwaar, (administratief) beroep en hoger beroep behandeld, voorzover die niet zijn gericht tegen vrijheidsbenemende en -beperkende maatregelen en besluiten omtrent een verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd. + Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruikmaken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. + Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruikmaken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen. + Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep dan wel beroep bij een administratieve rechter. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.7.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep + +a. besluiten op grond van de Vreemdelingenwet. Onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daartoe behoren ook de beschikkingen. Onder een beschikking wordt verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan (artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht); +b. een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet); +c. het niet-tijdig beslissen op een aanvraag tot het geven van een beschikking (artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht) krachtens de Vreemdelingenwet of een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf; +d. een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig (artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet), voorzover het uiteraard gaat om een rechtens relevante (feitelijke) handeling ingevolge de Vreemdelingenwet, bijvoorbeeld een handeling van een toezichthouder in het kader van de Vreemdelingenwet. + +##### 4.7.2. Termijn voor het indienen van bezwaar en het instellen van (administratief) beroep + +De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt vier weken (artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet). Dat geldt ook voor bezwaar en beroep tegen (feitelijke) rechtens relevante handelingen van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, die ingevolge artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet met een beschikking zijn gelijkgesteld. + + + De termijn begint op de dag na die waarop de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het indienen van een bezwaar- of administratief beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht) is niet aan een termijn gebonden, met dien verstande dat bij een onredelijk late indiening een niet-ontvankelijk verklaring kan volgen (artikel 6:12 Algemene wet bestuursrecht). Tenzij de beslistermijn is opgeschort (op grond van artikel 25, tweede lid, Vreemdelingenwet of artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht), bedraagt de termijn waarbinnen een beschikking op een aanvraag omtrent een verblijfsvergunning regulier moet worden gegeven zes maanden. Voor visum- en mvv-aanvragen is er geen wettelijke beslistermijn. De beslissing moet genomen worden binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt drie maanden. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht (artikel 4:14 Algemene wet bestuursrecht). + + + De Algemene Termijnenwet is van toepassing. Indien de termijn van vier weken eindigt op een zaterdag, een zondag, een algemeen erkende feestdag (Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, beide Kerstdagen, Hemelvaartsdag, de vijfde mei, en de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd), of Goede Vrijdag, wordt die termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag, een algemeen erkende feestdag of Goede Vrijdag is. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.7.3. Kring der beroepsgerechtigden + +Het bezwaar of (administratief) beroep kan slechts worden ingediend door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger (de ouder die de ouderlijke macht heeft, de voogd of de curator), zijn bijzondere gemachtigde, of een advocaat, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gemachtigd (artikel 70, eerste lid, Vreemdelingenwet). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.7.4. Vereisten voor het indienen van een bezwaar- of administratief beroepschrift + +a. de naam en adres van de indiener; +b. de dagtekening; +c. een omschrijving en zo mogelijk een afschrift van het bestreden besluit; +d. de gronden; +e. de handtekening van de indiener. + +##### 4.7.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift + +Na ontvangst van het bezwaar- of administratief beroepschrift wordt aan de indiener ervan een ontvangstbevestiging verzonden. Indien de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift wordt verdaagd, wordt dat zo mogelijk reeds bij de ontvangstbevestiging meegedeeld. De korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.7.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit + +Als hoofdregel geldt dat de vreemdeling die bezwaar heeft gemaakt tegen een afwijzende beslissing omtrent een verblijfsvergunning, de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland mag afwachten. In die periode wordt de werking van het (afwijzende) besluit opgeschort en heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf. + +200323128-11-200313-11-2003HKUIT03-95(AUB)200323128-11-200313-11-2003HKUIT03-95(AUB)01-12-2003 + +###### 4.7.6.1. Uitzonderingen (mvv, openbare orde en nationale veiligheid) + +a. de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is gebaseerd op het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (zie artikel 73, tweede lid, onder a, j° artikel 16, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet); +b. de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is gebaseerd op gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 73, tweede lid, onder a, j° artikel 16, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet); +c. de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is gebaseerd op gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 71, tweede lid, onder b, j° artikel 18, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet); +d. de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is gebaseerd op gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 71, tweede lid, aanhef, j° artikel 19 en 18, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet); +e. de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is gebaseerd op gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 73, tweede lid, onder c, j° artikel 21, eerste lid, onder b en d, Vreemdelingenwet); +f. de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, is gebaseerd op gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 73, tweede lid, onder d, j° artikel 22, eerste lid, onder c, j° artikel 22, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet). + +###### 4.7.6.2. Uitzonderingen: herhaalde aanvraag en niet tijdig bezwaar + +a. het bezwaarschrift binnen vier weken is ontvangen, of binnen vier weken ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de vierwekentermijn is ontvangen (zie artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet, artikel 6:9 Algemene wet bestuursrecht en B1/4.7.2); +b. de termijnoverschrijding verschoonbaar is (zie artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht). + +###### 4.7.6.3. Uitzondering: vreemdelingenbewaring + +Indien de vreemdeling in bewaring is gesteld, wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht. Indien de vreemdeling hangende het bezwaarschrift in bewaring wordt gesteld, eindigt daarmee de opschorting van de werking van het afwijzende besluit. Vanaf dat moment mag de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet meer in Nederland afwachten (zie artikel 73, vierde lid, Vreemdelingenwet). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.7.6.4. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit en hoorplicht + +a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is; +b. het bezwaar kennelijk ongegrond is; +c. de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om gehoord te worden; of +d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. + +###### 4.7.6.5. Aantekening + +Indien de werking van het besluit wordt opgeschort totdat op het bezwaar of het administratief beroep is beslist, wordt in het identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening gesteld, luidende: ‘bezwaar/administratief beroep ingediend …(datum)'. Deze aantekening wordt doorgehaald indien het bezwaar- of administratief beroepschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien. + + + Maakt de vreemdeling bezwaar bij de Minister tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, dan wordt het verblijfsdocument niet ingehouden indien de uitzetting achterwege blijft. In dat geval wordt in het document voor grensoverschrijding een sticker “Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures” (bijlage 7i Voorschrift Vreemdelingen) geplaatst. Op deze sticker wordt de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst “bezwaar ingediend…”. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via het landelijk telefoonnummer 0900-1234561 (€0,10 p.m.). Dit nummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur. Vervolgens bepaalt een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de tijd en locatie waar de sticker kan worden verkregen. + +200323128-11-200313-11-2003HKUIT03-95(AUB)200323128-11-200313-11-2003HKUIT03-95(AUB)01-12-2003 + +###### 4.7.6.6. Het verzoek om een voorlopige voorziening + +– het betreft een tweede verzoek om een voorlopige voorziening zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden die als deze bij de behandeling van het eerdere verzoek bekend waren geweest, mogelijk tot een ander oordeel zouden hebben geleid; of +– redenen van openbare orde (waaronder begrepen de openbare rust) of nationale veiligheid zich daartegen verzetten; of +– de uitzetting daardoor wordt belemmerd, bijvoorbeeld in gevallen waarin de mogelijkheid om uit te zetten voor langere tijd illusoir zou worden, indien de vreemdeling de vertrektermijn van vier weken zou worden gegund. + +##### 4.7.7. Horen + +– het bezwaar of het administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk is; +– het bezwaar of het administratief beroep kennelijk ongegrond is; +– de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden. + +##### 4.7.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep + +In bezwaar en administratief beroep zijn in reguliere zaken de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, voorzover daarvan niet is afgeweken bij artikel 72 t/m 77 Vreemdelingenwet dan wel artikel 1.8 Vreemdelingenbesluit. + + + Ingevolge het systeem van de Algemene wet bestuursrecht dient in bezwaar en administratief beroep een toetsing ‘ex nunc’ plaats te vinden. Dat wil zeggen dat daarbij ook nieuwe feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, tot aan de dag van de beslissing op het bezwaar of administratief beroep. + + + Dat betekent echter niet dat onder alle omstandigheden tot volledige heroverweging moet worden overgegaan. + Ingevolge artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht vindt, voorzover het bezwaar ontvankelijk is, een heroverweging plaats *op grondslag van *het bezwaar. Daaruit vloeien blijkens de Memorie van Toelichting op de Algemene wet bestuursrecht twee gevolgen voort. + Ten eerste moeten die onderdelen van het besluit die geheel los van de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven, waarbij het bestuursorgaan die bezwaren naar hun strekking wel ruim zal moeten opvatten en dus bijvoorbeeld rekening moet houden met wat er tijdens de hoorzitting daarover is gezegd. + Ten tweede mag het bezwaarschrift er niet toe leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. + Wijzigen ten nadele van de indiener kan wel plaatsvinden indien die bevoegdheid op andere grond bestaat. Daarbij kan met name worden gedacht aan situaties waarin de bevoegdheid bestaat tot intrekking van een verleende vergunning over te gaan. + + + Een en ander laat overigens onverlet dat het bestuursorgaan rekening dient te houden met nieuwe feiten en omstandigheden, voorzover het bestuursorgaan daarvan ambtshalve kennis draagt, en ambtshalve geconstateerde misslagen dient te herstellen. + + + Op administratief beroep is van toepassing onder meer artikel 7:25 Algemene wet bestuursrecht. + Ingevolge artikel 7:25 Algemene wet bestuursrecht vernietigt het beroepsorgaan het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit, voorzover het beroepsorgaan het beroep ontvankelijk en gegrond acht. + + Artikel 7:25 Algemene wet bestuursrecht spreekt niet over ‘op grondslag van’, is derhalve ruimer geformuleerd dan artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht en laat ruimte zowel voor een volledige heroverweging als voor een beperktere toetsing. + + + Als de ACVZ ingeschakeld is, wordt het advies met de beschikking meegezonden. Indien de beschikking afwijkt van het advies van de ACVZ, wordt op grond van artikel 7:13, zevende lid, Algemene wet bestuursrecht in de beschikking de reden voor die afwijking vermeld. + + + Indien van het horen is afgezien wordt ingevolge artikel 7:12, eerste lid dan wel artikel 7:26, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht aangegeven op welke grond dat is geschied. + De mogelijke gronden zijn vermeld in artikel 7:3 voor bezwaar en artikel 7:17 Algemene wet bestuursrecht voor administratief beroep. + + + Indien de ACVZ is of wordt ingeschakeld, beslist niet de ACVZ of met toepassing van artikel 7:3Algemene wet bestuursrecht van het horen kan worden afgezien, doch het bestuursorgaan, dat wil zeggen de Minister. + Ingevolge artikel 7:13, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht beslist immers de commissie over de toepassing van artikel 7:3, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald. + + + Het wettelijke voorschrift waarbij aldus anders is bepaald, is artikel 1.8 Vreemdelingenbesluit: + + + + + Artikel + 1.8 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van artikel 7:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is artikel 7:13, vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing op de in artikel 1.9, derde lid, bedoelde vertegenwoordiger van Onze Minister. + + + 2 + Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist Onze Minister over de toepassing van artikel 7:3 van die wet. + + + + + De beschikking bevat een mededeling in het Nederlands waarin de beroepsmogelijkheid wordt aangegeven. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.7.9. Beslistermijnen + +De beslistermijnen voor bezwaar en administratief beroep vangen aan met de datum van ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift. De termijn eindigt met de verzending van de beschikking. De verplichting tot het beslissen vervalt, voorzover hier van belang, indien het bezwaar- of beroepschrift schriftelijk (of tijdens het horen: mondeling) wordt ingetrokken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.7.9.1. Administratief beroep + +De beslissing op een administratief beroepschrift moet binnen zestien weken na ontvangst van het beroepschrift worden genomen (artikel 7:24, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). + + + De beslissing op een administratief beroepschrift kan met acht weken worden verdaagd (artikel 7:24, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht). Dat moet schriftelijk (artikel 7:24, zesde lid, Algemene wet bestuursrecht) en behoeft geen instemming van de vreemdeling. + + + Verdere verdaging dan met die acht weken kan uitsluitend met instemming van (de gemachtigde van) de vreemdeling (artikel 7:24, zevende lid, Algemene wet bestuursrecht). + + + Omdat besluiten omtrent de verlening, verlenging en intrekking van verblijfsvergunningen, alsmede afwijzing van aanvragen altijd namens de staatssecretaris worden genomen, staat daartegen geen administratief beroep, maar bezwaar open. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.7.9.2. Bezwaar + +– tien weken (ingeval niet door de korpschef genomen beschikkingen, waarbij de ACVZ niet wordt ingeschakeld); +– veertien weken (ingeval niet door de korpschef genomen beschikkingen, waarbij de ACVZ wel wordt ingeschakeld); dan wel +– twintig weken (ingeval door de korpschef genomen beschikkingen). + +Verdere verdaging dan met vier weken (bezwaar) respectievelijk acht weken (administratief beroep) kan uitsluitend met instemming van (de gemachtigde van) de vreemdeling. + +Zowel voor bezwaar- als administratief beroepschriften geldt dat de beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor geldende termijn ongebruikt is verstreken (artikel 7:10, derde lid, Algemene wet bestuursrecht;artikel 7:24, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). + +Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Die termijn moet redelijk zijn. In alle gevallen wordt een termijn van twee weken redelijk geacht. Slechts in zeer bijzondere gevallen wordt verder uitstel gegeven. De beslistermijn wordt opgeschort met die twee weken of binnen die termijn op de dag van ontvangst van de gegevens. Er kan onder meer sprake zijn van een verzuim indien: + +– het bezwaar- of beroepschrift niet binnen de termijn van vier weken (artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet) is ontvangen en evenmin binnen de in artikel 6:9, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn is ontvangen; de indiener wordt verzocht binnen twee weken de reden van de termijnoverschrijding aan te voeren, opdat beoordeeld kan worden of de termijnoverschrijding verschoonbaar is; de beslistermijn wordt opgeschort met die twee weken of zoveel korter als de reden voor het verstrijken van die twee weken is aangevoerd; +– het bezwaar- of beroepschrift niet is ingediend door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde of een advocaat die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd (artikel 68, eerste lid, Vreemdelingenwet); de indiener die niet de vreemdeling zelf is en evenmin diens wettelijk vertegenwoordiger of advocaat kan bijzonder gevolmachtigde zijn; indien geen volmacht is overgelegd met het bezwaarschrift, wordt daarvoor een termijn van twee weken gegund; de beslistermijn wordt opgeschort met die twee weken of zoveel korter als de volmacht voor het verstrijken van die twee weken is overgelegd; +– het bezwaar- of beroepschrift geen gronden bevat; de indiener moet worden verzocht binnen twee weken de gronden aan te voeren; de beslistermijn wordt opgeschort met die twee weken of zoveel korter als de gronden voor het verstrijken van die twee weken zijn ontvangen. + +Opdat later schriftelijk bewijs voorhanden is, is het van belang dat het opvragen van gegevens en het opschorten van de beslistermijn schriftelijk gebeurt en dat van het geschrift kopie wordt bewaard. Tevens is het van belang dat in de brief duidelijk de datum wordt aangegeven en de termijn die wordt gegeven om het ontbrekende te overleggen (einddatum). Omdat de termijn waarmee de beslissing wordt opgeschort, eindigt op de datum waarop het ontbrekende wordt ontvangen (dus niet noodzakelijkerwijs op het moment waarop de gegunde termijn eindigt), is het tevens van belang dat nauwgezet wordt bijgehouden op welke datum brieven worden ontvangen. + +Uitstel voor het indienen van de nadere gronden wordt – behoudens hierna te vermelden uitzonderingen – niet verleend. Het kan voorkomen dat een indiener van een bezwaar- of beroepschrift toch voor het verstrijken van de termijn om uitstel vraagt. Hier moet altijd uitdrukkelijk op worden gereageerd, omdat anders een stilzwijgende verlenging wordt aangenomen. + +Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan uitstel worden verleend tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. De eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is, dient te blijken uit een te overleggen schrijven van het tolkencentrum. Indien een reeds gemaakte afspraak door de besproken tolk wordt afgezegd, komt dit in beginsel voor rekening van de betrokkene, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. Dit vanuit de gedachte dat het op een juiste wijze verdelen van de beschikbare tolken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rechtshulp en de tolkencentra. + +In de bezwaarfase dient een dergelijk schrijven van het tolkencentrum aan een ongemotiveerd bezwaar- of beroepschrift te worden toegevoegd. + +In overige gevallen, waarbij gedacht kan worden aan verzoeken om uitstel die zien op het geven van een reactie op onderzoeksuitslagen, dient ten minste het verstrijken van de gestelde termijn een verklaring van het tolkencentrum te worden overgelegd. + +N.B. Afhankelijk van de situatie in de regio kan de betreffende Regiodirectie in overleg met de rechtshulpverlening en de tolkencentra bepaalde categorieën tolken vaststellen waarvoor geen schriftelijke verklaring wordt geëist. Periodiek wordt dan getoetst of een bepaalde categorie tolken binnen of weer buiten die categorie dient te vallen. + +Bij plotselinge ziekte van de betrokkene zelf wordt uitstel verleend tot vijf werkdagen na het herstel van betrokkene, indien de ziekte door het overleggen van een medische verklaring is aangetoond. + +Met vakantie van rechtshulpverleners wordt in de hieronder genoemde gevallen rekening gehouden indien deze ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld in de betreffende Regionale directie. Een en ander moet door de rechtshulpverlener ook in elke betreffende zaak worden bevestigd. De termijn wordt op vijf werkdagen na de vakantie van de rechtshulpverlener bepaald. Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. + +Een verzoek om uitstel wegens vakantie wordt in de bezwaarfase ingewilligd indien uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener reeds in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener is opgetreden. Onder het in een eerdere fase van de procedure optreden als rechtshulpverlener wordt mede begrepen het inzenden van een ongemotiveerd bezwaarschrift. + +In overige gevallen wordt een verzoek om uitstel wegens vakantie gehonoreerd, indien uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener reeds in een eerdere fase van de procedure als gemachtigde is opgetreden. + +Verzoeken om uitstel wegens wijziging van rechtshulpverlener worden afgewezen. Wijziging van rechtshulpverlener is een verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling en de betreffende rechtshulpverleners tezamen. Zij dienen er in onderling overleg op toe te zien dat bij de wijziging een goede overdracht plaatsvindt en er geen termijnen worden geschonden. + +Indien de gronden niet of niet tijdig worden ingediend wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, tenzij: + +– mogelijk sprake is van refoulement of verblijfsgerechtigheid op grond van het recht van de Europese Gemeenschappen; +– indien de gronden niet tijdig zijn ontvangen en buiten de termijn van vier weken na het verstrijken van de herstel-verzuimtermijn wordt beslist. + +#### 4.8. Beroep bij de rechtbank + +Beroep bij de rechtbank staat open tegen de beschikking op een bezwaarschrift of op een administratief beroepschrift en tegen het niet-tijdig beslissen op een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.8.1. Vereisten beroepschrift + +Een beroepschrift wordt in tweevoud ingediend bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. Daarbij wordt een afschrift van het bestreden besluit overgelegd. Beroep kan slechts worden ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger (de ouder die de ouderlijke macht heeft, de voogd of de curator), zijn bijzondere gemachtigde, of een advocaat, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gemachtigd (artikel 70, eerste lid, Vreemdelingenwet). Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan beroep worden ingediend door middel van een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 451a van het Wetboek van Strafvordering, die de vreemdeling doet toekomen aan het hoofd van de inrichting waar hij is gedetineerd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.8.2. Geen opschorting + +– het betreft een tweede verzoek om een voorlopige voorziening zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden; of +– redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten; of +– het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of van toelating tot een derde land verloren zou gaan, bijvoorbeeld doordat het paspoort of de daarin voorkomende visa nog slechts voor korte tijd geldig zijn. + +##### 4.8.3. Bericht korpschef + +De korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.9. Hoger beroep + +– op een verzoek om een voorlopige voorziening; +– over een visum voor een verblijf van drie maanden of minder (artikel 84, onder b, Vreemdelingenwet); +– over een besluit op bezwaar of administratief beroep, indien de president gelijk met de voorlopige voorziening uitspraak over dat bezwaar of administratief beroep heeft gedaan (zie artikel 84, onder c, j° artikel 78 Vreemdelingenwet). + +##### 4.9.1. Vereisten + +Hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde of een raadsman indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient binnen een termijn van vier weken te worden ingesteld, gerekend met ingang van de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank is verzonden. De grieven moeten worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij moet een afschrift van de bestreden uitspraak in beroep worden overgelegd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.9.2. Geen opschorting + +Hoger beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State schort de werking van de uitspraak van de vreemdelingenkamer niet op. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.9.3. Voorlopige voorziening + +– het betreft een tweede verzoek om een voorlopige voorziening zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden; of +– redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten; of +– het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of van toelating tot een derde land verloren zou gaan, bijvoorbeeld doordat het paspoort of de daarin voorkomende visa nog slechts voor korte tijd geldig zijn. + +##### 4.9.4. Bericht korpschef + +De korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling. + + + Eerst nadat een beslissing in rechte onaantastbaar is geworden, worden aan de korpschef aanwijzingen gegeven hoe verder ten aanzien van de vreemdeling moet worden gehandeld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 5. Overgangsrecht + +Hier wordt het overgangsrecht van de Vreemdelingenwet beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.1. Verblijfsvergunningen + +##### 5.1.1. Inleiding + +Op de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (1 april 2001) worden de bestaande – geldige – vergunningen tot verblijf of vestiging van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet (artikel 115, eerste lid, Vreemdelingenwet), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Er zijn geen afzonderlijke handelingen nodig om deze gevolgen te laten intreden. Wel moet het document, waaruit het verblijfsrecht blijkt, worden omgewisseld voor een verblijfsdocument op grond van de Vreemdelingenwet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.2. Omzetting + +a. De vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een vergunning voor bepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. De geldigheidsduur en de beperking van deze vergunning worden gehandhaafd. + +Bijvoorbeeld: een vergunning tot verblijf die is verleend onder de beperking ‘voor het verrichten van arbeid in loondienst’, geldig tot 1 augustus 2001, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, onder de beperking ‘het verrichten van arbeid in loondienst’, geldig tot 1 augustus 2001. Na afloop van de geldigheidsduur zal de eventuele aanvraag tot verlenging dan worden getoetst aan artikel 18 Vreemdelingenwet (zie B5 in dit voorbeeld). + +b. De vergunning tot vestiging op grond van artikel 13 van de Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. + +c. De vergunning tot verblijf zonder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. + +Ook deze omzetting van de vergunning tot verblijf zonder beperking naar de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd geschiedt van rechtswege met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (1 april 2001), en wel ongeacht de ingangsdatum van de vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Dit betekent dat de houder van een dergelijke vergunning zonder beperking onder het nieuwe recht houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt, ook al zou hij onder het oude recht nog niet in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot vestiging. + +d. Toelating krachtens artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. + +De status als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) is sinds 7 januari 1994 niet meer tot stand gekomen. De houder van deze status is dus reeds ten minste zeven jaar op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) toegelaten in Nederland. Houders van de status van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) die deze voor 7 januari 1994 door geboorte hebben verkregen, krijgen eveneens van rechtswege de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + +#### 5.2. Behandeling van de aanvraag + +##### 5.2.1. Inleiding + +In artikel 117 Vreemdelingenwet is geregeld welk rechtsregime van toepassing is op de aanvragen, die op het tijdstip van inwerkingtreding reeds in behandeling zijn. Deze aanvragen worden aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze wet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.2. Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf + +Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.3. Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging + +Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.4. Wijze van behandeling + +Een aanvraag tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf of tot verlening van een vergunning tot vestiging, wordt op grond van artikel 117, tweede lid, Vreemdelingenwet behandeld op grond van de Vreemdelingenwet (oud). Op deze aanvragen blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (op 1 april 2001). + + + Dit houdt in dat de procedurele bepalingen van artikel 11 en artikel 13 Vreemdelingenwet (oud) van toepassing blijven. Ook de bepalingen omtrent het betalen van leges (artikel 16, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud)) blijven van toepassing. Dit voorkomt dat in een lopende aanvraagprocedure stappen moeten worden overgedaan. + + + De behandeling van de aanvraag leidt na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet tot een beslissing omtrent het al dan niet toekennen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet (bepaalde tijd regulier) en artikel 20 Vreemdelingenwet (onbepaalde tijd regulier). + + + Voorbeeld 1. Een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt ingediend op 1 december 2000. De vreemdeling moet allereerst de verschuldigde leges voldoen, zoals bepaald in artikel 16, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud), alvorens de aanvraag in behandeling wordt genomen. De vreemdeling blijkt niet te voldoen aan de voorwaarden voor verblijfsaanvaarding, dus volgt een afwijzende beslissing die gebaseerd is op het nieuwe materiele recht. Dat wil zeggen dat de afwijzing een meeromvattende beschikking als bedoeld in artikel 27 Vreemdelingenwet wordt. + + + Voorbeeld 2. De vreemdeling in voorbeeld 1 voldoet wel aan de voorwaarden voor verblijfsaanvaarding. Dan wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. + + + Volgt op een onder het oude recht behandelde aanvraag een besluit dat bekend is gemaakt na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet, dan zijn de rechtsmiddelen van de Vreemdelingenwet van toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.3. Rechtsmiddelen + +Het overgangsrecht in artikel 118 t/m 120 Vreemdelingenwet regelt de toepassing van de rechtsmiddelen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vreemdelingenwet (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.1. Bezwaar + +Onder de Vreemdelingenwet blijft de bezwaarprocedure in reguliere zaken bestaan. Tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet, kan op grond van het oude recht bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in artikel 118, eerste lid, Vreemdelingenwet. + + + Dit betekent dat het mogelijk is een bezwaarschrift in te dienen zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet is verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de wet bekend is gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding is verricht, dan kan nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt. + + + De nadruk ligt op het bekend maken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht wordt toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt wordt genomen, dan zal in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling. + + + In artikel 118, tweede lid, Vreemdelingenwet is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vreemdelingenwet (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud) verplicht is. Tegen een besluit dat is bekendgemaakt na inwerkingtreding van de nieuwe wet staat bezwaar open op grond van hoofdstuk 7, afdeling 1 en 2, Vreemdelingenwet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.2. Beroep + +Tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet, kan op grond van het oude recht beroep worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in artikel 119, eerste lid, Vreemdelingenwet. + + + De formulering van artikel 119, eerste lid, Vreemdelingenwet is tamelijk beknopt, maar regelt verschillende situaties. Enerzijds vallen onder dit artikel de gevallen waarin geen bezwaar kan worden gemaakt op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet (oud) en anderzijds de gevallen waarin een beslissing op een bezwaarschrift bekend is gemaakt voor de inwerkingtreding. In beide gevallen kan beroep worden ingesteld op grond van het oude recht. + + + In het derde lid van artikel 119 Vreemdelingenwet is bepaald dat voor een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van het oude recht ook de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn over de hoogte van het griffierecht. Zie artikel 33f Vreemdelingenwet (oud). + + + Het rechtsmiddel beroep kent in de Vreemdelingenwet in reguliere zaken geen opschortende werking. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.3. Hoger beroep + +In artikel 120 Vreemdelingenwet is bepaald dat het hoger beroep bedoeld in artikel 84 Vreemdelingenwet slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning dan wel over de beschikking waarbij de verblijfstitel is ingetrokken. + + + Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast (artikel 117 Vreemdelingenwet). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.4. Bijzondere rechtsmiddelen vrijheidsbeperking en ontneming + +Zie A5/6. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.5. Betekenis + +De nieuwe, inhoudelijke regels van de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 zijn ingevolge het zogenoemde onmiddellijkheidsbeginsel per 1 april 2001 met onmiddellijke ingang van toepassing. Dit geldt zowel voor aanvragen in eerste aanleg die op of na 1 april 2001 zijn ontvangen als aanvragen in eerste aanleg die per 1 april 2001 reeds waren ontvangen, waarop nog niet is beslist. + + + Het onmiddellijkheidsbeginsel brengt tevens met zich mee dat de nieuwe inhoudelijke regels ook moeten worden toegepast op nieuwe bezwaarschriften en de bezwaarschriften die op 1 april 2001 reeds waren ontvangen, maar waarop nog niet is beslist. De uitzonderingen daarop zijn door middel van overgangsbepalingen opgenomen in hoofdstuk 9 van de Vreemdelingenwet (artikel 116 Vreemdelingenwet), alsmede hoofdstuk 9 van het Vreemdelingenbesluit (artikelen 9.1 tot en met 9.10 Vreemdelingenbesluit). + + + + Artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001, ondanks dat daarmee is gecodificeerd de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel. Dit artikel is bedoeld voor toekomstige wijzigingen. + + + De plaatsing in hoofdstuk 3 duidt erop dat het een procedurele bepaling betreft die niet behoort tot het overgangsrecht, dat immers is neergelegd in hoofdstuk 9, waar geen bepaling met vergelijkbare strekking is opgenomen. Bovendien is de werking van artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit beperkt tot reguliere zaken, aangezien in hoofdstuk 3, afdeling 5 Vreemdelingenbesluit geen vergelijkbare bepaling is opgenomen. + + + Bovendien kan door middel van een lagere regel zoals het Vreemdelingenbesluit niet de werking van een hogere regel, de Vreemdelingenwet, ongedaan worden gemaakt. + + + Het is dus niet mogelijk om, met verwijzing naar artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit, op in behandeling zijnde aanvragen en bezwaarschriften in reguliere zaken voor de vreemdeling gunstiger te beslissen dan de Vreemdelingenwet en daarbij behorende lagere regelgeving voorschrijft. + +200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND07-11-2001 + +#### 5.6. Vergunning tot verblijf zonder beperkingen + +Verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperking is ingevolge artikel 14, tweede lid, Vreemdelingenwet niet mogelijk, maar het zal niettemin vóórkomen dat nog moet worden beslist op aanvragen tot het verlenen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. + + + Indien moet worden beslist op een aanvraag die is ontvangen voor 1 april 2001 of op een bezwaar gericht tegen de weigering om een dergelijke aanvraag in te willigen, wordt per brief aan de vreemdeling (althans diens gemachtigde) meegedeeld dat het als gevolg van de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 niet langer mogelijk is een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen en wordt bij die brief verzocht binnen een in die brief bepaalde termijn het verblijfsdoel aan te geven en dat met gegevens en bescheiden te onderbouwen, met het oog op eventuele verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Betrokkene dient erop te worden gewezen dat hij of zij in beginsel dient te kiezen uit de verblijfsdoelen van artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit. Indien betrokkene een ander verblijfsdoel wenst dan in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit vermeld of de Vreemdelingencirculaire of een geldig TBV, geldt het vermelde in 2.1.1. + + + Indien betrokkene echter geen verblijfsdoel aangeeft, stelt betrokkene niet (alsnog) een kader voor de besluitvorming. De toelatingsgrond ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ is naar zijn aard niet als een verblijfsdoel aan te merken. Indien voorts op grond van de aanwezige stukken geen grond kan worden gevonden tot ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit over te gaan, wordt de aanvraag afgewezen en eventueel bezwaar om dezelfde reden als regel kennelijk ongegrond verklaard. + +200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND07-11-2001 + +## B2. Gezinshereniging en gezinsvorming ### 1. Inleiding -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven: +In dit hoofdstuk wordt het verblijf van gezinsleden van in Nederland gevestigde personen in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming behandeld. + + + Uitgangspunt is dat de regels van dit hoofdstuk mede uitvoering geven aan en in overeenstemming zijn met de Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 van de Raad van de Europese Unie inzake het recht op gezinshereniging, PbEU d.d. 3 oktober 2003, L 251/12, hierna te noemen: de Richtlijn, alsmede met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna te noemen het EVRM. + + + De Richtlijn ziet uitsluitend op gezinshereniging tussen onderdanen van derde landen. De Richtlijn ziet niet op gezinshereniging tussen of met gemeenschapsonderdanen. Daarop is van toepassing hoofdstuk B10. + De Richtlijn ziet weliswaar ook niet op gezinshereniging met Nederlanders, maar wordt wel op overeenkomstige wijze toegepast, tenzij de Nederlandse hoofdpersoon gebruik maakt of heeft gemaakt van het vrij verkeer van werknemers of zelfstandigen, dat wil zeggen situaties waarin de Nederlandse hoofdpersoon als gevolg daarvan (nog steeds) is aan te merken als gemeenschapsonderdaan. Indien die Nederlandse hoofdpersoon gemeenschapsonderdaan is, is immers hoofdstuk B10van toepassing. + + + Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn dient de gezinshereniger te beschikken over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. + Dit artikellid draagt de lidstaten voorts op de aard en de regelmaat van de inkomsten te beoordelen en het staat de lidstaten toe om rekening te houden met – voor zover hier van belang – de nationale minimumlonen. Meer bedoeld artikellid draagt de lidstaten niet op om zowel in geval van gezinshereniging als gezinsvorming te kiezen voor hetzij toetsing aan de bijstandsnormen, hetzij het minimumloon, noch ook aan een bepaald percentage van het minimumloon. + Van de daardoor aan de lidstaten gelaten ruimte is door Nederland gebruik gemaakt bij artikel 3.74, onder d, (zie B1/2.2.3) en artikel 3.22 Vreemdelingenbesluit (zie ook 2.11 en 4.12). + Voorts laat artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om ter zake van gezinsvorming een minimumleeftijd te stellen, die maximaal 21 jaar bedraagt, voor zowel de echtgenote als de gezinshereniger. Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt bij de artikelen 3.14 en 3.15, telkens tweede lid, Vreemdelingenbesluit (zie ook 2.6 en 4.6). + + + De Richtlijn is, gelet op artikel 2, onder d, ervan, zowel van toepassing op situaties van gezinshereniging als gezinsvorming. + + + Gezinsvorming is bij artikel 1.1, onder r, Vreemdelingenbesluit gedefinieerd als: ‘gezinshereniging van de echtgenoot, geregistreerd partner of niet-geregistreerde partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had.’ + Aldus is gezinsvorming een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in Nederland gevestigde persoon gesloten huwelijk of relatie, om de enkele reden dat het huwelijk of de relatie buiten Nederland tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’. + + + In dit hoofdstuk wordt onder hoofdpersoon verstaan de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid (bijvoorbeeld als echtgenoot, geregistreerde partner, niet-geregistreerde partner, kind of ouder) in Nederland wil verblijven, waarmee wordt aangesloten bij de definitie van gezinshereniger, bedoeld in artikel 2, onder c, van de richtlijn. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +#### 1.1. Verhouding tussen + +Regels met betrekking tot gezinshereniging en gezinsvorming zijn opgenomen in de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit en de Vreemdelingencirculaire. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 1.1.1 + +a. het betreft de echtgeno(o)t(e) en/of de minderjarige kinderen; +b. de hoofdpersoon vóór 1 april 2001 in het bezit is gesteld van een A-status (die inmiddels is omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd); +c. de aanvraag om gezinshereniging (aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf of aanvraag verblijfsvergunning dan wel de asielaanvraag) is ingediend tussen de drie en zes maanden nadat de hoofdpersoon in het bezit is gesteld van een A-status en uiterlijk vóór 1 juli 2001. + +Aanvragen van vreemdelingen die onder deze regeling vallen, worden getoetst aan de voorwaarden zoals omschreven in C1/4.6 en C5/23, afgezien van de nareistermijn van drie maanden. + +##### 1.1.2. Bepalingen op grond van + +Artikel 15 Vreemdelingenwet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, kan worden verleend aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vreemdelingenwet. Ter uitvoering daarvan is in artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit neergelegd in welke gevallen de verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming *in ieder geval* wordt verleend. Artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit bevatten algemeen verbindende voorschriften. Daarvan kan niet worden afgeweken. Indien is aangetoond dat aan alle in deze artikelen gestelde voorwaarden wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Wel worden in dit hoofdstuk (B2) enkele nadere regels gegeven over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan. + + + + + Artikel + 3.13 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden. + + + 2 + In de overige gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend. + + + + + + + Artikel + 3.14 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan: + + + a. + de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan; + + + b. + de vreemdeling van achttien jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners: + + + + + 1° + niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en + + + 2° + ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden; of + + + + + + + c. + het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat. + + + + + 2 + Ingeval van gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning, in afwijking van het eerste lid, onder a en b, verleend indien de vreemdeling 21 jaar of ouder is. + + + + + + + Artikel + 3.15 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 3.14 bedoelde gezinslid van: + + + a. + een Nederlander van achttien jaar of ouder, of + + + b. + een vreemdeling van achttien jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, dat niet-tijdelijk is in de zin van artikel 3.5. + + + + + 2 + Ingeval van gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning, in afwijking van het eerste lid, onder a en b, verleend indien de hoofdpersoon 21 jaar of ouder is. + + + + + + + Artikel + 3.16 + Vreemdelingenbesluit: + + Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. + + + + + + Artikel + 3.17 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien: + + + – + de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, en + + + – + het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. + + + + + + + + Artikel + 3.18 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën. + + + + + + Artikel + 3.19 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. + + + + + + Artikel + 3.20 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De artikelen 3.77 en 3.78 zijn van toepassing. + + + + + + Artikel + 3.21 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. + + + + + + Artikel + 3.22 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon: + + + a. + duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, en + + + b. + een garantstelling heeft ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven. + + + + + 2 + Ingeval van gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning, in afwijking van het eerste lid, verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. + + + 3 + In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. + + + 4 + Tenzij sprake is van gezinsvorming, wordt de verblijfsvergunning in afwijking van het eerste lid eveneens verleend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet is verleend en gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft. + + Indien aan een of meer van de voorwaarden in artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit niet wordt voldaan, kan geen aanspraak op de verlening van de verblijfsvergunning worden gebaseerd op het Vreemdelingenbesluit. + + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 1.1.3. Vreemdelingencirculaire + +Indien geen aanspraak op een verblijfsvergunning kan worden ontleend aan het Vreemdelingenbesluit betekent dat niet dat er geen verblijfsvergunning kan worden verleend. Artikel 3.13, tweede lid, Vreemdelingenbesluit laat ruimte om de verblijfsvergunning toch te verlenen. In welke gevallen de verblijfsvergunning kan worden verleend, is geregeld in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk bevat voornamelijk beleidsregels. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 1.1.4. Voortgezet verblijf + +Artikel + 3.51 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met: + + + a. + gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht; + + + b. + het ondergaan van medische behandeling, voorzover die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister gedurende ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn; + + + c. + verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of + + + d. + verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. + + + + + 2 + De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. + + + 3 + De verblijfsvergunning kan eveneens worden verleend, indien de relatie tussen de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, of verblijf ter adoptie of als pleegkind is verleend en de persoon met het niet-tijdelijke verblijfsrecht door het overlijden van die persoon is verbroken. + + + 4 + De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. + + + 5 + Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, en het derde lid, wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet. + + + + + + + Artikel + 3.52 + Vreemdelingenbesluit: + + In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 1.1.5. Bijzondere categorieën gezinsleden + +a. gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn op Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat: zie B5/4; +b. gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn als godsdienstleraar of geestelijk voorganger: zie B5/5; +c. gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het volgen van studie: zie B6/5; +d. gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling: zie B8/6.4; +e. (gezinsleden van) gemeenschapsonderdanen: zie B10; +f. onderdanen van een lidstaat van de EU/EER, alsmede Zwitserse onderdanen die zijn gehuwd dan wel in Nederland of een andere lidstaat een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, al dan niet met een Nederlander: zie B10/4.2.1.1; aan hen kan op daartoe strekkende aanvraag middels het model M35-E een document EU/EER worden verstrekt (economisch niet-actieven); +g. gezinsleden van Surinaamse onderdanen: zie B11; +h. gezinsleden van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde vreemdelingen alsmede niet geprivilegieerde NAVO-militairen of NAVO-burgerpersoneel: zie B12. + +### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap + +#### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +– het rechtsgeldige huwelijk en het geregistreerde partnerschap (B2/2.2); +– de gelegaliseerde akten (B2/2.3); +– de inschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) (B2/2.4); +– samenwoning en gemeenschappelijke huishouding (B2/2.5); +– de leeftijd van beide (huwelijks)partners (B2/2.6); +– de verblijfstatus van de hoofdpersoon (B2/2.7); +– polygamie (B2/2.9). + +#### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap + +– voor een Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand; +– volgens de wet van het land waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden; of +– op een in Nederland gevestigde ambassade of consulaat van het land van herkomst van een van de echtgenoten, voorzover geen van beiden (mede) de Nederlandse nationaliteit bezit. Indien een van beiden (mede) de Nederlandse nationaliteit bezit, is het huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht niet geldig, tenzij het huwelijk is gesloten in de periode van 1 januari 1990 tot en met 14 januari 1999. + +#### 2.3. Gelegaliseerde akten + +Het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/12 van toepassing is. + Het bestaan van een in Nederland geregistreerd partnerschap wordt aangetoond met een afschrift van de akte van de burgerlijke stand. + Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich erop beroept dat aan alle voorwaarden van artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit wordt voldaan. + De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend indien het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.4. Inschrijving in de GBA + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap niet is ingeschreven in de GBA. Voor de handelwijze in het kader van de Wet voorkoming schijnhuwelijken wordt verwezen naar B2/3. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.5. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon niet samenwonen of geen gemeenschappelijke huishouding voeren. + De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en het ziekenfonds, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast dienen de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven. + + + Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf aanvragen, geldt dat zij direct nadat zij in Nederland over de verblijfsvergunning beschikken met hun echtgeno(o)t(e) dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld. + + + Het voorstel tot opheffing van de samenwoningsverplichting voor echtgenoten in het Burgerlijk Wetboek laat onverlet dat samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in andere regelgeving als voorwaarde kan worden gesteld voor het laten intreden van bepaalde rechtsgevolgen. Dat is in de toelichting op genoemd wetsvoorstel nadrukkelijk veilig gesteld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.6. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners -• als economisch niet-actieve langdurig ingezetene; -• als vermogende vreemdeling (ook wel buitenlandse investeerder); -• voor het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst omdat artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is; -• op grond van de pilot ‘huisvesting Akense niet-EU studenten’; -• op grond van ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’; en -• met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk. +– de vreemdeling of de hoofdpersoon wel de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt; en +– het huwelijk reeds in het buitenland bestond, voordat de hoofdpersoon rechtmatig verblijf in Nederland had. -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van 3.29a Vb, artikel 3.6ba Vb en artikel 3.4, vierde lid, Vb jo artikel 3.16a VV, in samenhang met het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, en 3.16b VV. +a. de vreemdeling of de hoofdpersoon wel de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt; en +b. het huwelijk reeds in het buitenland bestond, voordat de hoofdpersoon rechtmatig verblijf in Nederland had. -### 2. Beleidsregels +#### 2.7. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon -#### 2.1. Economisch niet-actieve langdurig ingezetene +a. Nederlander; +b. gemeenschapsonderdaan; +c. Turks onderdaan die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80; of +d. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), tenzij de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: +- – onder een beperking verband houdend met uitwisseling, verblijf als au pair of verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; +– die met toepassing van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit is verleend en de houder een verblijfsrecht geeft van tijdelijke aard in de zin van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. Het gaat hierbij om tijdelijke regelingen op grond waarvan de hoofdpersoon gedurende slechts een korte tijd in Nederland mag verblijven. -In aanvulling op artikel 3.29a, aanhef en onder b, Vb accepteert de IND alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, et cetera). +#### 2.8. Wachttermijn (gezinsvorming) -#### 2.2. Vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) +vervallen. + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 -Het beleid voor een vreemdeling om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als vermogende vreemdeling is per 17 april 2024 beëindigd. Nieuwe verblijfsaanvragen voor dit verblijfsdoel worden daarom afgewezen. Aanvragen die zijn ingediend voor 17 april 2024 worden nog behandeld conform onderstaande beleidsregels. Verlengingsaanvragen van bestaande verblijfsvergunningen als vermogende vreemdeling blijven ook na 17 april 2024 mogelijk. Voor verlengingsaanvragen wordt verwezen naar de paragrafen B11/5.1 en B11/6.1 Vc. +#### 2.9. Polygamie -In aanvulling op artikel 3.29a, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: +Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen. + Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -1. de vreemdeling investeert een bedrag van minimaal € 1.250.000 in een in Nederland gevestigd(e): +#### 2.10. Openbare orde beleid -a. innovatieve onderneming; -b. contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve onderneming(en); -c. fonds dat volgens het Ministerie van Economische Zaken past binnen de SEED regeling; of -2. het te investeren bedrag is gestort op een bankrekening van een Nederlandse bank of een bank van een EU-lidstaat met een vestiging in Nederland die onder toezicht staan van De Nederlandsche Bank; -3. de investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie; -4. de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) heeft aangegeven dat de vreemdeling niet gekoppeld kan worden aan een verdachte transactie en -5. niet is gebleken dat de vreemdeling investeert in onroerend goed voor bewoning. +a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf, of hem een langdurige vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd; +b. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een taakstraf en de rechter een langdurige vervangende hechtenis heeft vastgesteld voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht; of +c. bij herhaling wegens een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf of een taakstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. -De RVO adviseert de IND of de investering in een innovatieve onderneming (voorwaarde 1 sub a) of de investering in een contractueel samenwerkingsverband (voorwaarde 1 sub b) een toegevoegde waarde heeft voor de Nederlandse economie. +#### 2.11. Middelen -1. Een investering door de vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) in een (innovatieve) onderneming. +Ingeval van *gezinsvorming* wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. -De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen: +In geval van *gezinshereniging* wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor gehuwden. -A. Primaire toets Vereist: J J J, anders volgt negatief advies +a. 65 jaar of ouder is, +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of +c. blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. -Algemene criteria voor de investering in een onderneming -B. Secundaire toets Vereist: minimaal twee keer J anders volgt negatief advies +In geval van gezinshereniging wordt de aanvraag ingevolge artikel 3.22, vierde lid, Vreemdelingenbesluit niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien: -Criteria voor de effecten van de investering +a. deze aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, en +b. gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft. -De beoogde investering heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie als alle delen van onderdeel A positief worden beoordeeld en ten minste twee van onderdeel B positief worden beoordeeld. -2. Een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve ondernemingen. +Ad b. Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. -De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen: +Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien: -• Een check of het contractueel samenwerkingsverband staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. -• Het beoordelen van het contractueel samenwerkingsband en de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. Daarbij wordt getoetst volgens het bovenstaand toetsingskader voor investering in een onderneming. -• Er wordt beoordeeld naar rato van de inbreng van de vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder). -3. De investering in een fonds dat volgens het Ministerie van Economische Zaken past binnen de SEED regeling heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie. +c. uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WAO,WAZ of WAJONG blijkt, dat de hoofdpersoon volledig arbeidsongeschikt is; en +d. uit de meest recente uitkeringsspecificatie (die van minimaal één jaar na datum toekenningsbeschikking is) volgt dat de hoofdpersoon nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is, omdat de uitkering minimaal op gelijke hoogte is gebleven. -De IND vraagt -ten behoeve van de FIU-toets- de vreemdeling om toestemming om onderzoek te laten verrichten in het buitenland of dat het vermogen waaruit geïnvesteerd wordt een mogelijk criminele herkomst heeft. +– sprake is van ten minste twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid; +– (gedeeltelijk) herstel voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs is uitgesloten; en +– niet reeds op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk herstel na dit jaar is te verwachten. -De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning af als de vreemdeling geen toestemming geeft. +Ad c. Op grond van artikel 9, eerste lid, Wet werk en bijstand, hebben personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (kort gezegd) de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, alsook de verplichting gebruik te maken van door het college van Burgemeester en wethouders aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden tezamen de plicht tot arbeidsinschakeling genoemd. -De IND verzoekt de te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling verdacht verklaarde transacties bekend zijn. +c. reeds vijf jaar door het college van Burgemeester en wethouders op grond van artikel 9, tweede lid, Wet werk en bijstand volledig is ontheven van al de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet werk en bijstand (plicht tot arbeidsinschakeling); en +d. (gedeeltelijke of volledige) arbeidsinschakeling niet binnen een redelijke termijn te voorzien is. -De IND verstrekt daartoe de volgende gegevens aan de FIU: +##### 2.11.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 -• persoonsgegevens van de vreemdeling; en -• gegevens omtrent het te investeren vermogen. +a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. -De IND verleent de verblijfsvergunning niet of trekt deze in als de FIU meldt dat gebleken is dat de vreemdeling betrokken is bij één, of meerdere, als verdacht verklaarde transactie(s). Als de FIU meldt dat geen informatie uit het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan worden verkregen met betrekking tot het vermogen van de vreemdeling, wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend. +Ad b. Ten aanzien van de vrijstellingsgrond onder b wordt verwezen naar paragraaf 2.11 onder ad b. -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet of trekt deze in als de vreemdeling investeert in onroerend goed voor bewoning. +Ad c. Een persoon heeft in beginsel ook *alleen* de zorg voor een kind indien de buitenlandse partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend welke in behandeling is genomen en deze partner in afwachting van een beslissing rechtmatig in Nederland verblijft. -Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘vermogende vreemdeling’ neemt de IND aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. +##### 2.11.2. Middelen: overgangsrecht ex -#### 2.3. Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, die bij beschikking van op of na 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2001. -Artikel 3.31b Vb geeft de bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is, als: +In hoofdstuk A4/4.2.1 Vreemdelingencirculaire 1994 stond opgenomen dat middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt indien deze voor de periode van één jaar beschikbaar zijn. -• diens huwelijk of geregistreerd partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden; -• de vreemdeling op grond van dat huwelijk of geregistreerd partnerschap was toegelaten; en -• de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of geregistreerd partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, Vw. +– de hoofdpersoon is 18 tot 23 jaar; +– de hoofdpersoon is 23 jaar of ouder; +– de hoofdpersoon is een langdurig werkloze. -De IND verleent de verblijfsvergunning als aan de in artikel 3.31b Vb opgenomen voorwaarden is voldaan. +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 18 jaar of ouder, maar jonger dan 23 jaar is en -#### 2.4. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten +– een zelfstandig inkomen uit arbeid verwerft van ten minste 32 uur per week, ongeacht de hoogte van dat inkomen; of +– ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand verdient. -De pilot ‘huisvesting Akense niet-EU studenten’ is per 1 april 2021 geëindigd. Nieuwe verblijfsaanvragen op grond van de pilot worden daarom afgewezen. Voor verlengingsaanvragen blijven de onderstaande voorwaarden van overeenkomstige toepassing. +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 23 jaar of ouder is en: -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb jo artikel 3.16a VV aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: +– een zelfstandig inkomen verwerft uit een dienstverband ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand; +– een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (conform het 4-uit-5-criterium van artikel 17 Werkloosheidswet) ontvangt ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand. -• De aanvraag om een verblijfsvergunning is door het voorportaal (de gemeente Kerkrade) namens de vreemdeling conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ ingediend; -• De vreemdeling is gekoppeld aan een woning in Kerkrade of Heerlen; -• De vreemdeling is (voorlopig) ingeschreven aan de Rheinisch-Westfaelische Technische Hochschule Aachen (de RWTH) in verband met een voltijdse studie; en -• De vreemdeling toont aan het begin van elk studiejaar aan zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. +Voor langdurig werklozen die een uitkering genieten krachtens de Wet werk en bijstand kan gezinshereniging of -vorming toch mogelijk zijn indien kan worden vastgesteld dat een langdurig werkloze, ondanks serieuze inspanningen, geen uitzicht heeft op werk om daarmee zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij in het verleden wel langdurig heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Voor langdurig werklozen wordt dit onder andere getoetst aan: -De IND verstrekt ten behoeve van de pilot jaarlijks maximaal 75 verblijfsvergunningen. +– de duur van het verblijf in Nederland; +– de duur van de werkloosheid (minimaal drie jaar); +– de duur en de aard van de werkzaamheden in het verleden; +– serieuze inspanningen om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien; +– uitzichten op een werkkring; +– leeftijd +– medische aspecten. -In afwijking op paragraaf B1/3.4.1.2 en conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ machtigt de vreemdeling het voorportaal om: +#### 2.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift -• namens de vreemdeling de verblijfsaanvraag in te dienen; -• namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsaanvraag te voldoen; en -• alle relevante informatie betrekking hebbende op het verblijfsrecht van de vreemdeling te delen met de IND en indien nodig gegevens op te vragen bij de RWTH. +– Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist; +– Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; +– Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; of +– Arbeid niet toegestaan. -In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende als de vreemdeling voldoet aan de gehanteerde inkomensnorm die wordt vastgesteld aan het begin van elk kalenderjaar voor de uitwonende student (exclusief collegegeld). +### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken -In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb: +#### 3.1. Algemeen -• een inkomen (uit een studiebeurs) waarmee de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd; -• een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of anderszins; of -• een bedrag dat door de vreemdeling op een ten name van het voorportaal gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar is gesteld. +Een schijnhuwelijk of -partnerschap is een huwelijk of geregistreerd partnerschap dat wordt aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over een verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog een verblijfsrecht te verschaffen. -Op grond van artikel 3.75, vierde lid, Vb beschouwt de IND de middelen van bestaan als duurzaam als deze op het tijdstip waarop de aanvraag regulier voor bepaalde tijd is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar beschikbaar zijn. +#### 3.2. De verklaring op grond van -#### 2.5. Verblijf conform +– de echtgenoten of geregistreerde partners aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben; +– de betrokken echtgenoot of geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel of regulier) in Nederland verblijft dan wel gemeenschapsonderdaan is; +– het huwelijk of geregistreerd partnerschap is voltrokken ten minste tien jaren vóór de inschrijving in de GBA of de registratie in de registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage en nog bestaat; of +– het huwelijk of het geregistreerd partnerschap juridisch is geëindigd. -Uit artikel 3.6ba Vb volgt dat de IND tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. +– Positief: als de korpschef van mening is dat er geen indicaties zijn die wijzen op een eventueel schijnhuwelijk of –partnerschap; +– Negatief: als hij van mening is dat daarvoor wel indicaties zijn. -De IND maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, Vb. +#### 3.3. Verhouding tussen de verblijfsprocedure en de procedure voorkoming schijnhuwelijken -De IND verleent geen vergunning, als het samenstel van omstandigheden te zeer verband houdt met (één van) de in artikel 3.4, eerste lid, Vb genoemde beperkingen. +De verklaring van de korpschef is een advies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA-ambtenaar en dient dan ook los te worden gezien van een eventuele aanvraag om een verblijfsvergunning. Dit betekent dat ook al beschikt de vreemdeling al over een verblijfsstatus, toch een verklaring van de korpschef moet worden afgegeven, tenzij sprake is van een van de in paragraaf 3.2 genoemde uitzonderingen. De verklaring is ook nodig in de situatie dat de vreemdeling nog niet over een verblijfsvergunning in Nederland beschikt, maar wel van plan is om een aanvraag daartoe in te dienen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND neemt geen ambtshalve besluit in de zin van artikel 3.6ba Vb als: +#### 3.4. Het model M46 -– Een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld op grond artikel 4:5 Awb, artikel 24, tweede lid, Vw of artikel 30c Vw; -– Op de vreemdeling de Dublinverordening van toepassing is; -– Er een ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw of een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw is of wordt opgelegd; of -– de asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, Vw of de reguliere aanvraag is afgewezen op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid. +Dit deel bevat gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en van de (aanstaande) echtgenoten of geregistreerde partners, alsmede het advies van de korpschef. -De IND verstaat onder bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3.6ba in ieder geval dat omstandigheden individueel van aard zijn. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, kent de IND niet op voorhand een bepaald gewicht toe aan omstandigheden. Hoe omstandigheden meewegen in de beoordeling hangt af van het samenstel van aangevoerde omstandigheden. +De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over zijn beslissing met behulp van deel C: Terugmeldbericht. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelt de korpschef op de hoogte van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. De korpschef draagt zorg voor het verwerken van de informatie. -De IND hanteert geen limitatieve opsomming van te betrekken omstandigheden. Bijzondere en individuele omstandigheden kunnen – onder meer – hun oorzaak vinden in: +De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de beslissing van de rechter met behulp van deel D: Afloopbericht schijnhuwelijken. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelt de korpschef op de hoogte van de beslissing van de rechter alsmede van de aan die beslissing ten grondslag liggende beweegredenen. De korpschef draagt zorg voor het verwerken van de informatie. -• (Ernstige) medische problemen (van één of meerdere gezinsleden); -• Overlijden in Nederland van een gezinslid; -• Gender gerelateerde aspecten met name eerwraak en huiselijk geweld; of -• Traumatiserende ervaringen die in Nederland hebben plaatsgevonden. +Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de wet is het van groot belang dat er landelijk cijfermateriaal over het model M46 kan worden gegenereerd. Dit is alleen mogelijk als de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) én de korpschef uitvoering geven aan de hiervóór beschreven werkzaamheden. -De IND maakt alleen gebruik van deze bevoegdheid indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen. +#### 3.5. Procedure -Bij de beoordeling of sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden kent de IND een beperkt gewicht toe aan omstandigheden die zijn gerezen tijdens een periode van niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling. +De verklaring wordt aangevraagd door: -Bij de beoordeling worden contra-indicaties in het nadeel van de vreemdeling betrokken. In ieder geval worden de volgende contra-indicaties betrokken: +1. de (aanstaande) echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, ook als hij/zij reeds beschikken over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; of +2. de geregistreerde partners, indien zij beiden niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, ook als zij reeds beschikken over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; +3. de in Nederland verblijvende echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner, indien degene ten behoeve van wie de verklaring wordt aangevraagd, geen woonplaats heeft in Nederland. -• Gevaar voor de openbare orde; -• Identiteitsfraude of twijfel aan de identiteit van de vreemdeling; -• Niet rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw. +– de echtgenoten of geregistreerde partners aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben; +– de betrokken echtgenoot of geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel of regulier) in Nederland verblijft dan wel gemeenschapsonderdaan is; +– het huwelijk of geregistreerd partnerschap is voltrokken ten minste tien jaren vóór de inschrijving in de GBA of de registratie in de registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage en nog bestaat; of +– het huwelijk of het geregistreerd partnerschap juridisch is geëindigd. -Indien de IND dit noodzakelijk acht voor een zorgvuldige beoordeling zal de IND onafhankelijk advies vragen omtrent voor de besluitvorming specifieke relevante aspecten. Dit geldt in het bijzonder wanneer kinderen met een specifieke problematiek bij de procedure zijn betrokken. De IND vraagt geen advies over de (algemene) vraag of sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen zoals bedoeld in artikel 3.6ba Vb. +De verklaring wordt aangevraagd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar (één van) de (aanstaande) echtgenote(n) woonachtig (is)(zijn): -#### 2.6. Grenswachters van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk +1. bij een voorgenomen huwelijk of registratie van een partnerschap; +2. bij inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA; +3. bij inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage; of +4. indien zes maanden verstreken zijn sedert de afgifte van een eerdere verklaring. -De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16b VV aan de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk voor het uitvoeren van grenscontroles ten behoeve van het rechtstreekse treinverkeer op het traject tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. +De korpschef stuurt de modellen M46-A en M46-B rechtstreeks naar de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. Is de periode gelegen tussen de datum van de afgifte van de verklaring en de datum van de huwelijksvoltrekking of de voorgenomen registratie van het partnerschap langer dan zes maanden, dan dient voor de huwelijksvoltrekking of de registratie van het partnerschap een nieuwe verklaring van de korpschef te worden overgelegd. De verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling kan immers zijn gewijzigd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verschaft de korpschef schriftelijk informatie omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en de andere partij, voorzover zij zelf over deze informatie beschikt en voorzover de korpschef niet zelf de beschikking heeft over die informatie. -Er mag geen sprake zijn van een geprivilegieerde status. +Op basis van de hem bekende feiten en omstandigheden en het advies van de korpschef neemt de ambtenaar een beslissing. Komt de ambtenaar van de burgerlijke stand tot de conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk of -partnerschap, dan weigert hij mee te werken aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte/aangifte registratie van een partnerschap, aan het voltrekken van het huwelijk/het registreren van een partnerschap, óf weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage de inschrijving van het buiten Nederland gesloten huwelijk/geregistreerd partnerschap in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand. Betrokkenen kunnen hiertegen beroep instellen bij de rechter op grond van artikel 27 Boek 1 BW. Is de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken vanwege het schijnkarakter van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap niet voornemens gevolg te geven aan het verzoek om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA, dan stelt hij betrokkenen hiervan in kennis en biedt hij hun de mogelijkheid hun zienswijze naar voren te brengen (artikel 83 Wet GBA). Weigert de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken ook na het vernemen van de zienswijze van beide partijen tot inschrijving over te gaan, dan kunnen partijen tegen deze weigering beroep indienen bij de rechter. -De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb, als de vreemdeling: +In alle gevallen waarin de korpschef een verklaring afgeeft, informeert de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA-ambtenaar door tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de korpschef over zijn beslissing via deel C: Terugmeldformulier. Wordt tegen de weigering beroep ingesteld bij de rechter, dan informeert de desbetreffende ambtenaar, nadat de rechterlijke beschikking kracht van gewijsde heeft gekregen, de korpschef door tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de beslissing van de rechter met behulp van deel D model M46-D: Afloopbericht procedure schijnhuwelijken. -• op grond van een geldige overeenkomst in dienst is bij de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk; en -• grenscontroles verricht ten behoeve van het rechtstreekse treinverkeer op het traject tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. +De korpschef draagt zorg voor registratie van de gegevens, vermeld op deel C model M46-C: Terugmeldbericht en deel D model M46-D: Afloopbericht procedure schijnhuwelijken. -### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur +#### 3.6. Stuiting door het Openbaar Ministerie -#### 3.1. Beperking +Stuiting is het recht om zich te verzetten tegen de sluiting van een huwelijk of de registratie van een partnerschap. Op grond van artikel 53 lid 3 Boek 1 BW is het Openbaar Ministerie bevoegd om een voorgenomen huwelijk of geregistreerd partnerschap te stuiten wegens strijd met de openbare orde, indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aangegaan met het oog op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van één van de aanstaande echtgenoten of geregistreerde partners. Voordat tot stuiting wordt overgegaan, verzamelt het Openbaar Ministerie de hiervoor benodigde informatie. Een kopie van deel B en overige waarnemingen van de korpschef spelen hierbij een belangrijke rol. + Indien een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt gestuit, wordt de korpschef door tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via deel C: Terugmeldformulier hierover geïnformeerd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’. +#### 3.7. Nietigverklaring door het Openbaar Ministerie -Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.31 Vb aan de vreemdeling op wie artikel 13 besluit 1/80 van toepassing is, onder de beperking: ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. +Indien ná de huwelijksvoltrekking uit feiten en/of omstandigheden blijkt dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap is gericht op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van een van de echtgenoten of geregistreerde partners, kan op vordering van het Openbaar Ministerie het huwelijk of geregistreerd partnerschap nietig worden verklaard op grond van artikel 71a Boek 1 BW. Een vordering tot nietigverklaring heeft in het algemeen alleen kans van slagen als er meerdere indicaties zijn die duiden op het schijnkarakter van het huwelijk of geregistreerd partnerschap. De enkele constatering bijvoorbeeld dat betrokkenen niet samenwonen is hiervoor niet voldoende. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16a VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten onder de beperking ‘verblijf conform beschikking staatssecretaris’. +### 4. Relatie -Op grond van artikel 3.6ba, eerste lid Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’. De IND vermeldt bij de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’ of het verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Als de IND dit niet aangeeft, is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard. +#### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding -Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16b VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk. Dit in verband met grenscontroles ten behoeve van het rechtstreekse treinverkeer op het traject tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. +– de staat van personen (bijvoorbeeld de ongehuwde burgerlijke staat) wordt aangetoond aan de hand van gelegaliseerde bescheiden (zie B2/12); en +– het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie in ieder geval wordt aangetoond door de ondertekening van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring. -#### 3.2. Arbeidsmarktaantekening +– de duurzame en exclusieve relatie tussen de partners (B2/4.2); +– de verwantschap tussen de partners (B2/4.3); +– de ongehuwde burgerlijke staat van beide partners (B2/4.4); +– de gelegaliseerde akten (B2/4.5); +– de leeftijd van beide partners (B2/4.6); +– de verblijfstatus van de hoofdpersoon (B2/4.7); +– polygamie (B2/4.9); +– samenwoning en gemeenschappelijke huishouding (B2/4.10); +– de garantverklaring (B2/4.13). -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor economisch niet-actieve langdurig ingezetenen en vermogende vreemdelingen: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'. +#### 4.2. Duurzame en exclusieve relatie -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor het zoeken naar of verrichten van arbeid al dan niet in loondienst: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'. +– verklaringen van de betrokken partners, samen of afzonderlijk, waaruit de intentie van een schijnrelatie blijkt, of waaruit tegenstrijdigheden zijn af te leiden, die een dergelijke conclusie rechtvaardigen; +– betrouwbare verklaringen van derden; en +– de vaststelling bij proces-verbaal dat de betrokken partners niet samenwonen of geen gemeenschappelijke huishouding voeren. -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten: ‘Arbeid niet toegestaan’. +#### 4.3. Verwantschap -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor verblijf conform artikel 3.6ba Vb: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening in verband met verblijf onder de beperking grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’. +#### 4.4. Ongehuwde burgerlijke staat -#### 3.3. Geldigheidsduur +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling of de hoofdpersoon met een ander een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan of gehuwd is, tenzij het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van vijf jaar aan economisch niet-actieve langdurig ingezetenen. +#### 4.5. Gelegaliseerde akten -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van drie jaar aan de vermogende vreemdeling. +De (ongehuwde) burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in paragraaf B2/12 van toepassing is. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich erop beroept dat aan alle voorwaarden van artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit wordt voldaan. De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een relatie verleend indien de (ongehuwde) burgerlijke staat niet is aangetoond. + + + Het, indien nodig gelegaliseerde, bewijsstuk van ongehuwd zijn mag niet ouder zijn dan zes maanden na afgifte door de daartoe bevoegde autoriteiten. De regel dat een verklaring van ongehuwd zijn niet ouder mag zijn dan zes maanden wordt ook door de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand gehanteerd. De termijn van zes maanden wordt gezien als een redelijke termijn waarbinnen men wordt geacht niet (opnieuw) in het huwelijk te zijn getreden. + Uiteraard wordt een bewijs van ongehuwd zijn dat minder dan zes maanden oud is in geval van contra-indicaties niet geaccepteerd. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een vier maanden oud bewijs van ongehuwd zijn, wordt overgelegd en een echtscheidingsakte waaruit blijkt dat een huwelijksontbinding binnen die vier maanden heeft plaatsgevonden. + +20057822-04-200514-04-20052005/1820057822-04-200514-04-20052005/1824-04-2005 -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verlengt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van vijf jaar aan de vermogende vreemdeling. +#### 4.6. Leeftijd van beide partners -Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van ten hoogste één jaar voor het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst. +– de vreemdeling of de hoofdpersoon wel de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt; en +– de duurzame en exclusieve relatie reeds in het buitenland bestond, voordat de hoofdpersoon rechtmatig verblijf in Nederland had. -Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16a VV verleent de IND de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten met de geldigheidsduur van één jaar. +a. de vreemdeling of de hoofdpersoon wel de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt; en +b. de duurzame en exclusieve relatie reeds in het buitenland bestond, voordat de hoofdpersoon rechtmatig verblijf in Nederland had. -De verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten wordt ingevolge artikel 3.5, vierde lid, Vb aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht. +#### 4.7. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon -Indien het verblijfsdoel tijdelijk is verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’ met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar en verlengt de geldigheidsduur telkens met ten hoogste één jaar. +a. Nederlander; +b. gemeenschapsonderdaan; +c. Turks onderdaan die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80; of +d. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), tenzij de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: +- – onder een beperking verband houdend met uitwisseling, verblijf als au pair of verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; +– die met toepassing van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit is verleend en de houder een verblijfsrecht geeft van tijdelijke aard in de zin van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. Het gaat hierbij om tijdelijke regelingen op grond waarvan de hoofdpersoon gedurende slechts een korte tijd in Nederland mag verblijven. -Indien het verblijfsdoel niet tijdelijk is verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’ met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar en verlengt de geldigheidsduur telkens met ten hoogste vijf jaar. +#### 4.8. Wachttermijn (gezinsvorming) -Gelet op artikel 3.16b, derde lid, VV verleent de IND de op grond van paragraaf B11/2.6 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal vijf jaar. +vervallen + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 -### 4. Bewijsmiddelen +#### 4.9. Polygamie -#### 4.1. economisch niet-actieve langdurig ingezetene +Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen. + Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND beschouwt het gestelde in paragraaf B1/8.3.4 als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de economisch niet-actieve langdurig ingezetene beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb. +#### 4.10. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene heeft in een andere lidstaat: +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon niet samenwonen of geen gemeenschappelijke huishouding voeren. + De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en het ziekenfonds, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast dienen de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven. + + + Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf aanvragen, geldt dat zij direct nadat zij in Nederland over de verblijfsvergunning beschikken met hun (huwelijks)partner dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• een kopie van de door de andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met de aantekening: ‘ EG-langdurig ingezetene’, in de taal van die lidstaat. +#### 4.11. Openbare orde beleid -#### 4.2. vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De paragrafen B1/2.2.4 en verder zijn van toepassing. -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een investering van minimaal € 1.250.000 doet in een onderneming in Nederland: +a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf, of hem een langdurige vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd; +b. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een taakstraf en de rechter een langdurige vervangende hechtenis heeft vastgesteld voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht; of +c. bij herhaling wegens een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf of een taakstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. -• een verklaring van de Nederlandse vestiging van de bank die beschikt over een vergunning van De Nederlandsche Bank of gebruik maakt van een Europees paspoort, waaruit blijkt dat het te investeren bedrag van minimaal € 1.250.000 in Nederland is gestort. +#### 4.12. Middelen -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een onderneming: +Ingeval van *gezinsvorming* wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. -• de investeringsovereenkomst die door betrokken partijen (investeerder en onderneming) is ondertekend en waaruit het doel van de investering blijkt; -• als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht, een ondernemingsplan dat informatie bevat over: +In geval van *gezinshereniging* wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor gehuwden. -• persoonlijke gegevens en achtergrond van het ondernemingsmanagement (opleiding, ervaring); -• het product of de dienst; -• een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst; -• beschrijving van prijsbeleid/-opbouw met alle kosten daarin verdisconteerd; -• organisatie; -• balans; -• exploitatieoverzichten (realisaties en prognoses); -• omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen; -• specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen. -• door een onafhankelijke externe partij geverifieerde jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren of als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht de beschikbare jaarrekeningen; -• investeringsplan van de onderneming waarin het doel van de investering wordt beschreven (kan geïntegreerd worden in het ondernemingsplan of in de investeringsovereenkomst); -• gegevens waaruit blijkt wat de verwachte effecten van de investering zijn in omvang en tijd met betrekking tot de vermogenspositie, omzet, resultaat (netto winst), werkgelegenheid en/of innovatie, zowel technologisch als niet-technologisch (bijv. patenten, octrooien); -• bewijsstukken waaruit de niet-financiële eigen inbreng en mate van actieve betrokkenheid van de vermogende vreemdeling bij de onderneming blijkt zoals specifieke kennis, specifieke werkervaring, referenties, patenten, netwerk en afnemers. +a. 65 jaar of ouder is, +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of +c. blijvend niet in staat is om aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. -De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere onderneming(en): +In geval van *gezinshereniging* wordt de aanvraag ingevolge artikel 3.22, vierde lid, Vreemdelingenbesluit niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien: -• de overeenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband waaruit de omvang en de voorwaarden blijken; -• een fondsplan waaruit blijkt wat de aard van de organisatie en de investeringen is, en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn; -• bewijs van continuïteit van het contractuele samenwerkingsverband zoals jaarrekeningen; -• bewijsmiddelen zoals beschreven bij investering in een onderneming. +c. ceze aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, en +d. gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft. -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling deelneemt aan een fonds dat past binnen de SEED regeling: +Ad b. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. -• Een bewijs van deelname aan het fonds; en -• een verklaring waaruit blijkt dat het SEED fonds is erkend door het Ministerie van Economische Zaken; of -• een verklaring waaruit blijkt dat het fonds geen SEED erkenning heeft gekregen maar volgens het Ministerie van Economische Zaken wel past binnen de SEED regeling. +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad c. -#### 4.3. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten +##### 4.12.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 -De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student gemeente Kerkrade’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat: +a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. -• het voorportaal gemachtigd is om namens de vreemdeling de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen; -• het voorportaal toestemming van de vreemdeling heeft om informatie te delen met de IND; en -• het voorportaal namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal voldoen. +Ad b. Ten aanzien van de vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. -De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student RWTH’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling het voorportaal toestemming geeft om informatie op te vragen bij de RWTH. +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11.1 onder ad c. -De IND beschouwt een schriftelijke verklaring van het voorportaal als bewijs dat de vreemdeling gekoppeld is aan een woning in Kerkrade of Heerlen. +##### 4.12.2. Middelen: overgangsrecht ex -De IND beschouwt een (voorlopige) inschrijving aan de RWTH als bewijsmiddel dat de vreemdeling (voorlopig) is ingeschreven aan de RWTH. +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, die bij beschikking van op of na 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2001. -De IND beschouwt de onderstaande bescheiden als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan: +In hoofdstuk A4/4.2.1 Vreemdelingencirculaire 1994 stond opgenomen dat middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt indien deze voor de periode van één jaar beschikbaar zijn. -In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door de student zelf worden gefinancierd: +#### 4.13. Garantverklaring -• een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of -• een kopie van een rekeningafschrift (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of -• een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening (inclusief een vertaling hiervan). +De in Nederland gevestigde partner ondertekent een garantverklaring (model M47), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner, alsmede voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. De garantverklaring kan niet door een derde worden ondertekend. + + + Als de hoofdpersoon voldoet aan de bepalingen van artikel 3.22, tweede lid, Vreemdelingenbesluit, behoeft geen garantieverklaring te worden ondertekend. + +200313822-07-200309-07-2003HKUit 03-3059 AUB200313822-07-200309-07-2003HKUit 03-3059 AUB24-07-2003 -In het geval de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd uit een beurs: +#### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift -• een originele beursverklaring waarin in ieder geval is opgenomen: de datum, de naam van de beursverstrekker, de persoonsgegevens van de student, de periode (begindatum en einddatum) waarbinnen de beurs verstrekt wordt, het maandelijksdoor de student te ontvangen bedrag, de naam van het beursprogramma (indien van toepassing). +– Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist; +– Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; +– Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; of +– Arbeid niet toegestaan. -In het geval de student het minimaal toereikende bedrag voor de kosten van studie en levensonderhoud heeft gestort op een daartoe geopende rekening van het voorportaal: +### 5. Voortgezet verblijf van huwelijkspartners, geregistreerde partners en partners -• een kopie van het rekeningafschrift met daarop de datum, het rekeningnummer en de naam van het voorportaal en het gestorte bedrag (herleidbaar tot de student). +#### 5.1. Inleiding -In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door een financier in het buitenland worden gefinancierd: +Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden (B1/2.2.7) of een van de andere in artikel 18 Vreemdelingenwet genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (B1/2.2.2 t/m B1/2.2.4, B1/2.2.7 t/m B1/2.2.9). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/3. + + + In deze paragraaf wordt ingegaan op de voortzetting van het verblijf van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie is verleend, door verlenging van de verblijfsvergunning (B2/5.2) of door verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning (B2/5.3). + +200413923-07-200419-07-2004200413923-07-200419-07-200425-07-2004 -• een originele verklaring financiële steun (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de persoonsgegevens van de student (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de persoonsgegevens van de financier (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de volledige adresgegevens van de financier; het maandelijks over te maken bedrag; de periode (begindatum en einddatum) waarin de student wordt ondersteund, de handtekening van de financier; -• een kopie van het paspoort of de identiteitskaart van de financier; en -• een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken. Als de rekening op naam van meerdere personen staat, dienen al deze personen in te stemmen met de maandelijkse betaling en dienen zij de originele verklaring financiële steun mede te ondertekenen; of -• een kopie van een rekeningafschrift(op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of -• een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening. +#### 5.2. Middelenvereiste -#### 4.4. Grenswachters van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk +Nadat de vreemdeling een jaar verblijf bij (huwelijks)partner heeft gehad, dient de verblijfsvergunning te worden verlengd. Daarbij wordt getoetst aan de algemene voorwaarden voor het verlengen van de verblijfsvergunning. Indien aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning verlengd voor de duur van vijf jaren. + + + + Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken. + +200413923-07-200419-07-2004200413923-07-200419-07-200425-07-2004 -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling werkzaamheden verricht als grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk in verband met het rechtstreekse treinverkeer op het traject tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk: +##### 5.2.1. Gezamenlijk inkomen -• een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst met daarin de adresgegevens van de in het buitenland gevestigde werkgever; of -• een door de werkgever ondertekende aanstellingsbrief met daarin de adresgegevens van de in het buitenland gevestigde werkgever. +Bij de beoordeling van de vraag of duurzaam wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt in het kader van aanvragen tot het verlengen van de geldigheidsduur van verblijfsvergunningen regulier uitgegaan van het gezamenlijk inkomen van de vreemdeling en de hoofdpersoon. Bij de beoordeling van de vraag of voldoende middelen van bestaan worden verworven, mogen de zelfstandig verworven inkomsten bij elkaar worden opgeteld. + +200118018-09-200107-09-20015097667/01/IND200118018-09-200107-09-20015097667/01/IND18-09-2001 -De IND beschouwt bovengenoemde arbeidsovereenkomst ook als bewijsmiddel dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb +##### 5.2.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid -### 5. Verlenging +Als de zelfstandig verworven inkomsten voldoende zijn en gedurende het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend steeds voldoende zijn geweest, dan wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet op de enkele grond dat deze inkomsten niet duurzaam zijn. Het economisch welzijn van Nederland kan in dat geval de inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, niet rechtvaardigen, aangezien de hoofdpersoon nog altijd beschikt over voldoende bestaansmiddelen. -#### 5.1. Vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) +Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer beschikt over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Bij deze belangenafweging worden de volgende factoren betrokken: -De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’ in ieder geval af als: +– De nationaliteiten van de vreemdeling en de gezinsleden (waaronder tevens wordt begrepen de hoofdpersoon). Hierbij is met name van belang de vraag of (één van de) gezinsleden de Nederlandse nationaliteit heeft; +– Voorzover de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier: het doel en de (niet-)tijdelijkheid van deze verblijfsvergunning; +– De duur van het verblijf van de vreemdeling en de gezinsleden in Nederland op grond van een verblijfsvergunning; +– De banden van de vreemdeling en de gezinsleden met het herkomstland; +– De reden waarom niet meer wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan; +– De duur en hoogte van middelen van bestaan die eventueel nog wel beschikbaar zijn; +– De mate waarin de vreemdeling eventueel een (aanvullend) beroep doet op de algemene middelen en (voorzover van toepassing) de reden waarom een vreemdeling dit beroep doet; +– Eventuele bijzondere omstandigheden ten aanzien van de vreemdeling en de gezinsleden. -1. Het geïnvesteerde vermogen van minimaal € 1.250.000 is teruggetrokken; of -2. De investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geen toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie; of -3. De vreemdeling is betrokken bij een door de Financial Intelligence Unit-Nederland verdacht verklaarde transacties. +Het economisch welzijn van Nederland is een van de gronden waarop inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, kan worden gerechtvaardigd. Bij de belangenafweging die toetsing aan artikel 8 EVRM meebrengt, komt aan het feit dat er sprake is van vrijwillige of verwijtbare werkloosheid en van een beroep op de publieke middelen een zodanig zwaar gewicht toe, dat verblijfsbeëindiging veelal een gerechtvaardigde inmenging zal betekenen. -De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland adviseert positief bij een investering in een onderneming of in een contractueel samenwerkingsverband als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: +a. vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden; en +b. een beroep doet op de publieke middelen. -1. De onderneming of het contractueel samenwerkingsverband is ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel; -2. De investering is conform het investeringsplan nog aanwezig in de onderneming of in het contractueel samenwerkingsverband; en -3. De beoogde arbeidscreatie is voor 60% gerealiseerd en het is aannemelijk dat de overige 40% in de komende twee jaren wordt gerealiseerd. +Het enkele feit dat iemand werkloos is na het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van vrijwillige werkloosheid. Vrijwillige werkloosheid kan wel worden aangenomen indien er andere feiten en omstandigheden zijn waaruit kan worden afgeleid dat het einde van het dienstverband een niet-onvrijwillig karakter heeft of dat na einde dienstverband de werkloosheid alsnog een niet-onvrijwillig karakter heeft gekregen, hetgeen onder meer kan blijken uit uitsluiting van of strafkorting op de uitkering. -#### 5.2. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten +– zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben (bijvoorbeeld ontslag op staande voet); +– ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van zijn dienstbetrekking voor hem zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. -De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten af, of trekt de verblijfsvergunning in, als niet meer aan de algemene toelatingsgronden of aan de voorwaarden van de pilot wordt voldaan, wanneer: +###### 5.2.2.1. Middelen -1. de vreemdeling geen medewerking (meer) verleent aan het voorportaal om gegevens uit te wisselen met de IND; -2. de vreemdeling geen volmacht (meer) verleent aan het voorportaal om navraag te doen bij de RWTH inzake de studieresultaten dan wel andere informatie die nodig is om te kunnen beoordelen of de student studievoortgang boekt of deelneemt aan de studie; -3. de vreemdeling niet meer voltijds aan de RWTH studeert; -4. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of heeft afgerond; -5. de opleiding van de vreemdeling is komen te vervallen aan de RWTH; -6. de vreemdeling onvoldoende studievoortgang voor zijn opleiding boekt aan de RWTH; -7. de vreemdeling (aan het begin van een nieuw studiejaar) niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; -8. de vreemdeling niet meer aan een woning in Kerkrade of Heerlen is gekoppeld; of -9. de vreemdeling niet beschikt over een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland. +Artikel 3.85 Vreemdelingenbesluit bepaalt in welke gevallen de aanvraag tot het verlengen niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. In die gevallen wordt de verblijfsvergunning ook niet ingetrokken. + + + + + Artikel + 3.85 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. + + + 2 + De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. + + + + + N.B. Als voorwaarde voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, die in het kader van *gezinsvorming* is verleend, geldt dat wat betreft hoogte moet worden beschikt over een al dan niet gezamenlijk netto-inkomen van tenminste 100% naar de norm voor gehuwden in de zin van artikel 21 van de Wet werk en bijstand. + Ingevolge artikel 3.85, eerste lid, in samenhang met artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit wordt in het kader van de verlenging van de verblijfsvergunning immers een al dan niet gezamenlijk inkomen van tenminste die hoogte als voldoende aangemerkt. + + + Zie verder B2/2.11. + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 -De IND verstaat onder voldoende studievoortgang dat de vreemdeling minimaal 50% van de nominale studiepunten (European Credit Transfer System) voor het (gedeelte van het) studiejaar aan de RWTH behaalt. +###### 5.2.2.2. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 -### 6. Bewijsmiddelen verlenging +1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. +2. De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft: +- a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. -#### 6.1. vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) +Ad b. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. -De IND beschouwt als bewijsmiddel waarmee de vreemdeling bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’, kan aantonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan: +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11.1 onder ad c. -Bewijsmiddelen bij een investering in een onderneming: +###### 5.2.2.3. Middelen: overgangsrecht ex -• een recente jaarrekening van de onderneming(en) waarin is geïnvesteerd; -• een verklaring van de bestuurders dat het door de vreemdeling geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan aanwezig is in de onderneming; -• een beschrijving van de resultaten met betrekking tot arbeidscreatie (indien van toepassing); -• een beschrijving van de resultaten met betrekking tot innovatie (indien van toepassing); -• een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing). +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, aan wie bij beschikking van op of na 1 april 2001 op grond van de huidige Vreemdelingenwet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2001. -Bewijsmiddelen bij een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere onderneming(en): +Het middelenvereiste werd in het kader van verlengingsaanvragen niet tegengeworpen aan vreemdelingen die waren toegelaten als echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van een Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een toegelaten vluchteling (B1/1.5 Vreemdelingencirculaire 1994). -• een recente jaarrekening van de onderneming(en) waarin is geïnvesteerd; -• een bewijs dat de vreemdeling is aangesloten bij het samenwerkingsverband; -• een verklaring van de bestuurders dat het geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan nog aanwezig is in het contractueel samenwerkingsverband; -• een beschrijving van de resultaten met betrekking tot arbeidscreatie (indien van toepassing); -• een beschrijving van de resultaten met betrekking tot innovatie (indien van toepassing); -• een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing). +Behoudens eventuele aanspraken die kunnen worden ontleend aan artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit, geldt dat na 1 april 2004 geen rechten meer kunnen worden ontleend aan de omstandigheid dat de vreemdeling op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de huidige Vreemdelingenwet toelating is verleend. Dit betekent dat op grond van het middelenvereiste (zoals dat geldt met ingang van 1 april 2004) verlengingsaanvragen kunnen worden afgewezen, ook al is de vreemdeling voor 1 april 2004 toegelaten mede met toepassing van artikel 116 Vreemdelingenwet. -Bewijsmiddelen bij een investering in een fonds dat volgens het Ministerie Economische Zaken past binnen de SEED regeling: +##### 5.2.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie -• een bewijs van deelname aan een fonds dat volgens het Ministerie Economische Zaken past binnen de SEED regeling; en -• een bewijs dat de investering nog aanwezig is in het fonds. +– de (huwelijks)relatie op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk of juridisch is verbroken. Dit kan ondermeer blijken uit het feit dat de vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer staan ingeschreven op hetzelfde adres in de GBA, of uit het feit dat de partners naar buiten toe verschillende adressen voeren; +– de hoofdpersoon is overleden; of +– de hoofdpersoon zich vrijwillig in het buitenland heeft gevestigd. -Bewijsmiddelen bij een investering in een participatiefonds: +a. gegevens van de politie, bijvoorbeeld de melding van een incident of een proces-verbaal van de aangifte; +b. een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; +c. gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of +d. andere gegevens, voorzover het gaat om objectieve gegevens uit betrouwbare bron. -• een bewijs van deelname aan een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP); -• een bewijs dat de investering nog aanwezig is in het participatiefonds. +###### 5.2.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid in loondienst respectievelijk arbeid als zelfstandige -#### 6.2. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten +Indien de (huwelijks)relatie korter dan drie jaar heeft geduurd, komt de vreemdeling in beginsel niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf (B2/5.3), tenzij sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (B2/5.3.3) of internationale verplichtingen (B2/5.5). + Wanneer de vreemdeling een aanvraag indient voor een ander verblijfsdoel, dient deze aanvraag getoetst te worden aan het ter zake geldende beleid. De aanvraag om voortgezet verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals genoemd in B5. Zie in dit verband het bepaalde in B1/2.1.4.2 ten aanzien van vreemdelingen die op grond van hun eerdere verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Voor deze categorie vreemdelingen is een tewerkstellingsvergunning niet vereist. Er dient echter wel getoetst te worden of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend, tenzij er sprake is van internationale verplichtingen (zie B2/5.5). Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag van de betreffende vreemdeling dient derhalve ter advisering te worden voorgelegd aan deze organisatie, indien de werkzaamheden niet vallen onder het algemene arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt. + + + De aanvraag om voortgezet verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt onverkort getoetst aan het beleid als genoemd in B5/8 en B5/9. + +200224506-12-2002HKUIT02-4427200224506-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 -De IND beschouwt een kopie van een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland als bewijsmiddel dat het de vreemdeling is toegestaan om dagelijks vanuit Nederland naar Duitsland te mogen reizen. +#### 5.3. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf -De IND beschouwt een verklaring van de RWTH als bewijsmiddel ten aanzien van de studievoortgang van de vreemdeling. +– het huwelijk of geregistreerd partnerschap dan wel de relatie drie jaar heeft bestaan en de vreemdeling drie jaar op grond van dat huwelijk (daarmee gelijkgesteld: geregistreerd partnerschap) of die relatie een verblijfsvergunning heeft gehad (artikel 3:51, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit; B2/5.3.1); +– het huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden dan wel de relatie is beëindigd door het overlijden van de hoofdpersoon (artikel 3.51, derde lid, Vreemdelingenbesluit; B2/5.3.2); +– van de vreemdeling wegens bijzondere omstandigheden niet kan worden gevergd Nederland te verlaten na de ontbinding of ontwrichting van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit; B2/5.3.3). -## B12. De verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd +##### 5.3.1. Drie jaar verblijf op grond van de (huwelijks)relatie + +a. de vreemdeling een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie is aangegaan met een hoofdpersoon die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft, bijvoorbeeld een Nederlander, een houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, of een houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating of voortgezet verblijf; +b. die (huwelijks)relatie drie jaren bestaat; de vreemdeling ten minste drie jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning heeft gehad; +c. drie jaren is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning; en +d. zich geen van de algemene weigeringgronden voordoet (zie B1/2.2). + +– niet (meer) beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of +– al dan niet tezamen met de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner, niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +ad a. De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon zelf verblijfsrecht van tijdelijk aard heeft. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze een verblijfsvergunning voor studie of medische behandeling heeft. Zie artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. De verblijfsvergunning wordt evenmin verleend indien de hoofdpersoon houder is van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarmee wordt voorkomen dat de vreemdeling met een verblijfsrecht dat afhankelijk is van een andere vreemdeling die zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft, na ommekomst van drie jaren een sterker verblijfsrecht kan verkrijgen dan degene bij wie verblijf was toegestaan. + +ad b. Indien de vreemdeling aanvankelijk houder was van een verblijfsvergunning op grond van een relatie, en aansluitend houder was van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk of geregistreerd partnerschap met dezelfde hoofdpersoon, wordt de duur van deze perioden opgeteld. + +ad c. Een overgangsregeling is getroffen voor die gevallen waarin de vreemdeling ten minste een jaar, maar minder dan drie jaren, houder is geweest van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk dat drie jaren direct voorafgaande aan de ontwrichting of ontbinding daarvan heeft standgehouden. Zie B2/5.3.4. + +##### 5.3.2. Overlijden van de hoofdpersoon + +– de overleden (huwelijks)partner verblijfsrecht van tijdelijke aard had (zie artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit) of houder was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; indien dat wel het geval was, kan voortgezet verblijf slechts worden aanvaard op grond van artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit; +– er onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden die tot de verlening van de verblijfsvergunning hebben geleid (zie B1); of +– de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. + +– niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of +– niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +##### 5.3.3. Klemmende redenen van humanitaire aard + +1. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst; +2. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst; +3. de vraag of in het land van herkomst een naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is; +4. de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen; en +5. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. + +ad 1, 2 en 3. Aan de hand van de door de vreemdeling overgelegde informatie omtrent de bovengenoemde factoren kan de IND zonodig een individueel ambtsbericht opvragen bij de Minister van Buitenlandse zaken. + +ad 4. Van belang is de mate van worteling in de Nederlandse samenleving en de mogelijkheid om het familie- en gezinsleven elders voort te zetten. + +ad 5. Aan deze laatste factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (nummers 1-4) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van de aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts. + +Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 17 oktober 2003. Dit is de datum waarop de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin deze regeling wordt aangekondigd, aan de Tweede Kamer is aangeboden. + +– een aangifte *en* een verklaring van een (vertrouwens)arts; of +– een verklaring van het Openbaar Ministerie dan wel de korpschef *en* een verklaring van een (vertrouwens)arts.” + +##### 5.3.4. Overgangsregeling + +– de verblijfsvergunning is verleend voor 11 december 2000 op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap (dus niet op grond van een relatie); +– de vreemdeling ten minste een jaar, maar minder dan drie jaren, houder is geweest van de verblijfsvergunning, en in die periode aan de voorwaarden is blijven voldoen; +– het huwelijk of het geregistreerde partnerschap na drie jaren is ontwricht of ontbonden; en +– zich geen van de afwijzingsgronden van artikel 16 Vreemdelingenwet voordoet. + +#### 5.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.5. Internationale verplichtingen + +Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard. Zie B2/13. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.6. Overgangsrecht + +Artikel + 9.5 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder u, worden verleend aan de vreemdeling, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet: + + + a. + drie jaren in Nederland heeft verbleven als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht, of + + + b. + als echtgenoot, partner of kind, waaronder begrepen pleegkind of adoptiefkind, van een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht verblijf was toegelaten, indien deze persoon is overleden. + + + + + 2 + De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. + + + + + Ingevolge artikel 115, tweede lid, Vreemdelingenwet wordt de vergunning tot verblijf met beperkingen bij de inwerkingtreding van de Wet, onder handhaving van de beperkingen en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. Artikel 9.5 Vreemdelingenbesluit ziet op dergelijke oude gevallen waarin de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking die uit het oude beleid voortvloeide. De regeling ziet echter ook op oude gevallen waarin de vreemdeling zonder dat een verblijfsvergunning is verleend, op andere wijze rechtmatig verblijf in Nederland heeft behouden. Op grond van artikel 9.5 Vreemdelingenbesluit kan een verblijfsvergunning worden verleend onder de beperking voortgezet verblijf. Het kan gaan om de oude beperking, verrichten van arbeid al dan niet in loondienst (het zogeheten zoekjaar), voor het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige of een andere beperking. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 6. Minderjarige kinderen + +#### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +– de familierechtelijke relatie (B2/6.2); +– de gelegaliseerde akten (B2/6.3); +– de feitelijke gezinsband (B2/6.4); +– de minderjarigheid (B2/6.5); +– de verblijfsstatus van de hoofdpersoon (B2/6.6); +– polygamie (B2/6.7); +– samenwoning (B2/6.8). + +#### 6.2. Familierechtelijke relatie + +Er zijn rechtsstelsels die, ingeval er gezamenlijk gezag van de ouders over kinderen bestaat, het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stellen van de toestemming van de andere ouder. In die gevallen wordt de verklaring, waaruit de toestemming van die andere ouder blijkt, bij de aanvraag overgelegd, waarbij een kopie van het identiteitsbewijs van die andere ouder wordt overgelegd, ter verificatie van de handtekening. + +##### 6.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen + +Erkenning van een buitenlandse adoptie is mogelijk op grond van het Haags Adoptieverdrag van 29 mei 1993 (Trb. 1993, 197) of op grond van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb., 2003, 283). Heeft een van de adoptanten het Nederlanderschap, dan is het mogelijk dat het adoptiefkind door de adoptie van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen en derhalve zonder meer voor toelating in aanmerking komt. Het navolgende is van toepassing op het geval dat het kind weliswaar bij een in Nederland te erkennen adoptie is geadopteerd, maar (nog) niet het Nederlanderschap heeft verkregen. + +###### 6.2.1.1. Verdragsadopties + +Een buitenlandse adoptie wordt erkend wanneer die adoptie is geschied overeenkomstig het Haags Adoptieverdrag. Het Haags adoptieverdrag is, behalve door Nederland (het Koninkrijk in Europa), ook bekrachtigd door: Albanië, Andorra, Australië, Bolivia, Brazilië, Bulgarije, Burkina Faso, Burundi, Canada, Chili, Colombia, Costa Rica, Cyprus, Denemarken, Duitsland, El Salvador, Equador, Estland, Filippijnen, Finland, Frankrijk, Georgië, India, Israël, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Mauritius, Mexico, Moldavië, Monaco, Mongolië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Panama, Paraguay, Peru, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Sri Lanka, Tsjechië, Uruguay, Venezuela, Verenigd Koninkrijk, Wit-Rusland, IJsland, Zuid-Afrika, Zweden en Zwitserland. + + + Adoptiebeslissingen, gegeven in een van deze verdragslanden, worden door de andere verdragslanden erkend, indien een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat die adoptiebeslissing conform dat verdrag heeft plaatsgevonden. Dat is een verklaring van conformiteit ex artikel 23 van het Verdrag, afkomstig van de bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden. Het kan daarbij gaan om interlandelijke adopties waarbij de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn geweest, maar dat is niet vereist. Het kan ook gaan om een adoptiebeslissing van verdragsland A waarbij verdragsland B als staat van opvang heeft gefungeerd. Een dergelijke verdragsadoptie wordt in Nederland erkend, mits de vereiste verklaring van conformiteit is overgelegd. + + + Landen die het verdrag hebben ondertekend, maar nog niet bekrachtigd zijn: België, China, Ierland, Portugal, Rusland, Turkije en de Verenigde Staten. Adoptiebeslissingen, gegeven door deze landen, worden niet op grond van het Verdrag erkend. + + + NB. Actuele informatie inzake al dan niet bij het Verdrag aangesloten landen kan worden verkregen bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht of bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 6.2.1.2. Niet-verdragsadopties + +De erkenning van een adoptiebeslissing die is gegeven in een niet-verdragsland, wordt beheerst door de Nederlandse internationaal privaatrechtelijke conflictregels aangaande adoptie. Op 1 januari 2004 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) inwerking getreden (Wet van 3 juli 2003, Stb. 283). De artikelen 6 en 7 bepalen de omstandigheden waaronder een adoptiebeslissing in de Nederlandse rechtsorde kan worden erkend. Erkenning op grond van de Wcad is alleen mogelijk indien de buitenlandse adoptie tot stand is gekomen (d.w.z. kracht van gewijsde heeft gekregen) op of na 1 januari 2004. + + + + + Artikel + 6 + Wet conflictenrecht adoptie luidt: + + + 1 + Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen, wordt in Nederland van rechtswege erkend indien zij is uitgesproken door + + + a. + een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar de adoptiefouders en het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden; of + + + b. + een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar hetzij de adoptiefouders, hetzij het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden. + + + + + 2 + Aan een beslissing houdende adoptie wordt erkenning onthouden indien + + + a. + aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of + + + b. + in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, de beslissing niet is erkend in de staat waar het kind, onderscheidenlijk de staat waar de adoptiefouders zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden; of + + + c. + de erkenning van die beslissing kennelijk in strijd met de openbare orde zou zijn. + + + + + 3 + Op de in het tweede lid, onder c, genoemde grond wordt aan een beslissing houdende adoptie in elk geval erkenning onthouden indien de beslissing kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft. + + + 4 + De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet op de in het tweede lid, onder c, genoemde grond worden geweigerd enkel omdat daarop een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen van hoofdstuk 2 zou zijn gevolgd. + + + + + + + Artikel + 7 + Wet conflictenrecht adoptie luidt: + + + 1 + Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, wordt erkend indien: + + + a. + de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in acht zijn genomen, en + + + b. + de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en + + + c. + erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, van deze wet, zou worden onthouden. + + + + + 2 + Een adoptie als bedoeld in het eerste lid wordt slechts erkend indien de rechter heeft vastgesteld dat aan de in dat lid genoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan. Toepasselijk is de procedure van artikel 26 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. + + + 3 + De rechter die vaststelt dat aan de voorwaarden voor erkenning van de adoptie is voldaan, geeft ambtshalve een last tot toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand. De artikelen 25, zesde lid, 25c, derde lid, en 25g, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. + + + + + Een in het kader van dit hoofdstuk veel voorkomende situatie - die van de in Nederland wonende hoofdpersoon die een buitenlandse adoptiebeslissing overlegt - wordt bestreken door artikel 7 van de Wcad. Het eerste lid van dit artikel bevat voor de hoofdpersoon die zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de adoptie-uitspraak zijn gewone verblijfsplaats in Nederland had de belangrijke voorwaarde dat aan de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie moet zijn voldaan (zie B3/3.1.2). Op grond van het tweede lid van artikel 7 van de Wcad dient in de door het eerste lid bestreken gevallen de Nederlandse rechter vast te stellen of aan de daar genoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan. + + + Om vast te kunnen stellen of op grond van de buitenlandse adoptiebeslissing een familierechtelijke relatie bestaat tussen de hoofdpersoon en het adoptie(f)kind zal bij het indienen van een aanvraag in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming dus naast de op de in B2/12 beschreven wijze gelegaliseerde buitenlandse adoptiebeslissing tevens de beslissing van de Nederlandse rechter moeten worden overgelegd. + +200212201-07-200228-06-20025158668/02/IND200212201-07-200228-06-20025158668/02/IND03-07-2002 + +#### 6.3. Gelegaliseerde akten + +De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/12 van toepassing is. Dat is ook het geval, indien de vreemdeling zich er op beroept dat aan alle voorwaarden van artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit wordt voldaan. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.4. Feitelijk behoren tot het gezin + +De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort of niet reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen bij de ouder(s). + +20025825-02-20025113023/01/IND20025825-02-20025113023/01/IND23-03-2002 + +##### 6.4.1. Referteperiode + +Het vorenstaande geeft uiting aan het principe dat aan illegaal verblijf in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend. Indien het kind bijvoorbeeld na achterlating eerst vier jaar in het land van herkomst verblijft en vervolgens twee jaar niet rechtmatig in Nederland verblijft voordat de aanvraag voor gezinshereniging wordt gedaan, is sprake van een referteperiode van zes jaar. + +##### 6.4.2. Onderscheid + +Onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin sprake is van een scheiding tussen de ouder(s) en het kind die nog geen vijf jaar heeft geduurd, en gevallen waarin die scheiding vijf jaar of langer heeft geduurd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 6.4.2.1. I. Referteperiode tot vijf jaar + +a. het kind gaat zelfstandig wonen en in eigen onderhoud voorzien; +b. het kind vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie; +c. ten aanzien van het kind is een maatregel van kinderbescherming opgelegd en/of een gezagsvoorziening getroffen. + +Als uitgangspunt geldt dat minderjarige kinderen in principe bij de ouder(s) behoren, maar dat indien men in een reeks van jaren geen signaal heeft afgegeven dat men gezinshereniging wil, niet meer gesteld kan worden dat Nederland het meest aangewezen land is voor gezinshereniging. Hieraan wordt uiting gegeven doordat tot vijf jaar na de scheiding tussen ouder en kind in beginsel zonder meer wordt aangenomen dat het kind feitelijk behoort tot het gezin van deze ouder. De termijn van vijf jaar biedt de ouder(s) voldoende gelegenheid de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de overkomst van het kind naar Nederland. Bovendien is het aldus voor het kind mogelijk om op een in zijn belang gekozen tijdstip naar Nederland te gaan, bijvoorbeeld in verband met het afronden van (een fase van) de schoolopleiding. Vanzelfsprekend moet voor de afgifte van de verblijfsvergunning wel aan alle overige voorwaarden (zoals aantonen juridische gezinsband, beschikken over voldoende middelen van bestaan, geen gevaar voor de openbare orde, etc.) worden voldaan. + +Het voorgaande betekent echter ook dat na verloop van tijd wordt aangenomen dat het kind is geworteld in het land van herkomst en dat om die reden hereniging met de in Nederland verblijvende ouder(s) niet voor de hand ligt. Dit wordt geacht het geval te zijn na vijf jaar nadat het kind door de ouder(s) is achtergelaten in het land van herkomst. Dit geldt ook indien de ouders van een kind nog met elkaar gehuwd zijn en het kind bij een van hen verblijft. In dat geval wordt na een referteperiode van vijf jaar of langer aangenomen dat het kind niet langer behoort tot het gezin van de om de overkomst vragende ouder. + +###### 6.4.2.2. II. Referteperiode van vijf jaar of langer + +a. er is voor het kind geen aanvaardbare toekomst weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van dat kind sprake is van zodanige omstandigheden dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Dit wordt in het algemeen niet aangenomen indien het kind in minder welvarende omstandigheden verblijft, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Het enkele feit dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand zou komen te verkeren betekent derhalve niet dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst. De aanvrager die zich erop beroept dat het kind geen aanvaardbare toekomst in het land van herkomst heeft, toont dat aan door middel van objectief verifieerbare bescheiden, waarin is aangegeven welke bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de persoon van het kind of de familie in het land van herkomst die de conclusie rechtvaardigen dat zij naar objectieve maatstaven niet of bezwaarlijk voor het kind kunnen zorgen. De aanvrager die zich erop beroept dat de directe verzorger is overleden, toont dit aan door middel van objectief verifieerbare bescheiden, zoals een overlijdensakte; of +b. het kind is in een oorlogssituatie onvindbaar geweest, waardoor het voor de in Nederland verblijvende ouder(s) onmogelijk is geweest het kind naar Nederland te laten overkomen. Door de ouder(s) dient aannemelijk te worden gemaakt dat de overkomst van het kind door de oorlogssituatie niet binnen vijf jaar na de scheiding kon worden gerealiseerd. Tevens dient door de ouder(s) aannemelijk te worden gemaakt dat de intentie om het kind binnen die vijf jaar over te laten komen, wel steeds aanwezig is geweest, bijvoorbeeld door het overleggen van een verzoek aan het Rode Kruis om het kind te zoeken. + +Ook indien de ouders van een kind nog met elkaar gehuwd zijn en het kind bij een van hen verblijft, wordt na een referteperiode van vijf jaar of langer aangenomen dat het kind niet langer behoort tot het gezin van de om de overkomst vragende ouder. In deze situatie dient de worteling van het kind in het land van herkomst na vijf jaar in beginsel zwaarder te wegen dan de civielrechtelijke betekenis van het huwelijk. Indien de achtergebleven ouder en het kind tegelijkertijd om verblijf bij de in Nederland wonende echtgenoot/ouder verzoeken, wordt het kind geacht feitelijk te behoren tot het gezin van de eerstgenoemde ouder. Een referteperiode van vijf jaar of langer staat in dat geval niet aan overkomst van het kind in de weg. + +##### 6.4.3. Minderjarige kinderen/verruimde gezinshereniging + +Bepalend voor de vraag of aan bovengenoemd beleid of het beleid inzake verruimde gezinshereniging moet worden getoetst, is de leeftijd van het kind op de datum van aanvraag om gezinshereniging. Als bijvoorbeeld een kind op 16-jarige leeftijd is achtergelaten en twee jaar daarna wordt de aanvraag om gezinshereniging ingediend, geldt het beleid inzake verruimde gezinshereniging. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.4. Ondertekening + +Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring van het model M41. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.5. Afwijking van het vereiste dat de feitelijke gezinsband reeds in het buitenland bestaat + +Voor gevallen waarin sprake is van een te erkennen buitenlandse adoptiebeslissing (zie B2/6.2.1) wordt een uitzondering gemaakt op het vereiste dat de feitelijke gezinsband reeds in het buitenland moet hebben bestaan. + + + Indien het kind voorafgaande aan de adoptiebeslissing *niet* in het buitenland in het gezin van adoptanten was opgenomen, is niet voldaan aan de vereisten dat het kind *feitelijk* behoort tot het gezin en dat de gezinsband reeds in het buitenland bestond. Indien vestiging van die feitelijke gezinsband als gevolg van het buitenlandse recht niet mogelijk was voorafgaande aan de adoptie, kan toch een verblijfsvergunning worden verleend, mits aan alle overige voorwaarden, gesteld in het kader van gezinshereniging is voldaan. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.5. Minderjarigheid + +De verblijfsvergunning wordt niet in het kader van gezinshereniging verleend, indien het kind naar Nederlands recht meerderjarig is. Dat betekent dat geen verblijf wordt toegestaan aan het kind dat de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, gehuwd is (geweest), een geregistreerd partnerschap is aangegaan of door de kantonrechter in het belang van moeder en kind meerderjarig is verklaard met toepassing van artikel 1:253 ha Burgerlijk Wetboek. Op het vereiste van minderjarigheid zijn twee uitzonderingen. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat verblijf kan worden aanvaard in het kader van verruimde gezinshereniging (B2/8). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.5.1. Uitzondering op het vereiste van minderjarigheid: militaire dienst + +a. het kind in het land van herkomst is achtergebleven in verband met de vervulling van de militaire dienstplicht; +b. hij op het tijdstip waarop de andere gezinsleden naar Nederland vertrokken de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt; en +c. de aanvraag binnen zes maanden na het ontslag uit militaire dienst is ontvangen. + +##### 6.5.2. Uitzondering op het vereiste van minderjarigheid: huisvestingsvereiste + +a. het kind nog geen twintig jaren oud is en niet gehuwd is (of is geweest), geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, en niet met toepassing van artikel 253ha van Boek I van het Burgerlijk Wetboek meerderjarig is verklaard; +b. eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging is afgewezen op de enkele grond dat de ouder bij wie hij wil verblijven niet beschikt over passende huisvesting; +c. de ouder bij wie het kind wil verblijven, sedert het tijdstip waarop het kind nog geen vijftien jaren oud was, als woningzoekende is ingeschreven; en +d. het kind tegelijkertijd met de overige gezinsleden om verblijf in Nederland vraagt. + +##### 6.5.3. Bepaling van de geboortedatum + +De geboortedatum van het minderjarige kind moet vast staan op grond van gelegaliseerde officiële documenten afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. Indien van een vreemdeling uitsluitend het geboortejaar bekend is, wordt de geboortedatum bepaald op 1 juli. + Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand bekend, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.5.4. Correctie van de geboortedatum + +Het kan zich voordoen dat van een vreemdeling die voor gezinshereniging naar Nederland is gekomen de bij de gemeente en Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bekende geboortedatum door de autoriteiten van het land van herkomst blijkt te zijn gecorrigeerd. + + + Nederlandse overheidsinstanties zijn in beginsel gehouden een in het buitenland door een beslissing van een daartoe bevoegde rechterlijke autoriteit tot stand gekomen correctie van een geboortedatum in een stuk van de burgerlijke stand te erkennen. + Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, op grond hiervan overgaat tot correctie van de geboortedatum van de vreemdeling, meldt hij dit via een GBA-bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + + + Indien hij daarentegen niet overgaat tot deze correctie en er gerede twijfel mogelijk is aan de juistheid van de door de autoriteiten in het land van herkomst gecorrigeerde geboortedatum van de vreemdeling, dan zal dit bij de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van de aanvraag nader worden onderzocht. Daartoe dient te worden beschikt over een kopie van de door de vreemdeling overgelegde documenten met betrekking tot de correctie van de geboortedatum. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon + +a. Nederlander; +b. gemeenschapsonderdaan; +c. Turks onderdaan die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80; of +d. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), tenzij de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: + +– onder een beperking verband houdend met uitwisseling, verblijf als au pair of verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; +– die met toepassing van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit is verleend en de houder een verblijfsrecht geeft van tijdelijke aard in de zin van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. Het gaat hierbij om tijdelijke regelingen op grond waarvan de hoofdpersoon gedurende slechts een korte tijd in Nederland mag verblijven. + +#### 6.7. Polygamie + +Zolang de ouder met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote of partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.8. Samenwoning + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon niet (gaan) samenwonen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.9. Openbare orde beleid + +a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf, of hem een langdurige vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd; +b. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een taakstraf en de rechter een langdurige vervangende hechtenis heeft vastgesteld voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht; of +c. bij herhaling wegens misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf of een taakstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. +d. Onder langdurig wordt hier verstaan een periode van zes maanden of langer. + +#### 6.10. Middelen + +a. 65 jaar of ouder is, +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, +c. blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. + +De aanvraag wordt ingevolge artikel 3.22, vierde lid, Vreemdelingenbesluit niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien: + +e. deze aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, en +f. gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft. + +Zie in dit verband 2.11. + +In artikel 3.22, eerste lid, Vreemdelingenbesluit is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, Vreemdelingenbesluit, en een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven. In het Vreemdelingenbesluit is derhalve geen verplichting neergelegd om de inkomsten van anderen dan de hoofdpersoon mee te tellen bij de berekening van de bestaansmiddelen. + +Ad b. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. + +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad c. + +##### 6.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 + +a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. + +Ad b. Ten aanzien van de vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. + +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11.1 onder ad c. + +In artikel 3.22 Vreemdelingenbesluit is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, Vreemdelingenbesluit, en een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven. In het Vreemdelingenbesluit is derhalve geen verplichting neergelegd om de inkomsten van anderen dan de hoofdpersoon mee te tellen bij de berekening van de bestaansmiddelen. + +##### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex + +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, aan wie bij beschikking van op of na 1 april 2004 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2004. + +Als het gaat om (voor-)kinderen die verblijf beogen bij hun juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij een derde (die dan de hoofdpersoon van de ouder is), dan geldt het volgende. In die gevallen wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet afgewezen omdat niet wordt beschikt over duurzame, zelfstandig verworven voldoende middelen van bestaan indien door de degene bij wie de juridische of biologische ouder verblijf beoogt, duurzaam wordt beschikt over zelfstandig verworven middelen van bestaan, waarbij de inkomsten ten minste even hoog moeten zijn als het normbedrag waarover degene bij wie de biologische of juridische ouder verblijf beoogt, dient te beschikken. + +In hoofdstuk A4/4.2.1 Vreemdelingencirculaire 1994 stond opgenomen dat middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt indien deze voor de periode van één jaar beschikbaar zijn. + +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 18 jaar of ouder, maar jonger dan 23 jaar is en + +– een zelfstandig inkomen uit arbeid verwerft van ten minste 32 uur per week, ongeacht de hoogte van dat inkomen; of +– ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand verdient. + +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 23 jaar of ouder is en: + +– een zelfstandig inkomen verwerft uit een dienstverband ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand; +– een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (conform het 4-uit-5-criterium van artikel 17 Werkloosheidswet) ontvangt ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand. + +Voor langdurig werklozen die een uitkering genieten krachtens de Wet werk en bijstand kan gezinshereniging of -vorming toch mogelijk zijn indien kan worden vastgesteld dat een langdurig werkloze, ondanks serieuze inspanningen, geen uitzicht heeft op werk om daarmee zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij in het verleden wel langdurig heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Voor langdurig werklozen wordt dit onder andere getoetst aan: + +– de duur van het verblijf in Nederland; +– de duur van de werkloosheid (minimaal drie jaar); +– de duur en de aard van de werkzaamheden in het verleden; +– serieuze inspanningen om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien; +– uitzichten op een werkkring; +– leeftijd; +– medische aspecten. + +#### 6.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders + +Artikel 3.23 Vreemdelingenbesluit bevat een bijzondere regeling voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd dan wel een vreemdeling is die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Een onderscheid wordt gemaakt naar de plaats waar het kind wordt geboren. + + + + + Artikel + 3.23 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De in artikel 3.13, eerste lid, bedoelde verblijfsvergunning wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst. + + + 2 + Indien de aanvraag is ontvangen voordat de vreemdeling de leeftijd van negen maanden heeft bereikt, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend aan de buiten Nederland geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, hebben en het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst. + + + 3 + Indien de vader van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling onbekend is, wordt de verblijfsvergunning verleend, indien de moeder sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft en het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst. + + + 4 + De verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling: + + + a. + beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën; + + + b. + beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; + + + c. + bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en + + + d. + geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + + + + + 5 + Bij de toepassing van het vierde lid, onder d, zijn de artikelen 3.77 en 3.78 van toepassing. + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.11.1. In Nederland geboren kinderen + +a. dat kind het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst (B1/2.2.8); +b. dat kind feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder (B2/6.4); +c. die ouder rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l Vreemdelingenwet. Niet vereist is dat de ouder sedert de geboorte van het kind aaneengesloten rechtmatig verblijf heeft gehad; +d. die ouder sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst (zie B1/2.2.8); +e. het kind beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie B1/2.2.2), waarbij kan worden volstaan met bijschrijving in het paspoort van de ouder; en +f. het kind geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie B1/2.2.4). + +##### 6.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen + +a. de aanvraag is ontvangen voordat het kind de leeftijd van negen maanden heeft bereikt; +b. het kind feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders (B2/6.4); +c. beide ouders sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet hebben; +d. de ouders het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst (B1/2.2.8); +e. het kind beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 17 Vreemdelingenwet of in artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit bedoelde categorieën (B1/2.2.1); +f. het kind beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (B1/2.2.2), waarbij kan worden volstaan met bijschrijving in het paspoort van de ouder; +g. het kind bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen (B1/2.2.5); en +h. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie B1/2.2.4). + +a. de aanvraag is ontvangen voordat het kind de leeftijd van negen maanden heeft bereikt; +b. het kind feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de moeder (B2/6.4); +c. de moeder sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet heeft; en +d. de moeder het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst (B1/2.2.8); +e. het kind beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 17 Vreemdelingenwet of in artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit bedoelde categorieën (B1/2.2.1); +f. het kind beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (B1/2.2.2), waarbij kan worden volstaan met bijschrijving in het paspoort van de ouder; +g. het kind bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen (B1/2.2.5); en +h. het kind geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (B1/2.2.4). + +#### 6.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift + +– Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist; +– Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; +– Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; of +– Arbeid niet toegestaan. + +#### 6.13. Onderzoek op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie + +a. deze hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden; +b. is opgenomen in het gezin van die aspirant adoptiefouders; +c. door de adoptiefouders aldaar is verzorgd en opgevoed; en +d. tezamen met de aspirant adoptiefouders Nederland is ingereisd. + +a. de aspirant adoptiefouders Nederlanders zijn of vreemdelingen die hier te lande rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e dan wel l Vreemdelingenwet hebben; en +b. de ouders van de vreemdeling (of indien dezen zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van verblijf) voor de komst van het gezin naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van de vreemdeling naar het land van verblijf vóór de komst van het gezin naar Nederland en met de opneming van de vreemdeling ter adoptie. + +a. het kind op het tijdstip van de inreis sinds meer dan een jaar bij de aspirant-adoptiefouders verblijft en door hen is verzorgd en opgevoed; of +b. het kind is geadopteerd in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag, welke overeenstemming blijkt uit een schriftelijke verklaring van de centrale autoriteit van de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden (een certificaat van conformiteit ex artikel 23 Haags adoptieverdrag). + +### 7. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarig kind + +#### 7.1. Inleiding + +Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen, indien een van de in artikel 18 Vreemdelingenwet genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (B1/2.2.2 t/m B1/2.2.4, B1/2.2.8 t/m B1/2.2.9). De aanvraag wordt derhalve ook afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden (B1/2.2.7), waarvan met name sprake zal zijn ingeval van verbreking van de gezinsband, ingeval de hoofdpersoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst of ingeval het verblijfsrecht van de hoofdpersoon wordt beëindigd. De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/3. + + + Aan vreemdelingen die als minderjarig kind in het kader van gezinshereniging houder zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie artikel 21, vierde en vijfde lid, Vreemdelingenwet; B1/3). In deze paragraaf wordt geregeld wanneer de aanvraag tot verlenging van de afhankelijke verblijfsvergunning niet wordt afgewezen en wanneer de zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ kan worden verleend. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning + +Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken. Dat lijdt uitzondering in de gevallen genoemd in B2/5.2.1 en B2/5.2.2. Deze uitzonderingen gelden ongeacht de vraag of de hoofdpersoon verblijfsrecht van tijdelijke aard of van niet-tijdelijke aard heeft. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.3. Verlening van de zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf + +Artikel 3.50 Vreemdelingenbesluit bevat een bijzondere regeling voor het voortgezet verblijf van de vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Artikel 3.50 Vreemdelingenbesluit bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien aan de voorwaarden van artikel 3.50 Vreemdelingenbesluit wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn de artikelen 3:51, derde lid, en 3:52 Vreemdelingenbesluit van belang. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 7.3.1. Na verblijf bij een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht + +a. onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel gegevens zijn achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid (B1/2.2.9); +b. de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt; +c. de aanvraag wegens gevaar voor de openbare orde kan worden afgewezen (B1/2.2.4) ; +d. de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst (B1/2.2.8); +e. de vreemdeling in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bij: + +– een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft, bijvoorbeeld een student of een houder van een verblijfsvergunning voor medische behandeling (zie artikel 3.50, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit); of +– een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie artikel 3.50, tweede lid, Vreemdelingenbesluit). Het kind van de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, dat niet zelf in aanmerking is gekomen voor een verblijfsvergunning asiel, maar wel voor een verblijfsvergunning regulier, komt niet reeds na een jaar in een betere positie te verkeren dan de houder van de verblijfsvergunning asiel bij wie het verblijft. Ook komt dit kind niet in een betere positie te verkeren dan waarin het zou hebben verkeerd, indien wel zou zijn voldaan aan de voorwaarden (van artikel 29, eerste lid, onder e, Vreemdelingenwet) voor de verlening van de asielvergunning. + +##### 7.3.2. Overlijden van de hoofdpersoon + +Ingevolge artikel 3:51, derde lid, Vreemdelingenbesluit kan de zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf eveneens worden verleend indien de hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht is overleden en de gezinsband om die reden is verbroken. In deze gevallen wordt in beginsel altijd gebruikgemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 7.3.3. Klemmende redenen van humanitaire aard + +a. er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden; en +b. van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. + +#### 7.4. Beperking en de arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.5. Internationale verplichtingen + +Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kunnen gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd dan is verblijfsbeëindiging niet aan de orde. Zie B2/13. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 8. Verruimde gezinshereniging + +#### 8.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van verruimde gezinshereniging kan op aanvraag worden verleend aan het meerderjarige kind van een in Nederland gevestigde hoofdpersoon. Artikel 3.24 Vreemdelingenbesluit geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.24 Vreemdelingenbesluit, wordt de verblijfsvergunning niet verleend. + + + + + Artikel + 3.24 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van de Wet, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien: + + + a. + de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en + + + b. + de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. + + + + + + + Artikel 3.24 Vreemdelingenbesluit geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. In deze paragraaf wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning in het kader van verruimde gezinshereniging kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. + + + Daarnaast zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vreemdelingenwet van toepassing. De verblijfsvergunning wordt derhalve niet verleend, indien niet wordt voldaan aan een of meer van die algemene voorwaarden. Verwezen wordt naar B1/2.2. Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie B2/2.11). + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 + +#### 8.2. Gezinslid + +Onder de reikwijdte van deze paragraaf vallen uitsluitend de meerderjarige kinderen van de in Nederland gevestigde hoofdpersoon. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.3. Feitelijke gezinsband + +– de gezinsband reeds in het buitenland heeft bestaan; +– er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan; en +– de vreemdeling moet gaan samenwonen bij de ouder(s). + +– duurzame opneming in een ander gezin en degene bij wie verblijf wordt beoogd is niet meer belast met het (feitelijke) gezag over de vreemdeling; +– duurzame opneming in een ander gezin en degene bij wie verblijf wordt beoogd voorziet niet meer in de kosten van opvoeding en verzorging van de vreemdeling; +– de vreemdeling gaat zelfstandig wonen en in eigen onderhoud voorzien; +– de vreemdeling vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie; +– de vreemdeling heeft de zorg of zorgplicht voor een (buitenechtelijk) kind, een pleeg- of adoptiekind of andere afhankelijke gezinsleden. + +a. duurzame opneming; +b. ander gezin; +c. (feitelijk) gezag; +d. voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging. + +Ad a. De termijn gedurende welke de ouder(s) en het kind van elkaar zijn gescheiden tot de aanvraag om gezinshereniging, wordt de referteperiode genoemd. Deze periode begint op het moment waarop de ouder het kind heeft achtergelaten. De referteperiode eindigt op het moment waarop om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging wordt verzocht danwel, indien het meerderjarige kind niet mvv-plichtig is, een aanvraag om een verblijfsvergunning voor verruimde gezinshereniging wordt ingediend. + +– het kind in een oorlogssituatie onvindbaar is geweest, waardoor het voor de in Nederland verblijvende ouder onmogelijk is geweest het kind naar Nederland te laten overkomen. De in Nederland verblijvende ouder dient aannemelijk te maken dat de overkomst van de vreemdeling door de oorlogssituatie niet binnen een jaar na de scheiding kon worden gerealiseerd. Tevens zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat de intentie om de vreemdeling binnen dat jaar over te laten komen, wel steeds aanwezig is geweest, bijvoorbeeld door het overleggen van een verzoek aan het Rode Kruis om de vreemdeling te zoeken; of +– de in Nederland verblijvende ouder vanwege medische omstandigheden niet of bezwaarlijk de opvoeding en verzorging van het meerderjarige kind op zich kon nemen. Dit dient in ieder geval door middel van medische verklaringen van de behandelende arts(en) te worden aangetoond. + +– degene bij wie verblijf wordt beoogd niet rechtmatig in Nederland verbleef; +– degene bij wie verblijf wordt beoogd hier te lande werkzaam was of een opleiding volgde en daardoor niet in staat was om voor de vreemdeling te zorgen; +– de vreemdeling in het land van herkomst zijn schoolopleiding moest voltooien; of +– de verblijfgever van de in Nederland verblijvende persoon niet instemde met de overkomst van de vreemdeling. + +Ad b. Van opneming in een *ander* gezin is sprake, indien de rol van gezinshoofd ten opzichte van de vreemdeling door een ander dan de in Nederland verblijvende hoofdpersoon is overgenomen. Ook opvang in een tehuis of een andere instelling wordt aangemerkt als opname in een ander gezin. Niet relevant is de vraag of de hier te lande wonende ouder reeds een ander gezin heeft gesticht. + +Ad c. Met gezag wordt in beginsel bedoeld: de feitelijke invulling van het gezag. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden in hoeverre de ouder betrokken is (geweest) bij de belangrijkste beslissingen inzake de opvoeding en/of verzorging van het meerderjarige kind. Voorbeelden van dergelijke beslissingen zijn die ten aanzien van de schoolkeuze, huisvesting en sociale ontwikkeling van het meerderjarige kind. + +Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van gezag als hier bedoeld. + +Ad d. Uitgangspunt is dat de ouder wezenlijk en aantoonbaar moet voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van de vreemdeling. + +Wanneer een kind buiten Nederland verblijft, zal de Sociale Verzekeringsbank pas overgaan tot uitkering van kinderbijslag, indien de ouder heeft aangetoond dat hij het kind financieel in belangrijke mate heeft onderhouden. Hoewel in beginsel geen kinderbijslag kan worden ontvangen voor meerderjarige kinderen, is er toch aanleiding om bij de AKW aan te sluiten, nu het erom gaat dat de ouder aantoont dat hij in wezenlijke mate heeft voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van het kind. Voor het beoordelen van de vraag of de ouder ‘wezenlijk’ heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van het meerderjarige kind, wordt aangesloten bij de AKW-norm voor 17-jarigen. + +Indien een feitelijke gezinsband eenmaal verbroken is geoordeeld, wordt herstel van deze band niet aangenomen. + +Het in deze paragraaf omschreven beleid geldt niet voor andere gezinsleden dan de meerderjarige kinderen. Voor het beleid ten aanzien van vreemdelingen van 65 jaar en ouder wordt verwezen naar B2/10. Ook voor hen en de overige gezinsleden geldt daarnaast dat in alle gevallen getoetst moet worden of artikel 8 EVRM noopt tot verlening van een verblijfsvergunning. Hiervoor wordt verwezen naar B2/13. + +#### 8.4. Gelegaliseerde akten + +De familierechtelijke relatie tot de hoofdpersoon wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/12 van toepassing is. + De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.5. Achterlating een onevenredige hardheid + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de achterlating van het gezinslid in het land van herkomst geen onevenredige hardheid betekent (zie artikel 3.24, onder b, Vreemdelingenbesluit). Het betreft hier gevallen waarin door bijzondere omstandigheden de algemene belangen die zijn gediend met een restrictief toelatingsbeleid, niet opwegen tegen de belangen van de vreemdeling bij verblijf in Nederland bij de hier gevestigde familieleden. In het algemeen kan die onevenredigheid slechts aanwezig zijn, indien sprake is van een of meer zeer bijzondere individuele omstandigheden, die bovendien tot gevolg hebben dat de achterlating van de vreemdeling in het land van herkomst een schrijnende situatie zou opleveren. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.6. Verblijfsstatus hoofdpersoon + +a. Nederlander; +b. gemeenschapsonderdaan; +c. Turks onderdaan die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80; of +d. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), tenzij de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: + +– onder een beperking verband houdend met uitwisseling, studie, verblijf als au pair, of met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; +– die met toepassing van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit is verleend en de houder een verblijfsrecht geeft van tijdelijke aard in de zin van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. Het gaat hierbij om tijdelijke regelingen op grond waarvan de hoofdpersoon gedurende slechts een korte tijd in Nederland mag verblijven. + +#### 8.7. Polygamie + +Zolang de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerde partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht erkend is, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.8. Samenwoning + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon niet (gaan) samenwonen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.9. Openbare orde beleid + +a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf, of hem een langdurige vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd; +b. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis wegens een misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, is veroordeeld tot een taakstraf en de rechter een langdurige vervangende hechtenis heeft vastgesteld voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht; of +c. bij herhaling wegens een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf of een taakstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. + +#### 8.10. Middelen + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor echtparen/gezinnen. + +a. 65 jaar of ouder is, +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of +c. blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. + +Ter zake van het meetellen van het gezinsinkomen bij (voor)kinderen en vrijstelling verblijfgever bij hoofdpersoon wordt aangesloten bij paragraaf 6.10. + +Ad b. Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond wordt aangesloten bij paragraaf 2.11 onder ad b. + +Ad c. Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond wordt aangesloten bij paragraaf 2.11 onder ad c. + +##### 8.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 + +a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. + +In artikel 3.22 Vreemdelingenbesluit is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, Vreemdelingenbesluit, en een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven. In het Vreemdelingenbesluit is derhalve geen verplichting neergelegd om de inkomsten van anderen dan de hoofdpersoon mee te tellen bij de berekening van de bestaansmiddelen. + +Ad b. Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien: + +a. uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WAO,WAZ of WAJONG blijkt, dat de hoofdpersoon volledig arbeidsongeschikt is; en +b. uit de meest recente uitkeringsspecificatie (die van minimaal één jaar na datum toekenningsbeschikking is) volgt dat de hoofdpersoon nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is, omdat de uitkering minimaal op gelijke hoogte is gebleven. + +– sprake is van ten minste twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid; +– (gedeeltelijk) herstel voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs is uitgesloten; en +– niet reeds op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk herstel na dit jaar is te verwachten. + +Ad c. Een persoon heeft in beginsel ook *alleen* de zorg voor een kind indien de buitenlandse partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend welke in behandeling is genomen en deze partner in afwachting van een beslissing rechtmatig in Nederland verblijft. + +##### 8.10.2. Middelen: overgangsrecht ex + +Als het gaat om (voor-)kinderen die verblijf beogen bij hun juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij een derde (die dan de hoofdpersoon van de ouder is), dan geldt het volgende. In die gevallen wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet afgewezen omdat niet wordt beschikt over duurzame, zelfstandig verworven voldoende middelen van bestaan indien door de degene bij wie de juridische of biologische ouder verblijf beoogt, duurzaam wordt beschikt over zelfstandig verworven middelen van bestaan, waarbij de inkomsten ten minste even hoog moeten zijn als het normbedrag waarover degene bij wie de biologische of juridische ouder verblijf beoogt, dient te beschikken. + +In hoofdstuk A4/4.2.1 Vreemdelingencirculaire 1994 stond opgenomen dat middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt indien deze voor de periode van één jaar beschikbaar zijn. + +Ten aanzien van het middelenvereiste gelden afwijkende regels indien verblijf in Nederland wordt beoogd voor gezinshereniging of gezinsvorming bij een: + +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, aan wie bij beschikking van op of na 1 april 2004 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2004. + +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 18 jaar of ouder, maar jonger dan 23 jaar is en + +– een zelfstandig inkomen uit arbeid verwerft van ten minste 32 uur per week, ongeacht de hoogte van dat inkomen; of +– ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand verdient. + +De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 23 jaar of ouder is en: + +– een zelfstandig inkomen verwerft uit een dienstverband ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand; +– een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (conform het 4-uit-5-criterium van artikel 17 Werkloosheidswet) ontvangt ter hoogte van ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand. + +Voor langdurig werklozen die een uitkering genieten krachtens de Wet werk en bijstand kan gezinshereniging of -vorming toch mogelijk zijn indien kan worden vastgesteld dat een langdurig werkloze, ondanks serieuze inspanningen, geen uitzicht heeft op werk om daarmee zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij in het verleden wel langdurig heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Voor langdurig werklozen wordt dit onder andere getoetst aan: + +– de duur van het verblijf in Nederland; +– de duur van de werkloosheid (minimaal drie jaar); +– de duur en de aard van de werkzaamheden in het verleden; +– Serieuze inspanningen om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien; +– Uitzichten op een werkkring; +– Leeftijd; +– Medische aspecten. + +#### 8.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift + +– Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist; +– Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; +– Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; of +– Arbeid niet toegestaan. + +#### 8.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning + +##### 8.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +In artikel 3.24a Vreemdelingenbesluit is een aanspraak gegeven op de verlening van een verblijfsvergunning in het kader van verruimde gezinshereniging aan bloedverwanten in rechtstreeks opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien wordt aangetoond dat aan al de daar vermelde voorwaarden is voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Daarbij is van belang dat in deze paragraaf ook regels worden gegeven over de toepassing van enkele voorwaarden. Het betreft beleidsregels over de vaststelling van feiten. + Indien niet onverkort wordt voldaan aan alle voorwaarden van dit artikel, bestaat geen aanspraak op verlening van de verblijfsvergunning, maar kan de vergunning toch worden verleend, indien is voldaan aan de voorwaarden van deze paragraaf. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. + + + + + Artikel + 3.24a + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend aan de bloedverwant in rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet, die niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene, indien die bloedverwant: + + + a. + beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71,tweede lid, bedoelde categorieën; + + + b. + beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; + + + c. + bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en + + + d. + geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78. + + + + + 2 + Indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de alleenstaande minderjarige of de bloedverwant, bedoeld in het eerste lid, bijzondere banden heeft of indien de aanvraag niet is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige, bedoeld in het eerste lid, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de wet, is verleend, wordt de vergunning eerst verleend, nadat de alleenstaande minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. + + + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.2. Bloedverwantschap en gezinsband + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, Vreemdelingenbesluit verleend indien de vreemdeling een bloedverwant is, in de rechtstreeks opgaande lijn, van de hoofdpersoon. + Uitgangspunt daarbij is in dit kader dat met de bloedverwantschap als regel ook de gezinsband is gegeven. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling geen bloedverwant is in de rechtstreeks opgaande lijn van de hoofdpersoon. + + + Onder bloedverwant in de rechtstreeks opgaande lijn wordt verstaan: ouder, grootouder, overgrootouder. + + + De bloedverwantschap c.q. de gezinsband tussen de vreemdeling en de hoofdpersoon wordt met officiële bewijsstukken aangetoond, waarop in beginsel paragraaf 12 van toepassing is, maar andere bewijsstukken worden ook in aanmerking genomen. + De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap c.q. de gezinsband. + Indien er andere gronden zijn om de vergunning niet te verlenen, wordt het eventueel ontbreken van bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap c.q. gezinsband wel tegengeworpen. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, verleend indien de hoofdpersoon een minderjarige is, die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + Het is daarbij niet van belang of de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, c dan wel d, Vreemdelingenwet. + Uit de aard van de zaak wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vreemdelingenwet. + + + Vanzelfsprekend wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend indien het gezinslid zelf een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de hoofdpersoon niet als minderjarige houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + Dat betekent dat de aanvraag wordt afgewezen als de alleenstaande minderjarige houder is van een verblijfsvergunning regulier, bijvoorbeeld onder een beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, Vreemdelingenbesluit verleend indien de hoofdpersoon nog niet de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon op de datum van ontvangst van de aanvraag inmiddels de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, tenzij de hoofdpersoon wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld dan wel er een mentorschap is ingesteld, bedoeld in respectievelijk de artikelen 378, 431 en 450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.5. Alleenstaand + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, Vreemdelingenbesluit verleend, indien de hoofdpersoon alleenstaand is. + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet alleenstaand is. + + + De hoofdpersoon wordt als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding van een krachtens de wet of gewoonterecht verantwoordelijke volwassene in Nederland is aangekomen. + De hoofdpersoon wordt eveneens als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding wordt achtergelaten, nadat hij in Nederland is aangekomen. + + + N.B. onder alleenstaand wordt hier aldus wat anders verstaan dan in artikel 3.4, eerste lid, onder x, 3.5, tweede lid, onder q, 3.6, onder b, en 3.56 Vreemdelingenbesluit, alsmede hoofdstuk C2/7 paragraaf 1.3 Vreemdelingencirculaire. + + + De aanvraag wordt niet afgewezen op grond dat de vreemdeling niet alleenstaand is, indien door de Nederlandse rechter een reeds in Nederland gevestigde persoon (niet zijnde bloedverwant in de rechtstreeks opgaande lijn) of instelling als voogd is benoemd. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.6. Machtiging tot voorlopig verblijf + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of is vrijgesteld op grond van artikel 17, eerste lid, Vreemdelingenwet of artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling niet over een zodanige machtiging tot voorlopig verblijf beschikt en niet is vrijgesteld op grond van artikel 17, eerste lid, Vreemdelingenwet of artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit. B1/2.2.1 is van toepassing. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.7. Document voor grensoverschrijding + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, onder b, Vreemdelingenbesluit verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van de Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een zodanig document. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en hij niet heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. B1/2.2.2 is van toepassing. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.8. TBC-onderzoek + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit verleend indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar, of behandeling van tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling aan te wijzen landen. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar, of behandeling van tuberculose te ondergaan of daaraan mee te werken, en hij niet de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling aan te wijzen landen. B1/2.2.5 is van toepassing. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.9. Openbare orde + +De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.24a, eerste lid, onder d, Vreemdelingenbesluit verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78 Vreemdelingenbesluit. + + + De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. B1/2.2.4 is van toepassing. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 8.12.10. Middelenvereiste + +Het middelenvereiste is niet van toepassing indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, dan wel nadat die beslissing is bekend gemaakt. + +##### 8.12.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij …. [naam (minderjarige) houder asielvergunning]’. + + + De beperking wordt aangevuld met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. Tewerkstellingsvergunning niet vereist’. + + + Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een toereikende ziektekostenverzekering. + + + Aangezien de verblijfsvergunning wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is het verblijfsrecht tijdelijk van aard, gelet op artikel 3.5, tweede lid, onder a, Vreemdelingenbesluit. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +### 9. Voortgezet verblijf na verblijf in kader van verruimde gezinshereniging + +#### 9.1. Inleiding + +Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden (B1/2.2.7) of een van de andere in artikel 18 Vreemdelingenwet genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (B1/2.2.2 t/m B1/2.2.4, B1/2.2.7 t/m B1/2.2.9). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/3. + + + In deze paragraaf wordt ingegaan op de voortzetting van het verblijf van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning in het kader van verruimde gezinshereniging is verleend, door verlenging van de verblijfsvergunning (Zie 9.2) of door verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning (Zie 9.3). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 9.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning + +Nadat de vreemdeling een jaar verblijf in het kader van verruimde gezinshereniging heeft gehad, dient de verblijfsvergunning te worden verlengd. Daarbij wordt getoetst aan de algemene voorwaarden voor het verlengen van de verblijfsvergunning. Indien aan die voorwaarden wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verlengd. + + + Indien de verblijfsvergunning is verleend voor verblijf bij een minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt het feit dat die houder inmiddels de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt niet tegengeworpen in het kader van de verlenging. De verblijfsvergunning wordt om die enkele reden niet ingetrokken. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 9.2.1. Middelenvereiste + +Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken. Zie B2/5.2. + + + De in B2/5.2.1 neergelegde beleidsregels inzake het gezamenlijk inkomen zijn van overeenkomstige toepassing. Als de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van artikel 3.14, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l van de Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is, kan het zelfstandig verworven netto-inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. + + + Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/5.2.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn. + +200413923-07-200419-07-2004200413923-07-200419-07-200425-07-2004 + +##### 9.2.2. Afwijking van het middelenvereiste + +Artikel 3.85 Vreemdelingenbesluit bepaalt in welke gevallen de aanvraag tot het verlengen niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. In die gevallen wordt de verblijfsvergunning ook niet ingetrokken. + + + + + Artikel + 3.85 + + + 1 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. + + + 2 + De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. + + + + + Zie B2/2.11. + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 + +###### 9.2.2.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 + +2. De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft: +- a. de leeftijd van zevenenvijftigeneenhalf jaar heeft bereikt; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of +c. als ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, dan wel Nederlander is. + +Ad b. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11 onder ad b. + +Ad c. Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar 2.11.1 onder ad c. + +###### 9.2.2.2. Middelen: overgangsrecht ex + +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– Vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– Vreemdeling, aan wie bij beschikking van op of na 1 april 2004 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2004. + +Het middelenvereiste werd in het kader van verlengingsaanvragen niet tegengeworpen aan vreemdelingen die waren toegelaten als echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van een Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een toegelaten vluchteling (B1/1.5 Vreemdelingencirculaire 1994). Hetzelfde gold voor minderjarige kinderen van een Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een toegelaten vluchteling (B1/5.5 Vreemdelingencirculaire 1994). + +#### 9.3. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf + +a. de vreemdeling drie jaren in het kader van verruimde gezinshereniging in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning (artikel 3:51, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit; B2/9.3.1); +b. de relatie met de hoofdpersoon is verbroken door het overlijden van de hoofdpersoon (artikel 3.51, derde lid, Vreemdelingenbesluit; B2/9.3.2); +c. van de vreemdeling wegens bijzondere omstandigheden niet gevergd kan worden Nederland te verlaten na de verbreking van de gezinsband (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit; B2/9.3.3). + +##### 9.3.1. Drie jaar verblijf in het kader van verruimde gezinshereniging + +a. de vreemdeling drie jaren in het kader van verruimde gezinshereniging een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij een hoofdpersoon die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft, bijvoorbeeld een Nederlander, een houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, of een houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating of voortgezet verblijf; +b. de vreemdeling drie jaren heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning; en +c. zich geen van de algemene weigeringsgronden voordoet (zie B1/2.2). + +a. niet (meer) beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of +b. al dan niet tezamen met de hoofdpersoon niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +ad a De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de hoofdpersoon zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze een verblijfsvergunning voor medische behandeling heeft. Zie artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit. De verblijfsvergunning wordt evenmin verleend, indien de hoofdpersoon houder is van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarmee wordt voorkomen dat de vreemdeling met een verblijfsrecht dat afhankelijk is van een andere vreemdeling die zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft, na ommekomst van drie jaren een sterker verblijfsrecht kan verkrijgen dan degene bij wie verblijf was toegestaan. + +##### 9.3.2. Overlijden van de hoofdpersoon + +a. de overleden hoofdpersoon verblijfsrecht van tijdelijke aard had (zie artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit) of houder was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; indien dat wel het geval was, kan voortgezet verblijf slechts worden aanvaard op grond van artikel 3:52 Vreemdelingenbesluit; +b. er onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden die tot de verlening van de verblijfsvergunning hebben geleid (zie B1); of +c. de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. + +– niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of +– niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +##### 9.3.3. Klemmende redenen van humanitaire aard + +Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van B2/9.3.1 of B2/9.3.2, kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit). In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Schrijnende gevallen komen direct na de feitelijke verbreking van de feitelijke gezinsband in aanmerking voor de zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. + + + Indien de gezinsband op grond waarvan verblijf in het kader van verruimde gezinshereniging was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister. + + + De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 9.