2008-12-03 | BWBR0013891 | Comptabiliteitswet 2001

This commit is contained in:
Coornhert 2008-12-03 12:00:00 +00:00
parent 767e3c568f
commit 68018a8729

View file

@ -24,14 +24,19 @@ a. de begrotingen van de onderscheiden ministeries, hierna te noemen: de departe
b. de begrotingen van nationale schuld, van wonen, wijken en integratie en van jeugd en gezin;
c. de begroting van koninkrijksrelaties, tenzij de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten die samenhangen met koninkrijksrelaties worden opgenomen in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
d. de begroting van het koninklijk huis;
e. de begroting van de hoge colleges van staat, van het kabinet van de Koning, van het kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen en van het kabinet van de Gouverneur van Aruba, hierna te noemen. de begroting van de colleges;
f. de begrotingen van de onderscheiden begrotingsfondsen, bedoeld in artikel 9.
e. de begroting van het Kabinet van de Koning;
f. de begroting van de Staten-Generaal;
g. de begroting van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen en het Kabinet van de Gouverneur van Aruba;
h. de begroting van de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
i. de begrotingen van de onderscheiden begrotingsfondsen, bedoeld in artikel 9.
**2.** Begrotingen bestaan uit een begrotingsstaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarin zijn opgenomen de begrotingsartikelen, en een bij die staat behorende toelichting.
**3.** De begrotingsstaten worden elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.
**4.** In afwijking van het derde lid kan Onze betrokken Minister besluiten de begrotingsstaat van de departementale begroting en de begrotingsstaat van een begrotingsfonds waarover hij het beheer voert, in één wet te laten vaststellen.
**4.** In afwijking van het derde lid worden de begrotingsstaten van het Kabinet van de Koning en van de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vastgesteld bij de wet waarmee de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken wordt vastgesteld.
**5.** In afwijking van het derde lid kan Onze betrokken Minister besluiten de begrotingsstaat van de departementale begroting en de begrotingsstaat van een begrotingsfonds waarover hij het beheer voert, in één wet te laten vaststellen.
### Artikel 2
@ -161,7 +166,7 @@ h. de uitgaven en ontvangsten van het personeel en het materieel met betrekking
**1.** De begroting van het koninklijk huis bevat de uitkeringen aan de leden van dat huis. De begrotingsartikelen waarin die uitkeringen worden opgenomen hebben het karakter van een niet-beleidsartikel.
**2.** In overeenstemming met Onze Minister van Financiën kan de toepassing van artikel 5 op de begroting van de colleges, gelet op de staatsrechtelijke positie van de colleges, geheel of gedeeltelijk achterwege blijven.
**2.** In overeenstemming met Onze Minister van Financiën kan de toepassing van artikel 5 op een of meer van de begrotingen van de colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, gelet op de staatsrechtelijke positie van de colleges, geheel of gedeeltelijk achterwege blijven.
### Artikel 9
@ -228,6 +233,14 @@ b. de in een ontwerp-begroting opgenomen bedragen niet in een redelijke verhoudi
**5.** In afwijking van het vierde lid kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen van wet aan de Tweede Kamer aan te bieden.
### Artikel 12a
**1.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overlegt jaarlijks vóór de in artikel 12, vierde lid, genoemde datum met de Kamers der Staten-Generaal over de door de Kamers opgestelde ramingen van de uitgaven, de verplichtingen en de ontvangsten die als basis dienen voor de ontwerp-begroting van de Staten-Generaal.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neemt de ramingen, zoals opgesteld door de Kamers, op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van de Staten-Generaal, tenzij een evident zwaarwegende reden zich hiertegen verzet.
**3.** Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ramingen wegens evident zwaarwegende redenen niet of niet geheel opneemt, dan licht hij dit gemotiveerd toe in de memorie van toelichting bij het voorstel van wet.
