2010-07-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
This commit is contained in:
parent
5e6a95e389
commit
6ba67b4a59
1 changed files with 966 additions and 1096 deletions
|
|
@ -23,15 +23,12 @@ Een asielaanvraag wordt, behoudens enkele uitzonderingen (zie C9/2), ingediend b
|
|||
### 3. Geldigheidsduur
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.105, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend of verlengd voor de duur van vijf jaar. Artikel 3.105, tweede lid, Vb geeft aan dat in het Vb gevallen kunnen worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning voor minder dan vijf jaar wordt verleend of verlengd, maar schrijft daarnaast voor dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw de verlening of verlenging minimaal voor drie jaar is en dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw de verlening of verlenging minimaal voor één jaar is. Het Vb wijst vooralsnog geen gevallen aan waarin de geldigheidsduur korter dan vijf jaar is (voor de ingangsdatum zie C21/1.1).
|
||||
Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden.
|
||||
|
||||
|
||||
Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven (zie C7 en C16).
|
||||
|
||||
|
||||
In plaats van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kan de vreemdeling er ook voor kiezen een aanvraag voor verlenging van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. In de praktijk zal van deze mogelijkheid alleen gebruik worden gemaakt wanneer de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De vreemdeling komt in aanmerking voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw voordoet.
|
||||
|
||||
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
|
||||
|
||||
Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden.
|
||||
|
||||
Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven (zie C7 en C17).
|
||||
|
||||
In plaats van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kan de vreemdeling er ook voor kiezen een aanvraag voor verlenging van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. In de praktijk zal van deze mogelijkheid alleen gebruik worden gemaakt wanneer de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De vreemdeling komt in aanmerking voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw voordoet.
|
||||
|
||||
### 4. Arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
|
|
@ -135,7 +132,7 @@ c. hierdoor voor hem ernstige medische consequenties zullen ontstaan.
|
|||
|
||||
Het gaat hier om een asielrechtelijke toets. Om die reden kan enkel de uitsluiting op discriminatoire gronden leiden tot vluchtelingschap. Deze toets houdt dan ook geen verband met de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van adequate medische zorg in het herkomstland noch met de vraag naar de beschikbare behandelmogelijkheden in het land van herkomst.
|
||||
|
||||
Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/3.2). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/1.1.
|
||||
Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/2.1). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/3.
|
||||
|
||||
#### 2.6. Refugiés sur place
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,11 +200,11 @@ Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat
|
|||
|
||||
Indien een asielzoekster zich erop beroept dat de discriminatie specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor concludering tot vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook bij een beroep op discriminatie in de zin van vervolging het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie die naar vervolging tendeert.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling van politieke activiteiten van vrouwen, zie C2/2.8. Voor de genderinclusieve benadering, zie C14/4.3.
|
||||
Voor de beoordeling van politieke activiteiten van vrouwen, zie C2/2.8. Voor de genderinclusieve benadering, zie C14/3.3.
|
||||
|
||||
(Politiek) Verzet tegen genitale verminking kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap. Indien er een reëel risico is op genitale verminkingen zonder dat dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van verdragsrechtelijke vervolging, is C2/3.2 van toepassing.
|
||||
|
||||
Voor de voorbereiding op het nader gehoor voor vrouwen, zie C13/3.1.1.
|
||||
Voor de voorbereiding op het nader gehoor voor vrouwen, zie C13/3.1.
|
||||
|
||||
#### 2.12. Vervolging wegens dienstweigering of desertie
|
||||
|
||||
|
|
@ -308,12 +305,31 @@ Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onde
|
|||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
|
||||
In die gevallen dat in het land van herkomst sprake is van een willekeurige geweldssituatie of van willekeurige mensenrechtenschendingen, vormt dit op zichzelf onvoldoende grond om een reëel en individueel risico op eerder beschreven behandeling aan te nemen.
|
||||
|
||||
Echter, een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – ook in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst; en
|
||||
b. hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw..
|
||||
|
||||
Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:
|
||||
|
||||
1. is er sprake van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen;
|
||||
2. de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst; en
|
||||
3. de mate waarin de personen van deze groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschending, dan wel deze personen zich hieraan effectief kunnen ontrekken door zich elders te vestigen.
|
||||
|
||||
Voor het onderscheid tussen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen, zie C14/3.6.
|
||||
|
||||
Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
|
||||
|
||||
Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.
|
||||
|
||||
In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden, indien er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.
|
||||
|
||||
Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf reeds uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Genitale verminking
|
||||
|
||||
##### 3.2.1. Inleiding
|
||||
|
|
@ -562,7 +578,7 @@ Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:
|
|||
|
||||
• dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel;
|
||||
• dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin;
|
||||
• dat de houder van de verblijfsvergunning asiel deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure; én
|
||||
• dat de houder van de verblijfsvergunning asiel deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure; en
|
||||
• dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd.
|
||||
|
||||
De driemaanden termijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen die drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. Daarnaast geldt dat een eerdere inreisdatum van een familielid dan de inreisdatum van de hoofdpersoon ook wordt beschouwd als een tijdige nareis.
|
||||
|
|
@ -601,7 +617,7 @@ Meerderjarige kinderen kunnen enkel voor verblijf in aanmerking komen indien zij
|
|||
|
||||
Indien het meerderjarig kind echter na het vertrek van de hoofdpersoon zelfstandig een gezin is gaan vormen door het aangaan van een huwelijk, dan wel partnerschap, of duurzaam in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon is opgenomen, wordt de gezinsband als verbroken beschouwd.
|
||||
|
||||
Voor onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar C12/6 Vc.
|
||||
Voor onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar C14/6.2 Vc.
|
||||
|
||||
Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -611,9 +627,9 @@ De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebbe
|
|||
|
||||
In aanvulling hierop komt dit niet-biologische (pleeg- of adoptie)kind niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning bij de hoofdpersoon, indien het kind na vertrek van de hoofdpersoon is opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon.
|
||||
|
||||
Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het buitenland al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was (zie ook C12/3.2 Vc).
|
||||
Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het buitenland al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was.
|
||||
|
||||
Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C11/1.1.3 Vc).
|
||||
Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C9/2.1.5 Vc).
|
||||
|
||||
Voor kinderen, die in Nederland worden geboren nadat de ouder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, dient een verblijfsvergunning regulier te worden aangevraagd. In deze en alle andere gevallen dan hierboven genoemd is het reguliere vreemdelingenbeleid van toepassing (zie B2 en artikel 3.23 Vb).
|
||||
|
||||
|
|
@ -715,9 +731,9 @@ Artikel 29 Verordening 343/2003 regelt het overgangsrecht tussen de Overeenkomst
|
|||
|
||||
##### 2.3.1. Het begrip asielverzoek
|
||||
|
||||
Onder ‘asielverzoek’ verstaat Verordening 343/2003: ‘een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève’ (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003).
|
||||
Onder 'asielverzoek' verstaat Verordening 343/2003: 'een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève' (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003).
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening 343/2003 wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van Verordening 343/2003 wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd. Dit laat onverlet dat de mondelinge intentieverklaring in de Nederlandse rechtsorde dient te worden geformaliseerd door middel van het indienen van een asielaanvraag (zie C11).
|
||||
Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening 343/2003 wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van Verordening 343/2003 wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd. Dit laat onverlet dat de mondelinge intentieverklaring in de Nederlandse rechtsorde dient te worden geformaliseerd door middel van het indienen van een asielaanvraag (zie C9).
|
||||
|
||||
Het begrip asielverzoek dient derhalve te worden onderscheiden van het begrip asielaanvraag in de zin van de Vw, die alleen schriftelijk met een vastgesteld model kan worden ingediend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -727,7 +743,7 @@ Voor de toepassing van Verordening 343/2003 wordt de situatie van de minderjarig
|
|||
|
||||
Kinderen die na aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, worden meegenomen in de procedure van de ouder-asielzoeker ongeacht de stand van deze procedure. Er behoeft geen nieuwe procedure te worden ingeleid.
|
||||
|
||||
Wel is van belang dat de aanvraag van de ouders middels het indienen van het model van bijlage 13k VV mede geldig wordt gemaakt voor het in Nederland geboren kind (zie C11/1.1.3).
|
||||
Wel is van belang dat de aanvraag van de ouders middels het indienen van het model van bijlage 13k VV mede geldig wordt gemaakt voor het in Nederland geboren kind (zie C9/2.1.5).
|
||||
|
||||
##### 2.3.3. Verplichting tot overname
|
||||
|
||||
|
|
@ -879,7 +895,7 @@ Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw, wordt een asielaanvraag afgewezen, indi
|
|||
|
||||
Uit deze bepaling volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is.
|
||||
|
||||
In artikel 31, eerste lid, Vw komt tevens tot uitdrukking dat de bewijslast in de asielprocedure in beginsel ligt bij de asielzoeker. Ook komt tot uitdrukking dat de asielzoeker niet behoeft aan te tonen dat zijn aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt; hij behoeft dit slechts aannemelijk te maken (zie C14/3.2).
|
||||
In artikel 31, eerste lid, Vw komt tevens tot uitdrukking dat de bewijslast in de asielprocedure in beginsel ligt bij de asielzoeker. Ook komt tot uitdrukking dat de asielzoeker niet behoeft aan te tonen dat zijn aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt; hij behoeft dit slechts aannemelijk te maken (zie C14/2.2).
|
||||
|
||||
#### 2.2. De vreemdeling kan bescherming inroepen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1021,7 +1037,7 @@ Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de
|
|||
|
||||
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31 Vluchtelingenverdrag. Zij beoogt illegale immigratie tegen te gaan zonder dat daarbij vluchtelingen in de zin van dit verdrag het risico lopen te worden gerefouleerd.
|
||||
|
||||
Aan een asielzoeker wordt niet tegengeworpen dat hij geen grensoverschrijdingsdocumenten bezit, indien hij zich uit eigen beweging, zo snel als redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gemeld. De termijn hiervoor is gesteld op 48 uur na binnenkomst in Nederland. Daarbij tellen voor asielzoekers die zich moeten melden in het AC Ter Apel, niet de uren in het weekend of op dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.
|
||||
Aan een asielzoeker wordt niet tegengeworpen dat hij geen grensoverschrijdingsdocumenten bezit, indien hij zich uit eigen beweging, zo snel als redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gemeld. De termijn hiervoor is gesteld op 48 uur na binnenkomst in Nederland.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker die niet in het bezit is van de vereiste documenten, een dergelijke melding niet heeft gedaan en hij wordt bij het binnenlands vreemdelingentoezicht aangetroffen, dan kan zijn aanvraag worden afgewezen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1041,7 +1057,7 @@ Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van he
|
|||
|
||||
Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.
|
||||
|
||||
Ook hier gaat het om bedrog van de zijde van de asielzoeker, waarvoor dezelfde redenering geldt als aangegeven in C14/3.
|
||||
Ook hier gaat het om bedrog van de zijde van de asielzoeker, waarvoor dezelfde redenering geldt als aangegeven in C14/2.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1216,11 +1232,8 @@ Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, Vb kan de asielaanvraag alleen worden a
|
|||
##### 3.8.3. Verhouding met
|
||||
|
||||
Een aantal landen dat wordt aangemerkt als veilig derde land, is partij bij de Verordening of bij een terug- of overnameovereenkomst als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder d, Vw.
|
||||
|
||||
|
||||
Zoals in C14/2 is aangegeven, wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld op de toepasselijkheid van artikel 29 en 31 Vw en wordt de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw niet onderzocht.
|
||||
|
||||
200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt.
|
||||
|
||||
Zoals in C14/1 is aangegeven, wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld op de toepasselijkheid van artikel 29 en 31 Vw en wordt de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw niet onderzocht.
|
||||
|
||||
#### 3.9. Land van eerder verblijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -1631,7 +1644,7 @@ Indien de vreemdeling afkomstig is uit een land dat ingevolge artikel 29 Richtli
|
|||
|
||||
De gronden waarop het verblijf op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden beëindigd, zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, Vw. Op deze gronden kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken, dan wel de aanvraag om verlening of verlenging af te wijzen, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzet.
|
||||
|
||||
De toepasselijkheid van de gronden waarop het verblijf kan worden beëindigd, wordt in de volgende paragrafen besproken (zie C17 voor de procedurele aspecten).
|
||||
De toepasselijkheid van de gronden waarop het verblijf kan worden beëindigd, wordt in de volgende paragrafen besproken (zie C16 voor de procedurele aspecten).
|
||||
|
||||
### 2. Onjuiste gegevens
|
||||
|
||||
|
|
@ -2176,240 +2189,115 @@ Op grond van artikel 35, eerste lid, onder d, Vw kan de verblijfsvergunning asie
|
|||
|
||||
C5/3.1 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## 9. De kenmerken van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel
|
||||
## 9. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
|
||||
|
||||
### 1. Wie kan de aanvraag indienen?
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 36 Vw kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd alleen worden ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De asielaanvraag kan dus uitdrukkelijk niet worden ingediend door de gemachtigde van de vreemdeling.
|
||||
#### 1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Minderjarige vreemdelingen van twaalf jaar en ouder worden in beginsel geacht tot een redelijke waardering van hun belangen in staat te zijn. Zij ondertekenen de aanvraag zelfstandig.
|
||||
Op grond van artikel 36 Vw kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd alleen worden ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De asielaanvraag kan niet worden ingediend door de gemachtigde van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
Minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar worden niet tot een redelijke waardering van hun belangen in staat geacht. Indien de voogdij is geregeld, ondertekent de voogd. In andere gevallen kan een meerderjarige zaakwaarnemer de aanvraag ondertekenen. Dit is ook van toepassing indien het een kind van een minderjarige ouder betreft. Er wordt in eerste instantie aangenomen dat deze nog niet het gezag over het kind heeft. De minderjarige ouder kan daarom niet namens het kind tekenen.
|
||||
#### 1.2. Minderjarige vreemdelingen
|
||||
|
||||
Een meerderjarige vreemdeling kan de asielaanvraag mede ten behoeve van zijn meegereisde kinderen beneden de vijftien jaar indienen. Indien beide ouders aanwezig zijn, tekent alleen de moeder de asielaanvraag namens het kind.
|
||||
|
||||
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen van twaalf jaar en ouder ondertekenen de aanvraag zelfstandig.
|
||||
|
||||
Minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar worden niet tot een redelijke waardering van hun belangen in staat geacht. Indien de voogdij is geregeld, ondertekent de voogd de aanvraag. In andere gevallen kan een meerderjarige zaakwaarnemer de aanvraag ondertekenen. Dit is ook van toepassing indien het een kind van een minderjarige ouder betreft. Er wordt in eerste instantie aangenomen dat deze nog niet het gezag over het kind heeft. De minderjarige ouder kan daarom niet namens het kind tekenen.
|
||||
|
||||
### 2. Waar en hoe wordt de aanvraag ingediend?
|
||||
|
||||
#### 2.1. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
|
||||
|
||||
De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingediend in een AC. De Minister heeft op grond van artikel 3.108, tweede lid, Vb in artikel 3.42, eerste lid, VV de AC’s in Ter Apel en Zevenaar aangewezen als plaatsen waar een asielaanvraag kan worden ingediend.
|
||||
##### 2.1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Alvorens de asielaanvraag in één van deze AC’s kan worden ingediend, dient de vreemdeling zich aan te melden in AC Ter Apel.
|
||||
###### 2.1.1.1. Aanmelden
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.42, tweede lid, VV wordt de asielaanvraag ingediend in AC Schiphol als de vreemdeling zich aan een Nederlandse buitengrens (zee- of luchthaven) heeft gemeld en aan hem de toegang is geweigerd.
|
||||
Voordat de asielaanvraag kan worden ingediend, moet een vreemdeling zich op grond van artikel 3.42a, eerste lid, VV in persoon aanmelden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.42, derde lid, VV wordt de eerste aanvraag eveneens ingediend in AC Schiphol als de vreemdeling stelt minderjarig te zijn en hij, naar het zich laat aanzien, niet begeleid wordt door een ouder of wettelijk vertegenwoordiger.
|
||||
De minderjarige vreemdeling die niet wordt begeleid door een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger moet zich op grond van artikel 3.42a, tweede lid, VV in persoon aanmelden bij de vreemdelingenpolitie in AC Schiphol.
|
||||
|
||||
Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen, dienen vooraf telefonisch een afspraak te maken (zie C10/2.2.5).
|
||||
Met deze aanmelding start de rust- en voorbereidingstermijn (zie C11).
|
||||
|
||||
De asielaanvraag van vreemdelingen aan wie de vrijheid rechtens is ontnomen wordt op grond van artikel 3.108, derde lid, Vb ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd (zie C11/2.1).
|
||||
Indien een vreemdeling elders in Nederland tegenover de vreemdelingenpolitie te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, dan wordt hij, conform de hierboven beschreven verdeling, doorverwezen naar de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel, of naar de vreemdelingenpolitie in AC Schiphol. Hiertoe wordt aan de vreemdeling een vervoerbewijs verstrekt. De vreemdelingenpolitie kan hiervoor vervoersbewijzen verkrijgen bij de IND AC Ter Apel of AC Schiphol.
|
||||
|
||||
#### 2.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
|
||||
Indien de vreemdeling wordt aangetroffen door de KMar in het kader van het MTV, en de vreemdeling aangeeft asiel te willen aanvragen, verkrijgt de KMar de vervoersbewijzen via de lokale vreemdelingenpolitie.
|
||||
|
||||
De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt op grond van artikel 3.43 VV ingediend bij de IND. Zie hoofdstuk C16 voor de procedure hieromtrent.
|
||||
Het vorenstaande geldt niet voor de (minderjarige) vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, SGC, dan wel artikel 3 Vw en die aan een buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen.