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 9.5. Internationale verplichtingen + +Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kunnen gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard. Zie B2/13. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 10. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder + +#### 10.1. Eerste verblijfsaanvaarding + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van verruimde gezinshereniging kan op aanvraag worden verleend aan vreemdelingen van 65 jaar of ouder die in Nederland willen verblijven bij hun kind(eren). Artikel 3.25 Vreemdelingenbesluit geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdelingen een verblijfsvergunning kan worden verleend. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.25 Vreemdelingenbesluit, wordt de verblijfsvergunning niet verleend. + + + + + Artikel + 3.25 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan de vreemdeling, die vijfenzestig jaar of ouder is, die in het land van herkomst alleenstaand is en die in Nederland wil verblijven bij zijn kinderen, indien: + + + a. + vrijwel alle kinderen rechtmatig als bedoeld in artikel 8, onder b, c en d, van de Wet, of als Nederlander in Nederland verblijven, en + + + b. + er in het land van herkomst geen kind van de vreemdeling woont dat naar het oordeel van Onze Minister geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen voorzien. + + + + + 2 + In afwijking van artikel 3.74 zijn middelen van bestaan voldoende, indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde kinderen gezamenlijk duurzaam en zelfstandig beschikken over een netto-inkomen gelijk aan de som van de bestaansminima, bedoeld in de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden. + + + + + In deze paragraaf wordt uiteengezet onder welke voorwaarden de verblijfsvergunning in het kader van verruimde gezinshereniging kan worden verleend aan vreemdelingen van 65 jaar of ouder. Daarnaast zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vreemdelingenwet van toepassing. De verblijfsvergunning wordt derhalve niet verleend, indien niet wordt voldaan aan een of meer van die algemene voorwaarden. Verwezen wordt naar B1/2.2). Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie artikel 3.25, tweede lid, Vreemdelingenbesluit). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.2. Leeftijd + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling de vijfenzestigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt (zie artikel 3.25, eerste lid, Vreemdelingenbesluit). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.3. Alleenstaand + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling in het land van herkomst niet alleenstaand is (zie artikel 3.25, eerste lid, Vreemdelingenbesluit). Een vreemdeling wordt hier als alleenstaand aangemerkt, indien de vreemdeling ongehuwd, gescheiden of weduwe/weduwnaar is, en geen duurzame en exclusieve partnerrelatie onderhoudt, tenzij er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de (huwelijks)relatie is beëindigd met het enkele oogmerk verblijfsrecht te verkrijgen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.4. Kinderen in het land van herkomst + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien in het land van herkomst een kind woont dat geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen voorzien. De vreemdeling die zich er op beroept dat het kind dat nog in het land van herkomst woont, niet kan voorzien in zijn opvang, onderbouwt dat met terzake relevante gegevens en bescheiden. De vreemdeling is daartoe de meest aangewezen partij. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.5. Kinderen in Nederland + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien niet vrijwel alle kinderen van de vreemdeling in Nederland verblijven (zie artikel 3.25, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit). Niet vereist is dat de vreemdeling bij deze kinderen gaat inwonen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon + +a. Nederlander; +b. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd; of +c. houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + +#### 10.7. Gelegaliseerde akten + +a. dat de vreemdeling alleenstaand is; in dat verband kan worden gedacht aan overlijdensakte van de echtgeno(o)t(e) of de echtscheidingsakte; +b. het aantal kinderen van vreemdeling; in dat verband kan worden gedacht aan een uittreksel uit het geboorteregister; en +c. de familierechtelijke relatie tot de in Nederland gevestigde kinderen. + +#### 10.8. Afwijking van het middelenvereiste + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor de desbetreffende categorie echtparen/gezinnen of alleenstaande ouders vermeerderd met de bijstandsnorm voor alleenstaande (zie B1/2.2.3). + + + De in Nederland woonachtige kinderen moeten gezamenlijk duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen om in hun eigen levensonderhoud en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien. Dit betekent dat als de vreemdeling één kind heeft, dit kind moet beschikken over het toepasselijke normbedrag, plus de norm voor een alleenstaande. Indien er drie kinderen zijn, moet gezamenlijk worden beschikt over een inkomen dat gelijk is aan de som van de toepasselijke normbedragen, plus de norm voor een alleenstaande. Het gedeelte van het inkomen dat per gezin meer wordt verdiend dan de toepasselijke norm mag bij elkaar worden opgeteld. Zie artikel 3.25, tweede lid, Vreemdelingenbesluit. + +200313822-07-200309-07-2003HKUit 03-3059 AUB200313822-07-200309-07-2003HKUit 03-3059 AUB24-07-2003 + +#### 10.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij kind …… (naam van het kind dat voorziet in het levensonderhoud of van een van de kinderen die gezamenlijk in het levensonderhoud voorzien)’. + + + De beperking wordt aangevuld met de tekst: Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. + + + Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 11. Voortgezet verblijf na verblijf van vreemdelingen van 65 jaar of ouder + +#### 11.1. Inleiding + +Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden (B1/2.2.7) of een van de andere in artikel 18 Vreemdelingenwet genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (B1/2.2.2 t/m B1/2.2.4, B1/2.2.7 t/m B1/2.2.9). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/3. + + + In deze paragraaf wordt ingegaan op de voortzetting van het verblijf van de vreemdeling aan wie in het kader van het ouderenbeleid (B2/10) een verblijfsvergunning is verleend, door verlenging van de verblijfsvergunning (B2/11.2) of door verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning (B2/11.3). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 11.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning + +Nadat de vreemdeling een jaar verblijf in het kader van verruimde gezinshereniging heeft gehad, dient de verblijfsvergunning te worden verlengd. Daarbij wordt getoetst aan de algemene voorwaarden voor het verlengen van de verblijfsvergunning. Indien aan die voorwaarden wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verlengd. + +20053011-02-200509-02-200520053011-02-200509-02-200515-02-2005 + +##### 11.2.1. Gezamenlijk inkomen en vrijstellingen + +Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken. Zie B2/5.2. De in B2/5.2.1 neergelegde beleidsregels inzake het gezamenlijk inkomen zijn van overeenkomstige toepassing. + + + Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/5.2.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn. + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 + +##### 11.2.2. Middelen + +Artikel 3.85 Vreemdelingenbesluit bepaalt in welke gevallen de aanvraag tot het verlengen niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. In die gevallen wordt de verblijfsvergunning ook niet ingetrokken. + + + + + Artikel + 3.85 + + + 1 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a. + + + 2 + De aanvraag wordt evenmin op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. + + + + + Zie B2/2.11. + +200420727-10-200425-10-2004200420727-10-200425-10-200401-11-2004 + +###### 11.2.2.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004 + +In die gevallen waarin de eerste verlening van de verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming plaatsvond vóór 1 november 2004, wordt (in het kader van verblijf gezinshereniging en -vorming, behoudens het beleid ten aanzien van vreemdelingen van 65 jaar en ouder) het middelenvereiste niet tegengeworpen indien de hoofdpersoon: + +a. zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is; +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of +c. als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is. + +In die gevallen waarin de eerste verlening van de verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming plaatsvond vóór 1 november 2004, wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen indien: + +– (in het kader van verblijf gezinshereniging en -vorming, behoudens het beleid ten aanzien van vreemdelingen van 65 jaar en ouder) de hoofdpersoon duurzaam beschikt over zelfstandig verworven middelen van bestaan ten minste ter hoogte van de relevante bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld; +– (in het kader van het beleid ten aanzien van vreemdelingen van 65 jaar en ouder) de in 3.25, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit bedoelde kinderen gezamenlijk duurzaam en zelfstandig beschikken over een netto-inkomen gelijk aan de som van de bestaansminima, bedoeld in de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie, aangevuld met het bestaansminimum voor alleenstaanden. + +Voor de overige (gedeeltelijke of gehele) vrijstellingen van het middelenvereiste, zoals deze golden voor inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 geldt (behoudens de hieronder omschreven aan artikel 116 Vreemdelingenwet 2000 ontleende rechten, die hieronder staan beschreven) géén eerbiedigende werking. De vreemdeling dan wel de hoofdpersoon hebben zich gedurende een periode van drie jaar na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen instellen op de omstandigheid dat de oude inkomenseis zou worden vervangen door het thans geldende recht. Het is niet wenselijk dat in het kader van het middelenvereiste bij verlengingsaanvragen tot in lengte van jaren twee regimes naast elkaar gelden. Dat de vreemdeling ooit is toegelaten op grond van een lichter middelenvereiste, maakt dat niet anders. + +###### 11.2.2.2. Middelen: overgangsrecht ex + +– Nederlander (ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden); +– vreemdeling, die op 1 april 2001 op grond van de Vreemdelingenwet 1965 was toegelaten (dat wil zeggen: toegelaten als vluchteling, houder van een vergunning tot vestiging, houder van een vergunning tot verblijf, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde of een voorwaardelijke vergunning tot verblijf); +– vreemdeling, aan wie bij beschikking van op of na 1 april 2004 op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier of asiel, waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 april 2004. + +Het middelenvereiste werd in het kader van verlengingsaanvragen niet tegengeworpen aan vreemdelingen die waren toegelaten als echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van een Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een toegelaten vluchteling (B1/1.5 Vreemdelingencirculaire 1994). Hetzelfde gold voor minderjarige kinderen van een Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een toegelaten vluchteling (B1/5.5 Vreemdelingencirculaire 1994). + +#### 11.3. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf + +– de vreemdeling drie jaren in het kader van verruimde gezinshereniging in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning (artikel 3:51, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit; B2/11.3.1); +– van de vreemdeling wegens bijzondere omstandigheden niet gevergd kan worden Nederland te verlaten (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit; B2/11.3.2). + +##### 11.3.1. Drie jaar verblijf in het kader van verruimde gezinshereniging + +a. de vreemdeling die drie jaren in het kader van het ouderenbeleid (B2/10) een verblijfsvergunning heeft gehad voor verblijf bij een hoofdpersoon die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft, bijvoorbeeld een Nederlander, een houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, of een houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met wedertoelating of voortgezet verblijf; +b. de vreemdeling drie jaren heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning; en +c. zich geen van de algemene weigeringsgronden voordoet (zie B1/2.2). + +a. niet (meer) beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of +b. al dan niet tezamen met de kinderen niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +##### 11.3.2. Klemmende redenen van humanitaire aard + +Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van B2/11.3.1, kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit). In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. + + + Indien binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding, niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van het ouderenbeleid (B2/10), wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister van Justitie. + + + De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 11.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 11.5. Internationale verplichtingen + +Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kunnen gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard. Zie B2/13. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 12. Gelegaliseerde bescheiden + +#### 12.1. Inleiding + +Officiële en gelegaliseerde bescheiden waarborgen dat de vreemdeling die op grond van een bepaalde staat een verblijfsvergunning voor Nederland krijgt, ook daadwerkelijk die staat bezit. Het gaat hierbij om ondermeer geboorteakten, huwelijksakten, akten waarmee de ongehuwde staat wordt aangetoond, bewijzen van echtscheiding en bescheiden omtrent gezagsvoorzieningen. + Daarnaast waarborgen officiële en gelegaliseerde bescheiden dat de gegevens die bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de korpschef, de GBA en de verschillende andere overheidsdiensten bekend zijn, juist en eensluidend zijn. Derhalve wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet ingewilligd, indien de vreemdeling de daarvoor benodigde gelegaliseerde documenten betreffende de staat van personen niet heeft overgelegd. + + + De vreemdeling dient zich hiervoor hetzij persoonlijk, hetzij via familieleden of kennissen, te wenden tot de daartoe bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. In de meeste gevallen zal dit het Ministerie van Buitenlandse Zaken van dat land zijn. Vervolgens dient het stuk te worden gelegaliseerd door de voor dat land bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. + +20057822-04-200514-04-20052005/1820057822-04-200514-04-20052005/1824-04-2005 + +#### 12.2. Hoofdregel + +Als beleidsregel geldt dat de staat van personen wordt aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien niet-gelegaliseerde documenten worden overgelegd, dienen deze alsnog te worden gelegaliseerd. De vreemdeling draagt zorg voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich er op beroept aanspraak te ontlenen aan artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit of artikel 3.23 Vreemdelingenbesluit. Het gaat daarbij om een beleidsregel omtrent de vaststelling van feiten. + + + Legalisatie kan slechts strekken tot de bevestiging door de eigen autoriteiten en de acceptatie hiervan door de Nederlandse autoriteiten van de formele echtheid van een document en biedt geen uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud van het document. + + + Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar de Minister van Buitenlandse Zaken met het verzoek om een verificatieonderzoek. De termijn van het nemen van een beslissing wordt met een termijn van maximaal zes maanden opgeschort. + + + Op de hoofdregel dat buitenlandse bescheiden met betrekking tot de staat van personen moeten worden gelegaliseerd alvorens zij kunnen dienen als basis voor besluitvorming, bestaan de nodige uitzonderingen. + Deze uitzonderingen zijn gebaseerd op de circulaire van de Staatssecretaris van Justitie (mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken en Grote Steden- en Integratiebeleid) van 12 januari 2000 (kenmerk 5001966/99/6). + +20057822-04-200514-04-20052005/1820057822-04-200514-04-20052005/1824-04-2005 + +#### 12.3. Vrijgestelde bescheiden + +a. stukken die vallen onder een verdrag dat voorziet in vrijstelling of afschaffing van legalisatie en die afkomstig zijn uit een land dat partij is bij het betreffende verdrag (zie de bijlage bij de circulaire van 12 januari 2000 (kenmerk 5001966/99/6); +b. afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand, opgemaakt en afgegeven in Indonesië, Nieuw Guinea of Suriname, voordat deze landen op 27 december 1949, 1 oktober 1962 onderscheidenlijk 25 november 1975 de onafhankelijkheid verkregen; en +c. uit het buitenland afkomstige stukken, overgelegd door een in Nederland woonachtig persoon die met betrekking tot hetzelfde rechtsfeit reeds eerder een gelegaliseerd stuk heeft overgelegd dat de basis heeft gevormd voor het opmaken van een akte van de burgerlijke stand in Nederland of voor de opname van gegevens over de betreffende persoon in de gemeentelijke basisadministratie, voorzover het later overgelegde niet-gelegaliseerde stuk inhoudelijk overeenstemt met de op grond van het eerder overgelegde gelegaliseerde stuk in de akte of in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen gegevens en het latere stuk overeenstemt met het gelegaliseerde stuk. + +#### 12.4. Overige vrijstellingen + +a. rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, Vreemdelingenwet of op het moment van verkrijging van het Nederlanderschap op die grond rechtmatig in Nederland verbleef; +b. een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet, voorzover daarop nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist; of +c. rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a of b, Vreemdelingenwet en bij de verlening en verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is vrijgesteld van het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding, of op het moment van verkrijging van het Nederlanderschap als zodanig in Nederland verbleef. + +a. de betrokken persoon beschikt over een document dat aan hem, na de datum van het te legaliseren document maar in de periode waarin hij behoorde tot een van de hierboven onder a bedoelde categorieën, in persoon is afgegeven door de autoriteiten van zijn land van herkomst; +b. het document waarvan legalisatie wordt verlangd, is afgegeven door andere autoriteiten dan die van het land van herkomst; +c. zich met betrekking tot die persoon in de periode waarin deze behoorde tot één van de hierboven onder a, bedoelde categorieën, een rechtsfeit heeft voorgedaan waarbij de autoriteiten van het land van herkomst waren betrokken; of +d. de betrokken persoon in de periode waarin hij behoorde tot één van de hierboven onder a bedoelde categorieën, vrijwillig naar het land van herkomst is gereisd. + +#### 12.5. Bewijsnood + +Indien DNA-onderzoek niet mogelijk is kan in een situatie van bewijsnood ook gebruik worden gemaakt van identificerende vragen. + +#### 12.6. Toepassing DNA-onderzoek + +| aantal te onderzoeken kinderen | hoogte bijdrage | +| --- | --- | +| één kind | € 199,66 (440 gulden) | +| twee kinderen | € 263,19 (580 gulden) | +| drie kinderen | € 326,72 (720 gulden) | +| vier kinderen | € 390,25 (860 gulden) | +| etc. | etc. | + +### 13. artikel 8 EVRM + +#### 13.1. Inleiding + +Indien na de toetsing aan de voorgaande hoofdstukken de vreemdeling geen verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend, dient in alle gevallen getoetst te worden aan artikel 8 EVRM. + + + + + Artikel + 8 + EVRM bepaalt: + + + 1 + Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. + + + 2 + Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 13.2. Toetsingskader + +Is er sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM? Zie B2/13.2.1. + +Levert het niet toestaan van het (voortgezet) verblijf aan de vreemdeling een inmenging op in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van betrokkenen? Zie B2/13.2.2. + +Indien geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven: is er sprake van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan? Zie B2/13.2.3. + +Indien sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven: is deze inmenging gerechtvaardigd op grond van artikel 8, tweede lid EVRM? Zie B2/13.2.4. + +##### 13.2.1. Familie- of gezinsleven + +a. de echtgenoten in een reëel huwelijk (*lawful and genuine marriage*). Van belang is welke invulling aan de verwantschap wordt gegeven. Ingeval van een schijnhuwelijk is namelijk geen sprake van gezinsleven. Formeel is er dan wel een familierechtelijke relatie, maar dat is niet genoeg om gezinsleven aan te nemen. Er wordt geen daadwerkelijke invulling aan die verwantschap gegeven om gezinsleven aan te kunnen nemen; +b. de partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie; +c. de ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige en meerderjarige kinderen. + +a. de erkenner en het kind, mits aan de relatie tussen het kind en de erkenner daadwerkelijk invulling wordt gegeven; +b. de biologische vader en het kind, mits er sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals een relatie tussen die vader en de moeder die voldoende op een lijn is te stellen met een huwelijk (ongeacht of de geboorte van het kind plaatsvond voor of nadat de relatie of de samenleving was verbroken) of feitelijke contacten (als samenleving, verzorging en/of opvang) met het kind; +c. adoptiefouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven; +d. pleegouders of opvangouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven; +e. overige naaste bloedverwanten, zoals de grootouders en het kleinkind, en de oom/tante en de neef/nicht, mits er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (*more than normal emotional ties*). + +###### 13.2.1.1. Einde van het gezinsleven + +Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie. + + + Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 13.2.2. Inmenging + +a. met toepassing van artikel 67 Vreemdelingenwet ongewenst wordt verklaard (ook indien sprake is van eerste toelating!), tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten; +b. gedurende lange tijd als tweede generatie migrant in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; of +c. het verblijf van de vreemdeling wordt beëindigd, tenzij de verblijfsvergunning er niet toe strekte de uitoefening van het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken, bijvoorbeeld omdat de ontnomen verblijfstitel is verleend voor verblijf bij een (eerdere) echtgenoot, geregistreerd partner of ongehuwde partner. + +– niet in het bezit was van een verblijfsvergunning, ongeacht de vraag of hij feitelijk in Nederland verbleef; +– in het bezit was van een verblijfsvergunning die was verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of omdat de vreemdeling relevante gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid; +– in het bezit was van een verblijfsvergunning die er niet (mede) toe strekte het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken. + +###### 13.2.2.1. Aanvragen om eerste verblijfsaanvaarding + +In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezinsleven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 13.2.2.2. Aanvragen om voortgezet verblijf + +In het algemeen vormt verblijfsbeëindiging (de intrekking van de verblijfsvergunning of de niet-verlenging van de geldigheidsduur daarvan) wel inmenging in het recht op gezinsleven. Het gaat hier om de nadrukkelijke beëindiging door de overheid van verblijfsrecht, dat het gezinsleven mogelijk maakte, welk verblijfsrecht eerder even nadrukkelijk was verleend. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 13.2.3. Positieve verplichting + +– of er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen; en +– of er sprake is van bijzondere omstandigheden; +– bij ouders en meerderjarige kinderen of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (*more than normal emotional ties*). + +###### 13.2.3.1. Gezinshereniging kinderen met ouders + +– de duur van het legale verblijf van de ouder(s) in Nederland; +– indien sprake is van een nieuwe (huwelijks)partner: de banden die hij/zij heeft met het land van herkomst van degene die gezinshereniging vraagt. Indien tevens sprake is van kinderen uit een eerdere (huwelijks)relatie, en de andere ouder woont nog in het land van herkomst, kan dit bij beoordeling van deze omstandigheid betrokken worden; +– indien tegenwerking van de nieuwe (huwelijks)partner als reden wordt gegeven voor de late gezinshereniging: de rol die deze omstandigheid in de belangafweging speelt (hierbij kan van belang zijn in welk gezin het kind op dit moment verblijft); +– de bijzondere situatie van het gezin in Nederland (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gehandicapt kind); +– de banden die de in Nederland wonende kinderen met het land van herkomst hebben (dit geldt voor alle in het gezin verblijvende kinderen); +– de omstandigheid of in het land van herkomst nog familie woonachtig is die de verzorging van betrokkene op zich kunnen nemen. + +###### 13.2.3.2. Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding + +Tussen ouders en hun (meerderjarige) kinderen is vanaf de geboorte sprake van gezinsleven (zie B2/13.2.1.1). Bij de belangenafweging in het kader van de positieve verplichting dient betrokken te worden of er sprake is van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele banden (more than the normal emotional ties). Indien de banden zodanig bijzonder zijn dat aangenomen moet worden dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is, leidt dit op zichzelf nog niet tot de conclusie dat tevens sprake is van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf toe te staan. Die omstandigheid vormt één van de aspecten die in de belangenafweging betrokken dient te worden. Hieraan komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe. + +20048505-05-200426-04-200420048505-05-200426-04-200407-05-2004 + +###### 13.2.3.3. Openbare orde aspecten en belangenafweging + +– de aard en ernst van het gepleegde misdrijf; +– de duur van het verblijf in het gastland; +– het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokkene gedurende die tijd; +– de nationaliteiten van alle betrokkenen; +– de gezinssituaties van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk; +– andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk; +– de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/ zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging; +– de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd; +– de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o) t(e) zal ondervinden als hij/ zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst. Hierbij is van belang dat het enkele feit dat hij/zij meegaat zekere problemen met zich zal brengen op zichzelf de uitzetting niet kan stuiten. + +Indien, in verband met aspecten van openbare orde, het voortgezet verblijf wordt beëindigd of de vreemdeling ongewenst wordt verklaard met toepassing van artikel 67 Vreemdelingenwet (tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten), is er sprake van inmenging in het recht op het uitoefenen van het gezinsleven. In die gevallen dient beoordeeld te worden of die inmenging gerechtvaardigd is in het licht van het tweede lid van artikel 8 EVRM (zie B2/13.2.4). Hierbij wordt nog opgemerkt dat, indien sprake is van meerdere zware misdrijven, aan het belang van de Staat in het algemeen meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van de vreemdeling. + +###### 13.2.3.4. Objectieve belemmering + +– Indien op het moment waarop de toets aan artikel 8 EVRM plaatsvindt, ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit een bepaald (gedeelte van een) land of behorend tot een bepaalde bevolkingsgroep een beleid wordt gevoerd op grond waarvan zij – ongeacht de individuele merites van de casus – op voorhand in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (artikel 29 onder d, Vreemdelingenwet), bestaat er een vermoeden van objectieve belemmering. Dat vermoeden van een objectieve belemmering kan slechts op individuele gronden van de betreffende concrete zaak worden weerlegd. Daarbij zijn, naast aanwijzingen in het individuele relaas, van belang eventuele ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, eventuele brieven aan de Tweede Kamer, en eventuele maatgevende jurisprudentie; +– Indien op de individuele merites van de zaak een verblijfsvergunning asiel is verleend (en het gezinslid uit hetzelfde land komt), bestaat een zeer sterk vermoeden van een objectieve belemmering, dat slechts op individuele gronden van de betreffende zaak kan worden weerlegd. Voor de vraag naar de aanwezigheid van objectieve belemmeringen is doorslaggevend de vraag of de persoonlijke omstandigheden die tot de verblijfsvergunning asiel hebben geleid, op dit moment nog steeds aanwezig zijn. Dat geldt ook indien die hoofdpersoon inmiddels tot Nederlander is genaturaliseerd. Indien duidelijk is dat de situatie van de hoofdpersoon – indien de beoordeling daarvan thans zou plaatsvinden – geen aanleiding zou vormen om hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel (en de hoofdpersoon dus uit Nederland zou kunnen worden verwijderd), kan op grond van de individuele merites van die zaak worden besloten geen objectieve belemmering aan te nemen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien de situatie in het land van herkomst in gunstige zin is gewijzigd. Daarbij wordt scherp gelet op indicaties die duiden op de (al dan niet eenmalige of tijdelijke) terugkeer van de hoofdpersoon naar het land van herkomst, ook ingeval van handschoenhuwelijken; +– Indien het gezinsleven niet in het land van herkomst, maar mogelijk wel in dat derde land kan worden uitgeoefend, terwijl de hoofdpersoon en de gezinsleden geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de feitelijke mogelijkheden van toegang/toelating van het gezin tot dat derde land, wordt voorshands geen objectieve belemmering aangenomen. De verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden dienen daarover helderheid te verschaffen en dat te onderbouwen. + +a. er sprake is van een reeds in het land van herkomst bestaande feitelijke gezinsband; +b. er geen sprake is van openbare orde aspecten; +c. er een objectieve belemmering is om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen; en +d. de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of volledig en blijvend arbeidsongeschikt, dan wel blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. + +– de eigen verantwoordelijkheid van de toegelaten hoofdpersoon om aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging te gaan voldoen; +– openbare orde aspecten; +– de situatie van de gezinsleden in het land van herkomst; +– voorafgaand legaal verblijf in Nederland; +– de invulling die reeds voor de verlening van een verblijfsvergunning van de hoofdpersoon in het land van herkomst aan het gezinsleven werd gegeven. Zo wordt bij gezinsvorming (waarbij er geen sprake van is dat reeds in het land van herkomst voor de verlening van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon gezinsleven werd uitgeoefend) een zeer zwaar gewicht toegekend aan het feit dat de hoofdpersoon bij het aanvangen van het gezinsleven het risico heeft aanvaard dat het gezinsleven niet in Nederland kan worden uitgeoefend. + +Die actieve houding brengt mee dat van de hoofdpersoon in ieder geval wordt verwacht dat hij actief naar werk zoekt, ook als dat werk niet aansluit bij zijn opleiding en werkervaring, dat hij zulk werk ook daadwerkelijk aanvaardt, dat hij ingeschreven staat bij het arbeidsbureau en diverse uitzendbureaus en daarbij te kennen heeft gegeven bereid te zijn alle soorten arbeid op welk niveau dan ook te aanvaarden, en dat hij zeer intensief solliciteert op allerlei bestaande vacatures (uiteraard ook onder zijn opleidingsniveau). Ook wordt van hem verwacht dat hij uit eigener beweging potentiële werkgevers aanschrijft die geen vacatures hebben bekendgemaakt (open sollicitaties), dat hij zorgdraagt voor de erkenning van zijn buitenlandse diploma’s en zich op alle denkbare wijzen laat bemiddelen, en dat hij – zo hij ook na langere tijd geen werk weet te krijgen – een op de arbeidsmarkt gerichte (avond)studie (al dan niet op eigen kosten) volgt. De hoofdpersoon moet zeer duidelijk en gedocumenteerd kunnen aangeven wat hij allemaal heeft ondernomen om aan de toelatingsvoorwaarden te gaan voldoen. + +De redelijke termijn vangt in beginsel aan op de datum van dagtekening van de beschikking, waarbij de hoofdpersoon is toegelaten en waarmee hij toegang tot de arbeidsmarkt heeft verkregen. Dat is dus niet de (eerdere) ingangsdatum van het verblijfsrecht dat met terugwerkende kracht wordt verleend. Indien bij beschikking van 1 april een verblijfsvergunning is verleend met ingang van 1 januari, vangt de redelijke termijn aan op 1 april. + +Indien sprake is van gezinsvorming, en er dus niet reeds in het land van herkomst sprake was van gezinsleven tussen de toegelaten hoofdpersoon en het gezinslid, maar het gezinsleven eerst is aangegaan nadat de hoofdpersoon zich in Nederland heeft gevestigd, wordt slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een positieve verplichting aangenomen. In het algemeen zal daarvan slechts sprake zijn, indien duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan. + +##### 13.2.4. Negatieve verplichting + +a. Is de inmenging in de regelgeving voorzien (*provided by law*)? Onder regelgeving wordt in dit verband in ieder geval verstaan de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Vreemdelingencirculaire; +b. Vervolgens wordt beoordeeld of de inmenging (de verblijfsbeëindiging) plaatsvindt in het belang van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM: + +– de openbare orde en nationale veiligheid; +– het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten; +– de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden; +– de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; en +– het economisch welzijn van het land; +c. Ten slotte wordt beoordeeld of de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkenmale een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en zijn gezinsleden anderzijds. + +Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. De wegingsfactoren kunnen dan ook niet limitatief worden opgesomd. Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien. + +– (ingeval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen) de leeftijd van het kind, de aanwezigheid van een gezagsverhouding, de bijdrage die de vreemdeling levert tot de kosten van de in Nederland verblijvende kinderen, de frequentie en regelmaat waarmee contact met die kinderen wordt onderhouden, de betrokkenheid bij hun opvoeding en verzorging, en het belang van die kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de intensiteit van het gezinsleven en het belang van de kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland minder is; +– de intensiteit van het gezinsleven met de overige in Nederland achterblijvende gezinsleden, de mate waarin van die gezinsleden kan worden gevergd dat zij zich met de vreemdeling in diens herkomstland vestigen, en de vraag of het gezinsleven is aangegaan tijdens verblijf op grond van een geldige verblijfsvergunning of tijdens illegaal verblijf in Nederland; +– de duur van het (rechtmatige) verblijf van de vreemdeling in Nederland en de duur van het verblijf in het land van herkomst, de frequentie, duur en aard van verblijf in het land van herkomst na de inreis in Nederland, het hebben gevolgd van onderwijs in Nederland en in het land van herkomst, het arbeidsverleden in Nederland en in het land van herkomst, de beheersing van de Nederlandse taal en de taal van het land van herkomst, eventuele verzoeken tot naturalisatie tot Nederlander, de eventuele vervulling van de militaire dienstplicht in het land van herkomst, een eventuele (huwelijks)relatie met een in Nederland geboren en getogen Nederlander, de aanwezigheid van andere familieleden in Nederland en in het land van herkomst, de mate waarin de vreemdeling in Nederland en in het land van herkomst een sociaal leven heeft opgebouwd, en de mogelijkheden om het sociale leven in het herkomstland weer op te pakken. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de banden met het land van herkomst sterker zijn. Indien die banden slechts louter juridisch zijn (door het enkele bezit van de nationaliteit van het herkomstland) zal inmenging aanzienlijk minder snel zijn te rechtvaardigen; +– persoonlijke omstandigheden, zoals een ernstige handicap en hulpbehoevendheid, en de positie waarin de vreemdeling, gelet op die omstandigheden, bij terugkeer zal komen te verkeren; +– de aard en duur van het verblijfsrecht in Nederland. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de vreemdeling korter in Nederland heeft verbleven, indien het verblijfsrecht tijdelijk van aard was en de vreemdeling daarmee het risico heeft genomen dat het gezinsleven niet blijvend in Nederland kan worden uitgeoefend; +– de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. Is op objectieve wijze (bijvoorbeeld door overlegging van daarop betrekking hebbende documenten) aangetoond dat er sprake is van een (proef)omgangsregeling waaraan voldoende feitelijke invulling wordt gegeven dan wel er pogingen in het werk zijn gesteld om een (proef)omgangsregeling vast te stellen. Er is sprake van een gerechtvaardigde inmenging indien is gebleken dat de procedure inzake de (proef)omgangsregeling enkel tot doel heeft het verblijf in Nederland voort te zetten. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid zal aan de hand van een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging beoordeeld moeten worden of de inmenging gerechtvaardigd is, waarbij de (proef)omgangsregeling een van de diverse wegingsfactoren is. + +In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op Artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op de verlening van een verblijfstitel aan de niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, doch op de aanspraken die een Nederlander op verlening van een verblijfsvergunning en bestendig verblijf in Nederland kan doen gelden jegens de Nederlandse overheid. Omdat uitzetting van het Nederlandse kind niet aan de orde is, komt daarbij geen beslissende betekenis toe aan het (op artikel 3 van het Vierde Protocol gebaseerde) recht van het Nederlandse kind om niet te worden uitgezet. Toch moet in de belangenafweging (naast de andere aan de orde zijnde belangen) worden betrokken het feit dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit en als zodanig aanspraak heeft op verblijf, opvoeding en verzorging in Nederland. Dat feit (en de overige belangen) moeten worden afgewogen tegen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid. Die zullen meestal zijn gelegen in het economische welzijn van Nederland, maar soms ook (in combinatie met) de openbare orde en/of een andere grond. De centrale vraag daarbij is of van het kind gevergd kan worden met de vreemdeling in het buitenland te gaan wonen. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van leeftijd, worteling en eventuele toelatingsbeletselen in het vreemde land. + +##### 13.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening + +– Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist; +– Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; +– Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; of +– Arbeid niet toegestaan. + +## B3. Gezinsuitbreiding met adoptiekinderen en pleegkinderen ### 1. Inleiding -In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw aanvragen. +Artikel 3.26 en 3.28 Vreemdelingenbesluit geven het kader aan waarbinnen de Minister de bevoegdheid is verleend om verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder beperkingen verband houdend met verblijf ter adoptie en als pleegkind. Indien aan de voorwaarden van de respectievelijke artikelen is voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht. De bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen is geregeld in dit hoofdstuk. + + + Dit hoofdstuk bevat bijzondere voorwaarden inzake de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse adoptiekinderen, alsmede aan buitenlandse kinderen voor wie opname in een pleeggezin in Nederland wordt beoogd. Het gaat om gezinsuitbreiding met kinderen, anders dan door geboorte. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 20 en 21 Vw. +### 2. Definities -#### 1.1. Indiening aanvraag +De buitenlandse kinderen aan wie een verblijfsvergunning kan worden verleend in het kader van dit hoofdstuk worden onderscheiden in twee categorieën: + + + a. Buitenlandse adoptiekinderen + Buitenlandse adoptiekinderen in de zin van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wet van 8 december 1988, Stb. 566, gewijzigd bij Wet van 14 mei 1998, Stb. 302) zijn buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarigen in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke worden of zullen worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers de plaats van de ouders innemen. De vreemdelingrechtelijke voorschriften en voorwaarden alsook de van toepassing zijnde voorschriften voortvloeiend uit de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie voor deze categorie zijn vermeld onder 3. + + + Buitenlandse adoptiekinderen moeten worden onderscheiden van buitenlandse adoptiefkinderen. Onder adoptiefkind wordt uitsluitend verstaan een kind dat reeds is geadopteerd. De verlening van een verblijfsvergunning aan adoptiefkinderen wordt beheerst door de algemene regels inzake gezinshereniging en gezinsvorming zoals opgenomen in hoofdstuk B2. Voor de specifieke regels ten aanzien van deze categorie zie B2/6.2.1, B2/6.4.5 en B2/6.13. + + + Het onderscheid tussen adoptiekind en adoptiefkind is tevens van belang voor beoordeling van de verblijfsrechtelijke situatie van die kinderen die weliswaar met een Nederlands paspoort zijn ingereisd doch niet als Nederlander in de GBA worden opgenomen. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven moet dus, na inreis, alsnog in de toelating worden voorzien. Voor deze kinderen zal dan ook een aanvraag om toelating moeten worden ingediend. Voor de in deze gevallen te volgen procedure zie hierna onder 3.1.2.3. + + + b. Buitenlandse pleegkinderen + Buitenlandse pleegkinderen zijn diegenen die om andere redenen in hun belang naar Nederland worden overgebracht en in een pleeggezin worden geplaatst en waarbij de pleegouders feitelijk de plaats van de ouders innemen. + + + Buitenlandse pleegkinderen vallen tevens onder de werking van de Pleegkinderenwet (Wet van 21 december 1951, Stb. 595). Ingevolge artikel 5 van deze wet is het hoofd van het pleeggezin verplicht van de opneming van een pleegkind binnen één week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente van verblijf. + + + De beslissing tot het al dan niet verlenen van een verblijfsvergunning dient door de Minister getoetst te worden aan het algemene 'aanvaardbare toekomst-criterium’. Dit criterium houdt in dat een kind voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking kan komen, indien voor hem in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst is weggelegd. Dit is niet het geval als een kind uitsluitend in minder gunstige materiële omstandigheden leeft. De voorwaarden voor deze categorie zijn hierna vermeld onder 4. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND wijst een aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af wanneer deze aanvraag meer dan drie maanden voor afloop van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingediend. De IND maakt hierop een uitzondering als de vreemdeling op het moment van indienen van de aanvraag vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, Vw dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. +### 3. Buitenlandse adoptiekinderen -### 2. Beleidsregels +#### 3.1. Verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie -De IND wijst een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af wanneer één van de in artikel 21, eerste lid, Vw genoemde gronden zich voordoet, voor zover artikel 21, tweede, derde en vierde lid, Vw en de artikelen 3.92, 3.93, 3.94, 3.95, 3.96 en 3.96a Vb hierop geen uitzondering maken. +##### 3.1.1. Inleiding: de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) +De *opneming* in Nederland van buitenlandse kinderen ter adoptie is geregeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wet van 8 december 1988, Stb. 566, per 1 oktober 1998 gewijzigd bij wet van 14 mei 1998, Stb. 302). Deze wet strekt mede tot uitvoering van het per 1 oktober 1998 voor Nederland in werking getreden Haags adoptieverdrag van 29 mei 1993 (Trb. 1993, 197). + + + De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie is van toepassing op alle personen die hun gewone verblijf in Nederland hebben en een buitenlands kind willen adopteren. Al deze personen zijn gehouden de procedures te volgen zoals voorgeschreven door de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Aan de procedure van de wet moet derhalve zijn voldaan bij binnenkomst van het kind in Nederland. + + + Aangezien de opneming in het belang moet zijn van het kind speelt met name de geschiktheid van de toekomstige ouders een belangrijke rol. Zowel de Nederlandse autoriteiten (de Minister van Justitie, Directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, DG-PJS) als de vergunninghoudende bemiddelende organisaties als ook de buitenlandse betrokken instanties spelen een rol bij de beoordeling of opneming in het belang van het kind is. Het betrokken kind kan alleen voor verblijf ter adoptie in aanmerking komen als de toekomstige ouders de procedures hebben gevolgd zoals voorgeschreven door de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. + + + In het geval de procedure van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in acht is genomen, dan zal veelal reeds voordat het kind naar Nederland wordt gebracht, in het land van herkomst een adoptie-uitspraak zijn verkregen. Een dergelijke adoptie wordt erkend als zij is geschied overeenkomstig het Haags adoptieverdrag van 1993 dan wel als die adoptie kan worden erkend op grond van de Wet conflictenrecht adoptie (Wet van 3 juli 2003, Stb. 283). + + + Is de procedure van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie niet in acht genomen, dan wordt het kind geen verblijf toegestaan op grond van dit hoofdstuk voor verblijf ter adoptie. Indien de procedure door adoptanten met gewone verblijfplaats in Nederland niet is gevolgd, en er niettemin in het buitenland een adoptiebeslissing is verkregen, kan het betrokken kind slechts voor verblijf bij de adoptanten worden toegelaten indien bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van de Nederlandse rechter is bepaald dat de adoptie rechtsgeldig is, zodat het kind moet worden geacht in familierechtelijke betrekking tot de adoptanten te staan. In die gevallen gelden de algemene regels inzake gezinshereniging en –vorming zoals opgenomen in B2. + + + Aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van opneming van een buitenlands kind ter adoptie worden in beginsel ingediend door de bemiddelende, vergunninghoudende instanties, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Dit staat er niet aan in de weg dat ook aspirant-adoptiefouders een dergelijke aanvraag kunnen indienen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 +##### 3.1.2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning -#### 2.1. De duur van het verblijf in Nederland +– *de Minister van Justitie een beginseltoestemming heeft afgegeven (art. 2 Wobka)* -De IND wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 21, eerste lid, Vw als de vreemdeling direct voorafgaande aan het nemen van het besluit vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, Vw, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. +De opneming van een buitenlands kind ter adoptie door personen die in Nederland hun gewone verblijf hebben, is ingevolge de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie uitsluitend toegestaan, indien hiertoe door de Minister van Justitie (Directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, DG-PJS) een beginseltoestemming is afgegeven. Deze beginseltoestemming wordt niet slechts afgegeven aan echtparen (al dan niet van ongelijk geslacht), doch ook aan één persoon en betreft in beginsel slechts de opneming van één kind en geldt voor een periode van drie jaren met de mogelijkheid van verlenging met telkens ten hoogste drie jaren. Het is de bevoegdheid van de Minister van Justitie om in bepaalde gevallen hiervan af te wijken; +– *het kind en de aspirant-adoptiefouders voldoen aan bepaalde leeftijdsvereisten (art. 3, tweede lid en art. 8 onder a Wobka)* -#### 2.2. De aard van het verblijfsrecht +Het buitenlandse kind mag op het tijdstip van binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaren niet bereikt hebben, behoudens de bevoegdheid van de Minister van Justitie (DG-PJS) om in bijzondere gevallen, op schriftelijk verzoek van de aspirant-adoptiefouders, een afwijking van deze leeftijdsgrens toe te staan; +– *een medische verklaring is overgelegd (art. 8 onder b Wobka)* -De IND neemt aan dat sprake is van een verblijfsrecht van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder f, Vw als de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking als genoemd in artikel 3.5, tweede lid, Vb, tenzij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning onbeperkt kan worden verlengd. +Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Deze verklaring pleegt te worden verstrekt na onderzoek op onder meer tuberculose van de ademhalingsorganen. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen; +– *toestemming is gegeven voor de bemiddeling (art. 8 onder c Wobka)* + +Door de aspirant-adoptiefouders dient gebruik te zijn gemaakt van een bemiddelende, vergunninghoudende instantie, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Indien niet van een zodanige instantie doch van andere contacten gebruik is gemaakt, dient de daartoe ex artikel 7a van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie benodigde toestemming van de Minister van Justitie (DG-PJS) te zijn verleend; +– * de afstand door ouder(s) en de instemming van de autoriteiten uit het land van herkomst van het kind is verkregen (art. 8 onder d en e Wobka)* + +Door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze met bescheiden te worden aangetoond dat de afstand door de ouder(s) van het kind naar behoren is geregeld. Op gelijke wijze dienen de aspirant-adoptiefouders aan te tonen dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het kind. + +– de afstand door de ouder of de ouders van het buitenlandse kind naar behoren is geregeld; +– de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met de opneming van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptief ouders. + +###### 3.1.2.1. Opname ter adoptie gevolgd door adoptiebeslissing + +In veel landen vindt een adoptie pas plaats nadat een kind gedurende een proefperiode (bijvoorbeeld een jaar) in het gezin van de aspirant-adoptiefouders is opgenomen geweest. Met name met het oog op die gevallen waarin er wel is voldaan aan de vereisten voor adoptie in het gezin in Nederland, maar nog geen adoptiebeslissing is genomen, is dit (deel van het) hoofdstuk geschreven. Immers, dit onderdeel van dit hoofdstuk ziet op de situatie dat verblijf ter adoptie wordt beoogd. + + + Indien aan de vereisten voor adoptie is voldaan, neemt de buitenlandse autoriteit een besluit tot opname van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouder(s) ter adoptie. Alsdan wordt ten behoeve van het kind een verblijfsvergunning verleend, in afwachting van de adoptie. Zie 3.1.3. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.1.2.2. Adoptiebeslissing gevolgd door opname + +In een groot aantal landen van herkomst vindt eerst de officiële adoptie plaats en mag het kind pas daarna vertrekken voor opname in het gezin van de adoptanten. Tot 1 januari 2004 werd een dergelijke adoptie naar Nederlands Internationaal Privaatrecht veelal niet erkend. Met de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) (Stb. 2003, 283) is dit veranderd voor de adopties die sinds die datum tot stand zijn gekomen. In die gevallen waarin het kind – als gevolg van een erkende buitenlandse adoptiebeslissing – naar Nederlands internationaal privaatrecht geldt als kind van de adoptanten (mogelijk zowel op grond van het Haags Adoptieverdrag van 1993 als op grond van de Wcad) en het reeds in het gezin is opgenomen in een periode waarin het gezin in het buitenland zijn gewone verblijf had, zijn voor verlening van de verblijfsvergunning van toepassing de regels van B2, voor zover het kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. + + + Voor zover het kind, als gevolg van een adoptie die in Nederland wordt erkend, niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en het niet al vóór zijn overbrenging naar Nederland in het gezin is opgenomen ter adoptie, zijn van toepassing de regels inzake gezinshereniging, met dien verstande dat niet kan worden tegengeworpen de voorwaarde dat het kind reeds in het buitenland deel uitmaakte van het gezin. De procedure van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie is immers gevolgd. Zie B2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.1.2.3. De te volgen procedure indien het adoptie(f)kind niet als Nederlander in de GBA wordt opgenomen + +Het komt veelvuldig voor dat een kind als direct gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dus als Nederlander met een Nederlands paspoort Nederland inreist en als Nederlander wordt opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). In een dergelijk geval is het toelatingsbeleid vanzelfsprekend niet van toepassing. + + + Dat is anders indien ten onrechte is geconcludeerd dat het kind door de adoptie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In die gevallen is tevens ten onrechte een Nederlands paspoort afgegeven. Deze gevallen leiden dan ook tot weigering van de inschrijving als Nederlander in de GBA. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven moet dus, na de inreis in Nederland, alsnog in de toelating worden voorzien. Voor deze kinderen zal dan ook een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning moeten worden ingediend. + + + Afhankelijk van de aard van de adoptie moet worden beoordeeld of het kind voor gezinshereniging of gezinsvorming (zie B2) dan wel voor verblijf ter adoptie in aanmerking komt (zie hierna onder 3.1.3). Indien het een adoptie betreft die zonder meer kan worden erkend (zie B2/6.2.1) dan wordt het kind tot Nederland toegelaten als adoptiefkind volgens het gevoerde beleid inzake gezinshereniging en gezinsvorming (zie B2). Is er bij de adoptie van een buitenlands kind door personen in Nederland, nog geen declaratoir van de Nederlandse rechter verkregen over de geldigheid van de buitenlandse adoptie-uitspraak, dan wordt het kind toegelaten voor verblijf ter adoptie volgens de regels van dit hoofdstuk. Het betreft dan immers een buitenlands adoptiekind. + + + In beide gevallen worden de ingediende aanvragen niet afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het vereiste bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. In deze gevallen gaat het namelijk om een minderjarige die door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, en die op grond van dit paspoort Nederland is ingereisd, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlands paspoort. Nu het hier gaat om een bijzondere groep, bestaat aanleiding om onder toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit de aanvraag niet af te wijzen omdat de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. + + + Tevens staat het de adoptie(f)ouders vrij om op grond van artikel 3.49 Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van tijdelijke aard aan te vragen onder een beperking verband houdend met het afwachten van een bij de rechtbank ingediend verzoek als bedoeld in artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap tot vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de te volgen procedure wordt verwezen naar B4/4. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.1.3. Procedure betreffende de verlening van een verblijfsvergunning + +###### 3.1.3.1. Aanmelding en procedure verband houdende met de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie + +Het kind dient zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland aan te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft. (Artikel 4.47 dan wel artikel 4.49 Vreemdelingenbesluit). + +Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van het model M35-A. + +Ingevolge artikel 25, tweede lid van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie zijn met de controle op de naleving van het bepaalde bij de artikelen 2 en 8, belast: + +1. (...) +2. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen en de grensbewaking. + +Het originele document, waaruit de beginseltoestemming van de Minister van Justitie voor de opneming blijkt, wordt bij de korpschef getoond. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van Justitie. + +De korpschef vult tezamen met de aspirant-adoptiefouder(s) en in aanwezigheid van het kind het formulier model M67 in. Voor zover de korpschef ter invulling van het model M67 gegevens nodig heeft waar hij zelf niet over beschikt, maar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wel, worden deze gegevens hem op zijn verzoek verstrekt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De aspirant-adoptiefouder(s) zendt/zenden vervolgens zelf het ingevulde model M67 naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zodat de inhoud daarvan bij de besluitvorming van de aanvraag kan worden betrokken. + +Indien de korpschef een gegrond vermoeden heeft dat in strijd met het gestelde onder 3.1.2 wordt gehandeld, legt hij dit vast in een proces-verbaal, en doet hiervan onverwijld mededeling aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + +###### 3.1.3.2. Beperking + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking; ‘verblijf bij ……(naam aspirant-adoptiefouder)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.1.3.3. Arbeidsmarktaantekening + +Artikel + 4.21 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vreemdelingenwet, worden aangewezen: + + + a. + voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Vreemdelingenwet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling; + + + b. + voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling; + + + c. + voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet, hebben ingediend: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling; + + + d. + voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend. + + + + + 2 + Geen document wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. + + + 3 + Voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar die bij één hunner ouders inwonen, kan in het aan deze ouder verstrekte document worden aangetekend dat de door hem aangevraagde verblijfsvergunning of de hem verleende verblijfsvergunning mede voor deze kinderen geldt, mits ouder en kind beide houder zijn van dezelfde verblijfsvergunning, dan wel dezelfde verblijfsvergunning hebben aangevraagd. + + + 4 + Op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met c, afgegeven document wordt aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning is vereist. + + + 5 + Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, is verbonden, wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’ gesteld. + + + + + Op het verblijfsdocument van het kind wordt dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het verblijfsdocument van de hoofdpersoon (aspirant-adoptiefouder). Indien de hoofdpersoon de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt als arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.1.3.4. Voorschriften + +Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.1.3.5. Geldigheidsduur + +Artikel + 3.58 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Vreemdelingenwet, van de ouder, adoptiefouder of pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Vreemdelingenwet of als Nederlander voor vijf jaren. + + + + De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren. + + + Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge artikel 3.26 Vreemdelingenbesluit niet tegengeworpen en mist artikel 3.68 Vreemdelingenbesluit toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 4. Buitenlandse pleegkinderen + +#### 4.1. Voorwaarden + +De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor echtparen/gezinnen, tenzij de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven: + +a. 65 jaar of ouder is, +b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of +c. blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. + +Indien de hoofdpersoon (het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van artikel 3.14, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l van de Vreemdelingenwet, dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven netto-inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. + +Ad b. Ten aanzien van de onder b bedoelde vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.11 onder ad b. + +Ad c. Ten aanzien van de onder c bedoelde vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.11 onder c. + +De aanvraag wordt afgewezen indien niet door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond (zie B2), dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger, alsmede – voorzover dit is vereist – de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant pleegouders. + +#### 4.2. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning + +##### 4.2.1. Aanmelding en procedure verband houdende met de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkind + +• een ten behoeve van het kind in het land van herkomst afgegeven medische verklaring. Indien uit die verklaring niet blijkt dat het kind voor zover dat op grond van zijn nationaliteit niet is vrijgesteld van een onderzoek naar tuberculose aan de luchtwegen - met goed gevolg een onderzoek op tuberculose heeft doorstaan, dan dient het kind alsnog (bereid te zijn) een onderzoek naar en/of de behandeling van tuberculose aan de ademhalingsorganen te ondergaan. Daartoe wordt de bij het aanvraagformulier gevoegde bijlage ‘TBC verklaring’ ondertekend; +• de instemmingverklaring van de ouders of wettelijk vertegenwoordigers van het kind dan wel van de autoriteiten in het land van herkomst waaruit blijkt dat deze instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; +• een schriftelijke motivering van de bijzondere omstandigheden van het kind of die van de familieleden in het land van herkomst, waaruit blijkt dat het kind niet of bezwaarlijk kan worden verzorgd door familieleden die in het land van herkomst wonen. +• bescheiden waaruit blijkt dat de aspirant-pleegouders duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikken; +• een volledige ingevulde garantverklaring (model M47). + +##### 4.2.2. Aanmelding en regeling van het verblijf + +De hierboven in 3.1.3 vermelde voorschriften (inzake aanmelding en regeling van het verblijf van buitenlandse kinderen ter adoptie) zijn voor wat de buitenlandse pleegkinderen betreft van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de inname van het document waaruit de beginseltoestemming blijkt. + + + Voorafgaande aan de aanmelding dient de wettelijke vertegenwoordiging van het kind te zijn geregeld. Het gestelde in B1/4.1.1.6 is van overeenkomstige toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.3. Beperking + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij … (naam pleegouder)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.4. Arbeidsmarktaantekening + +Zie 3.1.3.3 + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.5. Voorschriften + +Zie 3.1.3.4. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.6. Geldigheidsduur + +Zie 3.1.3.5. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +## B4. Wedertoelating + +### 1. Inleiding + +In dit hoofdstuk wordt de wedertoelating van vreemdelingen tot Nederland behandeld. Het betreft de wedertoelating van bepaalde categorieën vreemdelingen die eerder bestendig, hetzij als Nederlander, hetzij als rechtmatig verblijvende vreemdeling, in Nederland hebben verbleven. In paragraaf 2 zijn de diverse verblijfsregelingen voor de te onderscheiden categorieën vreemdelingen opgenomen. In paragraaf 3 t/m 5 zijn enkele bijzondere verblijfsregelingen opgenomen. + +200321304-11-200320-08-2003HKUIT03-4031(AUB)200321304-11-200320-08-2003HKUIT03-4031(AUB)06-11-2003 + +### 2. Verlening van de verblijfsvergunning + +In deze paragraaf worden regelingen gegeven voor de wedertoelating van oud-Nederlanders in het algemeen (paragraaf 2.1) en meer in het bijzonder voor oud-Nederlanders die het Nederlanderschap hebben verloren in verband met de afstandsverplichting van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) (paragraaf 2.2 - paragraaf 2.4) en wegens langdurig verblijf buiten Nederland (paragraaf 2.5). Voorts worden regelingen gegeven voor remigratie en wedertoelating van vreemdelingen in het kader van de terugkeeroptie op grond van de Remigratiewet (paragraaf 2.6 en paragraaf 2.7) en voor de wedertoelating van secundair migranten (paragraaf 2.8 en paragraaf 2.9). De te verlenen verblijfsvergunning is hetzij de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vreemdelingenwet), hetzij de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vreemdelingenwet). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.1. Oud-Nederlanders + +– vreemdelingen die door naturalisatie het Nederlanderschap hebben verloren; hierbij kan gedacht worden aan de zogenaamde spijtemigranten uit landen als Amerika, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika; +– vrouwen die door of in verband met hun huwelijk het Nederlanderschap hebben verloren; +– vreemdelingen die voor 1 januari 1985 het Nederlanderschap hebben verloren wegens het zich zonder Koninklijk verlof begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst (artikel 7, onder 4, Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap van 1892) en nadien (eventueel) een vreemde nationaliteit hebben verworven. + +##### 2.1.1. Algemeen + +Bij de verlening van een verblijfsvergunning aan oud-Nederlanders wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland en anderzijds Nederlanders die buiten Nederland zijn geboren. + +Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in Nederland zijn geboren en getogen, geldt dat, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in Nederland hebben verbleven, zij geacht worden zodanig sterke banden met Nederland te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit Nederland te hebben behouden, dat zij in voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in Nederland. Zo zal het middelenvereiste hen niet worden tegengeworpen. + +De meerderjarige oud-Nederlander die buiten Nederland is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in Nederland, indien er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met Nederland. Bijzondere banden worden aangenomen indien de vreemdeling in Nederland, op de Nederlandse Antillen of op Aruba minstens de helft van het basisonderwijs heeft gevolgd of gedurende de minderjarigheid een opleiding heeft gevolgd die, meer dan destijds gebruikelijk was, op Nederland was gericht. Een en ander sluit niet uit dat door andere omstandigheden, zoals opvoeding, maatschappelijke positie en/of dienstbetrekking (bijvoorbeeld KNIL-militairen met pensioenrechten en ambtenaren in militaire dienst), bijzondere banden met Nederland zijn verkregen, die tot verblijf in Nederland kunnen leiden. + +In de Nota van toelichting bij het Vreemdelingenbesluit is bij artikel 3.53, tweede lid, onder b, Vreemdelingenbesluit aangegeven dat de in het eerste en tweede lid, onder a, Vreemdelingenbesluit, genoemde groepen oud-Nederlanders niet limitatief zijn, en dat desgewenst in de Vreemdelingencirculaire ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen kunnen worden opgenomen. Een nadere regeling ten aanzien van enkele bijzondere categorieën oud-Nederlanders is hieronder opgenomen onder 2.2 tot en met 2.5. + +Voor de toelating van gezinsleden van de genoemde categorieën oud-Nederlanders gelden de voorwaarden als opgenomen in B2, zoals die gelden voor Nederlanders. + +##### 2.1.2. Verblijfsvoorwaarden + +– de aanvraag om wedertoelating van deze categorie vreemdelingen wordt, ingevolge artikel 3.53, derde lid, Vreemdelingenbesluit, niet afgewezen, omdat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; +– de aanvraag om wedertoelating van deze categorie vreemdelingen wordt, ingevolge artikel 3.53, derde lid, Vreemdelingenbesluit, evenmin afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; +– tegen het verblijf van de vreemdeling mag geen bezwaar bestaan uit oogpunt van openbare orde of nationale veiligheid. + +– betrokkene dient gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland te overleggen; +– betrokkene dient meerderjarig te zijn; +– betrokkene dient te wonen in een ander land dan dat waarvan men onderdaan is; +– betrokkene dient als Nederlander of als Nederlands onderdaan hier te lande of op de Nederlandse Antillen of Aruba minstens de helft van het basisonderwijs te hebben gevolgd of gedurende de minderjarigheid een opleiding te hebben gevolgd, die meer dan destijds gebruikelijk was, op Nederland zelf was gericht dan wel door andere omstandigheden, zoals opvoeding, maatschappelijke positie en/of dienstbetrekking (bijvoorbeeld KNIL-militairen met pensioen en ambtenaren in Nederlandse dienst), nauwe banden met Nederland te hebben verkregen; +– tevens zijn op deze aanvraag de algemene toelatingsvoorwaarden van B1 van toepassing, zoals het mvv-vereiste, het vereiste dat men dient te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, het middelenvereiste, en het vereiste dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. + +##### 2.1.3. Beperkingen arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking 'wedertoelating'. Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld 'Arbeid vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is niet verplicht'. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.4. Geldigheidsduur + +De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur die ten minste één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven, maar ten hoogste vijf jaren. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.5. Aard verblijfsrecht + +Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, onder b, RWN en artikel 19, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.2. Oud-Nederlanders (verlies op grond van + +a. het Nederlanderschap op grond van artikel 15, onder d, RWN heeft verloren; +b. op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend ten minste drie aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, onder a, b, e of l, Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verbleef; +c. het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; +d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; en +e. wier aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na bekendmaking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken. + +a. gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland; +b. een afschrift van de kennisgeving tot naturalisatie; +c. brieven waarin hij door de Minister wordt gewezen op de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit(en); en +d. een afschrift van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken. + +a. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (zie ook B1/1.2.3); +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; +c. tussen het verlies van het Nederlanderschap en de ontvangst van de aanvraag voor een werkgever arbeid heeft verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan. + +#### 2.3. Oud-Nederlanders (verlies op grond van art. 15 onder d RWN) II + +a. het Nederlanderschap op grond van artikel 15, onder d, RWN heeft verloren; +b. op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend ten minste vijf aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, b, e of l, Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verbleef; +c. het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; +d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; en +e. wier aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na bekendmaking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken. + +a. gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland; +b. een afschrift van de kennisgeving tot naturalisatie; +c. brieven waarin hij door de Minister wordt gewezen op de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit(en); en +d. een afschrift van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken. + +a. de vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een tijdvak van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet; +b. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +#### 2.4. Oud-Nederlanders (verlies op grond van + +a. de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, nadat het Nederlanderschap is verleend en voordat het Nederlanderschap met toepassing van artikel 15, onder d, RWN zou worden ingetrokken; en +b. de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na het verlies van het Nederlanderschap. + +a. gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland; +b. een afschrift van de kennisgeving tot naturalisatie; +c. brieven waarin hij door de Minister wordt gewezen op de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit(en); en +d. een uittreksel uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waaruit de datum blijkt waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit. + +#### 2.5. Oud-Nederlanders (verlies op grond van + +a. de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, onder c, RWN heeft verloren; +b. Nederland na het verlies van het Nederlanderschap is ingereisd in het bezit van een tijdens het Nederlanderschap afgegeven Nederlands (nationaal, diplomatiek of dienst-)paspoort of een door Nederland afgegeven Europese identiteitskaart en die tevens in het bezit is van een geldig vreemd paspoort; en +c. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +a. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (zie ook B1/1.2.3); +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; of +c. voor een werkgever arbeid heeft verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan. + +#### 2.6. Remigratie en de terugkeeroptie (op grond van + +##### 2.6.1. Verblijfsrechtelijke positie vóór remigratie + +– een meerderjarige vreemdeling, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die behoort tot een minderheidsgroep; +– een meerderjarige Nederlander, die niet tevens een andere nationaliteit bezit, die behoort tot een minderheidsgroep en die verklaart bereid te zijn al hetgeen te doen wat in redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen. + +##### 2.6.2. Doelgroep en verblijfsvoorwaarden + +a. een verklaring van de SVB die er toe strekt dat in beginsel positief zal worden beslist op de aanvraag om remigratievoorzieningen, mits afstand wordt gedaan van de Nederlandse nationaliteit; +b. een afschrift van de verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit en een verklaring van de ambtenaar burgerzaken dat de afstandsverklaring is ontvangen. + +##### 2.6.3. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie: de terugkeeroptie + +a. wiens aanvraag om wedertoelating op grond van de terugkeerregeling op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 8 van de Remigratiewet is ontvangen binnen één jaar na de remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet; +b. die niet eerder gebruik heeft gemaakt van de terugkeerregeling; en +c. die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland: +- 1. gedurende een ononderbroken periode van ten minste drie jaren rechtmatig in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 of 28 Vreemdelingenwet); of +2. in Nederland op grond van een geldige verblijfsvergunning verbleef als minderjarig kind van een persoon die zelf op grond van de Remigratiewet in aanmerking wordt gebracht voor wedertoelating, voorzover beiden tegelijkertijd uit Nederland zijn geremigreerd en beiden tegelijkertijd om wedertoelating hebben gevraagd; +3. in Nederland op grond van een geldige verblijfsvergunning verbleef als minderjarig kind van de persoon genoemd onder c, sub 1º, met die persoon uit Nederland is geremigreerd op grond van artikel 8 Remigratiewet, binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en die binnen dat jaar om wedertoelating heeft gevraagd. + +a. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +a. een afschrift van de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum is vermeld; en +b. een afschrift van de daarbij behorende bijlage, waaruit de ingangsdatum van de eerder verleende verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel en de ononderbroken duur van het eerdere verblijf van de vreemdeling in Nederland blijkt. + +#### 2.7. Terugkeeroptie (op grond van + +a. wiens aanvraag om wedertoelating op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 8 van de Remigratiewet is ontvangen binnen één jaar na de remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet; +b. voorzover die vreemdeling niet eerder gebruik heeft gemaakt van de terugkeerregeling; +c. en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland: +- 1. als Nederlander in Nederland verbleef; of +2. in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 of 33 Vreemdelingenwet), of voor inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet, als: +- – houder van een vergunning tot vestiging op grond van artikel 10 Vreemdelingenwet 1965; +– toegelaten vluchteling op grond van artikel 10 Vreemdelingenwet 1965; +– houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 10, tweede lid, Vreemdelingenwet 1965; +– houder van een vergunning tot verblijf zonder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet 1965; of +3. gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vreemdelingenwet), of voor inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet als houder van een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet 1965. + +a. op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een tijdvak van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet; of +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +a. een afschrift van de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum is vermeld; en +b. een afschrift van de daarbij behorende bijlage, waaruit de ingangsdatum van de eerder verleende verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel en de ononderbroken duur van het eerdere verblijf van de vreemdeling in Nederland blijkt. + +#### 2.8. Terugkeeroptie (minderjarigen) + +a. vanaf zijn vierde levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a t/m e dan wel l,Vreemdelingenwet, of als Nederlander; of +b. vóór indiening van de aanvraag vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a t/m e dan wel l, Vreemdelingenwet, of als Nederlander, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is. + +In zijn algemeenheid geldt dat deze terugkeeroptie onderscheiden moet worden van de terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet. + +ad a. Ten aanzien van de onder a. bedoelde groep wordt, door de jeugdige leeftijd waarop de betrokken vreemdeling Nederland heeft verlaten, aangenomen dat de beslissing om Nederland te verlaten niet bewust en weloverwogen is gemaakt. Tevens wordt a priori aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. De betrokken vreemdeling heeft na het vierde levensjaar ten minste tien jaren rechtmatig in Nederland verbleven en in die periode het grootste deel van zijn schoolopleiding in Nederland gevolgd. Overigens behoeft het rechtmatig verblijf op grond van onderdeel a. niet aaneengesloten te zijn. Evenmin is noodzakelijk dat het rechtmatig verblijf is begonnen toen de vreemdeling vier jaar oud was. Voldoende is, dat de vreemdeling tien jaar rechtmatig heeft verbleven tussen het vierde jaar en zijn meerderjarigheid. + +Het vereiste dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning moet zijn ontvangen voordat de vreemdeling meerderjarig wordt, stelt veilig dat de banden met het land van herkomst – die mettertijd sterker zullen worden naarmate het verblijf van de vreemdeling aldaar duurt – minder sterk zijn dan de banden met Nederland. + +ad b. Ten aanzien van de onder b. bedoelde categorie vreemdelingen, kan niet voorshands worden aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. Voor een dergelijk oordeel zijn aanvullende feiten en omstandigheden van belang. In de hierbedoelde gevallen zal van geval tot geval worden beoordeeld of Nederland het meest aangewezen land is voor de desbetreffende vreemdeling. Bij die beoordeling kunnen worden betrokken de reden van de remigratie, de duur van het verblijf in Nederland en in het land van herkomst, de in Nederland en in het buitenland gevolgde schoolopleiding, de in Nederland en in het buitenland opgedane werkervaring en de kennis van de Nederlandse taal. De vreemdeling is de meest gerede partij om over deze factoren zo veel mogelijk gegevens te verstrekken. + +a. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (zie artikel 3.71 Vreemdelingenbesluit); of +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +#### 2.9. Terugkeeroptie (meerderjarigen) + +a. tussen zijn vierde en zijn negentiende levensjaar gedurende een periode van ten minste tien jaren op grond van artikel 8, onder a t/m e dan wel l, Vreemdelingenwet in Nederland heeft verbleven en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar; of +b. voor het negentiende levensjaar gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren op grond van artikel 8, onder a t/m e of m, Vreemdelingenwet in Nederland heeft verbleven, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is. + +Het eerste lid van artikel 3.92 Vreemdelingenbesluit geeft het kader van een beperkte terugkeeroptie voor vreemdelingen die tijdens de minderjarigheid in Nederland hebben verbleven en naar het land van herkomst zijn teruggekeerd en inmiddels meerderjarig zijn geworden. Deze regeling correspondeert met de verblijfsregeling ten aanzien van de minderjarigen die tijdens hun minderjarigheid vijf jaren of langer in Nederland hebben verbleven en in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met wedertoelating. + +a. de vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een tijdvak van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet; of +b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +### 3. Verlenging van de verblijfsvergunning + +De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 4. Verzoeken ex + +a. dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot; +b. die persoon hangende de beslissing op het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap ingevolge een beslissing van de Minister niet als vreemdeling uit Nederland zal worden verwijderd; en +c. de persoon zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; +d. de persoon geen gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +Artikel 3.49 verschaft de basis om personen die bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap een verblijfsvergunning te verlenen, indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. Dergelijke personen worden in de regel niet als vreemdeling uit Nederland verwijderd alvorens de rechtbank en in voorkomende gevallen de Hoge Raad heeft geoordeeld. Het verblijfsrecht van de in dit artikel bedoelde verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. Indien de rechtbank te ’s-Gravenhage uitspraak heeft gedaan en heeft geoordeeld dat de betrokken persoon het Nederlanderschap niet bezit, kan het verblijf hangende de behandeling van het eventuele cassatieberoep wel worden verlengd, indien het verzoek naar het oordeel van de Minister van Justitie nog steeds niet klaarblijkelijk van iedere grond is ontbloot. Indien het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt betrokkene niet uitgezet, zolang op de procedure ex artikel 17 RWN niet is beslist. + +a. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; +b. niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; +c. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; of +d. voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan. + +a. de vreemdeling cassatieberoep heeft ingesteld, waarop nog geen arrest is gewezen; +b. de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd; +c. de vreemdeling hangende het cassatieberoep ingevolge een beslissing van de Minister niet als vreemdeling uit Nederland zal worden verwijderd, omdat het verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. Beoordeling door de onder de regionale directie Zuid-West van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ressorterende functionarissen van de afdeling Naturalisatie en Nationaliteiten. + +### 5. Verblijf buiten Nederland in verband met detentie, militaire dienst of uitzending + +a. de vreemdeling binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie in het bezit van een geldige verblijfsvergunning regulier naar Nederland terugkeert; of +b. zo de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vreemdelingenwet) is verstreken, de aanvraag om wedertoelating is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie. + +### 6. Toelichting + +Voor de wedertoelating van vreemdelingen die als Nederlander in Nederland hebben verbleven, zijn in dit hoofdstuk diverse regelingen opgenomen. Naast een algemene regeling (paragraaf 2.1) die toepasselijk is op alle aanvragen van oud-Nederlanders, ongeacht de grond waarop het Nederlandse nationaliteit verloren is gegaan, zijn regelingen opgenomen voor vreemdelingen die de Nederlandse nationaliteit hebben verloren in verband met de afstandsverplichting bij naturalisatie (paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4) of wegens langdurig verblijf in het buitenland (paragraaf 2.5). Voorts kunnen oud-Nederlanders die met toepassing van de Remigratiewet zijn teruggekeerd, aanspraken ontlenen aan de terugkeeroptie van de Remigratiewet (paragraaf 2.7). Het gaat hierbij nadrukkelijk om banden met het land Nederland. Banden met de Nederlandse Antillen of Aruba, die tijdens een langdurig verblijf tijdens de minderjarigheid met die landen van het Koninkrijk zijn opgebouwd, kunnen niet leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet van het land Nederland. + +In paragraaf 2.1 is geregeld onder welke omstandigheden vreemdelingen die als Nederlander in Nederland hebben verbleven, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De regeling is gebaseerd op de regeling die voorheen was neergelegd in B18 van de Vreemdelingencirculaire 1994. Hierbij is niet van belang op welke grond het Nederlanderschap verloren is gegaan. Het kan daarbij onder meer gaan om vreemdelingen die door naturalisatie het Nederlanderschap hebben verloren (bijvoorbeeld spijtoptanten uit landen als Amerika, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika), om vrouwen die destijds door of in verband met hun huwelijk de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, en vreemdelingen die zich zonder Koninklijk verlof hebben begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst en zo (voor 1985) het Nederlanderschap hebben verloren. Het kan ook gaan om vreemdelingen die na de onafhankelijkheid van de Republiek Suriname de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en de Nederlandse hebben verloren. Het gaat om vreemdelingen die thans meerderjarig zijn maar die tijdens de minderjarigheid in Nederland hebben verbleven en als zodanig banden met Nederland zijn aangegaan. Op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in Nederland hebben verbleven, worden zij geacht deze banden na hun vertrek uit Nederland, en ongeacht de duur van hun verblijf buiten Nederland, te hebben behouden. Om die reden wordt, anders dan in het geval van vreemdelingen die niet als Nederlander in Nederland hebben verbleven, geen termijn verbonden aan de periode van het verblijf buiten Nederland. + +In paragraaf 2.4 is voorzien in een regeling, analoog aan de paragrafen 2.2 en 2.3, voor die gevallen waarin het Nederlanderschap zou worden ingetrokken om reden dat de betrokkene na de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te ondernemen om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, ware het niet dat de betrokkene zelf afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit voordat het Nederlanderschap kon worden ingetrokken. Deze regeling is ook nadrukkelijk beperkt tot deze gevallen. Vreemdelingen, die om andere hen moverende redenen afstand hebben gedaan van de Nederlandse nationaliteit, vallen niet onder deze regeling. + +Op 1 april 2000 is de Remigratiewet in werking getreden (Stb. 1999, 232). De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid heeft op grond daarvan uitvoeringsregelingen getroffen. In de artikelen 10 en 11 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet van 15 maart 2000 (Stb. 2000, 128) zijn nadere regels neergelegd ter uitvoering van de terugkeerregeling in artikel 8 Remigratiewet. Bepaalde groepen vreemdelingen zijn op grond van het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet uitgesloten van het gebruik van de remigratiefaciliteiten. Daaronder bevinden zich ook de vreemdelingen met een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. Voor de resterende categorieën vreemdelingen die gebruik kunnen maken van de faciliteiten van de Remigratiewet, vormt artikel 8 van die wet de basis voor een beperkte terugkeeroptie om na die remigratie weer naar Nederland terug te keren om hier te verblijven. Uit artikel 8 Remigratiewet volgt dat een beroep op de terugkeeroptie openstaat binnen één jaar na de remigratie van de vreemdeling uit Nederland. Voor de goede orde wordt er op gewezen dat doorslaggevend is de datum waarop de aanvraag om wedertoelating (hetzij de aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, hetzij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning) en niet de datum van de daadwerkelijke terugkeer naar Nederland doorslaggevend is (artikel 11, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Remigratiewet). + +In de paragrafen 2.8 en 2.9 is geregeld onder welke omstandigheden vreemdelingen die als minderjarige in het kader van gezinshereniging in Nederland hebben verbleven, voor wedertoelating in aanmerking kunnen komen. Het betreft hier vreemdelingen, die voor het achttiende levensjaar uit Nederland zijn geremigreerd. In paragraaf 2.8 is de regeling neergelegd voor de wedertoelating van vreemdelingen die thans nog steeds minderjarig zijn. Om die reden dient zowel in de opvang als in de wettelijke vertegenwoordiging – bijvoorbeeld door een oudere broer of zuster of een oom of tante in Nederland – te zijn voorzien, voordat een verblijfsvergunning kan worden verleend. Uit de minderjarigheid, die naar Nederlands recht wordt beoordeeld, volgt dat de aanvraag niet voor het achttiende levensjaar moet zijn ontvangen. De minderjarige kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De vreemdeling, die voor het negentiende levensjaar uit Nederland is geremigreerd en inmiddels meerderjarig is, kan onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (paragraaf 2.9). De regeling is gebaseerd op de regeling die voorheen was opgenomen in B21 van de Vreemdelingencirculaire 1994. + +Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten. + +Gebleken is dat er op incidentele basis in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) personen als Nederlander staan ingeschreven, ten aanzien van wie niet (langer) vaststaat dat zij inderdaad de Nederlandse nationaliteit bezitten. Aangezien personen van wie de Nederlandse nationaliteit niet vast staat, niet als Nederlander kunnen worden aangemerkt, verdient het aanbeveling de inschrijving in de GBA in dergelijke gevallen in overeenstemming te brengen met de daadwerkelijke situatie. Gelet op de consequenties voor het verblijfsrecht, de toegang tot de arbeidsmarkt en eventuele verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen verdient het tevens aanbeveling dat de gemeente reeds voor de daadwerkelijke wijziging contact opneemt met de afdeling Naturalisatie en Nationaliteiten van de Regionale directie Zuid-West van de Immigratie en Naturalisatiedienst. Personen die feitelijk in Nederland verblijven, die op gronden die niet klaarblijkelijk van iedere grond zijn ontbloot, die menen de Nederlandse nationaliteit te bezitten en die een verzoek tot het vaststellen van hun Nederlanderschap (als bedoeld in artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap) hebben ingediend, kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in afwachting van de beslissing op dat verzoek. Indien het verzoek niet klaarblijkelijk van iedere grond is ontbloot, wordt de betrokkene in de regel niet als vreemdeling uit Nederland verwijderd. Het verblijfsrecht is in dat geval tijdelijk van aard. Indien de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage uitspraak heeft gedaan en het Nederlanderschap niet heeft vastgesteld, kan hangende de behandeling van het eventuele cassatieberoep voortgezet verblijf worden toegestaan indien het verzoek naar het oordeel van de Minister nog steeds niet klaarblijkelijk van iedere grond is ontbloot. Gelet op het specialistische karakter van die beoordeling is deze gecentraliseerd bij de Regionale directie Zuid-West (Afdeling Naturalisatie en Nationaliteiten). + +Het tijdelijke verblijf buiten Nederland voor het vervullen van de militaire dienstplicht of wegens detentie wordt niet geacht de verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland tot gevolg te hebben, indien de vreemdeling binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie in het bezit van een geldige verblijfsvergunning regulier naar Nederland terugkeert of (na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning) om wedertoelating verzoekt. In dat laatste geval wordt de aanvraag getoetst aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. + +## B5. Arbeid + +[Verwijzingen: B7, B10, B11, artikel 8, 14, 16, 18, 19, 20, 33, 115 Vreemdelingenwet, artikel 2, 4,12 Wet arbeid vreemdelingen, artikel 38, eerste lid, Arbeidsvoorzieningswet 1996, Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 (Stb. 1995, 406)] + +### 1. Algemene inleiding + +Dit hoofdstuk handelt over vreemdelingen die in Nederland arbeid al dan niet in loondienst (willen gaan) verrichten, voor zover daarop niet reeds een ander hoofdstuk van toepassing is, zoals B10 (EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen) of B11 (Verdragen) Vreemdelingencirculaire. + + + In de paragrafen 1 tot en met 7 zijn vermeld de regels die gelden voor het verrichten van arbeid als werknemer (arbeid in loondienst). + In de paragrafen 8 en volgende zijn vermeld regels die van toepassing zijn voor het verrichten van arbeid als zelfstandige (anders dan in loondienst). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 1.1. Inleiding + +Gelet op artikel 13, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts worden ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend. + Voor buitenlandse werknemers geschiedt de vaststelling of daarvan al dan niet sprake is door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die met toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen al dan niet een tewerkstellingsvergunning verleent aan de betrokken werkgever. + Daarop sluit aan artikel 3.31 Vreemdelingenbesluit. Zie 2.1. + + + Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten. + + + Bij artikel 3.31 Vreemdelingenbesluit is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet worden verleend voor arbeid in loondienst, indien er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn. Indien aan één of meer van de hier bedoelde voorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze circulaire. + + + In artikel 3.34 t/m 3.38 Vreemdelingenbesluit zijn bepalingen opgenomen ten behoeve van werknemers die werkzaam zijn op de internationale arbeidsmarkt. In artikel 3.39 Vreemdelingenbesluit is geregeld de verlening van een verblijfsvergunning aan vreemdelingen die als stagiair of practicant verblijf hier te lande wensen. + Voor godsdienstleraren en geestelijk voorgangers geldt aanvullend op artikel 3.31 Vreemdelingenbesluit het nadere vereiste, neergelegd in artikel 3.33 Vreemdelingenbesluit. Zie 5.3. + Voor buitenlandse werknemers die werkzaam zijn op de internationale arbeidsmarkt of die aldaar werkzaam zijn geweest en arbeid hier te lande willen gaan verrichten binnen de werkingssfeer van de Wet arbeid vreemdelingen geldt artikel 3.35, tweede lid, Vreemdelingenbesluit. Zie 4.1.2.2. + + + Buitenlandse werknemers die werkzaam blijven op de internationale arbeidsmarkt, maar die gezinshereniging of -vorming in Nederland beogen dienen, alvorens zij tot gezinshereniging of -vorming kunnen overgaan eerst zelf in het bezit te zijn van tenminste een verblijfsvergunning voor bepaalde duur. + De voorwaarden voor verlening van een zodanige vergunning zijn neergelegd in artikel 3.34 Vreemdelingenbesluit. Zie 4.1.2.3. + Wanneer die buitenlandse werknemer over een zodanige vergunning beschikt, kan aan zijn gezinsleden een van zijn verblijf afhankelijke verblijfstitel worden verleend, indien aan bepaalde, nadere voorwaarden is voldaan. Daarop is van toepassing B2. + De (beoogde) verblijfstitel van de gezinsleden of (huwelijks-)partner is immers afhankelijk van de verblijfstitel van de buitenlandse werknemer (de hoofdpersoon). + + + Voorts kan aan buitenlandse werknemers die op de internationale arbeidsmarkt werkzaam blijven een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend voor het doorbrengen van verlof in Nederland. + De vereisten zijn neergelegd in artikel 3.37 Vreemdelingenbesluit. Zie 4.1.2.4. + + + Voorts kan aan buitenlandse werknemers die op de internationale arbeidsmarkt werkzaam zijn in geval zij aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de Ziektewet of de Werkloosheidswet in Nederland een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. + De ter zake geldende vereisten zijn neergelegd in respectievelijk artikel 3.38 en 3.35, derde lid, Vreemdelingenbesluit. Zie 4.1.2.5. + + + Op buitenlandse werknemers die werkzaam zijn op de internationale arbeidsmarkt of die aldaar werkzaam zijn geweest en arbeid hier te lande willen gaan verrichten anders dan in loondienst, is van toepassing artikel 3.30 Vreemdelingenbesluit; zie 4.1.2.6. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 1.2. Samenhang tussen de + +– degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; of +– de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. + +### 2. Vreemdelingen voor wier verblijf een tewerkstellingsvergunning is vereist + +#### 2.1. Verband tussen aanvraag verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en tewerkstellingsvergunning + +Artikel + 3.31 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Met inachtneming van het tweede lid en de artikelen 3.33 en 3.99 tot en met 3.104, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 1, onder e, Wet arbeid vreemdelingen is afgegeven. + + + 2 + De in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling: + + + a. + beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën; + + + b. + beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; + + + c. + met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, verwerft; + + + d. + bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en + + + e. + geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78. + + + + + 3 + Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van artikel 3.75 duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid. + + + 4 + In andere gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend. + + + + + Het niet bezitten en niet aangevraagd hebben van een verblijfsvergunning vormt een dwingende grond om een tewerkstellingsvergunning te weigeren op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1º Wet arbeid vreemdelingen. + Andersom zal bij het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning (het verrichten van arbeid zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan) op grond van het vreemdelingenrecht (artikel 16, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.31, eerste lid, Vreemdelingenbesluit een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning (onder een beperking verband houdende met arbeid in loondienst) worden afgewezen. + + + Daarom is van belang de volgorde waarin de aanvragen worden ingediend en de volgorde waarin daarop wordt beslist, alsmede dat de bij de beslissingen betrokken instanties informatie met elkaar uitwisselen over de bij hen ingekomen aanvragen en hun beslissingen daarop, teneinde te voorkomen dat er een vicieuze cirkel ontstaat. + +200224617-12-2002HKUIT02-4757AUB200224617-12-2002HKUIT02-4757AUB01-01-2003 + +##### 2.1.1. Procedure bij het IND-loket arbeidsmigratie + +Indien duidelijk is dat de machtiging tot voorlopig verblijf moet worden geweigerd, ongeacht of er al dan niet een tewerkstellingsvergunning zou moeten worden verleend, wordt de machtiging tot voorlopig verblijf meteen geweigerd en wordt niet gewacht op de beslissing op de aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning. Hierbij dient met name te worden gedacht aan gevallen waarin de machtiging tot voorlopig verblijf dan wel de verblijfsvergunning moet worden geweigerd op grond van bijvoorbeeld gevaar voor de openbare orde. Zie ook hierna paragraaf B5/2.2. + +##### 2.1.2. Gezinshereniging + +– in geval van een huwelijk dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven; +– in geval van een relatie die reeds bestond toen beide partners nog in het buitenland verbleven; +– voor de uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin; +– voor de niet uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. + +#### 2.2. Beslissing op de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning + +a. Er bestaat in redelijkheid twijfel of een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend met de toelating tot de Nederlandse arbeidsmarkt. + +Hier geldt de hoofdregel dat met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gewacht wordt totdat op de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning is beslist. Een uitzondering geldt in de gevallen genoemd onder b. + +Wordt de tewerkstellingsvergunning verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. + +b. Een weigeringsgrond of het niet voldoen aan een voorwaarde leidt tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. + +De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vormt ingevolge artikel 8, eerste lid onder c, Wet arbeid vreemdelingen een dwingende weigeringsgrond voor een tewerkstellingsvergunning. + +Door zo mogelijk direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen kan de ongewenste situatie worden voorkomen dat aan een vreemdeling die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende tewerkstellingsvergunning arbeid in loondienst is gaan verrichten, nadien het verblijf moet worden ontzegd. Het gaat daarbij om aanvragen die worden afgewezen op grond van weigeringsgronden van artikel 16 Vreemdelingenwet, zoals gevaar voor de openbare orde (zie artikel 3.77 en 3.78 Vreemdelingenbesluit) en onvoldoende middelen van bestaan. Als voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning geldt ingevolge artikel 3.31, tweede lid, onder d, Vreemdelingenbesluit de verplichting mee te werken aan onderzoek naar of behandeling van tuberculose van de ademhalingsorganen, tenzij dat wegens de nationaliteit van de vreemdeling niet is toegestaan. Indien de vereiste medewerking niet wordt gegeven, wordt de vergunning niet verleend. Zie B1 Vreemdelingencirculaire. In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de burgemeester ( in de praktijk de ambtenaar burgerzaken of de ambtenaar publiekszaken) een verblijfssticker (model M77) in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling. + +c. De tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd + +Indien de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, zal als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst worden geweigerd. + +d. Weigering van de verlenging van de geldigheidsduur of intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. + +#### 2.3. Geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning en verblijfsvergunning + +Artikel + 3.57 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt, behoudens artikel 3.68, verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd. + + + + + + Artikel + 3.59 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend. + + + + + + Artikel + 3.68 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van de artikelen 3.57 tot en met 3.67 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend met een geldigheidsduur die één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven. + + + + Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de tewerkstellingsvergunning. + De maximale duur van een tewerkstellingsvergunning is ingevolge artikel 11, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen drie jaar. + + + De verblijfsvergunning is in geen geval langer geldig dan tot een maand voor de afloopdatum van het document voor grensoverschrijding. + + + In verband met de regel dat een vreemdeling na drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vrij is op de arbeidsmarkt (artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, Wet arbeid vreemdelingen), dient de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo mogelijk overeen te komen met de ingangsdatum van de tewerkstellingsvergunning. Komt de duur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd na drie jaar niet overeen met de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning dan dient contact opgenomen te worden met de Centrale organisatie werk en inkomen. + Daar zal dan beoordeeld worden of er nog een tewerkstellingsvergunning voor korte duur kan worden afgegeven aan de werkgever. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.4. Beperking + +Tenzij in de onderstaande regels hiervan wordt afgeweken wordt aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd steeds de beperking verbonden ‘arbeid in loondienst bij ... (naam werkgever)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.5. Voorschrift + +Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de betrokkene reeds verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.6. Arbeidsmarktaantekening + +Artikel + 4.21 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen: + (...) + + + 4 + Indien aan het verblijf in Nederland van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een beperking als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, is verbonden, wordt op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld. + + + + + Op het verblijfsdocument wordt ingevolge artikel 4.21, vierde lid, Vreemdelingenbesluit in beginsel de arbeidsmarktaantekening: ‘TWV vereist’ geplaatst. + + + Indien een vreemdeling voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst wordt toegelaten wordt eveneens een aantekening omtrent de arbeidsmarktpositie op het verblijfsdocument geplaatst. Deze positie is echter afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan. In de desbetreffende materiehoofdstukken B2 t/m B4, alsmede B6 t/m B14, zijn deze arbeidsmarktposities opgenomen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 3. Vreemdelingen voor wier tewerkstelling geen tewerkstellingsvergunning is vereist + +#### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen + +a. een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd; +b. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, voorzover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige (zie 8 en verder van dit hoofdstuk); en +c. een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. + +#### 3.2. Vreemdelingen met aantekening op document ‘arbeid vrij toegestaan’ + +– die voor onbepaalde tijd in Nederland mag verblijven (3.2.1); +– die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd (3.2.2); of +– die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie (3.2.3). + +##### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd + +Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud) wordt ingevolge artikel 115, vijfde lid, Vreemdelingenwet aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. + + + Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 of 33 Vreemdelingenwet krijgen op hun verblijfsdocument de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning + +Ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldt voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige. + + + Deze vreemdeling krijgt op het verblijfsdocument de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen + +a. een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet is verleend voor verblijf bij: +- – een in Nederland woonachtige Nederlander, of +– een vreemdeling aan wie een aantekening als bedoeld in artikel 4 Wet arbeid vreemdelingen is afgegeven; +b. een vreemdeling die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met daarop een aantekening dat arbeid vrij is toegestaan en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd; en +c. een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet is verleend indien de vreemdeling gedurende een ononderbroken periode van zeven jaar, direct voorafgaande aan de verblijfsvergunning, werkzaam is geweest op zeeschepen die onder Nederlandse vlag varen en in Nederland zijn geregistreerd of op mijnbouwinstallaties op het Nederlands deel van het continentaal plat (zie 4.1.2.2 en 4.1.2.6). + +### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen + +#### 4.1. Vreemdelingen werkzaam (geweest) op de internationale arbeidsmarkt + +##### 4.1.1. Algemeen + +Onder de Wet arbeid vreemdelingen geldt voor de werkgever de verplichting te beschikken over een tewerkstellingsvergunning voor de buitenlandse werknemer op de internationale arbeidsmarkt indien er door woonplaats van de werknemer, vestigingsplaats van de werkgever of door registratie van het vervoermiddel een band met Nederland bestaat. + + + Voor de regeling van het verblijf geldt een onderscheid tussen vreemdelingen werkzaam (geweest) in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport en op internationale binnenscheepvaart enerzijds en vreemdelingen werkzaam (geweest) op Nederlandse zeeschepen en boorplatformen (mijnbouwinstallaties) anderzijds. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.1.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties op het Nederlands deel van het continentale plat + +###### 4.1.2.1. Algemeen + +– werk op Nederlands grondgebied (als zelfstandige: artikel 3.30, derde lid, Vreemdelingenbesluit; arbeid in loondienst: artikel 3.35, eerste en tweede lid Vreemdelingenbesluit; zie 4.1.2.2 en 4.1.2.6); +– gezinshereniging (artikel 3.34 Vreemdelingenbesluit; zie 4.1.2.3); +– verlofperioden (artikel 3.37 Vreemdelingenbesluit; zie 4.1.2.4); +– tijdelijke arbeidsongeschiktheid (ziekte) en werkloosheid (artikel 3.38 en 3.35, derde lid, Vreemdelingenbesluit; zie 4.1.2.5). + +Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd. + +###### 4.1.2.2. Werk binnen de werkingssfeer van de + +De vreemdeling als genoemd onder 4.1.2.1, die beoogt arbeid hier te lande te verrichten, komt onder bepaalde voorwaarden, vermeld in artikel 3.35, eerste en tweede lid, Vreemdelingenbesluit in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. + + + + + Artikel + 3.35 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan worden verleend aan de vreemdeling: + + + a. + met een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat; + + + b. + die uit hoofde van zijn dienstbetrekking ingevolge een door Nederland gesloten sociaal zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse sociale verzekeringen, en + + + c. + die als uitvloeisel daarvan recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, die niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt. + + + + + 2 + De verblijfsvergunning kan worden verleend onder een beperking, verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland, indien het arbeidsverleden ten minste zeven jaar bedraagt. Het arbeidsverleden is niet onderbroken ingeval van: + + + a. + tussentijdse, in Nederland doorgebrachte perioden van onvrijwillige werkloosheid van elk ten hoogste zes maanden, en + + + b. + tussentijdse perioden van tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de internationale arbeidsmarkt van, tezamen genomen, ten hoogste twaalf maanden. + + + + + 3 + De verblijfsvergunning kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, indien het arbeidsverleden korter is dan zeven jaar. + + + + + De buitenlandse werknemer kan aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd overeenkomstig het algemene beleid voor buitenlandse werknemers. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.1.2.3. Gezinshereniging en -vorming + +Indien de vreemdeling als genoemd onder 4.1.2.1 gezinshereniging of -vorming beoogt in Nederland, met andere woorden: een verblijfsvergunning voor zijn gezinsleden op afhankelijke gronden, dient hij allereerst zelf te beschikken over een verblijfsvergunning (op zelfstandige gronden). + + + + + Artikel + 3.34 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands schip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, aan de vreemdeling die: + + + a. + een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar; + + + b. + tijdens het arbeidsverleden, voorzover opgebouwd aan boord van een Nederlands zeeschip, frequent Nederlandse havens heeft aangedaan, en + + + c. + gedurende ten minste nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands schip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, waarmee hij duurzaam voldoende middelen van bestaan verwerft. + + + + + 2 + Het arbeidsverleden, bedoeld in het eerste lid, onder a, is niet onderbroken in geval van: + + + a. + tussentijdse, in Nederland doorgebrachte perioden van onvrijwillige werkloosheid van elk ten hoogste zes maanden, of + + + b. + tussentijdse perioden van tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de internationale arbeidsmarkt van, tezamen genomen, ten hoogste twaalf maanden. + + + + + + + Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van een dergelijke vreemdeling gelden vervolgens artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit; zie B2. Deze gezinsleden worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. Op hen is B2 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.1.2.4. Verlof + +Voor het doorbrengen van verlof in Nederland dat plaatsvindt in de vrije termijn, dat wil zeggen de termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens artikel 12 Vreemdelingenwet is toegestaan in Nederland te verblijven, is geen verblijfsvergunning vereist. In die gevallen is immers sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder i, Vreemdelingenwet. Zie artikel 3.3 Vreemdelingenbesluit. + + + Desgewenst kan de vreemdeling als genoemd onder 4.1.2.1 voor het doorbrengen van verlof in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien het verlof de vrije termijn overschrijdt. + In dat geval is artikel 3.37 Vreemdelingenbesluit van toepassing. + + + + + Artikel + 3.37 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland aan de vreemdeling, die: + + + a. + een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar, waarin de totale duur van de onderbrekingen niet langer is dan achttien maanden; + + + b. + tijdens dat arbeidsverleden zijn verlofperioden nagenoeg geheel in Nederland heeft doorgebracht, en + + + c. + gedurende ten minste nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands schip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, waarmee hij duurzaam voldoende middelen van bestaan verwerft. + + + + + + De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof wordt aangemerkt als tijdelijk van aard. + Gezinsleden van de vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof in Nederland worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. + Op hen is B2 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.1.2.5. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid + +De vreemdeling als genoemd onder 4.1.2.1 die uitkering krachtens de Ziektewet of de Werkloosheidswet ontvangt, kan met het oog op het hervatten van werkzaamheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De beperking waaronder deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend is afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden en de aard van de uitkering. + + + + + Artikel + 3.35 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan worden verleend aan de vreemdeling: + + + a. + met een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat; + + + b. + die uit hoofde van zijn dienstbetrekking ingevolge een door Nederland gesloten sociaal zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse sociale verzekeringen, en + + + c. + die als uitvloeisel daarvan recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, die niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt. + + + + + 2 + De verblijfsvergunning kan worden verleend onder een beperking, verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland, indien het arbeidsverleden ten minste zeven jaar bedraagt. Het arbeidsverleden is niet onderbroken ingeval van: + + + a. + tussentijdse, in Nederland doorgebrachte perioden van onvrijwillige werkloosheid van elk ten hoogste zes maanden, en + + + b. + tussentijdse perioden van tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de internationale arbeidsmarkt van, tezamen genomen, ten hoogste twaalf maanden. + + + + + 3 + De verblijfsvergunning kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, indien het arbeidsverleden korter is dan zeven jaar. + + + + + + + Artikel + 3.38 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan voor de duur van de uitkering krachtens de Ziektewet worden verleend onder een beperking verband houdend met het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat aan de vreemdeling die: + + + a. + een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat heeft; + + + b. + uit hoofde van zijn dienstbetrekking ingevolge een door Nederland gesloten sociaal-zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse sociale verzekeringen, en + + + c. + als uitvloeisel daarvan recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet, die niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt. + + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.1.2.6. Arbeid als zelfstandige + +De vreemdeling als genoemd onder 4.1.2.1, die beoogt arbeid anders dan in loondienst, dus buiten de werkingssfeer van de Wet arbeid vreemdelingen, in Nederland te verrichten, komt ingevolge artikel 3.30, derde lid, Vreemdelingenbesluit in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indien hij beschikt over een arbeidsverleden van ten minste zeven jaar, ook indien het arbeidsverleden van zeven jaar is opgebouwd gedurende arbeid in de internationale binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen of in het internationale wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voor zover dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt. + + + + + Artikel + 3.30 + Vreemdelingenbesluit luidt: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Wet, kan onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die: + + + a. + arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend; + + + b. + uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en + + + c. + voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf. + + + + + 2 + Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken ondernemingsactiviteiten worden aangewezen waarmee geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend. + + + 3 + De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands belang, indien de vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen een ononderbroken arbeidsverleden heeft van ten minste zeven jaar: + + + a. + aan boord van een Nederlands zeeschip; + + + b. + op het Nederlandse deel van het continentaal plat; + + + c. + in de internationale binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen, of + + + d. + in het internationale wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voorzover dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt. + + + + + 4 + Voor de toepassing van het derde lid worden niet als onderbrekingen aangemerkt tussentijdse perioden van onvrijwillige werkloosheid, voorzover die in Nederland zijn doorgebracht en elk zes maanden of korter duurden, en die perioden in totaal niet langer dan twaalf maanden bedragen. + + + + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Zie 8.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.1.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart + +De verbodsbepaling van de Wet arbeid vreemdelingen is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (artikel 1 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen d.d. 23 augustus 1995, Stb. 1995, 406). + + + Gelet op deze bepaling zal er in het algemeen voor werkzaamheden van vreemdelingen in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt geen verplichting bestaan te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Ook zal veelal verblijf in de vrije termijn volstaan. + + + Een tewerkstellingsvergunning is wél vereist indien een vreemdeling zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft óf een arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever óf arbeid op een binnen Nederland geregistreerd vervoermiddel verricht. In dat geval dient er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning/machtiging tot voorlopig verblijf te worden ingediend. Indien de tewerkstellingsvergunning wordt verleend, kan een verblijfsvergunning worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘TWV vereist’. Zie verder B5/2. + Voor de verlening van de tewerkstellingsvergunning moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. De vreemdeling kan zich daartoe melden bij de burgemeester van de gemeente van zijn woon- of verblijfplaats. De burgemeester plaatst vervolgens een Verblijfssticker (model M77) in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 5. Stagiaires en practicanten + +#### 5.1. Inleiding + +– Canadees onderdaan zijn, en +– woonachtig zijn in Canada, en +– ten minste achttien en niet ouder dan dertig jaar zijn, dat zij studeren dan wel op het moment van de aanvraag niet langer dan twaalf maanden geleden zijn afgestudeerd. + +##### 5.1.1. Beperkingen + +Voor onderdanen die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of de Zwitserse Bondsstaat, dient de werkgever in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning. Voor de regeling van het verblijf van de stagiair en de practicant dient bericht van de Centrale organisatie werk en inkomen te zijn ontvangen dat de betrokken vreemdeling als stagiair c.q. practicant is aanvaard en een tewerkstellingsvergunning wordt afgegeven. + + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als practicant’, mits ook aan de algemene voorwaarden, zoals voldoende middelen van bestaan en geen gevaar voor de openbare orde (zie artikel 16 Vreemdelingenwet en artikel 3.71 t/m 3.79 Vreemdelingenbesluit, alsmede B1 Vreemdelingencirculaire) wordt voldaan. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 5.1.2. Arbeidsmarktaantekening + +Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.3. Voorschriften + +Er wordt geen voorschrift tot het stellen van zekerheid verbonden aan de vergunning die wordt verleend aan stagiaires en practicanten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.4. Geldigheidsduur + +De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar. + De geldigheid van de verblijfsvergunning voor practicanten beloopt niet langer dan 24 weken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.5. Voortgezet verblijf + +Voor stagiaires geldt dat aanvragen om verlenging van die verblijfsvergunningen voor hetzelfde doel worden afgewezen, indien de betrokken vreemdeling één jaar houder ervan is geweest. Voor practicanten geldt dat aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunning voor hetzelfde doel worden afgewezen indien zij daarvan 24 weken houder zijn geweest. + + + Voortgezet verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of practicant wordt niet toegestaan. Uitzondering geldt in geval van toepasselijkheid van artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.52 + Vreemdelingenbesluit: + + In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.2. Gastdocenten, (onbezoldigde) wetenschappelijk onderzoekers en verblijf in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie + +De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. + +Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV vereist’. + +##### 5.2.1. Algemeen + +Ten aanzien van gastdocenten, onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers en vreemdelingen die in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie in Nederland verblijven, geldt dat voor hun werkzaamheden geen tewerkstellingsvergunning is vereist. + +200414127-07-200419-07-2004200414127-07-200419-07-200427-07-2004 + +##### 5.2.2. Gastdocenten + +De middelen van bestaan zijn overeenkomstig artikel 3.75, eerste lid, Vreemdelingenbesluit duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf. + +De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. + +Indien de duur van de gastcolleges maximaal één jaar bedraagt, wordt de volgende aantekening vermeld: TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. + +Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar bedraagt, wordt de aantekening vermeld: ‘TWV vereist’. + +###### 5.2.2.1. Voortgezet verblijf + +Indien tijdig een aanvraag is ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de in dit kader voor één jaar verleende verblijfsvergunning is het de betrokken gastdocent toegestaan de arbeid als gastdocent voort te zetten in afwachting op de beslissing op die aanvraag, zolang op de tevens vereiste aanvraag om een tewerkstellingsvergunning nog niet is beslist. In dat geval is de weigeringsgrond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g, Vreemdelingenwet niet van toepassing. Zie ook hetgeen is vermeld omtrent de samenhang tussen Vreemdelingenwet en Wet arbeid vreemdelingen in paragrafen 1.2 en 2.1. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.3. Wetenschappelijk onderzoekers + +– assistenten in opleiding en onderzoekers in opleiding bij een universitaire instelling; +– vreemdelingen die in de postdoctorale fase voor een duur van maximaal twee jaar specifieke onderzoekstaken in lopende onderzoeksprojecten komen verrichten; en +– hooggekwalificeerde onderzoekers die op voordracht van de Koninklijke academie voor Wetenschappen op basis van een tijdelijke aanstelling onderzoekswerkzaamheden komen verrichten. + +##### 5.2.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers + +– bursalen en ontvangers van stipendia die met een door of vanwege de Europese Unie, een instituut of instelling voor internationaal onderwijs of onderzoek dat door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt gesubsidieerd, de Nederlandse overheid of een Nederlandse onderwijs- of onderzoeksinstelling verstrekte beurs in Nederland tijdelijk onderzoek verrichten voor de duur van de beurs; of +– bursalen of ontvangers van stipendia die in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst, waarbij Nederland partij is tijdelijk onderzoek verrichten voor de duur zoals is bepaald in de bilaterale- of multilaterale overeenkomst. + +De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur van de beurs, doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd. + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als onbezoldigde wetenschappelijk onderzoeker’. + +Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. + +Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat: + +– een beurs is toegekend door de beursverlener. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen publiceert jaarlijks in haar begroting een overzicht van gesubsidieerde instituten en instellingen voor internationaal onderwijs respectievelijk onderzoek (kamerstukken 2002/2003, 28 600 VIII, nr. 2, pag. 179); of +– een beurs is toegekend door de Europese Unie dan wel door de beursverlener in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is. + +###### 5.2.4.1. Middelen van bestaan + +In aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/2.2.3.1 worden ten aanzien van onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers de volgende inkomsten tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel: + +– Sponsorgelden, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. De inkomsten worden door de vreemdeling aangetoond door het overleggen van sponsorovereenkomst(en), waaruit de hoogte van de sponsorgelden en de duur van de sponsorovereenkomst(en) blijken. In geval van twijfel over de daadwerkelijke uitbetaling van de sponsorgelden kunnen ter meerdere zekerheid andere bewijsstukken worden gevraagd, waaruit blijkt dat de sponsoring daadwerkelijk plaatsvindt; +– Stipendia en beurzen, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. De inkomsten worden door de vreemdeling aangetoond door het overleggen van schriftelijke bewijsstukken waaruit de hoogte van de beurs of het stipendium blijkt en het tijdvak waarover de beurs of het stipendium wordt toegekend; +– Periodieke betalingen, mits voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de geldstroom. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling; +– Inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht. In afwijking van B1/2.2.3.1 worden inkomsten uit arbeid, waarbij de vreemdelingen de arbeid (gewoonlijk) buiten Nederland verricht, eveneens meegeteld, voor zover de op grond van de Nederlandse wetgeving vereiste premies en belastingen aan de Nederlandse overheid zijn afgedragen. De inkomsten uit arbeid in loondienst worden aangetoond overeenkomstig B1/2.2.3.1 (onder ‘bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst’), met uitzondering van het overleggen van afschrift van de door de uitvoeringstelling gewaarmerkte aanmelding van de arbeidsovereenkomst. De inkomsten uit arbeid als zelfstandige worden aangetoond overeenkomstig B1/2.2.3.3 (onder ‘Berekening van het netto-inkomen van een gevestigde ondernemer’). Voor zover de bewijsstukken zijn overgelegd in een vreemde taal, wordt verwezen naar B1/4.1.1.9. + +In afwijking van B1/2.2.3.1 worden de volgende inkomsten in het kader van dit verblijfsdoel tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel: + +– Bijdragen in de vorm van subsidies, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. De inkomsten worden door de vreemdeling aangetoond door het overleggen van het subsidiebesluit, waaruit de hoogte van de subsidie en de periode waarover de subsidie wordt verleend, blijkt. + +De middelen van bestaan zijn overeenkomstig artikel 3.75, eerste lid, Vreemdelingenbesluit duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf. + +##### 5.2.5. Arbeid in loondienst in het kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst + +De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur zoals is bepaald in de bilaterale- of multilaterale overeenkomst doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd. + +De middelen van bestaan zijn overeenkomstig artikel 3.75, eerste lid, Vreemdelingenbesluit duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf. + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’. + +Als aantekening wordt vermeld: ‘ TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. + +Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is. + +##### 5.2.6. Arbeid in loondienst in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie + +De middelen van bestaan zijn overeenkomstig artikel 3.75, eerste lid, Vreemdelingenbesluit duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf. + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’. + +Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. + +Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald werk wordt verricht in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie. + +#### 5.3. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers + +##### 5.3.1. Inleiding + +Voor godsdienstleraren en geestelijk voorgangers geldt onder de Wet arbeid vreemdelingen de verplichting te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. + + + Vreemdelingen die verblijf als godsdienstleraar of geestelijk voorganger in Nederland beogen, moeten in het bezit zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf. Indien zij niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf voor dat doel, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen ingevolge artikel 3.71, derde lid, Vreemdelingenbesluit, tenzij zij op grond van artikel 17 Vreemdelingenwet zijn vrijgesteld. + + + + + Artikel + 3.71 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. + + + 2 + Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling: + + + 3 + Het tweede lid is niet van toepassing op de vreemdeling die als geestelijk voorganger of godsdienstleraar wil verblijven. + + + + (...) + + + + + Op basis van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf beoordeelt de Centrale organisatie Werk en Inkomen of een tewerkstellingsvergunning kan worden afgegeven. Daarnaast stelt de Minister (de Immigratie- en Naturalisatiedienst) een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare rust en de openbare orde bezwaar bestaat tegen het verblijf van de godsdienstleraar dan wel geestelijk voorganger in Nederland en: of de betrokken groepering op wier verzoek de godsdienstleraar of geestelijk voorganger zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de godsdienstleraar of geestelijk voorganger handhaaft. + Door dit onderzoek wordt voorkomen dat problemen ontstaan, voortvloeiend uit culturele, politieke of religieuze tegenstellingen. + De Immigratie- en Naturalisatiedienst onderzoekt voorts of aan de overige voorwaarden is voldaan. + + + Het verblijf als godsdienstleraar en geestelijk voorganger is ingevolge artikel 3.5, tweede lid, onder d, Vreemdelingenbesluit tijdelijk van aard, tenzij het betreft een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.2. Verlening van een verblijfsvergunning + +Er dient te zijn voldaan aan zowel de vereisten van artikel 3.31 Vreemdelingenbesluit (zie 2.1) als artikel 3.33 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.33 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Onverminderd artikel 3.31 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat: + + + a. + slechts verblijf wordt toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te noemen groepering; + + + b. + het verblijf slechts kan worden toegestaan voor de duur van de werkzaamheden; + + + c. + hij na beëindiging daarvan Nederland dient te verlaten, en + + + d. + het hem niet is toegestaan om gedurende zijn verblijf in Nederland werkzaamheden van andere aard te verrichten. + + + + + 2 + Het model van de verklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. + + + + + De buitenlandse godsdienstleraar of geestelijk voorganger die op verzoek van een bepaalde groepering naar Nederland wil komen, komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in aanmerking, indien hij beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf voor dat doel. Daarvoor is onder meer vereist dat die groepering dan wel de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning voor het door de vreemdeling laten verrichten van werkzaamheden in die hoedanigheid bij die groepering. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.3. Beperking + +Indien aan de hiervoor onder 5.3.2 bedoelde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking: ‘verblijf als godsdienstleraar ten behoeve van..........’ (in te vullen de met name te noemen groepering). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.4. Arbeidsmarktaantekening + +Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.5. Voorschriften + +Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de betrokkene reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.6. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid + +De buitenlandse godsdienstleraar of voorganger is uitgezonderd van de algemene regeling van 6.3 inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, omdat zijn verblijfsrecht ingevolge artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenbesluit tijdelijk van aard is. Dit betekent dat het aan de buitenlandse godsdienstleraar of voorganger niet is toegestaan om, nadat hij zijn werkzaamheden als godsdienstleraar of voorganger heeft beëindigd, zijn verblijf hier te lande voort te zetten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.7. Wijziging van de vergunning + +Indien een vreemdeling reeds in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland en vervolgens werkzaamheden als godsdienstleraar of geestelijk voorganger wil gaan verrichten, dan dient de beoogde nieuwe werkgever een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning te doen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.8. Gezinshereniging + +Gezinsleden van een vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. + + B2 is van toepassing, met uitzondering van voortgezet verblijf, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.4. Vreemdelingen die in verband met verblijf in de vrije termijn geen verblijfsvergunning nodig hebben + +##### 5.4.1. Inleiding + +– toeristen en studenten die, eventueel door bemiddeling van een uitzendbureau, in de vakantie willen werken; en +– vreemdelingen die hier te lande een korte stage, van maximaal drie maanden of binnen de geldigheidsduur van het hun verleende visum, willen lopen. + +##### 5.4.2. Grensarbeiders + +Het in 5.4.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, waaronder hier wordt verstaan in Nederland tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in België of in de Bondsrepubliek Duitsland waarheen zij in beginsel dagelijks, of ten minste eenmaal per week terugkeren. Het gaat daarbij met name om vreemdelingen die in België verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige Belgische of Luxemburgse identiteitskaart voor vreemdelingen, dan wel van een Belgisch bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister. + Door het feit dat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, ingevolge het bepaalde in artikel 3.3 Vreemdelingenbesluit, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben. Ook is het gestelde in artikel 4.47 en 4.48 Vreemdelingenbesluit over de aanmeldingsplicht niet van toepassing. + + + Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter (behoudens voor de in artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet bedoelde gemeenschapsonderdanen) in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning. + + + Met het oog op de verlening van een tewerkstellingsvergunning aan hun werkgever is het ook voor grensarbeiders van belang dat zij in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Zie hiervoor het gestelde onder 5.4.1. + + + Ter verkrijging van de verblijfssticker (model M77) is het in dit geval voldoende dat de vreemdeling zich éénmaal, en wel bij de aanvang van zijn werkzaamheden als grensarbeider, bij de burgemeester vervoegt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.4.3. Musici en artiesten + +Het gestelde in 5.4.1 is van overeenkomstige toepassing op musici en artiesten. Ook voor hen dient de werkgever in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning. De tewerkstellingsvergunning heeft een beperkte geldigheidsduur: binnen een periode van zes maanden hooguit voor een termijn van drie maanden of zoveel korter als het verblijf in Nederland is toegestaan. + + + Voor musici en artiesten die incidenteel (binnen een periode van vier weken) optreden, verleent de Centrale organisatie werk en inkomen zonder arbeidsmarkttoets een tewerkstellingsvergunning, die niet kan worden verlengd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.5. Vreemdelingen die werkzaam zijn geweest als geprivilegieerde vreemdeling + +Voor vreemdelingen die hier te lande werkzaam zijn geweest als geprivilegieerde vreemdeling en die na afloop daarvan hun verblijf hier te lande willen voortzetten voor het verrichten van arbeid in loondienst gelden enkele bijzondere regels (zie B12). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.6. Werknemers in de sportsector + +##### 5.6.1. Algemeen + +Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een tewerkstellingsvergunning is vereist. + Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een tewerkstellingsvergunning niet vereist (artikel 1 Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen). + + + Ingeval van twijfel of sprake is van arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen dient de Immigratie- en Naturalisatiedienst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor te leggen aan de Centrale organisatie werk en inkomen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.6.2. Verlening van een verblijfsvergunning + +Indien een tewerkstellingsvergunning is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de tewerkstellingsvergunning onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘TWV vereist.’, mits aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vreemdelingenwet, nader uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit en hoofdstuk B1 Vreemdelingencirculaire, is voldaan. + Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een tewerkstellingsvergunning kan worden afgegeven. Daarbij kan het oordeel worden ingewonnen van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Sport. Is er sprake van een wezenlijk Nederlands belang dan kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een bijzondere beperking (het incidenteel beoefenen van topsport) met daarbij de aantekening dat arbeid niet is toegestaan. + Daarbij wordt met arbeid bedoeld arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen. Er wordt in dat geval immers geen verblijfsvergunning verleend onder de beperking dan wel met als doel om arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen te verrichten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.6.3. Gezinshereniging en -vorming + +Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.7. Sleutelpersoneel van een bedrijf uit een land waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten + +Zie B11. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.8. Directeuren-(groot)aandeelhouders + +Veelal zijn directeuren-(groot)aandeelhouders materieel te beschouwen als zelfstandigen vanwege de positie die zij binnen de onderneming innemen. + Beleidsregel: Derhalve dienen zij indien zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van het salaris zelf kunnen beïnvloeden, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aan te vragen. Indien zij niet aan deze criteria voldoen, is de procedure die geldt voor werknemers van toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.9. Seksuele dienstverlening + +Artikel + 3.32 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige of in loondienst, indien die arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden. + + + + Het artikel 3.32 Vreemdelingenbesluit stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. + + + Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen. + Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zij verwezen naar B11 Vreemdelingencirculaire. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 6. Voortgezet verblijf + +#### 6.1. Algemeen + +In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.2. Ongeoorloofde tewerkstelling + +– arbeid verricht zonder dat zijn werkgever in het vereiste bezit is van een tewerkstellingsvergunning; of +– andersoortige arbeid verricht dan die waarvoor de tewerkstellingsvergunning werd verleend. + +#### 6.3. Werkloosheid + +##### 6.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +Werkloosheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd + +Werkloosheid kan wel van invloed zijn op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. + + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van werkloze buitenlandse werknemers wordt niet ingetrokken wegens werkloosheid, behalve in de onder 6.3.3 genoemde gevallen. De werkloze buitenlandse werknemers mogen met het oog op het verkrijgen van een nieuwe werkkring hun verblijf voortzetten voor de resterende geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Gedurende deze periode komt de werkloze buitenlandse werknemer voor arbeidsbemiddeling in aanmerking; daartoe dient hij zich bij het Centrum voor werk en inkomen als werkzoekende te laten inschrijven. + Van de verlening van een tewerkstellingsvergunning aan de nieuwe werkgever van de betrokken vreemdeling zendt de Centrale organisatie werk en inkomen bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor nog ten minste één jaar, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning met één jaar verlengd. + Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor kortere duur, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning verlengd voor de duur van de werkzaamheden. + Slaagt de vreemdeling er niet in werk te vinden, dan wordt de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verlengd. + Vindt de vreemdeling die niet vrij is op de arbeidsmarkt werk, dan wordt aan zijn werkgever zonder toets aan artikel 8, eerste lid onder a, b en d, Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning verleend, doch slechts voor de duur dat zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nog geldig is. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de tewerkstellingsvergunning worden niet verlengd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.3.3. Werkloze buitenlandse werknemers van wie het verblijf kan worden beëindigd + +– indien de werknemer door hem verwijtbare gedragingen is ontslagen; hiervan zal in het algemeen sprake zijn bij ontslag op staande voet dat niet wordt aangevochten of indien de vreemdeling kan worden verweten dat hij zelf ontslag heeft genomen; +– indien de werknemer zich niet bij het Centrum voor werk en inkomen als werkzoekende heeft ingeschreven; of +– indien de werknemer meermalen heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden. + +#### 6.4. Arbeidsongeschiktheid + +Onder een buitenlandse werknemer die arbeidsongeschikt is, wordt hier verstaan de vreemdeling die een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geniet. Indien een zodanig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemer met aanspraak op een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering arbeid ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening gaat verrichten blijft het beleid voor arbeidsongeschikten op hem van toepassing. + + + Recht op een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bestaat, mits de 65-jarige leeftijd nog niet is bereikt, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 of meer, tijdens de verzekeringsperiode ontstaan, en nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd. + + + Gedurende de voorafgaande periode van 52 weken ontvangt de arbeidsongeschikte werknemer doorbetaling van het loon en of een uitkering uit hoofde van de Ziektewet. + De arbeidsongeschiktheid heeft voor het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer de volgende consequenties. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +De arbeidsongeschiktheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd + +Arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden onderscheiden in de volgende categorieën: + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers + +Artikel + 3.89 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen op de grond dat de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan worden verworven. In dat geval wordt de geldigheidsduur verlengd met een periode gelijk aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid. + + + 2 + De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt evenmin afgewezen op de grond dat niet wordt voldaan aan de beperking of de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, indien de vreemdeling: + + + a. + volledig arbeidsongeschikt is en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, of + + + b. + arbeid verricht ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. + + + + + + + Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers + +Een buitenlandse werknemer die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is (percentage minder dan 80) moet voor het resterende gedeelte als werkloos worden aangemerkt. + Hij moet zich laten inschrijven als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen. Deze situatie kan zich ook voordoen als eerst sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid en er later verbetering is opgetreden, als gevolg waarvan een arbeidsongeschiktheidspercentage beneden de 80 is vastgesteld. + In geval de buitenlandse werknemer echter werk in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening verricht en aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldt hetzelfde als onder 6.4.3 werd vermeld. + Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die niet werken in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening geldt in geval van (eveneens gedeeltelijke) werkloosheid de in 6.3.2 weergegeven regeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.5. Samenwerking met de Centrale organisatie werk en inkomen, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst + +De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een tewerkstellingsvergunning, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring. + + + Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent het ontslag van een buitenlands werknemer, diens aanspraken op een uitkering krachtens bovengenoemde wetten en de eventuele arbeidsbemiddeling, kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zich ingevolge artikel 107 Vreemdelingenwet wenden tot de Centrale organisatie werk en inkomen, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst. + + + De WAO en de WW worden uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling werknemersverzekeringen (UWV). + + + Ook bestaat de mogelijkheid dat de werknemer aangewezen is op een uitkering ten laste van de publieke middelen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 7. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling + +De Wet op de economische delicten, het Wetboek van strafrecht, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen voorzien in een aantal bepalingen om illegale tewerkstelling tegen te gaan en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te kunnen reguleren. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.1. Strafbepalingen + +Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de werkgever op grond van artikel 108 Vreemdelingenwet strafbaar is wegens het niet nakomen van een hem krachtens artikel 4.41 Vreemdelingenbesluit door de korpschef opgelegde verplichting tot het verstrekken van gegevens omtrent vreemdelingen. + +Ingevolge artikel 23 Wet arbeid vreemdelingen wordt indien een werkgever die een vreemdeling arbeid laat verrichten in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen, zonder dat hij in het bezit is van de vereiste tewerkstellingsvergunning vermoed dat die vreemdeling gedurende tenminste 6 maanden werkzaam is geweest voor die werkgever. Met behulp van dit rechtsvermoeden kan een vreemdeling een loonvordering instellen. Voor deze procedure in Nederland wordt aan de illegale vreemdeling echter geen verblijf toegestaan. + +#### 7.2. Toezicht op de naleving van de + +Met de opsporing van overtreding van bepalingen van de Wet arbeid vreemdelingen is naast de politie in het bijzonder belast de Arbeidsinspectie. + Indien de Arbeidsinspectie strafbare feiten constateert gevolgd door een opsporingsonderzoek, is er behoefte aan de deskundigheid van de algemene opsporingsambtenaren van politie. + + + De ambtenaren van politie, tevens aangewezen als ambtenaren die toezicht houden op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en bovendien belast met het toezicht op de naleving van de Vreemdelingenwet, vervullen bij gezamenlijk optreden een aanvullende rol. + + + Voor het toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en de opsporing van de bij of krachtens die wet strafbaar gestelde feiten, in samenhang met het toezicht op de naleving van de Vreemdelingenwet, zijn procedures voor de samenwerking tussen de korpschef en de ambtenaren van de Arbeidsinspectie van grote betekenis. Beide instanties dienen elkaar alle gegevens en inlichtingen te verstrekken, welke voor een juiste vervulling van hun taken van dienst kunnen zijn. + + + In het gezamenlijk optreden zullen de ambtenaren van de Arbeidsinspectie zich in beginsel richten op het opmaken van het proces-verbaal tegen de werkgever. Bij het opmaken van dit proces-verbaal is het van belang dat de buitenlandse werknemers die, voor zover hun verblijf hier te lande illegaal is, in het algemeen zo spoedig mogelijk worden uitgezet, eerst als getuige worden gehoord. + Het verdient aanbeveling dat het horen van de vreemdelingen door de ambtenaren van de politie verricht wordt mede in verband met vragen met betrekking tot het verblijfsrecht. + Wanneer zich een situatie voordoet, waaruit de politie meent te kunnen concluderen dat er zich in een bepaald bedrijf illegale buitenlandse werknemers bevinden, dient de politie zich in verbinding te stellen met het kantoor van de Arbeidsinspectie te Den Haag (Postbus 90801, 2509 LV Den Haag). + De Arbeidsinspectie zal op zijn beurt een beroep doen op de korpschef, indien bij controles in bedrijven geconstateerd is dat zich daar illegale buitenlandse werknemers bevinden. In beide gevallen ligt gezamenlijk optreden in de rede. + + + Verder kunnen ambtenaren van politie ook buiten een bedrijf, bijvoorbeeld tijdens verkeerscontroles, of bij routinematige controles in pensions of elders, illegale buitenlandse werknemers staande houden en ter fine van verwijdering overbrengen naar de korpschef. + Indien een proces-verbaal van verhoor wordt opgemaakt wordt dit toegezonden aan de Arbeidsinspectie, waarna aan de hand van dit proces-verbaal – eventueel in nader overleg met de betrokken officier van justitie en de korpschef – wordt beslist, of tegen de betrokken werkgever proces-verbaal zal worden opgemaakt, c.q. het bedrijf aan een nader onderzoek zal worden onderworpen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de + +##### 7.3.1. Vordering aan werkgevers tot het verstrekken van gegevens + +Artikel + 4.41 + Vreemdelingenbesluit: + + Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die niet rechtmatig verbleef of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken onmiddellijk aan Onze Minister, op diens vordering, de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt. + + + + Ter controle op werkgevers in Nederland die, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste tewerkstellingsvergunning, buitenlandse werknemers in dienst hebben gehad, is bij artikel 4.41 Vreemdelingenbesluit aan werkgevers de verplichting gesteld om onmiddellijk gegevens te verstrekken aan de korpschef over vreemdelingen die bij hen in dienst zijn. De korpschef kan daartoe bij een daartoe strekkende vordering een termijn stellen. + Deze bepaling zal alleen worden toegepast ten aanzien van werkgevers wier kwade trouw duidelijk is gebleken door herhaalde overtreding van de desbetreffende bepalingen van de Wet arbeid vreemdelingen. + + + De werkgever moet als zodanig bij de korpschef bekend zijn, onder meer door veroordelingen wegens overtredingen als vorenvermeld, uit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van verhoor van de werkgever, of uit schriftelijke verklaringen van de Centrale organisatie Werk en Inkomen. + + + Over de toepassing van deze bepaling kan de Minister van Justitie ook schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de korpschef geven. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 7.3.2. Inhoud en wijze van betekening van de vordering + +De korpschef dient een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever te betekenen of per aangetekende brief verzenden. Deze vordering dient te worden onderscheiden van vorderingen die aan een vreemdeling kunnen worden gedaan om in persoon gegevens te verstrekken. + De vordering aan de werkgever dient duidelijk te vermelden welke gegevens moeten worden verstrekt, en op welke wijze, en binnen welke termijn en eventueel, ten aanzien van welke categorieën van vreemdelingen dit het geval is. + + + In het algemeen zal er aanleiding bestaan de werkgever te verplichten de gegevens te verstrekken omtrent alle vreemdelingen, die op een bepaalde datum (te weten de datum waarop de vordering wordt gedaan) bij hem in dienst zijn, alsmede omtrent de vreemdelingen (of bepaalde categorieën van vreemdelingen) die vanaf die datum bij hem tewerkgesteld worden. + Deze gegevens betreffen de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, nationaliteit, datum van indiensttreding en woonplaats en adres van de werknemers. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 7.3.3. Ambtsgebied waarbinnen de vordering wordt gedaan + +Een vordering tot het verstrekken van gegevens als in 7.3.2 bedoeld, zal in de regel moeten worden gedaan door de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, ressorteert. Met het oog op de omstandigheid dat vele buitenlandse arbeidskrachten niet wonen in de plaats waar zij hun arbeid verrichten, maar in omringende gemeenten, dient nauw overleg tussen de betrokken korpschefs te worden gepleegd, en dienen de van belang zijnde gegevens, bedoeld in 7.3.2, omtrent de hier bedoelde vreemdelingen te worden uitgewisseld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 8. Vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf willen uitoefenen, met inbegrip van het horecabedrijf + +#### 8.1. Inleiding + +– het uitoefenen van een bepaald beroep zoals arts, apotheker, fysiotherapeut, beeldend kunstenaar of sportleraar; en +– het uitoefenen van een bedrijf zoals een slagerij, de detailhandel, of een restaurant. + +– gemeenschapsonderdanen als bedoeld in artikel 1, onder e, Vreemdelingenwet (B10 Vreemdelingencirculaire) en onderdanen van de EU/EER; en +– Amerikanen en Zwitsers (B11 Vreemdelingencirculaire). + +#### 8.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning + +Artikel 3.30 Vreemdelingenbesluit verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen. + Indien niet aan de daar vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister niet bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen en moet de aanvraag worden afgewezen, tenzij internationale verplichtingen tot verlening van de gevraagde vergunning nopen. Zie artikel 13 Vreemdelingenwet en de hoofdstukken B10 en B11 Vreemdelingencirculaire. Is wel aan de voorwaarden van artikel 3.30 Vreemdelingenbesluit voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht. Hierna wordt aangegeven in welke gevallen van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt. + + + + + Artikel + 3.30 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die: + + + a. + arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend; + + + b. + uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en + + + c. + voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf. + + + + + 2 + Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken ondernemingsactiviteiten worden aangewezen waarmee geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend. + + + 3 + De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands belang, indien de vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen een ononderbroken arbeidsverleden heeft van ten minste zeven jaar: + + + a. + aan boord van een Nederlands zeeschip; + + + b. + op het Nederlandse deel van het continentaal plat; + + + c. + in de internationale binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen, of + + + d. + in het internationale wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voorzover dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt. + + + + + 4 + Voor de toepassing van het derde lid worden niet als onderbrekingen aangemerkt tussentijdse perioden van onvrijwillige werkloosheid, voorzover die in Nederland zijn doorgebracht en elk zes maanden of korter duurden, en die perioden in totaal niet langer dan twaalf maanden bedragen. + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.3. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep + +Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten. + + + De vreemdeling dient aan te tonen dat hij aan de vereisten van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit voldoet. + + + Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.4. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf + +Voor de uitoefening van een bedrijf is in de regel een vergunning vereist op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of de Drank- en Horecawet. + + + De vreemdeling dient aan te tonen dat hij aan de vereisten voor het uitoefenen van het betreffende bedrijf voldoet, als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit. + + + Meer informatie over de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van deze vergunningen wordt verstrekt door de Kamers van Koophandel en Fabrieken. + Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van Burgemeester en Wethouders van een gemeente. + + + In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen. + Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de Minister van Economische Zaken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.5. Voldoende middelen van bestaan + +##### 8.5.1. Inleiding middelenvereiste + +De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit, en B1 Vreemdelingencirculaire. + + + Zie voor de berekening van het netto-inkomen van een gevestigde ondernemer hoofdstuk B1. + + + In geval van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur, ingediend terwijl de vreemdeling nog niet tenminste anderhalf jaar in het bezit is van die verblijfsvergunning, geldt het volgende. + + + In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in 8.5.2, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in 8.1. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto en netto winst. + +200423910-12-200406-12-2004200423910-12-200406-12-200412-12-2004 + +##### 8.5.2. Het ondernemingsplan + +Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring; + +Een samenvatting van het plan, de branche waarin de vreemdeling gaat opereren en het bedrijf dat hij gaat oprichten. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort; + +Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden; + +Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat hun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten met of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke); + +Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie; + +Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose. + +#### 8.6. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid + +Verblijf wordt geweigerd indien er sprake is van een algemene weigeringsgrond, zoals gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel indien niet aan een algemene of bijzondere voorwaarde is voldaan. Zie artikel 16 Vreemdelingenwet en artikel 3.77 of 3.78 Vreemdelingenbesluit. + Onder gevaar voor de openbare orde is mede begrepen gevaar voor openbare rust, voor de goede zeden en de internationale betrekkingen. + Er is sprake van gevaar voor dan wel een inbreuk op de openbare orde op grond waarvan het voortgezet verblijf niet wordt toegestaan indien door de rechter een vrijheidsontnemende straf, taakstraf of maatregel is opgelegd (zie artikel 18 Vreemdelingenwet en artikel 3.86 en 3.87 Vreemdelingenbesluit en B1/2.2.4 Vreemdelingencirculaire). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 9. Vreemdelingen die zich als zelfstandige in economische zin willen vestigen + +a. in Nederland zelfstandige ondernemersactiviteiten gaat verrichten; + +Het moet gaan om activiteiten van een nieuwe onderneming. + +Een onderneming is in elk geval nieuw als: +- – deze voor het eerst tot de markt toetreedt en wordt ingeschreven in het handelsregister; +– er sprake is van een wijziging in de rechtsvorm en tegelijkertijd in de bedrijfsleiding (uitbreiding, inkrimping, vervanging); +– de bedrijfsactiviteit ingrijpend wordt gewijzigd. + +Er blijft in elk geval sprake van een bestaande onderneming indien: +– de rechtsvorm wijzigt maar niet de bedrijfsleiding, of +– een andere verandering (bijvoorbeeld adres, wijziging in handelsnaam) plaatsvindt. + +Verder wordt uitgesloten de vreemdeling die: +– op de loonlijst van een bedrijf in Nederland staat, maar zelf nog in het buitenland woont; +– geld investeert in een bedrijf in Nederland, maar zelf verder geen ondernemersactiviteiten verricht; en +b. de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt (voor Turkse onderdanen geldt dit vereiste niet op grond van de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag); en +c. met zijn bedrijfsactiviteit een wezenlijk Nederlands economisch belang dient; + +Dit is het geval indien: + +– de bedrijfsactiviteit duidelijk innovatieve waarde heeft, dat wil zeggen iets positiefs toevoegt aan de Nederlandse economie; +– de bedrijfsactiviteit niet concurrentieverstorend werkt in die zin dat afbreuk wordt gedaan aan een gezonde marktconcurrentie; en +d. voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteit uit het buitenland dient te worden aangetrokken. + +Dit wil zeggen dat in de beoogde functie niet kan worden voorzien door het aantrekken van een Nederlandse ingezetene dan wel een vreemdeling met een geldige verblijfstitel. + +Op de regel dat alleen iemand uit het buitenland kan worden aangetrokken als in Nederland niemand voorhanden is, kan slechts een uitzondering gemaakt worden indien het gaat om langer gevestigde, goed renderende bedrijven. Het gaat hier slechts om een opvolger van de exploitant, wanneer deze onvoorzien door langdurige ziekte of overlijden uitvalt. + +– uittreksel uit handelsregister; +– recente gewaarmerkte jaarcijfers; +– referentie met betrekking tot het bedrijf: informatie over (het product van) het bedrijf; het innovatieve karakter van (het product van) het bedrijf; contracten met Nederlandse bedrijven; en +– in geval van een nieuwe onderneming in vorenbedoelde zin (ook bij eerste aanvraag om een verblijfsvergunning of machtiging tot voorlopig verblijf) een ondernemingsplan, als bedoeld in 8.5.2. + +#### 9.1. Aanvragen waarvoor geen advies aan de Minister van Economische Zaken hoeft te worden gevraagd + +##### 9.1.1. Aanvragen voor het verrichten van seksuele dienstverlening + +Artikel + 3.32 + Vreemdelingenbesluit: + + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige of in loondienst, indien die arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden. + + + + Het artikel 3.32 Vreemdelingenbesluit stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Daarom behoeft in die gevallen geen advies te worden gevraagd. + + + Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen. + Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zie B11. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 9.1.2. Aanvragen voor Chinees-Indonesische horecabedrijven in gemeenten waar de norm is bereikt + +De norm is gesteld op één Chinees-Indonesisch restaurant per 12.500 inwoners per gemeente. Als in een gemeente reeds aan de gestelde norm wordt voldaan, hoeft de aanvraag niet voor advies aan de Minister van Economische Zaken te worden voorgelegd en wordt de aanvraag voor verblijf als zelfstandige afgewezen. + In gemeenten met een specifiek toeristisch karakter kan de norm iets ruimer worden gehanteerd. + + + Vooral bij deze horecabedrijven komt het voor dat vreemdelingen na een periode van arbeid in loondienst in een gevestigde horecaonderneming een nieuw bedrijf beginnen. Indien met dit nieuwe bedrijf de norm in een gemeente wordt overschreden, zal met een vanuit het buitenland aangetrokken nieuwe vreemdeling (als partner voor de nieuwe dan wel de bestaande onderneming) geen wezenlijk Nederlands economisch belang gediend zijn. + Deze aanvragen hoeven niet voor advies aan de Minister van Economische Zaken te worden voorgelegd. + + + Zolang niet aan de norm wordt voldaan, dient de aanvraag steeds voor advies aan de Minister van Economische Zaken te worden voorgelegd. + De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal zich ingevolge artikel 107 Vreemdelingenwet wenden tot de gemeente met het verzoek om informatie over het aantal inwoners, aantal en soort restaurants in een gemeente en eventuele bijzonderheden die de strikte hantering van de norm kunnen beïnvloeden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 9.1.3. Aanvragen voor Zuid- en Oost-Aziatische (niet Chinees-Indonesische) horecabedrijven in gemeenten waar de norm is bereikt + +De norm is gesteld op één Zuid- en Oost-Aziatisch restaurant per 20.000 inwoners per gemeente, met een minimum van één per gemeente. Voor het overige geldt hetzelfde als onder 9.1.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 9.1.4. Aanvragen voor overige horecabedrijven + +– grillrooms; +– pizzeria’s; +– shoarmazaken; en +– koffie- en eethuizen. + +##### 9.1.5. Aanvragen voor overige bedrijfsactiviteiten + +– Islamitische slagerijen; +– Turkse en Marokkaanse bakkerijen en winkels in deegspecialiteiten; +– confectieateliers en handel in textiel; en +– handel in ongeregelde goederen (= verkoop van nu eens dit, dan weer dat, bijvoorbeeld restanten van winkels en fabrieken; ook: uitdragerij). + +#### 9.2. Aanvragen waarvoor het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang niet geldt + +##### 9.2.1. Aanvragen door Surinaamse onderdanen met verkregen rechten + +Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11 Vreemdelingencirculaire). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van Economische Zaken te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene en bijzondere voorwaarden onder 8.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 9.2.2. Aanvragen door vreemdelingen die geruime tijd werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse schepen, op boorplatformen of in het internationale wegtransport + +Voor de vreemdelingen die onafgebroken gedurende zeven jaren werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse schepen of boorplatformen of in het internationale wegtransport en die een aanvraag indienen voor verblijf als zelfstandige in economische zin, blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk economisch belang is gediend, achterwege. + Zie artikel 3.30, derde lid, Vreemdelingenbesluit. Zie ook 4.1.2.6. + + + Onverminderd artikel 3.30 Vreemdelingenbesluit geldt het vereiste dat de betrokkene een goede conduitestaat heeft (lijst die onder andere in de scheepvaart wordt gebruikt en waarin gegevens over gedrag en geschiktheid zijn opgenomen). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 9.2.3. Aanvragen door onderdanen van landen waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten + +– Bulgarije; +– Roemenië. + +### 10. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift + +#### 10.1. Beperking + +De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 10.2. Arbeidsmarktaantekening + +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die zijn aan te merken als gemeenschapsonderdanen ontvangen op aanvraag een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt en waarop wordt aangetekend dat het verrichten van andere arbeid eveneens vrij is toegestaan en dat een tewerkstellingsvergunning hiervoor niet is vereist. Zie B10. + +#### 10.3. Voorschriften + +Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij betrokkene reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +## B6. Studie + +Artikel + 3.41 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met het volgen van studie worden verleend aan de vreemdeling: + + + a. + die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling; + + + b. + die met een door de bevoegde autoriteiten van de onder a bedoelde onderwijsinstelling afgegeven schriftelijke verklaring aantoont dat hij als student is of zal worden ingeschreven voor voltijdsonderwijs, en + + + c. + wiens vertrek uit Nederland na voltooiing of tussentijdse beëindiging van de studie naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd. + + + + + 2 + Indien de vreemdeling in Nederland wil verblijven voor het volgen van voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs, kan de verblijfsvergunning slechts worden verleend, indien het een dagopleiding betreft waarvoor Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is en waarmee de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een positieve bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van het land van herkomst. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid, onder b, kan de verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling die in Nederland wil verblijven ter voorbereiding op hoger onderwijs in Nederland, indien uit een door de bevoegde autoriteiten afgegeven schriftelijke verklaring blijkt dat de vreemdeling als student zal worden ingeschreven voor voltijdsonderwijs. + + + +200213823-07-200217-07-20025144593/02/IND200213823-07-200217-07-20025144593/02/IND25-07-2002 + +### 1. Inleiding + +Het beleid inzake buitenlandse studenten is erop gericht om onder bepaalde voorwaarden vreemdelingen in de gelegenheid te stellen tijdelijk in Nederland te studeren of een opleiding te volgen. De positie van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland wordt hierdoor bevorderd, terwijl door de toelating voor een opleiding aan het voortgezet of beroepsonderwijs een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van de landen van herkomst. + + + Het is aan vreemdelingen die hier te lande voor studiedoeleinden zijn toegelaten, toegestaan arbeid van bijkomende aard te verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. + + + Daarnaast is er ook sprake van arbeid van bijkomende aard, indien de student als verplicht onderdeel van de opleiding een stage volgt, al dan niet in de vorm van een leer-arbeidsovereenkomst. Deze werkzaamheden mogen niet meer dan 50% van de totale studieduur uitmaken. Bij werkzaamheden van meer dan 50% dient de student een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ aan te vragen. + + + Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is wel een tewerkstellingsvergunning vereist. + + + Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor het volgen van een stage die noodzakelijk is ter voltooiing van de opleiding in het land van herkomst wordt verwezen naar B5/5. Dit geldt ook voor de verlening van een verblijfsvergunning voor het opdoen van werkervaring die voor het toekomstig functioneren van de vreemdeling in het land van herkomst van belang is. + +200320016-10-200301-10-2003HKUIT03-4157(AUB)200320016-10-200301-10-2003HKUIT03-4157(AUB)18-10-2003 + +### 2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning + +a. (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling (paragraaf 2.1); +b. ondertekening van een schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf (paragraaf 2.2); en +c. voldoende en duurzame middelen van bestaan (paragraaf 2.3). + +#### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling + +Het moet vaststaan dat de vreemdeling voor een studie/opleiding is of zal worden ingeschreven aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling. Bij een beoogd verblijf ter voorbereiding op hoger onderwijs is voldoende de verklaring van de onderwijsinstelling dat de vreemdeling tot die instelling zal worden toegelaten, indien hij de aanvullende examens met goed gevolg heeft afgelegd. + + + De (voorlopige) inschrijving of (voorlopige) toelating moet blijken uit een verklaring die is afgegeven door het College van Bestuur of het bevoegd gezag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.1. De verblijfsvergunning voor studie aan hoger onderwijs + +– Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW, Stb. 1992, 593), met uitzondering van de Open Universiteit; +– TNO-wet (Stb. 1985, 762); +– Wet houdende Machtiging tot oprichting van de Stichting Nederlands Interdisciplinair Instituut (Stb. 1987, 130); +– Wet op de Rijksbegroting; +– Wet op de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (Stb. 1987, 369); +– Wet op het specifiek cultuurbeleid. + +– de toets nieuwe opleiding aantoonbaar met goed gevolg heeft ondergaan; +– aantoonbaar beschikt over een kwaliteitskeurmerk op grond van het systeem van accreditatie; of +– aantoonbaar met goed gevolg een beoordeling heeft ondergaan als bedoeld in de in artikel 5a.2, vierde lid, WHW bedoelde ministeriële regeling. + +Aangezien de toets nieuwe opleiding, het systeem van accreditatie op grond waarvan aan instellingen een keurmerk kan worden verleend, en de beoordeling op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 5a.2, vierde lid, WHW, nog niet in werking zijn getreden, dient voor bepaalde instellingen een overgangsregeling te gelden. Het gaat hier om instellingen die niet door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn bekostigd of aangewezen, maar die een studie/ opleiding aanbieden waarvoor in de praktijk wel verblijfsvergunningen worden verleend. Voor een studie/ opleiding aan deze instellingen (vermeld op de bijgevoegde lijst met instellingen waarvoor de overgangsregeling geldt), kunnen verblijfsvergunningen worden blijven verleend (mits uiteraard aan alle overige voorwaarden wordt voldaan) tot zes maanden na de datum van de eerste plaatsing in de Staatscourant van de toetsingskaders van alle drie hiervoor bedoelde toetsen/ beoordelingen. Op die manier worden deze instellingen tijdig in de gelegenheid gesteld aan een van de genoemde toetsen/ beoordelingen te voldoen. Na ommekomst van die zes maanden, waarbinnen deze toets/ beoordeling moet zijn afgerond, zijn er twee mogelijkheden: + +1. De instelling heeft de toets nieuwe opleiding met positief resultaat ondergaan, beschikt over het keurmerk na accreditatie of heeft een positieve beoordeling op grond van de ministeriële regeling bedoeld in artikel 5a.2, vierde lid, WHW. Het is nadrukkelijk aan de vreemdeling om het voorgaande aan te tonen. In dat geval kan in beginsel (dat wil zeggen indien aan alle overige voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan) een verblijfsvergunning voor studie aan die instelling worden verleend; +2. Er is geen sprake van een van de onder 1 bedoelde gevallen. In dat geval kan geen verblijfsvergunning voor studie aan die instelling meer worden verleend. + +##### 2.1.2. De verlening van een verblijfsvergunning voor de voorbereiding op de studie + +In bepaalde gevallen heeft een student een voorbereidingstijd nodig om zich te kwalificeren voor de beoogde studie aan het hoger onderwijs. Hiervoor legt hij aanvullende examens af (toegangstests), zoals bijvoorbeeld een toets beheersing van de Nederlandse taal. Deze verblijfsvergunning wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan niet worden verlengd. Verandering van studierichting of onderwijsinstelling geeft geen recht op een nieuwe voorbereidingstijd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.3. De verblijfsvergunning voor een opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs + +– Het betreft een opleiding die aantoonbaar alleen in Nederland kan worden gevolgd; +– Het herkomstland van de vreemdeling heeft historische banden met Nederland; +– De vreemdeling heeft familiebanden met reeds in Nederland verblijvende personen; +– De vreemdeling is de Nederlandse taal machtig. + +#### 2.2. Tijdelijk verblijf + +– Aan een vreemdeling die geneeskunde wil studeren kan maximaal negen jaar verblijf voor studiedoeleinden worden toegestaan. De studielast van die studie is immers zes jaar, plus twee jaar, plus eventueel een voorbereidend jaar. +– Ingeval van een studie rechten is dit zeven jaar (studielast is vier jaar, plus twee jaar, plus eventueel een voorbereidend jaar). + +– Een vreemdeling die geen voorbereidend jaar heeft gevolgd, gaat geneeskunde studeren. Na twee jaar breekt hij deze studie af en gaat hij rechten studeren. Hem rest dan nog een maximaal verblijf voor studiedoeleinden van vier jaar. +– Een vreemdeling volgt na een voorbereidend jaar een studie met een studielast van vier jaar. Na één jaar gaat hij diergeneeskunde studeren (studielast zes jaar). In dat geval resteert een maximale verblijfsduur van zeven jaar. + +Bij de wijziging van de Wet op het Hoger Onderwijs is de maximale duur van inschrijving ‘als student’ geschrapt. De daaraan gekoppelde beperking van de verblijfsduur voor buitenlandse studenten is daardoor komen te vervallen. Gelet op het tijdelijke karakter van het verblijf op grond van studiedoeleinden, is besloten de duur van dit verblijf aan een maximum te verbinden. Dit maximum is altijd drie jaar meer dan de studielast van de betreffende studie/opleiding, mits een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voorbereidend jaar is verleend. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding. #### 2.3. Middelen van bestaan -Als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan ter hoogte van minimaal het normbedrag voor alleenstaanden als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV, telt de IND het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van het gezinslid bij wie hij verblijft mee bij de berekening van de middelen van bestaan. In dat geval geldt het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb. Een kind dat feitelijk niet langer bij een gezinslid verblijft omdat hij buitenshuis een volledige dagopleiding volgt (al dan niet met een studiebeurs), wordt geacht nog steeds bij dit gezinslid te verblijven. +De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn voor de studie en het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode. In het Vreemdelingenbesluit is hierover het volgende opgenomen. + + + + + Artikel + 3.42 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Voor de toepassing van artikel 3.41 wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan: + + + a. + indien de vreemdeling of een buiten Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74 onder b, of + + + b. + indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf van de vreemdeling bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, aangevuld met het in onderdeel a bedoelde bedrag; de in Nederland gevestigde persoon ondertekent een garantstelling. + + + + + 2 + Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van artikel 3.75 slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom. + + + 3 + In afwijking van artikel 3.75 zijn middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn. + + + 4 + In afwijking van artikel 3.75 zijn middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren. + + + + + + + Artikel + 3.74 + Vreemdelingenbesluit: + + De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan: + + + a. + de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand, voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld; + + + b. + in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wet op de Studiefinanciering 2000, aangevuld met de college- en lesgelden die de vreemdeling verschuldigd is, of + + + c. + in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen: een combinatie van de onder a en b genoemde normbedragen. + + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND telt bij de in artikel 21, tweede lid, Vw genoemde periode van tien jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf, mee: +##### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan -– de periode van het verblijf in Nederland als Nederlander; of -– de periode van het verblijf in Nederland als houder van een verblijfsvergunning asiel. +a. de vreemdeling zelf dan wel een buiten Nederland gevestigde (rechts)persoon; of +b. een in Nederland gevestigde (rechts)persoon. -#### 2.4. Openbare orde of nationale veiligheid +Ad a. De studie en het verblijf van de vreemdeling kunnen behalve door de vreemdeling zelf, ook worden bekostigd door een buiten Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie. Er kan dan sprake zijn van een geldelijke bijdrage (bijvoorbeeld een studiebeurs) van een internationale organisatie van het land van herkomst, door of vanwege de Nederlandse regering of van een particulier fonds. -De IND maakt gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid af te wijzen, zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c en d, Vw en artikel 3.95 Vb, tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen. +Tevens kan sprake zijn van uitzending van de vreemdeling door zijn werkgever. In deze gevallen wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een bedrag dat gelijk is aan de normbedragen voor uitwonende studenten die in de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF, Stb. 2000, 286) worden genoemd voor levensonderhoud, eventueel aangevuld met college- en/of lesgelden. -De IND maakt bij de beoordeling van een aanvraag om wedertoelating op grond van artikel 3.92 Vb gebruik van de bevoegdheid om deze aanvraag wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid af te wijzen, zoals bedoeld in artikel 3.77 en 3.78 Vb, tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen. +Deze normbedragen worden elk half jaar per TBV bekendgemaakt. -#### 2.5. Hoofdverblijf +ad b. Indien de studie door een in Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie wordt bekostigd, dient de vreemdeling aan te tonen dat de financiële positie van deze (rechts)persoon daartoe toereikend is. Toereikend wil zeggen dat de financier over voldoende middelen van bestaan moet beschikken om in zijn eigen onderhoud (en eventueel in dat van zijn gezin) en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien. Vereist is dat de financier beschikt over inkomsten ter hoogte van minimaal de bijstandsnorm geldend voor zijn eigen situatie, en daarnaast over de WSF-norm voor uitwonende studenten voor het onderhoud van de vreemdeling. -Voor verplaatsing van het hoofdverblijf wordt verwezen naar paragraaf B1/6.2.1. Vc. +Indien hij een gezin onderhoudt dient hij derhalve te beschikken over inkomsten ter hoogte van minimaal de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor een gezin, plus, voor het onderhoud van de student, de norm voor uitwonende studenten. Ingeval hij alleenstaande is, moet hij aantonen over inkomsten te beschikken ter hoogte van de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor alleenstaanden, plus de norm voor uitwonende studenten. -#### 2.6. Inburgeringsvereiste +De financier dient daarnaast een garantstelling te ondertekenen (model M47). -De vrijstellingen staan genoemd in artikel 3.96a, tweede lid, Vb, met inachtneming van het gestelde in paragraaf B9/8.1.2 Vc over de inwerkingtreding van de Wi 2021. +##### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan -De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef. +Middelen van bestaan zijn in het algemeen duurzaam, indien zij voor een periode van één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie B1). + + + Bij aanvragen voor studiedoeleinden kunnen de studie en het verblijf van de vreemdeling ook worden gefinancierd door middel van periodieke betalingen. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling. Deze middelen kunnen als duurzaam worden aangemerkt, indien voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom. + + + In de regel zal de student dus moeten aantonen dat hij voor ten minste één jaar beschikt over voldoende middelen van bestaan. Bij aanvragen voor studiedoeleinden bestaat hierop evenwel een uitzondering. Indien de student namelijk een verblijf korter dan één jaar beoogt, zal het aan te tonen bedrag worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van het verblijf. Als hij dus een verblijf van zes maanden beoogt, zal hij moeten aantonen voor die periode over voldoende middelen van bestaan te beschikken. + + + Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Voorwaarde hierbij is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld. Niet relevant is van wie het geld afkomstig is. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -##### 2.6.1. Medische ontheffing +### 3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften -De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen. De procedure hiervoor is terug te vinden in bijlage 4 van de Regeling inburgering. +De in dit hoofdstuk genoemde verblijfsvergunningen worden verleend onder een beperking. Op grond van artikel 4.21, vierde lid, Vreemdelingenbesluit wordt bij de verlening van de verblijfsvergunning aangegeven of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten. + + + Tevens wordt aan de afgifte van de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat een voldoende ziektekostenverzekering wordt afgesloten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -##### 2.6.2. Onbillijkheid van overwegende aard (ook wel: hardheidsclausule) +#### 3.1. Beperkingen en arbeidsmarktaantekeningen -De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.96a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar: +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie …… (naam studierichting) aan …… (naam onderwijsinstelling) te …… (plaatsnaam)’. + Arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard; TWV vereist; beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht. + + + In geval van toelating voor het afleggen van aanvullende examens geldt de volgende beperking: ‘aanvullend(e) examen(s) met het oog op studie aan …… (naam onderwijsinstelling) te …… (plaatsnaam).’ Arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard; TWV vereist; beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of -• aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen. +#### 3.2. Voorschrift -In dit verband wordt verwezen naar paragraaf B9/8.1.2.3 Vc. +In daarvoor in aanmerking komende gevallen wordt aan de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat een hier te lande wonende, solvabele derde zich ten behoeve van de vreemdeling garant dient te stellen door ondertekening van een verklaring (model M47). + + + Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit kan aan de verblijfsvergunning een voorschrift worden verbonden tot het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -In tegenstelling tot voornoemde paragraaf past de IND de hardheidsclausule niet toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb. +### 4. Wijziging van studierichting of onderwijsinstelling -#### 2.7. Bijzondere categorieën verblijfsvergunning onbepaalde tijd +– AIESEC (Rotterdam) +– Amsterdam Dance Centre (Amsterdam) +– Asser College Europe / TMC Asser Instituut (Den Haag) +– CIJS (Centrum voor Internationale Juridische Samenwerking, Leiden) +– Euro Missionary Training College / stichting WEC / Cornerstone (Beugen) +– European University (Den Haag) +– HAIL (The Hague Academy of International Law, Den Haag) +– ILS/TNO Leather and Shoe Research Institute (Waalwijk) +– International Technology College/School of Audio Engeneering (Amsterdam) +– Internationale School Eerde (Ommen) +– MERU/MVU (Vlodrop) +– NIMBAS (Utrecht) +– Onderwijscentrum Horeca (Zoetermeer) +– Philips International Institute of Technological Studies (Eindhoven) +– Practical Training Centre (PTC+, Ede) +– Shell Learning Centre (Noordwijkerhout) +– Teikyo University (Maastricht) +– TSM Business School (Enschede) +– Tyndale Theological Seminary (Badhoevedorp) +– Vliegschool Rob v/d Sigtenhorst (Twello) +– Wackers Academy (Amsterdam) +– Webster University (Leiden) +– Willibrordhuis (Vogelensang) -##### 2.7.1. Oud-Nederlanders ( +### 5. Gezinshereniging en -vorming -###### 2.7.1.1. Algemene beleidsregels +#### 5.1. Inleiding -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. +Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. Behalve het middelenvereiste (zie paragraaf 5.2) zijn de algemene bepalingen van B1 van toepassing. Daarnaast is B2 van toepassing, met uitzondering van het gedeelte over voortgezet verblijf, aangezien het gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, en artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit). + + + Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode van studie van de hoofdpersoon, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De vreemdeling: +#### 5.2. Middelen van bestaan -• is meerderjarig; -• verbleef op het moment waarop het Nederlanderschap werd verkregen ten minste vijf aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, aanhef en onder a, b, e, of l, Vw in Nederland; -• heeft het hoofdverblijf niet buiten Nederland verplaatst; en -• dient de aanvraag in binnen twee jaar na verlies van het Nederlanderschap op grond van: +De algemene regels met betrekking tot de hoogte van het inkomen (zie B1) zijn van toepassing. Dit betekent dat de buitenlandse student dient te beschikken over inkomsten ten minste gelijk aan het bestaansminimum voor een gezin in de zin van de Wet werk en bijstand voor personen van 21 jaar en ouder. -– artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN in het kader van de intrekkingsprocedure van het Nederlanderschap. De IND stelt als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfvergunning dat een vreemdeling gedurende de periode waarin op hem de verplichting rustte om afstand te doen van zijn oorspronkelijke (niet-Nederlandse) nationaliteit, door het afleggen van een verklaring afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Deze afstandsverplichting volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN; of -– artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN. +Middelen van bestaan worden als duurzaam aangemerkt, indien deze voor ten minste één jaar beschikbaar zijn. Indien de buitenlandse student in het bezit is van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur korter dan een jaar, zal het aan te tonen bedrag worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van het verblijf. -De IND wijst deze aanvraag niet af als de vreemdeling: +Hier geldt hetzelfde als hetgeen in paragraaf 2.3.2 is neergelegd, echter nu voor het normbedrag dat in de onderhavige paragraaf is genoemd. -• op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een periode van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, aanhef en onder a, c, e of l, Vw; of -• niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. +De buitenlandse student dient een garantverklaring (model M47) te ondertekenen, waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de Staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner, alsmede voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. -###### 2.7.1.2. Specifieke beleidsregels oud-Nederlanders door intrekking +#### 5.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift -20143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3420143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3401-01-2015 +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/(geregistreerd) partner/ouder …… (naam).’ Arbeid niet toegestaan. + + + Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -###### 2.7.1.3. Specifieke beleidsregels oud-Nederlanders door het afleggen van een verklaring van afstand - -20143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3420143657618-12-201410-12-2014WBV2014/3401-01-2015 - -##### 2.7.2. Terugkeeroptie - -De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.92, eerste lid, Vb. - -##### 2.7.3. (Ex) geprivilegieerde en diens afhankelijke gezinsleden - -De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, Vb als geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en met inachtneming van artikel 3.93, tweede, derde en vierde lid, Vb. - -De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan het afhankelijk gezinslid van een ex-geprivilegieerde als geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en wordt voldaan aan artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder c, Vb, artikel 3.93, derde lid, Vb en artikel 3.96a Vb. - -Ten aanzien van de in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, Vb genoemde vreemdelingen geldt het volgende: - -• het is niet van belang of de bijzondere geprivilegieerde status al dan niet door eigen toedoen verloren is gegaan; -• er moet sprake zijn van een aaneengesloten periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Een aaneengesloten periode van tien jaar wordt niet aangenomen als de vreemdeling in deze periode zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven; en -• in aanvulling op artikel 3.93, tweede lid, Vb beschikt het afhankelijk gezinslid duurzaam over voldoende middelen van bestaan als de referent duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -#### 2.8. Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd - -IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, tweede lid, Vw en als de artikelen 3.97 en 3.98 Vb hierop geen uitzondering maken. - -### 3. Bewijsmiddelen - -Paragraaf B9/20.1 Vc is van toepassing. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de ex-geprivilegieerde tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven: - -• een verklaring van het Ministerie van BuZa waaruit blijkt dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag tien jaar aaneengesloten verblijf in Nederland heeft gehad op basis van een geprivilegieerde status; of -• het door het Ministerie van BuZa afgegeven verblijfsdocument. - -De IND beschouwt een verklaring van het Ministerie van BuZa waaruit blijkt dat de vreemdeling tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling die gedurende deze periode in Nederland heeft verbleven op grond van een geprivilegieerde status als bewijsmiddel dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder c, Vb. - -De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit een familierechtelijke relatie moet blijken: - -• een huwelijksakte in het geval dat het afhankelijke gezinslid de echtgeno(o)t(e) is van de ex-geprivilegieerde; -• een geboorteakte in het geval dat het afhankelijke gezinslid het kind is van de ex-geprivilegieerde; of -• bescheiden met betrekking tot het partnerschap in het geval dat het afhankelijke gezinslid de partner is van de ex-geprivilegieerde. - -Als het afhankelijke gezinslid van de ex-geprivilegieerde niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, dan beschouwt de IND een verklaring van de ex-geprivilegieerde waaruit blijkt dat het afhankelijke gezinslid kan beschikken over het inkomen als bewijsmiddel dat het afhankelijke gezinslid zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. - -## B13. Verblijfsrecht VK-onderdanen en hun familieleden +## B7. Uitwisseling ### 1. Inleiding -Vanwege de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de EU is een onderdaan van het VK (hierna: VK-onderdaan) na 31 januari 2020 geen burger van de Unie meer. De EU en het VK hebben een terugtrekkingsakkoord 1Agreement on the withdrawal of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland from the European Union and te European Energy Community, as agreed at negotiators’ level on 12 november 2019 bereikt, dat is geratificeerd door het VK en goedgekeurd door de EU. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe Nederland het terugtrekkingsakkoord uitvoert ten behoeve van de beoordeling van de verblijfsaanspraken van een VK-onderdaan en de daarmee verband houdende afgifte van verblijfsdocumenten. +Artikel 3.43 t/m 3.45 Vreemdelingenbesluit geeft het kader waarbinnen aan de Minister de bevoegdheid is verleend om verblijfsvergunningen te verlenen onder beperkingen verband houdend met uitwisseling en verblijf als au pair. Indien aan de in die artikelen vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, doch niet verplicht. + De bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen is geregeld in dit hoofdstuk. + In paragraaf 1.1 worden de uitgangspunten vermeld voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van uitwisseling. In paragraaf 2 worden de (aanvullende) voorwaarden vermeld voor verlening van een verblijfsvergunning als au pair. Paragraaf 3 vermeldt aanvullend op paragraaf 1.1 nadere voorwaarden voor verblijf in het kader van uitwisseling van vreemdelingen afkomstig uit Australië, Canada en Nieuw-Zeeland. In paragraaf 4 wordt ingegaan op de aanvullende voorwaarden die gelden voor uitwisseling van vreemdelingen op basis van programma’s van door de Nederlandse centrale overheid aangewezen particuliere organisaties. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Onderdeel van het terugtrekkingsakkoord is een overgangsperiode. De overgangsperiode ging in op 31 januari 2020 en is geëindigd op 31 december 2020. Tijdens deze overgangsperiode behield een VK-onderdaan en zijn familieleden die vóór 31 januari 2020 in Nederland woonden, het recht om te verblijven, werken en studeren, binnen de kaders van de richtlijn 2004/38/EG. +#### 1.1. Verblijf algemeen -Het terugtrekkingsakkoord biedt lidstaten op grond van artikel 19, eerste lid de mogelijkheid om een procedure in te stellen voor het aanvragen van een nieuwe verblijfsvergunning en een document als bewijs van deze vergunning. Nederland maakt gebruik van deze mogelijkheid. De termijn waarbinnen de VK-onderdaan en zijn familielid een aanvraag voor een nieuwe verblijfstatus kan indienen is vermeld in paragraaf B13/2.3 Vc bij het onderdeel ‘aanvraagprocedure’. +– degene die in het kader van culturele uitwisseling naar Nederland komt, mag niet ten laste komen van de publieke middelen en de (tijdige) terugreis moet gewaarborgd zijn; en +– het verblijf heeft het karakter van een kennismaking met de Nederlandse samenleving en cultuur en is daarom slechts éénmalig en wordt voor ten hoogste een jaar verleend, te rekenen vanaf de dag na datum van inreis in Nederland; en +– voortgezet verblijf op grond van uitwisseling wordt niet toegestaan; en +– het verrichten van betaalde arbeid is slechts in met name genoemde gevallen toegestaan. -Na indiening van de aanvraag beoordeelt de IND of de VK-onderdaan en zijn familielid op grond van het terugtrekkingsakkoord in aanmerking komt voor: +#### 1.2. Gezinshereniging of -vorming -– een verblijfsdocument als het verblijfsrecht korter is dan 5 jaar als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc; of -– duurzaam verblijfsrecht onder de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. +Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor (verruimde) gezinshereniging of -vorming met een in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling worden afgewezen. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling overgaat tot gezinshereniging of gezinsvorming met een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende persoon. De vreemdeling wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verstaat onder een familielid van de VK-onderdaan: een familielid als bedoeld en omschreven in artikel 9 en 10 van het terugtrekkingsakkoord en uitgewerkt in artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit, ongeacht hun nationaliteit. +#### 1.3. Geldigheidsduur -Een VK-onderdaan die na 31 december 2020 naar Nederland komt en hier wil verblijven kan geen aanspraak maken op een verblijfsvergunning op grond van het terugtrekkingsakkoord. Hij is derdelander op wie het algemene reguliere beleid van hoofdstuk B1 Vc van toepassing is. +Artikel + 3.65 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd. + + + + + + Artikel + 3.66 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is ingereisd. + + + + + + Artikel + 3.69 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie, verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na één jaar niet verlengd. + + + + De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.65 dan wel 3.66 Vreemdelingenbesluit verleend voor een periode van ten hoogste één jaar met ingang van de dag na de datum van inreis in Nederland. + Ingevolge artikel 3.69 Vreemdelingenbesluit wordt de geldigheidsduur van de vergunning voor dit doel na een jaar niet verlengd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Een familielid van een VK-onderdaan als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, onderdeel ii van het terugtrekkingsakkoord en artikel 10, derde en vierde lid van het terugtrekkingsakkoord heeft het recht om zijn verblijf in Nederland na 31 december 2020 aan te vangen. Het verblijfsrecht van een familielid van een VK-onderdaan gaat in dat geval in vanaf het moment dat het familielid een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in paragraaf B13/2.3 Vc. Daarbij moet zowel aan de voorwaarden uit de hiervoor genoemde leden van artikel 10 van het terugtrekkingsakkoord worden voldaan als aan de volgende voorwaarden: +### 2. Au pairs -– de VK-onderdaan en het familielid voldoen aan de verblijfsvoorwaarden als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc; -– het familielid was al vóór 1 januari 2021 familielid van de VK-onderdaan; en -– er is geen sprake is van een contra-indicatie als bedoeld in paragraaf B13/2.2 Vc. +#### 2.1. Inleiding -Voor de overige in artikel 10 van het terugtrekkingsakkoord vermelde familieleden geldt dat in het geval zij hun verblijf na 31 december 2020 aanvangen het algemene reguliere beleid van hoofdstuk B1 Vc van toepassing is. +Het uitgangspunt voor verblijf als au pair is buitenlandse jongeren – in korte tijd en onder bepaalde voorwaarden – de gelegenheid te bieden kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur, waarbij de au pair geen arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen mag verrichten. Een belangrijke plaats bij de beoordeling vooraf en bij het toezicht wordt ingenomen door de bewustverklaring (model M44). + + + Het gastgezin verleent de au pair faciliteiten, in ruil waarvoor de au pair licht huishoudelijk werk in het gezin verricht. Het verblijf heeft dus primair een cultureel karakter. Dit verblijfskarakter en de noodzaak om oneigenlijk gebruik van het au pair-beleid tegen te gaan, rechtvaardigen een restrictieve toepassing van het beleid. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Het kind van een VK-onderdaan of familielid dat na de overgangsperiode is geboren of wettelijk geadopteerd komt voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc in aanmerking, als één van de ouders in het bezit is van een verblijfsdocument op grond van artikel 18 en 19 van het terugtrekkingsakkoord. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan gaat het verblijfsrecht van het kind in vanaf het moment dat voor het kind een aanvraag op grond van het terugtrekkingsakkoord is ingediend. +#### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden -### 2. Aanvraagprocedure terugtrekkingsakkoord verblijfsrecht korter dan vijf jaar +De au pair verblijft in een (eenouder)gastgezin van minimaal twee personen. + Wat betreft de tegenprestatie van de au pair mag er geen sprake zijn van arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen waarvoor een tewerkstellingsvergunning is vereist. In dat geval moet een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst worden aangevraagd. Evenmin wordt de tegenprestatie aangemerkt als arbeid in de zin van het recht van de Europese Unie, terwijl een au pair in die hoedanigheid ook niet op grond van verlening of ontvangst van diensten verblijfsrecht aan het recht van de Europese Unie kan ontlenen. + + + Indien het gastgezin de au pair werkzaamheden laat verrichten waarvoor ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning verplicht is, is het gastgezin strafbaar op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Zie het gestelde in B5/7 Vreemdelingencirculaire (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 2.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsdocument +#### 2.3. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als au pair -De IND verleent een verblijfsdocument op grond van artikel 18 en 19 van het terugtrekkingsakkoord aan de VK-onderdaan en zijn familielid: +– de feitelijk zorg of zorgplicht heeft voor (andere) afhankelijke gezinsleden (dan kinderen, bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder b, Vreemdelingenbesluit); +– andere werkzaamheden verricht dan waarvoor in zijn of haar aanwezigheid steeds aantoonbaar een alternatief voorhanden is (dat wil zeggen andere werkzaamheden dan die welke gewoonlijk worden verricht door een of meer leden van het gastgezin, een oppas of huishoudelijke hulp); +– met uitsluiting van de leden van het gastgezin volledig verantwoordelijk is voor huishoudelijke taken (de au pair verbliijft immers op basis van gelijkheid met de gezinsleden in het gastgezin); +– meer dan acht uur op een dag werkt (inclusief werkzaamheden 's avonds) of minder dan twee vrije dagen per week heeft; +– geen antecedentenverklaring (model M 37) ondertekent. -a. die voldoen aan de criteria van artikel 13, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord; en -b. die op grond van artikel 18, eerste lid onder i van het terugtrekkingsakkoord beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. +#### 2.4. Beperking -De IND verstrekt een verblijfsdocument als de VK-onderdaan en zijn familielid voor verblijfsrecht op grond van artikel 13 van het terugtrekkingsakkoord in aanmerking komen en derhalve voldoen aan de artikelen 6, 7 en 14 van de richtlijn 2004/38/EG. Deze artikelen zijn nader uitgewerkt in de artikelen 8.7 t/m 8.25 Vb (afgezien van de bepalingen die zien op duurzaam verblijfsrecht) en de beleidsregels die zien op het recht van de EU, als bedoeld in het deel van paragraaf B10/2 Vc dat ziet op de artikelen 8.7 t/m 8.25 Vb. +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als au pair bij …(naam gastgezin) te … (plaatsnaam).’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van de vrije bewijsleer kunnen de VK-onderdaan en zijn familielid dit met alle bewijsmiddelen aantonen. +#### 2.5. Arbeidsmarktaantekening -#### 2.2. Contra-indicaties +Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid niet toegestaan’. + + + In het geval de au pair onderdaan is van een Lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte, wordt de verblijfsvergunning verleend onder dezelfde beperking, maar wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 -De IND verleent geen verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc als bij de VK-onderdaan of een familielid sprake is van een van de volgende contra-indicaties, genoemd in artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord: +#### 2.6. Voorschrift -a. de VK-onderdaan of het familielid vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de openbare veiligheid zoals beschreven in de artikelen 27 en 28 van richtlijn 2004/38/EG; -b. de VK-onderdaan of het familielid maakt zich schuldig aan rechtsmisbruik of fraude zoals beschreven in artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG. +Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 20, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord gelden, voor misdrijven gepleegd tot en met 31 december 2020, de bepalingen van hoofdstuk 6 van richtlijn 2004/38/EG. Dit houdt in dat op deze misdrijven het openbare orde criterium van paragraaf B10/2.8.6 Vc van toepassing is. +#### 2.7. Verandering van gastgezin -Voor misdrijven gepleegd na 31 december 2020 gelden op grond van artikel 20, tweede lid van het terugtrekkingsakkoord de nationale openbare orde bepalingen. Afhankelijk van de voorafgaande verblijfssituatie, betekent dat: +Voor verandering van gastgezin moet wijziging van de vergunning worden gevraagd. Deze aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien ook in de relatie met het nieuwe gastgezin wordt voldaan aan de eerdergenoemde voorwaarden. Zie artikel 3.80 Vreemdelingenbesluit. In geen geval mag echter de toegestane verblijfstermijn van één jaar daardoor worden overschreden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -– toetsing aan de bepalingen inzake eerste toelating (artikelen 3.77 en 3.78 Vb en paragraaf B1/4.4 Vc); -– toetsing aan de bepalingen inzake de voortzetting van het eerdere verblijfsrecht (artikelen 3.86 en 3.87 Vb en paragrafen B1/6.2 en B1/6.2.2 Vc). +### 3. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland -De IND verleent evenmin een verblijfsdocument als er concrete aanwijzingen zijn dat de VK-onderdaan of het familielid overeenkomstig artikel 27 van de richtlijn 2004/38/EG een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (zie paragraaf B1/4.4 Vc). In het geval er enkel bij de VK-onderdaan sprake is van deze contra-indicatie verleent de IND, gelet op het afhankelijke karakter van het verblijfsrecht, noch aan de VK-onderdaan, noch aan het familielid een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc. In het geval er enkel bij het familielid sprake is van deze contra-indicatie, wordt uitsluitend aan dat familielid geen verblijfsdocument verleend. +#### 3.1. Inleiding -De IND verleent voorts geen verblijfsdocument als er een procedure aanhangig is om te beoordelen of de VK-onderdaan of zijn familielid een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, ongeacht de pleegdatum. +Voor de leges voor betaald werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief. Zie B1/4.1.2. -De IND voert op grond van artikel 18, eerste lid onder p van het terugtrekkingsakkoord systematisch controles ten aanzien van openbare orde uit bij de beoordeling van aanvragen voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc om te bezien of de beperkingen van artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord van toepassing zijn. +#### 3.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden -De bepalingen van B10/2.8.5 Vc onder het kopje ‘Rechtsmisbruik en fraude’ zijn hier van toepassing. +In het kader van het WHP en het WHS worden verschillende programma’s aangeboden door verschillende organisaties. De jongere is niet verplicht hier gebruik van te maken. + Indien niet uitdrukkelijk met een eventuele uitwisselingsorganisatie anders is overeengekomen, is de jongere gedurende zijn verblijf volledig zelf verantwoordelijk en aansprakelijk. + Indien de jongere – rekening houdend met de kosten van zijn terugreis – niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en hij niet binnen zes weken over betaald werk kan beschikken, dient hij Nederland te verlaten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 2.3. Procedurele bepalingen +#### 3.3. Verblijf in het kader van WHP en WHS -De VK-onderdaan en zijn familielid moeten een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc, zodat zij bij inwilliging van de aanvraag na de overgangsperiode een bewijs van rechtmatig verblijf hebben. +De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling: -Op grond van artikel 18, eerste lid onder b, eerste alinea, van het terugtrekkingsakkoord kunnen de VK-onderdaan en zijn familielid die vóór het einde van de overgangsperiode naar Nederland zijn gekomen ook na 31 december 2020 nog een aanvraag indienen. De VK-onderdaan en zijn familielid hebben in dat geval de gelegenheid om tot en met uiterlijk 30 september 2021 (negen maanden na het einde van de overgangsperiode) een aanvraag voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc in te dienen. +– ouder is dan 30 jaar; +– geen antecedentenverklaring ondertekent; +– geen retourticket bezit, dan wel de middelen hiervoor. -Het familielid van een VK-onderdaan, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e,onderdeel ii en artikel 10, derde en vierde lid, van het terugtrekkingsakkoord dat het recht heeft zijn verblijf na 31 december 2020 aan te vangen, heeft op grond van artikel 18, eerste lid onder b, tweede alinea, van het terugtrekkingsakkoord het recht een aanvraag voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc in te dienen uiterlijk drie maanden na inreis. Deze termijn van drie maanden na inreis blijft ook gelden bij een inreis na 30 september 2021. Verder kan het familielid, dat na 31 december 2020 Nederland is ingereisd, sowieso tot en met 30 september 2021 een aanvraag om een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc indienen. De termijn van 3 maanden na inreis is dus niet aan de orde zolang de aanvraag uiterlijk op 30 september 2021 is ingediend. +De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, tenzij de vreemdeling ten laste komt van de algemene middelen. -De Brexit heeft ingrijpende verblijfsrechtelijke en maatschappelijke gevolgen in het geval niet tijdig een nieuw verblijfsdocument wordt aangevraagd. Daarom wordt een aanvraag van een VK-onderdaan en zijn familielid, die vóór het einde van de overgangsperiode (31 december 2020) in Nederland verbleef en die na 30 september 2021 een aanvraag indient nog gedurende één jaar (tot 1 oktober 2022) uit oogpunt van evenredigheid inhoudelijk in behandeling genomen, ongeacht de reden van de te late indiening. De toets op de aanwezigheid van een verschoonbare reden voor de te late aanvraag blijft gedurende deze periode derhalve achterwege. +#### 3.4. Beperking -Als de VK-onderdaan (en zijn familielid) niet uiterlijk op 30 september 2021 een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een verblijfsdocument (als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc), heeft hij vanaf 1 oktober 2021 in Nederland geen rechtmatig verblijf meer op grond van het terugtrekkingsakkoord. Maar als de VK onderdaan (en zijn familielid) daarna vóór 1 oktober 2022 alsnog de aanvraag indient, verkrijgt de VK onderdaan (en het familielid) bij inwilliging van de aanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2021 weer verblijfsrecht op grond van het terugtrekkingsakkoord. +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van (naam van het relevante uitwisselingsprogramma)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Ook voor het familielid van de VK-onderdaan dat het recht heeft om zijn verblijf inNederland na 31 december 2020 aan te vangen en die zijn aanvraag niet tijdig indient geldt dat de aanvraag nog gedurende één jaar (tot 1 oktober 2022) in behandeling wordt genomen, ongeacht de reden van de te late indiening. Als het familielid van de VK-onderdaan niet binnen de uiterlijke aanvraagtermijn (als bedoeld in artikel 18, lid 1 onder b van het terugtrekkingsakkoord) een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc, heeft hij vanaf de eerste dag na verstrijken van de uiterlijke aanvraagtermijn geen rechtmatig verblijf meer op grond van het terugtrekkingsakkoord. Maar als het familielid van de VK-onderdaan daarna vóór 1 oktober 2022 alsnog de aanvraag indient, verkrijgt het familielid bij inwilliging van de aanvraag alsnog vanaf het moment van indiening van de aanvraag weer verblijfsrecht op grond van het terugtrekkingsakkoord als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc. +#### 3.5. Arbeidsmarktaantekening -Bij aanvragen ingediend na 30 september 2022 toetst de IND op grond van artikel 18, eerste lid onder d van het terugtrekkingsakkoord of er verschoonbare redenen aanwezig zijn waarom de aanvraag niet binnen de termijn is ingediend. De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding alle relevante feiten en omstandigheden. Pas als de IND concludeert dat de aanvraag verschoonbaar te laat is ingediend, wordt aan de voorwaarden van B13/2.1 Vc getoetst. +Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan leiden tot verblijfsbeëindiging.’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verleent het verblijfsdocument onder verwijzing naar het terugtrekkingsakkoord. De tekst op het verblijfsdocument luidt: ‘Residence document Withdrawal Agreement’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist. Een (meer dan aanvullend) beroep op algemene middelen kan gevolgen hebben voor uw verblijfsrecht’. +#### 3.6. Voorschriften -De IND verleent het verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc met ingang van de dag waarop op de aanvraag is beslist. De IND verleent het verblijfsdocument voor de duur van 5 jaar. +Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + + + In het geval van een uitnodigende instelling kan aan dit voorschrift ook worden voldaan door middel van ondertekening van een garantverklaring door die instelling (model M48). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 2.4. Beëindiging van het verblijfsrecht +#### 3.7. Wijziging van verblijfplaats -De IND beëindigt, op grond van artikel 15, lid 2, terugtrekkingsakkoord, het verblijfsrecht als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc als (het familielid van) de VK-onderdaan: +De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats in Nederland. Met het oog op het toezicht op vreemdelingen dient hij een wijziging te melden bij de korpschef. In het geval van een uitnodigende instelling is die instelling verantwoordelijk voor de schriftelijke melding. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• op of na 1 oktober 2023 niet in Nederland verblijft en die afwezigheid uit Nederland meer dan zes maanden per jaar bedraagt; of -• op of na 1 april 2024 niet in Nederland verblijft, als die afwezigheid uit Nederland verband houdt met belangrijke redenen zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding en langer dan twaalf achtereenvolgende maanden bedraagt. +#### 3.8. Onverplichte machtiging tot voorlopig verblijf -De IND beëindigt het verblijfsrecht als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc met terugwerkende kracht bij rechtsmisbruik of indien er onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl bekendheid met de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van het verblijfsdocument (zie paragraaf B10/2.8.5 Vc). +– de identiteit van de jongere; +– het grensoverschrijdingdocument dat nog ten minste de gebruikelijke vier weken na de beoogde terugkeerdatum geldig moet zijn; +– het bezit van een retourticket, dan wel voldoende middelen hiervoor; +– het bezit van een voldoende ziektekostenverzekering; indien buiten Nederland afgesloten met dekking voor in elk geval Nederland en ten minste geldig voor de duur van het voorgenomen verblijf; indien daarover (nog) niet wordt beschikt, deelt de vertegenwoordiging aan de aanvrager mede dat de verplichting over een dergelijke verzekering te beschikken als voorschrift aan de te verlenen verblijfsvergunning zal worden verbonden; +– vermelding van de plaats waar de jongere wil gaan verblijven in Nederland; +– de leeftijd; +– criminele antecedenten (in het Nederlands Schengen Informatiesysteem). -De IND beëindigt het verblijfsrecht van de VK-onderdaan en zijn familielid als de VK-onderdaan of het familielid een gevaar voor de openbare orde vormt als bedoeld in artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord. +#### 3.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst -Indien na de verlening van de verblijfsvergunning als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc, maar vóór het einde van de overgangsperiode, nieuwe omstandigheden op het gebied van openbare orde zich voordoen op grond waarvan het verblijfsrecht kan worden ingetrokken, zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 van richtlijn 2004/38/EG van toepassing. Bij openbare orde is de pleegdatum leidend. Indien het misdrijf is gepleegd vóór of op 31 december 2020 geldt het openbare orde criterium als bedoeld in paragraaf B10/2.8.6 Vc. Als het misdrijf ná 31 december 2020 is gepleegd geldt het openbare orde criterium als bedoeld in paragraaf B1/6 Vc. +Artikel + 3.101 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag, bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet, wordt ingediend op een bij ministeriële regeling aan te wijzen plaats. + + + 2 + In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet, tevens worden ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Australië, Nieuw-Zeeland of Canada, indien de vreemdeling de Australische, Nieuw-Zeelandse of Canadese nationaliteit bezit en in Nederland wil verblijven in het kader van een uitwisselingsprogramma tussen Nederland en die landen. + + + + + In artikel 3.33a Voorschrift Vreemdelingen is de plaats van indiening van de aanvraag, als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, nader uitgewerkt. + + + + + Artikel + 3.33a + Voorschrift Vreemdelingen: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. + + + 2 + In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Besluit, ingediend bij de korpschef van de politieregio waar de aangifte is gedaan. + + + + + Voor Australische, Canadese en Nieuw-Zeelandse jongeren is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet worden ingediend op een bij ministeriële regeling aan te wijzen plaats. + Zij kunnen ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 3.101 Vreemdelingenbesluit de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tevens indienen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van Nederland in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten. + Indien de Minister van Buitenlandse Zaken (het hoofd van de Visadienst) oordeelt dat de voorwaarden voor verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf is voldaan, geven de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen een machtiging tot voorlopig verblijf af. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in dit kader, voorzien van alle relevante stukken en informatie, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging direct doorgezonden naar de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats wil kiezen, ter bespoediging van de procedure in Nederland. De vreemdeling meldt zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland bij de korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats wenst te houden (artikel 4.47 Vreemdelingenbesluit dan wel artikel 4.49 Vreemdelingenbesluit). Vervolgens vervoegt de vreemdeling zich bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft ter voldoening van de verschuldigde leges. De burgemeester zendt de aanvraag, voorzien van alle relevante stukken en informatie, welke in dit geval reeds van de Nederlandse vertegenwoordiging zijn ontvangen, door naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ter beslissing op de aanvraag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Als een economisch niet-actieve VK-onderdaan of zijn familielid een beroep doet op de algemene middelen, is ten aanzien van de beoordeling van de verblijfsrechtelijke gevolgen de inhoud van het onderdeel ‘Beroep op de algemene middelen’ van paragraaf B10/2.8.1 Vc van toepassing. +### 4. Programma’s van particuliere organisaties -Daar waar in het onderdeel ‘beroep op de algemene middelen’ van paragraaf B10/2.8.1 sprake is van de term ‘verblijf’, betrekt de IND bij het beoordelen van de duur van het verblijf van de VK-onderdaan in Nederland zowel het (ononderbroken) verblijf van voor als van na de einddatum van de overgangsperiode. +#### 4.1. Inleiding -Het verblijfsrecht (als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc) van een familielid van een VK-onderdaan eindigt als niet langer sprake is van een familierechtelijke relatie als bedoeld in B13/1 Vc (onderdeel ‘Familieleden van VK-onderdanen’). Tenzij sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, 13 of 14 van Richtlijn 2004/38/EG (in het Vb geïmplementeerd in artikel 8.15, lid 2 tot en met 5) en aan de in die artikelen vermelde voorwaarden wordt voldaan. Daar waar in die artikelen ‘burger van de Unie’ staat vermeld dient dat in dit geval te worden gelezen als ‘VK-onderdaan’. +Buitenlandse jongeren kunnen – onder bepaalde voorwaarden en onder verantwoordelijkheid van een hiertoe aangewezen organisatie – als deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma tijdelijk in Nederland verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur. + Een uitwisselingsprogramma kenmerkt zich door wederkerigheid, ofwel de mogelijkheid om een vreemde samenleving en cultuur te leren kennen, bestaat ook in het land van herkomst van de deelnemende jongere voor Nederlandse jongeren. De particuliere uitwisselingsorganisatie moet kunnen bevestigen dat het programma daadwerkelijk tweezijdig werkt. + Instellingen die culturele uitwisselingsprogramma’s organiseren, kunnen onder voorwaarden op hun verzoek op een (centraal bij te houden) lijst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst worden geplaatst, waarna aanvragen van de aangewezen organisaties om verblijf ten behoeve van deelnemers aan hun programma’s kunnen worden behandeld zoals hierna omschreven onder 4.8. + Elke uitwisselingsorganisatie die (via de betreffende regionale directie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst) verzoekt op de bedoelde lijst te worden geplaatst, wordt getoetst op overeenstemming van het geboden programma met het hier geschetste beleid. Bovendien kan de organisatie worden getoetst op solvabiliteit. + De organisatie ondertekent per toe te laten jongere het na te noemen formulier model M48. + + + Organisaties die op de in 4.1 bedoelde lijst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst voorkomen, kunnen tussentijds worden gecontroleerd op het nog steeds voldoen aan, respectievelijk het nakomen van alle voorwaarden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -### 3. Aanvraagprocedure terugtrekkingsakkoord duurzaam verblijfsrecht +#### 4.2. Aard van het verblijf -#### 3.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsdocument voor duurzaam verblijf +De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie. + De deelnemer maakt kennis met de Nederlandse samenleving en cultuur via het verblijf in het gastgezin, deelname aan activiteiten van de organisatie, en via het volgen van onderwijs. + Eventueel te verrichten vrijwilligerswerk is uitsluitend toegestaan indien hiervoor een tewerkstellingsvergunning is verleend. + Een deelnemer kan binnen het kader van culturele uitwisseling ook niet op grond van het ontvangen of verlenen van diensten verblijfsrecht aan het recht van de Europese Unie ontlenen. + Indien een jongere met de Canadese, Australische of Nieuw-Zeelandse nationaliteit ook voldoet aan alle in paragraaf 3.3 genoemde voorwaarden, dan prevaleert de voor de jongere gunstigste regeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verleent een verblijfsdocument voor duurzaam verblijf op grond van artikel 18 en 19 van het terugtrekkingsakkoord aan de VK-onderdaan en zijn familielid: +#### 4.3. Voorwaarden voor deelname -a. die voldoen aan de criteria van artikel 15, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord; en -b. die op grond van artikel 18, eerste lid onder i van het terugtrekkingsakkoord beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. +De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling: -Ad a en b. +– de feitelijke zorg of zorgplicht heeft voor afhankelijke gezinsleden; +– geen antecedentenverklaring (model M37) ondertekent; +– weigert medewerking te verlenen aan onderzoek naar tuberculose van de ademhalingsorganen of behandeling ervan (zie artikel 3.79 Vreemdelingenbesluit en B1/3.1.6 Vreemdelingencirculaire), voorzover die medewerking gelet op de nationaliteit mag worden verlangd. -De IND verstrekt een verblijfsdocument indien de VK-onderdaan en zijn familielid voor duurzaam verblijfsrecht op grond van artikel 15 van het terugtrekkingsakkoord in aanmerking komen en derhalve voldoen aan de artikelen 16, 17 en 18 van de richtlijn 2004/38/EG, nader uitgewerkt in de artikelen 8.17 t/m 8.25 Vb en de beleidsregels als bedoeld in het deel van paragraaf B10/2 Vc dat ziet op de artikelen 8.17 t/m 8.25 Vb. +#### 4.4. Beperking -Op grond van de vrije bewijsleer kunnen de VK-onderdaan en zijn familielid dit met alle bewijsmiddelen aantonen. +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND toetst ambtshalve aan de voorwaarden als vermeld in paragraaf B13/2.1 Vc als de VK onderdaan en zijn familielid geen verblijfsvergunning hebben als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc en zij niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 15, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord. +#### 4.5. Arbeidsmarktaantekening -#### 3.2. Contra-indicaties +Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid niet toegestaan. Een beroep op de publieke middelen kan leiden tot verblijfsbeëindiging.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verleent geen verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc als er sprake is van een van de volgende contra-indicaties: +#### 4.6. Voorschrift -a. de VK-onderdaan of het familielid vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de openbare veiligheid zoals bedoeld in artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord en genoemd in de artikelen 27 en 28 van richtlijn 2004/38/EG; -b. de VK-onderdaan of het familielid maakt zich schuldig aan rechtsmisbruik of fraude zoals bedoeld in artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord en genoemd in artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG; -c. de VK-onderdaan of zijn familielid zijn meer dan vijf achtereenvolgende jaren uit Nederland afwezig geweest zoals omschreven in artikel 11 van het terugtrekkingsakkoord. +Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring van het model M48 over is gelegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Op grond van artikel 20, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord gelden, voor misdrijven gepleegd tot en met 31 december 2020, de bepalingen van hoofdstuk 6 van richtlijn 2004/38/EG. Dit houdt in dat op deze misdrijven het openbare orde criterium van paragraaf B10/2.8.6 Vc van toepassing is. Ten aanzien van na 31 december 2020 gepleegde misdrijven, gelden op grond van artikel 20, tweede lid van het terugtrekkingsakkoord de nationale openbare orde bepalingen. +#### 4.7. Verandering van gastgezin -De IND verleent evenmin een verblijfsdocument indien er concrete aanwijzingen zijn dat de VK-onderdaan of het familielid op grond van artikel 27 van de richtlijn 2004/38/EG een gevaar vormt voor de nationale veiligheid als bedoeld in paragraaf B1/4.4 Vc. Als er enkel bij de VK-onderdaan sprake is van een gevaar voor de openbare orde (of gevaar voor de nationale veiligheid) verleent de IND, gelet op het afhankelijke karakter van het verblijfsrecht, noch aan de VK-onderdaan, noch aan het familielid een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. Als er enkel bij het familielid sprake is van deze contra-indicatie, verleent de IND uitsluitend aan dat familielid geen verblijfsdocument. +Omdat niet het gastgezin maar de organisatie gedurende het verblijf voor de jongere garant staat, wordt aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning wordt verleend geen met name genoemd gastgezin gekoppeld en is wijziging van gastgezin derhalve mogelijk zolang daarmee het verblijfsdoel niet verandert. Wel dient de verantwoordelijke uitwisselingsorganisatie de wijziging per – vormvrije – brief te melden bij de betreffende korpschef alsmede aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), en daarbij te bevestigen dat de jongere nog steeds onder volledige verantwoordelijkheid van de organisatie aan het uitwisselingsprogramma deelneemt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verleent ook geen verblijfsdocument als er een procedure aanhangig is om te beoordelen of de VK-onderdaan of het familielid een gevaar vormt voor de openbare orde, ongeacht de pleegdatum. +#### 4.8. Verplichte en onverplichte machtiging tot voorlopig verblijf en verkorte aanvraagprocedure -De IND voert op grond van artikel 18, eerste lid onder p van het terugtrekkingsakkoord systematisch controles ten aanzien van openbare orde uit bij de beoordeling van aanvragen voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc om te bezien of de beperkingen van artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord van toepassing zijn. +Indien een uitwisselingsorganisatie voor komt op de lijst bedoeld in paragraaf 4.1, kan de zogenoemde verkorte mvv-procedure worden gevolgd zoals omschreven in B1/1.3. + In die gevallen is het de uitwisselingsorganisatie die namens de jongere om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf vraagt, en staat de organisatie er voor garant dat aan de in B1/1 genoemde voorwaarden voldaan wordt. + Daarnaast staat de organisatie er voor garant dat wordt voldaan aan de overige onder 4.3 genoemde voorwaarden. + De juistheid van de verstrekte gegevens wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gecontroleerd voor afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf. + Ook ten behoeve van jongeren die wegens hun nationaliteit niet behoeven te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, zodat in een eerder stadium duidelijk wordt of de jongere voor het beoogde verblijf in aanmerking komt. + Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, volstaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging met de mededeling aan de jongere dat hem wegens het niet voldoen aan de voorwaarden in Nederland geen positieve verklaring zal kunnen worden verstrekt voor het gevraagde doel. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De bepalingen van paragraaf B10/2.8.5 Vc onder het kopje ‘Rechtsmisbruik en fraude’ zijn hier van overeenkomstige toepassing. +## B8. Medische behandeling -#### 3.3. Houders van een EU document duurzaam verblijf +### 1. Algemeen -De IND wisselt kosteloos het bestaande verblijfsdocument EU duurzaam als bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG om voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc aan VK-onderdanen en hun familieleden die op 31 december 2020 in het bezit zijn van een EU-document duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 18, eerste lid onder h van het terugtrekkingsakkoord na: +Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan vreemdelingen die in Nederland een medische behandeling wensen te ondergaan. Artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit bepaalt dat het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -• verificatie van de identiteit; -• controle op openbare orde en nationale veiligheid; en -• controle op het ononderbroken karakter van het verblijf. +#### 1.1. Medisch advies -#### 3.4. Procedurele bepalingen +##### 1.1.1. Bewijslast medische omstandigheden -##### 3.4.1. Aanvraagprocedure indien niet eerder een verblijfsdocument is verleend als bedoeld in +– de naam, het adres en het BIG- of NIP-registratienummer van de behandelaar(s); +– dat de vreemdeling medische klachten heeft, waarvoor bij door de behandelaar wordt behandeld; +– wat de aard is van de medische klachten. -De VK-onderdaan en zijn familielid moeten een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc, zodat zij bij inwilliging van de aanvraag na de overgangsperiode een bewijs van rechtmatig verblijf hebben. +##### 1.1.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerden -Op grond van artikel 18, eerste lid onder b, eerste alinea, van het terugtrekkingsakkoord kunnen de VK-onderdaan en zijn familielid die vóór het einde van de overgangsperiode naar Nederland zijn gekomen, ook na 31 december 2020 nog een aanvraag indienen. De VK-onderdaan en zijn familielid hebben in dat geval de gelegenheid om tot en met uiterlijk 30 september 2021 (negen maanden na het einde van de overgangsperiode) een aanvraag voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc in te dienen. +Ingevolge artikel 16 Vreemdelingenwet junctoartikel 3.72 Vreemdelingenbesluit kan onder omstandigheden vrijstelling worden verleend van het vereiste dat de vreemdeling dient te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland daartoe in het algemeen onvoldoende aanleiding, aangezien het enkele ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden. De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding. Gelet hierop kan derhalve slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste. + + + Indien een vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, overlegt hij ingevolge artikel 3.102 Vreemdelingenbesluit (onder andere) aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit. + + + De medisch adviseur wordt slechts om een gedeeltelijk advies gevraagd, indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling mogelijk is in het herkomstland. + + + Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen. Dat laat overigens onverlet dat in deze omstandigheden in bepaalde gevallen wel toepassing gegeven moet worden aan artikel 17, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000 dan wel artikel 64 Vreemdelingenwet 2000. Derhalve dient uitsluitend met het oog op deze bepalingen een medisch advies te worden opgevraagd. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 -De Brexit heeft ingrijpende verblijfsrechtelijke en maatschappelijke gevolgen in het geval niet tijdig een nieuw verblijfsdocument wordt aangevraagd. Daarom wordt een aanvraag van een VK-onderdaan en zijn familielid, die vóór het einde van de overgangsperiode (31 december 2020) in Nederland verbleef en die na 30 september 2021 een aanvraag indient nog gedurende één jaar (tot 1 oktober 2022) uit oogpunt van evenredigheid inhoudelijk in behandeling genomen, ongeacht de reden van de te late indiening. De toets op de aanwezigheid van een verschoonbare reden voor de te late aanvraag blijft gedurende deze periode derhalve achterwege. +##### 1.1.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring -Als de VK-onderdaan (en zijn familielid) niet uiterlijk op 30 september 2021 een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een verblijfsdocument (als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc), heeft hij vanaf 1 oktober 2021 in Nederland geen rechtmatig verblijf meer op grond van het terugtrekkingsakkoord. Maar als de VK onderdaan (en zijn familielid) daarna vóór 1 oktober 2022 alsnog de aanvraag indient, verkrijgt de VK onderdaan (en het familielid) bij inwilliging van de aanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2021 weer verblijfsrecht op grond van het terugtrekkingsakkoord. +Voorts wordt geen advies ingewonnen bij BMA indien de vreemdeling niet met een volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (model M39-A) een nader onderzoek naar diens stellingen mogelijk heeft gemaakt. In dat geval is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 -Bij aanvragen ingediend na 30 september 2022 toetst de IND op grond van artikel 18, eerste lid onder d van het terugtrekkingsakkoord of er verschoonbare redenen aanwezig zijn waarom de aanvraag niet binnen de termijn is ingediend. De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding alle relevante feiten en omstandigheden. Pas als de IND concludeert dat de aanvraag verschoonbaar te laat is ingediend, wordt aan de voorwaarden van B13/3.1 Vc getoetst. +##### 1.1.4. Procedure toestemmingsverklaring -##### 3.4.2. Aanvraagprocedure indien eerder aan de VK onderdaan en zijn familielid een verblijfsdocument is verleend als bedoeld in +a. Ook nadat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, wordt geen toestemmingsverklaring ontvangen. In dat geval heeft de vreemdeling de Minister niet in de gelegenheid gesteld zich een oordeel te vormen over de stelling dat hij een medische behandeling ondergaat en dientengevolge in Nederland verblijf behoeft. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling wordt afgewezen. -De VK-onderdaan en zijn familielid die reeds in het bezit zijn van een verblijfsrecht als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc, verwerven een duurzaam verblijfsrecht als zij voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. Zij kunnen in dat geval een aanvraag indienen voor verlening van een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. Voor deze aanvraag geldt dan geen uiterlijke termijn. +b. Er wordt binnen de gegeven termijn een verklaring ontvangen, maar de vreemdeling geeft geen toestemming voor het inwinnen van medisch advies of het inschakelen van externe specialisten (‘second opinion’), dan wel het rapporteren aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere procespartijen. In dat geval heeft de vreemdeling de Minister niet in de gelegenheid gesteld zich een oordeel te vormen over de stelling dat hij een medische behandeling ondergaat en dientengevolge in Nederland verblijf behoeft. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling wordt afgewezen. -De IND toetst na indiening van de aanvraag of de VK-onderdaan en zijn familielid voldoen aan de voorwaarden als vermeld paragraaf B13/3.1 Vc. Bij inwilliging van de aanvraag ontvangen zij van de IND een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. Zij kunnen met dit verblijfsdocument aantonen dat zij in het bezit zijn van een duurzaam verblijfsrecht als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc. +c. Er wordt binnen de gegeven termijn een volledig ingevulde en ondertekende verklaring ontvangen. Voorts is de medische situatie van betrokkene genoegzaam aangetoond (zie B8/1.1.1) In dat geval schakelt de behandelend ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het BMA in voor advies. Het BMA stelt een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Aangezien het BMA derden benadert, wordt de wettelijke beslistermijn verlengd (zie B1/4.2.3). -##### 3.4.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening +#### 1.2. Afwijzing -De IND verleent het verblijfsdocument onder verwijzing naar het terugtrekkingsakkoord. De tekst op het verblijfsdocument luidt: ‘Permanent residence document Withdrawal Agreement’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. +Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning wordt afgewezen, zijn de normale procedures van toepassing, zie B1. + + + De uitzettingsbelemmering van artikel 64 Vreemdelingenwet kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort. Zie ook A4/7. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -##### 3.4.4. Ingangsdatum en geldigheidsduur van het verblijfsdocument +### 2. Medische behandeling -De IND verleent het verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc met ingang van de dag waarop de aanvraag is beslist. De IND verleent het verblijfsdocument voor de duur van 10 jaar. +Artikel + 3.46 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld. + + + 2 + Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid. + + + + + + + Artikel + 3.47 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.46, kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld. + + + 2 + Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid. + + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 3.5. Beeindiging van het verblijfsrecht +#### 2.1. Algemene voorwaarden voor verblijf -De IND beëindigt het verblijfsrecht van de VK-onderdaan en zijn familielid als de beeindigingsgronden van artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord van toepassing zijn. De IND beëindigt ook op grond van artikel 15, derde lid van het terugtrekkingsakkoord het verblijfsrecht bij afwezigheid uit Nederland van een periode van meer dan vijf jaar. De IND beëindigt het verblijfsrecht als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc met terugwerkende kracht bij rechtsmisbruik of indien er onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl bekendheid met de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van het verblijfsdocument, zoals omschreven in paragraaf B10/2.8.5 Vc. +a. Nederland dient naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land te zijn voor de medische behandeling; +b. het dient te gaan om een noodzakelijke medische behandeling; en +c. de financiering van de medische behandeling dient deugdelijk geregeld te zijn -Indien na de verlening van de verblijfsvergunning als bedoeld in paragraaf B13/3.1Vc zich tijdens de overgangsperiode nieuwe omstandigheden voordoen op grond waarvan het verblijfsrecht kan worden ingetrokken, zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 van richtlijn 2004/38/EG van toepassing. Bij openbare orde is de pleegdatum leidend. Als het misdrijf is gepleegd vóór of op 31 december 2020 geldt het openbare orde criterium als bedoeld in paragraaf B10/2.8.6 Vc. Indien het misdrijf ná 31 december 2020 is gepleegd geldt het openbare orde criterium als bedoeld in paragraaf B1/6 Vc. +Ad a. Het is niet de bedoeling dat vergelijkenderwijs een afweging gemaakt moet worden welk van de landen waarmee de vreemdeling banden heeft, het meest aangewezen is; slechts is van belang of Nederland op grond van de onderstaande criteria het meest aangewezen land is. -### 4. Aanvraagprocedure terugtrekkingsakkoord Grensarbeiders +1. De situatie waarin Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de medische zorg, omdat Nederland internationaal gezien een bijzonder specialisme heeft voor de medisch noodzakelijke behandeling van de betreffende aandoening. Indien de vreemdeling de bijzonderheid van het specialisme met een medische verklaring heeft aangetoond, wordt aan het Bureau Medische Advisering (BMA) advies gevraagd; +2. De situatie waarin de vreemdeling zich ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland bevindt, er sprake is medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen kan plaatsvinden en stopzetting van de behandeling een medische noodsituatie zou veroorzaken, en de medische behandeling voor die klachten reeds ten minste één jaar plaatsvindt. De definitie van het begrip ‘medische noodsituatie’ staat vermeld in B8/3. De vraag of de medische noodsituatie al dan niet langdurig is, is hier niet relevant. Het verblijf in Nederland wordt door de vreemdeling aangetoond met objectieve bescheiden, niet zijnde getuigenverklaringen. Wanneer de medische behandeling is aangevangen wordt aangetoond door de vreemdeling, hiernaar wordt geen onderzoek verricht door het BMA; +3. De situatie waarin de vreemdeling langdurig in Nederland verblijft op grond van artikel 8a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 en hier te lande een medisch noodzakelijke behandeling ondergaat (ongeacht hoe lang de behandeling plaatsvindt). Onder langdurig verblijf wordt hier verstaan verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet worden tegengeworpen; +4. De situatie dat de vreemdeling medisch gezien op mantelzorg is aangewezen, terwijl is aangetoond dat geen gezins- of familieleden van de vreemdeling in het land van herkomst verblijven die in staat kunnen worden geacht deze zorg op zich te nemen en er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 of Nederlander zijn (zie omtrent mantelzorg tevens B8/4). Als de verlening van mantelzorg medisch noodzakelijk is, blijkt dit uit het advies van het Bureau Medische Advisering; +5. De situatie waarin de vreemdeling een pasgeborene (jonger dan 9 maanden) is voor wie specialistische postnatale zorg medisch noodzakelijk is, terwijl de moeder van de vreemdeling hier te lande verblijft op grond van artikel 8a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 en de pasgeborene feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de moeder. Omtrent de vraag of de postnatale zorg medisch noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen bij het BMA; +6. De situatie waarin het verlenen van specialistische prenatale zorg aan het een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is, terwijl sprake is van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een geregistreerd partnerschap met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000. Het huwelijk of het geregistreerde partnerschap moet zijn ingeschreven in de GBA (zie B2/2.3). Het bestaan van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk wordt in beginsel aangetoond met gelegaliseerde officiële bescheiden (zie B2/2.3 en B2/12). Omtrent de vraag of de prenatale zorg medisch noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen bij het BMA; +7. De situatie waarin het verlenen van specialistische prenatale zorg aan een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is, terwijl de vreemdelinge hier te lande woonachtig is en een duurzame en exclusieve relatie (in de zin van B2/4.2) heeft met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze Nederlander of vreemdeling dient het kind te hebben erkend op grond van Nederlands (internationaal privaat-)recht (artikelen 1:2 BW jo. 1:203 BW). Tenzij de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt de erkenning aangetoond met een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of met een notariële akte van erkenning. Als de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt deze aangetoond met bewijsstukken betreffende de staat van personen. B2/12 is in dat geval van toepassing. Omtrent de vraag of de prenatale zorg medisch noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen bij het BMA. -#### 4.1. Definitie grensarbeider +Ad b. Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA. -De IND beschouwt een VK-onderdaan als grensarbeider als hij: +Ad c. De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten of dat de kosten door een ziekenfonds worden gedekt. Dit laatste geval kan zich met name voordoen als het gezinsleden van buitenlandse werknemers betreft. Een ziektekostenverzekering die wordt bekostigd uit de openbare middelen wordt niet als toereikend beschouwd. In beginsel wordt geen genoegen genomen met een garantverklaring van een referent. -− voor het eind van de overgangsperiode in Nederland een economische activiteit uitoefent niet zijnde op basis van detachering; -− deze economische activiteit na de overgangsperiode voortzet; en -− buiten Nederland woonachtig is. +#### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling gemeenschapsonderdaan is -#### 4.2. Voorwaarden voor voortzetting van het recht om na de overgangsperiode op grond van het terugtrekkingsakkoord een economische activiteit als grensarbeider in Nederland uit te oefenen +Indien de vreemdeling een gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, geldt niet het vereiste dat Nederland naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land voor de medische behandeling dient te zijn. Voor het overige is het bepaalde in hoofdstuk 8, tweede afdeling, paragraaf 2, Vreemdelingenbesluit van toepassing. Zie ook B10. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -Voor het aantonen van het recht op voortzetting van grensarbeid na 31 december 2020 is een document ‘Grensarbeider’ als bedoeld in artikel 26 van het terugtrekkingsakkoord vereist. +#### 2.3. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft -De IND beoordeelt, na ontvangst van de aanvraag, aan de hand van de voorwaarden genoemd in artikel 24, 25 en 26 van het terugtrekkingsakkoord of er aanspraak bestaat op een document ‘Grensarbeider’. +Artikel 3.47 Vreemdelingenbesluit bepaalt dat aan een vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, een vergunning kan worden verleend voor zover de medische behandeling in Nederland zes maanden na inreis nog noodzakelijk is. + Dit vloeit voort uit bijlage 1 bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname van 23 januari 1981 (Trb. 1981, 35). In deze situatie wordt dus niet getoetst of Nederland het meest aangewezen land is. Wel moet de financiering van de medische behandeling nog deugdelijk zijn. + Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA. Zie ook B11/14. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 -Om in aanmerking te komen voor een document ‘Grensarbeider’ moet de VK-onderdaan rechtmatig verblijf hebben in het land waar hij woonachtig is. Tevens moet er sprake van zijn dat de VK-onderdaan vóór 1 januari 2021 als grensarbeider in Nederland: +#### 2.4. Afhankelijke gezinsleden -– reële en daadwerkelijke arbeid verricht; of -– reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en verkeert in een van de in artikel 7, derde lid, onder a, b, c of d, van richtlijn 2004/38/EG genoemde situaties; of -– reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en verkeert in een situatie van vrijwillige werkloosheid. De status van werknemer of zelfstandige blijft tot uiterlijk zes maanden na de begindatum van de vrijwillige werkloosheid behouden. +De (huwelijks)partner alsmede de tot het gezin behorende kind(eren) die afhankelijk zijn van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het ondergaan van een medische behandeling, respectievelijk de verzorgende ouder(s), en die in Nederland verblijven, kunnen in deze situatie met toepassing van artikel 3.71, lid 4, Vreemdelingenbesluit worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. + + + In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk B1 van de Vreemdelingencirculaire wordt voorts de aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. + + + Gelet op het bepaalde in artikel 3.13, tweede lid, Vreemdelingenbesluit kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon. + + + De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: “verblijf bij ---” met de toevoeging: “arbeid niet toegestaan” voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De VK-onderdaan heeft in die gevallen het recht om Nederland in en uit te reizen overeenkomstig artikel 14 van het terugtrekkingsakkoord. +#### 2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening -Van reële en daadwerkelijke arbeid is sprake indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd en uitgewerkt in het onderdeel ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ van paragraaf B10/2.2.1.4 Vc. +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet wordt verleend onder de beperking: + “Medische behandeling”. + De arbeidsmarktaantekening luidt: “arbeid niet toegestaan” voor zover het geen gemeenschapsonderdanen betreft. Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -#### 4.3. Contra-indicaties +#### 2.6. Voortgezet verblijf -De IND verleent geen document ‘Grensarbeider’ als bedoeld in paragraaf B13/4.5 Vc als bij de VK-onderdaan sprake is van een van de volgende contra-indicaties, genoemd in artikel 20 van het terugtrekkingsakkoord: +Artikel + 3.51 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling, die drie jaren in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met: + + + (...) + + + b. + het ondergaan van medische behandeling, voor zover die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister gedurende ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn. + + + (...) + + + + + 2 + De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. + (...) + + + 4 + De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c van de Wet. + + + + + + + Artikel + 3.60 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met medische behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is gebonden. + + + + De verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling is van tijdelijke aard en wordt verleend voor de duur van de behandeling met een maximum van een jaar. Houders van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet. Zolang de vreemdeling nog voldoet aan de beperking, kan de vergunning steeds voor de duur van ten hoogste een jaar worden verlengd. + + + Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling kan de vreemdeling op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenbesluit een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de medische behandeling naar het oordeel van de Minister nog voor ten minste één jaar noodzakelijk zal zijn. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. + Het verblijfsrecht blijft tijdelijk van aard tot het moment waarop de verblijfsvergunning is gewijzigd in een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. + + + Indien buiten enige twijfel vaststaat dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden, kan de verblijfsvergunning voor medische behandeling op grond van artikel 3.60 Vreemdelingenbesluit worden verleend voor de duur van vijf jaar. Deze geldigheidsduur kan reeds aan de verblijfsvergunning voor medische behandeling worden verbonden indien bij de eerste aanvraag blijkt dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden. Dit zal in de regel blijken uit de resultaten van een onderzoek door het BMA. Na drie jaren kan de vreemdeling een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend. De arbeidsmarktaantekening luidt: “arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV”. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -a. de VK-onderdaan vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de openbare veiligheid zoals beschreven in de artikelen 27 en 28 van richtlijn 2004/38/EG; -b. de VK-onderdaan maakt zich schuldig aan rechtsmisbruik of fraude zoals beschreven in artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG. +### 3. Medische noodsituatie -Op grond van artikel 20, eerste lid van het terugtrekkingsakkoord gelden, voor misdrijven gepleegd tot en met 31 december 2020, de bepalingen van hoofdstuk 6 van richtlijn 2004/38/EG. Dit houdt in dat op deze misdrijven het openbare orde criterium van paragraaf B10/2.8.6 Vc van toepassing is. +#### 3.1. Algemeen -Ten aanzien van na 31 december 2020 gepleegde misdrijven geldt op grond van artikel 20, tweede lid van het terugtrekkingsakkoord de nationale openbare orde bepaling zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder d, Vw. De IND verleent evenmin een document ‘Grensarbeider’ indien er concrete aanwijzingen zijn dat de VK-onderdaan overeenkomstig artikel 27 van de richtlijn 2004/38/EG een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. +In de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 Vreemdelingenbesluit genoemde voorwaarden, kan de Minister ingevolge artikel 3.4, lid 3, Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid. Ingevolge artikel 3.5, lid 3 Vreemdelingenbesluit gaat het hier om een verblijfsrecht van tijdelijke aard. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 -De IND verleent voorts geen document als er een procedure aanhangig is om te beoordelen of de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, ongeacht de pleegdatum. +#### 3.2. Definitie -De bepalingen van B10/2.8.5 Vc onder het kopje ‘Rechtsmisbruik en fraude’ zijn hier van toepassing. +Onder medische noodsituatie wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. + + + Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 -#### 4.4. Aanvraagprocedure +#### 3.3. Voorwaarden -De VK-onderdaan moet een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor een document als bedoeld in deze paragraaf. +a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en +b. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en +c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren. -Het document ‘Grensarbeider’ kan via de website van de IND worden aangevraagd (zie www.ind.nl). +Vreemdelingen, die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/7.2.6) met als doel het afleggen van een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum te kennen, dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA. -#### 4.5. Document, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur +Ingevolge artikel 16 Vreemdelingenwet juncto artikel 3.72 Vreemdelingenbesluit kan onder omstandigheden vrijstelling worden verleend van het paspoortvereiste. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland daartoe in het algemeen onvoldoende aanleiding, aangezien het enkele ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden. Gelet hierop kan derhalve slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het paspoortvereiste. -De IND verstrekt aan de VK-onderdaan een document ‘Grensarbeider’ als aan de voorwaarden van paragraaf B13/4 Vc wordt voldaan. Op het document wordt vermeld: ‘Frontier worker, article 50 TEU’. De arbeidsmarktaantekening op het document luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. +– is aangetoond dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist is dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst; en +– stopzetting van de medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en +– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst. -De IND verstrekt het document voor de duur van 5 jaar. Het document heeft een declaratoir karakter, er kunnen alleen rechten aan (blijven) worden ontleend als wordt voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B13/4 Vc. +Indien het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen, wordt de aanvraag ingevolge artikel 17, lid 1 onder c, Vreemdelingenwet niet afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. + +In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk B1 van de Vreemdelingencirculaire wordt de aanvraag die is ingediend door een vreemdeling ten aanzien van wie is vastgesteld dat hij in een medische noodsituatie verkeert niet afgewezen om de reden dat hij niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van paragraaf 2.6 zijn op deze vreemdelingen niet van toepassing, gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische noodsituatie. Artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit is niet van toepassing op vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie”. De omstandigheden op grond waarvan de vreemdeling in het bezit is gesteld van de verblijfsvergunning worden voorts niet aangemerkt als bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit. + +#### 3.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening + +De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet wordt verleend onder de beperking: “verblijf vanwege medische noodsituatie”. In de beschikking wordt aangegeven dat betrokkene verblijf wordt toegestaan wegens een medische noodsituatie. De arbeidsmarktaantekening luidt: “arbeid niet toegestaan.” + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 + +#### 3.5. Afhankelijke gezinsleden + +De (huwelijks)partner alsmede de tot het gezin behorende kind(eren) die afhankelijk zijn van een vreemdeling aan wie in verband met een medische noodsituatie een verblijfsvergunning is verleend, respectievelijk de verzorgende ouder(s), en die in Nederland verblijven, kunnen in deze situatie met toepassing van artikel 3.71, lid 4, Vreemdelingenbesluit worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. + In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk B1 van de Vreemdelingencirculaire wordt voorts de aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. + + + Gelet op het bepaalde in artikel 3.13 Vreemdelingenbesluit kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: “verblijf vanwege medische noodsituatie -- (naam hoofdpersoon)” met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon. + De arbeidsmarktaantekening luidt: “arbeid niet toegestaan”. + + + De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van hoofdstuk B2 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische noodsituatie. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 + +#### 3.6. Artikel 64 + +1. de medisch adviseur geeft aan dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of +2. de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en +- – de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en +– de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren. + +– dat uitzetting gedurende een gespecificeerde periode achterwege blijft op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000; +– dat de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vreemdelingenwet; +– dat gedurende deze periode op de vreemdeling niet de rechtsplicht rust Nederland uit eigen beweging te verlaten. + +### 4. Feitelijke toegankelijkheid + +– Aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen, komt geen betekenis toe; +– Hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden worden beïnvloed. Immers, de vreemdeling zal in deze niet verschillen van vele van zijn landgenoten. Bovendien kunnen medische behandelingen van vreemdelingen die niet zelf hun behandeling betalen, aanzienlijke kosten met zich meebrengen voor de algemene middelen; +– De enkele omstandigheid dat betrokkene mogelijk voor het kunnen ondergaan van de medische behandeling aanzienlijke geografische afstanden moet afleggen dan wel zijn woonplaats mogelijk binnen het land van herkomst dient te verplaatsen, vormt geen grond om verblijf toe te staan. Eventuele gevolgen van het staken van een medische behandeling kunnen niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien de vreemdeling het staken van een medische behandeling kan voorkomen door zich elders in het land van herkomst te vestigen; +– Asielgerelateerde redenen, die voor de vreemdeling de medische zorg niet toegankelijk zouden kunnen maken, kunnen bij de beoordeling van een reguliere verblijfsaanvraag geen rol spelen; +– Dat voor een bepaalde medische behandeling lange wachttijden gelden, kan evenmin leiden tot de conclusie dat om medische redenen verblijf dient te worden toegestaan. De vreemdeling zal in deze immers niet verschillen van vele van zijn landgenoten; +– Aan de omstandigheid dat een vreemdeling teneinde terug te kunnen reizen naar het herkomstland, medische begeleiding nodig heeft tijdens de reis dan wel een medische overdracht aan behandelaars in het herkomstland, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het is aan de vreemdeling om de noodzakelijke begeleiding/overdracht te realiseren. De IOM kan vreemdelingen hierin ondersteunen (zie A4/5). In geval van een uitzetting faciliteert de Minister de medische begeleiding/overdracht. Indien het onmogelijk is de medische begeleiding/overdracht te realiseren, is sprake van de situatie bedoeld in artikel 64 Vreemdelingenwet 2000. + +### 5. Mantelzorgnetwerk + +In sommige gevallen stelt de medisch adviseur vast dat een bepaalde medische behandeling slechts kans van slagen heeft indien de betrokken vreemdeling kan terugvallen op een zogenaamd ‘mantelzorgnetwerk’. Hiermee wordt bedoeld dat de aard van de aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden, met name familieleden of vrienden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn, tenzij de medisch adviseur dat nadrukkelijk aangeeft. + + + Indien de medisch adviseur aangeeft dat mantelzorg voor de betrokken vreemdeling noodzakelijk is, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Voorzover een vreemdeling stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, dient hij gegevens en bescheiden te overleggen waaruit dit blijkt. Aan niet (in onvoldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent wordt geen betekenis toegekend. Evenmin rust op het bestuursorgaan de verplichting om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 + +### 6. Ongewisse situatie in land van herkomst + +Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA buiten staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn. + +200415009-08-200404-08-2004200415009-08-200404-08-200411-08-2004 + +## B9. Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel + +### 1. Inleiding + +– iedere gedraging waarmee de binnenkomst van vreemdelingen in, de doorreis over, het verblijf in of het vertrek van het grondgebied van een land wordt bevorderd; +– iedere gedraging die gericht is op de seksuele uitbuiting tegen betaling; en +– een van de overige in artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht als mensenhandel strafbaar gestelde ernstige vormen van uitbuiting. + +### 2. Doelgroep + +Het gaat hier om vreemdelingen die in Nederland in de prostitutie werkzaam zijn of zijn geweest en zich op eigen initiatief tot de politie wenden, omdat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. De politie dient de vreemdeling te wijzen op de in dit hoofdstuk omschreven procedure. + +Onder uitbuiting wordt verstaan gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Dat zijn alle vormen van moderne slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te blijven. Alleen de slachtoffers die geen geldige verblijfstitel hebben in Nederland kunnen rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk omschreven procedure. Op hen is de bedenktijd als omschreven in paragraaf 3 echter niet van toepassing. + +Het gaat hier bijvoorbeeld om vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, maar die aangeven slachtoffer te zijn van mensenhandel. Voor de strafbaarstelling in artikel 273a gelden geen territoriale beperkingen. Het kan dus wel degelijk van belang zijn dat ook deze vreemdelingen ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek gehoord worden en dat zij in de gelegenheid worden gesteld om aangifte te doen. Op hen is de bedenktijd als beschreven in paragraaf 3 niet van toepassing. De overige paragrafen zijn wel van toepassing. + +Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn of Nederlanders die zelf werkzaam zijn in de prostitutie. Tevens kunnen dat personen zijn, die werkzaam zijn buiten de prostitutie en die kennis dragen van dit strafbare feit. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in Nederland kunnen rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk omschreven procedure. Op hen is de bedenktijd als omschreven in paragraaf 3 echter niet van toepassing. + +### 3. Bedenktijdfase + +Aan mogelijke slachtoffers van mensenhandel, die in Nederland in de prostitutie werkzaam zijn (geweest), wordt een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of dat zij hiervan afzien. Gedurende die periode wordt hun verwijdering uit Nederland opgeschort en houden zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, onder k, Vreemdelingenwet. In deze periode kunnen zij op grond van artikel 11, tweede lid, onder c, Vreemdelingenwet aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend. + + + De bedenktijd wordt gegeven, omdat slachtoffers van seksuele gewelddaden vaak pas na wat langere tijd hun ervaringen kunnen uiten. De bedenktijdfase staat daarom slechts open voor de eerste twee in paragraaf 2 genoemde doelgroepen. De bedenktijdfase is bovendien eenmalig en wordt niet verlengd. + + + Naast de opschorting van de verwijdering en de verstrekking van speciale voorzieningen wordt in deze periode ook gezorgd voor opvang en huisvesting en medische bijstand en rechtshulp. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.1. Opschorting van de verwijdering + +Reeds bij een geringe aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel dient de betrokken korpschef de vreemdeling die het betreft te wijzen op de mogelijkheid aangifte te doen van mensenhandel. De vreemdeling wordt geïnformeerd dat dit direct kan of na gebruikmaking van een bedenktijd van maximaal drie maanden, om de beslissing tot het doen van aangifte in alle rust te overwegen. Hierbij wordt zonodig gebruikgemaakt van tolken werkzaam in opdracht van de politie. Gedurende deze bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijk slachtoffer opgeschort. De korpschef dient deze beslissing direct te melden aan de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie en aan de Helpdesk van de Stichting tegen Vrouwenhandel. + + + De korpschef onder wiens verantwoordelijkheid het vermoedelijk slachtoffer bedenktijd krijgt, blijft gedurende de gehele verdere procedure administratief verantwoordelijk. De vreemdeling wordt ingeschreven in het registratiesysteem van de korpschef. + + + Indien het vermoedelijk slachtoffer tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het vermoedelijk slachtoffer voor de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van artikel 67, vierde lid van de Wet GBA. Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regiokorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.1.1. Het bescheid rechtmatig verblijf + +De korpschef verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (model 77-A Vreemdelingencirculaire; bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingencirculaire) aan het vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan. + + + Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit. De korpschef zal zonodig bemiddelen bij het verkrijgen van dit identiteitsdocument. Indien de korpschef vaststelt dat betrokkene niet in het bezit wordt gesteld van een paspoort in verband met weigerachtigheid van de betreffende autoriteiten kan, in overleg met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), ontheffing van het paspoortvereiste worden verleend. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.1.2. Meldplicht + +Gedurende de bedenktijdfase dient het vermoedelijk slachtoffer zich maandelijks te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waar hij/zij administratief is ondergebracht. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.1.3. Aanmelding bij de STV + +De korpschef meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan de Stichting tegen Vrouwenhandel (STV). De STV organiseert en coördineert de opvang van slachtoffers van mensenhandel. De STV heeft regionale en lokale netwerken vrouwenhandel opgezet voor de opvang en hulpverlening aan slachtoffers. Een regionale zorgcoördinator is verantwoordelijk voor de zorg, hulp en diensten aan slachtoffers. Tevens zorgt de zorgcoördinator voor afstemming en continuïteit van het hulpaanbod en rapporteert zij of hij aan de STV. Is er geen regionale zorgcoördinator aanwezig dan is de STV het aanspreekpunt. + Per 1 april 2000 is de Nationaal Rapporteur Mensenhandel aangesteld. Binnen het mandaat van deze Rapporteur valt het desgevraagd worden voorzien van informatie betreffende aard en omvang van mensenhandel in Nederland en omtrent de mechanismen die bij dit misdrijf een rol spelen. Doel van de uit te brengen rapportage is het landelijk kunnen volgen van de vorderingen op het terrein van de bestrijding van mensenhandel. In verband hiermee is het belangrijk dat de korpschef iedere melding omtrent een vermoedelijk slachtoffer ter kennis brengt van de STV. + De STV is, ten behoeve van de landelijke rapportage aan de Nationaal Rapporteur, belast met de landelijke registratie van het aantal aangemelde gevallen. + Ook de gevallen, waarbij de STV niet betrokken is bij de opvang en huisvesting dienen voor registratie bij de STV te worden aangemeld. + + + Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Tevens dienen voorbereidingen te worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaande aan de acties contact worden opgenomen met STV die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers. STV is coördinator van het La Strada Programma met partnerorganisaties in Centraal en Oost Europa. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.2. Opvang en huisvesting + +Voor het plaatsen van het vermoedelijk slachtoffer op een opvangadres meldt de korpschef een vermoedelijk slachtoffer dat gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan bij de STV. De Stichting, die verantwoordelijk is voor het regelen van de opvang, schakelt de zorgcoördinator vrouwenopvang in de desbetreffende regio in, die er vervolgens voor verantwoordelijk is dat de dagelijkse begeleiding van het vermoedelijk slachtoffer plaatsvindt. In het geval er in de desbetreffende regio nog niet is voorzien in zorgcoördinatie binnen de reguliere hulpverlening blijft de STV verantwoordelijk voor de zorgcoördinatie. Plaatsing van het vermoedelijke slachtoffer wordt door de beschikbare capaciteit bepaald. Als hoofdregel geldt dat in het belang van het onderzoek gedurende de bedenktijdfase opvang wordt gezocht binnen de desbetreffende politieregio. + + + De korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek. + + + Indien het slachtoffer minderjarig is, dan dient in het gezag te worden voorzien. + + + De STV is tijdens kantooruren telefonisch bereikbaar. Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de korpschef een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijk slachtoffer buiten kantooruren door de korpschef geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan de STV. Vervolgens kan de Stichting dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd. + + + Het is ook mogelijk in het geval de korpschef verwacht bij een inval in een seksinrichting vermoedelijke slachtoffers aan te zullen treffen, voorafgaande aan de feitelijke inval hiervan al melding te doen aan de STV, teneinde tijdig opvangplaatsen beschikbaar te kunnen stellen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.3. Kosten van levensonderhoud + +Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijk slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de korpschef het aanvraagformulier voor de Regeling verstrekkingen aan bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) aan het vermoedelijk slachtoffer. De Rvb wordt verstrekt teneinde het vermoedelijk slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. + Gedurende de bedenktijd is het verrichten van arbeid niet toegestaan. De verklaring op de tweede bladzijde van het aanvraagformulier wordt voor de verzending ingevuld door de korpschef. Het aanvraagformulier wordt door de korpschef voorzien van een stempel. De vreemdeling die gebruik wenst te maken van de regeling stuurt het formulier na ontvangst zo spoedig mogelijk toe aan het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). + + + Op grond van de Rvb is het vermoedelijk slachtoffer verzekerd tegen ziektekosten. + + + Het aanvraagformulier wordt eenmalig verstrekt en is geldig gedurende de drie maanden bedenktijd. + Aangezien de korpschef met ingang van 13 april 2004 de aanvraagformulieren eenmalig gaat verstrekken, wordt hier een overgangsregeling getroffen voor de vreemdelingen die vóór 13 april 2004 in de bedenktijd zitten. + Aan de vreemdelingen die vóór 13 april 2004 in de bedenktijd zitten, verstrekt de korpschef het aanvraagformulier gedurende de bedenktijd maandelijks aan de vreemdeling. De korpschef voorziet het aanvraagformulier voor de verzending van een stempel. Deze verstrekking zal tot 13 juli 2004 duren. + Aan de vreemdelingen die vanaf 13 april 2004 in de bedenktijd zitten, wordt het formulier eenmalig gedurende de drie maanden bedenktijd verstrekt. + + + Indien tijdens de bedenktijdfase aangifte wordt gedaan dient de korpschef dit te melden aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De IND informeert vervolgens het COA inzake deze aangifte (4.2). + De bedenktijd eindigt op het moment dat het slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend (B9/3.5). + + + Indien tijdens de bedenktijdfase het vermoedelijk slachtoffer met onbekende bestemming is vertrokken, meldt de korpschef dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de korpschef heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA. + + + Indien het vermoedelijk slachtoffer gedurende de bedenktijdfase aangeeft af te zien van het doen van aangifte dan dient de korpschef dit te melden aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op de datum dat betrokkene afziet van het doen van aangifte. De IND informeert vervolgens het COA (B9/3.5). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.4. Medische bijstand en rechtshulp + +De zorgcoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijk slachtoffer gedurende de bedenktijdfase. De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijk slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en, zich zonodig, te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning dient een tbc onderzoek onderdeel uit te maken van dit medisch onderzoek. + De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte. Indien het noodzakelijk blijkt voor het geven van juridisch advies gedurende de bedenktijdfase een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt deze hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.5. Einde van de bedenktijdfase + +Indien tijdens of na de bedenkfase aangifte ter zake van mensenhandel wordt gedaan, is het beleid als genoemd in paragraaf 4 direct van toepassing. + Geeft het vermoedelijk slachtoffer gedurende of na de bedenktijdfase aan af te zien van het doen van aangifte of loopt de bedenktijdfase af zonder dat er aangifte is gedaan, dan wordt daarmee de opschorting van het vertrek opgeheven. De vreemdeling dient Nederland uit eigen beweging te verlaten (zie artikel 61 en 62 Vreemdelingenwet). Daarbij verdient het aandacht dat in de reis- of identiteitspapieren van de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn nimmer aantekeningen omtrent de verwijdering mogen worden geplaatst. + + + De korpschef van de politieregio waar betrokkene administratief is ondergebracht regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt hij een laissez-passer). De zorgcoördinator kan ook bemiddeling bij vertrek vragen aan het IOM (International Organization for Migration). + + + Indien de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning (anders dan op grond van dit hoofdstuk) indient of heeft ingediend, is het ter zake geldende beleid van toepassing. De procedures beschreven in dit hoofdstuk zijn dan niet langer van toepassing op deze vreemdeling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel + +Artikel + 3.48 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend aan de vreemdeling die: + + + a. + slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voorzover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan, of + + + b. + getuige-aangever is van mensenhandel, voorzover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en het verblijf in Nederland van de getuige-aangever naar het oordeel van Onze Minister in het belang van de opsporing of vervolging van de verdachte noodzakelijk is. + + + + + 2 + De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. + + + + + De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor openbare orde indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar oordeel van Onze Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan. + + + Op grond van artikel 17, eerste lid, onder d Vreemdelingenwet wordt deze aanvraag niet afgewezen het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. + + + Op grond van artikel 3.34, vijfde lid Voorschrift Vreemdelingen is het slachtoffer van mensenhandel, geen leges verschuldigd voor het indienen van een daartoe strekkende aanvraag. + + + De aanvraag wordt niet afgewezen indien het slachtoffer niet over een paspoort beschikt. Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/2.2.2. is vervolgens van toepassing. + +20055316-03-200509-03-200520055316-03-200509-03-200518-03-2005 + +#### 4.1. De aanvraag om een verblijfsvergunning + +De korpschef stelt het vermoedelijk slachtoffer op het moment dat hij of zij hiertoe de wens te kennen geeft in staat aangifte van mensenhandel te doen. + + + De aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. + + + De korpschef stelt de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9 Vc 2000’ (model M-55) per fax van de aangifte in kennis. + + + De korpschef verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (model 77-A Vreemdelingencirculaire; bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingencirculaire) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de korpschef per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning. Onvoorziene omstandigheden daargelaten dient binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de korpschef aan de IND is gezonden de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning te worden genomen. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het Openbaar Ministerie in kennis van de beslissing. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de burgemeester van de gemeente waar het slachtoffer woon- of verblijfplaats heeft in kennis van de beslissing. Het verblijfsdocument wordt vervolgens afgegeven door de gemeente. + + + Indien het noodzakelijk is, kan de korpschef het slachtoffer begeleiden bij het ophalen van dit verblijfsdocument’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.2. De situatie na de aangifte + +Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer zich voor vervolgopvang wenden tot de zorgcoördinator in de regio waar hij of zij reeds verblijft of, in het geval er geen regionale zorgcoördinator beschikbaar is, tot de STV. Vervolgopvang op een andere locatie kan aangewezen zijn, indien de opvanglocatie die in de bedenktijdfase werd geboden niet geschikt is voor een langduriger verblijf. + +De zorgcoördinator ziet toe op het regelen van het medische onderzoek. Indien het slachtoffer nog geen TBC-keuring heeft ondergaan, dient een TBC keuring onderdeel uit te maken van dit medische onderzoek. + +De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand. + +#### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte + +Doet het vermoedelijk slachtoffer aangifte, maar geeft hij of zij te kennen uit Nederland te willen vertrekken, dan meldt de korpschef dit aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. Indien het vermoedelijk slachtoffer bereid is te getuigen in het proces tegen de verdachte neemt de contactpersoon mensenhandel van de IND contact op met het Openbaar Ministerie. Acht het Openbaar Ministerie het voor de procesgang tegen de verdachte noodzakelijk dat betrokkene als getuige (ter zitting) kan worden gehoord, dan worden daar in overleg met de aangever nadere afspraken over gemaakt. Het verdient aanbeveling om, indien mogelijk, voorafgaande aan het vertrek contact op te nemen met de STV, zodat er afspraken kunnen worden gemaakt met niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) in de landen van herkomst. NGO’s kunnen in dit geval een dubbele functie vervullen. Zij kunnen het vermoedelijk slachtoffer bijstaan bij het herintegreren na terugkeer en het zorgen voor het in stand houden van de contacten tussen het vermoedelijk slachtoffer en de betreffende Nederlandse instanties. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.4. Beperkingen en voorschriften + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9. Arbeid vrij toegestaan’. + + + + + Artikel + 3.79 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt. + + + 2 + De aanvraag kan niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling nader vast te stellen landen. + + + +20055316-03-200509-03-200520055316-03-200509-03-200518-03-2005 + +#### 4.5. Geldigheid van de verblijfsvergunningen + +De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijke opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. + Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel de uitspraak van het gerechtshof in kracht van gewijsde is gegaan, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Met in kracht van gewijsde gaan wordt bedoeld dat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Het Openbaar Ministerie doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel. + De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan(B9/4.6). + + + Het beroep in cassatie mag niet in Nederland worden afgewacht aangezien het beroep in cassatie door de Hoge Raad wordt beoordeeld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.6. Verlenging en voortgezet verblijf + +– risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden; +– risico van vervolging in het land van herkomst bijvoorbeeld op grond van prostitutie; +– de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met specifieke culturele achtergrond en het prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake. + +### 5. Procedure ten aanzien van getuige-aangevers + +Artikel + 3.48 + Vreemdelingenbesluit + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend aan de vreemdeling die: + + + a. + slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voorzover sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan, of + + + b. + getuige-aangever is van mensenhandel, voorzover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en het verblijf in Nederland van de getuige-aangever naar oordeel van Onze Minister in het belang van de opsporing of vervolging van de verdachte noodzakelijk is. + + + + + 2 + De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. + + + + + De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van Onze Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan. + + + Op grond van artikel 17, eerste lid, onder d Vreemdelingenwet wordt deze aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. + + + Op grond van artikel 3.34, vijfde lid, Voorschrift Vreemdelingen is de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Vreemdelingenbesluit, geen leges verschuldigd. + + + De aanvraag wordt niet afgewezen indien de getuige-aangever niet over een paspoort beschikt. Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/2.2.2. is vervolgens van toepassing. + +20055316-03-200509-03-200520055316-03-200509-03-200518-03-2005 + +#### 5.1. De aanvraag om een verblijfsvergunning + +De korpschef stelt de getuige-aangever die stelt getuige te zijn geweest van dit misdrijf in staat deze aangifte van mensenhandel te doen. + + + De aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. + + + De korpschef stelt de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9 Vc 2000’ (model M-55) per fax van de aangifte in kennis. + + + De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het Openbaar Ministerie heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen. + + + Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij de korpschef waar hij of zij administratief is ondergebracht. De korpschef stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan. + + + De korpschef verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (model 77-A Vreemdelingencirculaire; bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingencirculaire) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het Openbaar Ministerie. Wat het getuige-aangevers betreft is het de stem van het Openbaar Ministerie die de doorslag geeft of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de korpschef per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het Openbaar Ministerie in kennis van de beslissing. + + + De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de burgemeester van de gemeente waar de getuige-aangever verblijft in kennis van de beslissing. Het verblijfsdocument wordt vervolgens afgegeven door de gemeente’. Indien het noodzakelijk is, kan de korpschef het slachtoffer begeleiden bij het ophalen van dit verblijfsdocument. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.2. Opvang en financiën + +Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een getuige-aangever aanspraak maken op de Rvb (zie onder 3.3). Een getuige-aangever die in verband met de aangifte gevaar loopt, kan daarbij aanspraak maken op opvang. De korpschef neemt contact op met de STV indien om een veilige locatie wordt verzocht. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.3. Beperkingen en voorschriften + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ’onder beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9. Arbeid vrij toegestaan’. + + + + + Artikel + 3.79 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt. + + + 2 + De aanvraag kan niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van één van de bij ministeriële regeling nader vast te stellen landen. + + + + + De contactpersoon mensenhandel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelt het Openbaar Ministerie in kennis van de beslissing. + +20055316-03-200509-03-200520055316-03-200509-03-200518-03-2005 + +#### 5.4. Beëindiging Rvb + +Indien een verblijfsvergunning wordt verleend, draagt het COA zorg voor overdracht van het dossier van betrokkene aan de Sociale Dienst van de gemeente waar bedoelde getuige-aangever woont. Is de getuige-aangever ondergebracht op een beschermde opvanglocatie dan geldt het adres van het korps waaronder het onderzoek ressorteert als postadres voor de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en is de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente van inschrijving verantwoordelijk voor de uitkering. De afgifte van een verblijfsvergunning aan de getuige-aangever stelt betrokkene namelijk in staat indien nodig aanspraak te maken op een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet. + + + Indien het verzoek om een verblijfsvergunning wordt geweigerd, sluit het COA het dossier. De RvB-uitkering loopt door tot de datum waarop vertrek is geregeld. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.5. Geldigheid van de verblijfsvergunning + +De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het Openbaar Ministerie de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. + + + Zodra het Openbaar Ministerie de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het Openbaar Ministerie doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan (B9/5.6) + + + Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel de uitspraak van gerechtshof in kracht van gewijsde is gegaan. + Met in kracht van gewijsde gaan wordt bedoeld dat de uitspraak onherroepelijk is geworden Het Openbaar Ministerie doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.6. Verlenging en voortgezet verblijf + +– risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden; +– risico van vervolging in het land van herkomst bijvoorbeeld op grond van prostitutie; +– de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met specifieke culturele achtergrond en het prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake. + +### 6. Beklagprocedure + +Artikel + 3.88 + Vreemdelingenbesluit + + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, indien de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof en op dat beklag nog niet is beslist. + + + + + + Artikel + 12 + Wetboek van Strafvordering + + + 1 + Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen. Indien de beslissing tot niet vervolging is genomen door de officier van justitie bij het landelijk parket, is bevoegd het gerechtshof te ’s-Gravenhage. + + + 2 + Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks wordt getroffen. + + + + + Wanneer de verdachte niet wordt vervolgd dan wel de vervolging niet wordt voortgezet, dan kunnen zowel slachtoffers als getuige-aangevers van mensenhandel daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof. De beslissing op het beklag mag in Nederland worden afgewacht. De korpschef dient betrokkene in kennis te stellen van de niet vervolging dan wel het niet voortzetten van de vervolging van de verdachte. Na kennisneming van deze beslissing, dient betrokkene binnen twee weken de korpschef te informeren omtrent het wel of niet indienen van een beklag bij het Gerechtshof. + + + Heeft het (vermoedelijk) slachtoffer aangifte gedaan en is hij of zij in het bezit van een verblijfsvergunning, dan loopt de geldigheid daarvan door totdat het Gerechtshof inzake het beklag een uitspraak heeft gedaan. + + + Is het (vermoedelijk) slachtoffer nog niet in het bezit van een verblijfsvergunning, dan zal de korpschef de verwijdering van betrokkene opschorten tot het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Gedurende deze procedure blijven aanspraken op de Rvb van kracht, voorzover betrokkene gebruik maakt van de bedenktijd dan wel de aangifte nog niet heeft geleid tot afgifte van een verblijfsvergunning. + + + Voor getuige-aangevers geldt per definitie dat de verwijdering zal worden opgeschort totdat het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Gedurende deze procedure blijven aanspraken op de Rvb van kracht, voorzover aangifte niet heeft geleid tot een verblijfsvergunning. + +20055316-03-200509-03-200520055316-03-200509-03-200518-03-2005 + +### 7. Gezinshereniging + +Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de biologische of juridische minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden tot het gezin van de hoofdpersoon en die onder wettig gezag van de hoofdpersoon staat. De algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van het gedeelte over voortgezet verblijf, aangezien het gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a en o, Vreemdelingenbesluit) en het middelenvereiste. + +Om te verzekeren dat minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van de hoofdpersoon, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon. + +## B10. EU/EER-onderdanen + +[Verwijzingen: EG-verdrag, Verdrag van Maastricht, Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, artikel 1, 8 Vreemdelingenwet, artikel 1.5, 8.6, 8.8, 8.11, 8.12, 8.13 Vreemdelingenbesluit, Richtlijn 64/221/EEG, EG-verordening 1612/68, Richtlijn 68/360/EEG, Richtlijn 73/148/EEG] + +### 1. Inleiding + +#### 1.1. Indeling + +Dit hoofdstuk heeft betrekking op onderdanen van de staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) en het Verdrag van Maastricht (EU) of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) en hun familie- en gezinsleden, die al dan niet zelf de EU/EER-nationaliteit bezitten. + + + In deze eerste paragraaf worden de begrippen uiteengezet en worden de definities gegeven. + De tweede paragraaf is het algemene deel, waarin voorwaarden worden genoemd die voor alle categorieën van dit hoofdstuk gelden. + In de derde paragraaf worden de specifieke regelingen met betrekking tot de economisch actieven nader uitgewerkt en in de vierde paragraaf komen de regelingen voor de economisch niet-actieven aan de orde. + De vijfde paragraaf heeft betrekking op de familie- en gezinsleden die een afgeleid verblijfsrecht kunnen verkrijgen. + Verder zijn in de zesde paragraaf enkele afwijkende bepalingen voor onderdanen van België en Luxemburg opgenomen, voor zover deze voortvloeien uit het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie. + Tot slot worden de regelingen met betrekking tot het weigeren van (voortgezet) verblijf en uitzetting uiteengezet in de zevende paragraaf. + + + De bevoegdheidsverdeling tussen de Minister en de burgemeester van de gemeente, waar de betrokkene verblijft, wordt per onderdeel vermeld. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 1.2. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten + +De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 1.3. Partijen bij het EG-verdrag en het Verdrag van Maastricht + +a. Voor wat Frankrijk betreft met uitbreiding tot de zogeheten Franse overzeese departementen Martinique, Gouadeloupe, Frans Guyana en La Réunion, in zoverre onder meer dat Franse ingezetenen van die departementen op grond van de desbetreffende beschikkingen van de Raad van de EG kunnen deelnemen aan het vrij verkeer van personen en diensten. +b. Voor wat Denemarken betreft met uitzondering van de Faeröer; de Deense onderdanen die daar woonachtig zijn, worden niet als onderdanen van een lidstaat beschouwd. +c. Voor wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreft zijn de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten niet van toepassing op de onderdanen van de Kanaaleilanden en van het eiland Man. Voor het vrij verkeer van personen en diensten wordt met een Brits onderdaan (‘British citizen’) gelijkgesteld een ‘British subject’ met aantekening in het paspoort: ‘holder has the right of abode in the United Kingdom’ of: ‘holder is defined as a United Kingdom national for community purposes’. + +#### 1.4. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte + +Partijen bij de EER-Overeenkomst zijn sedert 2 mei 1992, behalve de onder 1.3 genoemde partijen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 1.5. De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat + +Op 21 juni 1999 is de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen tot stand gekomen (Trb. 2000, 16 en 86). + Partijen bij deze Overeenkomst zijn, naast de onder 1.3 genoemde partijen: de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. + Bij wet van 14 september 2001 heeft Nederland deze Overeenkomst goedgekeurd (Stb. 2001, 432) en op 16 november 2001 geratificeerd. + De Overeenkomst is per 1 juni 2002 in werking getreden. + Per 1 juni 2002 worden Zwitserse onderdanen, alsmede hun afhankelijke familie- of gezinsleden, die op grond van deze Overeenkomst in Nederland verblijven aangemerkt als gemeenschapsonderdanen. Ten aanzien van Zwitserse onderdanen is dit bepaald bij eerdergenoemde wet van 14 september 2001 (Stb. 2001, 432). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 1.6. Definitie gemeenschapsonderdanen + +– onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven, alsmede hun familieleden, die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven; +– onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die terzake van binnenkomst en verblijf in een lidstaat rechten genieten die gelijk zijn aan die van burgers van de lidstaten van de Europese Unie, alsmede hun familieleden, die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven; +– onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat die op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86), die gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven, alsmede hun familie- en gezinsleden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven. + +#### 1.7. Terminologie + +In dit hoofdstuk zullen de termen ‘EU/EER-onderdaan’ en ‘gemeenschapsonderdaan’ gebruikt worden. + ‘EU/EER-onderdaan’ is de brede term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU of de EER. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze term. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een EU/EER-onderdaan, wordt dit expliciet vermeld. + + + De EU/EER-onderdaan, Zwitserse onderdaan en zijn gezinsleden –al dan niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitsers onderdaan- die op grond van de bepalingen van het EG-Verdrag of bedoelde Overeenkomsten in Nederland verblijven, worden verder aangeduid met de term ‘gemeenschapsonderdaan’. De gemeenschapsonderdaan heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 1.8. Aard van het verblijf van een gemeenschapsonderdaan + +Het is gemeenschapsonderdanen toegestaan om in Nederland te verblijven, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, dan wel de toegang of het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, nationale veiligheid of de volksgezondheid. + + + Gemeenschapsonderdanen ontlenen hun aanspraak op verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan ontstaat en vervalt van rechtswege. De afgifte van een verblijfsdocument aan een gemeenschapsonderdaan heeft daarom een louter declaratoire werking, ofwel de verblijfskaart is slechts een bevestiging van de status die van rechtswege is verkregen. + + + Ingevolge artikel 17, eerste lid, EG is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie. + Artikel 17, tweede lid, EG bepaalt voorts dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. + + + Bij artikel 18, eerste lid, EG is bepaald dat iedere burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn gesteld. + + + De vreemdeling, die een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart van een lidstaat toont, toont daarmee aan burger te zijn van de Unie en wordt daarom geacht verblijfsrecht te ontlenen aan het gemeenschapsrecht en daarmee als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, zolang en indien het onderzoek naar de analoog toe te passen beperkingen en voorwaarden van Richtlijn 90/364/EEG niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431). Dat onderzoek kan zich mede richten op de vraag of die burger dat verblijfsrecht ooit heeft gehad dan wel dat verblijfsrecht moet worden beëindigd. Vanaf dat moment geldt paragraaf 7.3.1. + + + Dat onderzoek richt zich allereerst op de vraag of de betrokken burger van de Unie verblijf houdt als (voormalig) economisch actieve of economisch niet-actieve (waaronder hier mede wordt begrepen: student), indien deze burger dat stelt. Indien hij dat niet stelt of dat niet het geval is, doordat niet of niet langer is voldaan aan de beperkingen en voorwaarden van de artikelen 39, 43 of 49 EG, dan wel Verordening 1612/68/EEG of 1251/70/EEG of de Richtlijnen, wordt beoordeeld of de burger van de Unie verblijfrecht ontleent aan artikel 18 EG. + In dat geval worden de voorwaarden en beperkingen van Richtlijn 90/364/EEG analoog toegepast en wordt onderzocht of de burger van de Unie beschikt over voldoende middelen van bestaan en een ziektekostenverzekering die alle risico’s hier te lande dekt. + + + Vanzelfsprekend geldt bij het vorenstaande dat bedoeld onderzoek door de Minister zich richt op de door de betrokken burger daartoe verschafte gegevens en bescheiden, ter onderbouwing van diens stelling dat hij een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, en voor zover die bescheiden ingevolge de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht mogen worden verlangd. + + + Indien en zolang het onderzoek niet heeft uitgewezen dat de burger van de Unie geen gemeenschapsonderdaan is, gelden voor de burger van de Unie de rechtswaarborgen van Richtlijn 64/221/EEG, waaraan de artikelen 1.5 en 8.13 Vreemdelingenbesluit uitvoering geven. Zie paragraaf 7.3.2. + + + Voor de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan en zijn gezinsleden, die geen verblijfsrecht aan de bepalingen van het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen ontlenen, gelden onverkort de overige bepalingen van de Vreemdelingenwet en het (restrictieve) beleid. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die verblijf in Nederland beoogt in het kader van gezinsvorming of -hereniging bij een Nederlands onderdaan (zie B2 Vreemdelingencirculaire). + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +### 2. Algemeen + +Dit onderdeel heeft met name betrekking op Richtlijn 64/221/EEG. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.1. Plicht om over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf te beschikken + +EU/EER-onderdanen en gemeenschapsonderdanen zijn vrijgesteld van de plicht te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Dit houdt in dat EU/EER-onderdanen en gemeenschapsonderdanen een aanvraag om een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, kunnen indienen, zonder dat zij bij binnenkomst over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf dienen te beschikken. Voor gemeenschapsonderdanen, die niet EU/EER-onderdaan zijn en afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in bijlage 2 Voorschrift Vreemdelingen), houdt dit in dat zij met of zonder visum voor kort verblijf Nederland kunnen inreizen, teneinde alhier de gemeenschapsrechten uit te oefenen. Het ontbreken van zowel een visum of machtiging tot voorlopig verblijf voor Nederland heeft geen gevolgen voor hun van rechtswege verkregen verblijfsstatus. Vorenstaande geldt niet voor de familie- en gezinsleden van onderdanen uit de Zwitserse Bondsstaat, die afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land. Zij dienen altijd in het bezit te zijn van een visum of machtiging tot voorlopig verblijf. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 2.2. Toegang tot Nederland + +Vreemdelingen, die niet in bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding, wordt de toegang tot Nederland geweigerd (artikel 3 lid 1, onder a, Vreemdelingenwet). + De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zijn hiertoe bevoegd. + + + Aan onderdanen van de EU/EER, alsmede gemeenschapsonderdanen, die in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding, kan de toegang slechts op de in artikel 8.5 of 8.7 Vreemdelingenbesluit vermelde gronden worden geweigerd. + + + + + Artikel + 8.5 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van hoofdstuk 2, de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij: + + + a. + een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, of + + + b. + ten laste komt van de Staat of van andere openbare lichamen. + + + + + 2 + De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk. + + + + + + + Artikel + 8.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan een gemeenschapsonderdaan en een vreemdeling die onderdaan is van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij: + + + a. + een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; + + + b. + lijdt aan een van de ziekten of gebreken opgenomen in de bijlage bij dit besluit, of + + + c. + ten laste komt van de Staat of van andere openbare lichamen. + + + + + 2 + De ambtenaren, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk. + + + 3 + Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is artikel 8.5 van toepassing. + + + + + Gelet op de Richtlijnen [Richtlijn 68/360/EEG (artikel 10), 73/148/EEG (artikel 8), 90/364/EEG, 90/365/EEG, 93/96/EEG (telkens artikel 2, lid 2, laatste alinea)] blijven de artikelen 8.5, eerste lid, onder b, en 8.7, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit buiten toepassing. Aan een burger van de Unie kan daarom de toegang niet worden geweigerd op grond hij ten laste komt van de Staat of van andere openbare lichamen. + + + Weigering van de toegang van een EU/EER-onderdaan en de gemeenschapsonderdaan op één van bovengenoemde gronden geschiedt met gebruikmaking van formulier M18. De Minister dient hiertoe een bijzondere aanwijzing te geven. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +#### 2.3. Meldplicht bij de korpschef + +Artikel + 8.8 + Vreemdelingenbesluit: + + De in de artikelen 4.48, 4.49 en 4.51 omschreven verplichtingen tot aanmelding bij de korpschef gelden niet voor de gemeenschapsonderdaan en de onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. + + + + In artikel 8.8 Vreemdelingenbesluit is onder meer neergelegd dat EU/EER-onderdanen zijn ontheven van de verplichting om zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar zij verblijven. Het niet melden (van het verblijf) heeft geen verblijfsrechtelijke consequenties. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.4. Geldig identiteitsbewijs of geldig paspoort + +Om met succes beroep te kunnen doen op het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen (conform bijlage 2 Voorschrift Vreemdelingen). Dit document dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Op het document dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van dit identiteitsbewijs gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging. + + + De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft overgelegd, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit document over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken. + Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet in Nederland. Op grond van artikel 61, eerste lid, Vreemdelingenwet dient de vreemdeling met inachtneming van artikel 62 Vreemdelingenwet Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge artikel 63 Vreemdelingenwet worden uitgezet door of namens de Minister. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 2.5. Rechtmatig verblijf + +Gemeenschapsonderdanen genieten rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van artikel 8 Vreemdelingenwet voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf + +– de sticker verblijfsaantekeningen gemeenschapsonderdanen die in het paspoort of op een inlegvel kan worden afgegeven (bijlage 7h, Voorschrift Vreemdelingen); hieraan zijn geen legeskosten verbonden; +– het document I (bijlage 7a, Voorschrift Vreemdelingen), dat in beginsel vanaf de datum aanvraag wordt afgegeven voor een periode van meer dan drie maanden, maar minder dan een jaar. Voor de afdoening van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is een legesbedrag van totaal € 28 verschuldigd; +– het document EU/EER (bijlage 7e, Voorschrift Vreemdelingen), dat in beginsel vanaf de datum afgifte voor een periode van vijf jaren geldig is. Voor de afdoening van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is een legesbedrag van totaal € 28 verschuldigd; +– een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd: document II (bijlage 7b, Voorschrift Vreemdelingen) met de aantekening dat de houder tevens houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die in beginsel vanaf de datum aanvraag wordt afgegeven. Het document dient na vijf jaren verlengd te worden. Voor het in behandeling nemen (=ter afdoening) van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is een legesbedrag van € 890 verschuldigd. + +##### 2.6.1. Niet betalen van leges + +Indien de gemeenschapsonderdaan niet voldoet aan de legesverplichting, wordt de aanvraag om het verkrijgen van het bewijs van rechtmatig verblijf niet behandeld. Dit heeft geen gevolgen voor het rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, omdat dit van rechtswege is ontstaan en vervalt. Voor de gevolgen van het verblijf hier te lande zonder in het bezit te zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf wordt verwezen naar paragraaf 2.3. + Indien opnieuw een aanvraag om afgifte van een document wordt ingediend, zullen alsdan opnieuw leges worden geheven. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.6.2. Onderbrekingen in het verblijf + +Onderbrekingen van het verblijf van niet meer dan zes opeenvolgende maanden en afwezigheid wegens het vervullen van militaire dienstplicht hebben geen invloed op het verblijfsrecht en op de geldigheid van het verblijfsdocument. + + + Indien er sprake is van een onderbreking van langer dan zes maanden (niet wegens vervullen militaire dienstplicht), vervalt het verblijfsrecht van rechtswege. Indien mogelijk – de persoon verblijft dan immers in het buitenland – kan het document worden ingenomen door de korpschef. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.7. Vrije termijn voor werkzoekende EU/EER-onderdanen + +– een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; +– lijdt aan een besmettelijke ziekte of gebrek als bedoeld in de bijlage van het Vreemdelingenbesluit (geldt niet voor onderdanen van België en Luxemburg); +– ten laste komt van de Staat of van andere openbare lichamen. + +#### 2.8. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd + +– De gemeenschapsonderdaan die in het bezit is van een document EU/EER doet een aanvraag (en komt in aanmerking) voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Deze kan, indien hij daartoe een aanvraag indient, in het bezit worden gesteld van een document II, na betaling van de leges ter afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (€ 890). +– De gemeenschapsonderdaan is in het bezit van een document EU/EER, waarop is aangetekend dat hij tevens houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dit document kan, indien het vernieuwd moet worden (of wanneer de gemeenschapsonderdaan zich anderszins tussentijds meldt) op verzoek worden omgewisseld voor twee aparte documenten. + +#### 2.9. Wet arbeid vreemdelingen + +EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan geen tewerkstellingsvergunning worden verlangd. De bepalingen in de Wet arbeid vreemdelingen zijn evenmin van toepassing op gemeenschapsonderdanen, die zelf geen EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn. + + + Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf dient de aantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst, zodat een werkgever zich daarvan gemakkelijk kan vergewissen. Dit is met name van belang voor gemeenschapsonderdanen, die geen EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn. EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen kunnen immers aan de hand van hun paspoort of identiteitsbewijs aantonen, dat zij vrij toegang hebben tot de arbeidsmarkt. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 2.10. Matrix + +| **Categorie** | **Middelen (al dan niet uit arbeid) zes maanden of minder beschikbaar** | **Middelen (al dan niet uit arbeid) voor meer dan drie maanden, maar minder dan één jaar beschikbaar** | **Middelen (al dan niet uit arbeid) voor één jaar of meer beschikbaar** | **(Meer dan aanvullend) Beroep op de publieke middelen** | **(Actuele) Bedreiging van de openbare orde** | +| --- | --- | --- | --- | --- | --- | +| Werkzoekenden | Sticker met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. Kan met drie maanden verlengd worden zolang reëel uitzicht op werk, mits nog steeds voldoende middelen. | Zie economisch actieven. | Zie economisch actieven. | Bij een beroep op de publieke middelen vervalt verblijfsrecht. | Bij een (actuele) bedreiging van de openbare orde vervalt verblijfsrecht. | +| Economisch actieven | Stickermet een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. | Reële en daadwerkelijke arbeid: Document I voor de duur van de werkzaamheden; leges € 28 | Reële en daadwerkelijke arbeid: Document EU/EER voor vijf jaren; leges € 28 | Een meer dan aanvullend beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht, ingevolge vrijwillige werkloosheid. | Bij een actuele bedreiging van de openbare orde vervalt verblijfsrecht (ook algemene regels inzake openbare orde in beschouwing nemen). | +| Economisch niet-actieven | Sticker met en geldigheidsduur van maximaal zes maanden | Tenminste Wwb-norm desbetreffende categorie. Document EU/EER voor vijf jaren met de aantekening: beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht; leges € 28 | Tenminste Wwb-norm desbetreffende categorie. Document EU/EER voor vijf jaren met de aantekening: beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht; leges € 28 | Bij een beroep op de publieke middelen vervalt verblijfsrecht. | Bij een actuele bedreiging van de openbare orde vervalt verblijfsrecht (ook algemene regels inzake openbare orde in beschouwing nemen). | +| Studenten | Sticker met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden | Document EU/EER voor ten hoogste één jaar met de aantekening: beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht; leges € 28 | Document EU/EER voor ten hoogste één jaar met de aantekening: beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht; leges € 28 | Bij een beroep op de publieke middelen vervalt verblijfsrecht. | Bij een actuele bedreiging van de openbare orde vervalt verblijfsrecht (ook algemene regels inzake openbare orde in beschouwing nemen). | +| EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat | Sticker met een geldigheidsduur van maximaal drie maanden (zie echter werkzoekenden) | Beschikt niet zelfstandig over middelen. Normale toelatingsbeleid Vc van toepassing. Document I voor ten hoogste één jaar met de aantekening: arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Leges € 28. Anders sticker (zie werkzoekenden) | Beschikt niet zelfstandig over middelen. Normale toelatingsbeleid Vc van toepassing Document I voor ten hoogste één jaar met de aantekening: arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Leges € 28 Anders stickerSticker Verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen. (zie werkzoekenden) | Normale regels voor (niet) verlening verblijfsvergunning van toepassing. Document I wordt zonodig ingetrokken, dan wel niet verlengd. | Algemene regels inzake openbare orde onverkort van toepassing. | +| Verlenging Document EU/EER na vijf jaren: Op moment verlenging niet werkloos of 12 maanden of minder onvrijwillig werkloos. | Document EU/EER voor vijf jaren (leges € 28) | Document EU/EER voor vijf jaren (leges € 28) | Document EU/EER voor vijf jaren (leges € 28) | Een beroep op de publieke middelen geen enkel gevolg voor het verblijfsrecht, zolang er geen sprake is van vrijwillige werkloosheid. | Een actuele bedreiging van de openbare orde kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht (ook algemene regels inzake openbare orde in beschouwing nemen). | +| Verlenging Document EU/EER na vijf jaren: Op moment verlenging meer dan 12 maanden onvrijwillig werkloos | Document I voor één jaar (leges € 28) | Document I voor één jaar (leges € 28). Indien geen arbeid wordt verricht, maar wel zelfstandig over tenminste Wwb-norm desbetreffende categorie wordt beschikt, dan naar economisch niet-actief (leges € 28). | Indien geen arbeid wordt verricht, maar wel zelfstandig over tenminste Wwb-norm desbetreffende categorie wordt beschikt, dan naar economisch niet-actief (leges € 28). | Een beroep op de publieke middelen heeft geen enkel gevolg voor het verblijfsrecht. Het Document I voor één jaar wordt na dit jaar niet verlengd, indien een meer dan aanvullend beroep op de publieke middelen wordt gedaan. Indien niet wordt voldaan aan een ander verblijfsdoel wordt aanvraag afgewezen. | Een actuele bedreiging van de openbare ordeHiermee wordt in deze matrix ook bedoeld nationale veiligheid. kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht. Dit is (mede) afhankelijk van algemene regels inzake ontzegging voortgezet verblijf en ongewenstverklaring. | + +### 3. Economisch actieven + +Dit onderdeel heeft met name betrekking op EG-verordening 1612/68, Richtlijn 68/360/EEG, Richtlijn 73/148/EEG. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden + +– een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; +– lijdt aan een besmettelijke ziekte of gebrek als bedoeld in de bijlage van het Vreemdelingenbesluit (geldt niet voor onderdanen van België en Luxemburg); +– een meer dan aanvullend beroep doet op de publieke middelen (artikel 3.3, tweede lid, Vreemdelingenbesluit). + +#### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid + +Iedere EU/EER-onderdaan die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. De duur en de aard van de werkzaamheden zijn bepalend voor het verblijfsdocument dat aan de gemeenschapsonderdaan wordt verstrekt. + + + Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid + +Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen. + + + Indien de inkomsten uit arbeid voor het merendeel worden aangevuld met andere inkomsten (bijvoorbeeld voor 50% of meer uit de publieke middelen) is er grond voor twijfel aan het serieus karakter van de economische activiteit en dus aan het reële en daadwerkelijke karakter van de arbeidsverrichting. + Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid van de arbeidsovereenkomst of uit de Collectieve arbeidsovereenkomst of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging. + + + Tot slot zijn zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden factoren die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid1HvJEG, 26 februari 1992, Raulin. (hier kan worden gedacht aan bijvoorbeeld oproepcontracten). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.3. Over te leggen stukken + +##### 3.3.1. Algemeen + +Bij de indiening van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht, of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, waarvoor een legesbedrag van totaal € 28 is verschuldigd, dient in ieder geval een geldige identiteitskaart of geldig paspoort te worden overgelegd. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 3.3.2. Werknemers + +De werknemer dient een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling over te leggen. Om vast te kunnen stellen of het reële en daadwerkelijke arbeid betreft, zal uit de verklaring moeten blijken voor hoelang de werknemer te werk zal worden gesteld, wat de hoogte van de inkomsten zullen zijn en voor hoeveel uren per week de werknemer arbeid zal verrichten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.3.2.1. Minderjarigen + +Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving (Arbeidswet 1919). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.3.3. Zelfstandigen + +Zelfstandigen dienen aan te tonen dat zij voor het verrichten van werkzaamheden anders dan in loondienst naar Nederland zijn gekomen, bijvoorbeeld aan de hand van een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zij moeten eveneens aantonen, dat er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een balans, een winst- en verliesrekening en maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten en als dit nog niet aanwezig is aan de hand van een verklaring of prognose, opgesteld door een accountant of een financieel adviseur. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.3.4. Dienstenverleners en -ontvangers + +a. de betrokken echtgenote – onderdaan van een derde land – ondanks de afloop van het visum voor kort verblijf de lidstaat niet heeft verlaten, en +b. betrokkenen vervolgens in die lidstaat met elkaar zijn gehuwd, en anderzijds: +c. er nog steeds sprake is van daadwerkelijk gezinsleven, +d. de echtgenote zorgt voor de kinderen uit een eerder huwelijk van haar Nederlandse echtgenoot, en +e. er geen aanwijzingen zijn dat zij een gevaar voor de openbare orde of veiligheid vormt of in de toekomst zal vormen (zaak C-60/00 Carpenter, alsmede zaak C-459/99 BRAX). + +#### 3.4. Aard en duur van de werkzaamheden + +##### 3.4.1. Werkzaamheden met een duur van drie maanden of minder + +Gemeenschapsonderdanen die reële en daadwerkelijke arbeid verrichten met een verwachte duur van drie maanden of minder, verblijven in beginsel rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. Tot deze categorie behoren ook grensarbeiders (Richtlijn 68/360/EEG, artikel 8), wier woonplaats zich op het grondgebied van een der lidstaten bevindt, waarheen zij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeren, maar die in Nederland te werk zijn gesteld. Ook dienstenverleners en -ontvangers (Richtlijn 73/148/EEG, artikel 4, tweede lid) die in Nederland voor minder dan drie maanden diensten verlenen of ontvangen vallen hieronder en ontvangen een verblijfsdocument voor de duur van de dienstverrichting, ingevolge artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit. + + + Aangezien de verwachte duur van de werkzaamheden de periode van drie maanden niet zal overschrijden, wordt aan deze gemeenschapsonderdanen de sticker voor verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen afgegeven. Het verblijf kan – zolang er steeds slechts minder dan drie maanden wordt gewerkt – onbeperkt verlengd worden, door iedere keer opnieuw een sticker af te geven. Zolang er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, is een aanvullend beroep op de publieke middelen mogelijk. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.2. Werkzaamheden langer dan drie maanden, maar korter dan één jaar + +Wanneer de verwachte duur van de werkzaamheden meer dan drie maanden, maar minder dan een jaar is, wordt aan de gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8:12, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit een verblijfsdocument, document I (bijlage 7a Voorschrift Vreemdelingen) afgegeven. De geldigheidsduur van het verblijfsdocument wordt beperkt tot de duur van de werkzaamheden. Zolang er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, is een aanvullend beroep op de publieke middelen mogelijk. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.3. Werkzaamheden één jaar en langer + +Indien de te verwachten duur van de werkzaamheden ten minste één jaar bedraagt, wordt ingevolge artikel 8:11, tweede lid, Vreemdelingenbesluit aan de gemeenschapsonderdaan een document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) afgegeven met een geldigheidsduur van vijf jaren. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, Richtlijn 68/360/EEG moet de verblijfskaart tenminste vijf jaren geldig zijn, te rekenen vanaf datum afgifte. + + + Indien bij een arbeidsovereenkomst, die is aangegaan voor de periode van ten minste één jaar, een proeftijd is bedongen, zal met het verstrekken van een verblijfsdocument worden gewacht, totdat de proeftijd is verstreken. In de tussentijd kan de sticker voor verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen worden afgegeven. Wanneer de proeftijd is verstreken zal – indien de arbeidsovereenkomst niet beëindigd is – alsnog het document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) worden afgegeven met een geldigheidsduur van vijf jaren. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.4. Uitzendwerk en kortlopende contracten + +– hij reeds gedurende de 12 voorafgaande maanden onafgebroken al dan niet op basis van overeenkomsten met een bepaalde tijd gewerkt heeft. Het is aan de gemeenschapsonderdaan om aan te tonen dat hij daarmee reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht; en +– deze inkomsten uit arbeid voor nog minimaal zes maanden beschikbaar zijn. + +##### 3.4.5. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied + +– de werknemer is in Nederland (aan)geworven;HvJEG, 27 september 1989, Lopes de Veiga. +– werkzaamheden worden verricht op een in Nederland geregistreerd vervoermiddel; +– een dienstverband is aangegaan met een in Nederland geregistreerde werkgever; +– de arbeidsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht; en +– het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel is van toepassing op de loonbetaling. + +#### 3.5. Recht op (voortgezet) verblijf bij onderbreking of beëindiging van de werkzaamheden + +Bij onderbreking of beëindiging van de arbeid door de gemeenschapsonderdaan kan onder bepaalde voorwaarden het verblijfsrecht op grond van Richtlijn 68/360/EEG of Richtlijn 73/148/EEG worden behouden. Van belang hierbij is in hoeverre de gemeenschapsonderdaan een verwijt kan worden gemaakt van de onderbreking of beëindiging van de arbeid. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid + +Het verblijfsrecht vervalt niet van rechtswege en het nog geldige verblijfsdocument kan niet worden ingenomen enkel op grond van het feit dat de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte of ongeval geen werkzaamheden meer uitoefent. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 3.5.2. Vrijwillige werkloosheid + +– zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben (bijvoorbeeld ontslag op staande voet); +– ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van zijn dienstbetrekking voor hem zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. + +##### 3.5.3. Onvrijwillige werkloosheid + +Bij onvrijwillige werkloosheid behoudt de gemeenschapsonderdaan in beginsel het rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. Dat de gemeenschapsonderdaan volledig ten laste komt van de publieke middelen, doet hieraan niet af. Wel kan daarin aanleiding worden gevonden het karakter van de werkloosheid te verifiëren bij de Sociale Dienst of de voorgaande uitkeringsinstantie. De onvrijwillige werkloosheid zal eerst een rol spelen bij de eerste verlenging van de geldigheidsduur van het aan de gemeenschapsonderdaan verstrekte document EU/EER. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.5.3.1. Op het moment van verlenging minder dan twaalf opeenvolgende maanden onvrijwillig werkloos + +In dat geval wordt de geldigheidsduur van het document EU/EER met vijf jaren verlengd, ingevolge de algemene regel, neergelegd in artikel 8.11, tweede lid, Vreemdelingenbesluit. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.5.3.2. Op het moment van verlenging reeds twaalf opeenvolgende maanden of langer onvrijwillig werkloos + +In dat geval wordt aan de gemeenschapsonderdaan ingevolge artikel 8.12, tweede lid, Vreemdelingenbesluit een document I voor de duur van één jaar verstrekt (bijlage 7a Voorschrift Vreemdelingen). Wanneer hij na dit jaar nog steeds werkloos is, vervalt zijn verblijfsrecht van rechtswege. Het aan hem verstrekte verblijfsdocument dient in dat geval ingenomen worden, met toepassing van artikel 8.11, tweede lid, laatste zin, Vreemdelingenbesluit. Wel heeft hij het recht om werk te zoeken (zie verder 3.7). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.6. Recht op voortgezet verblijf voor voormalig economisch actieven + +Er kan ook recht op voortgezet verblijf ontstaan, voor EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die hun hoofdverblijf in Nederland hebben, op grond van EG-verordening 1251/70 of Richtlijn 75/34/EEG. Deze regelingen hebben overigens geen betrekking op EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, die als dienstenverlener of -ontvanger verblijfsrecht hebben gehad. + + + Al de vorenstaande categorieën kunnen eventueel aan hetgeen is vermeld in paragraaf 4.2.1 en volgende recht op voortgezet verblijf ontlenen. Ook is het mogelijk dat zij op grond van de rechtstreekse werking van artikel 18 EG recht op voortgezet verblijf hebben, ondanks het feit dat zij niet geheel voldoen aan het gestelde in paragraaf 4.2.1 en volgende, in welk verband dient te worden beoordeeld of verblijfsbeëindiging een evenredig middel is. Zie in dat verband het gestelde in paragraaf 4.3.2 met betrekking tot de toepassing van het evenredigheidsbeginsel. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 3.6.1. Categorieën verblijfsgerechtigden op wie deze regelingen betrekking hebben + +– EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken; +– EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die blijvend arbeidsongeschikt worden; +– EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die wel hun werkzaamheden buiten Nederland, maar niet hun hoofdverblijf uit Nederland hebben verplaatst. + +###### 3.6.1.1. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken + +– ten minste gedurende de twaalf voorafgaande maanden hier te lande werkzaamheden heeft verricht; en +– alhier meer dan drie jaar voortdurend heeft gewoond (onmiddellijk voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar). + +###### 3.6.1.2. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die blijvend arbeidsongeschikt worden + +De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering of een uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.6.1.3. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die wel hun werkzaamheden, maar niet hun hoofdverblijf buiten Nederland verplaatsen + +– ten minste drie jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de verplaatsing van zijn werkzaamheden, voortdurend in Nederland heeft gewerkt en gewoond; en +– in beginsel dagelijks of ten minste éénmaal per week terugkeert naar Nederland. + +###### 3.6.1.4. Uitzondering + +– de Nederlandse nationaliteit bezit; +– de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door het aangaan van het huwelijk met de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan. + +###### 3.6.1.5. Bij voortduring in Nederland wonen + +Het bij voortduring in Nederland wonen dient te worden aangetoond aan de hand van historisch overzicht uit de Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten. + + + Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden of afwezigheid van langere tijd, vereist voor het vervullen van militaire dienstplicht, zijn niet van invloed op het bij voortduring wonen + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 3.6.1.6. Voortdurend in Nederland werken + +De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient (aan de hand van de documenten genoemd in paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk) aan te tonen dat hij voortdurend reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Perioden van afwezigheid als gevolg van ziekte of ongeval (zie paragraaf 3.5.1 van dit hoofdstuk) en van onvrijwillige werkloosheid (zie paragraaf 3.5.3 van dit hoofdstuk) worden aangemerkt als perioden van tewerkstelling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.6.2. Bedenktijd + +De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent het voortgezet verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortgezet verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +###### 3.6.2.1. Uitzondering + +– gedurende lange tijd bij voortduring in Nederland heeft gewoond en arbeid heeft verricht; en +– zijn aanvraag om wedertoelating doet bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid. + +##### 3.6.3. Verblijfsregeling + +Aan EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, die aan deze regelingen recht op voortgezet verblijf ontlenen, wordt een document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) verstrekt met een geldigheidsduur van vijf jaren. De geldigheidsduur daarvan is zonder meer met gelijke perioden te verlengen. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 3.7. Overige categorieën + +Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan één van de Richtlijnen met betrekking tot de economisch niet-actieven. Het aan de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan afgegeven verblijfsdocument heeft zijn geldigheid verloren en dient door de korpschef te worden ingenomen. De IND zal de korpschef hierover informeren. + + + De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan wordt desgewenst in de gelegenheid gesteld bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft een aanvraag in te dienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van een verblijfsdocument. + + + De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan heeft bovendien alsnog het recht om gedurende een termijn van zes maanden opnieuw werk te zoeken (zie 3.1 voor de verblijfstermijn voor werkzoekenden) en voor dat doel wordt een sticker voor verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen afgegeven. Het recht om werk te zoeken vervalt, indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen of wanneer diegene een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +### 4. Economisch niet-actieven + +Dit onderdeel heeft betrekking op Richtlijn 90/364/EEG, Richtlijn 90/365/EEG, Richtlijn 93/96/EEG en artikel 6 en Titel V van Bijlage I van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. Deze richtlijnen en de genoemde artikelen van de Overeenkomst voorzien in een verblijfsrecht onder voorwaarden voor respectievelijk economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden en studenten uit de betrokken lidstaten en voor hun voor gezinshereniging in aanmerking komende familieleden. Deze EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen behouden het recht om arbeid, al dan niet in loondienst, te zoeken en te verrichten. + Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten op grond van deze Richtlijnen geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 4.1. Over te leggen stukken + +– een geldige identiteitskaart of geldig paspoort; +– een ziektekostenverzekering die alle risico’s hier te lande dekt; deze ziektekostenverzekering mag zowel in het land van herkomst als in Nederland zijn afgesloten; dit is een voorwaarde voor alle categorieën economisch niet-actieven. + +#### 4.2. Verblijfsrecht + +##### 4.2.1. Economisch niet-actieven algemeen en gepensioneerden + +EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen die geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan andere bepalingen van het EU-recht, respectievelijk de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing - hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +###### 4.2.1.1. Voldoende middelen van bestaan + +De economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, als bedoeld in 4.2.1, dienen – voor zover hier van belang – aan te tonen dat zij over toereikende middelen van bestaan beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de publieke middelen komen. Onder toereikend wordt allereerst verstaan: voldoende hoog, dat wil zeggen: tenminste het netto normbedrag voor de desbetreffende categorie (alleenstaande, echtparen/gezinnen), zijnde de bedragen waaronder ingevolge de Wet werk en bijstand aan eigen onderdanen bijstand wordt verleend. + Daarnaast geldt dat onder toereikend wordt verstaan dat de middelen beschikbaar zijn voor het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode, met een minimum van een jaar. + + + Economisch niet-actieven en gepensioneerden beogen als regel langere tijd te verblijven, dat wil zeggen een jaar of meer. + Indien de middelen slechts toereikend zijn voor het levensonderhoud gedurende minder dan een jaar, bijvoorbeeld een of enkele maanden, is geen sprake van toereikendheid die kan voorkomen dat zij gedurende het verblijf ten laste van de bijstandregeling van het gastland komen. + Indien aannemelijk is dat de middelen toereikend zijn voor het levensonderhoud voor tenminste een jaar of deze tenminste zolang zullen voortduren, wordt de vereiste toereikendheid wel aangenomen. + + + De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etc.) is niet van belang, mits de gemeenschapsonderdaan de vrije beschikking heeft over de middelen of het recht op (periodieke) uitkering ervan. + + + Daarbij worden, voor zover van toepassing, de middelen in aanmerking genomen van een huwelijkspartner of persoon met wie de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan. + In geval van een dergelijke partner geldt immers een wettelijke onderhoudsplicht. + Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat. + + + Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de toepasselijke bijstandsnorm ingevolge de Wet werk en bijstand en de ander niet. + Tevens is dit van belang voor onderdanen van de EU/EER en Zwitserse onderdanen, die met een Nederlander zijn gehuwd of een in Nederland dan wel andere lidstaat geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, waarbij slechts de Nederlandse partner over bedoelde middelen beschikt. + + + In die gevallen doet de betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht, als economisch niet-actieve, in plaats van een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming. + + + Voor zover de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan daarover de vrije beschikking heeft, kunnen inkomsten van een partner, niet zijnde huwelijkspartner en ook niet zijnde geregistreerde partner, of van een derde in aanmerking worden genomen, ook als die partner of derde onderdaan is van een derde land. + De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over toereikende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft. + + + Bij het vorenstaande wordt geen genoegen genomen met inkomsten uit illegale activiteiten. Daarmee wordt met name bedoeld de situatie waarin de echtgenoot, bedoelde geregistreerd partner of derde, zijnde onderdaan van een derde land, niet rechtmatig in de Unie verblijft, waardoor de door deze persoon uit arbeid verworven inkomsten illegaal zijn. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +###### 4.2.1.2. Verblijfsdocument + +De geldigheidsduur van het document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) bedraagt in beginsel vijf jaren en wordt telkenmale met vijf jaren verlengd, indien en zolang aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. Op het document dient de volgende aantekening te worden geplaatst: ‘Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht.’. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 4.2.2. Studenten + +EU/EER-studenten of Zwitserse studenten, die geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan één van de andere bepalingen van het EU-recht, komen voor toelating als gemeenschapsonderdaan in aanmerking voor de duur van hun opleiding, indien en zolang zij zijn ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut of als hoofdbezigheid hier te lande een beroepsopleiding volgen. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +###### 4.2.2.1. Beroepsopleiding + +Het begrip ‘beroepsopleiding’ moet hier ruim geïnterpreteerd worden. Een beroepsopleiding is iedere onderwijsvorm die opleidt voor een speciaal beroep, vak of betrekking of die een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep uit te oefenen, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van leerling of student, zelfs indien er in het studieprogramma algemene vakken zijn opgenomen (een universitaire studie valt ook onder dit begrip). Ook stage valt hieronder, wanneer er een lage stagevergoeding tegenover staat en er geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +###### 4.2.2.2. Voldoende middelen van bestaan + +De student dient voorts aannemelijk te maken dat hij beschikt over toereikende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van de publieke middelen. Aangezien hij dit niet hoeft aan te tonen, volstaat hier een ondertekende verklaring van ouders of verzorgers of van de student zelf. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.2.2.3. Recht op Studiefinanciering + +Studenten, die hun verblijfsrecht ontlenen aan deze Richtlijn, hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de Wet op de Studiefinanciering om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de Wet op de Studiefinanciering. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.2.2.4. Verblijfsdocument + +De geldigheidsduur van het document EU/EER (bijlage 7e Voorschrift Vreemdelingen) is beperkt tot de duur van de opleiding, dan wel tot één jaar indien de opleidingsduur langer is dan één jaar, in welk geval de geldigheid van de verblijfskaart ieder jaar met telkens één jaar kan worden verlengd. Deze regel is neergelegd in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid, Vreemdelingenbesluit. Op het document dient de volgende aantekening te worden gemaakt: ‘Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +#### 4.3. Beëindiging van het verblijfsrecht + +##### 4.3.1. Verblijfsrecht op grond van een andere Richtlijn + +Indien de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die zijn verblijfsrecht ontleent aan één van de in de vorengaande paragraaf genoemde Richtlijnen, reële en daadwerkelijke arbeid in Nederland gaat verrichten en dit zijn hoofdbezigheid wordt, wijzigt hij zijn verblijfsdoel en dient hij een ander verblijfsdocument aan te vragen. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 4.3.2. (Aanvullend) Beroep op de publieke middelen + +Indien de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een (aanvullend) beroep doet op de publieke middelen, kan dat tot gevolg hebben dat zijn rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet vervalt. + In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband eventueel toe te passen sanctie (verblijfsbeëindiging) moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist. + + + Voor de categorie van economisch niet-actieven, anders dan studenten, bedoeld in 4.2.2, geldt de volgende aanname. + + + Indien de betrokkene een (aanvullend) beroep doet op een uitkering voor het levensonderhoud (zoals bijstand) in het eerste jaar van verblijf, vormt betrokkene als regel een onredelijke last in de bovenbedoelde zin en is verblijfsbeëindiging in het algemeen een evenredig middel. + In het tweede jaar van verblijf wordt een eerste, meer dan aanvullend, beroep op een dergelijke uitkering als regel een onredelijke last geacht, indien het beroep daarop drie maanden of langer voortduurt. Hetzelfde geldt voor een aanvullend beroep gedurende zes maanden of meer. + In het derde jaar van verblijf wordt een dergelijk eerste, meer dan aanvullend, beroep als regel onredelijk geacht, indien het zes maanden of meer voortduurt. Hetzelfde geldt voor een aanvullend beroep gedurende negen maanden of meer. + + + In het vierde jaar en de volgende jaren wordt een dergelijk eerste, meer dan aanvullend, beroep als regel onredelijk geacht, indien het negen maanden of meer voortduurt. + Hetzelfde geldt voor een aanvullend beroep gedurende twaalf maanden of meer. Indien de betrokkene in meer achtereenvolgende jaren van verblijf of binnen een jaar meermalen een beroep doet op een zodanige uitkering, vormt hij daardoor als regel een onredelijke last en is verblijfsbeëindiging in het algemeen een evenredig middel. + Indien betrokkene een aanvullend beroep ter zake doet van achttien maanden of meer in totaal binnen drie jaren van verblijf is verblijfsbeëindiging in het algemeen eveneens een evenredig middel. + + + Onder aanvullend beroep op de bijstand wordt in dit verband verstaan een beroep ter hoogte van minder dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm ingevolge de Wet werk en bijstand. + + + Bij de in dit kader vereiste belangenafweging wordt betrokken, naast de vorenbedoelde duur van het verblijf, de duur, de frequentie en de omvang van het beroep dat op de middelen van de lidstaat wordt gedaan, de reden waarom de betrokkene tijdelijk dan wel permanent niet in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien, alsmede de banden die betrokkene nog heeft met zijn land van herkomst, alsmede diens gezinssituatie en diens medische situatie. + Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken. + + + Indien door de IND is vastgesteld dat betrokkene een onredelijke last vormt voor de Nederlandse publieke middelen en verblijfsbeëindiging een evenredig middel is, wordt het verblijfsrecht beëindigd en het verstrekte verblijfsdocument ingenomen door de korpschef (zie artikel 8.11, tweede lid, laatste zin, Vreemdelingenbesluit). De IND zal de korpschef hierover informeren. De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan wordt desgewenst in de gelegenheid gesteld om bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft een nieuwe aanvraag in te dienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van een verblijfsdocument. + + + Het vorenstaande laat overigens onverlet dat een lidstaat niet verplicht is binnen de zogenoemde vrije termijn een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud te verstrekken die ten laste van de publieke middelen komt, en dat de vrije termijn eindigt zodra de betrokkene ten laste komt van een zodanige uitkering. Zie in dit verband 2.7. + + + Voor studenten, bedoeld in 4.2.2, geldt het volgende. + + + Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98). + + + De lidstaten zijn op grond van artikel 3 van de Richtlijn 93/96/EEG niet verplicht om aan studenten die het verblijfsrecht genieten beurzen uit te betalen om in het levensonderhoud te voorzien (studiefinanciering voor het levensonderhoud). Deze regel is bevestigd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-184/99 Grzelczyk). + + + Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan – ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd – betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd. + Verblijfsbeëindiging kan in deze gevallen echter niet het automatisch gevolg zijn. In deze gevallen vindt een evenredigheidstoets plaats. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 4.3.3. Beëindiging van de studie + +Indien een student niet meer is ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut en geen beroepsopleiding meer volgt, is zijn rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet komen te vervallen. Het aan hem verstrekte verblijfsdocument dient in dat geval ingenomen te worden door de korpschef (zie artikel 8.11, tweede lid, laatste zin, Vreemdelingenbesluit). De IND zal de korpschef hierover informeren. De student wordt desgewenst in de gelegenheid gesteld om bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft een nieuwe aanvraag in te dienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van een verblijfsdocument. + Wanneer de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan hiervan geen gebruik maakt, heeft hij alsnog het recht om gedurende een termijn van zes maanden opnieuw werk te zoeken (zie 3.1 voor verblijfstermijn voor werkzoekenden). Aan hem wordt een sticker voor verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen afgegeven. Het recht om werk te zoeken vervalt, indien hij een meer dan aanvullend beroep doet op de publieke middelen of een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +### 5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen + +Het familie- of gezinslid van een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, wordt eveneens aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het is daarbij niet van belang of het familie- of gezinslid zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan is. Het familie- of gezinslid heeft ook rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat dan wel het (voortgezet) verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, nationale veiligheid of de volksgezondheid. + + + De juridische band tussen de gemeenschapsonderdaan en het familie- of gezinslid is bepalend voor het verblijfsrecht. Het bestaan van een feitelijke band is daarbij niet van belang. Bij twijfel omtrent het bestaan van de familierechtelijke relatie of omtrent de afhankelijke positie van het familielid, moet contact worden opgenomen met het Ministerie van Justitie. + + + Met betrekking tot familie- of gezinsleden van Nederlanders zie onder 5.3. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 5.1. Familie- en gezinsleden die voor verblijf in aanmerking komen + +##### 5.1.1. De echtgenoot of echtgenote + +– voor een Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand; +– op een ambassade of consulaat van het land van herkomst van een van de echtgenoten; +– volgens de wet in het land waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden. + +##### 5.1.2. De partner, indien er sprake is van geregistreerd partnerschap + +Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan de partner van een gemeenschapsonderdaan zijn de regels vermeld in B2 Vreemdelingencirculaire van toepassing. Door het aangaan van een geregistreerd partnerschap, wordt de partner voor de Vreemdelingenwet gelijkgesteld aan een echtgeno(o)t(e). In dat geval is de partner van de gemeenschapsonderdaan voor Nederlands recht gelijkgesteld aan de huwelijkse partner en heeft die partner op grond van deze gelijkstelling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Het aan de partner verleende verblijfsdocument op grond van artikel 14 Vreemdelingenwet kan in dat geval worden omgewisseld voor een verblijfsdocument, waaruit het rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet blijkt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.3. De kinderen beneden de leeftijd van 21 jaar + +Bij een gemeenschapsonderdaan kunnen in het kader van gezinshereniging voor rechtmatig verblijf in aanmerking komen de al dan niet uit zijn huwelijk geboren kinderen (bijvoorbeeld vóórkinderen van één van beide echtgenoten) beneden de leeftijd van 21 jaar. De juridische band tussen de gemeenschapsonderdaan en het kind dient met officiële documenten te worden aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een geboorteakte, een familieboekje of een voogdijverklaring. + + + Voor het rechtmatig verblijf is het niet van belang of het kind feitelijk tot het gezin van de gemeenschapsonderdaan behoort of dat de gezinsband met de gemeenschapsonderdaan al in het buitenland bestond. Ook is niet doorslaggevend dat de gemeenschapsonderdaan niet (meer) in de kosten van opvoeding en verzorging van het kind voorziet. Slechts de juridische band is van doorslaggevend belang. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.4. De bloedverwanten van gemeenschapsonderdanen in opgaande en neerdalende lijn, die te zijnen of te haren laste komen + +Ook de bloedverwanten van de gemeenschapsonderdaan, alsmede de bloedverwanten van de echtgeno(o)t(e), in opgaande en neerdalende lijn, die te zijnen of te haren laste zijn, kunnen in aanmerking komen voor rechtmatig verblijf in Nederland. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kinderen van 21 jaar en ouder, de ouders, maar ook de (achter)kleinkinderen en (over)grootouders van de gemeenschapsonderdaan. + Deze categorie wordt niet aangemerkt als gemeenschapsonderdaan en heeft daarom geen rechtmatig verblijf bij een student1Richtlijn 93/96/EEG onder artikel 1 en artikel 2 lid 2. die zelf op grond van Richtlijn 93/96/EEG rechtmatig verblijf heeft in Nederland. + Wel worden van deze categorie als zodanig aangemerkt kinderen van 21 jaar en ouder die ten laste komen van de student en zijn echtgenote. + + + Naast een officieel document, waaruit de familierechtelijke relatie blijkt, dient een document te worden overgelegd, dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat van oorsprong of van herkomst, waarin wordt verklaard dat zij ten laste zijn van de gemeenschapsonderdaan of dat zij in dat land bij hem inwonend zijn. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.1.5. Samenwoningvereiste + +Het is niet vereist dat de hier bedoelde familieleden permanent met de rechtmatig verblijvende in de zin van Richtlijn 68/360/EEG samenwonen, mits de juridische familieband niet is verbroken en aan de overige vereisten is voldaan. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid + +##### 5.2.1. Familie- of gezinsleden die zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn + +Het familie- of gezinslid, dat zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan is, wordt in bezit gesteld van een document dat dezelfde rechten verschaft, als het document dat is afgegeven aan de gemeenschapsonderdaan van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is. Hierop worden dezelfde aantekeningen geplaatst. Voor de behandeling van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een legesbedrag van totaal € 28 verschuldigd. + De geldigheidsduur van het te verstrekken verblijfsdocument komt overeen met de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, verstrekt aan de gemeenschapsonderdaan van wie het rechtmatig verblijf van het familie- of gezinslid afhankelijk is. + +20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND01-05-2002 + +##### 5.2.2. Familie- of gezinsleden die zelf niet EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn + +Het familie- of gezinslid, dat niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan is, wordt in bezit gesteld van een document I (bijlage 7a Voorschrift Vreemdelingen) met een zelfde geldigheidsduur als het document dat is afgegeven aan de gemeenschapsonderdaan van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is. Hierop worden dezelfde aantekeningen geplaatst. Dit houdt in dat voordat het familie- of gezinslid, dat niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan is, in het bezit gesteld kan worden van het document I, de gemeenschapsonderdaan waarvan het rechtmatig verblijf afhankelijk is, eerst ook een document in zijn bezit dient te hebben. Immers, eerst aan de hand van het document van de gemeenschapsonderdaan kunnen de beperkingen voor het document van het familie- of gezinslid worden bepaald. + Op het verblijfsdocument wordt daarnaast de volgende aantekening geplaatst: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Dit houdt in dat het familie- of gezinslid, ongeacht de nationaliteit, het recht heeft om arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. + Voor de behandeling van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een legesbedrag van totaal € 28 verschuldigd. + +20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND24-05-2002 + +#### 5.3. Familie- of gezinsleden van Nederlanders + +##### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen + +Het Hof van Justitie van de EG15 heeft aanvaard dat Nederlanders, die nooit gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers binnen de EU/EER, op het gebied van gezinsherenigingbeleid in eigen land mogen worden achtergesteld bij gemeenschapsonderdanen in Nederland. + De verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de uitvoeringsregeling hiervan kunnen volgens het Hof niet worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met één van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven. + + + Nederlanders zijn weliswaar EU/EER-onderdanen, maar zij zijn in beginsel geen gemeenschapsonderdaan als hier bedoeld. Nederlanders kunnen daarom in het algemeen geen beroep doen op het gemeenschapsrecht voor verblijf van familie- of gezinsleden. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van Nederlanders zijn daarom, behoudens enkele uitzonderingen, ingevolge artikel 13 Vreemdelingenwet de regels voor verlening van een verblijfsvergunning als genoemd in B2 Vreemdelingencirculaire onverkort van toepassing. + + + Met name een verrichter van diensten, van Nederlandse nationaliteit, kan onder omstandigheden worden aangemerkt als dienstverrichter bedoeld in artikel 49 EG, als gevolg waarvan weigering van een verblijfsvergunning aan de echtgenote van die dienstverrichter – onder omstandigheden - een niet te rechtvaardigen inmenging in het familie- en gezinsleven van de dienstverrichter kan betekenen. Zie in dit verband 3.3.4. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 5.3.2. Nederlanders die gemeenschapsonderdaan zijn in hier bedoelde zin en rechten kunnen ontlenen aan het gemeenschapsrecht + +###### 5.3.2.1. Nederlanders die buiten Nederland gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer binnen de EU/EER + +Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG1HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh. kan worden afgeleid dat een lidstaat verblijf moet toestaan aan het familie- of gezinslid – ongeacht diens nationaliteit – van een eigen onderdaan die met dit familie- of gezinslid in een andere lidstaat op grond van het EG-verdrag heeft verbleven en die zich daarna weer vestigt in eigen land. Voorwaarde is wel dat de eigen onderdaan verblijf in eigen land houdt conform het EG-verdrag. + + + Dit betekent dat een Nederlander bij terugkeer in Nederland als gemeenschapsonderdaan kan worden beschouwd, wanneer hij alhier reële en daadwerkelijke arbeid verricht of als economisch niet-actieve in de zin van het EG-verdrag kan worden aangemerkt. Voor het rechtmatig verblijf van de familie- of gezinsleden die in de andere lidstaat bij hem verbleven op grond van het EG-verdrag geldt dan het gemeenschapsrecht in plaats van de regels als genoemd in B2 Vreemdelingencirculaire. Aan deze familie- of gezinsleden worden minstens dezelfde rechten toegekend als die zij krachtens het gemeenschapsrecht zouden hebben in een andere lidstaat. Deze familie- of gezinsleden worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Over de reikwijdte van het behoud van rechten krachtens het gemeenschapsrecht van de eigen onderdaan na terugkeer in het eigen land, heeft het Hof bepaald dat deze strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van werknemers. Het gaat dus om rechten krachtens het gemeenschapsrecht, waaraan reeds uitvoering is gegeven. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van de eigen onderdaan, die niet in de andere lidstaat bij hem hebben verbleven op grond van het EG-Verdrag, zijn daarom de regels als genoemd in B2 Vreemdelingencirculaire onverkort van toepassing. + + + Het recht gaat verloren, indien de Nederlander niet meer voldoet aan de beperkingen van het EG-Verdrag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 5.3.2.2. Gemeenschapsonderdanen die genaturaliseerd zijn tot Nederlander + +Volgens het Hof van Justitie EG2HvJEG, 23 februari 1994, Scholz. kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen. + + + Voor gemeenschapsonderdanen die tot Nederlander naturaliseren geldt, dat, zolang zij rechten kunnen ontlenen aan het EG-Verdrag, het gemeenschapsrecht van toepassing blijft, ongeacht of zij hun oude nationaliteit hebben verloren of behouden. Voor het rechtmatig verblijf van de familie- of gezinsleden die in de andere lidstaat bij hem verbleven op grond van het EG-Verdrag geldt dan het gemeenschapsrecht in plaats van de regels als genoemd in B2 Vreemdelingencirculaire. Aan deze familie- of gezinsleden worden minstens dezelfde rechten toegekend als die zij krachtens het gemeenschapsrecht zouden hebben in een andere Lidstaat. Deze familie- of gezinsleden worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Het recht gaat verloren, indien de Nederlander niet meer voldoet aan de beperkingen van het EG-Verdrag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.4. Het recht op voortgezet verblijf van het familie- of gezinslid + +In dit onderdeel wordt nader ingegaan op het recht op voortgezet verblijf van familie- en gezinsleden van EU/EER-onderdanen en familie- en gezinsleden van Zwitserse onderdanen. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan + +Zolang de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon in stand blijft en de hoofdpersoon als gemeenschapsonderdaan is aan te merken, is het familie- of gezinslid eveneens als zodanig aan te merken, gelijk de hoofdpersoon. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.4.2. Afhankelijk verblijfsrecht vervalt van rechtswege + +Wanneer de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon juridisch wordt verbroken, is het familielid van rechtswege niet langer gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + + + Toepassing van artikel 12 van de Verordening 1612/68 kan er, op grond van de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-413/99, Baumbast en R, heeft gegeven, echter toe leiden dat het familie- of gezinslid gemeenschapsonderdaan blijft, ondanks feitelijke of juridische verbreking van de gezinsband en ondanks het feit dat het familie- of gezinslid niet de nationaliteit van een lidstaat bezit. Zie in dat verband het gestelde in paragraaf 5.4.2.1. + + + Het aan het familie- of gezinslid afgegeven verblijfsdocument heeft zijn geldigheid verloren en dient door de korpschef te worden ingenomen, met toepassing van artikel 8.11, tweede lid, laatste zin, Vreemdelingenbesluit. De IND zal de korpschef hierover informeren. Het familie- of gezinslid wordt desgewenst in de gelegenheid gesteld om bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft een aanvraag in te dienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van een verblijfsdocument. + + + Bij familie- of gezinsleden, die zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn, dient allereerst te worden beoordeeld of zij zelfstandig verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (zie ook 5.4.3). Is dit niet het geval, dan zijn de bepalingen van het nationaal vreemdelingenrecht van toepassing. Dit geldt ook indien het nationale vreemdelingenrecht gunstiger bepalingen heeft voor voortgezet verblijf en de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan hiervoor in aanmerking wil komen. + + + Is het familie- of gezinslid zelf geen EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, dan gelden bij de juridische verbreking van de gezinsband alleen de bepalingen van het nationale vreemdelingenrecht met betrekking tot voortgezet verblijf, met uitzondering van de bijzondere regeling als genoemd in 5.4.3. + + + De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan mag, als op grond van geen enkel recht voortgezet verblijf kan worden toegestaan, alsnog gedurende een termijn van zes maanden werk zoeken (zie 3.1 voor verblijfstermijn voor werkzoekenden). Voor dat doel wordt een sticker voor verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen afgegeven. + + + De mogelijkheid om werk te zoeken vervalt, indien een meer dan aanvullend beroep wordt gedaan op de publieke middelen of wanneer diegene een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +###### 5.4.2.1. Verbreking huwelijk of geregistreerd partnerschap op grond waarvan verblijf was toegestaan + +Het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet vervalt niet bij de feitelijke verbreking van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap, maar vervalt pas van rechtswege wanneer er sprake is van een juridische verbreking (bijvoorbeeld echtscheiding, ontbinding geregistreerd partnerschap of overlijden). + Wanneer het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet is vervallen en geen verblijfsrecht kan worden ontleend aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, dient te worden getoetst of op grond van het nationaal recht voortgezet verblijf kan worden verleend. De regels vermeld in B2 Vreemdelingencirculaire zijn alsdan onverkort van toepassing. Zie artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit. Aangezien het hier geen gemeenschapsonderdanen meer betreft, kan er onverkort aan de bepalingen van het nationale recht worden getoetst + + + Indien de EU/EER-onderdaan, aan wie het afhankelijke verblijfsrecht werd ontleend, zich in een andere lidstaat heeft gevestigd, terwijl die onderdaan in Nederland heeft verbleven op grond van het gemeenschapsrecht, heeft het minderjarige kind volgens artikel 12 Verordening 1612/68/EEG het recht in Nederland te verblijven om er algemeen onderwijs te volgen. + Hetzelfde geldt indien degene aan wie het afhankelijke verblijfsrecht werd ontleend een Zwitserse onderdaan was en in Nederland verbleef op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. + Het feit dat de ouders van het kind inmiddels zijn gescheiden of dat slechts een van de ouders EU/EER-onderdaan of Zwitsers onderdaan is of dat het kind zelf geen EU/EER-onderdaan of Zwitsers onderdaan is, heeft daarop geen invloed. + + + In de situatie dat het kind vorenbedoeld verblijfsrecht bezit, staat bedoeld artikel 12 aan de ouder die het kind daadwerkelijk verzorgt, ongeacht diens nationaliteit, toe bij dat kind te verblijven om de uitoefening van dat recht te vergemakkelijken, ondanks het feit dat de ouders inmiddels zijn gescheiden of dat de andere, niet-verzorgende ouder, die de hoedanigheid van EU/EER-onderdaan bezit, in het gastland niet langer een migrerende werknemer is (zaak C-413/99 Baumbast en R). Hetzelfde geldt in geval laatstbedoelde ouder Zwitsers onderdaan is. + + + In deze gevallen ontleent de verzorgende ouder in beginsel aan het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht dat afhankelijk is van het verblijfsrecht van het betrokken kind, ook al is die ouder niet onderdaan van een lidstaat of van Zwitserland. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +###### 5.4.2.2. Kinderen die 21 jaar worden + +Het afhankelijke verblijfsrecht eindigt in beginsel van rechtswege bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, behalve indien het kind feitelijk ten laste blijft komen van de ouder van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was, bijvoorbeeld omdat het kind in Nederland studeert. Het kind behoudt in dat geval als bloedverwant in neerdalende lijn zijn afhankelijk verblijfsrecht. + + + Wanneer het kind niet meer ten laste komt van de gemeenschapsonderdaan en zelf geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, zijn de regels vermeld in B2 Vreemdelingencirculaire van toepassing. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +###### 5.4.2.3. De bloedverwanten van gemeenschapsonderdanen in opgaande en neerdalende lijn, die niet langer te zijnen of te haren laste komen + +Wanneer het familie- of gezinslid niet meer ten laste komt van de gemeenschapsonderdaan, zijn de regels vermeld in B2 Vreemdelingencirculaire van toepassing (alsdan wordt een document I op grond van nationaal recht afgegeven, indien aan de vereisten is voldaan). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.4.3. Overlijden van een (voormalig) economisch actieve gemeenschapsonderdaan + +– het overlijden van de hoofdpersoon een gevolg is van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte; of +– het familie- of gezinslid door het huwelijk met de betrokken gemeenschapsonderdaan de Nederlandse nationaliteit had verloren; of +– de hoofdpersoon op het moment van overlijden zelf verblijfsrecht ontleende aan EG-verordening 1251/70 of Richtlijn 75/34/EEG; in dat geval behoudt het familie- of gezinslid dit afgeleide recht op voortgezet verblijf op grond van het EG-Verdrag; deze gemeenschapsonderdanen kunnen echter geen toelatingsrechten ontlenen aan Richtlijn 75/34/EEG. + +### 6. Onderdanen van België en Luxemburg + +Uit de Benelux Overeenkomst, die in 1960 is afgesloten tussen België, Nederland en Luxemburg, vloeien voor onderdanen van België en Luxemburg enige uitzonderingen voort op het verblijfsrecht dat op grond van het gemeenschapsrecht ontstaat. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.1. Verblijfsdocument + +– over voldoende middelen van bestaan beschikt in de zin van de Vreemdelingenwet (zie B1 Vreemdelingencirculaire); en +– geen actuele bedreiging vormt van de openbare orde of de nationale veiligheid. + +##### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid + +Aan een Belg of Luxemburger kan een verblijfsrecht niet worden geweigerd op de enkele grond dat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid. + +20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND20027112-04-200204-04-20025143260/02/IND01-05-2002 + +##### 6.1.2. Antecedentenverklaring + +Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers die bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen, dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.2. Weigering verlenging geldigheidsduur of intrekking van het verblijfsdocument + +De weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsdocument, afgegeven aan Belg of Luxemburger, alsmede de inname daarvan of van intrekking van een afgegeven verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan niet geschieden op grond van de omstandigheid dat hij niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt. Zie artikel 8.6, tweede en vierde lid, Vreemdelingenbesluit. Dit kan slechts geschieden, indien hij een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting van een gemeenschapsonderdaan + +Artikel + 8.8 + Vreemdelingenbesluit: + + De in de artikelen 4.48, 4.49 en 4.51 omschreven verplichtingen tot aanmelding bij de korpschef gelden niet voor de gemeenschapsonderdaan en de onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. + + + + EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen zijn gehouden aan bepalingen van vreemdelingentoezicht (A3 Vreemdelingencirculaire), met uitzondering van de verplichting mededelingen te doen aan de korpschef met betrekking tot het (gaan) verrichten van arbeid en de verplichting tot aanmelding bij de korpschef binnen een bepaalde termijn na binnenkomst. + Ten aanzien van gemeenschapsonderdanen zijn de gronden tot weigering van afgifte van een verblijfsdocument of inname ervan beperkt tot de gevallen waarin geen of niet langer een verblijfsrecht kan worden ontleend aan de in artikel 8.10 Vreemdelingenbesluit genoemde verordening en richtlijnen. + De bevoegdheid tot inname van het verblijfsdocument indien het verblijfsrecht is vervallen is neergelegd in artikel 8.11, tweede lid, laatste zin, Vreemdelingenbesluit. + Voor Belgen en Luxemburgers zijn de gronden voor afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning en voor verblijfsbeëindiging neergelegd in artikel 8.6 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 8.6 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, ingediend door een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is, kan slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling: + + + a. + een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of + + + b. + niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. + + + + + 2 + De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, ingediend door de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, wordt niet afgewezen, en de verblijfsvergunning wordt niet ingetrokken, op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt. + + + 3 + In afwijking van artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij: + + + a. + een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of + + + b. + niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. + + + + + 4 + In afwijking van artikel 21 van de Wet, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, die is verleend aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, slechts worden ingetrokken op de in het derde lid, onder a, bedoelde grond. + + + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 7.1. EU/EER-onderdanen die niet in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf + +Zoals in B10/2.3 is aangegeven is de EU/EER-onderdaan niet verplicht het verblijf aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar de EU/EER-onderdaan verblijft. Evenmin is de EU/EER-onderdaan verplicht een bewijs van rechtmatig verblijf aan te vragen bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft. Het is derhalve mogelijk dat de EU/EER-onderdaan geen bewijs van rechtmatig verblijf heeft, terwijl deze toch rechtmatig verblijf heeft (gehad) als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet. + De bewijslast om dit aan te tonen ligt uitdrukkelijk bij de EU/EER-onderdaan zelf. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +#### 7.2. Gevallen waarin verblijfsbeëindiging en uitzetting aan de orde zijn + +– een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; +– lijdt aan één van de ziekten of gebreken opgenomen in de bijlage bij het Vreemdelingenbesluit, die overeenkomt met de bijlage bij de Richtlijn 64/221 EG; dit geldt niet voor onderdanen van België en Luxemburg; of +– verblijf houdt in strijd met een regeling vastgesteld krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat. + +– indien hij een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; +– bij onderbreking van het verblijf van meer dan zes opeenvolgende maanden, tenzij deze afwezigheid voortvloeit uit de vervulling van de militaire dienstplicht; +– bij onderbreking van de werkzaamheden, indien het verblijfsrecht van die werkzaamheden afhankelijk is, met dien verstande dat het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan zijnde werknemer niet uitsluitend vervalt op grond van onderbrekingen van de werkzaamheden door tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval dan wel door werkloosheid van blijvende aard; of +– indien hij verblijf houdt in strijd met een andere beperking of voorwaarde op grond van het gemeenschapsrecht. + +##### 7.2.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid + +Voor een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet gelden onverkort de regels als genoemd in B1. + + + Aan een gemeenschapsonderdaan komt geen verblijfsrecht toe ofwel het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan vervalt, indien hij een actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid vormt. + + + Gevaar voor, of inbreuk op de openbare orde, of gevaar voor de nationale veiligheid mag slechts worden aangenomen op grond van persoonlijke gedragingen van de betrokkene. Hebben deze gedragingen tot een strafrechtelijke veroordeling geleid, dan worden de aard van het vergrijp en de strafmaat in aanmerking genomen. Ook opgelegde maatregelen kunnen hier in aanmerking worden genomen. Hierbij is ook het gestelde in B1 Vreemdelingencirculaire van toepassing. + + + De vaststelling van een actuele bedreiging van de openbare orde of van de nationale veiligheid behoeft niet per se op het bestaan van een strafbaar feit te berusten. Een zodanige actuele bedreiging kan in voorkomend geval ook worden afgeleid uit het lidmaatschap van of de deelneming aan activiteiten van een organisatie, waarvan de activiteiten door een Lidstaat van de EU, EER of Zwitserse Bondsstaat als een gevaar voor de maatschappij zijn aangemerkt. + In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking. + + + Van gemeenschapsonderdanen mag niet worden verlangd dat zij bewijzen van goed gedrag, uittreksels uit het strafregister e.d. overleggen. + + + Bij de bevoegde diensten van de Staat van herkomst van de betrokken gemeenschapsonderdaan, zullen door de Minister nadere inlichtingen omtrent zijn antecedenten worden ingewonnen. Indien blijkt van eerder verblijf van de gemeenschapsonderdaan in ons land, dienen omtrent hem tevens inlichtingen te worden ingewonnen bij de korpschef van zijn vroegere woon- of verblijfplaats. + +2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)2004713-01-200409-01-2004HKUIT03-3856(AUB)15-01-2004 + +##### 7.2.2. Ziekten of gebreken die kunnen leiden tot weigering van het verblijf + +De toegang en het verblijf kan aan de gemeenschapsonderdaan worden geweigerd, indien hij lijdt aan één van de ziekten of gebreken opgenomen in de bijlage bij het Vreemdelingenbesluit. Onderdanen van België en Luxemburg zijn hiervan uitgezonderd. + In praktijk zal dit met name van belang zijn met betrekking tot EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen die verslaafd zijn aan drugs (Vreemdelingenbesluit-Bijlage). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 7.3. Hoe te handelen in de verschillende gevallen waarin uitzetting aan de orde kan komen + +##### 7.3.1. De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan of zijn familie- of gezinslid heeft niet (langer) rechtmatig verblijf + +Op EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen en hun familie- of gezinsleden, die niet (langer) rechtmatig verblijf hebben op grond van het gemeenschapsrecht of op grond van enige andere regel, zijn de algemene regels met betrekking tot het vertrek en de uitzetting van toepassing. Dat is artikel 61 t/m 65 Vreemdelingenwet. + + + Daarbij is van belang dat de korpschef, indien er ook maar enige aanleiding tot twijfel bestaat of hij met een gemeenschapsonderdaan van doen heeft, een bijzondere aanwijzing aan de Minister dient te vragen. + + + Er dient rekening mee te worden gehouden dat op de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die niet (langer) rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet en op de leden van zijn gezin, toch nog het Europees Vestigingsverdrag (zie B11 Vreemdelingencirculaire) van toepassing kan zijn. Op grond van genoemd Verdrag, worden aan de onderdanen van de erbij betrokken Partijen enige bijzondere rechtswaarborgen toegekend, ondermeer bij voorgenomen uitzetting. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 7.3.2. De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan of zijn familie- of gezinslid heeft rechtmatig verblijf in de zin van + +Een gemeenschapsonderdaan kan slechts worden uitgezet door de Minister (artikel 63, tweede lid, Vreemdelingenwet). Hierbij dienen echter wel de rechtswaarborgen van artikel 1.5 en 8.13 Vreemdelingenbesluit in acht te worden genomen. + + + + + Artikel + 1.5 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Onze Minister wint omtrent een te nemen beslissing op bezwaar of administratief beroep advies in van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, die optreedt als commissie in de zin van artikel 7:13 onderscheidenlijk artikel 7:19 van de Algemene wet bestuursrecht, indien bij de bestreden beschikking de toegang tot Nederland aan een gemeenschapsonderdaan wordt geweigerd, dan wel wordt vastgesteld dat een gemeenschapsonderdaan geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet toekomt, dan wel dat dit is geëindigd, op grond van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid als bedoeld in richtlijn (EG) nr. 64/221 van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PbEG 1964, 056). + + + 2 + De Adviescommissie voor vreemdelingenzaken adviseert binnen acht weken, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt. + + + + + + + Artikel + 8.13 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Uitzetting van een gemeenschapsonderdaan blijft achterwege zolang niet is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of dat zijn verblijfsrecht is vervallen. + + + 2 + De vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel zijn gezinslid en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt, dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, wordt niet uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. + + + 3 + Uitzetting van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling blijft achterwege zolang niet is beslist op een tijdig ingediend bezwaar tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid. + + + 4 + Van het tweede en derde lid kan in dringende gevallen worden afgeweken. + + + + + Het horen van (gewezen) gemeenschapsonderdanen in bezwaar door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken is alleen verplicht in gevallen waarin de toegang wordt geweigerd of het verblijfsrecht wordt ontzegd op grond van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. Indien op andere gronden de toegang of het verblijfsrecht wordt ontzegd, geschiedt het horen in bezwaar, indien dat horen gelet op artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht is aangewezen, door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +### 8. Overgangsrecht voor onderdanen van Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, en hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit + +Het vrije verkeer van personen van het gemeenschapsrecht is met ingang van 1 mei 2004 volledig van toepassing, echter met uitzondering van de toegang tot de arbeidsmarkt. Deze uitzondering geldt voor de onderdanen van Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, en hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit. + + + N.B. voor onderdanen van Cyprus en Malta, en hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit, geldt die uitzondering niet en zijn alle voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk, voorzover relevant, integraal van toepassing. + + + De huidige lidstaten kunnen de toegang tot de arbeidsmarkt blijven reguleren door middel van nationale maatregelen. Nederland maakt van die mogelijkheid gebruik. + + + Ingevolge de betreffende Akten van toetreding zijn de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening 1612/68/EEG niet van toepassing en geldt de volgende overgangsregeling vooralsnog tot 1 mei 2006. Deze overgangsregeling kan worden verlengd tot uiterlijk 1 mei 2011. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 8.1. Werkzoekenden + +Voor onderdanen van Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië geldt dat zij – evenals alle andere onderdanen van de lidstaten – een vrije termijn van zes maanden hebben, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder d, Vreemdelingenbesluit. Weliswaar geldt dat zij gedurende die termijn werk mogen zoeken op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar hun potentiële werkgever is niet vrij om hen zonder meer tewerk te stellen. + Ingevolge artikel 2, eerst lid, Wet arbeid vreemdelingen is het immers een werkgever als regel verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De uitzondering op dit verbod, van artikel 3, eerste lid, onder a, Wet arbeid vreemdelingen, welke uitzondering voor het grootste deel betrekking heeft op onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, is op de onderhavige categorie onderdanen niet van toepassing. Zodra de tewerkstellingsvergunning is verleend, wordt het hierna onder 8.2 vermelde inzake werknemers op bedoelde onderdanen van toepassing. + + + In verband met de regulering van de toegang van de arbeidsmarkt wordt aan bedoelde onderdanen, ten bewijze van hun verblijfsrecht gedurende de vrije termijn, desgevraagd, een sticker ‘Verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen’ verstrekt, waarop wordt aangetekend: ‘arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Artikel 3.2a Voorschrift Vreemdelingen is van toepassing. + Dit geschiedt ook indien meerbedoelde onderdanen geen werk zoeken op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar verblijf beogen voor een ander doel, zoals arbeid als zelfstandige, studie, het verrichten van diensten of het ontvangen daarvan, gepensioneerde, blijvend arbeidsongeschikte of economisch niet-actieve. Zie in dit verband ook 8.4. + In alle gevallen wordt tevens de aantekening geplaatst: ‘een (meer dan aanvullend) beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht'. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 8.2. Werknemers + +a. Voor onderdanen van een toetredende lidstaat, die op 1 mei 2004 legaal in Nederland werkten en wier toelating tot de Nederlandse arbeidsmarkt voor een onafgebroken periode van 12 maanden of meer gold, geldt dat zij toegang hebben tot de (Nederlandse) arbeidsmarkt, maar niet tot de arbeidsmarkt van andere lidstaten, die nationale maatregelen toepassen. + +Dit geldt zowel voor degenen die op 1 mei 2004 de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt hadden op basis van een tewerkstellingsvergunning, als degenen die deze toegang hadden louter op grond van de omstandigheid dat zij op hun verblijfsdocument de arbeidsmarktaantekening hadden: ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’, dan wel ‘arbeid toegestaan mits TWV’, of ‘specifieke arbeid toegestaan met TWV’. + +Zij komen op hun daartoe strekkende aanvraag en het tonen van het bewijs van vorenbedoelde toelating, als regel in aanmerking voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER met een geldigheidsduur van vijf jaren, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 68/360/EEG. Artikel 3.2, eerste lid, onder c, Voorschrift Vreemdelingen is van toepassing. Daarop wordt de arbeidsmarktaantekening geplaatst die luidt: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’. + +Illegale vreemdelingen, die onderdaan zijn van een van bedoelde acht toetredende lidstaten, kunnen aan vorenstaande overgangsbepaling geen verblijfsaanspraken ontlenen. Op hen is het hierna onder (b) gestelde van toepassing, indien aan hun werkgever ten behoeve van de door hen te verrichten werkzaamheden alsnog een tewerkstellingsvergunning is verleend. +b. Onderdanen van een toetredende lidstaat, die na 1 mei 2004 gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten, genieten dezelfde rechten, als bedoeld onder (a), eerste zin. + +Deze onderdanen kunnen, na verlening van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de door hen te verrichten arbeid in loondienst met een duur van tenminste 12 maanden of verlening van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van tenminste 12 maanden, voorzien van een van de arbeidsmarktaantekeningen als onder (a) bedoeld, op hun daartoe strekkende aanvraag en het tonen van bewijs van de vereiste toelating, in aanmerking komen voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER met een geldigheidsduur van vijf jaren, waarop de arbeidsmarktaantekening wordt geplaatst die luidt: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning alleen gedurende eerste 12 maanden vereist’. Daarmee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 68/360/EEG. +c. De hierboven onder (a) en (b) bedoelde onderdanen verliezen de aldaar vermelde rechten indien zij de arbeidsmarkt van de betrokken huidige lidstaat vrijwillig verlaten. + +Daaronder wordt niet slechts verstaan vertrek naar een ander land, maar ook het zich niet langer ter beschikking stellen van de Nederlandse arbeidsmarkt. + +Indien zij echter in Nederland economische activiteiten verrichten, anders dan in loondienst, of dienstenontvanger zijn, zijn andere regels van gemeenschapsrecht van toepassing. Indien zij echter wederom arbeid in loondienst gaan verrichten, is het onder b gestelde opnieuw op hen van toepassing, zolang Nederland bedoelde nationale maatregel handhaaft. +d. Onderdanen van een toetredende lidstaat, die op of na 1 mei 2004 of gedurende een periode waarin de nationale maatregelen werden toegepast, legaal werkten, en die tot de Nederlandse arbeidsmarkt waren toegelaten voor minder dan 12 maanden, genieten deze rechten niet. + +Voor hen geldt daarom het hierboven onder (a) en (b) gestelde niet. Omdat met het oog op de door hen te verrichten werkzaamheden aan hun werkgever een tewerkstellingsvergunning is afgegeven voor minder dan 12 maanden, kan aan deze onderdanen op hun daartoe strekkende aanvraag een verblijfsdocument I worden afgegeven, voor de te verwachten duur van de arbeid (i.e. de tewerkstellingsvergunning), met als arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Daarmee wordt, voor wat betreft het af te geven verblijfsdocument en de geldigheidsduur ervan, aangesloten bij artikel 6, derde lid, Richtlijn 68/360/EEG. + +Indien echter in deze gevallen alsnog een tewerkstellingsvergunning wordt afgegeven voor tenminste 12 maanden, wordt daarmee het onder (b) gestelde van toepassing. + +#### 8.3. Gezinsleden van werknemers + +a. Uitsluitend de echtgenote, dan wel geregistreerde partner, en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn, die op 1 mei 2004 met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben vanaf de toetreding onmiddellijk toegang tot de arbeidsmarkt. Dit geldt niet voor de leden van het gezin van de werknemer die legaal tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is toegelaten voor een periode van minder dan 12 maanden. + +Indien aan de werknemer een verblijfsdocument EU/EER wordt verstrekt met toepassing van het onder 8.2 onder (a) gestelde, wordt aan daarvoor in aanmerking komende gezinsleden op hun daartoe strekkende aanvraag een verblijfsdocument EU/EER verstrekt, met een zelfde geldigheid als het verblijfsdocument EU/EER van de werknemer, waaronder begrepen dezelfde arbeidsmarktaantekening, namelijk: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’. + +Onder legaal verblijf in vorenbedoelde zin wordt in dit verband verstaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met d, of l, Vreemdelingenwet. + +Indien het gezinslid niet de nationaliteit van een (huidige of nieuwe) lidstaat bezit, wordt op overeenkomstige wijze een verblijfsdocument I afgegeven, met een zelfde geldigheid en waarop dezelfde arbeidsmarktaantekening wordt geplaatst, namelijk: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’. + +Daarmee wordt aangesloten bij artikel 4, vierde lid, Richtlijn 68/360/EEG. Aanvragen van andere gezinsleden dan de hier bedoelde gezinsleden dan wel van familieleden worden op zelfstandige gronden beoordeeld. +b. De echtgenote, dan wel geregistreerde partner, en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of te hunnen laste zijn, die vanaf een datum na 1 mei 2004 met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat nadat zij gedurende tenminste achttien maanden in die lidstaat hebben verbleven of, indien dit eerder is, vanaf 1 mei 2006. Daarvoor geldt hetgeen hierna onder (c) is vermeld. +c. De bepalingen, onder (a) en (b) vermeld, doen geen afbreuk aan gunstiger nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen. + +Aan de gezinsleden, onder (b) vermeld, die de werknemer vergezellen of nareizen, wordt op hun daartoe strekkende aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht een verblijfsdocument EU/EER afgegeven, voorzover zij de nationaliteit van een lidstaat bezitten dan wel een verblijfsdocument I, indien zij die niet bezitten. + +Op grond van het gunstiger Nederlandse nationale recht inzake gezinshereniging verkrijgen de gezinsleden van de werknemer niet pas na achttien maanden verblijf dezelfde arbeidsmarktaantekening als de werknemer van wie het verblijf afhankelijk is, maar dadelijk. + +Vanzelfsprekend wordt op de stickers verblijfsaantekeningen dan wel verblijfsdocumenten, af te geven aan de gezinsleden die de nationaliteit van een der huidige lidstaten bezitten, dan wel van Cyprus of Malta, de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’. + +#### 8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst + +Aan de vreemdeling, die voor een ander doel dan het zoeken of verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft (zelfstandige, dienstenverlener, dienstenontvanger, gepensioneerde, blijvend arbeidsongeschikte, economisch niet-actieve en student), wordt door Nederland geen vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt verleend, zolang Nederland als nationale maatregel de tewerkstellingsvergunningplicht handhaaft. + + + De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een tewerkstellingsvergunning te beschikken. + + + In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. + + + Op het verblijfsdocument van de gezins- of familieleden wordt in beginsel dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het document van de vreemdeling van wie hun verblijfsrecht afhankelijk is. Dat geldt ook voor wat betreft de aantekeningen inzake beroep op de publieke middelen. + + + Pas indien (na 1 mei 2004) een tewerkstellingsvergunning is verleend ter zake van de door de vreemdeling te verrichten werkzaamheden, wordt vervolgens op aanvraag een nieuw verblijfsdocument I dan wel EU/EER afgegeven, met toepassing van paragraaf 8.2 sub b, voor zover sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, anders dan marginaal en bijkomstig van aard, en voor zover de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur van tenminste 12 maanden. + + + *Arbeid van bijkomende aard* + + + Voor wat betreft studenten, die in Nederland verblijven op grond van Richtlijn 93/96/EEG, en die derhalve geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan één der andere bepalingen van het gemeenschapsrecht, geldt het volgende. + Indien zij arbeid (willen gaan) verrichten in het kader van een stage als verplicht onderdeel van de opleiding, of arbeid van niet meer dan tien uren per week dan wel seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus, is het gestelde in paragraaf B6/1 van overeenkomstige toepassing. + Daarbij wordt voorts verwezen naar de paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen, inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (opgenomen in deel D2, onderdeel 2, van de Vreemdelingencirculaire). + Ook in de daar omschreven gevallen, van door een student te verrichten arbeid, is een tewerkstellingsvergunning vereist, ook al wordt die arbeid aangemerkt als zijnde van bijkomende aard. + +200417614-09-200401-09-2004200417614-09-200401-09-200416-09-2004 + +#### 8.5. Leges + +De in voorgaande subparagrafen bedoelde onderdanen en hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, worden desgewenst in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daarmee corresponderende verblijfsdocument, terzake waarvan op grond van de Richtlijnen en artikel 3.34, derde lid, Voorschrift Vreemdelingen een lager bedrag aan leges is verschuldigd, dan terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 8.6. Onderdanen van toetredende lidstaten, dan wel hun gezins- en familieleden die niet voor afgifte van een verblijfsdocument op basis van gemeenschapsrecht in aanmerking komen + +Indien de in 8.5 bedoelde onderdanen dan wel gezinsleden niet voor afgifte van een verblijfsdocument in aanmerking komen in het kader van subparagraaf 8.2 tot en met 8.4, noch in het kader van een der voorafgaande paragrafen van dit hoofdstuk, omdat zij geen verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontlenen, staat het hen vanzelfsprekend vrij om een aanvraag in te dienen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen, verband houdende met een door hen aan te geven verblijfsdoel. Zij dienen daarbij in beginsel een keuze te maken uit de verblijfsdoelen, omschreven in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit. Daarbij is het gestelde in paragrafen B1/4.1.1.8 en 4.1.1.9 van toepassing, alsmede het gestelde in de desbetreffende materiehoofdstukken, afhankelijk van het aangegeven verblijfsdoel. + Terzake van de afdoening van deze aanvragen leiden de legesbepalingen van de artikelen 3.34 en 3.34a Voorschrift Vreemdelingen tot hogere legesverplichtingen. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 8.7. Verblijf voor het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden + +Terzake van het verrichten van arbeid in loondienst, geheel of ten dele bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden, geldt dat ingevolge artikel 2 Wet arbeid vreemdelingen, in samenhang met artikel 3 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, een verbod op tewerkstelling doordat een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd. Zolang dit geldt, wordt terzake van het door onderdanen van bedoelde acht toetredende lidstaten verrichten van zodanige werkzaamheden geen verblijfsdocument EU/EER afgegeven. + Met betrekking tot het verrichten van dergelijke arbeid, anders dan in loondienst, gelden de regels van paragraaf 3.3.3. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +## B11. Verdragen + +Artikel + 8.15 + Vreemdelingenbesluit: + + Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen: + + + a. + het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20); + + + b. + het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88); + + + c. + het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42); + + + d. + de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB EG 1964, L 217) en het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije; + + + e. + het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279); + + + f. + het Nederlands-Zwitsers Tractaat (Stb. 1878, nr. 137); + + + g. + het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40); + + + h. + de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133); + + + i. + de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35), en + + + j. + de Associatieverdragen EG met Hongarije (PbEG 1993, L 347), Polen (PbEG 1993, L 348), Roemenië (PbEG 1994, L 357), Bulgarije (PbEG 1994, L 358), Slowakije (PbEG 1994, L 359) en Tsjechië (PbEG 1994 L 360). + + + + +200213823-07-200217-07-20025144593/02/IND200213823-07-200217-07-20025144593/02/IND25-07-2002 + +### 1. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) + +Voor artikel 8 EVRM zie B2; voor artikel 3 EVRM zie C en B8. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 2. Overeenkomst EEG-Turkije Associatiebesluit 1/80 + +Op verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde van een Turkse werknemer die verblijfsrecht geniet op grond van het Associatiebesluit 1/80 is het openbare-orde-criterium van het gemeenschapsrecht van toepassing: actuele bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid (B10/7.2.1). Het openbare-orde-criterium van ‘actuele bedreiging’ ziet alleen op Turkse werknemers en niet op Turkse zelfstandigen. + +#### 2.1. Belang voortgezet verblijf + +Genoemd Associatiebesluit is slechts van belang voor Turkse werknemers aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst, alsmede Turkse onderdanen aan wie een verblijfsvergunning is verleend in het kader van gezinsvorming dan wel gezinshereniging en die na verbreking van de gezinsband niet op grond van andere regels voor voortgezet verblijf in aanmerking komen. + + + + + Artikel + 6 + van het Associatiebesluit 1/80: + + + 1 + Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lidstaat behoort: + + + – + na een jaar legale arbeid in die Lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft; + + + – + na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lidstaat; + + + – + na vier jaar legale arbeid, in die Lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze. + + + + + 2 + Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid. + + + 3 + De wijze van toepassing van de leden 1 en 2 wordt geregeld in de nationale voorschriften. + + + + + Het artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 geeft aanspraak op het mogen verrichten van arbeid in loondienst en daarmee ook op verblijf. + + + Ingevolge dit artikel geldt dat een jaar moet zijn gewerkt en dezelfde werkgever nog eens voor ten minste een jaar werk moet hebben voor de betrokkene. Werk bij verschillende werkgevers valt hier niet onder. Meerdere tijdelijke contracten bij dezelfde werkgever wel. + +200320321-10-200325-09-2003HKUIT03-4346(AUB)200320321-10-200325-09-2003HKUIT03-4346(AUB)23-10-2003 + +##### 2.1.1. Voortgezet verblijf + +1. de Turkse werknemer reeds één jaar bij de werkgever heeft gewerkt; +2. dezelfde werkgever nog voor één jaar werkgelegenheid heeft voor de Turkse werknemer; en +3. gedurende deze jaren hetzelfde beroep wordt uitgeoefend. + +##### 2.1.2. Beperking + +Voorzover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij … (naam werkgever) o.g.v. Turks Ass. Verdrag.’ + Een reeds aan de vergunning verbonden beperking ‘verrichten van arbeid in loondienst’ wordt bij verlenging gehandhaafd en voorzien van dezelfde aanvulling. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.3. Arbeidsmarktaantekening + +Voor Turkse onderdanen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten en voldoen aan de in B11/2.1.1 genoemde voorwaarden, geldt in het tweede en derde jaar als arbeidsmarktaantekening: ‘Specifieke arbeid toegestaan; TWV niet vereist.’ + Voor alle overige gevallen geldt in het tweede en derde jaar als arbeidsmarktaantekening: ‘Specifieke arbeid toegestaan; TWV vereist.’ + Na drie jaar legale arbeid geldt de algemene regel dat de betrokkene vrij is op de arbeidsmarkt, derhalve een jaar eerder dan artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 voorschrijft (zie ook B5/3.2.2). Die gunstigere regeling gaat dan voor. Dan wordt als arbeidsmarktaantekening opgenomen: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +##### 2.1.4. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een meer dan aanvullend beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.5. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + (...) + + + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.2. Berekening termijnen + +Als tijdvakken van arbeid tellen niet mee door de bevoegde autoriteiten naar behoren geconstateerde onvrijwillige werkloosheid. Dit betekent niet dat reeds opgebouwde rechten van het voorgaande tijdvak van arbeid verloren gaan. Worden de werkzaamheden weer hervat, dan beginnen de termijnen te lopen vanaf het tijdstip dat de werkzaamheden zijn gestaakt. + + + Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten worden wel meegeteld als tijdvakken van legale arbeid. + + + Een periode van vrijwillige werkloosheid is geen tijdvak van legale arbeid. In geval van vrijwillige werkloosheid gaan reeds opgebouwde rechten verloren. In het geval van hervatting van werkzaamheden beginnen de termijnen voor de opbouw van rechten van voor af aan te lopen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.3. Gezinsleden + +Een Turkse onderdaan behoort tot de legale arbeidsmarkt indien: + +– er een arbeidsverhouding is; en +– de arbeidsverhouding plaats vindt op het grondgebied van de lidstaat of er voldoende aanknopingspunten mee heeft. + +ad a. Er is sprake van een arbeidsverhouding wanneer een persoon gedurende enige tijd voor een ander en onder diens gezag een reële en daadwerkelijke economische activiteit verricht waarvoor hij als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Ook werknemers in een door de overheid gesubsidieerde werkverschaffingmaatregel met een sociaal doel behoren tot de legale arbeidsmarkt. Een aanvullende uitkering uit de openbare kas is voor iemand die tot de legale arbeidsmarkt behoort niet van invloed, zolang vaststaat dat de betrokken persoon reële en daadwerkelijke arbeid verricht, anders dan bijkomstig en marginaal van aard. Om te bepalen of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid spelen de volgende factoren een rol: + +– het merendeel van de inkomsten, waarmee wordt bedoeld meer dan 50% van de bijstandsnorm voor de betreffende categorie, wordt verkregen uit arbeid; +– ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt; wat gebruikelijk is hangt af van de sector waarin de werkzaamheden worden verricht; of +– duur en regelmaat van de werkzaamheden; verwezen wordt naar jurisprudentie betrekking hebbende op het vrije verkeer van werknemers onder het EG-verdrag. + +ad b. Om te bepalen of de arbeidsverhouding voldoende aanknopingspunten heeft met de lidstaat kan worden gekeken naar de plaats waar de werknemer is geworven, het recht dat op de arbeidsverhouding van toepassing is en het grondgebied van waaruit de werkzaamheden worden verricht. + +##### 2.3.1. Praktisch belang + +Gezinsleden kunnen, net als de hoofdpersoon bedoeld in 2.1, geen aanspraak op eerste verblijf ontlenen aan het Associatiebesluit. + De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming verschaffen de gezinsleden al meteen het recht om te werken en gaan verder dan waartoe het Associatiebesluit 1/80 verplicht. Zie B2. + Wanneer verlies van de afhankelijke verblijfstitel optreedt wegens verbreking van de gezinsband, is men geen gezinslid meer in de zin van het Associatiebesluit van de werknemer en kan men geen aanspraak op arbeid en verblijf meer ontlenen als bedoeld artikel 7. + + + Uitzondering: kinderen van Turkse werknemers die in het gastland (Nederland) een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt. Wanneer een zodanige reactie leidt tot het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid, anders dan louter marginaal en bijkomstig van aard, hebben zij ook recht op (voortgezet) verblijf. + + + Kinderen van Turkse werknemers aan wie een verblijfsvergunning is verleend in het kader van gezinshereniging hebben na één jaar aanspraak op voortgezet verblijf, op grond waarvan toegang tot de arbeidsmarkt wordt verleend. Zie B2. Zie ook artikel 3.50, eerste lid, Vreemdelingenbesluit. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.3.2. Legale arbeid + +Onder legale arbeid wordt hier verstaan: arbeid in loondienst die uit hoofde van een verleende verblijfsvergunning is toegestaan, althans uit hoofde van een verleende tewerkstellingsvergunning. + Een werknemer die tot de legale arbeidsmarkt behoort, is hier een werknemer aan wie het uit hoofde van zijn verblijfsvergunning is toegestaan hier te lande te werken. + In aanvulling op het vorenstaande geldt tevens dat een Turkse werknemer legale arbeid verricht wanneer zijn situatie op de arbeidsmarkt stabiel is en niet slechts van voorlopige aard. + + + Om vast te stellen of iemand tot de legale arbeidsmarkt behoort, moet worden nagegaan of iemand een arbeidsverhouding heeft. Arbeidsverhouding wil op deze plaats zeggen dat gedurende enige tijd voor een ander en onder diens gezag een reële en daadwerkelijke economische activiteit wordt verricht, waarvoor als tegenprestatie een bezoldiging wordt ontvangen. + Vereist is voorts dat die arbeidsverhouding rechtens op het grondgebied van de lidstaat kan worden gelokaliseerd dan wel er voldoende aanknopingspunten mee heeft. + Dat laatste is van belang voor internationale chauffeurs en zeelieden. + Ook personen die in het kader van een werkverschaffingmaatregel werken, behoren tot de legale arbeidsmarkt, tenzij het werken alleen dient ter genezing of vaststaat dat betrokkene nooit in staat zal zijn ‘echt’ te werken. + + + Ontvangst van een aanvullende uitkering uit de openbare kas is voor iemand die tot de legale arbeidsmarkt behoort niet van invloed zolang vast staat dat de betrokken persoon reële en daadwerkelijke arbeid verricht, anders dan bijkomstig en marginaal van aard. + + + Verwezen zij hier naar de jurisprudentie die geldt voor onderdanen van de Europese Unie en Europese Economische Ruimte. + + + Indien de vreemdeling binnen drie jaar onvrijwillig werkloos of arbeidsongeschikt wordt of de arbeidsovereenkomst op een andere grond wordt beëindigd, heeft hij geen recht op voortgezet verblijf. + Indien zulks zich voor doet in het vierde jaar, kan hij evenmin recht op voortgezet verblijf ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80. + + + Een en ander behoudens aanspraken op voortgezet verblijf op grond van het Europees Vestigingsverdrag (zie onder 3) en het Europees verdrag inzake medische en sociale bijstand (zie onder 8). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.4. Turkse werknemers, werkzaam in het internationaal verkeer + +– er sprake is van voortzetting van de arbeid; dit betekent dat men geen recht op verblijf heeft indien betrokkene de arbeidsmarkt bijvoorbeeld door een blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid definitief heeft verlaten; +– er sprake is van een arbeidsverhouding van betrokkene die voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van Nederland heeft. + +##### 2.4.1. Chauffeurs + +Turkse chauffeurs in dienst van een Nederlandse transportonderneming behoeven het eerste jaar van hun werkzaamheden niet in bezit te zijn van een verblijfsvergunning. Vaak reizen zij in bezit van een visum. Na één jaar *legale arbeid* – al dan niet in het bezit van een verblijfsvergunning – vloeit hun verblijfsrecht rechtstreeks voort uit het Associatiebesluit 1/80. Onder legale arbeid wordt hier verstaan arbeid als chauffeur ter zake waarvan een tewerkstellingsvergunning is verleend. + + + Na één jaar legale arbeid wordt er niet getoetst aan prioriteit genietend aanbod, wanneer de werknemer bij dezelfde werkgever blijft werken. + + + Na drie jaar legale arbeid mag een Turkse werknemer een andere werkgever zoeken in dezelfde branche (een chauffeur mag bij een andere transportonderneming gaan werken). + Aangezien hij drie jaar werkzaam is in bezit van een tewerkstellingsvergunning, wordt er in dat geval ook niet getoetst aan prioriteit genietend aanbod. + + + Op grond van het Associatiebesluit 1/80 is hij na vier jaar legale arbeid volledig vrij op de Nederlandse arbeidsmarkt. + Na drie jaar legale arbeid geldt overigens de algemene regel dat de betrokkene vrij is op de arbeidsmarkt, derhalve een jaar eerder dan artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 voorschrijft. Zie B5/3.2.2. In dat geval gaat de algemene regel van het nationale recht voor, omdat die voor de vreemdeling gunstiger is. + + + Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd door Turkse werknemers wordt verwezen naar B1. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.5. Zelfstandigen + +Een Turkse onderdaan, die in Nederland verblijf wenst in het kader van arbeid als zelfstandige, dient te voldoen aan de in B5/9 neergelegde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde dat nog niet de leeftijd van 60 jaar is bereikt (zie B5/9 onder b). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 3. Het Europees Vestigingsverdrag + +Het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20) met Protocol, goedgekeurd bij de wet van 28 oktober 1959 (Stb. 395) en voor Nederland in werking getreden op 21 mei 1969, voorziet in het toekennen van bepaalde voorrechten aan de onderdanen van landen die bij dit Verdrag Partij zijn. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.1. Belang + +– België; +– Denemarken; +– Duitsland; +– Griekenland; +– Ierland; +– Italië; +– Luxemburg; +– Noorwegen; +– Turkije; +– het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; en +– Zweden. + +#### 3.2. Waarborgen + +##### 3.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf + +Behoudens in gevallen dat dwingende overwegingen van nationale veiligheid zich daartegen verzetten, wordt een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij een bevoegde autoriteit of persoon of één of meer speciaal door de bevoegde autoriteiten aangewezen personen. + + + Voor de bovenbedoelde categorie vreemdelingen die voldoen aan de eis van twee jaren rechtmatig wonen, gelden de volgende afwijkingen van het algemeen geldende vreemdelingenrecht. + + + Wanneer de vreemdeling verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvraagt, mag hij niet worden uitgezet zolang hierop geen beslissing is gegeven. + + + Het verbod tot uitzetting geldt ook wanneer de vreemdeling niet tijdig, dat wil zeggen niet uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, om verlenging ervan heeft gevraagd. + In het geval dat de vreemdeling de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft laten verstrijken zonder een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan in te dienen, kan hij deze bescherming niet inroepen. + + + Wanneer het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is beëindigd, mag hij niet worden uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. Zie artikel 62 en 73 Vreemdelingenwet. + + + Wanneer de vreemdeling tijdig bezwaar maakt of administratief beroep instelt, blijft uitzetting achterwege. + Wanneer de Minister overweegt het bezwaar of administratief beroep ongegrond te verklaren, moet de vreemdeling worden gehoord. + De vreemdeling krijgt dan de gelegenheid zijn belangen te bepleiten bij een bevoegde autoriteit of een of meer door die autoriteit aangewezen personen en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen. + + + Wanneer dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen, gelden de vorenvermelde speciale waarborgen *niet.* + In dat geval behoeft aan de vreemdeling geen termijn van vier weken te worden gegund. De vreemdeling kan hangende de beslissing op zijn aanvraag of op zijn bezwaar of administratief beroep worden uitgezet en hij behoeft niet gehoord te worden. + + + Het begrip ‘Dwingende overwegingen van nationale veiligheid’ is niet hetzelfde als bezwaren uit hoofde van de openbare orde (strafbare feiten). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf + +Ingevolge het derde lid van artikel 3 van het Verdrag kunnen onderdanen van een Verdragsluitende Partij, die rechtmatig langer dan tien jaar op het grondgebied van enige andere Partij wonen, slechts worden verwijderd om redenen van nationale veiligheid dan wel openbare orde of goede zeden van bijzonder ernstige aard. + + + Deze bepaling is niet vertaald in het Vreemdelingenbesluit, maar de algemene regeling van artikel 3.86 en 3.87 Vreemdelingenbesluit geeft – materieel inhoudelijk bekeken – een rechtsbescherming die ten minste even sterk is als de rechtsbescherming die voortvloeit uit het Verdrag. + + + Bij beantwoording van de vraag of de redenen voor verwijdering van bijzonder ernstige aard in de zin van het Verdrag zijn, dient het gedrag van de betrokken persoon gedurende de hele periode van verblijf in aanmerking te worden genomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met familiebanden en de duur van het verblijf van de betrokken persoon op het Nederlands grondgebied. + + + Zulks is niet meer dan al geldt ingevolge de algemene regels inzake verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde. Zie ook B1. In geval sprake is van rechtmatig verblijf van ten minste tien jaar in de zin van het Verdrag, wordt overeenkomstig de glijdende schaal, bij een strafmaat van meer dan 60 maanden overgegaan tot verblijfsbeëindiging (en ongewenstverklaring). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.2.3. Rechtmatig wonen + +Onder ‘rechtmatig op het grondgebied wonen’ wordt verstaan het hoofdverblijf in Nederland hebben tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a t/m e, of onder l, Vreemdelingenwet. + Verblijf gedurende de vrije termijn (artikel 8, aanhef en onder i, in samenhang met artikel 12 Vreemdelingenwet en artikel 3.3 Vreemdelingenbesluit) telt dus voor de berekening van de twee- of tienjarentermijn niet mee. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.3. Aantekening in de identiteitspapieren + +Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij artikel 4.29 en 4.34 Vreemdelingenbesluit te worden gesteld. + + + + + Artikel + 4.29 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent: + + + a. + aanmelding of vervoeging bij een korpschef; + + + b. + de woon- of verblijfplaats binnen Nederland en vertrek naar het buitenland; + + + c. + het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; + + + d. + het verlenen of het intrekken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; + + + e. + het opleggen van een individuele verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van de Wet; + + + f. + het beperken van de vrijheid van beweging overeenkomstig artikel 56 van de Wet; + + + g. + vertrek of uitzetting uit Nederland, en + + + h. + ongewenstverklaring. + + + + + 2 + Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld, indien: + + + + a. + het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige aantekening leent; + + + b. + de vreemdeling houder is van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort; + + + c. + de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Wet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 20 van de Wet heeft ingediend en, naar het oordeel van de korpschef, termen aanwezig zijn de aanvraag af te wijzen; + + + d. + de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of + + + e. + de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder a, b of c, en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. + + + + + + + + Artikel + 4.34 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aantekeningen, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder g, betreffen: + + + a. + een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig artikel 62 van de Wet een termijn is gegund waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten; + + + b. + een aantekening waaruit blijkt tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft ingevolge artikel 64 van de Wet; + + + c. + een aantekening waaruit de datum van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting achterwege blijft hangende een beslissing op een door de vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de aantekening, bedoeld onder a; + + + d. + een aantekening omtrent uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. + + + + + 2 + Bij een aantekening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is toegestaan. + + + 3 + De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt. + + + +200422419-11-200411-11-2004200422419-11-200411-11-200421-11-2004 + +### 4. Nederlands-Duits Vestigingsverdrag + +#### 4.1. Belang + +Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.2. Inleiding + +Op 17 december 1904 is het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279) in werking getreden. + + + Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag voorziet in de mogelijkheid van vrije vestiging van wederzijdse onderdanen in de beide verdragstaten. + + + Dit verdrag heeft met name betekenis voor Duitse onderdanen die niet zijn aan te merken als gemeenschapsonderdanen, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, omdat indien zij niet gerechtigd zijn hier te lande te verblijven op grond van het gemeenschapsrecht, zij geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet hebben. + + + Met name is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen. + + + Overigens heeft verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag niet tot gevolg dat betrokkene rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet verkrijgt. + + + Ingevolge het Verdrag wordt in geval van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet tegengeworpen dat niet aan de beperking wordt voldaan, mits betrokkene beschikt over voldoende middelen van bestaan. + Met andere woorden: zolang men over voldoende middelen van bestaan beschikt, wordt (voortgezet) verblijf toegestaan. Uiteraard behoudens bezwaren uit hoofde van de openbare orde. Zie onder 4.4. + + + Voor de regels met betrekking tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar artikel 21 t/m 27 Vreemdelingenwet, hoofdstuk 3, afdeling 3 van het Vreemdelingenbesluit en B1 Vreemdelingencirculaire. + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +##### 4.2.1. Beperking + +De vergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.2. Arbeidsmarktaantekening + +Omdat Duitsers onderdanen zijn van de Europese Unie hebben zij vrije toegang tot de arbeidsmarkt. + Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.3. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.4. Bevoegdheid + +De korpschef is met inachtneming van artikel 3.10 t/m 3.14 Voorschrift Vreemdelingen bevoegd tot het inwilligen en afwijzen van de aanvraag om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tot het intrekken van de verblijfsvergunning, alsmede tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag en om een herhaalde afvraag af te wijzen. + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +#### 4.3. Toelichting + +##### 4.3.1. Middelen van bestaan + +Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Wet werk en bijstand. + De bron waaruit de middelen komen (erfenis, pensioen, vermogen) is niet van belang, mits daadwerkelijk over de middelen wordt beschikt. De Duitse onderdaan moet gedurende zijn verblijf over deze voldoende middelen van bestaan beschikken. + + + Een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand wordt niet aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van dit Verdrag, omdat toekenning van een dergelijke uitkering in het algemeen en voorzover hier van belang slechts pleegt te geschieden wanneer Burgemeester en Wethouders van oordeel zijn dat betrokkene niet in staat is zelf te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan (artikel 11 Wet werk en bijstand). + In geval van verstrekking van een zodanige uitkering is de betrokken vreemdeling wellicht aan te merken als economisch niet actieve, waarop B10 van toepassing is. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.3.2. Bepaling hoogte netto-inkomen + +Op grond van de overeenkomst tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting zijn de Duitse ‘renten’ (uitkeringen) uit de sociale verzekering voor in Nederland wonenden in principe onderworpen aan de Duitse belastingheffing. In feite wordt in Duitsland echter geen loonbelasting van deze rente ingehouden en wordt evenmin een aanslag Duitse inkomstenbelasting opgelegd, behalve indien nog andere inkomsten uit Duitsland worden genoten. + Op in Nederland ontvangen Duitse rente vindt derhalve in het algemeen geen enkele inhouding plaats. + + + Eveneens op grond van de belastingovereenkomst is Nederland, als woonstaat van de rechthebbende, bevoegd de uitbetaalde Duitse rente op te nemen in de grondslag waarnaar de Nederlandse belasting wordt geheven. + Voorts is een ontvanger van Duitse rente in Nederland vrijwel altijd in Nederland aangifteplichtig. + + + Daarom is ontvangen Duitse rente niet zonder meer geheel aan te merken als netto-inkomen. + Rekening dient immers te worden gehouden met de Nederlandse belasting- en premieheffing. + + + Ter zake kan overigens vrijstelling van verzekeringsplicht en premiebetaling voor de volksverzekeringen zijn verleend door de Sociale Verzekeringsbank. + + + Inlichtingen over (de invloed van) Duitse rente (op de heffing inkomstenbelasting en/of premie voor de volksverzekeringen) in Nederland kunnen worden verkregen bij: + Stichting Bureau voor Duitse Zaken + Takenhofplein 4 + 6538 SZ NIJMEGEN + + *Postadres:* + + Postbus 9032 + 6500 JN NIJMEGEN + Telefoon: 024 - 343 19 00 + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid + +De verlening van een verblijfsvergunning, evenals verlenging van de geldigheidsduur ervan, kan worden geweigerd in geval van een rechterlijk gewijsde, dat wil zeggen een strafrechtelijke uitspraak, waartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan. Weigering enzovoort kan tevens plaatsvinden in geval de vreemdeling gevaar oplevert voor de nationale veiligheid. + + + Bij aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning wordt daarbij op grond van het bovenstaande afgeweken van artikel 3.77 en 3.78 Vreemdelingenbesluit. + In geval van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur zijn de algemene regels inzake openbare orde neergelegd in artikel 3.86 en 3.87 Vreemdelingenbesluit onverkort van toepassing. + + + Voor Duitsers die zijn aan te merken als gemeenschapsonderdanen (economisch actieven, economisch niet-actieven) geldt echter de jurisprudentie die geldt voor EU/EER-onderdanen (actuele bedreiging), alsmede de rechtsbescherming. Zie B10. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.5. Gevaar voor de volksgezondheid + +Hier wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vreemdelingenbesluit is gevoegd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 5. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat van vriendschap, vestiging en handel + +#### 5.1. Belang + +Het Traktaat is slechts van belang voor Zwitserse onderdanen die aan de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 5.1.1. Inleiding + +Op 19 augustus 1875 is tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat in Bern een Traktaat gesloten van vriendschap, vestiging en handel met Protocol van 24 april 1877 (Stb. 1878, nr. 137). Grondslag voor het sluiten van dit Traktaat is gelegen in de wens de vriendschapsbanden tussen Nederland en Zwitserland nauwer aan te halen en de handelsbetrekkingen tussen beide landen te verbeteren en uit te breiden. + + + Op 22 juli 1972 is te Brussel een overeenkomst gesloten tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. Deze overeenkomst vormde aanleiding om het Traktaat van vriendschap, vestiging en handel aan te passen. Naar aanleiding van een notawisseling tussen de Nederlandse en Zwitserse Regering van respectievelijk 13 juni 1996 en 24 juni 1996 is het Traktaat gewijzigd (Trb. 1996, nr. 217) (schrappen van artikel 2 en 3 en een zinsnede van artikel 4). Het gewijzigde Traktaat is op 10 januari 1997 in werking getreden. Artikel 1 van het Traktaat en het Protocol zijn daarbij ongewijzigd gebleven en thans nog steeds van kracht. + + + Op 21 juni 1999 is de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen tot stand gekomen (Trb. 2000, 16 en 86). + Bij wet van 14 september 2001 heeft Nederland deze Overeenkomst goedgekeurd (Stb. 2001, 432) en op 16 november 2001 geratificeerd. + De Overeenkomst is per 1 juni 2002 in werking getreden. Per 1 juni 2002 worden Zwitserse onderdanen, alsmede hun familie- en gezinsleden, die de nationaliteit van een derde staat bezitten, en die op grond van deze Overeenkomst in Nederland verblijven, aangemerkt als gemeenschapsonderdanen. Ten aanzien van Zwitserse onderdanen is dit bepaalde bij eerder genoemde wet van 14 september 2001 (Stb. 2001, 432). Voor het verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt verwezen naar B10. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.2. Toegang tot Nederland en verblijf + +– niet beschikt over een paspoort of ander authentiek bewijs van nationaliteit; +– niet over middelen van bestaan beschikt of ten laste van de openbare liefdadigheid komt; of +– een gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare rust of de nationale veiligheid. + +##### 5.2.1. Arbeid als zelfstandige + +Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is artikel 3.30, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit*niet *van toepassing, op grond waarvan hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/9 Vreemdelingencirculaire. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van Economische Zaken te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang. Evenmin is op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, artikel 3.30, eerste lid, onder b, Vreemdelingenbesluit van toepassing, op grond waarvan hij niet hoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/8.5. + + + De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in B5/8.3, B5/8.4 en B5/8.6 Vreemdelingencirculaire. + +20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND17-07-2003 + +##### 5.2.2. Vestiging + +Een onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat die geen economische activiteiten verricht en niet op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland verblijft, komt op grond van het Traktaat voor verblijf in Nederland in aanmerking indien en zolang hij beschikt over voldoende middelen van bestaan. + +20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND20029422-05-200216-05-20025155929/02/IND17-07-2003 + +##### 5.2.3. Arbeid in loondienst + +Per 27 november 2001 is de tewerkstellingsvergunningplicht voor Zwitserse staatsburgers komen te vervallen. Bij aanvragen voor een vergunning voor verblijf onder de beperking arbeid in loondienst die zijn aangevraagd vóór 27 november 2001, maar waar op die datum nog niet is beslist, wordt de ingangsdatum van de vergunning voor bepaalde tijd gesteld op 27 november 2001, mits uiteraard voldaan is aan alle voorwaarden. + + + Op een onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is B10/3 van toepassing. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +##### 5.2.4. Beperking + +De vergunning tot verblijf wordt verleend onder de beperking ‘verblijf op grond van het Nederlands-Zwitserse Traktaat’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.5. Arbeidsmarktaantekening + +Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.6. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.2.7. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + + + (...) + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 5.3. Toelichting + +##### 5.3.1. Paspoort + +Het Protocol vermeldt als vereiste onder meer paspoort. Daaronder wordt verstaan een geldig nationaal paspoort. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 5.3.2. Middelen van bestaan + +Onder middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum voor de betrokken categorie (alleenstaande, echtpaar) in de zin van de Wet werk en bijstand. De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, pensioen, vermogen) is niet van belang, mits betrokkene zelf maar daadwerkelijk over de middelen of het recht op (periodieke) uitkering ervan beschikt. Een toezegging hiertoe van een partner is overigens niet voldoende. + + + Het ontvangen van een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand wordt aangemerkt als het ten laste komen van de openbare liefdadigheid. Een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand wordt daarom niet aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van dit Verdrag en Protocol. + Overigens pleegt toekenning van een dergelijke uitkering in het algemeen en voorzover hier van belang slechts te geschieden, wanneer Burgemeester en Wethouders van oordeel zijn dat betrokkene niet in staat is zelf te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan (artikel 11 Wet werk en bijstand). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 6. Europaovereenkomsten met Bulgarije en Roemenië + +[Verwijzingen: artikel 14, 16 Vreemdelingenwet] + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 6.1. Inleiding + +De Europese Gemeenschappen en hun lidstaten hebben, teneinde een goede economische samenwerking te bevorderen, Europa-overeenkomsten afgesloten met, voor zover nog van belang, Bulgarije en Roemenië. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 6.2. Verblijf van werknemers + +##### 6.2.1. Inleiding + +Aan werknemers wordt alleen verblijf toegestaan, indien zij behoren tot het zogenoemde sleutelpersoneel. + + + Tot het ‘sleutelpersoneel’ van een organisatie behoren leden van het hoger kader van een organisatie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de organisatie en personen die in het bezit zijn van hoge of ongewone specifieke technische kennis of kennis die van essentieel belang is voor de organisatie. + + + Een zodanige werknemer dient voorafgaand aan de detachering door de organisatie ten minste één jaar in dienst te zijn geweest bij dezelfde organisatie. + + + Voor het verrichten van arbeid door een werknemer die op grond van bepalingen van bovengenoemde overeenkomsten verblijf vraagt, dient een tewerkstellingsvergunning te worden aangevraagd. De Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening toetst vervolgens of de werknemer inderdaad tot het sleutelpersoneel van zijn bedrijf behoort. + + + De algemene weigeringsgronden en algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning, neergelegd in artikel 16 Vreemdelingenwet, met name ook die, nader ingevuld in artikel 3.72 (document voor grensoverschrijding), 3.73 t/m 3.75 (middelen van bestaan) en 3.79 (onderzoek naar of behandeling van tuberculose) Vreemdelingenbesluit, zijn onverkort van toepassing. + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +##### 6.2.2. Beperking + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Arbeid in loondienst uitsluitend bij … (naam werkgever).’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.2.3. Arbeidsmarktaantekening + +Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid in loondienst uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.2.4. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.2.5. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + + + + + + (...) + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.3. Verblijf van zelfstandigen + +##### 6.3.1. Inleiding + +Indien vreemdelingen die de nationaliteit hebben van één van de landen waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten, zich in Nederland willen vestigen om economische activiteiten te verrichten, hebben zij op grond van de overeenkomsten recht op een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling van Nederlanders, indien zij economische activiteiten anders dan in loondienst gaan verrichten en als zij ondernemingen, met name vennootschappen, gaan oprichten en/of beheren. + + + Hun activiteiten mogen zich echter niet uitstrekken tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt en geven evenmin recht op toegang tot de arbeidsmarkt. + + + Op grond van het bepaalde in deze overeenkomsten zijn de overige bepalingen in de overeenkomsten betreffende zelfstandigen niet van toepassing indien een zelfstandige tevens arbeid in loondienst verricht. + + + De overgangsperiode die voor de toelating van diegenen die zich als zelfstandige wilden vestigen gold, is geëindigd op 1 februari 1999. + + + De aanvraag behoeft niet aan het ministerie van Economische Zaken te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang. Wel dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden genoemd in B5/8 Vreemdelingencirculaire. + + + De aanvraag wordt afgewezen als er sprake is van een schijnconstructie. Er is onder meer sprake van een schijnconstructie als wordt gepoogd het vereiste van een tewerkstellingsvergunning te omzeilen door feitelijke arbeid in loondienst te presenteren als deelname in een vennootschap, dus als arbeid als zelfstandige. + + + Bij twijfel of er sprake is van een schijnconstructie dient de aanvraag alsnog te worden voorgelegd aan het ministerie van Economische Zaken voor een toetsing of er sprake is van een ‘echte’ zelfstandige. + + + Daartoe dient de betrokken vreemdeling in elk geval een ondernemingsplan over te leggen. + + + Waarop een ondernemingsplan zicht moet bieden en welke elementen het moet omvatten is vermeld in B5/8.5.2. + + + De algemene weigeringsgronden alsook bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning, neergelegd in artikel 16 Vreemdelingenwet, met name ook die, nader ingevuld in artikel 3.72 (document voor grensoverschrijding), 3.73 t/m 3.75 (middelen van bestaan) en 3.79 (onderzoek naar of behandeling van tuberculose) Vreemdelingenbesluit, zijn onverkort van toepassing. + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +##### 6.3.2. Beperking + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Arbeid als zelfstandige.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.3.3. Arbeidsmarktaantekening + +Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid in loondienst niet toegestaan.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.3.4. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 6.3.5. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + (...) + + + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 6.4. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid + +Voor onderdanen van landen waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten die verblijfsrecht genieten op grond van die overeenkomst is het openbare orde criterium van het gemeenschapsrecht van toepassing: actuele bedreiging van de openbare orde (B10/7.2.1). + + + Voor vreemdelingen die de nationaliteit hebben van één van de landen waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten en die geen verblijf op grond van die overeenkomst genieten, gelden onverkort de openbare orde regels als genoemd in B1/2.2.4. + +200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-4427200224519-12-200206-12-2002HKUIT02-442721-12-2002 + +### 7. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag + +#### 7.1. Belang + +– teneinde handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee partijen en zich bezig te houden met daarmee samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; +– teneinde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden; of +– als zij de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind –ongeacht hun nationaliteit- zijn van een persoon die op grond van het verdrag is toegelaten, als zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen. + +#### 7.2. Aanzienlijk kapitaal + +Hieronder volgt een uitleg van het in paragraaf 7.1 onder 2. voorkomende begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de verschillende mogelijke ondernemingsvormen. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de circulaire van de Minister van Economische Zaken d.d. 4 november 1992 (kenmerk DMO/DCM/AM92081647). + + + Eenmanszaak: een zodanig kapitaal, dat de ondernemer zelfstandig het bedrijf kan exploiteren. Dit dient per geval te worden bekeken, maar als minimum wordt € 4.500 (ƒ 10.000) aangehouden. + + + Vennootschap onder firma: ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum € 4.500 (ƒ 10.000). + Vennootschap onder commandite: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen bedrijf uit en valt derhalve niet onder het bepaalde in het verdrag. + + + Besloten vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 18.000 (ƒ 40.000), zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste € 4.500 (ƒ 10.000) zal beslaan. + + + Naamloze vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 45.000 (ƒ 100.000), zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste € 11.250 (ƒ 25.000) zal beslaan. + + + Andere ondernemingsvormen: per geval bekijken. + + + Het dient hierbij te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. + + + Het ‘aanzienlijk’ kapitaal dient op peil te worden gehouden; dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de betreffende ondernemingsvorm geldende minimum. + + + De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige. + De onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend. + + + Indien een op grond van het verdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een tewerkstellingsvergunning (zie B5), gelet op artikel 11 van het bijbehorende Protocol. + + + Ook overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de Vreemdelingenwet inzake toegang en verblijf en inzake de gronden waarop hun verblijf of voortgezet verblijf kan worden ontzegd, zoals hierboven al is vermeld, gelet op artikel II lid 4 van het Verdrag. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.3. Beperking hoofdpersoon + +– ‘arbeid als zelfstandige voor … (naam van de onderneming) op grond van het Nederlands – Amerikaans vriendschapsverdrag’; of +– ‘arbeid in loondienst als vertegenwoordiger van … (naam van de vertegenwoordigde) op grond van het Nederlands – Amerikaans vriendschapsverdrag’. + +#### 7.4. Beperking afhankelijke gezinsleden + +De afhankelijke verblijfsvergunning aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij … (naam hoofdpersoon).’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.5. Arbeidsmarktaantekening hoofdpersoon + +In geval van een zelfstandige wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’ + In geval van een vertegenwoordiger wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.6. Arbeidsmarktaantekening afhankelijke gezinsleden + +Daaraan wordt toegevoegd: ‘Arbeid toegestaan. TWV vereist’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.7. Overige aantekeningen + +In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.8. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + (...) + + + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 7.9. Maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid + +Hier wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vreemdelingenbesluit is gevoegd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 8. Vreemdelingen op wie het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand van toepassing is + +#### 8.1. Inleiding + +– België; +– Denemarken; +– Duitsland; +– Frankrijk; +– Griekenland; +– Ierland; +– Italië; +– Luxemburg; +– Malta (alleen bij het Verdrag); +– Noorwegen; +– Portugal; +– Spanje; +– Turkije; +– het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; +– IJsland; +– Zweden. + +– Polen; +– Slowakije; en +– Cyprus + +#### 8.2. Belang + +– *niet* voortdurend gedurende ten minste vijf jaren verblijf heeft gehouden, wanneer hij het grondgebied heeft betreden voor het bereiken van de leeftijd van 55 jaar; of +– *niet* gedurende ten minste tien jaren verblijf heeft gehouden, in geval hij dat grondgebied heeft betreden na het bereiken van die leeftijd. + +– hij in een staat van gezondheid verkeert die vervoer toelaat (zie ook artikel 64 Vreemdelingenwet); en +– hij geen bijzondere band met Nederland heeft. + +#### 8.3. Beperking + +Als regel zal aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de betrokkene steeds een beperking zijn verbonden. + Indien ingevolge het Verdrag niet tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan, wordt de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd laatstelijk is verleend, gehandhaafd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.4. Arbeidsmarktaantekening + +De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste aantekening wordt gehandhaafd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.5. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + (...) + + + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht is verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 8.6. Verblijfsbeëindiging op andere gronden + +Omdat het Verdrag alleen verbiedt om tot verblijfsbeëindiging over te gaan van een vreemdeling die tot één van bovenbedoelde categorieën (vijf of tien jaar verblijf) behoort, uitsluitend omdat hij bijstand behoeft, kan wel tot verblijfsbeëindiging en uitzetting (repatriëring) worden overgegaan van een zodanige vreemdeling, indien er een andere grond is. Dat is met zoveel woorden in het Verdrag bepaald. + Dus mag wel tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, wegens openbare orde, onjuiste gegevens en niet voldoen aan de beperking of voorschrift. Zie in dit verband artikel 16 Vreemdelingenwet, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragrafen vier en vijf, alsmede afdeling 3, paragraaf twee en drie, Vreemdelingenbesluit. + + + Met name in geval van detentie zal overigens tot verblijfsbeëindiging kunnen worden overgegaan wegens zowel inbreuk openbare orde, ontbreken middelen als niet voldoen aan de beperking. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 9. Europees Sociaal Handvest + +#### 9.1. Inleiding + +– België; +– Duitsland; +– Cyprus; +– Denemarken; +– Finland; +– Frankrijk; +– Griekenland; +– Hongarije; +– Ierland; +– Italië; +– Letland; +– Liechtenstein; +– Luxemburg; +– Malta; +– Noorwegen; +– Oostenrijk; +– Polen; +– Portugal; +– Slowakije; +– Spanje; +– Tsjechië; +– Turkije; +– het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (mede voor het eiland Man); +– IJsland; +– Zweden. + +#### 9.2. Praktisch belang + +De hierboven vermelde landen maken deel uit van de EU/EER, behalve Turkije. + + + Het Handvest is dus alleen van belang voor Turkse onderdanen, voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 en voorzover zij geen gezins- of familielid zijn van een onderdaan van de EU/EER of de Zwitserse Bondsstaat. + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +#### 9.3. Verblijf + +Nederland heeft zich ingevolge artikel 19, zesde lid, van het Handvest verbonden te waarborgen dat zoveel mogelijk de hereniging van het gezin van een migrerende werknemer, die toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied te vestigen, wordt vergemakkelijkt. + Blijkens de Bijlage bij het Handvest, deel II, wordt voor de toepassing van artikel 19, zesde lid, de zinsnede ‘gezin van een migrerende werknemer’ geacht ten minste zijn echtgenote, en kinderen te zijnen laste die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, te omvatten. + + + Dat laat echter onverlet dat voor gezinsherenigingen, met hier te lande rechtmatig verblijvende Turkse werknemers, aanvullende eisen kunnen worden gesteld indien het gaat om (verruimde) gezinshereniging. + + + Dat betekent dat, voorzover hier van belang, op ‘kinderen’ tussen de 18 en 21 jaar, die ten laste van de werknemer komen, *niet* dezelfde regeling behoeft te worden toegepast zoals die geldt voor EU/EER-onderdanen en onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat. + + + Ingevolge artikel 19, achtste lid, van het Handvest is intrekking van de verblijfsvergunning niet toegestaan wegens het doen van een beroep op de publieke middelen. + Intrekking is evenmin toegestaan wegens *gevaar voor *de openbare orde, doch is wel mogelijk wegens *inbreuk op* de openbare orde. Overigens heeft artikel 19, achtste lid, van het Europees Sociaal Handvest geen rechtstreekse werking (ARRvS, 16 april 1984 (RV 1984, 117)). + +20046401-04-200425-03-200420046401-04-200425-03-200401-05-2004 + +### 10. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers + +#### 10.1. Inleiding + +– Frankrijk; +– Italië; +– Noorwegen; +– Portugal; +– Spanje; +– Turkije; en +– Zweden. + +#### 10.2. Belang + +Dit verdrag lijkt met name van belang te zijn voor onderdanen van Turkije en voor vreemdelingen met nationaliteit van de overige landen alleen voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het recht van de EU/EER en ook niet aan het Europees Vestigingsverdrag en evenmin aan het Associatiebesluit 1/80. + + + Dit Verdrag heeft betrekking op onderdanen van een Verdragsluitende Partij die in Nederland werkzaam zijn en rechtmatig verblijf hebben. + + + Op deze onderdanen zijn de nationale vreemdelingrechtelijke voorschriften van toepassing. + Gezinshereniging met onderdanen die reeds rechtmatig verblijf hebben, is toegestaan volgens nationale procedures. + + + Ingevolge artikel 9, vierde lid, van het Verdrag moet in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, maar ook in geval van onvrijwillige werkloosheid wegens afvloeiing of langdurige ziekte ten minste vijf maanden verblijf worden toegestaan voor het zoeken naar ander werk, revalidatie dan wel herscholing, als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag, maar hoeft geen verblijf te worden toegestaan over een periode die langer is dan die waarover de werkloosheidsuitkering wordt betaald. + Onvrijwillige werkloosheid moet dan naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten. + + + Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 11. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië + +#### 11.1. Inleiding + +Op 27 april 1976 is te Rabat een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko ondertekend, die namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1). + + + Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Algerije c.q. Tunesië die soortgelijke bepalingen bevatten als artikel 40, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. + + + Bovendien zijn er in 1995 associatieovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Tunesië, Israël en Jordanië, waarin artikel 64 dezelfde inhoud heeft als artikel 40 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. In 1996 is een dergelijke associatieovereenkomst gesloten tussen de EEG en Marokko. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 11.2. Belang + +De hierna te noemen jurisprudentie kan van belang zijn voor bepaling van de verblijfspositie van niet alleen Marokkaanse vreemdelingen, maar ook voor vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van: Algerije, Israël, Jordanië en Tunesië. + Bedoelde overeenkomsten en jurisprudentie leiden echter niet tot aanspraak op (voortgezet) verblijf voor onderdanen van genoemde landen. + + + In bedoelde overeenkomsten is slechts het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen neergelegd. + + + Ingevolge het Arrest d.d. 2 maart 1999 van het Hof van Justitie inzake El Yassini kan het in artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Marokko neergelegde beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen, op zich niet tot gevolg hebben dat het de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verboden is de verlenging van de verblijfstitel van een op het grondgebied van die lidstaat werkzame Marokkaanse migrerende werknemer te weigeren, ook al kan die maatregel naar haar aard niet worden genomen jegens de onderdanen van de betrokken lidstaat. + + + Ingevolge het arrest geldt een uitzondering op genoemd verbod in situaties waarin iemand voor een ander doel dan arbeid is toegelaten en een tewerkstellingsvergunning is verleend en het voortgezet verblijf wordt beëindigd zodanig dat daardoor wordt belet door te werken tot einde tewerkstellingsvergunning. + + + Een uitzonderingssituatie, als beschreven in het arrest, doet zich echter in Nederland niet voor, omdat bij verlening van een verblijfsvergunning voor een ander doel dan het verrichten van arbeid, waarbij het is toegestaan te werken, geen tewerkstellingsvergunning pleegt te worden verleend. + + + Voorts kan ingevolge het Arrest de rechtspraak van het Hof op het gebied van de regels betreffende de associatie EEG-Turkije *niet* analoog worden toegepast op de Overeenkomst EEG-Marokko. + + + Dat betekent dat op Algerijnen, Israëliërs, Jordaniërs, Marokkanen en Tunesiërs – ondanks het bestaan van bedoelde Overeenkomsten – *niet* een regeling behoeft te worden toegepast als artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad, zoals geldt voor Turken. Een dergelijke regeling wordt dan ook niet toegepast. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 12. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten + +Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (New York 19 december 1966, Trb. 1969, 99; Nederlandse vertaling: Trb. 1978, 177). + + + Volgens artikel 13 van het Verdrag kan een vreemdeling, die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing. Het is hem toegestaan, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door, en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen. + + + Dat betekent dat een vreemdeling die over een verblijfsvergunning beschikt, hangende het bezwaar tegen verblijfsbeëindiging, alleen kan worden uitgezet indien dwingende redenen van nationale veiligheid dit rechtvaardigen. De Nederlandse Vreemdelingenwet 1965 (art. 29 e.v.) is daarmee in overeenstemming, volgens de Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 13. Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind + +Op 8 maart 1995 is voor Nederland in werking getreden het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (New York, 20 november 1989, Trb. 1990, 46; Nederlandse vertaling: Trb. 1990, 170). + + + Het Verdrag geeft aan een buitenlands kind op zichzelf geen aanspraak op verblijf in Nederland, voorzover de bepalingen van het Verdrag (met name de artikelen 9 en 10) al zijn aan te merken als een ieder verbindende bepalingen die rechtstreekse werking hebben en niet slechts als instructienormen die tot de Staten, die Partij zijn, zijn gericht. + + + Het artikel 9, dat onder meer inhoudt dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, schept procedurele waarborgen. + + + Het artikel 10, eerste lid, is de instructie aan de Partijen om aanvragen van het kind om een Staat die partij is, voor gezinshereniging *binnen te gaan of te verlaten*, te behandelen met welwillendheid, menselijkheid en spoed en ziet daarom niet op het verlenen van een verblijfsvergunning. + + + Het artikel 10, tweede lid, vermeldt weliswaar dat een kind van wie de ouders in verschillende staten verblijven het recht heeft op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met beide ouders, doch dit artikellid draagt de Partijen slechts op daartoe het recht van kind en ouders te eerbiedigen om welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten en het eigen land binnen te gaan. + + + Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging. + + + Blijkens jurisprudentie (96/9718 VRWET en 97/5074 VRWET) valt noch uit de tekst noch uit de wordingsgeschiedenis af te leiden dat door artikel 10 voor de Nederlandse Staat verdergaande verplichtingen bestaan dan hetgeen reeds is neergelegd in het Nederlandse recht en beleid ter zake van gezinsvorming en gezinshereniging. Evenmin blijkt dat is beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Rijkswet tot goedkeuring van het Verdrag is in de Memorie van Toelichting en een Nota naar aanleiding van het Verslag opgenomen: dat hieraan reeds uitvoering is gegeven in de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Vreemdelingencirculaire; de verdragsverplichtingen neergelegd in artikel 10 laten onverlet dat met betrekking tot inkomen, onderzoek en termijn van indiening van het verzoek eisen kunnen worden gesteld. De Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Vreemdelingencirculaire 2000 beogen daarin geen wijziging te brengen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 14. Onderdanen van de Republiek Suriname + +#### 14.1. Inleiding + +Op 24 november 1980 eindigde de geldigheidsduur van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen van 1975. + + + Er is geen nieuwe overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen gesloten, maar bij overeenkomst van 25 februari 1981 is een overlegstructuur met betrekking tot het door beide landen gevoerde vreemdelingenbeleid in het leven geroepen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 14.2. Binnenkomst voor 25 november of na 24 november 1980 + +– degenen die vóór 25 november 1980 Nederland zijn binnengekomen; en +– degenen die na 24 november 1980 Nederland zijn binnengekomen of binnenkomen. + +##### 14.2.1. Binnenkomst voor 25 november 1980 (verkregen rechten) + +Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die voor 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een vergunning tot verblijf op grond van de Overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975. + + + Indien een Surinaamse onderdaan een beroep doet op een door hem verkregen recht op grond van de beëindigde overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 of ambtshalve wordt geconstateerd dat hij daarop aanspraak maakt, dient contact te worden opgenomen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst. + Voor aanvragen door Surinaamse onderdanen (zelfstandigen) met verkregen rechten, zie B5/9.2.1. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 14.2.2. Binnenkomst na 24 november 1980 + +– Surinaamse onderdanen die in het kader van (verruimde) gezinshereniging of gezinsvorming naar Nederland komen (zie B2); +– alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder (zie B2); +– Surinaamse onderdanen die in Nederland arbeid in loondienst willen verrichten (zie B5); +– Surinaamse onderdanen die zich als zelfstandige in economische zin willen vestigen (zie B5); +– Surinaamse onderdanen die in Nederland een studie of opleiding willen volgen (zie B6). + +#### 14.3. Medische behandeling + +Voor Surinaamse onderdanen die een medische behandeling in Nederland willen ondergaan geldt het volgende. Surinaamse onderdanen die op medische indicatie voor een behandeling naar Nederland reizen, zal een visum worden verstrekt, mits de financiering van deze behandeling deugdelijk is geregeld. + Dit houdt in dat moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten of dat de kosten door een ziekenfonds worden gedekt. In beginsel kan geen genoegen worden genomen met een garantverklaring van een referent. + + + Wanneer in Nederland, uit een verklaring van de behandelend geneesheer, mocht blijken dat een verblijf van langer dan drie maanden noodzakelijk is, zal de verblijfstermijn worden verlengd. Bij een verlenging tot maximaal zes maanden wordt het visum verlengd. + + + + + Artikel + 3.47 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.46, kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld. + + + 2 + Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid. + + + + + Indien voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na inreis medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan deugdelijk is geregeld, wordt een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling verleend. Zulks geldt in aanvulling op de algemene voorwaarden, waaronder met name ook het moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan voor het levensonderhoud van de Surinaamse onderdaan. + + + N.B. Voor een Surinaamse onderdaan die op een toeristenvisum Nederland binnenkomt om hier een medische behandeling te ondergaan, gelden de bijzondere voorwaarden van artikel 3.46 Vreemdelingenbesluit en B8 Vreemdelingencirculaire, in aanvulling op de algemene voorwaarden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 14.3.1. Beperking + +De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Het ondergaan van medische behandeling.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 14.3.2. Arbeidsmarktaantekening + +Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid niet toegestaan’. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 14.3.3. Overige aantekeningen + +Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’ + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 14.3.4. Voorschrift + +Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + (...) + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + (...) + + + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 15. Staatlozen + +#### 15.1. Het Verdrag betreffende de status van staatlozen + +##### 15.1.1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is + +– die in het land waar zij gevestigd zijn de rechten en verplichtingen hebben, welke aan het bezit van de nationaliteit van dat land zijn verbonden; +– van wie verondersteld wordt dat zij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid hebben begaan; +– die een ernstig, niet politiek, misdrijf hebben begaan buiten het land van hun vestiging, vóórdat zij tot dat land worden toegelaten. + +##### 15.1.2. Bewijs staatloosheid + +Ten aanzien van de vraag hoe de staatloosheid dient te worden bewezen, bevat het Verdrag geen bepalingen. + Iedere staat is dus vrij om zelf te bepalen welke bewijzen hij nodig acht om de beweerde staatloosheid van een bepaalde persoon te kunnen aannemen. + Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 15.1.3. Praktisch belang van het Verdrag + +Artikel 31 van het Verdrag verbiedt – behoudens om redenen van openbare of nationale veiligheid – de uitzetting van staatlozen die rechtmatig op het grondgebied van partijen verblijven (zie 2). + Staatlozen die zich niet rechtmatig op het grondgebied van partijen bevinden, genieten dus zodanige bescherming niet. + Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vreemdelingenwet. + + + Vreemdelingen die staatloos zijn in de zin van het Verdrag kunnen op grond van dit Verdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie 3). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 15.2. Gronden voor afwijzing van de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning en intrekking van de verblijfsvergunning + +– indien hij onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot het verlenen van een vergunning; +– indien hij bij herhaling een bij de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit heeft begaan; +– indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd; of +– indien hij een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid. + +##### 15.2.1. Procedure in eerste aanleg + +Wanneer een staatloze een aanvraag heeft ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning heeft hij rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, Vreemdelingenwet en dient uitzetting achterwege te blijven zolang niet is beslist op de aanvraag. + Uitzetting dient ook achterwege te blijven wanneer de vreemdeling niet tijdig om verlenging heeft gevraagd. + + + Nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is beëindigd, dient hij ingevolge artikel 62 Vreemdelingenwet Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten, zodat hij niet wordt uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 15.2.2. Procedure bij administratief beroep of bezwaar + +Zolang niet is beslist op een tijdig ingediend bezwaar- of administratief beroepschrift is sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vreemdelingenwet en blijft uitzetting achterwege. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 15.2.3. Uitzonderingen + +– op staatlozen aan wie een verblijfsvergunning werd verleend met een geldigheidsduur korter dan de termijn waarbinnen zij op grond van een geldig reispapier kunnen terugkeren naar een land waar hun voordien verblijf was toegestaan; +– op staatlozen aan wie een verblijfsvergunning is verleend onder de beperking dat het verblijf alleen is toegestaan teneinde hen in staat te stellen toelating in een derde land te verkrijgen; +– wanneer dwingende redenen van nationale veiligheid uitzetting rechtvaardigen. + +#### 15.3. Reisdocumenten + +Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. + + + Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van New York (Trb. 1955, 42 en 1957, 22) en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van dit Verdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen. + + + In dit geval dient de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +## B12. Diplomaten en personeel van diplomatieke zending of consulaire posten en personeel van internationale organisaties en gezinsleden + +[Verwijzingen: Verdrag van Wenen inzake diplomatiek Verkeer (1961), artikel 37, nota van 30 augustus 1999 (DKP/BV-99/389) ministerie van Buitenlandse Zaken, nota nr. 68229 van 16 maart 1987 ministerie van Buitenlandse Zaken, Vreemdelingenwet artikel 8, 14, 16, 17, 21, 50, Vreemdelingenbesluit artikel 3.7, 3.13 t/m 3.22, 3.40, 3.63, 3.71, 3.93, 4.46.] + +### 1. Inleiding + +Dit hoofdstuk behandelt de verblijfsstatus van vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie. Op een deel van hen zijn de bepalingen van de Vreemdelingenwet niet van toepassing, omdat zij een bijzondere status bezitten op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen of een zetelovereenkomst gesloten met een internationale organisatie waarin is bepaald dat de zetel (=hoofdkantoor) in Nederland is gevestigd en waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. + + + + Paragraaf 2 handelt over vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun personeel. Paragrafen 3 en 4 richten zich op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een internationale organisatie en hun gezinsleden. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 2. Personeel van ambassades en consulaten en gezinsleden + +Het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt sedert 1 augustus 1987 (nota nr. 68229 van 16 maart 1987) onderscheid tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijf. Op 1 januari 2000 is bovendien de invulling van het begrip ‘duurzaam verblijf’, zoals vermeld in artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek Verkeer (1961), gewijzigd. Bij nota van 30 augustus 1999 (DKP/BV-99/389) heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen die in Nederland zijn geaccrediteerd van deze wijziging in kennis gesteld. Aanleiding voor deze wijziging was dat de eerdere invulling van het begrip ‘duurzaam verblijf’, die door het ministerie van Buitenlandse Zaken is gehanteerd, afwijkt van wet- en regelgeving op het gebied van fiscale en sociale zekerheidswetgeving. + De wijziging van de invulling van het begrip duurzaam verblijf heeft verblijfsrechtelijke gevolgen voor administratief, technisch en bedienend personeel, alsmede particulier bedienden van ambassades of consulaten en hun gezinsleden. Op een aantal van hen zullen de bepalingen van de Vreemdelingenwet van kracht worden. De categorie niet-duurzaam verblijvend personeel zal hiermee worden verkleind. + + + Duurzaam en niet-duurzaam in de zin van dit hoofdstuk heeft een andere betekenis dan elders in de Vreemdelingencirculaire. + + + De Minister van Buitenlandse Zaken beschouwt, blijkens zijn nota van 30 augustus 1999 (DKP/BV-99/389) per 1 januari 2000 *door de zendstaat uitgezonden personeel* dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, *maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet na tien jaar als duurzaam verblijf houdend* in Nederland. + In voorkomende gevallen houdt dat in dat men dan de identiteitskaart die men van het ministerie van Buitenlandse Zaken ontving, moet inleveren. Vervolgens wordt op een dergelijke persoon de Vreemdelingenwet van toepassing. Zie 2.2. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel + +Niet-duurzaam verblijvend personeel bezit een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Op dit personeel alsmede op hun afhankelijke gezinsleden en particuliere bedienden zijn de bepalingen van de Vreemdelingenwet niet van toepassing. Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.1. Categorieën niet-duurzaam verblijvend personeel + +###### 2.1.1.1. Diplomatieke en consulaire koeriers + +Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen. Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun status en het aantal pakketten dat de diplomatieke of consulaire tas vormt, blijkt. De pakketten dragen aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen waaruit hun aard blijkt. De koerier geniet persoonlijke onschendbaarheid (de dwangmiddelen als bedoeld in artikel 50, tweede, derde, vierde en vijfde lid van de Vreemdelingenwet kunnen niet worden toegepast). De tas mag niet worden geopend of ingenomen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.1.2. Diplomatiek en consulair personeel op doorreis + +Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en personeel, die slechts op doorreis in Nederland zijn, zijn de bepalingen van de Vreemdelingenwet niet van toepassing voorzover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.1.3. Diplomatiek en consulair personeel met de uitgezonden status + +– diplomatiek of consulair personeel dat is uitgezonden door de zendstaat. Waar het administratief, technisch en bedienend personeel alsmede particuliere bedienden betreft: deze categorie behoudt de uitgezonden status tot tien jaar na begin van de werkzaamheden in Nederland. Daarna vervalt deze; +– uitgezonden of lokaal geworven personeel, dat reeds voor 1 augustus 1987 in dienst is getreden bij een ambassade of consulaat, daar ononderbroken nog steeds werkzaam is en ervoor heeft gekozen om de uitgezonden status te behouden; +– lokaal geworven personeel dat korter dan tien jaar in dienst is bij een missie en de werkzaamheden ononderbroken voortzet, wordt door het ministerie van Buitenlandse Zaken aangemerkt als uitgezonden personeel, omdat dit personeel op het moment van indiensttreding bij de missie niet reeds een jaar of meer op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verbleef of niet gerechtigd was om in Nederland arbeid in loondienst te verrichten (deze categorie kan met ingang van 1 januari 2000 niet meer de uitgezonden status verkrijgen); +– de gezinsleden van bovengenoemde categorieën. + +##### 2.1.2. Verblijfsdocument + +Deze personen alsmede hun afhankelijke gezinsleden en hun particuliere bedienden worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument (model M81) (het ‘identiteitsbewijs geprivilegieerden’, bedoeld in bijlage 3, sub A, lid 3 j^o artikel 2.3 Voorschrift Vreemdelingen). Dit houdt onder meer in dat zij niet behoeven te beschikken over een verblijfsvergunning, maar wel over bovengenoemd geprivilegieerdendocument, vervangend document of visum. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.3. Grenscontrole en toezicht + +Niet-duurzaam verblijvenden zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de Vreemdelingenwet worden toegepast. + + + Bij grensoverschrijding dienen zij wel te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Ook geldt voor hen de verplichting om Nederland langs een doorlaatpost in en uit te reizen, alsmede zich tegenover een grensbewakingambtenaar te legitimeren. + + + Zowel bij de grenscontrole als bij de uitoefening van het binnenlands vreemdelingentoezicht mag van hen echter niet worden gevraagd aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken en aan hen mogen geen gegevens worden gevraagd omtrent doel en duur van hun verblijf in ons land. Ook blijft ten aanzien van hen controle aan de hand van het opsporingsregister achterwege. + + + Het kan voorkomen dat een persoon, die op grond van artikel 50, eerste lid, Vreemdelingenwet staande is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, zich beroept op het bezit van een bijzondere status als bedoeld onder 2.1.1, maar niet terstond door het tonen van een legitimatiebewijs of identiteitsdocument aannemelijk kan maken dat hij die status inderdaad bezit. In dat geval kunnen de bepalingen van de Vreemdelingenwet worden toegepast. + + + Dit kan met name het geval zijn bij eerste binnenkomst van diplomatiek of consulair personeel in Nederland of bij functionarissen op doorreis. Een reisbiljet kan soms de bijzondere status aannemelijk maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient direct contact te worden opgenomen met het ministerie van Buitenlandse Zaken (op werkdagen van 9:00 tot 17:00, de Directie Kabinet en Protocol, telefoonnummer: 070 - 348 61 38), dat hiertoe ook buiten werkdagen voor noodgevallen telefonisch bereikbaar is (meldkamer, telefoonnummer: 070 - 348 42 78). + Zolang niet duidelijk is geworden dat de Vreemdelingenwet niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het ophouden op een plaats bestemd voor verhoor (zie A4 Vreemdelingencirculaire). + + + Over de wijze waarop gevallen als in voorgaande alinea bedoeld, zijn afgedaan, dient steeds schriftelijk rapport te worden uitgebracht aan de Minister (zie A4). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.4. Positie na beëindiging van de bijzondere status + +Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade of consulaat komt de uitgezonden status van de categorieën als genoemd onder 2.1.1.3 te vervallen. De bepalingen van de Vreemdelingenwet worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen. + + + Indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.93 Vreemdelingenbesluit kan de vreemdeling in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + + + + + Artikel + 3.93 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven: + + + a. + op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is verloren; + + + b. + op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post, of + + + c. + als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling, bedoeld onder a of b. + + + + + 2 + In afwijking van artikel 3.94, zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn. + + + + + Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden artikel 14, 16 en 17 Vreemdelingenwet onverkort. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.1.4.1. Verblijfsstatus van de gezinsleden van ex-geprivilegieerden + +– meerderjarig is op het moment van de indiening van de aanvraag en gedurende ten minste tien jaren op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93, onder c, Vreemdelingenbesluit, in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; +– op het moment van de indiening van de aanvraag minderjarig is of korter dan tien jaar op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 16 Vreemdelingenwet, in samenhang met artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit. + +###### 2.1.4.2. Leges + +De legesbepalingen als genoemd in B1/4.1.2 en artikel 3.4 Voorschrift Vreemdelingen zijn onverkort van toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.1.5. EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden + +EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland (zie B10 Vreemdelingencirculaire). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel + +De bepalingen van de Vreemdelingenwet zijn en blijven van toepassing op duurzaam verblijvend personeel. Hen komt geen (functionele) immuniteit van rechtsmacht dan wel onschendbaarheid toe (art. 38 lid 2 Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer). Vreemdelingen in deze categorie ontvangen vanaf 1 januari 2000 geen legitimatiebewijs meer afgegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zij dienen zich in te schrijven bij de Gemeentelijke Basisadministratie en de Vreemdelingendienst. + + + Door de wijziging van de invulling van het begrip duurzaam verblijf van 1 januari 2000 is het aantal categorieën duurzaam verblijvend personeel uitgebreid. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.2.1. Lokaal geworven personeel + +###### 2.2.1.1. Voor 1 januari 2000 lokaal geworven personeel + +– reeds een jaar of meer op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verbleven; en +– gerechtigd waren arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. + +###### 2.2.1.2. Vanaf 1 januari 2000 lokaal geworven personeel + +– aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan; en +– die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, Vreemdelingenwet. + +###### 2.2.1.3. Verblijfsstatus + +De bepalingen van de Vreemdelingenwet zijn onverkort van toepassing op de twee bovengenoemde categorieën. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.2.1.4. Gezinsleden + +De bepalingen als genoemd in artikel 14, 16 en 17 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de twee bovengenoemde categorieën vreemdelingen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.2.2. Personeel dat de uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest + +– personeel dat na 1 augustus 1987 de uitgezonden status heeft verkregen en per 1 januari 2000 reeds tien jaar werkzaam is bij een missie: het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt; +– particulier bedienden die na 1 augustus 1987 de uitgezonden status hebben verkregen en reeds tien jaar werkzaam zijn bij een missie: het gaat hier om particulier bedienden die in persoonlijke dienst van een uitgezonden medewerker (de werkgever) zijn en die na afloop van de ‘tour of duty’ van de uitgezonden diplomatieke medewerker in dienst zijn getreden bij de opvolger van de vertrekkende werkgever. Voorwaarde is wel dat het salaris in de periode tussen het vertrek van de oude werkgever en de aankomst van de nieuwe werkgever wordt betaald door de missie; +– personeel dat al voor 1 augustus 1987 de uitgezonden status bezat en tot op heden onafgebroken werkzaamheden voor een missie verricht en ervoor heeft gekozen in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + +###### 2.2.2.1. Verblijfsstatus + +Indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93 Vreemdelingenbesluit (zie hieronder voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan) kan de vreemdeling in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + + + Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden artikel 14, 16 en 17 Vreemdelingenwet (zie hieronder voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan). + + + *Zelfstandige middelen van bestaan* + + + Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet inhoudingsplichtig zijn. + Desalniettemin worden de inkomsten uit arbeid in loondienst voor werk bij een ambassade of consulaat van een andere mogendheid - ondanks dat geen premies sociale verzekeringen en belastingen zijn afgedragen - aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan. + +20028302-05-200225-04-20025154611/02/IND20028302-05-200225-04-20025154611/02/IND04-05-2002 + +###### 2.2.2.2. Gezinsleden + +– meerderjarig is op het moment van de indiening van de aanvraag en gedurende ten minste tien jaren op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93 Vreemdelingenbesluit, in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; +– op het moment van de indiening van de aanvraag minderjarig is of korter dan tien jaar op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 16 Vreemdelingenwet, in samenhang met artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit. + +De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B2 zijn op deze gezinsleden eerst van toepassing op het moment dat zij rechtmatig verblijf hebben op grond van de Vreemdelingenwet. + +Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel b, Vreemdelingenwet, dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing. + +###### 2.2.2.3. Leges + +De legesbepalingen als genoemd in B1/4.1.2 en artikel 3.34 Voorschrift Vreemdelingen zijn onverkort van toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 2.2.2.4. Procedure + +Het Ministerie van Buitenlandse Zaken coördineert de verandering in registratie voor deze categorie. De betrokken personeelsleden die het betreft, alsmede hun gezinsleden, worden binnen een jaar na 1 januari 2000 door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geïnformeerd wanneer zij zich - door tussenkomst van dit Ministerie - kunnen melden ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier. Het personeelslid dat in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dient een daartoe strekkende aanvraag in te dienen bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. Indien het personeelslid niet voldoet aan de terzake geldende voorwaarden (artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93 Vreemdelingenbesluit), gelden de artikelen 14, 16 en 17 Vreemdelingenwet. + + + De verblijfsstatus van het personeelslid is bepalend voor de status van de afhankelijke gezinsleden. Indien de uitgezonden status van het personeelslid komt te vervallen (gedwongen of door eigen keuze) vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden. + Het afhankelijke gezinslid kan onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Zie B12/2.2.2. Het gezinslid dat in aanmerking wenst te komen voor een dergelijke verblijfsvergunning dient een daartoe strekkende aanvraag in te dienen bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. Indien het gezinslid niet voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kan hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indienen bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft. + + + Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft De burgemeester zendt het identiteitsbewijs geprivilegieerden naar het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. Het Bureau Documenten retourneert het identiteitsbewijs vervolgens aan de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (telefoonnummer: 070 – 348 61 38). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 2.2.3. EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden + +EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland (zie B10 Vreemdelingencirculaire). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +### 3. Vreemdelingen die werkzaam zijn voor een internationale organisatie + +#### 3.1. Uitgezonden status + +De Vreemdelingenwet is in het algemeen niet van toepassing op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een internationale organisatie en hun gezinsleden. Op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden – tenzij anders in de Zetelovereenkomst bepaald – de uitgezonden status toe. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.2. Verblijfsdocument + +De personen als bedoeld in 3.1 worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument (model M81), bedoeld in bijlage 3, sub A, lid 3 j^o artikel 2.3 Voorschrift Vreemdelingen. Dit houdt onder meer in dat zij niet behoeven te beschikken over een verblijfsvergunning. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.3. Grenscontrole en toezicht + +Personen als bedoeld in 3.1 zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de Vreemdelingenwet worden toegepast. + Voor hen geldt wel de verplichting om Nederland langs een doorlaatpost in en uit te reizen, alsmede zich tegenover een grensbewakingsambtenaar te legitimeren, tezamen met het nationale reisdocument en het geprivilegieerdendocument, voorzover reeds in bezit. Het bezit van een geprivilegieerdendocument (model M81) conform het hierboven gestelde, stelt de houder vrij van visumplicht in geval van terugkeer naar Nederland, bedoeld in bijlage 3, sub A j^o artikel 2.3 Voorschrift Vreemdelingen. Houders van bepaalde identiteitskaarten zijn bovendien vrijgesteld van de paspoortplicht. De documenten van de internationale organisaties, bedoeld in bijlage 3, sub E j^o artikel 2.3 Voorschrift Vreemdelingen, gelden namelijk tevens als document voor grensoverschrijding. + Indien sprake is van een dergelijke organisatie wordt dit vermeld in de desbetreffende paragraaf. + + + Zowel bij de grenscontrole als bij de uitoefening van het binnenlands vreemdelingentoezicht mag van hen echter niet worden gevraagd aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken en aan hen mogen geen gegevens worden gevraagd omtrent doel en duur van hun verblijf in ons land. Ook blijft ten aanzien van hen controle aan de hand van het opsporingsregister achterwege. + + + Het kan voorkomen, dat een persoon die op grond van artikel 50, eerste lid, Vreemdelingenwet staande is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, zich beroept op het bezit van een bijzondere status als bedoeld onder 3.1, maar niet terstond door het tonen van een legitimatiebewijs of identiteitsdocument aannemelijk kan maken dat hij die status inderdaad bezit. In dat geval kunnen de bepalingen van de Vreemdelingenwet worden toegepast. + In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient direct contact te worden opgenomen met het ministerie van Buitenlandse Zaken (op werkdagen van 9:00 tot 17:00, de Directie Kabinet en Protocol, telefoonnummer: 070 - 348 61 38), dat hiertoe ook buiten werkdagen voor noodgevallen telefonisch bereikbaar is (meldkamer, telefoonnummer: 070 - 348 42 78). + Zolang niet duidelijk is geworden dat de Vreemdelingenwet niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het ophouden op een plaats bestemd voor verhoor (zie A4 Vreemdelingencirculaire). + + + Over de wijze waarop gevallen, als in voorgaande alinea bedoeld, zijn afgedaan, dient steeds schriftelijk rapport te worden uitgebracht aan de Minister (zie A4). + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.4. Positie na beëindiging van de bijzondere status + +Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie komt de uitgezonden status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de Vreemdelingenwet worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.1. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon + +Indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit kan de vreemdeling in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. + + + Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden artikel 14, 16 en 17 Vreemdelingenwet onverkort. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 3.4.2. Verblijfsstatus van de gezinsleden van ex-geprivilegieerden + +– meerderjarig is op het moment van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en gedurende ten minste tien jaren op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 21 Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.93 Vreemdelingenbesluit, in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; +– op het moment van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd minderjarig is of korter dan tien jaar op grond van een bijzondere geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, kan in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, indien wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 16 Vreemdelingenwet, in samenhang met artikel 3.13 t/m 3.22 Vreemdelingenbesluit. + +##### 3.4.3. Leges + +De legesbepalingen als genoemd in B1/4.1.2 en artikel 3.34 Voorschrift Vreemdelingen zijn onverkort van toepassing. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 3.5. EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden + +EU- en EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland (zie B10 Vreemdelingencirculaire). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +### 4. Categorieën van krachtens een internationale overeenkomst geprivilegieerde vreemdelingen + +#### 4.1. Verenigde Naties + +Vertegenwoordigers van de lidstaten bij de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, indien zij werkzaam zijn en reizen in de uitoefening van hun functie, alsmede hun echtgenoten. + + + Als vertegenwoordigers worden mede beschouwd plaatsvervangend vertegenwoordigers, adviseurs, technische deskundigen en secretarissen van delegaties. + + + De voorzitter, leden, griffier en substituut-griffier van het Internationale Gerechtshof en de overige functionarissen bij dat Hof, hun echtgenoten, alsmede niet gehuwde kinderen, die financieel afhankelijk van hen zijn en zonder beroep en de tot hun gevolg (gouvernantes, particuliere secretarissen, dienstpersoneel) behorende personen. + + + Deze vreemdelingen zijn in het bezit van een geprivilegieerdendocument (model M81) afgegeven door de Minister van Buitenlandse Zaken, bedoeld in bijlage 3, sub A, Voorschrift Vreemdelingen. + De vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris der Verenigde Naties voor vluchtelingen in Nederland, zijn echtgenote en niet gehuwde kinderen die financieel afhankelijk van hem zijn en zonder beroep. Deze vertegenwoordiger is in het bezit van een geprivilegieerdendocument (model M81) afgegeven door de Minister van Buitenlandse Zaken, bedoeld in bijlage 3, sub A, Voorschrift Vreemdelingen. + + + Bepaalde categorieën functionarissen van bovengenoemde organisatie alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. Deze functionarissen zullen in de regel in het bezit zijn van een ‘laissez-passer’ van de Verenigde Naties, dat tevens als document voor grensoverschrijding geldt, bedoeld in bijlage 3, sub E, Voorschrift Vreemdelingen. + N.B. Niet inwonende studerende kinderen behouden hun bevoorrechte status. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.2. Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) + +##### 4.2.1. Geprivilegieerde NAVO-vreemdelingen + +###### 4.2.1.1. Verdrag van Ottawa + +– vertegenwoordigers van de lidstaten bij een der organen van de NAVO, niet zijnde een militair lichaam, onder wie ook adviseurs en technische deskundigen van delegaties, en het officieel administratief personeel dat deze vertegenwoordigers vergezelt, alsmede hun echtgenoten; +– bepaalde door de organisatie vastgestelde categorieën NAVO-functionarissen, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde naaste familieleden die bij hen inwonen. + +###### 4.2.1.2. NAVO-statusverdrag + +Op grond van het NAVO-statusverdrag en het daarbij behorende Hoofdkwartieren Protocol zijn militairen van een krijgsmacht van een Lid-Staat geprivilegieerd, indien zij verbonden zijn aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (RHQ AFNORTH) of een daarmee gelijkgestelde organisatie (NATO C3 AGENTSCHAP, SHAPE TECHNICAL CENTRE) dan wel behoren tot een hier te lande gelegerd of op doortocht zijnd onderdeel van zodanige krijgsmacht. + + + Deze militairen zijn in het bezit van een persoonlijk militair identiteitsbewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst, en, voorzover niet hier te lande gestationeerd, van een collectieve of individuele reiswijzer, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst of door het hoofdkwartier dan wel de organisatie waarbij zij zijn te werk gesteld. + Deze documenten gelden tevens als document voor grensoverschrijding, bedoeld in bijlage 3, sub E, Voorschrift Vreemdelingen. + De commandant van RHQ AFNORTH en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van Buitenlandse Zaken, bedoeld in bijlage 3, sub A, Voorschrift Vreemdelingen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +##### 4.2.2. Niet-geprivilegieerde NAVO-vreemdelingen + +###### 4.2.2.1. Algemeen + +In deze paragraaf is een verblijfsregeling opgenomen voor een aantal categorieën NAVO-vreemdelingen die niet op gelijke voet geprivilegieerd zijn als de vreemdelingen genoemd onder 1, maar wier verblijf hier te lande wordt geacht een wezenlijk Nederlands belang te dienen. + + + De categorieën zijn vermeld in artikel 3.40 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.40 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel aan: + + + a. + de militair die in Nederland woonachtig is en die niet behoort tot een in Nederland gelegerde of op doortocht zijnde krijgsmacht en evenmin verbonden is aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en niet geprivilegieerd is; + + + b. + de vreemdeling die behoort tot het burgerpersoneel, die in Nederland woont en die in dienst is van een krijgsmacht of van een internationaal militair hoofdkwartier, of + + + c. + de vreemdeling die gezinslid of familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b. + + + + + 2 + Onder gezinslid of familielid wordt verstaan: + + + a. + de echtgenoot of echtgenote; + + + b. + het kind beneden de leeftijd van 21 jaar, en + + + c. + de bloedverwant of aanverwant van de vreemdeling of zijn echtgenoot, in opgaande en neerdalende lijn, voorzover die te zijnen laste komt. + + + + + + + De verblijfsregeling in deze paragraaf geldt voor vreemdelingen behorend tot één van de categorieën als genoemd in bedoeld artikel, met uitzondering van die vreemdelingen die als EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland hebben (zie B10 Vreemdelingencirculaire). + + + Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in artikel 3.40 Vreemdelingenbesluit bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van toepassing. Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +###### 4.2.2.2. Regeling van het verblijf + +Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in artikel 3.40 Vreemdelingenbesluit komen, mits aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1 Vreemdelingencirculaire), in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. + Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie de artikelen 3.34 en 3.34a Voorschrift Vreemdelingen). + + + Als algemene voorwaarde geldt onder meer het ondergaan van een tuberculoseonderzoek (zie B1/2.2.5; zie ook artikel 3.79 en 4.46 Vreemdelingenbesluit). + + + + + Artikel + 3.79 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt. + + + 2 + De aanvraag kan niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. + + + + + + + Artikel + 4.46 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de Wet mee aan een onderzoek naar tuberculose. + + + 2 + Het eerste lid geldt niet voor onderdanen van een staat die partij is bij de Europese Gemeenschap, onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. + + + + + Voorzover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan vreemdelingen behorend tot een van deze categorieën voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in bijlage 7a Voorschrift Vreemdelingen. + + + Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in bijlage 7a Voorschrift Vreemdelingen worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document. + + + De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar, met dien verstande dat de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet mag overschrijden. + Zie artikel 3.63 Vreemdelingenbesluit. + + + + + Artikel + 3.63 + Vreemdelingenbesluit: + + In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan. + + +200215109-08-200224-07-200251700351/02/IND200215109-08-200224-07-200251700351/02/IND11-08-2002 + +###### 4.2.2.3. Machtiging tot voorlopig verblijf + +Voor de behandeling van aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf wordt verwezen naar B1/1. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +###### 4.2.2.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschriften + +Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 3.40 Vreemdelingenbesluit wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet verleend onder de beperking: ‘verblijf als NAVO-vreemdeling’ en met aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ + +###### 4.2.2.5. Registratie + +De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder b en hun gezinsleden bedoeld onder c, Vreemdelingenbesluit. + De bedoelde vreemdelingen behoeven, ingevolge de wet- en regelgeving van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) niet voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters. + Vreemdelingen als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder a en hun gezinsleden bedoeld onder c, Vreemdelingenbesluit worden opgenomen in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente waar zij woonachtig zijn. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 4.3. Raad van Europa + +De leden van de Raadgevende vergadering van de Raad van Europa en hun vervangers, alsmede de Secretaris-Generaal, die zich begeven naar of terugkeren van de plaats van samenkomst van de Vergadering. + Vertegenwoordigers van de lidstaten bij de Raad van Europa, in het Comité van Ministers van de Raad van Europa, op vergaderingen van de plaatsvervangers der Ministers en op andere vergaderingen bijeengeroepen door de Raad van Europa, alsmede hun echtgenoten. Als vertegenwoordigers worden mede beschouwd plaatsvervangend vertegenwoordigers, adviseurs, technische deskundigen en secretarissen van delegaties. + De leden van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van samenkomst, alsmede hun echtgenoten. + De rechters, de griffier en de plaatsvervangend griffier van het Europees Hof van de Rechten van de Mens gedurende de uitoefening van hun functie en gedurende reizen gemaakt in de uitoefening van hun functie, alsmede hun echtgenoten. + Bepaalde door de Raad aangewezen categorieën functionarissen van de Raad van Europa alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.4. Europese Unie + +De leden van de Vergadering (dat wil zeggen het Europees Parlement) die zich naar de plaats van bijeenkomst der Vergadering begeven of daarvan terugkeren. + + + Aan de werkzaamheden van de instellingen van de Unie deelnemende vertegenwoordigers van de lidstaten, alsmede hun raadslieden en deskundigen, en de leden van de raadgevende organen van de Unie, gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van samenkomst, alsmede hun echtgenoten. + + + De rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van – alsmede de advocaten-generaal bij – het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. + + + De leden van de Commissie van de Europese Unie en door de Raad aangewezen categorieën ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. Zij zullen in de regel door de Voorzitter van de Commissie of de Raad in het bezit zijn gesteld van een ‘laissez-passer’ dat tevens als document voor grensoverschrijding geldt, als bedoeld in bijlage 3, sub E, lid 2, Voorschrift Vreemdelingen. + + + De ambtenaren en overige personeelsleden die door de Europese Gemeenschappen te werk zijn gesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Petten en op andere plaatsen op Nederlands grondgebied waar de Gemeenschappen diensten vestigen, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. + + + De betreffende functionarissen worden door de Europese Gemeenschappen ter legitimatie in het bezit gesteld van een – niet als document voor grensoverschrijding geldende – Dienstpas of van een voorlopige dienstkaart. De eveneens geprivilegieerde gezinsleden van de hier bedoelde functionarissen worden in het bezit gesteld van een verklaring. + Voor hen is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + + + Het personeel geplaatst bij de Stichting Reactor Centrum Nederland te Petten behoort niet tot de hier bedoelde categorie personen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.5. Europese lnvesteringsbank + +De leden van de organen van de Europese Investeringsbank en de vertegenwoordigers van de lidstaten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, alsmede hun echtgenoten. + + + De personeelsleden van de Europese Investeringsbank, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. Zij zullen in de regel door de President van de Bank in het bezit zijn gesteld van een ‘laissez-passer’ dat tevens als document voor grensoverschrijding geldt, als bedoeld in bijlage 3, sub E, lid 2, Voorschrift Vreemdelingen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.6. Europees Ruimte Agentschap (ESA) + +De vertegenwoordigers van de lidstaten bij het Europese Ruimte Agentschap (ESA) en hun plaatsvervangers gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van samenkomst van de Raad en zijn suborganen, alsmede hun echtgenoten. + + + De Directeur-Generaal van deze organisatie, zijn plaatsvervanger en de door de Raad aangewezen leden van het stafpersoneel van de organisatie, alsmede hun echtgenoten en bij hen inwonende familieleden. + + + De leden van het stafpersoneel van de organisatie die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen bij het Europese Centrum voor Ruimteonderzoek en Techniek (ESTEC) alsmede hun echtgenoten en de bij hen inwonende familieleden, voorzover zij ten bewijze daarvan in het bezit zijn van een door de ESA afgegeven identiteitsbewijs, voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort, dat tevens vrijstelt van visumplicht in geval van terugkeer naar Nederland. Dit identiteitsbewijs verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + Voor het verrichten van werkzaamheden in dienst van ESTEC door leden van het stafpersoneel van deze organisatie is geen tewerkstellingsvergunning vereist. Wordt door hen echter daarnaast andere arbeid in loondienst verricht, dan geldt – tenzij het betreft vreemdelingen die als EU/EER-onderdanen of als Zwitserse onderdanen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland hebben (zie B10 Vreemdelingencirculaire) – de vrijstelling van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning niet voor het uitoefenen van die nevenwerkzaamheden. Ook voor de inwonende gezinsleden van een lid van het stafpersoneel van ESTEC – dat wil zeggen de echtgeno(o)t(e) en de minderjarige kinderen – is een tewerkstellingsvergunning vereist, indien het lid van het stafpersoneel, of zijzelf, niet zijn aan te merken als vreemdelingen die als EU/EER-onderdanen of als Zwitserse onderdanen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel e, Vreemdelingenwet in Nederland hebben (zie B10 Vreemdelingencirculaire). + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +#### 4.7. West-Europese Unie + +De vertegenwoordigers van de Lid-Staten bij de Vergadering van de West-Europese Unie en hun plaatsvervangers, gedurende de reis naar en van de plaats waar de vergadering wordt gehouden. + + + Alle vertegenwoordigers, adviseurs en technische deskundigen bij de Raad der West-Europese Unie en bij de hulporganen daarvan alsmede het officiële administratieve personeel dat een vertegenwoordiger van een Staat vergezelt, zolang zij voor de uitoefening van hun functie reizen, alsmede hun echtgenoten. + + + Bepaalde door de Raad aangewezen functionarissen alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde naaste familieleden die bij hun inwonen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.8. Europese Octrooi-organisatie + +De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten van de Europese Octrooi-organisatie, hun plaatsvervangers en hun adviseurs of deskundigen bij de vergaderingen van de Raad van Bestuur of ieder orgaan dat door deze Raad is ingesteld op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, alsmede hun echtgenoten. + + + De voorzitter van het Europees Octrooibureau en de personeelsleden van het bureau, alsmede hun inwonende gezinsleden. + + + De personeelsleden van het Europees Octrooibureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen bij het onderdeel van genoemd bureau te ’s-Gravenhage/Rijswijk, alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door de organisatie afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort, welke tevens vrijstelt van visumplicht bij terugkeer naar Nederland. Deze identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. Voor de personeelsleden is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.9. Internationale Douaneraad + +De vertegenwoordigers van de lidstaten bij de Internationale Douaneraad op vergaderingen van de Raad, van het Permanente Technische Comité en de Comités van de Raad, gedurende uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van samenkomst, alsmede hun echtgenoten. Als vertegenwoordigers worden mede beschouwd plaatsvervangend vertegenwoordigers, adviseurs, technische deskundigen en secretarissen van delegaties. + + + Bepaalde door de Raad aangewezen categorieën functionarissen van de Raad, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. De functionarissen zullen doorgaans in het bezit zijn van een door de Secretaris-Generaal van de Raad afgegeven ‘laissez-passer’ dat tevens als document voor grensoverschrijding geldt, als bedoeld in bijlage 3, sub E, lid 3, Voorschrift Vreemdelingen. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.10. Aziatische Ontwikkelingsbank + +De vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de lidstaten in de Raad van bestuur van de Aziatische Ontwikkelingsbank, alsmede hun echtgenoten. + + + De bewindvoerders en hun plaatsvervangers, het leidinggevend en ander personeel, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. + + + Bovengenoemde personen zijn te hunner legitimatie in het bezit van een certificaat, afgegeven door de Bank. Dit certificaat verliest haar geldigheid per 1 juli 2002, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.11. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) + +De vertegenwoordigers van de lidstaten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), hun plaatsvervangers, de raadslieden, technische deskundigen en secretarissen van delegaties, indien zij in de uitoefening van hun functie reizen, alsmede hun echtgenoten. + + + Bepaalde door de Secretaris-Generaal aangewezen categorieën functionarissen, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.12. Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht + +De functionarissen van het Permanente Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde personen die zonder beroep zijn. De functionarissen zijn in het bezit van een door het ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven geprivilegieerdendocument (model M81). Voor hen is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.13. Iran-USA Claims Tribunal + +De leden en functionarissen van het Iran-USA Claims Tribunal, alsmede hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde personen die zonder beroep zijn. De functionarissen zijn in het bezit van een door het ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven geprivilegieerdendocument (model M81). + Voor hen is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.14. Internationale Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek (lSNAR) + +De Directeur-Generaal en de overige personeelsleden van de Internationale Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek (ISNAR) te ’s-Gravenhage, alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door ISNAR afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort. Deze identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + Voor de Directeur-Generaal en de overige personeelsleden is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.15. Technisch Centrum voor Landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA) + +De Directeur van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA) te Ede/Wageningen en de Toegevoegd Adviseur van de Directeur. Betrokkenen zijn in het bezit van een door het ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven geprivilegieerdendocument (model M81). + Voor hen is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + De overige personeelsleden van bovengenoemd Centrum alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door het Centrum afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort, welke tevens vrijstelt van visumplicht ingeval van terugkeer naar Nederland. Deze identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + + + Voor de personeelsleden is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.16. Instituut voor Nieuwe Technologieën (INTECH) + +De Directeur van het Instituut voor Nieuwe Technologieën (INTECH) te Maastricht. + Indien de betrokkene niet duurzaam in Nederland verblijft, wordt hij door het ministerie van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een legitimatiebewijs. Voor hem is geen tewerkstellingsvergunning vereist. Indien de betrokkene duurzaam in Nederland verblijft (zie 1.1.1, onder b), is het gestelde onder b op hem van toepassing. + + + De overige personeelsleden van bovengenoemd Instituut alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door het Instituut afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort, welke tevens vrijstelt van visumplicht ingeval van terugkeer naar Nederland. Deze identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + Voor de personeelsleden is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.17. African Management Services Company (AMSCO BV) + +De personeelsleden van AMSCO BV te Amsterdam alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door het bedrijf afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort. Deze identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid, waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. Voor de personeelsleden is geen tewerkstellingsvergunning vereist. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.18. Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OPCW) + +De Uitvoerend Secretaris, de Plaatsvervangend Uitvoerend Secretaris, de overige personeelsleden en hun inwonende gezinsleden. + Deze personen zijn in het bezit van een geprivilegieerdendocument (model M81), afgegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.19. Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 + +De voorzitter, leden, openbare aanklager, griffier, de overige functionarissen alsmede hun inwonende gezinsleden. + Deze personen zijn in het bezit van een geprivilegieerdendocument (model M81), afgegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +#### 4.20. Internationale Thee Promotie Associatie (ITPA) + +De vertegenwoordigers van de Leden van de Internationale Thee Promotie Associatie (ITPA) te Rotterdam gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van samenkomst, alsmede hun echtgenoten. Vertegenwoordigers zijn hoofden van delegaties en hun plaatsvervangers. + + + De Uitvoerend Directeur van de Associatie, zijn plaatsvervanger, alsmede hun echtgenoten en niet gehuwde kinderen die financieel van hun afhankelijk zijn en zonder beroep. + + + Betrokkenen zijn in het bezit van een door het ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven geprivilegieerdendocument (model M81), dat tevens vrijstelt van de visumplicht in geval van terugkeer naar Nederland (zie bijlage 3, onder A, sub 3, Voorschrift Vreemdelingen). + + + De personeelsleden van bovengenoemde organisatie alsmede hun inwonende gezinsleden, mits zij in het bezit zijn van een door de Associatie afgegeven identiteitskaart voorzien van een foto van de houder en het nummer van diens paspoort, dan wel van het geprivilegieerdendocument (model M81). De door de Associatie afgegeven identiteitskaart verliest per 1 juli 2002 haar geldigheid waarna alleen het geprivilegieerdendocument (model M81) nog geldigheid heeft. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +## B13. Verblijf voor familiebezoek + +### 1. Inleiding + +Verblijf voor familiebezoek wordt slechts voor korte duur en onder bepaalde voorwaarden toegestaan. + + + Verblijf voor familiebezoek wordt in beginsel voor maximaal drie maanden toegestaan. + Aan visumplichtige vreemdelingen kan voor deze periode een reisvisum worden verleend. + Niet-visumplichtige vreemdelingen kunnen gedurende hun vrije termijn voor familiebezoek in Nederland verblijven. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 2. Familiebezoek voor langer dan drie maanden + +Voor alle vreemdelingen uit mvv-plichtige landen die voor familiebezoek van langer dan drie maanden in Nederland willen verblijven, geldt dat zij tevoren in het buitenland een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf moeten hebben ingediend en verkregen. Zij kunnen vervolgens in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden, te berekenen vanaf de dag na inreis in Nederland. + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 3. Voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning + +a. de vreemdeling dient te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding (paspoort) dat de wedertoelating tot het land van herkomst waarborgt; +b. de vreemdeling heeft een familierechtelijke betrekking met een Nederlander dan wel met een in Nederland verblijvend familielid, dat rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e dan wel l van de Vreemdelingenwet; en +c. de vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf en over middelen (bijvoorbeeld een reisbiljet) voor de terugreis. + +Ad b Voor verblijf voor familiebezoek worden de volgende personen als familieleden aangemerkt: + +– echtgenoten of geregistreerde partners; +– bloedverwanten tot en met de vierde graad; en +– aanverwanten tot en met de tweede graad. + +Ad c *Duur van het voorgenomen verblijf* + +Op grond van artikel 3.29, tweede lid, Vreemdelingenbesluit zijn in afwijking van artikel 3.75 Vreemdelingenbesluit middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het voorgenomen verblijf beschikbaar zijn. + +Indien de eigen financiële middelen van de vreemdeling ontoereikend zijn, kan het verblijf slechts worden toegestaan wanneer het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant heeft gesteld voor de kosten van het levensonderhoud en van de terugreis. Hierbij geldt slechts dat één persoon (het familielid of de andere relatie) het verblijf kan bekostigen en garant staan. + +### 4. Beperking, voorschriften, arbeidsmarktaantekening + +Beperking en arbeidsmarktaantekening + + + De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ……. (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’. Arbeid niet toegestaan. + + + EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen + + + De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ……..(naam familielid) van ten hoogste zes maanden’. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. + + + Voorschriften + + + + + Artikel + 3.7 + Vreemdelingenbesluit: + + + 1 + Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden: + + + a. + het deponeren van een waarborgsom ter dekking van de kosten, verbonden aan de reis van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd; + + + b. + de schriftelijke garantstelling door een solvabele derde voor de kosten die voor de Staat en andere openbare lichamen uit het verblijf van de houder van de verblijfsvergunning kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, en + + + c. + het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. + + + + + 2 + In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd. + + + 3 + In plaats van zekerheid, gesteld overeenkomstig het eerste lid, onder a of b, kan zakelijke zekerheid worden gesteld. + + + 4 + Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt niet aan de verblijfsvergunning verbonden dan op aanwijzing van Onze Minister. + + + + + Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting, tenzij de betrokkene reeds verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet. + +200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)200313315-07-200320-06-2003HKUIT03-2758(AUB)17-07-2003 + +## B14. Molukkers + +### 1. Inleiding + +a. Molukkers die niet vallen onder de Wet betreffende de positie van Molukkers; en +b. Molukkers die vallen onder de Wet betreffende de positie van Molukkers. + +ad a. De Vreemdelingenwet is onverkort van toepassing op Molukkers die niet vallen onder de Wet betreffende de positie van Molukkers. Voor deze Molukkers gelden de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen en voorschriften. + +ad b. Molukkers, op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, worden behandeld als Nederlander. Zij zijn geen vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet. + +### 2. De verkrijging, het verlies en de herkrijging van de behandeling als Nederlander + +a. Molukkers, die in groepsverband in 1951 of 1952 naar Nederland zijn overgebracht, en die op 1 januari 1977 woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland hadden en niet het Nederlanderschap bezitten (artikel 1 Faciliteitenwet); +b. niet-Nederlandse kinderen van een vader of moeder, die de behandeling als Nederlander geniet of, indien nog in leven, zou hebben genoten, mits deze kinderen op 1 januari 1977 woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland hadden (artikel 2 Faciliteitenwet); +c. Molukkers, welke met de onder a en b bedoelde personen nauwe maatschappelijke banden hebben, die zich vóór 1 oktober 1965 in Nederland hebben gevestigd en die op het tijdstip van het indienen van een verzoek om behandeling als Nederlander woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland hebben. Hun behandeling als Nederlander blijkt uit een door de Minister van Justitie afgegeven verklaring (artikel 3, eerste lid, Faciliteitenwet). Met personen met nauwe maatschappelijke banden worden Molukkers bedoeld die in het kader van gezinshereniging in Nederland zijn toegelaten en Molukkers die voor 1 oktober 1965 al een behandeling als Nederlander verkregen; +d. kinderen van Molukkers bedoeld onder c, met dien verstande dat de kinderen ten tijde van het indienen van het verzoek om behandeling als Nederlander door hun ouder(s) woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland hadden (artikel 3, tweede lid, Faciliteitenwet); +e. kinderen geboren na 1 januari 1977, maar voor 1 januari 1985, uit een moeder die ten tijde van de geboorte van het kind de behandeling als Nederlander genoot dan wel later die behandeling heeft verkregen. Deze kinderen verkrijgen de behandeling als Nederlander vanaf de geboorte dan wel het tijdstip waarop de moeder de behandeling als Nederlander heeft verkregen (artikel 6, tweede lid, Faciliteitenwet); +f. kinderen die na 1 januari 1977, maar voor 1 januari 1985, krachtens een beslissing van een Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse rechter adoptiefkinderen zijn geworden van een vrouw die ten tijde van de adoptie van het kind de behandeling als Nederlander genoot dan wel deze op een later tijdstip heeft verkregen. De adoptiefkinderen verkrijgen de behandeling als Nederlander vanaf de adoptie dan wel het tijdstip waarop de moeder de behandeling als Nederlander heeft verkregen (artikel 6, derde lid, Faciliteitenwet); +g. de niet-Nederlandse vrouw of man die 3 jaar of langer de echtgeno(o)t(e) is van een persoon als bedoeld onder a of b, die niet uit eigen hoofde de behandeling als Nederlander geniet en die behandeling heeft verkregen door de wil daartoe kenbaar te maken aan de daartoe bevoegde autoriteit (artikel 8, eerste lid, Faciliteitenwet). Vóór 20 december 1991 gold ten aanzien van het huwelijk niet een bepaalde termijn; +h. de niet-Nederlandse vrouw of man, die de echtgeno(o)t(e) is van een Molukker bedoeld onder c, die niet reeds uit eigen hoofde de behandeling als Nederlander geniet en die behandeling heeft verkregen door de wil daartoe kenbaar te maken aan de burgemeester van zijn of haar woonplaats (artikel 8, tweede lid, Faciliteitenwet); +i. kinderen geboren op of na 1 januari 1985, van wie ten tijde van hun geboorte de vader of de moeder recht heeft op behandeling als Nederlander, alsmede het kind van een Molukker die de behandeling als Nederlander verkreeg en overleden is voordat het kind werd geboren (artikel 6, eerste lid, Faciliteitenwet). Dit gold ook vóór 1 januari 1985. Echter, toen kon de behandeling als Nederlander alleen aan de moeder worden ontleend, indien de vader wettelijk onbekend was of indien het in het Koninkrijk geboren kind aan de vader geen nationaliteit ontleende. Bij wet van 4 december 1991, Stb. 672, tot wijziging van de Wet betreffende de positie van Molukkers, is dat hersteld (zie onder e); +j. de tussen 1 januari 1977 en 1 april 2003 door een Molukker, die de behandeling als Nederlander geniet, erkende minderjarige kinderen (artikel 6, eerste lid, Faciliteitenwet); +k. de kinderen van de onder j. bedoelde erkende kinderen, die gedeeld hebben in de verkrijging van de behandeling als Nederlander (artikel 6, eerste lid, Faciliteitenwet). + +### 3. Bewijs dat men als Nederlander dient te worden behandeld + +Aan de persoon die de behandeling als Nederlander geniet, wordt op zijn verzoek een verklaring afgegeven dat hij overeenkomstig de bepalingen van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld. Deze verklaring wordt afgegeven door de burgemeester van zijn woonplaats of werkelijke verblijfsplaats, of indien de verzoeker buiten Nederland woont door de burgemeester van de gemeente waar hij laatstelijk woonplaats of werkelijk verblijf heeft gehad. Indien de burgemeester weigert een dergelijke verklaring af te geven, kan de verzoeker zich wenden tot de Minister van Justitie met het verzoek dat alsnog een verklaring wordt afgegeven (artikel 7 Wet betreffende de positie van Molukkers). + Uiteraard kan ook de door de Minister van Justitie ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende de positie van Molukkers, afgegeven verklaring dienen als bewijs dat men als Nederlander dient te worden behandeld + +20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001 + +### 4. Reisdocumenten + +– Nederlands nationaal paspoort, waarin als nationaliteit ‘Nederlandse’ is vermeld; +– Europese Identiteitskaart, waarin als nationaliteit ‘Nederlandse’ is vermeld; +– faciliteitenpaspoort; dit is een Nederlands paspoort met de aantekening dat de houder als Nederlander wordt behandeld op grond van de wet van 9 september 1976, Staatsblad 468. +– Nederlands paspoort voor vreemdelingen; +– Indonesisch paspoort; +– een ander vreemd paspoort. + +## B15. Kennismigranten + +### 1. Inleiding + +Dit hoofdstuk regelt het verblijf van vreemdelingen die als kennismigrant een bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie. Het betreft dus vreemdelingen die verblijf als kennismigrant beogen dan wel in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Vreemdelingen die arbeid in loondienst, anders dan als kennismigrant, of arbeid als zelfstandige verrichten, vallen onder het bepaalde in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire. + + + In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in hoofdstuk B1 van de Vreemdelingencirculaire, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (B15/5.1). + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 2. Samenhang Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen + +Het verbod om vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning te werk te stellen is op grond van artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen niet van toepassing op de tewerkstelling van kennismigranten. De kennismigranten wier werkgevers ingevolge artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen niet langer hoeven te beschikken over een tewerkstellingsvergunning, kunnen voor de duur van maximaal vijf achtereenvolgende jaren in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant. Deze beperking is opgenomen in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 3. De kennismigrant + +Voor de definiëring van kennismigranten is in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen gekozen voor een eenduidig en objectief criterium, namelijk het looncriterium. + + + Het looncriterium is voor kennismigranten die op het moment van de aanvraag dertig jaar en ouder zijn, een bruto jaarloon van € 45.000. Het bedrag met betrekking tot de vreemdeling van dertig jaar en ouder wordt jaarlijks per 1 januari door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid herzien met de procentuele wijziging van het meest recente indexcijfer der CAO-lonen, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. + + + Is de kennismigrant jonger dan dertig jaar, dan dient het bruto jaarloon tenminste gelijk te zijn aan het bedrag genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Ziekenfondswet dat per 1 januari 2005 is vastgesteld op € 33.000. Verwezen wordt naar de relevante Wijzigingsbesluiten Vreemdelingencirculaire normbedragen die zijn opgenomen in hoofdstuk C2 onder “Bijzonder beleid”. + Laatstgenoemde categorie blijft ook na hun dertigste kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij tenminste een bruto jaarloon, gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Ziekenfondswet, verdient. + + + Voorts worden promovendi, ongeacht hun leeftijd, in dienst van onderwijs- of onderzoeksinstellingen, en daarnaast universitaire docenten en postdoctoralen onder de dertig jaar aangemerkt als kennismigrant. Voor hen geldt geen looncriterium. + + + Uitgezonderd van verblijf als kennismigrant zijn beroepssporters in het betaalde voetbal, geestelijke voorgangers en godsdienstleraren, en vreemdelingen die werkzaamheden verrichten die geheel of ten dele bestaan in het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden. + + + Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van promovendus, of van universitair docent dan wel postdoctoraal jonger dan dertig jaar, kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (model M140), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 4. De procedurele aspecten + +De toelatingsprocedure met betrekking tot de kennismigranten behelst een versnelde procedure. Dit betekent dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken, en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 4.1. De verklaring van de werkgever (model M140) + +Artikel + 3.25a + Voorschrift Vreemdelingen: + + Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is opgenomen in bijlage 12a van deze regeling. + + + + Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend. + Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (model M 140) in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. + In deze verklaring geeft de werkgever garanties met betrekking tot onder meer de volledigheid van het verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of de aanvraag om een verblijfsvergunning die hij ten behoeve van of namens de kennismigrant indient, het voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant door de vreemdeling en het niet ten koste komen van de Nederlandse Staat van het verblijf van kennismigranten. Daarnaast neemt de werkgever de verplichting op zich de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te informeren zodra de situatie van de werknemer zich wijzigt. Doordat de werkgever een aantal verplichtingen op zich neemt, wordt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in staat gesteld de aanvragen om verblijf als kennismigrant via een versnelde procedure af te doen. + Nu de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen: + + + – + een bewijs van inschrijving in het Handelsregister, niet ouder dan dertig dagen, verstrekt door de Kamer van Koophandel dan wel een bewijs waaruit blijkt dat inschrijving in het Handelsregister niet verplicht is; + + + – + (indien van toepassing) een bewijs dat het een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling betreft; + + + – + een verklaring betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst; + + + – + een verklaring premieafdracht, afgegeven door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). + + + + + Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De –alsnog- overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken. Als de stukken niet of niet volledig zijn overgelegd, is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. + Als de stukken niet of niet volledig zijn overgelegd dan wel de inhoud van de stukken daartoe aanleiding geeft, kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nader onderzoek (laten) doen naar de werkgever. De gebruikelijke behandeltermijn van 2 weken is in het geval van nader onderzoek niet van toepassing. + De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verstrekt een negatief advies aan de werkgever dan wel wijst de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af als niet aannemelijk is dat de werkgever de in overgelegde verklaring neergelegde verplichtingen zal (kunnen) nakomen. + De verklaring kan worden verkregen via de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (www.ind.nl), onder de kennismigrantenmodule. + De verklaring dient elektronisch door de werkgever te worden ingevuld. De door de werkgever ingevulde en ondertekende verklaring (de printversie) dient, met de hierboven vermelde stukken, door de werkgever per post te worden verzonden naar: + Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) + Loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) + Postbus 3022, + 2280 GA Rijswijk + + + *Het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)* + + + Als het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (www.ind.nl) toegang krijgt tot: + + + – + het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ (model M141); + + + – + het aanvraagformulier: aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv (model M58); + + + – + het aanvraagformulier: aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv (model M59). + + + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 4.2. Verzoek om advies + +Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland dient de werkgever in Nederland door middel van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ (model M141) te verzoeken om een advies in verband met het voornemen van de kennismigrant om een mvv aan te vragen in het buitenland. + + + * Het model M141* + + + Het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ (model M 141) kan worden verkregen via de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (www.ind.nl), en wel op de kennismigrantenmodule. De werkgever vult het formulier elektronisch in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + + + *Gezinsleden* + + + De werkgever kan namens de gezinsleden van de kennismigrant, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In dat geval dient de werkgever het verzoek om advies ten behoeve van de gezinsleden gelijktijdig in met het verzoek om advies ten behoeve van de kennismigrant. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van de hoofdstukken B1 en B2 van de Vreemdelingencirculaire zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald. + + + De verzoeken om advies ten behoeve van gezinsleden die niet tegelijk met het verzoek om advies ten behoeve van de kennismigrant worden ingediend, worden door middel van een model M138 ingediend. Het ingevulde formulier dient, vergezeld van de vereiste stukken, per post te worden verzonden naar de Visadienst. + + + De beslistermijn van twee weken geldt niet voor de verzoeken om advies ten behoeve van de gezinsleden die verblijf bij een kennismigrant beogen en die niet tegelijk met het verzoek om advies ten behoeve van de kennismigrant zijn ingediend. Deze verzoeken worden niet in behandeling genomen door het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en maken geen deel uit van de versnelde procedure. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning + +Artikel + 3.26a + Voorschrift Vreemdelingen: + + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Besluit, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter b aangeduide model. + + + + + + Artikel + 3.33a + Voorschrift Vreemdelingen : + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. + + + 2 + In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking, genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder s van het Besluit, ingediend bij de korpschef van de politieregio waar de aangifte is gedaan. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder y van het Besluit, ingediend bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + + + + + De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), en wel door middel van een aanvraagformulier: + + + – + aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv (model M58); of + + + – + aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv (model M59). + + + + + *Het verkrijgen van het aanvraagformulier (model M58 of M59)* + + + Het aanvraagformulier kan worden verkregen via de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (www.ind.nl), en wel op de kennismigrantenmodule. Het aanvraagformulier dient elektronisch te worden ingevuld. + + + De werkgever dient het ingevulde en door de kennismigrant ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld met de vereiste stukken, per post te verzenden naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + Als de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), maakt hij daartoe een afspraak met het loket. + + + * Gezinsleden* + + + De werkgever of de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, kan met het formulier voor een aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning voor een kennismigrant (model M58 en M59) tevens een verblijfsaanvraag doen voor de meegereisde echtgeno(o)t(e), (geregistreerde) partner en/of de minderjarige kinderen. Het aanvraagformulier wordt door zowel de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt als door zijn gezinsleden ondertekend. + + + De aanvragen om een verblijfsvergunning van gezinsleden worden alleen door het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) behandeld als deze gelijktijdig met de aanvraag om een verblijfsvergunning van de kennismigrant zijn ingediend. Als de kennismigrant al in het bezit is van een verblijfsvergunning en zijn gezinsleden op een later moment een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen, moeten de gezinsleden hun aanvraag indienen middels de reguliere aanvraagformulieren (model M35-A, dan wel model M35-A-1), die verkrijgbaar zijn bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente van hun woonplaats. Deze aanvraag dient bij de Burgemeester van hun woon- of verblijfsplaats te worden ingediend. + + + Ook de aanvragen van gezinsleden die gelijktijdig met de aanvraag van de kennismigrant worden ingediend kunnen niet altijd binnen twee weken worden behandeld, bijvoorbeeld omdat andere, buiten de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gelegen procedures zoals inschrijving van het huwelijk in de Gemeentelijke Basis Administratie, moeten worden afgerond voordat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een beslissing kan nemen op de aanvraag. + + + *Wijziging beperking* + + + De beslistermijn van twee weken is niet van toepassing op aanvragen om wijziging van de beperking waaronder eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, deze beperking wil wijzigen in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +##### 4.3.1. Leges + +Betaling van de door de betrokken vreemdeling(en) verschuldigde leges vindt plaats door de werkgever door middel van een machtiging tot automatische incasso. Deze machtiging wordt door de werkgever bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van de automatische incasso geeft de werkgever een Nederlands bankrekeningnummer op. Als de werkgever geen machtiging tot automatische incasso afgeeft bij de aanvraag ontvangt de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een factuur met een acceptgiro van KPMG ter betaling van de verschuldigde leges. De beslistermijn van twee weken is dan niet van toepassing. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +##### 4.3.2. TBC-verklaring + +Artikel + 3.79 + Vreemdelingenbesluit + + + 1 + De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt. + + + 2 + De aanvraag kan niet op grond van artikel 16, eerste lid onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een bij ministeriële regeling vast te stellen landen. + + + + + Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voegt de kennismigrant dan wel voegen de kennismigrant en diens gezinsleden een kopie van de ingevulde en ondertekende TBC-verklaring (model M38) ten aanzien van de bereidheid om een TBC-onderzoek te ondergaan en aan een dergelijk onderzoek mee te werken. De vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt meldt zich met de originele TBC-verklaring tot de GGD voor het ondergaan van een TBC-onderzoek. Op grond van de ondertekende verklaring kan de verblijfsvergunning worden verleend. Achteraf stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), op basis van opgave door de GGD, vast of betrokkene aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan. Indien blijkt dat zulks niet het geval is wordt de vergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken op grond van het feit dat onjuiste gegevens zijn verstrekt. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +##### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen ( + +Artikel + 3.9 + Voorschrift Vreemdelingen + + + 1 + Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, b, d, e, f, g - laatstgenoemde twee onderdelen voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 – alsmede i en l van de Wet blijkt, worden verstrekt door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft. + + + 2 + Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder c, f, g - laatstgenoemde twee onderdelen voor zover er sprake is van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 – alsmede j en k van de Wet blijkt, worden verstrekt door de korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waarin de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft. + + + 3 + In afwijking van het eerste lid geschiedt de afgifte van documenten of schriftelijke verklaringen waaruit rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, van de Wet blijkt - voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid onder y, van het Besluit- door het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + + + + + De werkgever neemt contact op met het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen’(bijlage 7g Voorschrift Vreemdelingen) in het reisdocument van de kennismigrant(en) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de werkgever zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). + + + Indien de kennismigrant in het bezit is van een mvv wordt op de sticker aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of partner. + + + Indien de kennismigrant niet over een mvv beschikt wordt de volgende arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of partner. + + + Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de gemeente na de inwilliging van de aanvraag. + + + Voor de kennismigrant die op grond van artikel 17, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet is vrijgesteld van het mvv-vereiste, staat de mogelijkheid open om bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen ten einde zijn verblijfsaanspraak vooraf te laten toetsen (zie paragraaf B1/1.2.1). De werkgever in Nederland kan voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv middels het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ (model M 141) verzoeken om een advies omtrent de afgifte van een mvv (zie verder paragraaf B15/4.2). + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 5. Looncriterium + +#### 5.1. Het looncriterium + +Indien de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, aan de hand van een arbeidsovereenkomst of een aanstellingsbesluit kan aantonen dat hij werkzaam zal zijn bij een onderwijs- of onderzoeksinstelling als promovendus (ongeacht de leeftijd) of als universitair docent dan wel postdoctoraal jonger dan dertig jaar, kan hem verblijf als kennismigrant worden toegestaan, zonder dat hij hoeft te voldoen aan het looncriterium zoals dat door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vastgesteld voor verblijf als kennismigrant. Alsdan geldt het middelenvereiste onverkort (zie B1). + +##### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon + +In tegenstelling tot het middelenvereiste wordt bij de beoordeling van het looncriterium uitsluitend betekenis toegekend aan het loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen en in geld vastgestelde bruto loon. De waarde van niet in geld uitgekeerd loon en de waarde van onzekere loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen worden derhalve niet meegeteld. Vaste toeslagen zoals de vakantietoeslag en een dertiende maand kunnen bij dit bruto loon wel worden meegerekend. + +##### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium + +Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt in het kader van dit beleidsonderdeel aangetoond door het overleggen van: + +– een afschrift van de arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit; in het geval van een aanstelling als promovendus of universitair docent dan wel postdoctoraal moet in het aanstellingsbesluit of de arbeidsovereenkomst dan wel in een bijlage daarbij zijn aangegeven de functieduiding en de functiecode zoals gedefinieerd in het universitair functieordeningssysteem (UFO); +– een ingevulde loonstaat conform de bijlage die is opgenomen in het Handboek Loonheffing en premies werknemersverzekeringen 2004, uitgegeven door de Belastingdienst en UWV, voorzien van een handtekening van de werkgever en een bedrijfsstempel; +– indien in het kader van de zogenaamde 30%-regeling een netto jaarloon wordt uitbetaald dat lager is dan het vereiste bruto jaarloon: een berekening waaruit blijkt wat het bruto loon geweest zou zijn; +– indien sprake is van een overplaatsing in concernverband en geen arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het in Nederland gevestigde onderdeel dient in ieder geval een verklaring van het (moeder)bedrijf in het buitenland en een werkgeversverklaring van het in Nederland gevestigde onderdeel te worden overgelegd. Uit de verklaring van het moederbedrijf dient te blijken voor welke duur de kennismigrant wordt overgeplaatst en de hoogte van het bruto jaarloon. + +##### 5.1.3. Kortlopende arbeidsovereenkomsten + +Indien de vreemdeling beschikt over een arbeidsovereenkomst voor een kortere duur dan één jaar, dient de vreemdeling gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst naar rato te voldoen aan het criterium van het bruto jaarloon. De vreemdeling dient derhalve een loon in geld te genieten dat de uitkomst is van de rekensom: geldend looncriterium, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal maanden van de arbeidsovereenkomst. + +#### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen + +Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan. + + + Indien de vreemdeling niet voldoet aan het looncriterium maar aan de hand van een arbeidsovereenkomst of aanstellingsbesluit aantoont dat hij werkzaam zal zijn bij een onderwijs- of onderzoeksinstelling als promovendus, of als universitair docent dan wel postdoctoraal jonger dan 30 jaar, kan hem verblijf als kennismigrant worden toegestaan maar geldt het middelenvereiste onverkort (zie B1). + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning + +Echtgenoten en partners van kennismigranten krijgen op grond van artikel 3.57 Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. Na één jaar kan op grond van artikel 3:67, eerste lid, onder a ,Vreemdelingenbesluit de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (verwezen wordt naar hoofdstuk B2). Voor minderjarige kinderen van kennismigranten wordt tevens verwezen naar het bepaalde in hoofdstuk B2. + +### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften + +*Beperking* + + + Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van artikel 3.4, derde lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning verleend onder de beperking “verblijf als kennismigrant”. + + + *Arbeidsmarktaantekening* + + + Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: “Andere arbeid niet toegestaan. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht”. + + + De arbeidsmarktaantekening “andere arbeid niet toegestaan” houdt in dat een vreemdeling, die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant, uitsluitend arbeid als kennismigrant mag verrichten. + + + In het geval de kennismigrant drie onafgebroken jaren in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning als kennismigrant en hij daarna wijziging van de beperking in arbeid in loondienst aanvraagt, krijgt hij de arbeidsmarktaantekening ”arbeid vrij toegestaan; twv niet vereist”. + + + *Gezinsleden* + + + De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking “verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd)partner/ouder…(naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist”. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking “gezinshereniging bij …(naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist”. + + + *Voorschriften* + + + Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting tenzij de vreemdeling reeds verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking + +#### 8.1. Wijziging van werkgever + +Indien de kennismigrant van werkgever verandert, moet hij nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant. Op de nieuwe werkgever rust de verplichting aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te melden dat betrokken kennismigrant in dienst is getreden en daarbij een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en een ingevulde loonstaat te overleggen. + + + Indien de kennismigrant van werkgever verandert en hij een brutoloon verdient dat beneden het aan kennismigranten te stellen looncriterium ligt of andere werkzaamheden dan die als promovendus, universitair docent of postdoctoraal wil verrichten en/of bij een werkgever in dienst treedt die geen verklaring (model M140) in het kader van het kennismigrantenbeleid heeft overgelegd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt zijn verblijfsvergunning ingetrokken dan wel wordt de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning afgewezen. Indien de vreemdeling nog voor het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland wil verblijven, kan hij wijziging van de beperking in de beperking “ arbeid in loondienst” aanvragen. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 8.2. Zoekperiode + +Indien de arbeidsovereenkomst van de kennismigrant gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning door de werkgever voortijdig wordt ontbonden, zonder dat de kennismigrant daarvan een verwijt kan worden gemaakt, wordt hem een zoektermijn van drie maanden gegund. De werkgever maakt schriftelijk melding van de beëindiging van het dienstverband bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd geldt een zoekperiode van drie maanden voor de vreemdeling om een nieuwe functie als kennismigrant te verwerven. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant doet de (nieuwe) werkgever daarvan schriftelijk mededeling aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met overlegging van een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en een ingevulde loonstaat. In het geval dat de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt dient deze toegelaten te zijn tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (model M140) en dient de vreemdeling te voldoen aan het looncriterium, respectievelijk dient hij een functie als promovendus, of universitair docent dan wel postdoctoraal jonger dan dertig jaar te vervullen. Slaagt de vreemdeling er niet in binnen drie maanden een dergelijke functie te vinden dan wordt zijn verblijfsvergunning ingetrokken. + + + Indien de zoekperiode van drie maanden zich uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de kennismigrant dient de kennismigrant om verlenging van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant te vragen. Bij de behandeling van de aanvraag zal rekening gehouden worden met de (resterende) zoekperiode die de vreemdeling wordt gegund om een functie als kennismigrant te verwerven. Voor deze aanvraag is de gangbare behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant dient de kennismigrant, dan wel diens (nieuwe) werkgever, daarvan schriftelijk melding te doen met overlegging van een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en een ingevulde loonstaat. In het geval de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, deze is toegelaten tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (model M140) en de vreemdeling voldoet aan het looncriterium, respectievelijk een functie als promovendus, of universitair docent dan wel postdoctoraal jonger dan dertig jaar vervult, kan de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant worden verlengd. Vindt de vreemdeling geen baan als kennismigrant dan zal de aanvraag tot verlenging worden afgewezen. + + + Voor de vreemdeling die als promovendus een verblijfsvergunning als kennismigrant aanvraagt geldt dat deze zal worden verleend voor de periode die hij als promovendus aan een universiteit verbonden zal zijn. Na beëindiging van zijn werkzaamheden als promovendus is verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant slechts mogelijk indien de promovendus in onmiddellijke aansluiting op zijn verblijf als promovendus een andere functie als kennismigrant verwerft. In dat geval dient hij verlenging van de vergunning voor verblijf als kennismigrant aan te vragen waarbij getoetst zal worden aan het looncriterium. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking + +Artikel + 4.41 + Vreemdelingenbesluit : + + Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die niet rechtmatig verbleef of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken onmiddellijk aan Onze Minister, op diens vordering, de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt. + + + + + + Artikel + 4.43 + Vreemdelingenbesluit : + + De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet en die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen. + + + + Op de vreemdeling rust de verplichting om onmiddellijk aan de Korpschef melding te maken van het feit dat hij niet meer aan de beperking voldoet. Op de werkgever rust de verplichting om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) schriftelijk in kennis te stellen van het feit dat de kennismigrant niet langer bij deze werkgever werkzaam is, of niet langer aan het looncriterium voldoet, of niet langer werkzaamheden als promovendus, universitair docent of postdoctoraal vervult. Zie daarvoor ook deel A3/3.3.4, Vreemdelingencirculaire. + + + De verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als kennismigrant” kan op grond van het bepaalde in artikel 19, Vreemdelingenwet, in samenhang met artikel 18 eerste lid, aanhef en onder g, Vreemdelingenwet, worden ingetrokken als betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden van de beperking “verblijf als kennismigrant”. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid + +#### 9.1. Werkloosheid + +Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als kennismigrant. + + + De verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant wordt ingetrokken in het geval de vreemdeling niet langer werkzaam is als kennismigrant, dat wil zeggen wanneer hij niet langer in dienst is van een werkgever die een verklaring in het kader van het kennismigrantenbeleid heeft afgelegd (model M140) en/of niet voldoet aan het aan een kennismigrant te stellen looncriterium of aan de kwalificatie van promovendus, postdoctoraal of universitair docent. Dit is niet het geval wanneer een zoekperiode van drie maanden is toegestaan vanwege niet verwijtbare werkloosheid. + + + Gedurende de zoekperiode voorziet de kennismigrant zelfstandig in zijn onderhoud. Indien hij gedurende de zoekperiode een beroep doet op publieke middelen kan zijn verblijfsvergunning worden ingetrokken. Indien de kennismigrant werk vindt maar niet als kennismigrant, dient hij een wijziging van de verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst aan te vragen. Daarbij wordt getoetst aan de voor arbeid in loondienst geldende voorwaarden (zie hoofdstuk B5). + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +#### 9.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid + +Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten. Bij ziekte blijft de kennismigrant aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een dienstverband met een werkgever die een verklaring heeft afgelegd in het kader van het kennismigrantenbeleid en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, aan het loonvereiste blijft voldoen. + + + Indien een kennismigrant na een periode van ziekte arbeidsongeschikt wordt verklaard, geldt het volgende. + + + Onder een kennismigrant die arbeidsongeschikt is wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant en die een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheid geniet. De verblijfsvergunning van de kennismigrant wordt ingetrokken bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage minder dan 80 procent) en de kennismigrant in dienst blijft bij de werkgever dient hij, op grond van de uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheid en zijn inkomen uit het dienstverband met de werkgever, nog steeds te voldoen aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant. Als de kennismigrant gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en zijn dienstverband bij de werkgever is beëindigd zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, kan hij gebruik maken van de zoekperiode van drie maanden na de datum waarop het dienstverband (voortijdig) is beëindigd. Indien betrokken vreemdeling er niet in slaagt om in die periode werk te vinden waarmee hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken. Bij de beoordeling of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte vreemdeling voldoet aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant wordt een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheid meegerekend als bestanddeel van het brutoloon. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005 + +### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid + +Vreemdelingen die met goed gevolg een hogere beroepsopleiding of wetenschappelijke studie in Nederland hebben afgerond, krijgen de mogelijkheid om binnen maximaal drie maanden (zoekperiode) na de datum van voltooiing van de studie of opleiding een functie als kennismigrant te vinden. Het gaat hier om vreemdelingen die op basis van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘studie’ in Nederland hun studie hebben afgerond. + + + Indien deze drie maanden de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning als student overschrijden, en de vreemdeling gebruik wil maken van de hem toegestane zoekperiode, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de beperking in door middel van een aanvraagformulier (model M 35-A) dat te verkrijgen is bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente van zijn woonplaats. Deze aanvraag dient bij de burgemeester van zijn woon- of verblijfplaats te worden ingediend. Daarbij dient hij een bewijs te overleggen waaruit blijkt dat en per wanneer hij de opleiding succesvol heeft afgesloten. Als de vreemdeling gedurende de aanvraag een beroep doet op de algemene middelen wordt de aanvraag – zonder afwachten van de zoekperiode - afgewezen. + + + Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van drie maanden na voltooiing van zijn opleiding of studie een baan als kennismigrant te vinden, de werkgever op grond van een ondertekende verklaring (model M140) is toegelaten tot de kennismigrantenregeling en de vreemdeling aan het looncriterium voldoet, kan de verblijfsvergunning worden verleend. De vreemdeling dient daartoe zelf, dan wel door tussenkomst van zijn werkgever, de in het aanvraagformulier genoemde bescheiden tijdig, binnen de drie maanden zoekperiode, aan het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te sturen. De beslistermijn van twee weken na ontvangst van de aanvraag is niet van toepassing op deze aanvraag. + + + Indien de vreemdeling er niet in slaagt binnen de toegestane zoekperiode een functie als kennismigrant te verwerven, zal de aanvraag worden afgewezen. + + + De zoekperiode geldt niet voor vreemdelingen die verblijf hebben voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs. Aan hen is verblijf toegestaan onder meer om een positieve bijdrage aan de ontwikkeling in het land van herkomst te kunnen leveren. Het bieden van een mogelijkheid om zich na beëindiging van de studie aan voortgezet en beroepsonderwijs op een functie als kennismigrant te oriënteren, is niet in overeenstemming met de intentie van het toestaan van verblijf voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs. + +20057822-04-200514-04-20052005/1920057822-04-200514-04-20052005/1924-04-2005