### Artikel 13
Onze Minister van Financiën biedt op de in artikel 12, vierde lid, genoemde dag aan de Staten-Generaal de Miljoenennota aan. Daarin worden in elk geval opgenomen:
@ -318,9 +331,13 @@ b. de inrichting van het afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorst
**3.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van koninkrijksrelaties.
**4.** Onze Minister van Algemene Zaken is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van het koninklijk huis.
**4.** Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van het koninklijk huis, van de begroting van het Kabinet van de Koning en van de begroting van de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
**5.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van de colleges. De colleges voeren, ieder met betrekking tot hun begrotingsdeel, het beheer over de begroting van de colleges. Over de aan dit beheer te geven inhoud maakt Onze Minister afspraken met de onderscheiden colleges, waarin recht wordt gedaan aan hun staatsrechtelijke positie.
**5.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van de Staten-Generaal en van de begroting van de colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder g.
**6.** De colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, voeren het beheer over hun begroting of hun begrotingsdeel.
**7.** Over de aan dit beheer te geven inhoud maakt Onze betrokken Minister afspraken met de onderscheiden colleges, waarin recht wordt gedaan aan hun staatsrechtelijke positie.
### Artikel 19a
@ -350,7 +367,11 @@ b. de inrichting van het afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorst
**4.** Onze Ministers stellen de Algemene Rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken, bedoeld in het derde lid, die zij doen instellen en van de resultaten daarvan.
**5.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering bij de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e. De colleges voeren, ieder met betrekking tot hun begrotingsdeel, in elk geval het financieel beheer, het materieelbeheer en de administraties ten behoeve van dat beheer. Het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering bij het Kabinet van de Koning en bij de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
**6.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering bij de Staten-Generaal en bij de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
**7.** De colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, voeren, ieder met betrekking tot hun begroting of hun begrotingsdeel, in elk geval het financieel beheer, het materieelbeheer en de administraties ten behoeve van dat beheer. Het bepaalde in artikel 19, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 3.1. Het financieel beheer
@ -358,13 +379,13 @@ b. de inrichting van het afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorst
**1.** Het financieel beheer voldoet aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid en wordt overigens zo doelmatig mogelijk ingericht.
**2.** Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, beschikken met inachtneming van artikel 41, tweede lid, over de bedragen die voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven in die begrotingen zijn toegestaan.
**2.** Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, beschikken met inachtneming van artikel 40, tweede lid, over de bedragen die voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven in die begrotingen zijn toegestaan.
**3.** Over het bedrag toegestaan bij een begrotingsartikel*Nominaal en onvoorzien* kunnen Onze Ministers slechts beschikken, voor zover dit bedrag met toepassing van artikel 14 aan de ramingen van andere begrotingsartikelen is toegevoegd.
**4.** Onze Ministers wijzen aan wie namens hen kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
**5.** In afwijking van het vierde lid wijzen de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, ieder met betrekking tot hun begrotingsdeel, aan wie kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
**5.** In afwijking van het vierde lid wijzen de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, ieder met betrekking tot hun begroting of hun begrotingsdeel, aan wie kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
**6.** Onze Ministers doen aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van een aanwijzing.
@ -489,7 +510,7 @@ d. het deel van de raming van de uitgaven waarvoor nog geen verplichtingen zijn
**2.** Onze Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het privaatrechtelijke beheer van de roerende en de onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover voor dat beheer niet bij of krachtens de wet een of meer van Onze andere Ministers verantwoordelijk zijn gesteld.
**3.** In afwijking van het eerste lid kunnen de privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover die voortvloeien uit het beheer van de begroting van de colleges, worden verricht door de colleges en wel ieder met betrekking tot hun begrotingsdeel, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere Minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de rechtshandeling verricht.
**3.** In afwijking van het eerste lid kunnen de privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover die voortvloeien uit het beheer van de begroting van de colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, worden verricht door de colleges en wel ieder met betrekking tot hun begroting of hun begrotingsdeel, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere Minister dan Onze betrokken Minister de rechtshandeling verricht.
**4.** Privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen namens Onze Ministers dan wel namens de colleges, bedoeld in het derde lid, worden verricht, indien zij daartoe een algemene of bijzondere volmacht hebben verleend.
