2013-07-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang
This commit is contained in:
parent
a657f20c01
commit
69c15a92fb
1 changed files with 302 additions and 121 deletions
|
|
@ -22,12 +22,17 @@ In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan ond
|
|||
|
||||
- *beroepskracht:*
|
||||
|
||||
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau en is belast met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang;
|
||||
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie beroepsonderwijs, beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau;
|
||||
- *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a;
|
||||
- *college:* college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd of zal worden gevestigd;
|
||||
- *continentaal plat:* de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland;
|
||||
- *gastouder:* de natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van natuurlijke personen van wie een of meer kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, onderscheidenlijk artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en met uitzondering van de persoon die op hetzelfde woonadres als de ouder of diens partner staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
|
||||
- *gastouder:* degene van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van degene:
|
||||
|
||||
a. van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, onderscheidenlijk 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontzet van het gezag als bedoeld in artikel 269 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
|
||||
b. die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als de ouder of diens partner van het kind aan wie opvang wordt geboden, of
|
||||
c. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft;
|
||||
- *gastouderbureau:* een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt;
|
||||
- *gastouderopvang:* kinderopvang:
|
||||
|
||||
|
|
@ -39,6 +44,9 @@ c. waarbij de opvang plaatsvindt:
|
|||
2°. op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder opvang biedt, dan wel
|
||||
3°. op twee of meer van deze woonadressen; en
|
||||
d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
|
||||
- *geregistreerd gastouderbureau:* een in het register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
|
||||
- *geregistreerd kindercentrum:* een in het register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
|
||||
- *geregistreerde voorziening voor gastouderopvang:* een in het register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
|
||||
- *GGD:* een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
|
||||
- *houder:*
|
||||
|
||||
|
|
@ -51,15 +59,17 @@ b. de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert.
|
|||
- *ouder:* de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
|
||||
- *oudercommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 1.58;
|
||||
- *overheidswerkgever:* de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *overheidswerknemer:* de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *register kinderopvang:* het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a;
|
||||
- *stagiair:* degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
|
||||
- *Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
- *uitvoeringskosten:* de kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van gastouderopvang;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *uitzendkracht:* degene van 18 jaar of ouder die werkzaam is voor een uitzendbureau en is uitgezonden voor werkzaamheden bij een kindercentrum of een gastouderbureau;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag:* een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen of een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen:* een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, ten behoeve van een natuurlijk persoon;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen:* een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, ten behoeve van een rechtspersoon;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *voorziening voor gastouderopvang:* gastouderopvang door een specifieke gastouder op een specifiek woonadres;
|
||||
- *vrijwilliger:* degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
- *werkgever:* de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *werknemer:* de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
|
||||
- *vrijwilliger:* de persoon van 18 jaar of ouder die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding of het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en geen ouder is als bedoeld in artikel 1.57, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -70,6 +80,8 @@ b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen
|
|||
c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Wet op de jeugdzorg;
|
||||
d. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk en hoofdstuk 3 wordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
@ -154,7 +166,7 @@ d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.6a
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 1.5 en 1.6, heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b.
|
||||
In afwijking van de artikelen 1.5 en 1.6, heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -183,7 +195,14 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
|||
|
||||
### Artikel 1.9
|
||||
|
||||
De bedragen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
|
||||
**1.** De bedragen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De overeenkomstig het eerste lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen:
|
||||
|
||||
a. bedoeld in de artikelen 1.7, tweede lid, en 1.8, tweede lid, en
|
||||
b. die voortvloeien uit de mate waarin het toetsingsinkomen een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Financiële middelen tot dekking van kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
|
|
@ -209,7 +228,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 1.13
|
||||
|
||||
Het college van burgemeester en wethouders kan aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
Het college kan aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
|
|
@ -347,37 +366,41 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.45
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college.
|
||||
|
||||
**2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.
|
||||
**2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college.
|
||||
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer.
|
||||
|
||||
**5.** In de gevallen waarin het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, dient te worden verstrekt, is degene ten behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
**5.** In de gevallen waarin het burgerservicenummer dient te worden verstrekt, is degene ten behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.46
|
||||
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, een beschikking af aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
|
||||
**2.** In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, nadat uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
**2.** In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
**3.** Het college deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
**4.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in het register kinderopvang.
|
||||
**5.** Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college dit op in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.47
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau doet van een wijziging in de gegevens die daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aangewezen onverwijld mededeling aan het college, nadat deze wijziging hem bekend is geworden. Hierbij verzoekt de houder de gegevens te wijzigen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
**2.** Het college kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens en verwerkt dit zo nodig in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau kan het college verzoeken de inschrijving van een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang te verwijderen.
