From 67d3da02e85a2cff88a399afd009fbf7f94bde38 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 30 Sep 2025 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2025-09-30 | BWBR0048327 | Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 --- .../BWBR0048327/README.md | 75 ++++++++++++++----- 1 file changed, 55 insertions(+), 20 deletions(-) diff --git a/ministeriele-regeling/regeling-vrijstellingen-wet-bpf-2000/BWBR0048327/README.md b/ministeriele-regeling/regeling-vrijstellingen-wet-bpf-2000/BWBR0048327/README.md index 5db6d1380d3..c59e20fec06 100644 --- a/ministeriele-regeling/regeling-vrijstellingen-wet-bpf-2000/BWBR0048327/README.md +++ b/ministeriele-regeling/regeling-vrijstellingen-wet-bpf-2000/BWBR0048327/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 bwb_id: BWBR0048327 type: ministeriele-regeling status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2023-07-01' +datum_inwerkingtreding: '2025-09-24' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0048327 citeertitel: Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 --- @@ -90,46 +90,81 @@ d. het verzekeringstechnisch nadeel vanwege de te missen solidariteitsbijdragen **1.** Ten minste eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd. De werkgever aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds. -**2.** De werkgever die een verzoek om vrijstelling heeft ingediend toont de actuariële gelijkwaardigheid aan. +**2.** De werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds toont kwantitatief de actuariële gelijkwaardigheid aan. De actuariële gelijkwaardigheid kan in afwijking van de vorige zin kwalitatief worden aangetoond, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als dat bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt. **3.** -Bij de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen: +Bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen: -a. de werkgever stelt het eigen werknemersbestand op het moment van toetsing vast, waarbij dit betreft alle werknemers die op de dag van indiening van het verzoek tot vrijstelling onder de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds vallen indien die regeling van toepassing zou zijn, en het bedrijfstakpensioenfonds stelt een van haar bestand afgeleid modelbestand vast; +a. de werkgever stelt het eigen werknemersbestand op het moment van toetsing vast, waarbij dit alle werknemers betreft die op de dag van indiening van het verzoek tot vrijstelling onder de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds vallen indien die regeling van toepassing zou zijn, en het bedrijfstakpensioenfonds stelt een van haar bestand afgeleid modelbestand vast; b. de werkgever stelt vast welke pensioensoorten voor toetsing in aanmerking komen, waarbij wordt uitgegaan van het volgende: -1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b; en +1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b; en 2°. vrijwillige pensioenregelingen blijven buiten beschouwing evenals regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien; -c. de werkgever stelt de te hanteren grondslagen voor op basis van de volgende richtlijnen: +c. de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds hanteren de grondslagen op basis van de volgende richtlijnen: -1°. sterfte grondslagen: volgens de sterftetafels die worden gebruikt bij het wettelijke recht op waardeoverdracht als bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet; -2°. beleggingsrendementen en de loon- en prijsinflatie: volgens artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; -3°. invalideringskans: de periodiek door de Actuariële Commissie AOV voor schadeverzekeraars berekende invalideringskansen van werknemers, gecorrigeerd voor beroepsklasse en bedrijfstak; -4°. ontslagkansen: de door de werkgever onderbouwd aangegeven kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en -5°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing; -d. het bedrijfstakpensioenfonds dient akkoord te gaan met het actieve deelnemersbestand, de pensioensoorten en de grondslagen en de werkgever dient akkoord te gaan met het te hanteren modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. +1°. sterftegrondslagen: gebaseerd op de meest prudente beginselen; +2°. beleggingsrendementen: een verwacht bruto meetkundig rendement bedoeld in artikel 23a, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarbij de toekomstige rentetermijnstructuur wordt afgeleid uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; +3°. beleggingsbeleid: de beoogde beleggingsportefeuille; +4°. de prijs- en looninflatie: de prijs- en looninflatie, bedoeld in artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, inclusief loonontwikkeling bij de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds; +5°. invalideringskansen: invalideringskansen berekend op basis van de instroom van de rechthebbenden op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per leeftijdscohort als percentage van de werknemerspopulatie bij het bedrijfstakpensioenfonds; +6°. ontslagkansen: de kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en +7°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing; +d. het bedrijfstakpensioenfonds en de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds bereiken overeenstemming over het actieve deelnemersbestand, de pensioensoorten, de grondslagen en het te hanteren modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. -**4.