From 65f6821339aaeae8a23e5ad4954ffa9657ee247c Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sun, 1 Jan 2006 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2006-01-01 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001 --- .../BWBR0011353/README.md | 486 +++++++++--------- 1 file changed, 252 insertions(+), 234 deletions(-) diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index 7bda810d350..26d89c22133 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -79,7 +79,7 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de lan In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *pensioenregeling*: a. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting; -b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling; +b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wet verplichte beroepspensioenregeling; c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd; d. een pensioenregeling van een internationale organisatie. @@ -194,7 +194,7 @@ b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.4. **3.** Indien de belastingplichtige niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, of de buitenlandse belastingplichtige niet heeft gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1 en die negatieve bedragen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht en de persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6. -**4.** In gevallen als bedoeld in het derde lid, wordt de aanslag over het in dat lid bedoelde jaar verhoogd met het bedrag van de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang dat in de laatste acht jaar in mindering is gebracht op de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning of de volgens artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen. +**4.** In gevallen als bedoeld in het derde lid, wordt de aanslag over het in dat lid bedoelde jaar verhoogd met het bedrag van de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang dat in de laatste acht jaar in mindering is gebracht op de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning of de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen. **5.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de vermindering van belasting en de verrekening van dividendbelasting voor dat deel van het belastbare inkomen dat niet behoort tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1, en dat deel dat wel daartoe behoort maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. @@ -216,7 +216,7 @@ c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar, dan wel gedurende het kalenderjaar vanaf hun geboorte of tot aan hun overlijden, onder de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen vallen, wordt het op grond van de eerste volzin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3). -**2.** Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 10, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10, eerste lid en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd. +**2.** Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd. ### Artikel 2.8 @@ -238,7 +238,7 @@ De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respecti ### Artikel 2.11 -Voor de belastingplichtige die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt de verschuldigde belasting over uitkeringen of bedragen die zouden moeten worden uitgekeerd als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de belastingplichtige. +Voor de belastingplichtige die geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd is ingevolge artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt de verschuldigde belasting over uitkeringen of bedragen die zouden moeten worden uitgekeerd als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gesteld op de som van de belasting en de premie voor de algemene ouderdomsverzekering die daarover ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigd zou zijn door een persoon die wel de premie voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd is en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de belastingplichtige. ### Artikel 2.11a @@ -487,10 +487,10 @@ a. voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare b. voordelen bestaande uit aanspraken die berusten op een *pensioenregeling* en leiden tot als *loon* aan te merken pensioentermijnen of die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; c. voordelen bestaande uit aanspraken op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of op een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven, voorzover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming; d. voordelen bestaande uit uitkeringen en aanspraken op uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; -e. voordelen bestaande uit verstrekkingen en aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet, behoudens voorzover de aanspraken als loon zijn aangemerkt;. -f. voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in de onderdelen c, d en e; -g. uitkeringen uit een stakingskas en -h. een door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling te bepalen deel van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op die regelingen. +e. voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in de onderdelen c en d; +f. uitkeringen uit een stakingskas; +g. een door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling te bepalen deel van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op die regelingen en +h. voordelen die op de voet van artikel 32ab, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 als eindheffingsbestanddeel in aanmerking zijn genomen, mits de belastingplichtige de aldaar bedoelde schriftelijke mededeling in zijn administratie bewaart. **2.** Op de voordelen bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en de voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in dat onderdeel, is artikel 2.14, eerste lid, niet van toepassing. @@ -548,7 +548,7 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. **5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 75% in aftrek. -**6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,18 per kilometer. +**6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,19 per kilometer. **7.** Voor de toepassing van het zesde lid worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. @@ -569,7 +569,7 @@ a. telefoonabonnementen met betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonrui b. literatuur, met uitzondering van vakliteratuur; c. kleding, met uitzondering van werkkleding; d. persoonlijke verzorging; -e. premies ingevolge de Ziekenfondswet of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en +e. geheven inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in paragraaf 5.2 van de Zorgverzekeringswet, of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en f. reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer bedragen dan € 1500. **3.** Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschappen, computers en andere dergelijke apparatuur, alsmede beeldapparatuur. @@ -612,7 +612,7 @@ a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf: 1°. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 5445; 2°. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar; -b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,18 per kilometer; +b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,19 per kilometer; c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezittingen, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: 1º. indien de bezittingen tot het privé-vermogen behoren: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen; @@ -642,7 +642,7 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: | € 12 500 | € 25 000 | 1,00% van deze waarde | | € 25 000 | € 50 000 | 1,15% van deze waarde | | € 50 000 | € 75 000 | 1,25% van deze waarde | -| € 75 000 | –- | 1,40% van deze waarde, maar ten hoogste € 21 250 | +| € 75 000 | –- | 1,45% van deze waarde, maar ten hoogste € 21 700 | **3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. @@ -687,24 +687,43 @@ Bij het bepalen van de winst wordt mede in aanmerking genomen de nominale waarde Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder de winst uit zeescheepvaart verstaan: -a. de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee; -b. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, niet zijnde een schip waarvan het geheel van werkzaamheden en activiteiten grotendeels bestaat uit het in en rond havens en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee, en +a. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee; +b. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor baggerwerkzaamheden op zee waarvan de jaarlijkse bedrijfstijd grotendeels uit zeevervoer bestaat of voor het verrichten van sleep- of hulpwerkzaamheden, op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, niet zijnde een schip waarvan het geheel van werkzaamheden en activiteiten grotendeels bestaat uit het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee, en c. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a en b bedoelde exploitatie van een schip. **5.** Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 is sprake van exploitatie van een schip, indien de belastingplichtige: -a. in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht van een schip dat hij: +a. in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht van het schip, het schip de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte en de belastingplichtige het schip: -1°. in eigendom heeft of mede in eigendom heeft, met uitzondering van schepen die hij in rompbevrachting heeft gegeven, dan wel +1°. in eigendom heeft of mede in eigendom heeft en niet in rompbevrachting heeft gegeven, of 2°. in rompbevrachting houdt; -b. in Nederland hoofdzakelijk het commerciële beheer verricht van een schip voor een ander, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen waarvoor hij deze werkzaamheden verricht niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij de schepen die hij mede in eigendom heeft alleen meetellen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt of -c. een schip in tijd- of reischarter houdt, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij in tijd- of reischarter houdt niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij schepen die hij mede in eigendom heeft alleen meetellen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt. +b. in Nederland hoofdzakelijk het commerciële beheer verricht van het schip voor een ander, mits de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef en onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt; +c. het schip in tijd- of reischarter houdt, mits de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef en onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt, of +d. in Nederland voor een ander het volledige bemanning- en technische beheer verricht van het schip. -**6.** Indien de voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen, worden voor de beoordeling of bij de belastingplichtige sprake is van exploitatie van een schip als bedoeld in het vijfde lid, de werkzaamheden die door die anderen ten behoeve van het samenwerkingsverband plaatsvinden, toegerekend aan de belastingplichtige. +**6.** -**7.** Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. +In afwijking van het vijfde lid, onderdeel a, is de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte niet van toepassing indien: + +a. direct voorafgaand aan het moment van in gebruik nemen van het schip door de belastingplichtige, de netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte, als percentage van de totale netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen, niet is afgenomen ten opzichte van het overeenkomstig berekende percentage op 17 januari 2004 dan wel, zo dit later is, het overeenkomstig berekende percentage aan het einde van het boekjaar waarin de belastingplichtige voor het eerst de winst uit zeescheepvaart heeft bepaald overeenkomstig het eerste lid, of +b. direct voorafgaand aan het moment van in gebruik nemen van het schip door de belastingplichtige, de netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte, ten minste 60 procent bedraagt van de totale netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen, of +c. met betrekking tot het kalenderjaar van het in gebruik nemen van het schip door de belastingplichtige, voor de aanvang van dat jaar bij ministeriële regeling is bepaald dat op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen. + +**7.** Van de toepassing van het zesde lid zijn uitgesloten schepen waarmee winst uit zeescheepvaart wordt behaald als bedoeld in het vierde lid, onder b. + +**8.** Voor de toepassing van het zesde lid en het negende lid wordt onder kwalificerende schepen verstaan: schepen waarvan de winst wordt bepaald overeenkomstig het eerste lid en die in eigendom of mede-eigendom zijn van de belastingplichtige of door hem in rompbevrachting worden gehouden. + +**9.** Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel a, worden mede in aanmerking genomen schepen die worden geëxploiteerd door lichamen waarin de belastingplichtige direct of indirect overwegende zeggenschap heeft als bedoeld in artikel 1 van de Zevende Richtlijn nr. 1983/349/EEG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (Pb EG, nr. L 193), voorzover het betreft kwalificerende schepen. + +**10.** Het in het zesde lid, onderdeel c, bedoelde percentage over een periode wordt berekend als gemiddelde over drie aaneengesloten kalenderjaren (tijdvak), waarbij het laatste tijdvak eindigt één jaar voor het kalenderjaar en het daarvoor gelegen tijdvak eindigt twee jaar vóór het kalenderjaar. De in het zesde lid, onderdeel c, bedoelde ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met onze Minister van Verkeer en Waterstaat. + +**11.** Indien de voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen, worden voor de beoordeling of bij de belastingplichtige sprake is van exploitatie van een schip als bedoeld in het vijfde en zesde lid, de werkzaamheden die door die anderen ten behoeve van het samenwerkingsverband plaatsvinden, toegerekend aan de belastingplichtige. + +**12.** Voor de toepassing van dit artikel en artikel 3.23 wordt onder zee verstaan alle wateren die zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust van elk van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap. Indien een transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport over een vaarweg die voorkomt op de lijst van waterwegen van maritieme aard, zoals opgenomen in bijlage I van de verordening (EG) nr. 13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8 december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het gehele traject geacht transport over zee te zijn. + +**13.** Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. ### Artikel 3.23 @@ -719,6 +738,8 @@ Bij inwilliging van het in artikel 3.22, eerste lid, bedoelde verzoek wordt de i | € 4,54 | voor het meerdere tot 25 000 nettoton | | € 2,27 | voor het meerdere boven 25 000 nettoton | +Met betrekking tot schepen bestemd voor baggerwerkzaamheden op zee of voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, wordt de volgens de eerste volzin vastgestelde winst vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee of sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee. + **2.** Bij inwilliging van het verzoek wordt tot de winst van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, mede gerekend het gezamenlijke bedrag – dat is bepaald naar de toestand op het tijdstip dat onmiddellijk aan dat jaar voorafgaat – van: @@ -728,6 +749,8 @@ b. een bedrag ter grootte van het positieve verschil tussen de waarde die in het **3.** Het in het tweede lid bedoelde gezamenlijke bedrag blijft buiten aanmerking voorzover dit het bedrag waarvoor de belastingplichtige op het in de aanhef van dat lid bedoelde tijdstip aanspraak kan maken op verrekening van verliezen volgens afdeling 3.13, te boven gaat. De inspecteur stelt het bedrag dat buiten aanmerking blijft, per onderneming vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. +**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid, tweede volzin, alsmede ter voorkoming van cumulatie tussen de eerste volzin en de tweede volzin van dat lid. + ### Artikel 3.24 **1.** Het bedrag dat op grond van artikel 3.23, derde lid, buiten aanmerking is gebleven, wordt alsnog tot de winst gerekend indien de belastingplichtige – anders dan door overlijden – binnen tien jaar na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van de tonnage, de onderneming waarmee in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, voor het geheel of voor een gedeelte staakt. In geval van staking voor een gedeelte wordt het in de vorige volzin bedoelde bedrag alleen tot de winst gerekend voorzover dat betrekking heeft op dat gedeelte. Het bedrag dat alsnog tot de winst wordt gerekend, wordt geacht te zijn genoten ten tijde van de staking. @@ -852,17 +875,17 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: | meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage | | --- | --- | --- | -| – | € 2 000 | 0 | -| € 2 000 | € 34 000 | 25 | -| € 34 000 | € 66 000 | 22 | -| € 66 000 | € 97 000 | 17 | -| € 97 000 | € 129 000 | 14 | -| € 129 000 | € 161 000 | 11 | -| € 161 000 | € 193 000 | 8 | -| € 193 000 | € 226 000 | 5 | -| € 226 000 | € 258 000 | 3 | -| € 258 000 | € 290 000 | 0 | -| € 290 000 | – | 0 | +| – | € 2 100 | 0 | +| € 2 100 | € 35 000 | 25 | +| € 35 000 | € 67 000 | 22 | +| € 67 000 | € 98 000 | 15 | +| € 98 000 | € 131 000 | 10 | +| € 131 000 | € 163 000 | 6 | +| € 163 000 | € 195 000 | 3 | +| € 195 000 | € 229 000 | 3 | +| € 229 000 | € 261 000 | 0 | +| € 261 000 | € 293 000 | 0 | +| € 293 000 | – | 0 | **3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld. @@ -872,14 +895,14 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: **2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. -**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de energie-investeringsaftrek 44 percent. +**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de energie-investeringsaftrek 44 percent. **4.** Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen: -a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 107 000 000; -b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 107 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 108 000 000; +b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 108 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. **5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -900,7 +923,7 @@ b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid. **2.** Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I, II respectievelijk III, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu. -**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 40 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent., voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 30 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 15 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. +**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 40 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent., voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 30 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 15 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. **4.** @@ -979,7 +1002,7 @@ d. degene die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en ### Artikel 3.47 -**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2000 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). +**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2100 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). **2.** Desinvesteringsbijtelling heeft alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen. @@ -1095,7 +1118,7 @@ b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid. **2.** De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van artikel 4.24a of artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen zonder rekening te houden met de toepassing van artikel 4.24a. -**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 68% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. +**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 69% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. **4.** Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen. @@ -1295,7 +1318,7 @@ e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. ### Artikel 3.68 -**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 10 951. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. +**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 11 050. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. **2.** De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat. @@ -1390,30 +1413,30 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond Bij een winst -| gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigen- aftrek | +| gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigenaftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 13 030 | € 8 386 | -| € 13 030 | € 15 115 | € 7 796 | -| € 15 115 | € 17 205 | € 7 209 | -| € 17 205 | € 49 275 | € 6 425 | -| € 49 275 | € 51 360 | € 5 864 | -| € 51 360 | € 53 450 | € 5 244 | -| € 53 450 | € 55 530 | € 4 628 | -| € 55 530 | – | € 4 068 | +| – | € 13 150 | € 8885 | +| € 13 150 | € 15 255 | € 8260 | +| € 15 255 | € 17 360 | € 7638 | +| € 17 360 | € 49 720 | € 6807 | +| € 49 720 | € 51 825 | € 6213 | +| € 51 825 | € 53 935 | € 5556 | +| € 53 935 | € 56 030 | € 4903 | +| € 56 030 | – | € 4310 | -**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1969. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1987. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. ### Artikel 3.77 -**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 154. +**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 255. -**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5 577. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5628. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Indien op grond van artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen het in artikel 21, eerste lid, van die wet eerst vermelde percentage wordt verhoogd, verlaagd, of op nihil gesteld, kan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 13 251, worden verlaagd, of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot werk waarvoor een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. +**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde en zevende lid, van die wet, vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 13 371, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. ### Artikel 3.78 @@ -1469,13 +1492,12 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *loon:* loon Tot *loon* wordt gerekend: -a. het voordeel dat de belastingplichtige heeft uit een hem als werknemer in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting ter beschikking gestelde auto; -b. wat wordt genoten: +a. wat wordt genoten: 1°. ter vervanging van gederfd of te derven loon; 2°. ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden voorzover het genotene niet is aan te merken als resultaat uit overige werkzaamheden; -c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting; -d. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. +b. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. +c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. ### Artikel 3.83 @@ -1500,7 +1522,7 @@ Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op g ### Artikel 3.84 -Tot *loon* behoort niet loon waarover de belasting op grond van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel. +Tot loon behoren niet voordelen waarover de belasting op grond van artikel 31 of artikel 32ab in verbinding met artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel. #### Paragraaf 3.3.2. Werknemersaftrek @@ -1526,27 +1548,26 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla | Bij een reisafstand per openbaar vervoer | | | | --- | --- | --- | -| | | | | van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | – | 10 km | – | -| 10 km | 15 km | € 392 | -| 15 km | 20 km | € 524 | -| 20 km | 30 km | € 880 | -| 30 km | 40 km | € 1091 | -| 40 km | 50 km | € 1424 | -| 50 km | 60 km | € 1583 | -| 60 km | 70 km | € 1757 | -| 70 km | 80 km | € 1817 | -| 80 km | – | € 1842 | +| 10 km | 15 km | € 396 | +| 15 km | 20 km | € 529 | +| 20 km | 30 km | € 888 | +| 30 km | 40 km | € 1101 | +| 40 km | 50 km | € 1437 | +| 50 km | 60 km | € 1598 | +| 60 km | 70 km | € 1773 | +| 70 km | 80 km | € 1834 | +| 80 km | – | € 1859 | **5.** Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; -b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,20 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1842 per jaar. +b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,21 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1859 per jaar. -**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1842 per jaar. +**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1859 per jaar. **7.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. @@ -1687,7 +1708,8 @@ Indien ingevolge artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, door de belastingplichtig Tot het resultaat behoren niet: a. voordelen uit het deelnemen aan kansspelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting; -b. voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van zijn partner, indien bij het bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van artikel 3.16, vierde lid, niet in aftrek komen. +b. voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van zijn partner, indien bij het bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van artikel 3.16, vierde lid, niet in aftrek komen; +c. voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden behaald, waarbij het gezamenlijke bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen niet meer bedraagt dan de aldaar genoemde bedragen. ### Artikel 3.97 @@ -1697,7 +1719,7 @@ b. voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verr Het eerste lid is alleen van toepassing indien: -a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3821 per jaar, en +a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3902 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. ### Artikel 3.98 @@ -1785,8 +1807,6 @@ b. *lijfrenten* en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde p ### Artikel 3.103 -**1.** - Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren: a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 63a of 63d van de Algemene nabestaandenwet; @@ -1794,8 +1814,6 @@ b. uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene Oud c. uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; d. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b en c. -**2.** Aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet die toekomen aan degenen die aangewezen periodieke uitkeringen ontvangen, worden, voorzover die aanspraken niet worden gedekt door stortingen van de belastingplichtige, aangemerkt als bestanddeel van die uitkeringen. De waarde van een dergelijke aanspraak wordt gesteld op het bedrag van de premies op grond van de Ziekenfondswet die daarop betrekking hebben. - ### Artikel 3.104 Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren niet: @@ -1804,7 +1822,7 @@ a. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektek b. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet; c. uitkeringen ingevolge artikel 4.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; d. uitkeringen in de vorm van een gift of een voorwaardelijke gift ingevolge de Wet studiefinanciering 2000; -e. uitkeringen als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 16.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; +e. uitkeringen als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 17.10 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; f. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet werk en bijstand die zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten, waaronder begrepen uitkeringen als bedoeld in artikel 36 van die wet; g. kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen op grond van de Wet kinderopvang; h. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van: @@ -1815,9 +1833,10 @@ h. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij minis 4°. bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten als bedoeld in onderdeel f; 5°. bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp; i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen; -j. uitkeringen krachtens artikel 1p, eerste lid, onderdeel d, van de Ziekenfondswet ten behoeve van het inkopen van zorg als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; -k. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met i; -l. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met k. +j. uitkeringen krachtens artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; +k. de zorgtoeslag op grond van de Wet op de zorgtoeslag; +l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met k; +m. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l. ### Artikel 3.105 @@ -1920,7 +1939,7 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van | € 12 500 | € 25 000 | 0,20% van deze waarde | | € 25 000 | € 50 000 | 0,35% van deze waarde | | € 50 000 | € 75 000 | 0,45% van deze waarde | -| € 75 000 | – | 0,60% van deze waarde, maar ten hoogste € 8750 | +| € 75 000 | – | 0,60% van deze waarde, maar ten hoogste € 8900 | **2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. @@ -1928,7 +1947,7 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van **4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil. -**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8750. +**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8900. ### Artikel 3.113 @@ -1936,7 +1955,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa ### Artikel 3.114 -**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3821 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3902 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. **2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. @@ -2003,13 +2022,13 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *levensverze **1.** -Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 139 500 indien: +Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 140 500 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld; b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. -In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 31 700, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. +In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 31 900, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. **2.** @@ -2180,12 +2199,11 @@ Als *lijfrenten* die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangem a. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; -c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een *pensioenregeling* gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 63 288 per jaar; -d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 18 990 per jaar. +c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 19 161 per jaar. -**2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. +**2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. -**3.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang. +**3.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang. ### Artikel 3.126 @@ -2212,9 +2230,9 @@ d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, a **1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de eerste volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar aan spaarloon als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft opgenomen voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling. -**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6332. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6332 verhoogd tot € 12 508. +**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6389. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6389 verhoogd tot € 12 621. -**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 719. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 147 253 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. +**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 816. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 148 579 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. **4.** @@ -2239,16 +2257,16 @@ Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die Het maximum bedraagt: -a. € 401 599 in de gevallen waarin: +a. € 405 214 in de gevallen waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; -b. € 200 804 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: +b. € 202 612 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; -c. € 100 407 in de overige gevallen. +c. € 101 311 in de overige gevallen. **3.** @@ -2424,19 +2442,7 @@ Niet in geld genoten *loon*, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, voordelen ### Artikel 3.145 -**1.** Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. - -**2.** Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil. - -**3.** Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. - -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. - -**5.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, gesteld op de waarde in het economische verkeer. - -**6.** Het voordeel wordt in aanmerking genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de belastingplichtige voor het gebruik voor privé-doeleinden is verschuldigd. - -**7.** Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden. +Vervallen ### Afdeling 3.12. Tijdstip genieten en aftrek @@ -2489,7 +2495,7 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit werk en woning en verlie **3.** De in het eerste lid genoemde termijn van acht jaar wordt terzake van ondernemingsverliezen onbepaald verlengd. -**4.** De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering volksverzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vijfde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar. +**4.** De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vijfde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar. **5.** Het vierde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren. @@ -2565,7 +2571,7 @@ B voorstelt: de belasting, bedoeld in het vierde lid die zou zijn geheven indien C voorstelt: de belasting, bedoeld in het vierde lid na toepassing van de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. -**7.** Indien artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of artikel 9.1, derde lid, is toegepast, wordt voor de toepassing van dit artikel onder geheven belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de geheven premie voor de volksverzekeringen en wordt onder de herrekende belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de premie voor de volksverzekeringen die zonder toepassing van artikel 9.4 zou zijn geheven. +**7.** Indien artikel 27b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of artikel 9.1, derde lid, is toegepast, wordt voor de toepassing van dit artikel onder geheven belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de geheven premie voor de volksverzekeringen en wordt onder de herrekende belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de premie voor de volksverzekeringen die zonder toepassing van artikel 9.4 zou zijn geheven. **8.** Indien in het middelingstijdvak het jaar is begrepen waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt voor de toepassing van het zevende lid de geheven en herrekende premie voor de volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven of herrekend indien de premie voor de algemene ouderdomsverzekering in al die jaren verschuldigd zou zijn. @@ -2927,7 +2933,7 @@ Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op: a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid. -**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 32% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. +**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 31% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. ### Artikel 4.35 @@ -3182,13 +3188,13 @@ b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een g ### Artikel 5.5 -**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 19 522. +**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 19 698. -**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 39 044 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 39 396 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **3.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. -**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 19 522 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 39 044 per minderjarig kind verhoogd met € 2607. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. +**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 19 698 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 39 396 per minderjarig kind verhoogd met € 2631. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. ### Artikel 5.6 @@ -3197,17 +3203,17 @@ b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een g Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien: a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en -b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 258 351. +b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 260 677. Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van: -| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderen- toeslag | +| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag | | --- | --- | --- | -| – | € 13 207 | € 25 842 | -| € 13 207 | € 18 373 | € 12 921 | -| € 18 373 | – | nihil | +| – | € 13 326 | € 26 076 | +| € 13 326 | € 18 539 | € 13 038 | +| € 18 539 | – | nihil | -**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 258 351 verhoogd tot € 516 702. +**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 260 677 verhoogd tot € 521 354. **3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn*partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 5.5, na toepassing van het eerste lid, verhoogd met de ouderentoeslag van de *partner* en wordt de ouderentoeslag van de *partner* verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. @@ -3245,16 +3251,16 @@ Tot de bezittingen behoren niet: a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: -1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6332; +1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6389; -dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6332: -2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6332; +dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6389: +2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6389; b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang. ### Artikel 5.11 -Tot de bezittingen behoren niet de geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen en winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17 025. +Tot de bezittingen behoren niet de geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen en winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17 025. ### Artikel 5.12 @@ -3264,7 +3270,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v ### Artikel 5.13 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 52 110. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 52 579. **2.** @@ -3273,7 +3279,7 @@ Maatschappelijke beleggingen zijn: a. groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.14 en b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 104 220 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 105 158 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. @@ -3330,7 +3336,7 @@ c. de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ont ### Artikel 5.16 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 52 110. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 52 579. **2.** @@ -3340,7 +3346,7 @@ a. directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17; b. indirecte beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.18; c. culturele beleggingen als bedoeld in artikel 5.18a. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 104 220 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 105 158 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. @@ -3643,7 +3649,7 @@ Uitgaven voor levensonderhoud van een *kind* worden niet in aanmerking genomen i a. de belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort, voor het kind recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met die wet overeenkomende buitenlandse regeling; b. voor het kind het recht op kinderbijslag volgens artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet is uitgesloten; -c. het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet, op financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 16.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, op tegemoetkoming volgens hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking van genoemde regelingen overeenkomende buitenlandse regeling. +c. het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet, op financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 17.10 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, op tegemoetkoming volgens hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking van genoemde regelingen overeenkomende buitenlandse regeling. **2.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is. @@ -3686,9 +3692,10 @@ e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte Met betrekking tot de uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, worden: a. uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschrift van een arts, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 23 per persoon; -b. premie en premievervangende belasting voor de volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen, andere dan de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet in aanmerking genomen; -c. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling, niet zijnde de Ziekenfondswet, slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden; -d. de op grond van krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen, in aanmerking genomen tot een bedrag van 25% van die bijdragen. +b. premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet niet in aanmerking genomen; +c. premie en premievervangende belasting voor de volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen, andere dan de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet in aanmerking genomen; +d. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden; +e. de op grond van krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen, in aanmerking genomen tot een bedrag van 25% van die bijdragen. **2.** @@ -3697,10 +3704,10 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen | Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | | | | --- | --- | --- | | meer dan | maar niet meer dan | worden de uitgaven voor gezinshulp geacht extra te zijn voorzover zij meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek | -| – | € 27 727 | 0% | -| € 27 727 | € 41 592 | 1% | -| € 41 592 | € 55 454 | 2% | -| € 55 454 | – | 3% | +| – | € 27 977 | 0% | +| € 27 977 | € 41 967 | 1% | +| € 41 967 | € 55 954 | 2% | +| € 55 954 | – | 3% | **3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een *partner* heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. @@ -3712,7 +3719,7 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen De uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd: -a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,18 per kilometer; +a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,19 per kilometer; b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten. ### Artikel 6.19 @@ -3730,47 +3737,47 @@ b. de uitgaven voor de reis of het verblijf die zijn gedaan in verband met de la **1.** Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795. ### Artikel 6.20a **1.** -Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij al dan niet tezamen met zijn partner in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 311 aan uitgaven heeft gedaan voor: +Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij al dan niet tezamen met zijn partner in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 314 aan uitgaven heeft gedaan voor: a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b; d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c; e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d; -f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; -g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval de belastingplichtige niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of -h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitkeringen die zorg, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, vervangt. +f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; +g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval de belastingplichtige niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of +h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795. ### Artikel 6.21 **1.** Uitgaven wegens ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795. ### Artikel 6.22 **1.** -Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige al dan niet tezamen met zijn partner voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 311 aan uitgaven heeft gedaan voor: +Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige al dan niet tezamen met zijn partner voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 314 aan uitgaven heeft gedaan voor: a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen - als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b; d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c; e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d; -f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; -g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval het kind niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of -h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitkeringen die zorg, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, vervangt. +f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; +g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval het kind niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of +h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795. **3.** Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven wegens chronische ziekte van het kind in aanmerking neemt, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal. @@ -3784,26 +3791,25 @@ h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitke **1.