|
||||
|
||||
#### 2.3. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
|
||||
Op grond van artikel 3, derde lid, Vw moet de ambtenaar belast met de grensbewaking in dat geval een voornemen tot toegangsweigering voorleggen aan het Hoofd van de IND (zie A/2.5.5). Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst vervolgens door middel van een beschikking op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw, het AC Schiphol aan als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Voor deze aanwijzing gelden geen nadere criteria dan de omstandigheid dat de toegang is geweigerd. De vreemdeling wordt op zijn rechtsmiddelen gewezen en de benodigde informatiefolders worden uitgereikt. De vreemdeling en zijn bescheiden worden vervolgens zo spoedig mogelijk door de KMar of de ZHP overgedragen aan AC Schiphol.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient (bijvoorbeeld omdat de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) is het gestelde in hoofdstuk C9/2.2 en C16 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Van vorenstaande procedure kan worden afgeweken, indien de vreemdeling deel uitmaakt van een grotere groep vreemdelingen die op hetzelfde moment aan de buitengrens arriveert en asiel wil aanvragen en er aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of de oorzaak daarvan, of de beschikbare capaciteit in AC Schiphol niet voldoende is om deze groep vreemdelingen zo spoedig mogelijk in de asielprocedure op te nemen. In dat geval kan door de IND worden besloten om deze vreemdelingen voorafgaand aan de algemene asielprocedure in AC Schiphol, of gedurende de gehele asielprocedure, op te houden in de grenslogies op grond van artikel 6 Vw (met grenslogies wordt bedoeld een ruimte als bedoeld in artikel 6 Vw, niet zijnde AC Schiphol). De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst in dit geval door middel van een beschikking op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid Vw, een grenslogies aan als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Ook in dit geval wordt de vreemdeling op zijn rechtsmiddelen gewezen en worden de benodigde informatiefolders uitgereikt. Wanneer de vreemdeling na het verblijf in het grenslogies alsnog in de algemene asielprocedure in AC Schiphol wordt opgenomen, wordt door de ambtenaar belast met grensbewaking het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Dit gebeurt door middel van het geven van een nieuwe plaatsingsbeschikking.
|
||||
|
||||
## 10. De verwijzing naar het AC
|
||||
De beoordeling of er sprake is van een grote groep vreemdelingen wordt gemaakt door de IND. Daarbij wordt rekening gehouden met het aantal vreemdelingen dat op dat moment reeds de algemene asielprocedure in AC Schiphol doorloopt, de beschikbare capaciteit bij de IND en ketenpartners en de beschikbaarheid van tolken.
|
||||
|
||||
### 1. Uitgangspunten van de AC-procedure
|
||||
Tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw, kan de vreemdeling op grond van artikel 93 Vw en artikel 8:1 Awb beroep instellen bij de rechtbank (zie A6/6).
|
||||
|
||||
#### 1.1. Doel van de AC-procedure
|
||||
Wanneer de vreemdeling op de daartoe aangewezen plaats, of aan de buitengrens, te kennen geeft asiel te willen aanvragen, wordt de vreemdeling door de ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen of de ambtenaar belast met grensbewaking op grond van artikel 55, tweede lid, Vw onderzocht op de aanwezigheid van documenten aan kleding en lichaam. Ook wordt zijn bagage hierop onderzocht. Daarnaast wordt gecontroleerd of de asielzoeker voorkomt in het opsporingsregister of in het (N)SIS en worden van de vreemdeling op grond van artikel 3.109 Vb identificatiefoto’s gemaakt en vingerafdrukken genomen.
|
||||
|
||||
Doel van de AC-procedure is een indeling te maken van zaken in de volgende categorieën:
|
||||
Het nemen van vingerafdrukken geldt voor alle vreemdelingen vanaf vier jaar. Deze vingerafdrukken worden ingevoerd in het BVV. De vingerafdrukken worden vergeleken met de data in de collectie van het BVV. Indien de vingerafdrukken van de vreemdeling onbekend zijn in de biometriecollectie, worden ze opgeslagen en geeft het BVV een Vreemdelingennummer af. Indien de vreemdeling wel bekend is, geeft het BVV het Vreemdelingennummer aan waaronder de vreemdeling al bekend is. De vreemdelingenpolitie of KMar voorziet het vingerafdrukkenformulier handmatig van het Vreemdelingennummer, en zendt het formulier na registratie in het BVV door naar de Dienst IPol. In het geval een vreemdeling volhoudt iemand anders te zijn, wordt de vreemdeling onder een alias geregistreerd en wordt hiervan een aantekening gemaakt ten behoeve van het eerste gehoor van betrokkene door de IND.
|
||||
|
||||
a. zaken waarin zonder tijdrovend onderzoek binnen de AC-procedure kan worden vastgesteld dat de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw dan wel op grond van artikel 4:6 Awb, kan worden afgewezen (waaronder op voorhand kansloze zaken en claimzaken);
|
||||
b. zaken waarin zonder tijdrovend onderzoek binnen de AC-procedure kan worden vastgesteld dat en op welke grond van artikel 29 Vw de aanvraag kan worden ingewilligd;
|
||||
c. zaken die voorzienbaar meer onderzoek vergen voordat kan worden vastgesteld dat de aanvraag kan worden afgewezen of kan worden ingewilligd.
|
||||
Voor meer informatie over de BVV wordt voorts verwezen naar A1/6.3.
|
||||
|
||||
De zaken die behoren tot categorie a en b komen in beginsel in aanmerking voor afdoening in de AC-procedure.
|
||||
In het kader van artikel 4 Verordening 2725/2000, dienen de vingerafdrukken van vreemdelingen van veertien jaar en ouder verplicht te worden geregistreerd in de Europese vingerafdrukkencollectie van asielzoekers in de EU (Eurodac) in categorie 1. Ook deze handeling wordt direct verricht bij de aanmelding van de asielzoeker, door de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de ambtenaar belast met grensbewaking.
|
||||
|
||||
* ‘Niet-tijdrovend’* onderzoek betekent dat het moet gaan om onderzoek dat binnen de 48-uurstermijn kan worden verricht.
|
||||
Indien er sprake is van een hitmelding van de ingevoerde vingerafdrukken met de Europese vingerafdrukkencollectie dan betekent dit dat betrokkene al bekend is vanwege een asielaanvraag (code 1) dan wel een illegale inreis (code 2) in een andere EU-lidstaat. In verband met de toepassing van Verordening 343/2003 stelt de vreemdelingendienst/KMar aan de vreemdeling een aantal aanvullende vragen. De hitmelding en de aanvullende informatie worden onmiddellijk doorgegeven aan de IND.
|
||||
|
||||
De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om op eventuele onderzoeksresultaten te reageren. Raadpleging van openbare bronnen, zoals openbare stukken in het elektronisch documentatiesysteem van de IND betreft per definitie geen tijdrovend onderzoek.
|
||||
###### 2.1.1.2. Indienen van een asielaanvraag in het AC
|
||||
|
||||
* ‘Niet-tijdrovend onderzoek’* impliceert ook dat de door de asielzoeker verstrekte gegevens bij een andere instantie, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van BuZa, binnen 48 uur kunnen worden geverifieerd. Tijdens de AC-procedure is onderzoek bij het Ministerie van BuZa mogelijk indien de onderzoeksresultaten binnen de 48-uursprocedure verifieerbaar zijn.
|
||||
De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw wordt op grond van artikel 3.108, tweede lid, Vb juncto artikel 3.42, eerste lid, VV, ingediend in AC Den Bosch, Ter Apel of Zevenaar.
|
||||
|
||||
#### 1.2. 48-uurstermijn
|
||||
In uitzondering hierop dienen vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, op grond van artikel 3.42, derde lid, VV, hun asielaanvraag in AC Schiphol in.
|
||||
|
||||
In het AC geldt een proceduretijd van 48 uur. De uren van 18.00 uur tot 08.00 uur worden niet tot de proceduretijd gerekend. Daarnaast geldt dat, met uitzondering van AC Schiphol, de uren gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen, niet meetellen. Indien de AC-procedure langer duurt dan 48 proces-uren vindt in principe doorverwijzing plaats naar een opvanglocatie.
|
||||
Op grond van artikel 3.42, tweede lid, VV dienen minderjarige vreemdelingen die niet worden begeleid door een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger en aan wie de toegang niet is geweigerd, hun asielaanvraag in AC Den Bosch in.
|
||||
|
||||
De 48-uurstermijn vangt aan op het moment dat de vreemdelingenpolitie/KMar in het AC begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker. In afwijking hiervan start de 48-uurstermijn automatisch wanneer de maximale wachttijd van vier uur tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in de asielprocedure is verstreken.
|
||||
Het indienen van de aanvraag in het AC vindt plaats door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in de gelegenheid te stellen het formulier betreffende het aanvragen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te ondertekenen (zie bijlage 13 VV). Aan de vreemdeling wordt een afschrift van het door hem ondertekende aanvraagformulier verstrekt. Dit gebeurt tijdens de algemene asielprocedure (zie C12).
|
||||
|
||||
Ook bij vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, vangt de 48-uurstermijn aan op het moment dat de vreemdelingenpolitie/KMar in het AC begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker.
|
||||
##### 2.1.2. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen
|
||||
|
||||
In afwijking van de algemene regel geldt daarbij niet de maximale wachttijd van vier uur tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in de asielprocedure.
|
||||
Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen moeten zich, voordat zij een aanvraag in een AC kunnen indienen, op grond van artikel 3.42a, eerste lid, VV in persoon aanmelden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. De minderjarige vreemdeling die niet wordt begeleid door een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger moet zich op grond van artikel 3.42a, tweede lid, VV in persoon aanmelden bij de vreemdelingenpolitie in AC Schiphol.
|
||||
|
||||
Wel start de 48-uurstermijn automatisch wanneer de maximale wachttijd van zes uur in verband met de grensbewakingstaken van de KMar is verstreken, tenzij dit aan de vreemdeling zelf is te wijten. Hierbij geldt dat de uren van 18.00 uur tot 08.00 uur niet worden meegerekend bij de wachttijd. Externe omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een sterk verhoogde instroom van het aantal asielzoekers op één dag, kunnen ook aanleiding geven tot een overschrijding van de wachttijd zonder dat de 48-uurstermijn aanvangt, mits onderbouwd door de KMar of de IND. In dat laatste geval wordt in redelijkheid bezien op welk moment de 48-uurstermijn aanvangt, waarbij de 48-uurstermijn in elk geval aanvangt op het moment dat de vreemdelingenpolitie/KMar in het AC begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker.
|
||||
Wanneer een vreemdeling aan wie de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vc is opgelegd een tweede of een volgende aanvraag in wil dienen, is het gestelde in C12/2.3 van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 1.3. Termijnen voor de asielzoeker en/of de rechtsbijstandverlener
|
||||
Voor vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen en aan wie op een andere grond rechtens de vrijheid is ontnomen, geldt het gestelde in C9/2.1.3.
|
||||
|
||||
Binnen de 48-uurstermijn heeft de rechtsbijstandverlener een aantal termijnen voor het bijstaan van de asielzoeker. De asielzoeker heeft twee uur de tijd om het nader gehoor voor te bespreken met diens rechtsbijstandverlener (zie C13/2).
|
||||
In deze gevallen start er geen rust- en voorbereidingstermijn (zie C11/2.4).
|
||||
|
||||
Voorts heeft de asielzoeker drie uur de tijd om het rapport van nader gehoor en het voornemen met diens rechtsbijstandverlener te bespreken en eventueel correcties en aanvullingen en een zienswijze in te dienen. Indien naar aanleiding van het nader gehoor ingesteld onderzoek onderzoeksresultaten naar voren komen die afwijken van hetgeen de asielzoeker tijdens het nader gehoor heeft verklaard, wordt de asielzoeker gedurende een redelijke termijn, doch maximaal vier uur, in de gelegenheid gesteld om op deze onderzoeksresultaten te reageren (zie C15/4).
|
||||
##### 2.1.3. Vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen
|
||||
|
||||
Als de asielzoeker de hem toegedeelde termijn met diens rechtsbijstandverlener overschrijdt, wordt bij de rechtsbijstandverlener gerappelleerd waarbij navraag wordt gedaan naar de reden van termijnoverschrijding. Deze reden van termijnoverschrijding wordt vervolgens geregistreerd en in het dossier vastgelegd.
|
||||
De asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen, wordt op grond van artikel 3.108, derde lid, Vb, ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Dat kan een politiecel, een cel van de KMar, een Huis van Bewaring, een uitzetcentrum of AC Schiphol zijn.
|
||||
|
||||
In het geval van termijnoverschrijding door rechtsbijstand van de voorbereidingstijd op het nader gehoor, kan aan rechtsbijstand een uiterste termijn van (nog eens) drie uren gegeven worden waarna door de IND mogelijk met het nader gehoor zal worden aangevangen. Voorts zal in het geval van termijnoverschrijding van de drie uur die de asielzoeker ter beschikking staan om het rapport van nader gehoor na te bespreken en een zienswijze op het voornemen uit te brengen, tot uiterlijk het 46e uur gewacht kunnen worden alvorens wordt aangevangen met de voorbereidingen voor uitreiking van de beschikking waarna de beschikking zal worden uitgereikt. Indien de zienswijze na het 46e uur wordt ingediend, zal deze zoveel mogelijk schriftelijk worden meegenomen in de beschikking, voor zover deze nog niet is uitgereikt. In dat geval dient in de beschikking te worden blijk gegeven dat de zienswijze is betrokken bij de besluitvorming, ook indien dit niet tot een ander oordeel leidt.
|
||||
Wanneer een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw te kennen geeft een asielaanvraag te willen indienen, kan door de IND worden besloten de vreemdeling voor de indiening van de aanvraag over te plaatsen naar het AC Schiphol om de aanvraag in de algemene asielprocedure te kunnen behandelen. Dit geldt zowel voor vreemdelingen die een eerste asielaanvraag willen indienen, als voor vreemdelingen die een tweede of volgende asielaanvraag willen indienen. Wanneer hiertoe wordt besloten, wordt de vrijheidsontneming voortgezet in het AC en wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om de asielaanvraag daar in te dienen. In afwijking van het gestelde in C12/5.1 geldt, dat indien blijkt dat de asielaanvraag zich niet leent voor afdoening in de algemene asielprocedure, de IND beoordeelt of de bewaringsmaatregel dient te worden opgeheven en de asielzoeker wordt doorverwezen naar een opvanglocatie, óf dat de bewaringsmaatregel wordt voortgezet en de asielaanvraag wordt behandeld op de wijze zoals is neergelegd in C13/3.3, C15/4 en C16/3.3.
|
||||
|
||||
Het feit dat de beschikking ondanks het feit dat de zienswijze ontbreekt, wordt uitgereikt, betekent dat de zaak naar het oordeel van de IND zich leende voor afdoening in het AC.
|
||||
Of de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar het AC Schiphol wordt beoordeeld door de IND in overleg met de DT&V, de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie. Aspecten die bij deze beoordeling van belang zijn, zijn onder meer de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing, de capaciteit en beschikbaarheid van tolken in het AC Schiphol en de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling. Ook omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling kunnen hierbij een rol spelen. Uitgangspunt is dat de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar AC Schiphol.
|
||||
|
||||
Een uitzondering op het bovenstaande wordt gemaakt voor die zaken waarbij de asielzoeker niet is voorbereid op het nader gehoor door een rechtsbijstandverlener. In het voorkomende geval dat besloten is om voorbij te gaan aan de voorbereiding op het nader gehoor, wordt de nabespreking, teneinde een eventueel in te dienen zienswijze, in ieder geval afgewacht.
|
||||
Indien niet wordt besloten tot overplaatsing naar het AC Schiphol, neemt de KMar of de vreemdelingenpolitie de asielaanvraag in ontvangst en zendt deze, samen met het model M56 (kennisgeving aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling) door naar de IND. In deze gevallen reikt de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie bij het in ontvangst nemen van de aanvraag de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV uit.
|
||||
|
||||
Indien de IND de 48-uurstermijn overschrijdt, komt de asielzoeker in de vervolgprocedure terecht en wordt de asielzoeker (behoudens de uitzonderingen als genoemd in C23/2.3) doorverwezen naar een opvangvoorziening.
|
||||
Het indienen van de asielaanvraag heeft niet tot gevolg dat de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw om die enkele reden wordt opgeheven. Wel moet de Korpschef, de Commandant van de KMar of de Algemeen Directeur van de DT&V, gelet op artikel 5.3, tweede lid, Vb, de grond van de inbewaringstelling zo spoedig mogelijk wijzigen. Deze maatregel moet, net zoals de inbewaringstelling zelf, worden gemotiveerd en uitgereikt aan de vreemdeling. De vreemdeling verblijft vervolgens niet langer in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, maar op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, Vw. Dit is alleen anders indien de vreemdeling in kwestie een ongewenst verklaarde vreemdeling betreft, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling door de indiening van een asielaanvraag geen rechtmatig verblijf verkrijgt. In dat geval duurt de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, voort.
|
||||
|
||||
De tijd voor rechtsbijstandsverlening gaat lopen vanaf het moment dat de zaak wordt aangemeld bij de rechtsbijstandverlener. De tijd voor rechtsbijstandsverlening stopt zodra de zaak bij de planning van de IND wordt afgemeld en eventuele schriftelijke reacties zijn overhandigd.
|
||||
Het wijzigen van de grond van de inbewaringstelling vindt ook plaats wanneer de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag is overgebracht naar het AC Schiphol en gebeurt in dat geval nadat de asielaanvraag in het AC is ingediend.