|
||||
|
||||
**4.** Het college kan naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het derde lid besluiten tot verwijdering van de inschrijving uit het register kinderopvang en verwerkt dit in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
**5.** Het college heft geen recht als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet in verband met een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.47a
|
||||
|
||||
|
|
@ -463,21 +486,31 @@ f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
|
|||
g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;
|
||||
h. de beschikbare ruimte voor kinderen.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder van het kindercentrum overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
**4.** Een verklaring omtrent het gedrag van een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid wordt aan de houder van een kindercentrum overgelegd, voordat deze persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de houder van het kindercentrum of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt deze houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door deze houder of de toezichthouder vast te stellen termijn.
|
||||
**5.** De houder van een kindercentrum overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**6.** De verplichting van het vierde lid geldt voor personen die als stagiair of uitzendkracht werkzaam zijn de eerste maal voordat deze personen de werkzaamheden aanvangen.
|
||||
**6.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder van een kindercentrum niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat deze houder opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de houder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder, dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**8.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als stagiair of uitzendkracht werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair of de uitzendkracht in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**9.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als vrijwilliger werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**10.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**11.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het derde tot en met het negende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.50a
|
||||
|
||||
De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.
|
||||
De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het college en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.50b
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
|
||||
|
||||
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;
|
||||
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
|
||||
|
|
@ -490,19 +523,53 @@ De houder van een kindercentrum voert een beleid dat ertoe leidt dat de veilighe
|
|||
|
||||
### Artikel 1.51a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor het personeel of de gastouders een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
|
||||
|
||||
**2.** Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
|
||||
|
||||
**3.** Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.
|
||||
|
||||
**4.** De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
|
||||
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.51b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau op enigerlei wijze bekend is geworden dat:
|
||||
|
||||
a. een bij zijn onderneming werkzaam persoon; of
|
||||
b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt of een van de andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid;
|
||||
|
||||
zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum of gastouderbureau onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon, een gastouder of een persoon van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum of van dat gastouderbureau daarvan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 1.51c, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.51c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien:
|
||||
|
||||
a. een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon; of
|
||||
b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt;
|
||||
|
||||
op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum of van een gastouderbureau zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene als bedoeld in onderdeel a of b in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 1.51b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, of de gastouder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.52
|
||||
|
||||
**1.** Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
|
||||
**1.** Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de ouder.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de ouder niet kan worden verplicht tot afname en betaling van meer uren per dag of dagdeel dan een in die regeling te bepalen maximum.
|
||||
|
||||
|
|
@ -510,7 +577,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 1.53
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij kindercentra.
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij kindercentra en de informatieverstrekking door kindercentra aan ouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.54
|
||||
|
||||
|
|
@ -532,11 +599,11 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 1.56
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden.
|
||||
**1.** De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden en tot naleving van artikel 1.56b door de gastouder.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
|
||||
|
||||
**3.** Op de houder van een gastouderbureau en op de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, is artikel 1.50, derde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is artikel 1.54 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Op de houder van een gastouderbureau en op de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, is artikel 1.50, derde tot en met tiende lid, van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is artikel 1.51 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -547,17 +614,18 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. de administratie van gegevens bij gastouderbureaus;
|
||||
b. het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en vraagouders.
|
||||
b. het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en ouders;
|
||||
c. de informatieverstrekking door het gastouderbureau aan ouders.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over het minimum aantal uren ondersteuning dat een gastouderbureau jaarlijks verleent aan een gastouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.56a
|
||||
|
||||
De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer van de ouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.56b
|
||||
|
||||
**1.** De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang.
|
||||
**1.** De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang. De gastouder houdt bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening met de opgestelde risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 1.56, derde lid, juncto artikel 1.51 en hij is verantwoordelijk voor de naleving van de meldcode, bedoeld in artikel 1.51a, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -570,23 +638,39 @@ d. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastoudero
|
|||
e. de beschikbare ruimte voor kinderen;
|
||||
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder van de voorziening voor gastouderopvang hun hoofdverblijf hebben, alsmede de daar werkzame vrijwilligers en stagiaires, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
**3.** De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder van de voorziening voor gastouderopvang hun hoofdverblijf hebben, alsmede de daar werkzame vrijwilligers en stagiaires, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaringen, bedoeld in het derde lid, worden door de gastouder aan de houder van het gastouderbureau overgelegd, voordat de gastouder zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaringen zijn op het moment dat zij worden overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
**4.** De houder van een gastouderbureau overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, de verklaringen omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, aan het college, met uitzondering van de verklaring omtrent het gedrag van de gastouder die al een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang exploiteert en met uitzondering van de verklaringen omtrent het gedrag van andere personen van 18 jaar en ouder als bedoeld in het derde lid, indien die verklaringen omtrent het gedrag al zijn overgelegd bij een eerdere aanvraag tot exploitatie door de gastouder. De verklaringen omtrent het gedrag zijn op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de houder van het gastouderbureau of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt deze houder of de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door deze houder of de toezichthouder vast te stellen termijn.