** -Het bedrag aan uitgaven gedaan voor de in de tweede volzin genoemde posten wordt verhoogd met 65%, indien het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10. De in de eerste volzin bedoelde posten zijn: +Het bedrag aan uitgaven gedaan voor de in de tweede volzin genoemde posten wordt verhoogd met 113%, indien het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10. De in de eerste volzin bedoelde posten zijn: a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b; d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c; e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d; -f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; -g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, bij verblijf buiten een instelling als bedoeld in onderdeel f, of -h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitkeringen die zorg, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, vervangt. +f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen; +g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, bij verblijf buiten een instelling als bedoeld in onderdeel f, of +h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. **2.** Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge het eerste lid, meer bedragen dan: -a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6902 niet te boven gaat: € 773; -b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6902 te boven gaat maar € 53 750 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; -c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 53 750 te boven gaat: € 6020. +a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6783 niet te boven gaat: € 780 verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6 783 te boven gaat: 11,5% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6902 vervangen door € 13 804 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 773 vervangen door € 1546. +**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6 783 vervangen door € 13 566 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 780 vervangen door € 1560. **4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. @@ -3866,7 +3872,7 @@ d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen: -a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 100 en niet meer dan € 12 500 bedraagt; +a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 100 en niet meer dan € 12 750 bedraagt; b. indien het een onroerende zaak betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken: het bedrag van de onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op de begindatum als bedoeld in artikel 5.2, waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak wordt bepaald met toepassing van artikel 5.19. **2.** Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988. @@ -3904,7 +3910,7 @@ Andere *giften* zijn giften aan in Nederland gevestigde *instellingen*. ### Artikel 6.36 -Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,18 per kilometer. +Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,19 per kilometer. ### Artikel 6.37 @@ -3960,9 +3966,9 @@ b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verric c. het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland; d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen of voortkomen uit *pensioenregelingen* voorzover de daarvoor betaalde premies ten laste van de belastbare winst van een Nederlandse onderneming zijn gebracht, waarbij met het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, of artikel 3.136, dan wel in de periode van buitenlandse belastingplicht, geen rekening wordt gehouden; e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon; -f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland en -g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; verminderd met: -h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen. +f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland, verminderd met de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld; +g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, en +h. de negatieve persoonsgebonden aftrek. **3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een niet-ingezetene die ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap. @@ -4057,8 +4063,8 @@ c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Ned In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. *belastingtarief eerste schijf*: het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 2.10 opgenomen percentage; -b. *gecombineerde inkomensheffing*: het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen; -c. *gecombineerd heffingspercentage*: de som van het belastingtarief eerste schijf, het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten; +b. *gecombineerde inkomensheffing*: het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen; +c. *gecombineerd heffingspercentage*: de som van het belastingtarief eerste schijf en de op grond van artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten; d. *gecombineerde heffingskorting*: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten. ### Artikel 8.2 @@ -4068,16 +4074,17 @@ De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van: a. de algemene heffingskorting (artikel 8.10); b. de arbeidskorting (artikel 8.11); c. de kinderkorting (artikel 8.12); -d. de aanvullende kinderkorting (artikel 8.13); -e. de combinatiekorting (artikel 8.14); -f. de aanvullende combinatiekorting (artikel 8.14a); +d. de combinatiekorting (artikel 8.14); +e. de aanvullende combinatiekorting (artikel 8.14a); +f. de ouderschapsverlofkorting (artikel 8.14b); g. de alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.15); h. de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.16); i. de jonggehandicaptenkorting (artikel 8.16a); j. de ouderenkorting (artikel 8.17); -k. de aanvullende ouderenkorting (artikel 8.18); -l. de korting voor maatschappelijke beleggingen (artikel 8.19) en -m. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen (artikel 8.20). +k. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 8.18); +l. de levensloopverlofkorting (artikel 8.18a); +m. de korting voor maatschappelijke beleggingen (artikel 8.19) en +n. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen (artikel 8.20). ### Artikel 8.3 @@ -4085,21 +4092,21 @@ De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is het deel van de standaardheffin ### Artikel 8.4 -De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. +De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. ### Artikel 8.5 -De heffingskorting voor de nabestaandenverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de nabestaandenverzekering staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. +De heffingskorting voor de nabestaandenverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de nabestaandenverzekering staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. ### Artikel 8.6 -De heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. +De heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten staat tot het *gecombineerde heffingspercentage*. ### Artikel 8.7 -**1.** Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen of de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen betrekking heeft, wordt het *gecombineerde heffingspercentage *verminderd met het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld. +**1.** Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen of de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen betrekking heeft, wordt het *gecombineerde heffingspercentage *verminderd met het volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld. -**2.** In het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt bij de toepassing van artikel 8.4 op het deel van de standaardheffingskorting dat niet op de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen betrekking heeft, het daar genoemde, volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering verlaagd met dat deel van het laatstgenoemde percentage dat daartoe in dezelfde verhouding staat als de in het kalenderjaar vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt resterende periode van premieplicht voor de volksverzekeringen staat tot de periode van premieplicht voor de volksverzekeringen vanaf het begin van het kalenderjaar. +**2.** In het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt bij de toepassing van artikel 8.4 op het deel van de standaardheffingskorting dat niet op de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen betrekking heeft, het daar genoemde, volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering verlaagd met dat deel van het laatstgenoemde percentage dat daartoe in dezelfde verhouding staat als de in het kalenderjaar vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt resterende periode van premieplicht voor de volksverzekeringen staat tot de periode van premieplicht voor de volksverzekeringen vanaf het begin van het kalenderjaar. ### Artikel 8.8 @@ -4107,7 +4114,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin ### Artikel 8.9 -**1.** Indien de *gecombineerde heffingskorting* door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, aanvullende kinderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde *partner* heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting. +**1.