|
||||
|
||||
Indien de tolk niet tijdig beschikbaar is, ondanks inspanningen van respectievelijk de IND en de rechtsbijstandverlener, die beiden verantwoordelijk zijn voor het tijdig inzetten van tolken, wordt de aanvraag van de asielzoeker (behoudens de uitzonderingen als genoemd in C23/2.3) verder behandeld in de vervolgprocedure en wordt de asielzoeker doorgezonden naar een opvangvoorziening. Onder ‘tijdig’ wordt het volgende verstaan. De uren die gemoeid zijn met het wachten op een tolk ten behoeve van het verkeer tussen vreemdeling en zijn rechtshulpverlener duren in zijn totaliteit niet langer dan 22 uur, vermeerderd met het aantal uren dat de AC-procedure korter heeft geduurd dan de volle 48 uur. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de verblijfsduur van de asielzoeker in een AC niet onredelijk lang wordt verlengd enkel vanwege het wachten op een tolk. Indien deze tijd wordt overschreden, kan gesproken worden van een dermate ernstige vertraging van de behandeling van de asielaanvraag dat de zaak verder behandeld dient te worden in de vervolgprocedure.
|
||||
Het indienen van de asielaanvraag door een vreemdeling aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen, heeft evenmin tot gevolg dat de uitzettingshandelingen worden stopgezet of opgeschort, met dien verstande dat de uitgangspunten van de asielprocedure niet worden aangetast. Zo blijven handelingen waarbij contact wordt gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst in beginsel achterwege (zie A4/4.1).
|
||||
|
||||
#### 1.4. Wijzigingen leeftijd/identiteit/nationaliteit/reisroute/asielrelaas
|
||||
Vreemdelingen aan wie op strafrechtelijke gronden de vrijheid is ontnomen worden ter behandeling van een asielaanvraag niet overgebracht naar het AC Schiphol. De asielaanvraag wordt in die gevallen ingediend in de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker tijdens de AC-procedure zijn eerder afgelegde verklaringen inzake leeftijd, identiteit, nationaliteit, reisroute of het asielrelaas op essentiële punten wijzigt, kan de IND besluiten het AC-proces opnieuw te laten beginnen. Indien de vreemdeling zijn verklaringen pas in een laat stadium wijzigt dient eerst bezien te worden of de aanvraag wegens ongeloofwaardigheid binnen de 48-procesuren kan worden afgedaan.
|
||||
Op grond van artikel 4 Verordening 2725/2000 worden door de vreemdelingenpolitie of KMar de vingerafdrukken van alle vreemdelingen van veertien jaar en ouder die asiel aanvragen geregistreerd in Eurodac in categorie 1. Categorie 1 is uitsluitend beschikbaar bij de AC’s en bij de unit Dublin van de IND. Het vingerafdrukkenformulier van asielzoekers in vreemdelingenbewaring moet door de vreemdelingenpolitie of KMar aan de IND in AC Schiphol worden verzonden, onder vermelding van het Vreemdelingennummer. Indien het dossier niet naar AC Schiphol wordt verstuurd, moet het vingerafdrukkenformulier naar de unit Dublin van de IND worden gezonden onder vermelding van ‘registratie in categorie 1 in Eurodac vanwege asiel in bewaring’.
|
||||
|
||||
De AC-procedure kan opnieuw worden begonnen indien als gevolg van een wijziging van identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas de essentie van de aanvraag is komen te ontvallen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de vreemdeling zijn nationaliteit wijzigt – er dient dan immers een geheel nieuwe toetsing van zijn asielrelaas plaats te vinden – en indien de vreemdeling zijn inhoudelijke relaas essentieel wijzigt dan wel aanvult. Hierbij moet gedacht worden aan een wijziging of aanvulling van het relaas die een geheel nieuwe toetsing met zich meebrengt en er derhalve ook opnieuw gehoord zal moeten worden.
|
||||
Het kan voorkomen dat al in het kader van de terugkeer van betrokkene een raadpleegactie in Eurodac is uitgevoerd in categorie 3 en dat daaruit is gebleken dat betrokkene al in een ander land asiel heeft aangevraagd. Dit ontslaat de vreemdelingenpolitie of KMar niet van de verplichting de vingerafdrukken te registreren in categorie 1. In het kader van de asielregistratie zal Eurodac een nieuwe vergelijking uitvoeren. Indien de vingerafdrukken al voorkomen in het bestand, zal in het kader van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag een nieuwe hitmelding volgen.
|
||||
|
||||
Een wijziging in reisroute kan aanleiding geven tot een herstart, indien door de wijziging mogelijk een Dublinclaim gelegd kan worden. Er zal in dat geval onderzoek moeten worden gedaan in het verantwoordelijke Dublinland. De essentie van de aanvraag komt ook in dat geval geheel anders te liggen, omdat bij een Dublinclaim Nederland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en derhalve sprake is van een niet-inhoudelijke afdoening. In geval herstart van de AC-procedure plaats heeft gevonden, zal in de beschikking worden gemotiveerd dat en om welke reden sprake was van een essentiële wijziging.
|
||||
|
||||
### 2. Het maken van een afspraak met een AC in het land
|
||||
|
||||
#### 2.1. Procedure als de vreemdeling aangeeft asiel te willen aanvragen
|
||||
|
||||
Indien een vreemdeling tegenover de vreemdelingenpolitie te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, wordt hij voor de eerste aanmelding verwezen naar AC Ter Apel. Indien de vreemdeling stelt minderjarig te zijn en hij, naar het zich laat aanzien, niet begeleid wordt door een ouder of wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij voor aanmelding doorverwezen naar AC Schiphol.
|
||||
|
||||
#### 2.2. Wie niet naar een tijdelijke noodvoorziening gaan
|
||||
|
||||
Asielzoekers die vallen onder één van de categorieën zoals hieronder beschreven, zullen bij aanmelding niet door de vreemdelingenpolitie worden doorgezonden naar een tijdelijke noodvoorziening, maar direct in één van de AC’s in de procedure worden opgenomen.
|
||||
|
||||
Op grond van de ruimer aanwezige zorgmogelijkheden in een AC ten opzichte van die in een tijdelijke noodvoorziening, zoals het verkrijgen van de juiste voeding, consultaties, et cetera, zullen (ouders met) kinderen die jonger zijn dan zes maanden als spoedgeval worden aangemerkt. Zij dienen direct in één van de AC’s in de procedure te worden opgenomen en mogen derhalve niet worden doorgezonden naar een tijdelijke noodvoorziening.
|
||||
|
||||
Vrouwen die 34 weken of langer zwanger zijn (bevestigd door een verpleegkundige) zullen als spoedgeval worden aangemerkt. Zij dienen direct in één van de AC’s in de procedure te worden opgenomen en mogen derhalve niet worden doorgezonden naar een tijdelijke noodvoorziening.
|
||||
|
||||
#### 2.3. Wie in beginsel niet naar een tijdelijke noodvoorziening gaan
|
||||
|
||||
Asielzoekers die vallen onder één van de categorieën zoals hieronder beschreven zullen bij aanmelding in beginsel niet door de vreemdelingenpolitie worden doorgezonden naar een tijdelijke noodvoorziening, maar direct in één van de AC’s in de procedure te worden opgenomen.
|
||||
|
||||
Met Amv’s die zich melden bij een AC in het land en ten aanzien van wie geen twijfel bestaat aan de opgegeven leeftijd, wordt in principe een afspraak gemaakt voor indiening van een asielaanvraag.
|
||||
|
||||
In die gevallen waarbij sprake is van een (door een arts vastgestelde) medische noodsituatie wordt de betrokken asielzoeker in beginsel direct in één van de AC’s in de procedure opgenomen. Onder een medische noodsituatie wordt een situatie verstaan waarbij betrokkene aan een stoornis lijdt, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade. Directe opname in de AC-procedure van asielzoekers die vallen onder deze categorie dient echter van geval tot geval te worden bekeken en beoordeeld, waarbij de medische situatie van betrokkene en de mogelijkheden en belangen van het AC om de betrokkene op dat moment in de AC-procedure op te nemen, worden betrokken.
|
||||
|
||||
In overige gevallen waarbij (door een arts) geconstateerd wordt dat verblijf in een tijdelijke noodvoorziening ongewenst is, wordt de betrokken asielzoeker in beginsel direct in één van de AC’s in de procedure opgenomen. Hierbij valt te denken aan gevallen waarbij de asielzoeker niet hanteerbaar is in de tijdelijke noodvoorziening (bijvoorbeeld indien de asielzoeker een niet-hanteerbaar verslavingsprobleem of een niet-hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft) dan wel (door de hoge leeftijd) zelfredzaamheidproblemen heeft. Directe opname in de AC-procedure van asielzoekers die vallen onder deze categorie dient echter van geval tot geval te worden bekeken en beoordeeld, waarbij de medische situatie van betrokkene, de hiermee gepaard gaande belangen van de tijdelijke noodvoorziening en de mogelijkheden en belangen van het AC om de betrokkene op dat moment in de AC-procedure op te nemen, worden betrokken. Directe opname van deze asielzoekers in de AC-procedure dient in beginsel niet te leiden tot doorplaatsing van de betrokken asielzoeker naar een opvanglocatie vanwege logistieke aspecten, bijvoorbeeld door een gebrek aan tolken dan wel een capaciteitsgebrek bij de IND of bij rechtsbijstand. Wanneer het proces op het AC dit niet toelaat is het mogelijk dat asielzoekers die vallen onder deze categorie voor een korte termijn naar een tijdelijke noodvoorziening worden verwezen. Bij het maken van een afspraak voor het indienen van een asielaanvraag krijgt deze categorie asielzoekers in beginsel voorrang.
|
||||
|
||||
#### 2.4. Versnelde opname vanuit een tijdelijke noodvoorziening
|
||||
|
||||
In voorkomende gevallen zal, indien de asielzoeker reeds in een tijdelijke noodvoorziening is geplaatst, versnelde opname vanuit de tijdelijke noodvoorziening in de AC-procedure wenselijk zijn. Asielzoekers die vallen onder één van de hieronder genoemde categorieën, worden in beginsel versneld vanuit een tijdelijke noodvoorziening in de AC-procedure opgenomen. Versnelde opname van deze asielzoekers in de AC-procedure dient van geval tot geval te worden bekeken en beoordeeld, waarbij de medische situatie van betrokkene, de hiermee gepaard gaande belangen van de tijdelijke noodvoorziening en de mogelijkheden en belangen van het AC om de betrokkene op dat moment in de AC-procedure op te nemen, worden betrokken.
|
||||
|
||||
Een sociale eenheid dient zoveel als mogelijk te worden gehandhaafd, zodat alle gezins- en familieleden van iemand die als spoedgeval wordt aangemerkt eveneens direct of versneld opgenomen worden in het primaire proces van het AC.
|
||||
|
||||
In die gevallen waarbij eerst in een tijdelijke noodvoorziening sprake is van een (door een arts uit de tijdelijke noodvoorziening vastgestelde) medische noodsituatie, wordt de betrokken asielzoeker in beginsel zo spoedig mogelijk vanuit de tijdelijke noodvoorziening opgenomen in de AC-procedure. Uitgangspunt hierbij is dat in goed overleg met de IND zal worden bekeken of de betrokken asielzoeker zo spoedig mogelijk kan worden opgenomen in de AC-procedure. Onder een medische noodsituatie wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal lijden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade.
|
||||
|
||||
In overige gevallen waarbij eerst in een tijdelijke noodvoorziening (door een arts) geconstateerd wordt dat voortgezet verblijf in een tijdelijke noodvoorziening ongewenst is dan wel beëindigd dient te worden, wordt de betrokken asielzoeker in beginsel met voorrang in de AC-procedure opgenomen. Hierbij valt te denken aan gevallen waarbij de asielzoeker niet hanteerbaar is in de tijdelijke noodvoorziening (bijvoorbeeld indien de asielzoeker een niet hanteerbaar verslavingsprobleem of een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft) dan wel (door de hoge leeftijd) zelfredzaamheidproblemen heeft. Uitgangspunt hierbij is dat in goed overleg met de IND zal worden bekeken of de betrokken asielzoeker met voorrang kan worden opgenomen in de AC-procedure. Versnelde opname in de AC-procedure van asielzoekers die vallen onder deze categorie dient in beginsel niet te leiden tot doorplaatsing van de betrokken asielzoeker naar een opvanglocatie vanwege logistieke aspecten, bijvoorbeeld door een gebrek aan tolken dan wel een capaciteitsgebrek bij de IND of bij rechtsbijstand.
|
||||
|
||||
#### 2.5. Het maken van een afspraak voor een tweede of volgende aanvraag
|
||||
|
||||
In verband met de administratieve voorbereiding die met een tweede of volgende aanvraag samenhangt, wordt voor het indienen van een tweede of volgende asielaanvraag vooraf een afspraak gemaakt met de vreemdeling. Een tweede of volgende asielaanvraag kan uitsluitend vooraf telefonisch worden gemeld (voor telefoonnummer zie de website van de IND).
|
||||
|
||||
|
||||
Ten aanzien van vreemdelingen aan wie een maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd en die een tweede of volgende asielaanvraag indienen, is het gestelde onder C12/2. van toepassing. Voor vreemdelingen wie rechtens de vrijheid is ontnomen, is C11/2 van toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
Bij zijn telefonische kennisgeving wordt de vreemdeling erop gewezen dat hij de (eventuele) nieuwe bescheiden, in het Nederlands vertaald, en indien mogelijk in origineel, bij de aanvraag dient te overleggen
|
||||
|
||||
|
||||
Indien tijdens de telefonische melding blijkt dat de vreemdeling in Nederland vergezeld wordt door familieleden, wordt hij er bij de telefonische kennisgeving op gewezen dat ook zij, indien zij wensen dat door of namens hen een tweede of volgende asielaanvraag wordt ingediend, zich op de afgesproken tijd en plaats dienen te melden. Tevens worden het COA en de vreemdelingenpolitie van de (laatste) verblijfplaats van de betrokken vreemdeling(en) en de DT&V (indien de vreemdeling onder de verantwoordelijkheid valt van de DT&V) in kennis gesteld van de aanmelding.
|
||||
|
||||
|
||||
Na de telefonische melding bepaalt een ambtenaar van de IND de locatie waar de asielaanvraag moet worden ingediend. De vreemdeling wordt zo snel als redelijkerwijs mogelijk is in de gelegenheid gesteld een nieuwe asielaanvraag in te dienen.
|
||||
|
||||
|
||||
De betrokken vreemdeling wordt vervolgens zo snel als redelijkerwijs mogelijk is schriftelijk op de hoogte gesteld van de plaats en de tijd waar hij zijn asielaanvraag moet indienen. Daarbij wordt de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV meegezonden.
|
||||
|
||||
|
||||
De vreemdeling (en zijn eventuele 'gezinsleden' in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw) dient zich conform de afspraak op het vooraf afgesproken tijdstip te melden bij het AC. Op dat moment dient de vreemdeling ook de originelen van eventuele nieuwe bescheiden met een vertaling in het Nederlands bij zich te hebben.
|
||||
|
||||
|
||||
De voorafgaande kennisgeving van de wens een asielaanvraag te willen indienen houdt niet de formele indiening van de asielaanvraag in.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien een vreemdeling zich bij een AC aanmeldt voor de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag, zonder dat hiervoor volgens de hierboven beschreven procedure een afspraak is gemaakt, wordt hem deze procedure medegedeeld. De vreemdeling wordt in dat geval niet in de gelegenheid gesteld een nieuwe aanvraag in te dienen, maar dient hiervoor eerst een afspraak te maken.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien niet is voldaan aan één van de hiervoor omschreven voorwaarden voor het indienen van een tweede of volgende aanvraag, dan dient de vreemdeling in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen (zie artikel 4:5 Awb), indien en voor zover dat naar de aard van het gebrek mogelijk is. Dit geldt dus alleen in de gevallen waarin nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Is aanvulling niet mogelijk, dan kan hierin aanleiding gelegen zijn om een nieuwe afspraak te maken.
|
||||
|
||||
|
||||
Gedurende de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke indiening van de tweede of volgende asielaanvraag maakt de vreemdeling geen aanspraak op verblijf in een tijdelijke noodvoorziening.
|
||||
|
||||
200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt.
|
||||
|
||||
### 3. Verwijzing naar AC Schiphol
|
||||
|
||||
#### 3.1. Algemene gang van zaken
|
||||
|
||||
De vreemdeling wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking de toegang ingevolge artikel 13, juncto artikel 5, eerste lid, SGC geweigerd, indien hij niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet. Ingevolge artikel 3, derde lid, Vw dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND (zie A1/2). Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie.
|
||||
|
||||
|
||||
De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst in dat geval door middel van een beschikking op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw het AC Schiphol aan als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Voor deze aanwijzing gelden geen nadere criteria dan de omstandigheid dat de toegang is geweigerd. De vreemdeling wordt op zijn rechtsmiddelen gewezen en de benodigde informatiefolders, alsmede de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV, worden uitgereikt. De vreemdeling en zijn bescheiden worden vervolgens door de KMar, dan wel de ZHP overgedragen aan AC Schiphol.
|
||||
|
||||
|
||||
Voor het indienen van een asielaanvraag in AC Schiphol is het afsprakensysteem (zie C10/2.1) niet van toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
Vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd en die een asielaanvraag (willen) indienen in het AC Schiphol kunnen voorafgaand aan de procedure, gedurende de procedure en nadat afwijzend op hun aanvraag is beslist, worden opgehouden in een grenslogies op grond van artikel 6 Vw (met een grenslogies wordt bedoeld een ruimte als bedoeld in artikel 6 Vw). De voornemenprocedure is niet van toepassing op de oplegging dan wel voortzetting van de maatregel van artikel 6 Vw (zie ook A6/2).
|
||||
|
||||
200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Amv’s
|
||||
|
||||
Als een Amv zich meldt bij een Schengen-buitengrens voor het indienen van een asielaanvraag, legt de ambtenaar belast met de grensbewaking een maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw op na een bijzondere aanwijzing van de IND.