|
||||
**5.** Indien de houder van een gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 1.51, 1.53, 1.54, tweede lid en 1.55 zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
|
||||
**6.** De artikelen 1.53 en 1.55 zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
|
||||
|
||||
**7.** De verplichting van het vierde lid geldt voor personen die als stagiair werkzaam zijn de eerste maal dat deze personen de werkzaamheden aanvangen.
|
||||
**7.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als stagiair werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**8.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als vrijwilliger werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van de afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. Een verklaring omtrent het gedrag wordt aan het gastouderbureau overgelegd.
|
||||
|
||||
**9.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt, niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**10.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het derde tot en met het negende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.57
|
||||
|
||||
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De ouders, bedoeld in het eerste lid, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**3.** De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de houder van een kindercentrum overgelegd, voordat de ouder, bedoeld in het eerste lid, zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de houder van een kindercentrum of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een ouder, bedoeld in het eerste lid, niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag verlangt de houder, al dan niet op verzoek van de toezichthouder, dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** De verplichting van het derde lid geldt voor een ouder als bedoeld in het eerste lid, de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.57a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste en derde tot en met zesde lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -626,7 +710,7 @@ c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
|
|||
|
||||
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50 dan wel aan artikel 1.56;
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50, eerste lid, of artikel 1.56, eerste lid;
|
||||
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
|
||||
c. openingstijden;
|
||||
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder het aanbieden van voorschoolse educatie;
|
||||
|
|
@ -637,7 +721,7 @@ f. wijziging van de prijs van kinderopvang.
|
|||
|
||||
**3.** De oudercommissie is bevoegd de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
**4.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.60a
|
||||
|
||||
|
|
@ -649,7 +733,7 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo
|
|||
|
||||
### Artikel 1.61
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -661,21 +745,29 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo
|
|||
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels.
|
||||
|
||||
**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. Artikel 1.63 is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
|
||||
**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels.
|
||||
|
||||
**5.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.63
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau vast in een inspectierapport.
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**4.** De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig artikel 1.54, tweede en derde lid, daarover informeert.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan:
|
||||
|
||||
a. de houder van een kindercentrum,
|
||||
b. de houder van een gastouderbureau en de gastouder indien het rapport betrekking heeft op de gastouder, of
|
||||
c. de houder van een gastouderbureau, indien het rapport betrekking heeft op een gastouderbureau.
|
||||
|
||||
**5.** De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
|
||||
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.61, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.61, eerste lid, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.64
|
||||
|
||||
|
|
@ -687,9 +779,9 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo
|
|||
|
||||
### Artikel 1.65
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -698,15 +790,15 @@ De toezichthouder kan een schriftelijk bevel geven aan een kindercentrum, gastou
|
|||
a. dat de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum of een voorziening voor gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden; of
|
||||
b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor het risico bestaat dat ook de kwaliteit van de gastouderopvang in gevaar komt, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevel, bedoeld in het derde lid, heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
|
||||
**4.** Het bevel, bedoeld in het derde lid, heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd.
|
||||
|
||||
**5.** De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.66
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
**1.** Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.67
|
||||
|
||||
|
|
@ -716,13 +808,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.67a
|
||||
|
||||
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.
|
||||
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 1 gestelde regels.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges van burgemeester en wethouders
|
||||
#### Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
|
||||
|
||||
### Artikel 1.68
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot hoofdstuk 1 van deze wet nodig heeft.
|
||||
**1.** Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot hoofdstuk 1 van deze wet nodig heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die het college verstrekt over de uitvoering van zijn werkzaamheden op grond van dit hoofdstuk en de wijze waarop het college de gegevens en inlichtingen verstrekt en verzamelt en of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -748,7 +840,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.72
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -782,7 +874,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.80
|
||||
|
||||
Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.
|
||||
Indien het college voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.