** Indien de *gecombineerde heffingskorting* door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting, ouderschapsverlofkorting en levensloopverlofkorting wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde *partner* heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de ouderschapsverlofkorting en de levensloopverlofkorting. **2.** De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde *gecombineerde inkomensheffing* verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. @@ -4123,7 +4130,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **2.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige niet-inwoner geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig inwoner van Nederland zou zijn. -**3.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie volksverzekeringen die zijn *partner* is verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. +**3.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie voor de volksverzekeringen die zijn *partner* is verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. ### Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting @@ -4131,7 +4138,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. -**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1894. +**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1990. ### Artikel 8.11 @@ -4141,18 +4148,18 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). De arbeidskorting bedraagt de som van: -a. 1,778% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 144, en -b. 11,867% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8101. +a. 1,795% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 146, en +b. 12,421% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8132. -De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1287. +De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1357. **3.** In afwijking van het tweede lid wordt: -a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 14,410% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1532; -b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 16,933% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1775; -c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,466% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 2019. +a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 14,954% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1604; +b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 17,467% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1849; +c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,990% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 2095. ### Artikel 8.12 @@ -4161,9 +4168,14 @@ c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn *partner* wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 60 447. +b. het gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner minder bedraagt dan € 44 034. -**2.** De kinderkorting bedraagt € 112. +**2.** + +De kinderkorting bedraagt: + +a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner van niet meer dan € 28 521: € 892; +b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 521: € 892, verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke verzamelinkomen en € 28 521. **3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. @@ -4173,23 +4185,7 @@ b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner ni ### Artikel 8.13 -**1.** - -De aanvullende kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: - -a. voor hem de kinderkorting geldt, en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 30 225. - -**2.** - -De aanvullende kinderkorting bedraagt: - -a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 28 491: € 690; -b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 491 maar niet meer dan € 30 225:  € 504. - -**3.** Het in het tweede lid, onderdeel a, vermelde bedrag wordt verhoogd met € 65 indien in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige ten minste drie kinderen behoren die in belangrijke mate door hem of zijn partner worden onderhouden en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. - -**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5°, bedoelde verbonden persoon. +Vervallen ### Artikel 8.14 @@ -4197,7 +4193,7 @@ b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 491 maar niet meer d De combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: -a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4366 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en +a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4405 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat: 1°. bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en @@ -4205,7 +4201,7 @@ b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoo Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen niet behoeft te worden voldaan aan het laatste vereiste. -**2.** De combinatiekorting bedraagt € 228. +**2.** De combinatiekorting bedraagt € 146. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4218,7 +4214,7 @@ De aanvullende combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de combinatiekorting geldt, en b. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, danwel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid minder aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten dan zijn partner met tegenwoordige arbeid uit die bronnen heeft genoten. -**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 389. +**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 608. **3.** Indien het in het kalenderjaar uit de in het eerste lid bedoelde bronnen genoten inkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de aanvullende combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige. @@ -4226,7 +4222,16 @@ b. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, danwel indien hij wel een partner ### Artikel 8.14b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** + +De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar: + +a. gebruik maakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, en +b. een voorziening in het kader van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964, opbouwt. + +**2.** De ouderschapsverlofkorting bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon per werkdag, zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, per werkdag opgenomen ouderschapsverlof in het kalenderjaar, met dien verstande dat de ouderschapsverlofkorting niet meer bedraagt dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon. + +**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. ### Artikel 8.15 @@ -4238,7 +4243,7 @@ a. geen *partner* heeft; b. een huishouding voert met een *kind* dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt. -**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1401. +**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1414. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4252,7 +4257,7 @@ a. voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt; b. hij tegenwoordige arbeid verricht, en c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. -**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1401. +**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1414. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel c, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4260,28 +4265,27 @@ c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *k **1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. -**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 639. +**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 645. ### Artikel 8.17 -**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 30 778. +**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 31 256. -**2.** De ouderenkorting bedraagt € 454. +**2.** De ouderenkorting bedraagt € 374. ### Artikel 8.18 -**1.** +**1.** De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. -De aanvullende ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien: - -a. voor hem de ouderenkorting geldt, en -b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. - -**2.** De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 287. +**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 562. ### Artikel 8.18a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** De levensloopverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar beschikt over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 opgebouwde voorziening. Voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 19g, zesde lid, beschikt over de opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting niet van toepassing. + +**2.** De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt beschikt, maar ten hoogste € 185 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de belastingplichtige in voorafgaande kalenderjaren reeds heeft genoten. + +**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. ### Artikel 8.19 @@ -4334,17 +4338,19 @@ Voor de toepassing van het tweede lid: - kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde effectenbeurs of markt; - wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen. -**4.