|
||||
|
||||
Betrokkene wordt daarna overgebracht naar AC Schiphol voor het indienen van een asielaanvraag. Indien er na afloop van de procedure in het AC geen twijfel bestaat omtrent de minderjarigheid, wordt de vreemdeling niet geplaatst in de grenslogies.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Uitgenodigde vluchtelingen
|
||||
##### 2.1.4. Uitgenodigde vluchtelingen
|
||||
|
||||
Nederland neemt ter ondersteuning van het beleid van de UNHCR jaarlijks een aantal vluchtelingen op voor hervestiging in Nederland. Nederland heeft hiervoor een quotum vastgesteld van vijfhonderd vluchtelingen per jaar. Selectie vindt plaats op voordracht van de UNHCR.
|
||||
|
||||
Indien de UNHCR een als vluchteling geregistreerde vreemdeling voordraagt voor hervestiging in Nederland, beoordeelt de Minister, na advisering door de Minister van BuZa, op basis van het dossier en aan de hand van het staande asielbeleid of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf in Nederland. Wanneer dit het geval is, wordt de vreemdeling uitgenodigd zich naar Nederland te begeven. Door bemiddeling van de IOM wordt de vreemdeling op kosten van de Nederlandse staat in het bezit gesteld van een vliegticket.
|
||||
|
||||
Na aankomst in Nederland wordt de vreemdeling in het AC Schiphol in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag in te dienen. De vreemdeling wordt vervolgens zo spoedig mogelijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw.
|
||||
Na aankomst in Nederland wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag in te dienen. De vreemdeling wordt vervolgens zo spoedig mogelijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw.
|
||||
|
||||
In afwachting van een woning verblijft de vreemdeling in de opvangfaciliteiten van het COA.
|
||||
|
||||
### 4. Gezinsleden
|
||||
|
||||
Indien de gezinsleden zich nog in het buitenland bevinden, wordt hen geadviseerd in het buitenland een mvv aan te vragen. Die aanvraag wordt aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. De mvv wordt aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (zie B1/1.1.1). De hoofdpersoon kan in Nederland geen mvv aanvragen voor de gezinsleden. Wel kan hij bij de Visadienst een positief advies vragen. Dit verzoek om advies wordt eveneens aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Tegen een negatief advies staan geen rechtsmiddelen open. Indien de vreemdeling in rechte wenst op te komen tegen een negatief advies kan hij een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen de afwijzing van deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.
|
||||
|
||||
|
||||
De aanvraag om een mvv wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorgeleid naar de Visadienst.
|
||||
|
||||
|
||||
Wanneer de gezinsleden Nederland zijn ingereisd met een mvv, dienen zij zich binnen drie dagen te melden bij het AC, waarnaar wordt verwezen in de brieven bij de afgifte van de mvv. Op het AC wordt dezelfde procedure gevolgd als voor andere asielaanvragers.
|
||||
Ook gezinsleden die Nederland zijn ingereisd zonder een mvv, dienen zich voor het indienen van een asielaanvraag te melden bij het AC conform de verdeling in C9/2.
|
||||
Bij de eerste melding bij het AC wordt de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV uitgereikt.
|
||||
|
||||
200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt.
|
||||
|
||||
## 11. Start van de asielprocedure
|
||||
|
||||
### 1. Start van de procedure in het AC
|
||||
|
||||
#### 1.1. Indiening van een asielaanvraag in een AC
|
||||
|
||||
##### 1.1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld tot het invullen van een formulier betreffende het aanvragen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw (zie bijlage 13 VV).
|
||||
|
||||
Aan de asielzoeker wordt een afschrift van het door hem ondertekende aanvraagformulier verstrekt. Op grond van artikel 3.113 Vb wordt aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich tijdens het eerste gehoor en het nader gehoor te doen bijstaan door een (rechts-) hulpverlener.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de wijze waarop gegevens over (al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende) asielzoekers en vreemdelingen in de vreemdelingenadministraties en -registratie worden opgenomen, zijn aanwijzingen gegeven in A1/6.
|
||||
|
||||
##### 1.1.2. Meegereisde kinderen
|
||||
|
||||
De vreemdeling kan de asielaanvraag mede ten behoeve van de meegereisde kinderen beneden de vijftien jaar indienen. Indien beide ouders aanwezig zijn, tekent alleen de moeder de asielaanvraag namens het kind.
|
||||
|
||||
##### 1.1.3. Kinderen die in Nederland worden geboren
|
||||
##### 2.1.5. Kinderen die in Nederland worden geboren
|
||||
|
||||
Voor kinderen die in Nederland worden geboren, geldt een andere procedure dan voor de kinderen die met hun ouders zijn ingereisd.
|
||||
|
||||
Voor kinderen die tijdens de asielprocedure van (één van) de ouder(s) worden geboren, kan de asielaanvraag van (één van) ouder(s) via bijlage 13k VV tevens geldig worden verklaard voor het kind. Dit heeft tot gevolg dat de procedure van de ouder(s) mede gevoerd wordt ten behoeve van het in Nederland geboren kind. Hierbij is van belang dat de bijlage 13k VV ten behoeve van het in Nederland geboren kind ondertekend kan worden zolang de ouder(s) nog geen beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag. Het model k bijlage 13 VV wordt bij de COA locatie waar de ouder(s) is (zijn) geregistreerd ingediend. Op het moment dat de ouder(s) een beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag, dient er voor het in Nederland geboren kind een reguliere aanvraag te worden ingediend. Indien een ouder weigert de verklaring te ondertekenen dan komt dit voor de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf.
|
||||
Voor kinderen die tijdens de asielprocedure van (één van) de ouder(s) worden geboren, kan de asielaanvraag van (één van) ouder(s) via bijlage 13k VV tevens geldig worden verklaard voor het kind. Dit heeft tot gevolg dat de procedure van de ouder(s) mede gevoerd wordt ten behoeve van het in Nederland geboren kind. Bijlage 13k VV ten behoeve van het in Nederland geboren kind kan alleen ondertekend worden zolang de ouder(s) nog geen beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag. Het model k bijlage 13 VV wordt bij de COA locatie waar de ouder(s) is (zijn) geregistreerd ingediend. Op het moment dat de ouder(s) een beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag, moet er voor het in Nederland geboren kind een reguliere aanvraag worden ingediend. Indien een ouder weigert de verklaring te ondertekenen dan komt dit voor de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf.
|
||||
|
||||
Bij de ondertekening van de verklaring zijn er drie situaties te onderscheiden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2417,92 +2305,39 @@ Bij de ondertekening van de verklaring zijn er drie situaties te onderscheiden:
|
|||
• als beide ouders in Nederland aanwezig zijn en beiden een asielprocedure doorlopen, dan wordt de verklaring ondertekend door de moeder;
|
||||
• als beide ouders aanwezig zijn, maar slechts één van de ouders doorloopt de asielprocedure en de andere ouder is uitgeprocedeerd of doorloopt een reguliere procedure, dan tekent de ouder die nog de asielprocedure doorloopt de verklaring.
|
||||
|
||||
#### 1.2. Handelingen ten behoeve van het toezicht
|
||||
##### 2.1.6. Gezinsleden die zich in het buitenland bevinden
|
||||
|
||||
In het AC worden ten behoeve van het vreemdelingentoezicht door de vreemdelingenpolitie/KMar de volgende handelingen verricht:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
het (eventueel opnieuw) controleren of de asielzoeker voorkomt in het OPS of in het (N)SIS;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
het laten ondertekenen van een antecedentenverklaring (zie bijlage 12 VV);
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
eventueel de handelingen genoemd in artikel 3.109 Vb;
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
fouillering en het maken van fotokopieën van alle aangetroffen bescheiden, zoals paspoort, identiteitsbewijzen, reisbiljetten, diploma’s en dergelijke.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*ad c.*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.109 Vb worden van alle vreemdelingen vanaf vier jaar vingerafdrukken genomen. Deze vingerafdrukken worden ingevoerd in het BVV. De vingerafdrukken worden vergeleken met de data in de collectie van het BVV. Indien de vingerafdrukken van de vreemdeling onbekend zijn in de biometriecollectie, worden ze opgeslagen en geeft het BVV een Vreemdelingennummer af. Indien de vreemdeling wel bekend is, geeft het BVV het Vreemdelingennummer aan waaronder de vreemdeling al bekend is. In het geval een vreemdeling volhoudt iemand anders te zijn, wordt de vreemdeling onder een alias geregistreerd en wordt hiervan een aantekening gemaakt ten behoeve van het eerste gehoor van betrokkene door de IND. Voor meer informatie over de BVV wordt voorts verwezen naar A1/6.3. De vreemdelingendienst/KMar dient het vingerafdrukkenformulier handmatig te voorzien van het Vreemdelingennummer. Na registratie in het BVV dienen de vingerafdrukken van de vreemdelingen van vier tot en met dertien jaar direct te worden doorgezonden naar de Dienst IPol; het vingerafdrukkenformulier van vreemdelingen van veertien jaar en ouder wordt daarentegen in rappèlvoorraad gehouden tot het moment dat de asielaanvraag is ingediend. Op het moment dat de asielaanvraag is ingediend, dienen in het kader van artikel 4 Verordening 2725/2000 de vingerafdrukken door de ambtenaar belast met de grensbewaking verplicht te worden geregistreerd in de Europese vingerafdrukkencollectie van asielzoekers in de EU in categorie 1. Vervolgens wordt het vingerafdrukkenformulier doorgezonden aan de Dienst IPol.
|
||||
Indien er sprake is van een hitmelding van de ingevoerde vingerafdrukken met de Europese vingerafdrukkencollectie dan betekent dit dat betrokkene al bekend is vanwege een asielaanvraag (code 1) dan wel een illegale inreis (code 2) in een andere EU-lidstaat. De vreemdelingendienst/KMar geeft de melding onmiddellijk door aan de ambtenaar van de IND die de asielzoeker hoort in verband met de toepassing van Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*ad d.*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 55, tweede lid, Vw is fouillering mogelijk ten behoeve van het verkrijgen van documenten die van belang zijn voor de aanvraag (documentfouillering). Deze bevoegdheid bestaat vanaf het moment dat de vreemdeling te kennen geeft een asielaanvraag te willen indienen. Aangezien de praktijk uitwijst dat asielzoekers slechts in beperkte mate bereid zijn om desgevraagd documenten en bescheiden te tonen, maakt deze bepaling mogelijk om door middel van fouillering (extra) informatie te vergaren die van belang is voor de beoordeling van de aanvraag. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om op grond van artikel 55, derde lid Vw een veiligheidsfouillering uit te voeren.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling gedurende de periode waarin hij ontheven is van de beschikbaarheidsverplichting ex artikel 55, eerste lid, Vw, het AC heeft verlaten (zie C12/2.1.1), zal hij bij terugkeer in het AC, op grond van artikel 55, tweede en derde lid, Vw, wederom worden onderzocht aan kleding en lichaam. Tevens wordt zijn bagage (wederom) onderzocht. De tijd ten behoeve van dit onderzoek geldt niet als proceduretijd. Deze neemt eerst weer een aanvang indien de asielzoeker beschikbaar is ten behoeve van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van zijn aanvraag.
|
||||
|
||||
|
||||
De IND kan de vreemdelingenpolitie/KMar verzoeken de originelen van de aangetroffen bescheiden in te nemen, indien dit naar zijn mening nodig is voor nader onderzoek of ter waarborging van een mogelijk vertrek uit Nederland. De inname kan onder meer van belang zijn voor de vaststelling van het land dat voor de behandeling van het asielverzoek eerst verantwoordelijk is. Indien originele documenten worden ingenomen, wordt aan de vreemdeling een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken verstrekt. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder.
|
||||
|
||||
|
||||
De IND kan zelf originele documenten in ontvangst nemen indien deze niet door de vreemdelingenpolitie/Kmar (kunnen) worden ingenomen en indien de vreemdeling toestemming verleent aan het in ontvangst nemen van de documenten. Aan de vreemdeling wordt een ontvangstbewijs en een afschrift van de stukken verstrekt. In het ontvangstbewijs worden alle in ontvangst genomen documenten genoteerd. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder.
|
||||
In het IND dossier wordt opgenomen dat de vreemdeling toestemming heeft verleend aan het in ontvangst nemen van documenten door de IND.
|
||||
|
||||
20091476730-09-200929-09-2009WBV2009/2120091476730-09-200929-09-2009WBV2009/2101-10-2009
|
||||
Gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw die zich nog in het buitenland bevinden, kunnen in het buitenland een mvv aanvragen. Die aanvraag wordt aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw (zie C2/6.1). De mvv wordt aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (zie B1/1.1.1). Tegen de afwijzing van deze aanvraag staan rechtsmiddelen open. De hoofdpersoon kan in Nederland geen mvv aanvragen voor de gezinsleden. Wel kan hij bij de Visadienst een mvv advies aanvraag indienen. Dit verzoek om advies wordt eveneens aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Tegen een negatief advies staan echter geen rechtsmiddelen open. Indien het gezinslid in rechte wenst op te komen tegen een negatief advies kan hij een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen de afwijzing van deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.
|
||||
|
||||
### 2. Start van de procedure bij vrijheidsontneming
|
||||
De aanvraag om een mvv wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorgeleid naar de Visadienst.
|
||||
|
||||
#### 2.1. Indiening van de asielaanvraag
|
||||
Wanneer de gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw Nederland zijn ingereisd met een mvv voor dit doel, dienen zij zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. In het AC wordt dezelfde procedure gevolgd als voor andere asielaanvragers.
|
||||
|
||||
De asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen wordt, op grond van artikel 3.108, derde lid, Vb, ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Dat kan een politiecel, een cel van de KMar, een Huis van Bewaring of een uitzetcentrum zijn.
|
||||
#### 2.2. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
|
||||
|
||||
Indien een vreemdeling van wie op grond van de Vw de vrijheid is ontnomen te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, kan door de IND worden besloten de vreemdeling voor de indiening van de aanvraag over te plaatsen naar het AC Schiphol. Dit geldt zowel voor vreemdelingen die een eerste asielaanvraag willen indienen, als voor vreemdelingen die een tweede of volgende asielaanvraag willen indienen. Op het AC zal de vrijheidsontneming worden voortgezet en zal de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld de asielaanvraag in te dienen. Alsdan wordt door de IND de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV uitgereikt. Voor het overige geldt voor de vreemdeling die voor de behandeling van de asielaanvraag is overgeplaatst naar het AC Schiphol de gewone procedure. In afwijking van het gestelde in C14/1.1 geldt, dat indien blijkt dat de asielaanvraag zich niet leent voor afdoening in de AC-procedure, de IND beoordeelt of de bewaringsmaatregel dient te worden opgeheven en de asielzoeker wordt doorverwezen naar een opvanglocatie, óf dat de bewaringsmaatregel wordt voortgezet en de asielaanvraag wordt behandeld op de wijze zoals is neergelegd in C13/4, C15/3 en C18/3.3.
|
||||
Indien de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient is het gestelde in hoofdstuk C17 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Of de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar het AC Schiphol wordt beoordeeld door de IND in overleg met de DT&V, de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie. Aspecten die bij deze beoordeling van belang zijn, zijn onder meer de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing, de capaciteit en beschikbaarheid van tolken op het AC Schiphol en de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling. Ook omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling kunnen hierbij een rol spelen. Uitgangspunt is dat de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar AC Schiphol. Echter, vreemdelingen aan wie op strafrechtelijke gronden de vrijheid is ontnomen zullen in beginsel niet ter behandeling van een asielaanvraag worden overgebracht naar het AC Schiphol.
|
||||
#### 2.3. Intrekken van de aanvraag
|
||||
|
||||
Indien niet wordt besloten tot overplaatsing naar het AC Schiphol en de vreemdeling in een cel van de KMar of een uitzetcentrum verblijft, neemt de KMar de aanvraag in ontvangst en zendt deze door naar de IND.
|
||||
Voor het intrekken van een asielaanvraag wordt onderscheid gemaakt tussen de asielzoeker die zich niet in bewaring bevindt, de asielzoeker die zich wel in bewaring bevindt en de asielzoeker die de algemene asielprocedure doorloopt.
|
||||
|
||||
Ingeval de vreemdeling zich in een politiecel of een Huis van Bewaring bevindt, zal de vreemdelingenpolitie de aanvraag in ontvangst nemen en zorgdragen voor verzending aan de IND.
|
||||
Het intrekken van de asielaanvraag en eventuele vervolgprocedures moet schriftelijk gebeuren en wordt ondertekend door de asielzoeker, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde. Het schrijven moet naar de IND worden gezonden.
|
||||
|
||||
In deze gevallen wordt door de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie bij het in ontvangst nemen van de aanvraag de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV uitgereikt.
|
||||
De IND informeert vervolgens de politie en de burgemeester van de gemeente waar de asielzoeker woon- of verblijfplaats heeft, over het beëindigen van de procedure(s). Wanneer de vreemdeling bekend is bij de DT&V, informeert de IND ook de DT&V over het beëindigen van de procedure(s).
|
||||
|
||||
Nadat de vreemdeling bij de vreemdelingenpolitie dan wel bij de KMar een asielaanvraag heeft ingediend, dient de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar onverwijld de IND hieromtrent in te lichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van model M56 (kennisgeving aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling).
|
||||
Indien een asielzoeker zich in bewaring bevindt, moet de intrekking plaatsvinden door middel van het model M53.
|
||||
|
||||
Het indienen van de asielaanvraag heeft, gelet op artikel 5.3, tweede lid, Vb, niet tot gevolg dat de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw om die enkele reden wordt opgeheven. Wel dient de Korpschef de grond van de inbewaringstelling zo spoedig mogelijk te wijzigen. Deze maatregel dient, net zoals de inbewaringstelling zelf, te worden gemotiveerd en uitgereikt aan de vreemdeling. De vreemdeling verblijft vervolgens niet langer in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, maar op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, Vw. Dit is slechts anders indien de vreemdeling in kwestie een ongewenst verklaarde vreemdeling betreft, daar een ongewenst verklaarde vreemdeling door de indiening van een asielaanvraag geen rechtmatig verblijf verkrijgt. In dat geval kan de bewaring derhalve op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, voortduren.
