2002-03-01 | BWBR0004996 | Besluit politieregisters

This commit is contained in:
Coornhert 2002-03-01 12:00:00 +00:00
parent 711bb9a1f4
commit 654b5faffe

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit politieregisters
bwb_id: BWBR0004996
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2002-10-25'
datum_inwerkingtreding: '2000-02-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004996
citeertitel: Besluit politieregisters
---
@ -21,8 +21,7 @@ b. het bevoegd gezag:
1°. bij de handhaving van de openbare orde en bij de hulpverlening: de burgemeester;
2°. bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde: de officier van justitie;
c. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: het meldpunt, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties;
d. de criminele-inlichtingeneenheid van een bijzondere opsporingsdienst: de als zodanig door Onze Minister van Financiën, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met inachtneming van artikel 13c, tweede lid, van de wet, ingerichte eenheid.
c. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: het meldpunt, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties.
### Artikel 2
@ -60,7 +59,7 @@ c. met het oog op de verlening van hulp door de politie.
### Artikel 4
**1.** Koppeling is slechts toegestaan van een politieregister met een ander politieregister of met een bestand van het Rijk, provincies, gemeenten en andere openbare lichamen met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven.
**1.** Koppeling is slechts toegestaan van een politieregister met een ander politieregister of met een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder *a*, van de Wet persoonsregistraties (*Stb.* 1988, 665).
**2.** Koppeling van een tijdelijk register, met een ander register vindt slechts plaats voor zover dit noodzakelijk is voor het doel waarvoor het eerstbedoelde register is aangelegd.
@ -73,7 +72,7 @@ Van een koppeling wordt een proces-verbaal opgemaakt dat zo nauwkeurig mogelijk
a. het doel van de koppeling;
b. de datum van de koppeling;
c. degeen in wiens opdracht de koppeling plaatsvond;
d. de bestanden die zijn gekoppeld, alsmede de naam van de beheerder of de houder van die bestanden;
d. de registraties die zijn gekoppeld, alsmede de naam van de beheerder of de houder van die registraties;
e. of de koppeling heeft geleid tot nieuwe persoonsgegevens en zo ja, welke;
f. of de gegevens, bedoeld onder *e*, zijn opgenomen in een register en zo ja, in welk;
g. eventuele bijzonderheden.
@ -129,7 +128,7 @@ b. de datum waarop met het aanleggen van het tijdelijke register wordt begonnen.
**2.** De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van het tijdelijke register, het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste waarvan het is aangelegd, daarvan in kennis, tenzij het inmiddels is vernietigd.
**3.** De artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, van de wet, alsmede artikel 3, eerste lid, van dit besluit zijn op het tijdelijke register niet van toepassing gedurende twaalf maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, onder *b*. Het bevoegd gezag kan deze termijn één of meer malen verlengen voor de duur van ten hoogste zes maanden, indien het doel waarvoor het tijdelijke register is aangelegd door de bekendmaking en de terinzagelegging van een reglement ernstig in gevaar zou worden gebracht en de beheerder een regeling heeft getroffen met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 10 van de wet. Van elke beslissing tot verlenging wordt melding gemaakt aan het College bescherming persoonsgegevens.
**3.** De artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, van de wet, alsmede artikel 3, eerste lid, van dit besluit zijn op het tijdelijke register niet van toepassing gedurende twaalf maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, onder *b*. Het bevoegd gezag kan deze termijn één of meer malen verlengen voor de duur van ten hoogste zes maanden, indien het doel waarvoor het tijdelijke register is aangelegd door de bekendmaking en de terinzagelegging van een reglement ernstig in gevaar zou worden gebracht en de beheerder een regeling heeft getroffen met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 10 van de wet. Van elke beslissing tot verlenging wordt melding gemaakt aan de Registratiekamer.
**4.** Indien dit uit het doel waarvoor het tijdelijke register is aangelegd, voortvloeit, kan het tijdelijke register worden overgedragen aan een andere beheerder of worden samengevoegd met een ander register als bedoeld in het eerste lid. Het tweede lid is alsdan van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nieuwe gezag.