** Ten aanzien van een belastingplichtige die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt ook als voorheffing aangemerkt een evenredig deel van de loonbelasting die is geheven over de door het gezelschap ontvangen gage, bedoeld in artikel 35g van die wet, welk evenredig deel is gerelateerd aan het aan hem toegerekende deel van de door het gezelschap ontvangen gage. +**4.** In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964. -**5.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt ook als voorheffing aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen. +**5.** Ten aanzien van een belastingplichtige die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt ook als voorheffing aangemerkt een evenredig deel van de loonbelasting die is geheven over de door het gezelschap ontvangen gage, bedoeld in artikel 35g van die wet, welk evenredig deel is gerelateerd aan het aan hem toegerekende deel van de door het gezelschap ontvangen gage. -**6.** De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting. +**6.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt ook als voorheffing aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen. -**7.** Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. +**7.** De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting. -**8.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belastingen inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136), worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting. +**8.** Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. -**9.** Bij algemene maatregel van bestuur kan als voorheffing worden aangewezen een door een andere mogendheid dan genoemd in het eerste lid, onderdeel d, geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde in de zin van de in dat onderdeel bedoelde richtlijn ontvangen rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van de richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van de richtlijn. Voor de toepassing van de eerste volzin worden de afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van de in die volzin bedoelde richtlijn, aangemerkt als afzonderlijke mogendheden. +**9.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belastingen inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136), worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid. + +**10.** Bij algemene maatregel van bestuur kan als voorheffing worden aangewezen een door een andere mogendheid dan genoemd in het eerste lid, onderdeel d, geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde in de zin van de in dat onderdeel bedoelde richtlijn ontvangen rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van de richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van de richtlijn. Voor de toepassing van de eerste volzin worden de afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van de in die volzin bedoelde richtlijn, aangemerkt als afzonderlijke mogendheden. ### Artikel 9.3 @@ -4365,7 +4371,7 @@ Bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf wordt rekening gehouden met: a. de verhoging van de *gecombineerde heffingskorting* volgens artikel 8.9; b. de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting volgens artikel 8.9a; c. de kinderkorting; -d. de aanvullende kinderkorting; +d. de ouderschapsverlofkorting; e. de combinatiekorting; f. de aanvullende combinatiekorting; g. de alleenstaande-ouderkorting; @@ -4374,7 +4380,7 @@ i. de korting voor maatschappelijke beleggingen; j. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. k. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, achtste lid. -**3.** Volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf rekening worden gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting. +**3.** Volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf rekening worden gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. **4.** Met een verlies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt pas rekening gehouden nadat de aangifte is gedaan over het kalenderjaar waarop het verlies betrekking heeft. @@ -4390,7 +4396,7 @@ k. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, achtste lid. Een aanslag wordt vastgesteld indien: -a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 40 te boven gaat, of +a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 41 te boven gaat, of b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan. **2.** In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend. @@ -4404,7 +4410,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps **4.** Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld waarbij ook rekening is gehouden met negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, dan wel waarbij geheel of gedeeltelijk ten onrechte of tot een hoger bedrag dan in artikel 8.9, tweede lid, is aangeduid, een verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 in aanmerking is genomen. In het laatste geval hoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. -**5.** In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 13 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend. +**5.** In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 13 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil en wordt gelijktijdig het verzamelinkomen vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend. **6.** Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. @@ -4412,7 +4418,11 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 9.5 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Indien er grond is voor het vermoeden dat vaststelling van het in artikel 9.4, vijfde lid, bedoelde verzamelinkomen ten onrechte achterwege is gelaten of dat dit verzamelinkomen tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur alsnog een beschikking verzamelinkomen vaststellen dan wel de vastgestelde beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking herzien. + +**2.** Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond op voor herziening, tenzij de belastingplichtige terzake van dit feit te kwader trouw is. + +**3.** Artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op de herziening. ## Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen @@ -4420,7 +4430,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 10.1 -Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.18a, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. ### Artikel 10.2 @@ -4478,19 +4488,19 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, derde volzin, genoemde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van: -a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 311, en +a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 392, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. -**4.** Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet. +**4.** Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. **5.** Het percentage in artikel 8.11, derde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdelen b en c, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel a, respectievelijk de onderdelen b en c, genoemde bedrag en het in dat artikel, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van -a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 311, en +a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 392, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. -**6.** Indien volgens een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet. +**6.** Indien op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet. **7.** De volgens het tweede, derde en vijfde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen. @@ -4514,7 +4524,7 @@ Vervallen ### Artikel 10.10 -**1.** De artikelen 3.40 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. +**1.** De artikelen 3.40 tot en met 3.42a, de artikelen 3.43 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. **2.** Als projecten als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, worden mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba ter zake waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens artikel 5.14, derde lid, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle. @@ -4524,6 +4534,14 @@ Vervallen ## Hoofdstuk 10A. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten +### Artikel 10a.1 + +**1.** Op aanspraken die uitsluitend dan wel mede betrekking hebben op lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, blijven de op die datum geldende bepalingen die verband houden met de aanspraken op dergelijke lijfrenten van toepassing, voor zover de aanspraken voortvloeien uit premies die vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. + +**2.** Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, worden die premies geacht geen betrekking te hebben op lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c. + +**3.** Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die uitsluitend of mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, is aanwending van opgebouwde aanspraken voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c slechts mogelijk tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op 31 december 2005. Voor zover de in de eerste volzin bedoelde aanspraken tot een hoger bedrag dan de aldaar bedoelde waarde worden aangewend voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c, is artikel 3.133, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. + ## Hoofdstuk 11. Slotbepalingen ### Artikel 11.1