|
||||
|
||||
### Artikel 81
|
||||
|
||||
|
|
@ -837,7 +929,7 @@ Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de
|
|||
|
||||
### Artikel 1.89
|
||||
|
||||
Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
|
||||
|
|
@ -845,21 +937,32 @@ Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatreg
|
|||
|
||||
### Artikel 2.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *beroepskracht:* degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;
|
||||
- *beroepskracht:* de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie beroepsonderwijs, beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
- *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a;
|
||||
- *Onze Minister:* Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
- *GGD:* gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke gezondheid;
|
||||
- *college:* college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een peuterspeelzaal is gevestigd of zal worden gevestigd;
|
||||
- *GGD:* gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
|
||||
- *geregistreerde peuterspeelzaal:* een in het register peuterspeelzaalwerk ingeschreven peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid;
|
||||
- *houder:* degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een peuterspeelzaal exploiteert;
|
||||
- *Onze Minister:* Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
- *ouder:* bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
|
||||
- *oudercommissie:* commissie als bedoeld in artikel 2.15;
|
||||
- *peuterspeelzaalwerk:* de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;
|
||||
- *peuterspeelzaal:* voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
|
||||
- *register peuterspeelzaalwerk:* het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.3;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *vrijwilliger:* degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.
|
||||
- *stagiair:* degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
|
||||
- *uitzendkracht:* degene van 18 jaar of ouder die werkzaam is voor een uitzendbureau en is uitgezonden voor werkzaamheden bij een peuterspeelzaal;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag:* een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen of een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen:* een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, ten behoeve van een natuurlijk persoon;
|
||||
- *verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen:* een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, ten behoeve van een rechtspersoon;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *vrijwilliger:*de persoon van 18 jaar of ouder die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding of het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.
|
||||
|
||||
**2.** Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk wordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
|
||||
|
||||
|
|
@ -867,27 +970,35 @@ In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan ond
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college.
|
||||
|
||||
**2.** Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
**2.** Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een beschikking af aan de houder.
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
|
||||
**2.** In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, nadat uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 2 van dit hoofdstuk, bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
**2.** In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
|
||||
**3.** Het college deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**4.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge artikel 2.2, derde lid, zijn verstrekt.
|
||||
**4.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge artikel 2.2, derde lid, zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
**1.** De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register peuterspeelzaalwerk.
|
||||
**1.** De houder doet van een wijziging in de gegevens die daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aangewezen onverwijld mededeling aan het college, nadat deze wijziging hem bekend is geworden. Hierbij verzoekt de houder de gegevens te wijzigen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat de wijziging in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
|
||||
**2.** Het college kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens en verwerkt dit zo nodig in het register peuterspeelzaalwerk.
|
||||
|
||||
**3.** De houder kan het college verzoeken de inschrijving van een peuterspeelzaal uit het register peuterspeelzaalwerk te verwijderen.
|
||||
|
||||
**4.** Het college kan naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het derde lid besluiten tot verwijdering van de inschrijving en verwerkt dit in het register peuterspeelzaalwerk.
|
||||
|
||||
**5.** Het college heft geen recht als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet in verband met een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4a
|
||||
|
||||
|
|
@ -926,21 +1037,31 @@ d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kindere
|
|||
e. de groepsgrootte;
|
||||
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een peuterspeelzaal en de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
**3.** De houder van een peuterspeelzaal en de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
**4.** Een verklaring omtrent het gedrag van een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid wordt aan de houder overgelegd, voordat deze persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt deze houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door deze houder of de toezichthouder vast te stellen termijn.
|
||||
**5.** De houder overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**6.** De verplichting van het vierde lid geldt voor personen die als stagiair of uitzendkracht werkzaam zijn de eerste maal voordat deze personen de werkzaamheden aanvangen.
|
||||
**6.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat deze houder opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de houder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder, dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**8.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als stagiair of uitzendkracht werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van de afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiaire of de uitzendkracht in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**9.** De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als vrijwilliger werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**10.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van het peuterspeelzaalwerk aanwezig is in de peuterspeelzaal niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van de peuterspeelzaal een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**11.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het derde tot en met het negende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7
|
||||
|
||||
De houder van een peuterspeelzaal neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167a van de Wet op het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming van de samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.
|
||||
De houder van een peuterspeelzaal neemt deel aan het overleg tussen het college en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167a van de Wet op het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming van de samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
|
||||
|
||||
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;
|
||||
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
|
||||
|
|
@ -953,19 +1074,39 @@ De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid va
|
|||
|
||||
### Artikel 2.9a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De houder van een peuterspeelzaal stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
|
||||
|
||||
**2.** Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
|
||||
|
||||
**3.** Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van een peuterspeelzaal bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
|
||||
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien de houder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn onderneming werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door hem geboden peuterspeelzaalwerk, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk, stelt hij de houder daarvan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien toepassing van het derde lid er toe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.9c, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk kan deze bij de onderneming van de houder werkzame persoon in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
**3.** De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.10
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij peuterspeelzalen.