@ -142,7 +141,7 @@ b. de burgemeester, indien het betreft een register dat is aangelegd met het oog
**6.** Bij dringende noodzakelijkheid kan in plaats van de officier van justitie de hulpofficier van justitie en in plaats van de burgemeester een door hem schriftelijk aangewezen politie-ambtenaar de toestemming als bedoeld in het vijfde lid, geven, onder de verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld schriftelijk kennis te geven aan de officier van justitie onderscheidenlijk de burgemeester.
**7.** Het College bescherming persoonsgegevens wordt van een samenvoeging of een overdracht zo spoedig mogelijk in kennis gesteld, onder vermelding van de datum daarvan.
**7.** De Registratiekamer wordt van een samenvoeging of een overdracht zo spoedig mogelijk in kennis gesteld, onder vermelding van de datum daarvan.
**8.** Indien het doel met het oog waarop het tijdelijke register is aangelegd, is bereikt, worden de daarin opgenomen persoonsgegevens zo spoedig mogelijk vernietigd voor zover deze geen betekenis hebben voor een eventueel verder strafrechtelijk onderzoek in het bepaalde geval als omschreven krachtens het eerste lid, onder *a*, dan wel het vijfde of zesde lid.
@ -159,7 +158,10 @@ b. ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor zover dit noodzakel
### Artikel 10
Antecedenten worden op hun verzoek, voorzover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak, verstrekt aan reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995.
Antecedenten worden op hun verzoek, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak, verstrekt aan:
a. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986 (*Stb.* 1);
b. ambtenaren die zijn verbonden aan het bureau van een Raad voor de kinderbescherming en zijn benoemd krachtens artikel 21, eerste lid, van het Organisatiebesluit raden voor de kinderbescherming 1982 (*Stb.* 16).
### Artikel 11
@ -243,62 +245,41 @@ d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel 552*m* van h
**12.** De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 13a
**1.** Aan de politieambtenaar uit een andere lidstaat van de Europese Unie die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in Nederland, kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse politieambtenaren voor zover zij deze behoeven voor de doeleinden waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld.
**2.** Aan de politieambtenaar uit een andere lidstaat van de Europese Unie die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in Nederland, kunnen, in de gevallen als bedoeld in artikel 13d, tweede lid, onder b, en derde lid, van de wet, gegevens worden verstrekt uit een tijdelijk register, met het oog op de gebruikmaking daarvan in die andere lidstaat.
**3.** Aan de Nederlandse politieambtenaar die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, kunnen gegevens worden verstrekt met het oog op de gebruikmaking daarvan voor de doeleinden waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld.
### Artikel 14
**1.**
Gegevens worden desgevraagd uit een politieregister verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan
a. de personen, anders dan die bedoeld in artikel 14, onder a, van de wet, die bij de politie, het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties of bij de Koninklijke marechaussee werkzaam zijn ten dienste van de uitvoering van de politietaak, voor zover zij daartoe door de desbetreffende beheerder schriftelijk zijn geautoriseerd;
b. De commissie, bedoeld in artikel 8 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven;
a. de personen, anders dan die bedoeld in artikel 14, onder *a*, van de wet, die bij de politie, het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties of bij de Centrale Justitiële Dienst Koninklijke marechaussee werkzaam zijn ten dienste van de uitvoering van de politietaak, voor zover zij daartoe door de desbetreffende beheerder schriftelijk zijn geautoriseerd;
b. de Commissie schadefonds geweldsmisdrijven als bedoeld in artikel 2 van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven (*Stb.* 1975, 382);
c. de Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op het onderzoek, bedoeld in de artikelen 101 en 142 van het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;
d. medewerkers van een stichting als bedoeld in artikel 1 onder f, van de Wet op de jeugdzorg, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van één van de taken als omschreven in artikel 5, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van die wet.
