2018-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2018-01-01 12:00:00 +00:00
parent 6013c4c356
commit 684751f240

View file

@ -23,7 +23,9 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a,
b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14,
**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**associate degree-opleiding:** opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, van de WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**belastbaar minimumloon**: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag voor een 22-jarige op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
@ -43,7 +45,7 @@ b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet
**levenlanglerenkrediet**: lening voor betaling van het lesgeld in het beroepsonderwijs of het collegegeld in het hoger onderwijs,
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, van de WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**onderwijsnummer**: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
@ -190,7 +192,12 @@ c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoor
### Artikel 2.3
**1.** Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van het kwartaal waarop hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. In afwijking van de eerste volzin kan een deelnemer die jonger is dan 18 jaren voor een reisvoorziening in aanmerking komen met ingang van de maand waarin hij beroepsonderwijs is gaan volgen.
**1.**
Een deelnemer kan in aanmerking komen voor:
a. een reisvoorziening met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij beroepsonderwijs is gaan volgen;
b. studiefinanciering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op het kwartaal waarin hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
**2.** Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
@ -252,13 +259,13 @@ De artikelen 2.7 en 2.7a zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
### Artikel 2.8
**1.** Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW.
**1.** Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vijfde en zesde lid, 5a.12a, eerste lid, 5a.15, of 6.5, tweede lid, van de WHW.
### Artikel 2.9
**1.** Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de WHW, die initiële opleidingen verzorgt.
**1.** Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de WHW, die initiële opleidingen verzorgt.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vijfde en zesde lid, 5a.12a, eerste lid, 5a.15, of 6.10, derde lid, van de WHW.
@ -272,7 +279,7 @@ Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven
### Artikel 2.12
Onverminderd de artikelen 2.8 tot en met 2.11 kan een student in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de WHW.
Onverminderd de artikelen 2.8 tot en met 2.11 kan een student in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel a, van de WHW of een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de WHW.
### Artikel 2.13
@ -478,7 +485,7 @@ In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste vo
**1.** Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de deelnemer in het peiljaar.
**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2017: € 17.329,02. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een deelnemer die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2017: € 21.954,95.
**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2018: € 17.621,88. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een deelnemer die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2018: € 22.325,99.
**3.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
@ -499,8 +506,8 @@ b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voora
Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor studenten, met dien verstande dat:
a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2017: € 15.530,91; en
b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2017: € 19.676,64.
a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2018: € 15.793,38; en
b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2018: € 20.009,18.
### Artikel 3.10
@ -564,7 +571,7 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een
Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt:
a. indien de studerende niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid;
b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en
b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, van de WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en
c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisicos kan worden geweigerd.
@ -580,7 +587,7 @@ c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde word
De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de studerende in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van:
a. artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW; of
b. artikel 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de WHW.
b. artikel 7.4b, tweede tot en met achtste lid, van de WHW.
**3.** Indien de student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd.
@ -598,7 +605,7 @@ Voor een goede uitvoering van de artikelen 3.16b tot en met 3.16d worden bij min
### Artikel 3.17
**1.** Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2017: € 14.215,75.
**1.** Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2018: € 14.456,00.
**2.** Vervallen.
@ -610,7 +617,7 @@ a. een uitkering op grond van de Participatiewet, de Toeslagenwet of de Wet inko
b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de deelnemer zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een deelnemer hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
**4.** Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2017: € 337,68 buiten beschouwing.
**4.** Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2018: € 338,46 buiten beschouwing.
**5.**
@ -823,7 +830,7 @@ Onverminderd artikel 4.7, eerste en tweede lid, komt een deelnemer die jonger is
**2.** Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2017: € 931,51. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2018: € 934,49. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
**4.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
@ -895,7 +902,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
**1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2017: € 931,51. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2018: € 934,49. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
**3.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
@ -945,19 +952,16 @@ c. een toeslag eenoudergezin.
**1.**
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt aan een student verstrekt:
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
a. voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs gedurende:
1°. de periode waarop de studielast van een bacheloropleiding op grond van artikel 7.4b, eerste lid, van de WHW is gebaseerd; of
2°. één jaar voor een masteropleiding genoemd in artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW; of
b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, van de WHW gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op grond van artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW is gebaseerd.
a. eenmalig een jaar indien een student is ingeschreven aan een masteropleiding, bedoeld in artikel 7.4b, derde tot met achtste lid, van de WHW;
b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in artikel 7.4a, derde tot en met zevende lid, van de WHW, minus zestig en gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding.
**2.** In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
**3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2017: € 931,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2018: € 934,49. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
**5.** Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
@ -970,7 +974,9 @@ b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinne
### Artikel 5.2b
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren waarop de studielast van de opleiding, bedoeld in artikel 7.3a van de WHW, is gebaseerd.
**1.** De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de student kan worden verstrekt.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding.