|
||||
Indien de asielzoeker zijn asielaanvraag wil intrekken tijdens de algemene asielprocedure en dit gebeurt op één van de dagen die zijn toebedeeld aan de IND (zie C12/3), dan krijgt hij maximaal twee uur de gelegenheid te overleggen met een rechtsbijstandverlener. De feitelijke intrekking moet schriftelijk plaatsvinden en worden ondertekend door de asielzoeker.
|
||||
|
||||
Bovenstaande is van overeenkomstige toepassing indien de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag is overgebracht naar het AC Schiphol en zal in dat geval geschieden nadat de asielaanvraag in het AC is ingediend.
|
||||
Op grond van artikel 3.47 VV neemt de IND in het dossier van de vreemdeling een aantekening op waarin is opgenomen dat de aanvraag is ingetrokken. Hierbij worden de plaats en datum van intrekken vermeld, alsmede welke van de hierboven genoemde intrekkingsprocedures is gevolgd.
|
||||
|
||||
Het indienen van de asielaanvraag door een vreemdeling aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen heeft evenmin tot gevolg dat de uitzettingshandelingen worden stopgezet of opgeschort, met dien verstande dat de uitgangspunten van de asielprocedure niet worden aangetast. Zo blijven handelingen waarbij contact wordt gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst achterwege.
|
||||
## 10. Algemene opmerkingen over de asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 2.2. Handelingen ten behoeve van het toezicht
|
||||
### 1. Vertrouwelijkheid van de informatie
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 4 Verordening 2725/2000 worden door de vreemdelingenpolitie/KMar de vingerafdrukken van alle vreemdelingen van veertien jaar en ouder in Eurodac opgeslagen. Hiertoe dient, na het afrollen van de vingers op een vingerafdrukkenformulier, het formulier te worden ingelezen in categorie 1 van Eurodac. Categorie 1 is uitsluitend beschikbaar bij de AC’s en bij de unit Dublin van de IND. Het vingerafdrukkenformulier moet door de vreemdelingenpolitie/KMar aan de IND worden verzonden, onder vermelding van het Vreemdelingennummer. Indien het dossier niet naar een AC wordt verstuurd, dient het vingerafdrukkenformulier naar de unit Dublin van de IND te worden gezonden onder vermelding van ‘registratie in categorie 1 in de Europese vingerafdrukkencollectie vanwege asiel in bewaring’.
|
||||
Op grond van artikel 3.111, eerste lid, Vb, heeft de vreemdeling de plicht om gedurende ten behoeve van de asielaanvraag alle gegevens te verstrekken op basis waarvan de asielaanvraag beoordeeld kan worden. In artikel 3.45 VV is neergelegd dat deze gegevens bestaan uit de verklaringen van de vreemdeling en alle in zijn bezit zijnde documentatie over zijn achtergrond en die van relevante familieleden, zijn leeftijd, identiteit, nationaliteit(en), landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielaanvragen, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een asielaanvraag indient.
|
||||
|
||||
### 3. Algemene opmerkingen over de asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 3.1. Vertrouwelijkheid van de informatie
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.114, eerste lid, Vb, is de vreemdeling verplicht gedurende de asielprocedure alle gegevens te verstrekken op basis waarvan de asielaanvraag beoordeeld kan worden. In artikel 3.45 VV is neergelegd dat deze gegevens bestaan uit de verklaringen van de vreemdeling en alle in zijn bezit zijnde documentatie over zijn achtergrond en die van relevante familieleden, zijn leeftijd, identiteit, nationaliteit(en), landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielaanvragen, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een asielaanvraag indient.
|
||||
|
||||
De informatie die een asielzoeker tijdens de procedure verstrekt, dient strikt vertrouwelijk te worden behandeld. Op deze informatie zijn van toepassing de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen waarin de betrokken persoon is geregistreerd. Gegevens worden in beginsel alleen verstrekt aan de betrokken vreemdeling zelf, diens gemachtigde en de ambtenaren en functionarissen die worden genoemd in bovengenoemde regelingen en onder de in die regelingen genoemde voorwaarden.
|
||||
De informatie die de vreemdeling tijdens de procedure verstrekt, dient strikt vertrouwelijk te worden behandeld. Op deze informatie zijn van toepassing de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen waarin de betrokken persoon is geregistreerd. Gegevens worden in beginsel alleen verstrekt aan de betrokken vreemdeling zelf, diens gemachtigde en de ambtenaren en functionarissen die worden genoemd in bovengenoemde regelingen en onder de in die regelingen genoemde voorwaarden.
|
||||
|
||||
Het voorgaande houdt onder meer in dat aan derden, waaronder ook worden verstaan vertegenwoordigers van de media, politici en advocaten die niet optreden als gemachtigde van de betrokken vreemdeling, geen gegevens mogen worden verstrekt over die vreemdeling. Telefonische informatie wordt alleen verstrekt wanneer is gebleken dat de informatievrager gerechtigd is die informatie te ontvangen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2515,7 +2350,7 @@ In deze zaken vraagt de IND de vreemdeling toestemming te verlenen het dossier d
|
|||
• er sprake is van concrete strafbare feiten; en
|
||||
• de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Geen aantekeningen in documenten van de asielzoeker
|
||||
### 2. Geen aantekeningen in documenten van de asielzoeker
|
||||
|
||||
Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van een asielzoeker nooit aantekeningen mogen worden geplaatst waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend. Immers, dit kan bij afwijzing van de aanvraag voor de betrokkene moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich meebrengen. Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad. Dit geldt ook ten aanzien van vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen of vreemdelingen die hun asielaanvraag hebben ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2524,192 +2359,403 @@ Het plaatsen van aantekeningen is echter wel mogelijk indien de vreemdeling niet
|
|||
a. Nederland heeft verlaten – eventueel hangende zijn asielprocedure – en nadien naar Nederland is teruggekeerd; of
|
||||
b. een verblijfstitel heeft verkregen anders dan die op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Gemachtigde van de asielzoeker
|
||||
### 3. Gemachtigde van de asielzoeker
|
||||
|
||||
Tijdens de gehele procedure kan de vreemdeling zich op grond van artikel 2:1 Awb doen bijstaan door een gemachtigde. Aan de gemachtigde worden geen bijzondere eisen gesteld. Wel dient hij een schriftelijke, door de vreemdeling ondertekende verklaring te overleggen dat hij is gemachtigd namens de vreemdeling op te treden.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling zich wil laten bijstaan door een advocaat, wordt deze aangemerkt als gemachtigde, indien hij verklaart bepaaldelijk door de vreemdeling te zijn gemachtigd.
|
||||
|
||||
#### 3.4. Tewerkstelling asielzoekers
|
||||
## 11. De rust- en voorbereidingstermijn
|
||||
|
||||
Op basis van het Besluit uitvoering Wav is het aan asielzoekers toegestaan om, op beperkte schaal, tijdens de asielprocedure arbeid te verrichten of te worden tewerkgesteld als stagiair. Bij en krachtens dit Besluit worden regels gegeven omtrent de vraag aan wie het is toegestaan arbeid te verrichten, de hoeveelheid arbeid die mag worden verricht en of, en zo ja, hoe een TWV dient te worden aangevraagd.
|
||||
### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
#### 3.5. Intrekken van de aanvraag
|
||||
Een vreemdeling die zich op de daartoe aangewezen plaats meldt en te kennen geeft asiel te willen aanvragen (zie C9/2.1.1.1) heeft op grond van artikel 3.109 Vb recht op een rust- en voorbereidingstermijn, tenzij hij behoort tot een categorie vreemdelingen die van dit recht is uitgezonderd (zie C11/2). Deze rust- en voorbereidingstermijn start op de dag dat de vreemdeling op de daartoe aangewezen plaats te kennen geeft asiel te willen aanvragen en duurt minimaal zes dagen. Aan de rust- en voorbereidingtermijn is geen maximale termijn verbonden.
|
||||
|
||||
Voor het intrekken van een asielverzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de asielzoeker die zich niet in bewaring bevindt, de asielzoeker die zich wel in bewaring bevindt en de asielzoeker die zich tijdens de 48-uursprocedure op een AC bevindt.
|
||||
De rust- en voorbereidingstermijn is bedoeld om de vreemdeling tot rust te laten komen en hem op de asielprocedure voor te bereiden. Ten behoeve van de voorbereiding vinden in de rust- en voorbereidingstermijn verschillende activiteiten plaats (zie C11/3 tot en met C11/6). Daarnaast bepaalt de IND in overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA tijdens de rust- en voorbereidingstermijn de start van de algemene asielprocedure. De vreemdeling wordt hiervan op de hoogte gesteld.
|
||||
|
||||
Intrekking van de asielaanvraag en eventuele vervolgprocedures dient schriftelijk te geschieden en te worden ondertekend door de asielzoeker, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde. Het schrijven dient de IND te worden toegezonden.
|
||||
Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, Vw. en komt hij in aanmerking voor opvang op grond van artikel 3, derde lid, en onder o, Rva. Daarnaast krijgt de vreemdeling een W2-document. Dit document wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling verstrekt.
|
||||
|
||||
De IND draagt er zorg voor dat de politie en de burgemeester van de gemeente waar de asielzoeker woon- of verblijfplaats heeft, over het beëindigen van de procedure(s) worden geïnformeerd.
|
||||
### 2. Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn
|
||||
|
||||
Indien een asielzoeker zich in bewaring bevindt, dient de intrekking te allen tijde te geschieden middels het model M53.
|
||||
#### 2.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker zijn asielaanvraag wil intrekken tijdens de procedure in het AC krijgt hij maximaal twee uur de gelegenheid te overleggen met zijn (rechts)hulpverlener. De feitelijke intrekking dient schriftelijk te geschieden en te worden ondertekend door de asielzoeker.
|
||||
Een vreemdeling die niet in aanmerking komt voor een rust- en voorbereidingstermijn (zie C11/2.2 tot en met 2.5) heeft voorafgaand aan de indiening van de asielaanvraag in een AC geen rechtmatig verblijf en heeft gedurende deze periode geen recht op opvang. De algemene asielprocedure van de vreemdeling start in dit geval direct of in ieder geval zo spoedig mogelijk nadat hij op de daartoe aangewezen plaats te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.47 VV neemt de IND in het dossier van de vreemdeling een aantekening op waarin is opgenomen dat de aanvraag is ingetrokken. Hierbij worden plaats en datum van intrekken vermeld, alsmede welke van de hierboven genoemde intrekkingsprocedures is gevolgd.
|
||||
Indien tijdens de rust- en voorbereidingstermijn blijkt dat een vreemdeling niet langer voor de rust- en voorbereidingstermijn in aanmerking komt, stopt de rust- en voorbereidingstermijn en daarmee ook het daaraan verbonden rechtmatig verblijf inclusief opvang.
|
||||
|
||||
## 12. Begin van het onderzoek
|
||||
De algemene asielprocedure van de vreemdeling start direct of in ieder geval zo spoedig mogelijk na constatering van het feit dat de vreemdeling niet langer recht heeft op de rust- en voorbereidingstermijn.
|
||||
|
||||
### 1. Het afnemen van het eerste gehoor
|
||||
Eventuele reeds geplande activiteiten die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn zouden plaatsvinden vinden geen doorgang meer.
|
||||
|
||||
#### 1.1. Algemeen
|
||||
Het vorenstaande geldt niet voor vreemdelingen die hun asielaanvraag indienen in AC Schiphol. Voor hen geldt het gestelde in C11/2.6.
|
||||
|
||||
De asielzoeker wordt op grond van artikel 38 Vw gehoord in een taal waarvan mag worden aangenomen dat hij deze verstaat (zie ook C13/1). De IND en (rechts)bijstand hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het tijdig inzetten van (telefonische) tolken: de IND voor het inzetten van tolken voor het eerste en nader gehoor, de (rechts)bijstand voor het inzetten van tolken voor de voor- en nabespreking van het nader gehoor en de bespreking van het voornemen.
|
||||
#### 2.2. De vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
|
||||
|
||||
Het eerste gehoor vindt plaats in het AC waar de asielzoeker verblijft en richt zich op vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute, waartoe, indien nodig (mede) gebruik zal worden gemaakt van nationaliteitchecks, taalanalyses en of leeftijdsonderzoek. De (rechts)bijstandverlener van de asielzoeker is bevoegd het gehoor als waarnemer bij te wonen, maar (de aanvang van) het gehoor mag daardoor niet worden opgehouden. Het eerste gehoor vindt plaats aan de hand van de vragenlijst zoals vastgesteld in artikel 3.43 VV.
|
||||
Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder a, Vb, komen vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.110, tweede lid, Vb worden geen vragen gesteld omtrent de beweegredenen van de aanvraag. In de praktijk komt het echter voor dat de vreemdeling al tijdens het eerste gehoor, zonder daarnaar gevraagd te zijn, zijn asielrelaas doet. In dat geval wordt de vreemdeling erop gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen.
|
||||
Voor de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt aangesloten bij het gestelde in artikel 3.77, eerste lid, en onder c, Vb. Dat betekent dat de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing is op de vreemdeling die ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, die ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete of tegen wie een strafbeschikking is uitgevaardigd. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 37, eerste lid, WvSr) of in een inrichting voor stelselmatige daders (zie artikel 38m, WvSr) dan wel in een inrichting voor jeugdigen (zie artikel 77h, vierde lid, onder a, WvSr) alsook de terbeschikkingstelling (zie artikel 37a WvSr) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat het relaas van de asielzoeker niet consistent is als gevolg van een PTSS. Bij twijfel als gevolg van het ontbreken van een consistent relaas of indien de betrokkene een verwarde indruk maakt, wordt de Medische opvang asielzoekers of de GG&GD ingeschakeld. Deze inschakeling betreft niet de vraag of de betrokkene getraumatiseerd is en deswege leidt aan PTSS, maar betreft de vraag of de betrokkene gehoord kan worden of doorverwezen moet worden (zie ook C13/1.2).
|
||||
De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn geworden. Ook indien hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor de rust- en voorbereidingstermijn.
|
||||
|
||||
#### 1.2. Amv’s jonger dan twaalf jaar
|
||||
Een eens gepleegd misdrijf leidt niet blijvend tot uitsluiting van de rust- en voorbereidingtermijn. Voor wat betreft de termijnen die hiervoor gelden wordt aangesloten bij het beleid dat is opgenomen B1/4.4.1.
|
||||
|
||||
Van Amv’s jonger dan twaalf jaar wordt tijdens het eerste gehoor slechts beoogd de navolgende gegevens op te nemen:
|
||||
Voor de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, wordt verwezen naar B1/4.4.
|
||||
|
||||
– personalia (naam, voornamen, geboortedatum en -plaats);
|
||||
– nationaliteit;
|
||||
– spreekta(a)l(en);
|
||||
– laatste adres in het land van herkomst;
|
||||
– etnische afkomst;
|
||||
– godsdienst;
|
||||
– gezinssamenstelling in het land van herkomst (het gaat hier om de namen van de vader, de moeder en eventuele (half-)broers en (half-)zussen).
|
||||
Of er sprake is van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt bij de eerste aanmelding van de vreemdeling beoordeeld door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND.
|
||||
|
||||
#### 1.3. Aanvragen leeftijdsonderzoek
|
||||
Wanneer de vreemdeling pas tijdens de rust- en voorbereidingstermijn een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid gaat vormen, doordat hij eerst dan valt onder één van de hierboven genoemde gronden, dan stopt de rust- en voorbereidingstermijn op de wijze zoals beschreven in C11/2.1.
|
||||
|
||||
Indien de betrokken asielzoeker stelt minderjarig te zijn, maar er niet in slaagt zijn leeftijd met documenten aan te tonen of anderszins aannemelijk te maken, dient de hoorambtenaar van de IND in overleg met ten minste een beslisambtenaar van de IND vast te stellen of er sprake is van evidente meerderjarigheid, dan wel een zodanige twijfel aan de opgegeven leeftijd bestaat dat de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld zijn leeftijd alsnog aan te tonen middels een leeftijdsonderzoek. Een leeftijdsonderzoek kan worden aangeboden indien er getwijfeld wordt aan deze leeftijd, tenzij:
|
||||
#### 2.3. De vreemdeling bezorgt overlast in de opvangvoorziening
|
||||
|
||||
a. er sprake is van evidente meerderjarigheid;
|
||||
b. de uitslag van het leeftijdsonderzoek geen verschil zou uitmaken voor de beslissing omtrent de aanspraken van de betrokkene op verblijf of opvang.
|
||||
Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder b, Vb, komen vreemdelingen die overlast bezorgen aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, of aan anderen, niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. Hiervan is sprake indien:
|
||||
|
||||
Er is sprake van evidente meerderjarigheid indien de ambtenaar van de IND die de vreemdeling hoort in samenspraak met een (andere) beslisambtenaren van de IND aan de hand van de uiterlijke kenmerken of aan de hand van de verklaringen van de asielzoeker tot de conclusie komt dat de betrokkene evident achttien jaar of ouder moet zijn. De leeftijd wordt geschat aan de hand van optische waarneming. Tegenstrijdige of vage verklaringen over de opgegeven leeftijd, schoolperiode en dergelijke, en het gedrag van de asielzoeker spelen een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van evidente meerderjarigheid. Uit het dossier dient te blijken op grond van wiens optische waarneming en op grond van samenspraak tussen welke ambtenaren van de IND een oordeel strekkende tot evidente meerderjarigheid van de vreemdeling is gevormd.
