diff --git a/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md b/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md index 03c121342a4..dbcef3e5be0 100644 --- a/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md +++ b/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md @@ -46,7 +46,7 @@ k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoff Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem: -a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 of 8.44 van de Wet milieubeheer ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden; +a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden; b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib; c. vanuit een particulier huishouden. @@ -58,13 +58,13 @@ c. vanuit een particulier huishouden. Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft: -a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn; +a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 2.4, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn; b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet; c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. -**3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is. +**3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is. -**4.** Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet geheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn, waarvoor krachtens artikel 8.2, derde lid, van die wet Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een vergunning krachtens artikel 8.1 van die wet, dan wel waarvoor een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet is vereist. +**4.** Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet geheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn, waarvoor op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een omgevingsvergunning, dan wel waarvoor een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet is vereist. **5.** Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde. @@ -93,7 +93,7 @@ d. 1 lozingseenheid per 50 m^3 water dat jaarlijks wordt gebruikt in de overige **3.** -Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: +Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9. @@ -102,7 +102,7 @@ b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9. ### Artikel 5a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. **2.** Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 6 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing. @@ -166,7 +166,7 @@ Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief w ### Artikel 11a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. **2.** Artikel 11, derde lid, is op het eerste lid van overeenkomstige toepassing. @@ -196,7 +196,7 @@ Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem de **2.** -Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien: +Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien: a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt: @@ -212,7 +212,7 @@ d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van het huisho **4.** -Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: +Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen 15 tot en met 19. @@ -221,7 +221,7 @@ b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen 15 tot en ### Artikel 14a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b. **2.** Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, zijn artikel 14, derde en vijfde lid, alsmede de artikelen 15 tot en met 19 van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. @@ -300,7 +300,7 @@ b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d. ### Artikel 21a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. **2.** De artikelen 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing. @@ -320,11 +320,11 @@ Ter zake van het definitief beƫindigen van een lozing in de bodem als bedoeld i **1.** Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren. -**2.** Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. +**2.** Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. ### Artikel 24a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. **2.** Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. @@ -334,7 +334,7 @@ Ter zake van het definitief beƫindigen van een lozing in de bodem als bedoeld i **2.** -Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat: +Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat: a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat. @@ -343,7 +343,7 @@ b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit b ### Artikel 25a -**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar. +**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar. **2.** Artikel 25, derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige toepassing. @@ -389,7 +389,7 @@ d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het ### Artikel 29 -Als betrokken bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer wordt, voor de gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen, tevens die andere lid-staat aangewezen. Met de betrokken lid-staat wordt, desgevraagd, alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan, overleg gevoerd. +In gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, wordt desgevraagd met de betrokken lidstaat overleg gevoerd alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan. ### Artikel 30