d. personen, werkzaam bij het bureau vertrouwensartsen als bedoeld in de Bijlage onder I, onder 4, behorende bij de Wet op de jeugdhulpverlening (*Stb.* 1989, 360);
e. personen, belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de identiteit van personen;
f. personen die de beheerder heeft benoemd in een commissie van toezicht, voor zover zij de beheerder bijstaan bij het toezicht op het beheer en het gebruik van politieregisters;
g. de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, en functionarissen van de Dienst Justitiële inrichtingen van het ministerie van Justitie, voor zover zij deze behoeven:
1. voor het nemen van beslissingen over hetzij de aanstelling of het ontslag van personeel;
2. voor het nemen van beslissingen over de toelating tot de inrichting van personen, die niet worden ingesloten in de inrichting;
3. voor het nemen van beslissingen over het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof;
4. voor het nemen van beslissingen over de erkenning van een penitentiair programma, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet of een scholings- of trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
5. voor het treffen van maatregelen met het oog op de ongestoorde tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel met betrekking tot ingesloten personen.
g. de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 6 van de Beginselenwet gevangeniswezen, de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 37d van het Wetboek van Strafrecht, en directeuren van de voorzieningen, bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening, voor zover zij deze behoeven voor het nemen van beslissingen inzake hetzij de aanstelling of het ontslag van personeel, hetzij voor de toelating tot de inrichting van personen die niet worden ingesloten in de inrichting voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of de veiligheid van de inrichting respectievelijk de voorziening;
h. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de benoeming, de herbenoeming of het ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de inrichtingen, genoemd onder g, noodzakelijk is teneinde na te gaan of er bezwaren bestaan tegen de benoeming van betrokkene;
i. personen die optreden namens een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid op ideële grondslag die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden in het bijzonder de belangen van slachtoffers van strafbare feiten of van verkeersongevallen behartigt, voor zover de gegevens betrekking hebben op deze slachtoffers en die rechtspersoon tot het ontvangen van dergelijke gegevens is gemachtigd door de Minister van Justitie, het College bescherming persoonsgegevens gehoord;
i. personen die optreden namens een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid op ideële grondslag die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden in het bijzonder de belangen van slachtoffers van strafbare feiten of van verkeersongevallen behartigt, voor zover de gegevens betrekking hebben op deze slachtoffers en die rechtspersoon tot het ontvangen van dergelijke gegevens is gemachtigd door de Minister van Justitie, de Registratiekamer gehoord;
j. het bestuur van de Stichting Processen Verbaal, voor zover het betreft gegevens inzake aanrijdingen of aanvaringen;
k. personen en instanties met een publieke taak belast, voor zover het betreft gegevens die op hun verzoek met het oog op de signalering van personen zijn opgenomen;
l. Onze Minister van Justitie, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op:
1°. de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in verband met de oprichting van een naamloze of besloten vennootschap dan wel de wijziging van de statuten daarvan;
2°. de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet wapens en munitie of de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
m. de Divisie Vorderingen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, voor zover zij deze behoeft in verband met de haar bij de artikelen 130 tot en met 134a van de Wegenverkeerswet 1994 opgedragen taak;
m. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, voor zover hij deze behoeft in verband met de hem bij de artikelen 131 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet 1994 opgedragen taak;
n. de Directeur van de Dienst Wegverkeer, voor zover hij deze behoeft in verband met de uitvoering van de taken van de Dienst Wegverkeer;
o. medewerkers van Halt-bureaus, voor zover deze bureaus op grond van artikel 48g, eerste lid, van de Wet Justitie-subsidies zijn aangewezen door Onze Minister van Justitie en het gegevens betreft die voor de alternatieve afdoening van strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen, noodzakelijk zijn.
o. medewerkers van Halt-bureaus, voor zover deze bureaus zijn aangesloten bij de Stichting Halt Nederland, en het gegevens betreft die voor de alternatieve afdoening van strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen, noodzakelijk zijn.
p. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 9, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, noodzakelijk is teneinde na te gaan of tegen de betrokkene een uitleveringsverzoek is gedaan;
q. de burgemeester, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap, noodzakelijk is;
r. de burgemeester en de commissaris van de Koning, voor zover dit in het kader van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau noodzakelijk is;
s. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet, voor zover het gegevens over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor de goede uitoefening hun toezichthoudende bevoegdheden;
t. medewerkers van de raad voor de kinderbescherming, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van één van de bij wet aan de raad opgedragen taken.
u. het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit algemene rechtspositie politie en het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, voorzover zij deze behoeven voor het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, of voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van personen die anderszins werkzaamheden verrichten voor een politiekorps, de Organisatie Informatie- en Communicatietechnologie OOV, het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum of de Rijksrecherche en waarvoor die gezagsinstanties justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens vragen;
s. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet, voor zover het gegevens over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor de goede uitoefening hun toezichthoudende bevoegdheden;
t. de raad voor de kinderbescherming, voor zover het de strafrechtelijke uitoefening van zijn taak betreft, alsmede zijn bevoegdheden ter uitvoering van de ondertoezichtstelling van minderjarigen, bedoeld in de artikelen 254 en volgende van Boek I van het Burgerlijk Wetboek en de in het kader daarvan te treffen voorlopige voorzieningen en voor zover het gegevens betreft die uitsluitend zijn vastgelegd met het oog op de hulpverleningstaak van de politie;
u. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, voor zover zij deze behoeven voor het verrichten van een antecedentenonderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste en tweede lid, en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, of voor het verrichten van een antecedentenonderzoek ten aanzien van personen die op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins werkzaamheden verrichten voor een politiekorps of het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie;
v. Onze Minister van Justitie ten behoeve van het verwerken van deze gegevens in het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit;
w. korpschefs van een regionaal politiekorps voor zover dit noodzakelijk is ter uitvoering van artikel 3.3.2, zevende lid, van het Vuurwerkbesluit;
x. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;
y. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart en de Luchtvaartwet voor zover het gegevens over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor een goede uitoefening van hun toezichthoudende bevoegdheden;
z. het college van burgemeester en wethouders, indien aan het college bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld in de gemeentelijke verordening inzake het escortbedrijf, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit BIBOB, voorzover het gegevens betreft die het college behoeft voor een goede uitoefening van die toezichthoudende bevoegdheden;
aa. Onze Ministers, voorzover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dreigings- en risico-evaluaties en het vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten en adviezen door de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten.
bb. personen, werkzaam bij de door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen dienst, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, voorzover het betreft gegevens met betrekking tot het proces-verbaal en de kennisgeving van inbeslagneming, voorzover zij deze behoeven voor een goede toepassing van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.
cc. de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen, voorzover zij deze behoeven voor de inschatting van de veiligheidsrisicos met betrekking tot de uitoefening van vorenbedoeld toezicht.
dd. medewerkers van het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voorzover het betreft gegevens omtrent de personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van die Wet.
ee. ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die zijn belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000, voorzover zij deze behoeven voor het nemen van beslissingen omtrent de toegang, het verblijf of de ongewenstverklaring van personen.
x. de Raad voor de Transportveiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Wet Raad voor de Transportveiligheid.
**2.** In aanvulling op de verstrekking als bedoeld in het eerste lid worden uit een register zware criminaliteit desgevraagd gegevens verstrekt aan de personen of instanties, genoemd in het eerste lid, onder a, f, g, h, l, p, q, r, u en w, in de in die onderdelen aangegeven gevallen, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, en aan de personen, genoemd in het eerste lid, onder aa, in de in die onderdelen aangegeven gevallen, voorzover zij deze behoeven voor het verrichten van dreigings- en risico-evaluaties en het vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten en adviezen door de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten.
**2.** In afwijking van het eerste lid worden uit een register zware criminaliteit desgevraagd gegevens verstrekt aan de personen of instanties, genoemd in artikel 14, eerste lid, onder a, f, g, h, l, p, q, r, u en w, in de in die onderdelen aangegeven gevallen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak.
**3.** Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, voor zover het die behoeft voor een goede uitvoering van zijn taak.