|
||||
• de vreemdeling andere vreemdelingen die in de opvangvoorziening verblijven lastig valt, of ruzie met hen maakt;
|
||||
• de vreemdeling de medewerkers in de opvangvoorziening lastig valt, of ruzie met hen maakt;
|
||||
• de vreemdeling een niet hanteerbaar verslavingsprobleem heeft;
|
||||
• de vreemdeling een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft;
|
||||
• de vreemdeling overlast veroorzaakt bij personen in de omgeving rondom de opvangvoorziening, waaronder buurtbewoners en de lokale ondernemers.
|
||||
|
||||
Indien sprake is van evidente meerderjarigheid bestaat geen aanleiding om betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn minderjarigheid alsnog aan te tonen door middel van een leeftijdsonderzoek.
|
||||
Deze lijst is niet-limitatief.
|
||||
|
||||
Het leeftijdsonderzoek dient twee doelen: enerzijds wordt op basis daarvan beoordeeld of de vreemdeling gezien zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, anderzijds dient het als bron voor de beoordeling van de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor het bijzondere opvangregime voor Amv’s (zie C23/2.2.1).
|
||||
Of er sprake is van een vreemdeling die overlast bezorgt in de opvangvoorziening zoals hierboven is beschreven, wordt beoordeeld door het COA in overleg met de IND.
|
||||
|
||||
Leeftijdsonderzoek is derhalve slechts dan niet aan de orde, indien de uitslag niet van belang is voor de vraag of en in hoeverre de jongere aanspraak maakt op verblijf of opvang.
|
||||
Deze grond voor uitsluiting van de rust- en voorbereidingstermijn zal zich in beginsel pas voordoen nadat de vreemdeling eerder al wel voor de rust- en voorbereidingstermijn in aanmerking is gekomen. De rust- en voorbereidingstermijn stopt in dit geval op de wijze zoals beschreven in C11/2.1.
|
||||
|
||||
Voor het protocol en de modellen inzake het leeftijdsonderzoek wordt verwezen naar de website van de IND.
|
||||
#### 2.4. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen
|
||||
|
||||
Het leeftijdsonderzoek kent de volgende beoordelingen:
|
||||
Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder c, Vb, komen vreemdelingen die eerder een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn.
|
||||
|
||||
• Indien de radiologen hebben aangegeven dat zowel de beide sleutelbeenderen als het hand/pols gebied niet uitgerijpt zijn, wordt betrokkene als ten hoogste 19 jaar (vrouw) of als ten hoogste 20 jaar (man) beschouwd.
|
||||
• Indien het hand/pols gebied wel is uitgerijpt maar de beide sleutelbeenderen niet, wordt betrokkene beschouwd als ten minste 14,7 jaar (vrouw) of ten minste 16 jaar (man), en ten hoogste 32 jaar.
|
||||
• Indien de radiologen hebben aangegeven dat de beide sleutelbeenderen en het hand/pols gebied uitgerijpt zijn, wordt betrokkene als ten minste 20 jaar oud beschouwd.
|
||||
Of er sprake is van een vreemdeling die eerder een asielaanvraag heeft ingediend wordt beoordeeld door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND.
|
||||
|
||||
Een exactere leeftijdsvaststelling is op basis van deze drie classificaties niet mogelijk.
|
||||
#### 2.5. Vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen
|
||||
|
||||
### 2. Beschikbaarheid in verband met het onderzoek
|
||||
Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder d, Vb komen vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn, tenzij de asielaanvraag wordt ingediend in een AC.
|
||||
|
||||
#### 2.1. Ac’s in het land
|
||||
Of de asielaanvraag van een vreemdeling van wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen in AC Schiphol wordt ingediend, wordt beoordeeld door de IND in overleg met de DT&V, de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie. In C9/2.1.3 is beschreven in welke gevallen dit gebeurt.
|
||||
|
||||
##### 2.1.1. Maatregelen van toezicht
|
||||
Wanneer wordt besloten de asielaanvraag niet in AC Schiphol te laten indienen, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. Als de asielaanvraag wel wordt ingediend in AC Schiphol geldt het gestelde in C11/2.6.
|
||||
|
||||
De asielzoeker van wie de behandeling van de aanvraag plaatsvindt in een AC en aan wie de toegang niet is geweigerd, moet zich in verband met de behandeling van de aanvraag beschikbaar houden in het AC gedurende de uren tussen 7.30 uur en 18.00 uur, behoudens die gevallen waarin aan de asielzoeker expliciet wordt meegedeeld dat de aanwezigheid ten behoeve van het onderzoek die dag voor de resterende uren tot 18.00 uur niet meer noodzakelijk wordt geacht. De op artikel 55, eerste lid, Vw gebaseerde aanwijzing hiertoe wordt zowel mondeling als schriftelijk gegeven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van model M117-C. Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. De asielzoeker dient zich in het AC beschikbaar te houden overeenkomstig de gegeven aanwijzingen.
|
||||
#### 2.6. AC Schiphol
|
||||
|
||||
Of de aanwezigheid ten behoeve van het onderzoek die dag voor de resterende uren tot 18.00 uur niet meer noodzakelijk wordt geacht is uitsluitend ter beoordeling aan de IND. Bij de beantwoording van deze vraag is met name van belang of voorzienbaar is dat er die dag geen onderzoek meer zal plaatsvinden waarbij de aanwezigheid van de asielzoeker van belang is. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de te verrichten handelingen door rechtsbijstand.
|
||||
Op grond van artikel 3.109, zevende lid, Vb juncto artikel 3.49, eerste lid, VV, is de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing op vreemdelingen die de asielaanvraag conform C9/2.1.1.2 en C9/2.1.3 indienen in AC Schiphol. De procedure van deze categorie vreemdelingen, wijkt echter af van het gestelde in C11/2.1.
|
||||
|
||||
De tijd tussen 7.30 uur en 8.00 uur wordt niet gebruikt voor onderzoek naar de aanvraag en geldt om die reden niet als proceduretijd. Deze tijd wordt slechts gebruikt voor het vaststellen dat met betrekking tot de persoon die zich meldt daadwerkelijk een AC-procedure is gestart, voor het verrichten van administratieve beheersmatige handelingen en voor het verrichten van onderzoek op grond van artikel 55, tweede en derde lid, Vw.
|
||||
Hoewel de vreemdeling, nadat hij naar AC Schiphol is overgebracht, zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld om de asielaanvraag in te dienen, vinden voorafgaand aan de indiening van de asielaanvraag wel zoveel mogelijk de activiteiten plaats die normaliter in de rust- en voorbereidingstermijn plaatsvinden.
|
||||
|
||||
De asielzoeker wordt erop gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt, op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw, mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. Het niet naleven van de aanwijzingen is bovendien strafbaar gesteld bij artikel 108, eerste lid, Vw.
|
||||
Dat wil zeggen dat de vreemdeling voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt voorgelicht over de procedure door een medewerker van VWN, dat hij wordt voorbereid op de procedure door een rechtsbijstandverlener en dat er – indien de vreemdeling daar toestemming voor verleent – ten aanzien van hem een medisch advies zal worden ingewonnen (zie C11/3 tot en met C11/6). Deze activiteiten zullen echter in zeer kort tijdsbestek – minder dan zes dagen – plaatsvinden. Gedurende de periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag en gedurende de algemene asielprocedure, verblijft de vreemdeling op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, of artikel 59 Vw in AC Schiphol.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling om 18.00 uur, of zoveel eerder als aan hem is meegedeeld dat de aanwezigheid niet meer wordt verlangd, het AC wil verlaten wordt van het vertrek aantekening gemaakt. De vreemdeling krijgt een schriftelijke verklaring mee ten bewijze van het feit dat hij in het kader van een asielaanvraag in de gelegenheid is gesteld tot 7.30 uur de volgende dag zich buiten het AC te begeven.
|
||||
|
||||
##### 2.1.2. Het niet nakomen van de aanwijzingen
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling een aanwijzing als bedoeld in C12/2.1.1 niet nakomt door tussentijds zonder toestemming het AC te verlaten, dan wel door niet tijdig op het AC terug te keren, wordt aangenomen dat de vreemdeling niet langer belang stelt in het onderzoek naar de aanvraag. Er zal op dat moment een voornemen worden uitgebracht conform het gestelde in C15/4 en in afwijking van C14/7 en C4/3.2. Het niet nakomen van de aanwijzing wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw betrokken bij dit voornemen. Indien er op dat moment reeds een nader gehoor heeft plaatsgehad, wordt in dit voornemen hierop tevens ingegaan.
|
||||
|
||||
Ingeval de vreemdeling zich na het uitbrengen van dit voornemen, maar vóór het einde van de termijn van drie uur voor de indiening van de zienswijze, alsnog meldt bij het AC, wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin reeds vóór het verlaten van het AC een nader gehoor heeft plaatsgehad en de situatie waarin dit niet het geval is.
|
||||
|
||||
In het geval een nader gehoor reeds heeft plaatsgehad en de nog resterende termijn na terugkomst van de asielzoeker niet toereikend is voor het nabespreken van het gehoor en het uitbrengen van een zienswijze, komt dit voor rekening van de asielzoeker. Derhalve kan na ommekomst van de termijn ook in die gevallen waarin de asielzoeker niet is voorbereid op het nader gehoor, in afwijking van het gestelde in C10/1.3 en C15/4, de beschikking worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
In het geval het voornemen is uitgereikt zonder dat een nader gehoor heeft plaatsgehad en de asielzoeker zich voor het uitreiken van de beschikking alsnog meldt bij het AC, zal de procedure in het AC alsnog worden vervolgd, met dien verstande dat het uitgebrachte voornemen wordt geacht te zijn ingetrokken. De uren die de asielzoeker geen gehoor heeft gegeven aan de aanwijzing worden in elk geval niet tot de proceduretijd gerekend.
|
||||
|
||||
Indien het niet nakomen van de aanwijzing betekent dat het onderzoek naar de aanvraag niet direct vervolgd kan worden (bijvoorbeeld vanwege het niet meer aanwezig zijn van de tolk of onvoldoende beschikbaar personeel) wordt zo spoedig mogelijk, maar zonder inbreuk te maken op de reeds bestaande planning binnen het AC, de vervolgstap gepland. De tijd tussen het moment dat de asielzoeker terugkeert op het AC en het moment dat het onderzoek kan worden hervat, wordt tevens niet tot de proceduretijd gerekend. Aan deze periode wordt niet het maximum aantal uren verbonden als opgenomen in C10/1.3. Dat hiermee het verblijf in het AC langer wordt dan gebruikelijk bij de AC-procedure, komt voor rekening van de asielzoeker die de aanwijzing niet is nagekomen.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker zich niet op het AC meldt vóór het einde van de termijn voor indiening van de zienswijze wordt in lijn met het uitgebrachte voornemen een beschikking uitgebracht.
|
||||
|
||||
#### 2.2. AC schiphol
|
||||
|
||||
##### 2.2.1. Oplegging of voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel
|
||||
|
||||
Na de aanmelding in het AC Schiphol en indiening van de asielaanvraag, beziet de IND, onder meer op basis van de hieronder genoemde niet-cumulatieve en niet-limitatieve criteria of een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw, voortgezet kan worden:
|
||||
|
||||
a. het asielverzoek kan binnen de AC-procedure worden afgewezen;
|
||||
b. de asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert, waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan;
|
||||
c. er is sprake van ‘misbruik van de asielprocedure’, bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit of zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd;
|
||||
d. ten aanzien van de asielzoeker zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen;
|
||||
e. de toegang is geweigerd op grond van artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, onder d of e, SGC;
|
||||
f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Verordening 343/2003, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst;
|
||||
g. ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij;
|
||||
h. er is sprake van een geval waarin vermoedelijk artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
|
||||
|
||||
Hier wordt met name gedoeld op alle gevallen waarin de asielzoeker zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken, verder onderzoek hiernaar noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de situatie waarin documenten van de asielzoeker verder onderzocht dienen te worden op echtheid of authenticiteit, taalanalyse of onderzoek naar de gestelde leeftijd is geïndiceerd of ander herkomstonderzoek nodig wordt geacht.
|
||||
|
||||
Voorts zal oplegging of voortzetting van de maatregel plaatsvinden wanneer verder onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Ook hierbij kan onder meer gedacht worden aan onderzoek van documenten. Tevens kan dit aan de orde zijn wanneer de asielzoeker tijdelijk niet gehoord kan worden.
|
||||
|
||||
Gedoeld wordt op die gevallen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast wordt gedoeld op gevallen waarbij een asielzoeker tijdens de AC-procedure op Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit blijkt dat er sprake is van het vermoeden dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
|
||||
|
||||
##### 2.2.2. Procedure
|
||||
|
||||
Indien sprake is van één of meer van de criteria in C12/2.2.1 zal de plaatsingsbeslissing inhouden dat de asielzoeker in het AC blijft voor de behandeling van zijn aanvraag, dan wel in de grenslogies wordt geplaatst voor de behandeling van zijn aanvraag of in afwachting van het vrijkomen van voldoende behandelcapaciteit, dan wel in afwachting van de resultaten van een onderzoek of analyse.
|
||||
|
||||
De asielzoeker dient zich op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw op de aangewezen plaats op te houden.
|
||||
|
||||
Indien de behandeling van de aanvraag direct in het AC plaatsvindt, wordt geen nieuwe plaatsingsbeschikking genomen, aangezien de asielzoeker zich reeds in het AC bevindt. De maatregel van artikel 6 Vw duurt dan voort.
|
||||
|
||||
Deze maatregel duurt eveneens voort indien de asielzoeker de verdere behandeling van zijn aanvraag in de grenslogies dient af te wachten. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een nieuwe plaatsingsbeschikking en wijst daarbij de grenslogies aan als plaats waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd, nadat hij van de Minister hiertoe een bijzondere aanwijzing heeft ontvangen. De verdere afhandeling van de aanvraag vindt niet plaats binnen de AC-procedure. De aldaar geldende termijnen zijn derhalve niet van toepassing. De verdere afhandeling van de aanvraag, inclusief eventueel nader onderzoek, dient echter wel voortvarend te geschieden.
|
||||
|
||||
Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid Vw zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht ex artikel 5 Vw. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen, zal de IND bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. Als regel wordt de maatregel voortgezet indien het verzoek om een voorlopige voorziening om procedurele redenen wordt toegewezen.
|
||||
|
||||
Tegen de vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregelen van artikel 6 Vw kan de vreemdeling op grond van artikel 93 Vw en artikel 8:1, eerste lid, Awb beroep instellen bij de rechtbank. De vreemdeling is hierbij ingevolge artikel 69, derde lid, Vw, niet aan een termijn gebonden. Bezwaar of administratief beroep is niet mogelijk.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 94, eerste lid, Vw, wordt de rechtbank door de Minister in kennis gesteld van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep tegen de maatregel te hebben ingesteld.
|
||||
|
||||
### 3. Procesbeslissing na het eerste gehoor
|
||||
### 3. Onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn
|
||||
|
||||
#### 3.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Na het eerste gehoor wordt beoordeeld welke zaken zich lenen voor het nader horen in het AC (procesbeslissing). Hierbij wordt onderzocht of er sprake is van een zaak als genoemd onder C10/1.1, onder categorie a en b waarvan de procedure in het AC kan worden vervolgd.
|
||||
Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn wordt onderzoek verricht naar de identiteit, nationaliteit en de vingerafdrukken van de vreemdeling. Daarnaast kan onderzoek worden gedaan naar eventuele door de vreemdeling overgelegde of bij hem aangetroffen documenten en bescheiden, en kan tevens onderzoek worden verricht naar de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
|
||||
|
||||
De IND kan op voorhand kiezen voor het vervolgen van de procedure in het AC indien sprake is van (niet-cumulatief):
|
||||
Het onderzoek wordt in beginsel uitgevoerd op basis van de informatie die door de vreemdeling tijdens de aanmelding (zie C9/2.1.1.1) is verstrekt. De resultaten van het onderzoek worden zo spoedig mogelijk na ontvangst ervan door de IND beschikbaar gesteld aan de vreemdeling en/of zijn rechtsbijstandverlener.
|
||||
|
||||
– contra-indicaties inzake openbare orde;
|
||||
– niet-geloofwaardige verklaringen over identiteit, nationaliteit en/of reisroute, dan wel niet meewerken aan de vaststelling daarvan;
|
||||
– een ander land dat verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag en/of voor de verlening van eventueel benodigde bescherming (zoals bedoeld in artikel 30, onder a en d, Vw en artikel 31, tweede lid, onder h, i en j, Vw);
|
||||
– beleidsmatige of wettelijke contra-indicaties voor statusverlening (er is bijvoorbeeld sprake van een veilig land van herkomst, legale uitreis of andere indicaties op grond van landgebonden asielbeleid);
|
||||
– onterecht gebruik van de asielprocedure (bijvoorbeeld asieltoerisme).
|
||||
Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden door de IND aan de vreemdeling geen vragen gesteld over zijn asielmotieven (artikel 3.109, derde lid, Vb). Evenmin zal de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn door de IND worden gehoord om hem te confronteren met eventuele onderzoeksresultaten. Dit zal pas plaatsvinden tijdens de gehoren die in de algemene asielprocedure door de IND worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
Zaken die zich op voorhand niet lenen voor nader onderzoek in de AC-procedure en derhalve na het eerste gehoor ter behandeling zullen worden doorgezonden naar een behandelkantoor, betreffen asielzoekers (cumulatief):
|
||||
#### 3.2. Documenten
|
||||
|
||||
– die behoren tot de categorie beleidsmatig niet verwijderbaar (er wordt categoriale bescherming geboden of er is een besluit- of vertrekmoratorium van kracht); én
|
||||
– van wie identiteit, nationaliteit en reisroute niet ter discussie staan; én
|
||||
– voor wie geen ander land verantwoordelijk is; én
|
||||
– bij wie geen sprake is van overige contra-indicaties.
|
||||
Op grond van artikel 55, tweede lid, Vw kunnen de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen die kenbaar maken asiel te willen aanvragen fouilleren ten behoeve van het verkrijgen van documenten die van belang zijn voor de aanvraag (documentfouillering).
|
||||
|
||||
Voor zaken waarin niet op voorhand duidelijk is welk traject moet worden gevolgd, geldt de volgende procedure als uitgangspunt.
|
||||
Wanneer er tijdens de fouillering bij de aanmelding originele reis- of identiteitsdocumenten worden aangetroffen bij de vreemdeling, of wanneer de vreemdeling tijdens de aanmelding dergelijke documenten overlegt, worden deze door de vreemdelingenpolitie of KMar ingenomen voor nader onderzoek. Aan de vreemdeling wordt in dat geval een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken verstrekt. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder.
|
||||
|
||||
Indien de procesbeslissing inhoudt dat wordt onderzocht of verdere behandeling in het AC dient plaats te vinden, wordt dit door de IND meegedeeld aan de rechtsbijstand. De rechtsbijstandverlener kan met de asielzoeker het verslag van het eerste gehoor en de overige onderzoeksresultaten betreffende het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker nabespreken en de asielzoeker voorbereiden op een eventueel nader gehoor.
|
||||
Wanneer het onderzoek naar de documenten is afgerond, worden de documenten aan de vreemdeling teruggegeven, tenzij er sprake is van valse of vervalste documenten, of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het ter waarborging van een mogelijk vertrek van de vreemdeling uit Nederland (op een later moment in de procedure) noodzakelijk is om de documenten nog niet aan de vreemdeling terug te geven.
|
||||
|
||||
Op grond van deze bespreking wordt rechtsbijstand in de gelegenheid gesteld om in essentie de asielmotieven weer te geven. Voor zover naar het oordeel van de rechtsbijstandverlener de zaak voorzienbaar meer onderzoek vergt of wellicht inwilligbaar is, wordt dit kenbaar gemaakt.
|
||||
Wanneer er tijdens de fouillering bij de aanmelding originele asielgerelateerde documenten worden aangetroffen bij de vreemdeling, of wanneer de vreemdeling tijdens de aanmelding dergelijke documenten overlegt, wordt aan de vreemdeling meegedeeld dat deze documenten ter beschikking gesteld dienen te worden aan de IND, eventueel door tussenkomst van een rechtsbijstandverlener.
|
||||
|
||||
De IND bepaalt vervolgens of de AC-procedure wordt voortgezet dan wel dat de aanvraag van de asielzoeker ter verdere behandeling doorgezonden wordt naar een behandelkantoor en de asielzoeker (behoudens de uitzonderingen als genoemd in C23) wordt doorverwezen naar een opvangvoorziening.
|
||||
Indien de vreemdeling of zijn rechtsbijstandverlener de documenten nog tijdens de rust- en voorbereidingstermijn ter beschikking stelt aan de IND, kunnen ook deze documenten nader worden onderzocht. Aan de vreemdeling wordt een ontvangstbewijs en een afschrift van de stukken verstrekt. In het ontvangstbewijs worden alle in ontvangst genomen documenten genoteerd. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder. Voorts wordt in het IND dossier opgenomen dat de vreemdeling toestemming heeft verleend aan het in ontvangst nemen van documenten door de IND. Na afronding van het onderzoek, worden de documenten weer aan de vreemdeling teruggegeven.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Amv’s
|
||||
Op grond van artikel 69, tweede lid, Vw en artikel 82, tweede lid, Vw, doet nader onderzoek naar documenten tijdens de rust- en voorbereidingstermijn de termijnen van de algemene asielprocedure niet aanvangen.
|
||||
|
||||
Aanvragen van Amv’s lenen zich voor het horen in het AC wanneer er een mogelijkheid is om op basis van het gestelde in C14/1.1.3 de asielaanvraag in het AC af te wijzen.
|
||||
#### 3.3. Onderzoek naar de vraag welk land verantwoordelijk is
|
||||
|
||||
De beslissing op de asielaanvraag wordt niet in het AC genomen, indien de aanvrager een Amv is die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt.
|
||||
Wanneer er al tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aanwijzingen zijn dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek, wordt zo snel mogelijk door de IND onderzocht of er een mogelijkheid is om bij het desbetreffende land een Dublinclaim te leggen.
|
||||
|
||||
Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient voogdij-instelling Stichting Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was.
|
||||
Deze aanwijzingen kunnen bestaan uit de hitmelding naar aanleiding van de vergelijking van de vingerafdrukken van de vreemdeling in de Europese vingerafdrukkencollectie (zie C9/2.1.1.1). Ook andere aanwijzingen waaruit blijkt dat betrokkene eerder in andere landen in Europa heeft verbleven, kunnen aanleiding vormen voor onderzoek naar de vraag welk land verantwoordelijk is.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Doorverwijzen na toegangsweigering
|
||||
Op grond van artikel 69, tweede lid, Vw en artikel 82, tweede lid, Vw, doet dergelijk nader onderzoek de termijnen van de algemene asielprocedure niet aanvangen.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling de toegang is ontzegd, is voor de doorplaatsing naar een opvangvoorziening een beschikking van de ambtenaar belast met de grensbewaking noodzakelijk. De IND verzoekt hiertoe de ambtenaar belast met de grensbewaking de doorplaatsing te regelen. De opvangvoorziening wordt aangewezen als de plaats waar de asielzoeker zich dient op te houden.
|
||||
#### 3.4. Leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
#### 3.4. Verstrekking van het W-document
|
||||
Indien een vreemdeling bij de aanmelding stelt minderjarig te zijn, maar er niet in slaagt zijn leeftijd met documenten aan te tonen en dit ook anderszins niet aannemelijk kan maken, kan betrokkene tijdens de rust- en voorbereidingstermijn in de gelegenheid worden gesteld om zijn leeftijd aan te tonen door middel van een leeftijdsonderzoek. Een leeftijdsonderzoek wordt niet in de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling aangeboden indien:
|
||||
|
||||
Aan asielzoekers die na de AC-procedure worden doorverwezen naar een opvangvoorziening verstrekt de IND een W-document aan de asielzoeker vanaf de leeftijd van twaalf jaar. Amv’s jonger dan twaalf jaar ontvangen eveneens een W-document.
|
||||
a. er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling; of
|
||||
b. de uitslag van het leeftijdsonderzoek geen verschil zou uitmaken voor de beslissing omtrent de aanspraken van de vreemdeling op verblijf of opvang.
|
||||
|
||||
Er is sprake van evidente meerderjarigheid indien de medewerker van de vreemdelingenpolitie bij de aanmelding van de vreemdeling aan de hand van de uiterlijke kenmerken of aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling, en eventueel in overleg met een andere medewerker van de vreemdelingenpolitie of – indien gewenst – met een medewerker van de IND, tot de conclusie komt dat de betrokkene evident achttien jaar of ouder moet zijn.
|
||||
|
||||
De leeftijd wordt geschat aan de hand van optische waarneming. Tegenstrijdige of vage verklaringen over de opgegeven leeftijd en het gedrag van de vreemdeling spelen een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van evidente meerderjarigheid. Uit het dossier dient te blijken dat de vreemdelingenpolitie heeft geoordeeld dat er sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling.
|
||||
|
||||
Het leeftijdsonderzoek dient twee doelen: enerzijds wordt op basis daarvan beoordeeld of de vreemdeling gezien zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, anderzijds dient het als bron voor de beoordeling van de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor het bijzondere opvangregime voor Amv’s (artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, Rva).
|
||||
|
||||
Leeftijdsonderzoek is derhalve slechts dan niet aan de orde, indien de uitslag niet van belang is voor de vraag of en in hoeverre de jongere aanspraak maakt op verblijf of opvang. Of hiervan sprake is wordt bepaald door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND.
|
||||
|
||||
Het vorenstaande geldt alleen indien er sprake is van Amv’s die in aanmerking komen voor een rust- en voorbereidingstermijn. Een leeftijdsonderzoek kan eventueel ook later in de asielprocedure worden aangeboden (zie C12/4.3 en C14/6.1).
|
||||
|
||||
Voor de logistieke afspraken omtrent het leeftijdsonderzoek wordt verwezen naar het protocol inzake leeftijdsonderzoek op de website van de IND. Voor informatie over de mogelijke resultaten van een leeftijdsonderzoek en de consequenties daarvan, wordt verwezen naar C14/6.1.
|
||||
|
||||
### 4. Voorlichting
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.109, tweede lid, Vb, wordt de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn voorgelicht over de asielprocedure door een medewerker van VWN. Tijdens deze voorlichting wordt aan de vreemdeling de brochure als bedoeld in artikel 3.43a VV verstrekt. Ook wordt hem medegedeeld dat hij zich tijdens het eerste en het nader gehoor kan laten bijstaan door een rechtsbijstand- of hulpverlener. Daarnaast wordt de vreemdeling voorgelicht over het medisch advies en het belang om daaraan deel te nemen (zie C11/6).
|
||||
|
||||
### 5. Voorbereiding door een rechtsbijstandverlener
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.109, tweede lid, Vb wordt de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn inhoudelijk op de asielprocedure voorbereid door een aan hem toegewezen rechtsbijstandverlener. Het gesprek tussen de vreemdeling en de rechtsbijstandverlener vindt in beginsel plaats in het kantoor van de rechtsbijstandverlener. Om van en naar het kantoor van de rechtsbijstandverlener te kunnen reizen, worden door het COA vervoersbewijzen aan de vreemdeling verstrekt. Daarnaast krijgt de vreemdeling ook informatie over de route naar het kantoor van de rechtsbijstandverlener.
|
||||
|
||||
### 6. Medisch advies
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.109, vijfde lid, Vb ontvangt iedere vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn een uitnodiging om deel te nemen aan het medisch advies. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig en de vreemdeling dient hiervoor schriftelijk toestemming te verlenen.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling schriftelijk toestemming verleent om aan het medisch advies deel te nemen, wordt de vreemdeling gezien door een verpleegkundige die, onder verantwoordelijkheid van een arts, een primaire signalering uitvoert. Deze primaire signalering kan leiden tot verschillende uitkomsten.
|
||||
|
||||
Allereerst kan de verpleegkundige constateren dat er geen sprake is van medische problematiek.
|
||||
|
||||
De verpleegkundige kan echter ook constateren dat er sprake is van medische problematiek. In het geval dat deze medische problematiek behandeling behoeft, wijst de verpleegkundige de vreemdeling op de mogelijkheden van curatieve zorg. Wanneer de gesignaleerde medische problematiek van invloed kan zijn op de uitvoering of de interpretatie van de gehoren in de asielprocedure, of wanneer de verpleegkundige twijfelt of hiervan sprake is, wordt de vreemdeling (tevens) doorverwezen naar een medisch adviseur ten behoeve van een medisch advies.
|
||||
|
||||
De verpleegkundige stelt de vreemdeling en de IND op de hoogte van de uitkomsten van de primaire signalering.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling is doorverwezen naar een medisch adviseur, wordt door laatstgenoemde een medisch onderzoek gedaan op basis waarvan een medisch advies wordt opgesteld. Het medisch advies heeft betrekking op medische problematiek die mogelijk interfeert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren en waarmee rekening gehouden dient te worden bij de interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling, en/of medische problematiek waarmee praktisch gezien rekening dient te worden gehouden tijdens de gehoren. Daarnaast kan, indien van toepassing, in het medisch advies tevens worden vermeld dat de vreemdeling is gewezen op de mogelijkheden van curatieve zorg en kunnen waargenomen littekens worden genoteerd.
|
||||
|
||||
Het medisch advies wordt beschikbaar gesteld aan de vreemdeling en aan de IND.
|
||||
|
||||
De IND is verantwoordelijk voor de beoordeling of en in hoeverre het medisch advies gevolgen heeft voor de verdere procedure van de vreemdeling. De volgende situaties zijn mogelijk:
|
||||
|
||||
• op basis van het medisch advies besluit de IND het nader gehoor van de vreemdeling niet in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden (zie C12/5.2);
|
||||
• op basis van het medisch advies besluit de IND de start van de algemene asielprocedure met enige tijd uit te stellen;
|
||||
• op basis van het medisch advies besluit de IND bijzondere voorzieningen te treffen tijdens de gehoren in de algemene asielprocedure (zie C13/2.2).
|
||||
|
||||
Een combinatie van de laatste twee situaties is eveneens mogelijk.
|
||||
|
||||
Daarnaast kan het medisch advies voor de IND aanleiding vormen om te starten met een parallelle procedure waarin medische omstandigheden (ambtshalve) door de IND worden beoordeeld (zie A4/7.2.1.2).
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling geen schriftelijke toestemming verleent om aan het medisch advies deel te nemen, wordt de procedure van de vreemdeling zonder medisch advies vervolgd. Het niet deelnemen aan het medisch advies kan de vreemdeling niet worden tegengeworpen in de asielprocedure. Het gevolg daarvan is echter wel dat in beginsel geen rekening kan worden gehouden met medische aspecten die een positieve rol zouden kunnen spelen in de procedure.
|
||||
|
||||
Indien in dit geval op een later moment in de asielprocedure naar voren komt dat er toch sprake is van relevante medische problematiek, wordt door de IND bezien of het noodzakelijk is om – met toestemming van de vreemdeling – alsnog een medisch advies aan te vragen.
|
||||
|
||||
### 7. Hoe eindigt de rust- en voorbereidingstermijn?
|
||||
|
||||
#### 7.1. Algemeen
|
||||
|
||||
De rust- en voorbereidingstermijn eindigt met de start van de algemene asielprocedure. Door indiening van de asielaanvraag in het AC verkrijgt de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw waarmee de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege is beëindigd.
|
||||
|
||||
#### 7.2. De vreemdeling verschijnt niet op afspraak in het AC
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet verschijnt in het AC op de dag dat hij is uitgenodigd om de asielaanvraag in te dienen, wordt de vreemdeling nogmaals uitgenodigd om de asielaanvraag in het AC in te dienen. Wanneer hij ook dan zonder voorafgaande kennisgeving niet verschijnt in het AC, geeft de vreemdeling daarmee te kennen geen belang meer te hebben bij het indienen van een asielaanvraag. De rust- en voorbereidingstermijn eindigt daarmee van rechtswege.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling op dat moment nog wel in de opvangvoorziening verblijft, wordt de opvang beëindigd.
|
||||
|
||||
## 12. De algemene asielprocedure en de verlengde asielprocedure
|
||||
|
||||
### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
De algemene asielprocedure start op de dag dat de asielaanvraag in het AC wordt ingediend. In de algemene asielprocedure wordt vastgesteld of er sprake is van een asielaanvraag die zonder tijdrovend onderzoek kan worden ingewilligd of afgewezen. Indien tijdrovend nader onderzoek noodzakelijk is voordat een beslissing op de aanvraag kan worden genomen, wordt de asielaanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure.
|
||||
|
||||
De beoordeling of er sprake is van een asielaanvraag die in de algemene asielprocedure kan worden ingewilligd of afgewezen, wordt uitgevoerd door de IND en vindt in beginsel pas plaats nadat er in de algemene asielprocedure een nader gehoor heeft plaatsgevonden en de vreemdeling de gelegenheid heeft gehad om correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen.
|
||||
|
||||
### 2. Beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 2.1. Maatregelen van toezicht
|
||||
|
||||
Tijdens de algemene asielprocedure dient de vreemdeling zich in verband met de behandeling van de aanvraag beschikbaar te houden. Voor verschillende activiteiten in de algemene asielprocedure is de aanwezigheid van de vreemdeling in het AC waar de aanvraag wordt behandeld noodzakelijk. Dit geldt niet alleen voor de activiteiten die worden verricht door de IND, maar ook voor de activiteiten waarbij de vreemdeling zich kan verstaan met een rechtsbijstandverlener.
|
||||
|
||||
Wanneer de aanwezigheid van de vreemdeling in het AC niet noodzakelijk is, verblijft de vreemdeling in een opvangvoorziening in de omgeving van het betreffende AC. Het vervoer van en naar het AC en de opvangvoorziening wordt verzorgd door het COA.
|
||||
|
||||
Om de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure te waarborgen, wordt aan de vreemdeling, zowel mondeling als schriftelijk, een op artikel 55, eerste lid, Vw gebaseerde aanwijzing gegeven. Deze aanwijzing wordt gegeven door de IND op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag in het AC indient. Hierbij wordt gebruik gemaakt van model M117-C. Dit model doet tevens dienst als bewijs van uitreiking. De asielzoeker dient zich in het AC beschikbaar te houden overeenkomstig de gegeven aanwijzingen. De vreemdeling wordt er bij het geven van de aanwijzing op gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt, op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw, mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. Het niet naleven van de aanwijzingen is bovendien strafbaar gesteld bij artikel 108, eerste lid, Vw.
|
||||
|
||||
Op de dagen dat de aanwezigheid van de asielzoeker in het AC noodzakelijk is, dient hij zich daar in beginsel de hele dag op te houden, tenzij aan de vreemdeling wordt medegedeeld dat zijn aanwezigheid ten behoeve van de betreffende activiteit de rest van de dag niet meer noodzakelijk wordt geacht.
|
||||
|
||||
Of de aanwezigheid van de vreemdeling ten behoeve van het onderzoek op een bepaalde dag niet meer noodzakelijk wordt geacht is uitsluitend ter beoordeling aan de IND. Bij de beantwoording van deze vraag is met name van belang of voorzienbaar is dat er die dag geen activiteit meer zal plaatsvinden waarbij de aanwezigheid van de vreemdeling van belang is. Wanneer de vreemdeling het AC wil verlaten en hij hiervoor toestemming heeft, wordt van het vertrek aantekening gemaakt. De vreemdeling krijgt een schriftelijke verklaring mee ten bewijze van het feit dat hij in het kader van een asielaanvraag in de gelegenheid is gesteld om zich buiten het AC te begeven. Daarnaast wordt hem meegedeeld dat hij zich op een bepaald tijdstip weer bij het AC dient te melden als hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om terug te reizen naar de opvangvoorziening met het door het COA verzorgde vervoersmiddel. Indien de vreemdeling zich niet uiterlijk op genoemd tijdstip bij het AC heeft gemeld, dient de vreemdeling op eigen gelegenheid terug te reizen naar de opvangvoorziening. Indien de vreemdeling niet terugreist naar de opvangvoorziening dient hij zich uiterlijk om 8.00 uur weer bij het AC te melden op de dag dat de volgende activiteit in het AC is gepland.