** De pensioenregeling van de werkgever en de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds worden met elkaar vergeleken op basis van een berekening van de contante waarde van de uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 35 jaar waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte pensioenverplichtingen na 35 jaar wordt in de uitkeringsstroom over de periode van 35 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met het actieve deelnemersbestand van de werkgever en met het op dat moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. +**4.** De pensioenregeling van de werkgever en de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds worden met elkaar vergeleken op basis van een berekening van de contante waarde van de uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 100 jaar waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte pensioenverplichtingen over 100 jaar worden in de uitkeringsstroom over de periode van 100 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met het actieve deelnemersbestand van de werkgever en met het op dat moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. -**5.** Indien de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, wordt gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn, waarbij deze globale gelijkwaardigheid wordt aangetoond op basis van het actieve deelnemers bestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. +**5.** Indien de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, wordt kwantitatieve gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. Indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt, kan de kwantitatieve gelijkwaardigheid in afwijking van de vorige zin ook worden aangetoond door middel van een stochastische analyse. + +**6.** Voor zover de werkgever gebruikmaakt van een met de leeftijd oplopend premiepercentage als bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet, kan de werkgever de ontslagkansen buiten beschouwing laten bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid. + +**7.** Indien de ontslagkansen bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid buiten beschouwing zijn gelaten, kan het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 1 oktober 2030 bepalen dat opnieuw wordt getoetst met inachtneming van de ontslagkansen. + +**8.** Het zesde lid vervalt met ingang van 1 oktober 2030. Het zevende lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2031. ### Artikel 6 **1.** Ten minste eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend financieel gelijkwaardig is als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd. De werkgever aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds. -**2.** +**2.** De werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds toont kwantitatief de financiële gelijkwaardigheid aan. De financiële gelijkwaardigheid kan in afwijking van de vorige zin kwalitatief worden aangetoond, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als dat bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt. -Er is sprake van financiële gelijkwaardigheid indien: +**3.** -a. de premie, zonder de opslag voor de administratieve beheerskosten, voor het pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de premie, zonder de opslag voor de administratieve beheerskosten, voor het pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij dezelfde premiegrondslag wordt gebruikt in de pensioenregeling bij de werkgever en de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds; en -b. de uitkeringshoogte van het pensioen op risicobasis in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de uitkeringshoogte van het pensioen op risicobasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij dezelfde grondslag voor de uitkering wordt gebruikt in de pensioenregeling bij de werkgever en de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds +Er is sprake van kwantitatieve financiële gelijkwaardigheid indien: -**3.** Voor zover de werkgever gebruik maakt van een met de leeftijd oplopend premiepercentage als bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet is sprake van financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, indien de gemiddelde premie voor pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij de werkgever, als percentage van de premiestaffel, bedoeld in artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, ten minste een gelijk percentage bedraagt als de premie voor pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, als percentage van de maximale premie, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De premie bedoeld in de vorige zin is de premie zonder de opslag voor de administratieve beheerskosten. Voor zover de werkgever gebruik maakt van een niet met de leeftijd oplopend premiepercentage is sprake van financiële gelijkwaardigheid als is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a. +a. voor het pensioen op opbouwbasis de premie in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de premie in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij in de premie de opslagen voor administratieve uitvoeringskosten niet worden meegenomen en evenmin de kosten van vermogensbeheer en transactiekosten voor zover deze niet zijn meegenomen in het rendement; en +b. de uitkeringshoogte van iedere pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de uitkeringshoogte van dezelfde pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid, met dien verstande dat de risicodekking van iedere pensioensoort in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de risicodekking van dezelfde pensioensoort in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds. + +**4.