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij peuterspeelzalen en de informatieverstrekking door peuterspeelzalen aan ouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -983,7 +1124,7 @@ Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van d
|
|||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en Gezin, beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9.
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 2.5, 2.6, eerste lid, en 2.9.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1025,9 +1166,9 @@ c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van de houder met betrekking tot:
|
||||
De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6;
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6, eerste lid;
|
||||
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
|
||||
c. openingstijden;
|
||||
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder voorschoolse educatie;
|
||||
|
|
@ -1050,31 +1191,33 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis
|
|||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.20
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. Artikel 2.21 is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels.
|
||||
|
||||
**4.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede of het derde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.21
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid.
|
||||
|
||||
**4.** De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig artikel 2.11, tweede en derde lid, daarover informeert.
|
||||
**4.** De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de houder.
|
||||
|
||||
**5.** De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
|
||||
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als bedoeld in artikel 2.19, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.22
|
||||
|
||||
|
|
@ -1086,25 +1229,25 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis
|
|||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
|
||||
**3.** Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd.
|
||||
|
||||
**4.** De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.24
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
**1.** Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen.
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges van burgemeester en wethouders
|
||||
#### Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
|
||||
|
||||
### Artikel 2.25
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot dit hoofdstuk nodig heeft.
|
||||
**1.** Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot dit hoofdstuk nodig heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die het college verstrekt over de uitvoering van zijn werkzaamheden op grond van dit hoofdstuk en de wijze waarop het college de gegevens en inlichtingen verstrekt en verzamelt en of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1122,7 +1265,7 @@ Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.28
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1151,7 +1294,7 @@ Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in afdeling 2 van dit hoof
|
|||
|
||||
### Artikel 2.31
|
||||
|
||||
Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1213,9 +1356,9 @@ Voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luid
|
|||
|
||||
### Artikel 3.8b
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
|
||||
**1.** Het college blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
|
||||
|
||||
**2.** Het college van burgemeester en wethouders dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
|
||||
**2.** Het college dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
|
||||
|
||||
**3.** In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid, blijft het college partij en staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1235,13 +1378,51 @@ Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentr
|
|||
|
||||
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8f
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8g
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houders, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1, de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid, en 2.6, derde lid, en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, die beschikken over een verklaring omtrent het gedrag:
|
||||
|
||||
a. waarvan de datum van afgifte ligt voor 1 juli 2011 overleggen uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van het onderhavige artikel een nieuwe verklaring omtrent het gedrag die op het moment van overlegging niet ouder is dan twee maanden;
|
||||
b. waarvan de datum van afgifte ligt in de periode die loopt van 1 juli 2011 tot en met 28 februari 2013 overleggen uiterlijk twee jaar na de datum van afgifte van die verklaring een nieuwe verklaring omtrent het gedrag die op het moment van overlegging niet ouder is dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt door:
|
||||
|
||||
a. de houders, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 aan het college overgelegd;
|
||||
b. door de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de artikelen 1.50, derde lid, en 2.6, derde lid, en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, aan de houder overgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Stagiaires, vrijwilligers, uitzendkrachten en ouders als bedoeld in artikel 1.57, eerste lid, die op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige artikel werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal exploiteert, beschikken zes maanden na deze datum over een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar.
|
||||
|
||||
**4.** Een nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door de stagiair of de uitzendkracht aan die houder overgelegd bij wie hij op dat moment werkzaam is. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair of de uitzendkracht in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
|
||||
|
||||
**5.** De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door een vrijwilliger of een ouder als bedoeld in artikel 1.57, eerste lid, overgelegd aan de houder. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8h
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 1.1a, vijfde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, is voor de berekeningsjaren 2012 en 2013 artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op een aanvraag om kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 1.5.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8h*
|
||||
|
||||
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8i
|
||||
|
||||
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1255,7 +1436,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, 1.87, en 2.29 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -1267,11 +1448,11 @@ De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zes
|
|||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in hoofdstuk 1 van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14
|
||||
|
||||
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
|
||||
Vervallen door vernummering.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14a
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue