2023-09-01 | BWBR0011545 | Besluit studiefinanciering 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2023-09-01 12:00:00 +00:00
parent 79bd58bb95
commit 65ca57f816

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit studiefinanciering 2000
bwb_id: BWBR0011545
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2019-07-24'
datum_inwerkingtreding: '2023-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0011545
citeertitel: Besluit studiefinanciering 2000
---
@ -22,14 +22,8 @@ In dit besluit wordt verstaan onder:
**familielid**: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,
**instelling voor hoger onderwijs:** instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2 van de WHW,
**richtlijn 2004/38/EG:** richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158),
**voucher:** voucher als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet,
**vouchertegoed:** de waarde, of de voor een rechthebbende resterende waarde, van de voucher, en,
**wet**: Wet studiefinanciering 2000.
**2.** In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder **aanvullende beurs**: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.
@ -94,11 +88,7 @@ c. geen:
### Artikel 4
Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs aan:
a. Stichting Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam,
b. Stichting Jan van Eyk-Akademie te Maastricht, en
c. Opleiding Restauratoren, onderdeel van het Instituut Collectie Nederland te Amsterdam.
Vervallen
## Hoofdstuk 2a. Criteria toekenning meeneembare studiefinanciering
@ -242,13 +232,11 @@ Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door o
### Artikel 17
**1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, 3.9a en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, en 3.9a, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18, 5.2, 6.2a, tweede lid, 12.14, tweede lid, en 12.16, eerste en tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18, 5.2, 12.14, tweede lid, 12.15, derde lid, 12.16, eerste en tweede lid, en 12.31, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**3.** Onze minister past het bedrag genoemd in artikel 3.17, vierde lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar zodanig aan dat het gelijk is aan het in artikel 3.18, overzicht 2, onder A, van de wet genoemde bedrag van de maximale aanvullende beurs voor een thuiswonende mbo-student vermeerderd met een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet.
**4.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
## Hoofdstuk 7. Terugbetaling levenlanglerenkrediet in geval van samenloop
@ -293,49 +281,68 @@ Indien de berekende terugbetalingstermijn hoger is dan de op grond van artikel 1
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit hoofdstuk.
## Hoofdstuk 8. Vouchers studievoorschot
## Hoofdstuk 8. Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
### Artikel 19
**1.** De waarde van de voucher bedraagt € 2.000per 1 januari 2023: € 2.207,88 naar de maatstaf van 1 januari 2017.
**2.** De voucher wordt in één keer verzilverd.
**3.** In afwijking van het tweede lid kan een rechthebbende de voucher in meer dan één keer verzilveren als het vouchertegoed de kosten voor de toegang tot het onderwijs overstijgt.
**4.** Het vouchertegoed wordt overeenkomstig artikel 17, tweede lid, aangepast.
In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet.
### Artikel 20
**1.** De aanvraag voor de voucher wordt gedaan op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
**1.** De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.
**2.** Indien artikel 19, derde lid, toepassing vindt, kan de rechthebbende een nieuwe aanvraag indienen voor de resterende waarde van de voucher.
**2.**
In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend aan een rechthebbende op een tegemoetkoming die:
a. een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, onderdeel b, van de wet heeft afgerond aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is; en
b. die niet reeds een gewaarmerkte kopie van het aan het examen van die opleiding of opleidingen verbonden diploma aan Onze Minister heeft verstrekt in het kader van de omzettingsprocedure, bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, van de wet.
**3.** De rechthebbende, bedoeld in het tweede lid, zendt uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs een kopie van het diploma als bedoeld in het tweede lid aan Onze Minister en dient daarbij op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze een aanvraag van de tegemoetkoming in. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. Onze Minister besluit uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
### Artikel 21
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inschrijving, bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, onderdeel c, van de wet, verband houdend met de aanvraag van een voucher.
**1.**
De tegemoetkoming wordt verstrekt in de vorm van:
a. een kwijtschelding van de openstaande studieschuld of een deel daarvan; of
b. een bijschrijving op de bij Onze Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, indien:
1° er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of
2° er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.
**2.** Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende op een tegemoetkoming over de bankrekening waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende op een tegemoetkoming niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister.
## Hoofdstuk 8a
### Artikel 21a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 21b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 21c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 22
**1.** Onze Minister kent het vouchertegoed toe, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, van de wet.
**2.** Het in te zetten vouchertegoed wordt op bij ministeriële regeling te bepalen wijze uitgekeerd aan een instelling voor hoger onderwijs die de opleiding aanbiedt die de ho-student met gebruikmaking van de voucher wil volgen.
Vervallen
### Artikel 23
De instelling voor hoger onderwijs brengt het vouchertegoed in mindering op het door de ho-student te betalen bedrag voor de toegang tot het onderwijs.
Vervallen
### Artikel 24
**1.** Indien een instelling voor hoger onderwijs na voortijdige beëindiging van de inschrijving van de ho-student, of na het overlijden van de ho-student, de kosten voor de toegang tot het onderwijs geheel of ten dele aan de ho-student terugbetaalt, wordt op die terugbetaling de ingezette voucher ingehouden. Het ingehouden bedrag van de voucher vervalt aan de instelling.
**2.** Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 20, verklaart de ho-student dat hij indien artikel 7.48, vierde lid, van de WHW van toepassing is, afstand doet van zijn aanspraak op de teruggave van dat deel van het wettelijk collegegeld dat is verrekend met de waarde van de voucher.
Vervallen
### Artikel 25
**1.** Indien de middelen verkregen door de inschrijving van een ho-student met een voucher door de instelling voor hoger onderwijs ondoelmatig worden aangewend, kan het door de ho-student ingezette vouchertegoed door Onze Minister worden teruggevorderd van de instelling. Van ondoelmatige aanwending is in ieder geval sprake indien de ho-student met een voucher op enigerlei wijze wordt gecompenseerd.
**2.** Indien de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich anders dan incidenteel voordoet, kan Onze Minister de vouchertegoeden die de instelling als gevolg van inschrijvingen door ho-studenten met een voucher heeft ontvangen, terugvorderen van de instelling.
Vervallen
### Artikel 26