** Bij berekening van de kwantitatieve financiële gelijkwaardigheid worden de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten meegenomen, met uitzondering van vrijwillige pensioenregelingen en regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien. + +**5.** Voor zover de werkgever gebruikmaakt van een met de leeftijd oplopend premiepercentage als bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet is in afwijking van het derde lid, onderdeel a, sprake van kwantitatieve financiële gelijkwaardigheid voor het pensioen op opbouwbasis, indien de gemiddelde premie voor pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij de werkgever, als percentage van de maximale premie, bedoeld in artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, ten minste gelijk is aan de premie voor pensioen op opbouwbasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, als percentage van de maximale premie, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De premie bedoeld in de vorige zin is de premie zonder de opslag voor administratieve uitvoeringskosten, zonder de kosten van vermogensbeheer en transactiekosten voor zover deze niet zijn meegenomen in het rendement en zonder de premie ten behoeve van de compensatie, bedoeld in artikel 150f van de Pensioenwet. + +**6.** De financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in dit artikel, wordt geacht te zijn aangetoond indien de werkgever voor de vrijgestelde werknemers een pensioenregeling heeft die aansluit bij de maximale begrenzingen die zijn opgenomen in de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964. + +### Artikel 6a + +**1.** + +Door het bedrijfstakpensioenfonds wordt getoetst of aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijkwaardige aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Hierbij toetst het bedrijfstakpensioenfonds of: + +a. de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever gelijk is aan ten minste 100% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds, of door middel van een stochastische analyse, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt; +b. voor het pensioen op opbouwbasis de premie in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de premie in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij in de premie de opslagen voor administratieve uitvoeringskosten niet worden meegenomen en evenmin de kosten van vermogensbeheer en transactiekosten voor zover deze niet zijn meegenomen in het rendement; +c. de uitkeringshoogte van iedere pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de uitkeringshoogte van dezelfde pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds; en +d. de werkgever ten minste dezelfde beoogde pensioendoelstelling als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Pensioenwet, hanteert als het bedrijfstakpensioenfonds, indien deze een pensioendoelstelling hanteert. + +**2.** Bij de toets aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 5, eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing en bij de toets aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, is artikel 6, eerste, tweede, vierde en zesde lid van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 6b + +Onze Minister zendt in 2028 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 5, in de praktijk. ### Artikel 7 -Deze regeling is van toepassing vanaf het tijdstip dat het bedrijfstakpensioenfonds is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, als bedoeld in artikel 220i, van de Pensioenwet, maar uiterlijk vanaf 1 januari 2027. +**1.** De kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt in afwijking van artikel 5, eerste lid, en artikel 6, derde lid, voor de duur van de hierna genoemde periode aangetoond door een toets op enkel de financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, of vijfde lid en de aanwezigheid van het pensioen op risicobasis dat onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds, voordat deze overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet. Het gaat om de periode waarin enkel het bedrijfstakpensioenfonds dan wel enkel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds, als bedoeld in de artikelen 2 of 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet. In de genoemde periode kan in afwijking van artikel 8, eerste lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, de vrijstelling door het bedrijfstakpensioenfonds niet worden ingetrokken vanwege het ontbreken van de actuariële gelijkwaardigheid. + +**2.** De toets op gelijkwaardige aanspraken wordt in afwijking van artikel 6a, eerste lid, voor de duur van de hierna genoemde periode aangetoond door een toets op enkel de voorwaarde, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, en de aanwezigheid van het pensioen op risicobasis dat onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds, voordat deze overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet. Het gaat om de periode waarin enkel het bedrijfstakpensioenfonds dan wel enkel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds, als bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet. In de genoemde periode kan in afwijking van artikel 8, derde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, de vrijstelling door het bedrijfstakpensioenfonds niet worden ingetrokken vanwege het ontbreken van de actuariële gelijkwaardigheid. + +**3.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027. ### Artikel 8