@ -314,15 +295,27 @@ ee. ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die zijn belast met de
Uit een politieregister kunnen desgevraagd gegevens worden verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan:
a. Onze Minister van Financiën op grond van de artikelen 3:11, 3:65, 3:100, onderdeel c, 3:101, onderdeel c, 3:105, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel c, 3:109 en 5:26, eerste en tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
b. de Stichting Autoriteit Financiële Markten op grond van de in de artikelen 1:104, 1:107, 2:67, eerste lid, onderdelen a en b, 2:68, eerste lid, onderdelen a en b, 2:99, 3:95, 3:105, derde en vierde lid, 4:9, 4:10 en 5:26, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht toegekende bevoegdheden;
c. De Nederlandsche Bank N.V. op grond van de in de artikelen 1:102, 1:104, 2:21, 3:9, eerste lid, 3:11, 3:16, eerste en tweede lid, 3:23, 3:31, 3:43, 3:46, 3:54, eerste lid, 3:58, eerste lid, 3:65, 3:100, onderdeel c, 3:101, onderdeel c, 3:105, 3:109 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht toegekende bevoegdheden;
d. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren taken en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder a, 4, tweede lid, aanhef en onder a, en 5, tweede lid, onder c, aanhef en onder 1 van die wet.
e. De Nederlandsche Bank N.V. op grond van: de artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b, en c en tweede lid, 4, onderdeel a, 5, eerste en derde lid en 6, onderdelen e en f van de Wet toezicht trustkantoren,
f. vervallen;
g. vervallen door vernummering;
h. vervallen;
i. De Stichting Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 15 van de Wet toezicht accountantsorganisaties.
a. Onze Minister van Financiën op grond van:
1°. de artikelen 23, tweede lid, onder d, 24, tweede lid, onder d, 26, zesde en zevende lid41 82, derde lid, tweede volzin, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
2°. artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995,
3°. de artikelen 174, vierde lid, onder c, 175, tweede lid, onder d, en 176, zesde lid, onder *b*, en zevende lid, onder *c*, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,
4°. de artikelen 82, tweede lid, onder *d*, en 84, zesde lid, onder *b*, en zevende lid, onder *c*, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
b. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 40 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 7, vierde lid, 11, eerste lid, aanhef en onder *a*, en zevende lid, 16, vierde lid, 19, eerste lid, 20, 21, vijfde lid, en 22, tweede lid, tweede volzin, van die wet,
c. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 29 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen taken en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder *a*, 12, eerste lid, en 15, aanhef en onder *e*, van die wet,
d. De Nederlandsche Bank N.V. op grond van:
1°. de
artikelen 9, eerste lid, onder *c* en e, 14, onder *b*, en slot, 15, eerste lid, onder *d*, 23, tweede lid, onder *c*, 24, tweede lid, onder *c*, 26, zesde en zevende lid, 39, 41, 45, eerste lid, en 47, aanhef en onder *d*, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
2°. de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder *a* en *b*, en 6, tweede lid, onder *c*, aanhef en onder 1*e* en 2*e*, van de Wet inzake de wisselkantoren,
e. De Verzekeringskamer op grond van:
1°. de artikelen 29, tweede en vierde lid, 30, 45, zevende lid, 82, derde lid, 148, aanhef en onder *b*, 174, vierde lid, onder *a* en *b*, 175, tweede lid, onder *a* tot en met *c*, 176, zesde lid, onder *b*, en zevende lid, onder *a* tot en met *c*, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,
2°. de artikelen 18, tweede en vierde lid, 19, 23, zevende lid, 60, aanhef en onder *b*, 82, tweede lid, onder *a* tot en met *c*, en 84, zesde lid onder *b*, en zevende lid, onder *a* tot en met *c*, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
3°. artikel 5, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet,
voor zover verstrekking van deze gegevens verenigbaar is met een doeltreffende opsporing en vervolging van strafbare feiten. Verstrekking vindt niet plaats, indien de gegevens onvoldoende betrouwbaar moeten worden geacht als grondslag voor de uitoefening van vorenbedoelde taken.
**2.** Verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, of van inlichtingen daarover, vindt alleen plaats door, dan wel met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie en onder daaraan door het openbaar ministerie te stellen voorwaarden. Die voorwaarden kunnen onder meer betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of inlichtingen daarover aan derden.
@ -368,7 +361,7 @@ d. de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig wordt ges
### Artikel 17
**1.** Een gegeven kan rechtstreeks langs geautomatiseerde weg uit een politieregister worden verstrekt aan de personen die daartoe een schriftelijke autorisatie voor een daarbij omschreven doel van de beheerder hebben gekregen. De autorisatie kan slechts worden verleend aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 14, onder a en b, van de wet, aan de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van dit besluit, aan de leden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, van de wet, voorzover noodzakelijk voor strafvorderlijke beslissingen omtrent opsporing en vervolging en de hulp aan slachtoffers van strafbare feiten, alsmede aan bepaalde, daartoe aangewezen ambtenaren in dienst van Onze Minister van Justitie, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel ee, voor de verstrekking van bepaalde categorieën van politiegegevens met het oog op het nemen van beslissingen omtrent de toegang, het verblijf of de ongewenstverklaring, als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000.
**1.** Een gegeven kan rechtstreeks langs geautomatiseerde weg uit een politieregister worden verstrekt aan de personen die daartoe een schriftelijke autorisatie voor een daarbij bepaald omschreven doel van de beheerder hebben gekregen. De autorisatie kan slechts worden verleend aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 14, onder *a* en *b*, van de wet, alsmede aan de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder *a*, van dit besluit.
**2.** De autorisatie kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd worden verleend. Daaraan kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften verbonden.
@ -380,7 +373,7 @@ d. de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig wordt ges
**6.**
Indien de handhaving van het verstrekkingenregime anderszins afdoende is gewaarborgd, kan, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, van de verplichting, bedoeld in het vijfde lid, vrijstelling of ontheffing worden verleend door
Indien de handhaving van het verstrekkingenregime anderszins afdoende is gewaarborgd, kan, de Registratiekamer gehoord, van de verplichting, bedoeld in het vijfde lid, vrijstelling of ontheffing worden verleend door
a. Onze Minister van Justitie, indien het verstrekkingen betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het verstrekkingen betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
@ -399,20 +392,7 @@ b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het verst
**5.** De ingevolge artikel 13a, zesde lid, van de wet vastgelegde gegevens worden gedurende drie jaren bewaard. De tweede volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
**6.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de uitvoering van dit artikel, het College bescherming persoonsgegevens gehoord.
### Paragraaf 6a. Bijzondere opsporingsdiensten
### Artikel 18a
**1.**
De op de bijzondere politieregisters betrekking hebbende bepalingen uit de wet en dit besluit zijn, voor zover deze registers worden gehouden bij een criminele-inlichtingeneenheid van een bijzondere opsporingsdienst, van toepassing op:
- een register met een doelstelling als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder k, van de wet, en
- een register met een doelstelling als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder l, van de wet.
**2.** De ambtenaren, bedoeld in artikel 13c, vijfde lid, van de wet, voldoen aan de eindtermen van de door Onze Ministers aan te wijzen opleidingen.
**6.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de uitvoering van dit artikel, de Registratiekamer gehoord.
### Paragraaf 7. Kostenvergoeding bij verzoeken tot kennisneming
@ -434,9 +414,9 @@ Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit politieregisters.
1. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 311, eerste lid, onderdeel 3° tot en met 5°, en 416 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 25 000 veroorzaakt hebben en betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, onderdelen 1° en 2°, van de wet dan wel een misdrijf als bedoeld in deze bijlage heeft begaan;
2. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250 en 250a van het Wetboek van Strafrecht;
2. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 240b en 250a van het Wetboek van Strafrecht;
3. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 177, 178, 361 en 363 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 180 van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 181 en 182 van dat wetboek;
3. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 178, 361 en 363 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 180 van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 181 en 182 van dat wetboek;
4. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 225, 226, 227, 231 en 232 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 50 000 veroorzaakt hebben;