### Artikel 5.2c
@ -989,7 +995,7 @@ c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van artikel
Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:
a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of artikel 5.2a prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of
b. op grond van artikel 5.2, eerste lid, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in artikel 7.4b, vierde lid, van de WHW.
b. op grond van artikel 5.2, eerste lid, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in 7.4b, vijfde lid, van de WHW.
### Artikel 5.3
@ -1013,13 +1019,17 @@ Vervallen
### Artikel 5.7
**1.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.
**1.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift.
**2.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW aanvangt.
**2.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW aanvangt.
**3.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de WHW daarmee gelijk wordt gesteld.
**3.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.
**4.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding en het afronden van een programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
**4.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW aanvangt.
**5.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste of derde lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de WHW daarmee gelijk wordt gesteld.
**6.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het derde lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding, voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
### Artikel 5.8
@ -1033,7 +1043,7 @@ Vervallen
**2.** Een student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge artikel 5.7, vierde lid.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge artikel 5.7, zesde lid.
### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
@ -1132,16 +1142,18 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in artikel 5.7, een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
a. aan de debiteur op grond van artikel 5.2b voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
a. aan de debiteur op grond van artikel 5.2b, eerste lid, voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
**2.**
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2017: € 1.249,63.
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2018: € 1.253,63.
.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
**3.** Voor een debiteur aan wie op grond van artikel 5.2b, tweede lid, 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend en die binnen de diplomatermijn hoger onderwijs een associate degree-opleiding met goed gevolg heeft afgerond, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de waarde van de kwijtschelding 50% bedraagt van het bedrag, genoemd in het tweede lid.
**4.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
### Artikel 6.3
@ -1400,7 +1412,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
**2.** Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
**3.** De studerende kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te lenen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
**3.** De studerende kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
### Artikel 8.2
@ -1780,13 +1792,13 @@ Op de deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs st
### Artikel 12.1b
**1.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 van de WHW, voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.
**1.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 van de WHW, voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.
**2.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 van de WHW.
**3.** In afwijking van artikel 2.8, tweede lid, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van 6.5, tweede lid: 6.5, derde lid.
**3.** In afwijking van artikel 2.8, tweede lid, wordt voor de opleidingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «6.5, tweede lid, van de WHW» gelezen: 6.5, derde lid, van de WHW.
**4.** In aanvulling op artikel 2.9 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
**4.** In aanvulling op artikel 2.9 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
### Artikel 12.1ba
@ -1927,10 +1939,10 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw
| | thuiswonende | uitwonende |
| --- | --- | --- |
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2017: € 659,63 | € 833,22 per 1 januari 2017: € 867,68 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2017: € 104,40 | € 279,14 per 1 januari 2017: € 290,68 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2017: € 252,91 | € 258,35 per 1 januari 2017: € 274,68 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2017: € 302,32 | € 295,73 per 1 januari 2017: € 302,32 |
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2018: € 661,74 | € 833,22 per 1 januari 2018: € 870,46 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2018: € 104,73 | € 279,14 per 1 januari 2018: € 291,61 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2018: € 255,57 | € 258,35 per 1 januari 2018: € 277,41 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2018: € 301,44 | € 295,73 per 1 januari 2018: € 301,44 |
**3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
@ -1948,9 +1960,9 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw
Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
c. hij heeft zich ingeschreven voor een geaccrediteerde opleiding in het hoger onderwijs in Nederland als bedoeld in artikel 7.3a van de WHW, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, heeft ontvangen.
c. hij heeft zich ingeschreven voor een geaccrediteerde opleiding in het hoger onderwijs in Nederland als bedoeld in artikel 7.3a of 7.3b van de WHW, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, heeft ontvangen.
**3.** Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
@ -1979,9 +1991,9 @@ Op de studerende die een toeslag als bedoeld in artikel 3.4, zoals dat artikel l
### Artikel 12.19
**1.** In afwijking van artikel 3.17 blijft dat artikel, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AG, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, van toepassing op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs.
**1.** In afwijking van artikel 3.17 blijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
**2.** In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op basisbeurs bestaat.
**2.** In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op een basisbeurs bestaat, bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.
### Artikel 12.20
@ -1993,6 +2005,24 @@ Op de studerende die een toeslag als bedoeld in artikel 3.4, zoals dat artikel l
Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig artikel 11.1 aan.
### Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding
### Artikel 12.22
Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, bedoeld in artikel 5.2b, tweede lid, kan niet eerder worden gedaan dan op 1 januari 2019.
### Artikel 12.23
Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, blijft artikel 5.7, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, van toepassing voor de student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd.
### Artikel 12.24
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, uitsluitend omgezet in een gift voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding.
### Artikel 12.25
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2a, derde lid, opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden.
## Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Artikel 13.1