@ -552,6 +573,8 @@ Onze Minister van Financiën kan regels stellen met betrekking tot:
a. de taken en bevoegdheden die behoren bij de verantwoordelijkheden, bedoeld in de artikelen 20 en 21;
b. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, tweede lid.
**3.** In afwijking van het eerste lid stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap regels met betrekking tot het materieelbeheer van museale voorwerpen die aan het Rijk toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, en met betrekking tot de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden.
## Hoofdstuk III. Het toezicht van Onze Ministers
### Paragraaf 1. Het toezicht van Onze Minister van Financiën op de uitvoering van de begroting
@ -564,9 +587,9 @@ b. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, tweede lid.
### Artikel 40
**1.** Onze Minister van Financiën bepaalt welke gegevens hem ten behoeve van het toezicht, bedoeld in artikel 40, worden verstrekt.
**1.** Onze Minister van Financiën bepaalt welke gegevens hem ten behoeve van het toezicht, bedoeld in artikel 39, worden verstrekt.
**2.** In het kader van het toezicht, bedoeld in artikel 40, kan Onze Minister van Financiën begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan geen verplichtingen mogen worden aangegaan, voordat hij daarmee heeft ingestemd.
**2.** In het kader van het toezicht, bedoeld in artikel 39, kan Onze Minister van Financiën begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan geen verplichtingen mogen worden aangegaan, voordat hij daarmee heeft ingestemd.
### Artikel 41
@ -576,7 +599,7 @@ b. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, tweede lid.
### Artikel 42
**1.** Onze Ministers verstrekken de inlichtingen die Onze Minister van Financiën voor de uitoefening van het toezicht, bedoeld in de artikelen 40 en 42, nodig heeft.
**1.** Onze Ministers verstrekken de inlichtingen die Onze Minister van Financiën voor de uitoefening van het toezicht, bedoeld in de artikelen 39 en 41, nodig heeft.
**2.** Onze Ministers verlenen Onze Minister van Financiën te allen tijde toegang tot dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers.
@ -645,7 +668,7 @@ b. bij of krachtens de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschappen aan d
### Artikel 44a
zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet verschaffen aan Onze Minister periodiek informatie over de door hen te leveren en geleverde prestaties.
Zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet verschaffen aan Onze Minister periodiek informatie over de door hen te leveren en geleverde prestaties.
## Hoofdstuk IV. Het liquidemiddelenbeheer en de financiering van rechtspersonen die collectieve middelen beheren
@ -659,7 +682,11 @@ zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en rechtsper
**4.** Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing ten aanzien van de liquide middelen die niet als collectieve middelen kunnen worden aangemerkt, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de betrokken rechtspersoon worden verantwoord.
**5.** De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**5.** Op verzoek van een rechtspersoon die is aangewezen overeenkomstig het eerste of het derde lid kan Onze Minister van Financiën, indien de rechtspersoon de noodzaak van de uitzondering voor de dagelijkse bedrijfsvoering voldoende aannemelijk maakt en naar het oordeel van Onze Minister van Financiën geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en risico-arm kasbeheer, besluiten dat bepaalde liquide middelen zijn uitgezonderd van de verplichting om deze rentedragend aan te houden in s Rijks schatkist.
**6.** De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**7.** De artikelen 45 tot en met 49a zijn niet van toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in het zestiende lid van artikel 91 van deze wet.
### Artikel 46
@ -706,7 +733,7 @@ Onze Minister van Financiën biedt uiterlijk op 1 maart na afloop van elk jaar a
Onze Ministers leggen na afloop van een begrotingsjaar verantwoording af over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering aan de hand van:
a. de departementale jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, worden opgemaakt;
b. de niet-departementale jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b tot en met f, worden opgemaakt.
b. de niet-departementale jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b tot en met i, worden opgemaakt.
**2.** Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, maken daartoe over elk jaar een jaarverslag op. Onze Ministers maken tevens over elk jaar de departementale saldibalans op.