|
||||
|
||||
Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of artikel 59 Vw is opgelegd en die de asielaanvraag indienen in AC Schiphol (zie C12/2.3).
|
||||
|
||||
#### 2.2. Het niet nakomen van de aanwijzingen
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling een aanwijzing als bedoeld in C12/2.1 niet nakomt door tussentijds zonder toestemming het AC te verlaten, dan wel door niet tijdig op het AC terug te keren, wordt aangenomen dat de vreemdeling niet langer belang stelt in het onderzoek naar de aanvraag. Er zal op dat moment een voornemen worden uitgebracht conform het gestelde in C15/2 en in afwijking van C14/7 en C4/3.2. Het niet nakomen van de aanwijzing wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw betrokken bij dit voornemen. Indien er op dat moment reeds een nader gehoor heeft plaatsgehad, wordt in dit voornemen hierop tevens ingegaan. Direct na ommekomst van het verstrijken van de termijn voor het indienen van een zienswijze (zie C12/3), wordt in lijn met het uitgebrachte voornemen een beschikking uitgebracht.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling zich na het uitbrengen van het voornemen, maar vóór het uitbrengen van de beschikking, alsnog meldt bij het AC, wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin reeds vóór het verlaten van het AC een nader gehoor heeft plaatsgehad en de situatie waarin dit niet het geval is.
|
||||
|
||||
Als een nader gehoor reeds heeft plaatsgehad en de nog resterende termijn na terugkomst van de asielzoeker niet toereikend is voor het uitbrengen van een zienswijze, wordt in lijn met het uitgebrachte voornemen een beschikking uitgebracht, tenzij een verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijn vanwege niet-toerekenbare termijnoverschrijding wordt gehonoreerd door de IND (zie C12/4.2). Hiervan zal in het geval dat de vreemdeling een aanwijzing niet is nagekomen niet snel sprake zijn.
|
||||
|
||||
Als het voornemen is uitgebracht zonder dat een nader gehoor heeft plaatsgehad en de vreemdeling zich voor het uitbrengen van de beschikking alsnog meldt bij het AC, wordt het uitgebrachte voornemen geacht te zijn ingetrokken. De algemene asielprocedure wordt in dit geval verlengd met het aantal dagen dat nodig is om alsnog een nader gehoor te laten plaatsvinden en de vervolgstappen in de algemene asielprocedure binnen de gestelde termijnen af te kunnen ronden (zie C12/4.2). Uiterlijk op de veertiende dag wordt in dat geval de beschikking uitgereikt.
|
||||
|
||||
#### 2.3. Beschikbaarheid in AC Schiphol
|
||||
|
||||
Wanneer een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, SGC dan wel artikel 3 Vw en aan de buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen, wordt op aanwijzing van het Hoofd van de IND, de toegang geweigerd en wordt op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden (zie C9/2.1.1.1). Deze maatregel blijft gelden gedurende de gehele periode dat de vreemdeling in AC Schiphol verblijft. Na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt de maatregel voortgezet in een grenslogies.
|
||||
|
||||
Wanneer de asielaanvraag in de algemene asielprocedure in AC Schiphol wordt afgewezen, wordt de maatregel van artikel 6 Vw in beginsel voortgezet in een grenslogies. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in dat geval een nieuwe plaatsingsbeschikking en wijst daarbij het grenslogies aan als plaats waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd.
|
||||
|
||||
Dit is echter anders wanneer er sprake is van een Amv. Indien er na afloop van de algemene asielprocedure in het AC geen twijfel bestaat omtrent de minderjarigheid, wordt een Amv niet geplaatst in een grenslogies. De Amv komt in dat geval in aanmerking voor opvang op grond van artikel 3, derde lid, en onder b, Rva.
|
||||
|
||||
Voor vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw en die de algemene asielprocedure in AC Schiphol doorlopen, geldt voor wat betreft de beschikbaarheid het gestelde in C9/2.1.3.
|
||||
|
||||
### 3. Termijnen in de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 3.1. Algemene uitgangspunten
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.110, eerste lid, Vb, duurt de algemene asielprocedure in beginsel acht dagen. Wel bestaat er een mogelijkheid om deze termijn te verlengen tot maximaal veertien dagen (zie C12/4).
|
||||
|
||||
Het betreft hier kalenderdagen. Dat wil zeggen dat elke dag (termijn) om middernacht start en 24 uur later om middernacht eindigt.
|
||||
|
||||
De termijnen van de algemene asielprocedure starten op grond van artikel 3.110, derde lid Vb, op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag indient in het AC. Wanneer de aanvraag wordt ingediend in AC Den Bosch, AC Zevenaar of AC Ter Apel, tellen de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen voor de berekening van de termijnen niet mee. Onder de in de Algemene termijnenwet als algemeen erkende feestdagen vallen ook de dagen die op grond van artikel 3, derde lid, Algemene termijnenwet met een algemeen erkende feestdag gelijk zijn gesteld.
|
||||
|
||||
Voor AC Schiphol geldt het vorenstaande niet: in AC Schiphol tellen alle dagen van het jaar mee voor de berekening van de termijnen.
|
||||
|
||||
De termijnen in de algemene asielprocedure zijn bindend. Dat houdt in dat wanneer de IND de haar ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure overschrijdt en er geen mogelijkheid is om de termijnen te verlengen, het niet meer mogelijk is om binnen de algemene asielprocedure op de asielaanvraag te beslissen. In dat geval wordt de asielaanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure en zijn de in die procedure geldende termijnen van toepassing.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling de zijn ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure overschrijdt en een eventueel door hem gedaan verzoek om verlenging van de termijnen niet wordt gehonoreerd, zal de IND aanvangen met de volgende stap in de procedure.
|
||||
|
||||
#### 3.2. De algemene asielprocedure dag voor dag
|
||||
|
||||
Binnen de algemene asielprocedure hebben de IND en de vreemdeling telkens om en om een dag de tijd om één bepaalde processtap af te ronden. Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb.
|
||||
|
||||
Op de eerste dag van de algemene asielprocedure dient de vreemdeling de asielaanvraag in en krijgt hij een eerste gehoor. Op de tweede dag wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zich met zijn rechtsbijstandverlener voor te bereiden op het nader gehoor, dat op de derde dag van de algemene asielprocedure plaatsvindt. Vervolgens krijgt de vreemdeling op de vierde dag de gelegenheid om het nader gehoor met een rechtsbijstandverlener na te bespreken en om, indien gewenst, correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen. Wanneer de IND voornemens is om de asielaanvraag af te wijzen, wordt op de vijfde dag van de algemene procedure een voornemen uitgebracht. Op de zesde dag van de algemene asielprocedure krijgt de vreemdeling de gelegenheid om het voornemen met een rechtsbijstandverlener na te bespreken en eventueel een schriftelijke zienswijze in te dienen. Ten slotte wordt uiterlijk op de achtste dag van de algemene asielprocedure de beschikking aan de vreemdeling uitgereikt.
|
||||
|
||||
Wanneer de aanvraag kan worden ingewilligd, kan de beschikking al eerder worden uitgereikt, namelijk vanaf het moment dat de correcties en aanvullingen worden ingediend. In dat geval is immers de voornemenprocedure niet van toepassing (zie C15).
|
||||
|
||||
Indien er aanleiding bestaat om de algemene asielprocedure met één of enkele dagen te verlengen, wijzigt het verloop van de algemene asielprocedure (zie C12/4).
|
||||
|
||||
### 4. Verlenging van de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 4.1. Algemeen
|
||||
|
||||
De termijnen van de algemene asielprocedure kunnen op grond van artikel 3.115, eerste lid, Vb, met maximaal zes dagen worden verlengd. De mogelijkheden tot verlenging van de algemene asielprocedure zijn beperkt tot enkele specifiek beschreven situaties en van deze mogelijkheden zal slechts terughoudend gebruik worden gemaakt.
|
||||
|
||||
Wanneer de IND besluit om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen, wordt de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis gesteld. In de kennisgeving wordt door de IND aangegeven om welke reden de termijn wordt verlengd en op welk moment de verlenging van de termijn eindigt. Wanneer de algemene asielprocedure wordt verlengd blijft de volgorde van alle processtappen hetzelfde. Dit is enkel anders wanneer de vreemdeling zijn verklaringen essentieel wijzigt of aanvult (C12/4.4); in dat geval kunnen sommige stappen in de procedure opnieuw worden uitgevoerd, maar wel in de gebruikelijke volgorde.
|
||||
|
||||
#### 4.2. Niet toerekenbare termijnoverschrijding
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.115, eerste lid, en onder a, Vb, kunnen de termijnen van de IND voor het uitvoeren en bekendmaken van het eerste gehoor, het nader gehoor en het voornemen worden verlengd, tenzij de overschrijding van de termijn aan de IND kan worden toegerekend.
|
||||
|
||||
Voorts kunnen de termijnen van de vreemdeling voor de voorbereiding op het nader gehoor, het indienen van de correcties en aanvullingen en het indienen van de zienswijze op grond van artikel 3.115, eerste lid en onder b, worden verlengd, tenzij de overschrijding van de termijn aan de vreemdeling kan worden toegerekend.
|
||||
|
||||
Om genoemde termijnen te kunnen verlengen, moet er gezien het vorenstaande sprake zijn van situaties waarin de termijnen van de IND worden overschreden, zonder dat de IND daar zelf schuld aan heeft, of situaties waarin de termijnen van de vreemdeling worden overschreden, zonder dat de vreemdeling daar zelf schuld aan heeft. Hiervan is in ieder geval sprake indien:
|
||||
|
||||
• een tolk onverwachts ziek wordt en er, ondanks inspanningen van de IND en de Raad voor de rechtsbijstand, niet tijdig een andere tolk beschikbaar is;
|
||||
• de vreemdeling een bezoek dient te brengen aan een dokter (eventueel in het ziekenhuis) in het kader van curatieve zorg;
|
||||
• de vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 of 59 Vw de vrijheid is ontnomen een bezoek aan de rechtbank dient te brengen in verband met een zitting in het kader van een beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel.
|
||||
• de IND het noodzakelijk acht om ten aanzien van een vreemdeling die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen toestemming heeft verleend voor deelname aan het medisch advies, alsnog een medisch advies in te winnen en de vreemdeling daar tijdens de algemene asielprocedure wel toestemming voor verleent.
|
||||
• de vreemdeling een aanwijzing als bedoeld in C12/2.1 niet nakomt door voorafgaand aan het nader gehoor zonder toestemming het AC te verlaten dan wel door niet tijdig op het AC terug te keren en zich voordat er een beschikking is uitgebracht weer in het AC meldt.
|
||||
|
||||
Wanneer er sprake is van overschrijding van een van de termijnen van de vreemdeling, moet de vreemdeling voor een eventuele verlenging van de termijn een gemotiveerd schriftelijk verzoek bij de IND indienen.
|
||||
|
||||
Indien de IND besluit dit verzoek niet te honoreren, wordt dit mondeling aan de vreemdeling meegedeeld en wordt in het voornemen of in de beschikking gemotiveerd waarom er naar het oordeel van de IND geen aanleiding bestond om de termijn van de vreemdeling te verlengen.
|
||||
|
||||
Het antwoord op de vraag met hoeveel dagen een termijn wordt verlengd wanneer er sprake is van een niet toerekenbare termijnoverschrijding, is afhankelijk van de reden van verlenging van de termijn. Wanneer door de IND is vastgesteld met hoeveel dagen een termijn wordt verlengd, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld op welke dag de verlengde termijn eindigt en dient de desbetreffende activiteit die binnen deze termijn moet plaatsvinden uiterlijk op die dag te worden afgerond.
|
||||
|
||||
Na afloop van de verlengde termijn, is er voor alle volgende stappen in de procedure telkens weer één (kalender)dag beschikbaar, waarbij geldt dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag moet worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
Het is mogelijk om, indien hiertoe aanleiding bestaat, verschillende termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen wanneer er meerdere malen sprake is van een niet toerekenbare termijnoverschrijding. Ook in dat geval geldt, dat er voor de overige stappen in de procedure altijd één (kalender)dag beschikbaar dient te zijn en dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag moet worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
#### 4.3. Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.115, eerste lid en onder c, Vb, kan verlenging van de algemene asielprocedure plaatsvinden indien er naar het oordeel van de IND noodzakelijk is om onderzoek te doen naar de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling. Hiervan is onder andere sprake indien:
|
||||
|
||||
• betrokkene tijdens de algemene asielprocedure een andere identiteit opgeeft dan hij tijdens de rust- en voorbereidingstermijn heeft opgegeven;
|
||||
• er op basis van het eerste of het nader gehoor van de vreemdeling twijfels rijzen over de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven en er aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling aan te bieden;
|
||||
• er tijdens de algemene asielprocedure (alsnog) identiteitsdocumenten door de vreemdeling worden overgelegd en de IND van oordeel is dat nader onderzoek naar deze documenten dient plaats te vinden.
|
||||
|
||||
Voor het antwoord op de vraag of er tijdens de algemene asielprocedure een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling wordt aangeboden, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.4. Voor het aanbieden van leeftijdsonderzoek in de algemene asielprocedure gelden in beginsel dezelfde regels. De beoordeling of er een leeftijdsonderzoek aangeboden dient te worden, inclusief de beoordeling of er sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling, wordt tijdens de algemene asielprocedure echter uitgevoerd door de IND.
|
||||
|
||||
Voor de regels omtrent het innemen of aannemen van documenten, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.2.
|
||||
|
||||
Wanneer de IND het noodzakelijk acht om de algemene asielprocedure te verlengen in verband met nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld hoeveel dagen het nader onderzoek zal duren en op welke dag de algemene asielprocedure weer zal worden voortgezet. Afhankelijk van het moment in de algemene asielprocedure dat het nader onderzoek wordt opgestart, start de algemene asielprocedure op de dag na afronding van het onderzoek weer met de volgende stap. Voor de overige stappen in de procedure dient ook in dit geval altijd één (kalender)dag beschikbaar te zijn en de beschikking moet uiterlijk op de veertiende dag worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
#### 4.4. Essentiële wijziging of aanvulling van eerder afgelegde verklaringen
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.115, eerste lid, en onder d, Vb, kan de algemene asielprocedure worden verlengd indien de vreemdeling zijn eerder tijdens de algemene asielprocedure afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult.
|
||||
|
||||
Hiervan is sprake indien:
|
||||
|
||||
• de vreemdeling zijn identiteit, nationaliteit of reisroute wijzigt, of zijn asielrelaas wijzigt of aanvult, als gevolg waarvan een geheel nieuwe toetsing dient plaats te vinden en de vreemdeling eventueel opnieuw (nader) gehoord dient te worden; en
|
||||
• het niet mogelijk is om de aanvraag zonder verlenging van de algemene asielprocedure af te wijzen (mede) op grond van de omstandigheid dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht.
|
||||
|
||||
Wanneer de IND het noodzakelijk acht om de algemene asielprocedure te verlengen omdat er sprake is van een essentiële wijziging of aanvulling van eerder door de vreemdeling afgelegde verklaringen, zoals hier bedoeld, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld welke stappen in de algemene asielprocedure opnieuw uitgevoerd zullen worden en op welke dag hiermee wordt aangevangen. Ook in dit geval geldt dat er altijd één (kalender)dag beschikbaar dient te zijn voor alle stappen die uitgevoerd dienen te worden en dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag aan de vreemdeling moet worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
### 5. Doorverwijzen van de vreemdeling naar de verlengde asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 5.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Behandeling van de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure vindt in de regel slechts plaats, wanneer het niet mogelijk is om zonder tijdrovend nader onderzoek op de asielaanvraag te kunnen beslissen met als gevolg dat het niet mogelijk is om de beschikking uiterlijk op de achtste (of veertiende) dag aan de vreemdeling uit te reiken. Daarnaast is het evenmin mogelijk om binnen de algemene asielaanvraag op de asielaanvraag te beslissen als de vreemdeling behoort tot een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie een besluitmoratorium geldt (zie C19). Ook deze categorie vreemdelingen wordt doorverwezen naar de verlengde asielprocedure.
|
||||
|
||||
Verder vloeit uit de artikelen 3.110 tot en met 3.115 Vb voort, dat overschrijding van de verschillende tussenliggende termijnen in de algemene asielprocedure ook leidt tot behandeling van de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure (zie C12/3).
|
||||
|
||||
Uit artikel 3.113, eerste lid, juncto tweede lid, Vb, vloeit voort dat de beoordeling of de asielaanvraag kan worden ingewilligd of afgewezen in de algemene asielprocedure, in de regel pas plaatsvindt nadat er van de vreemdeling in de algemene asielprocedure een nader gehoor is afgenomen en hij de dag erna in de gelegenheid is gesteld om hierop een reactie (correcties en aanvullingen) in te dienen.
|
||||
|
||||
Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing (zie C12/5.2 en 5.3).
|
||||
|
||||
Vreemdelingen van wie de asielaanvraag in de verlengde asielaanvraag wordt behandeld, komen op grond van artikel 3, tweede lid, en onder a, Rva, in aanmerking voor opvang.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Het nader gehoor vindt niet plaats in de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
##### 5.2.1. De vreemdeling kan om medische redenen niet aan een gehoor worden onderworpen
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, aanhef en onder a, Vb wordt de vreemdeling niet in de algemene asielprocedure aan een nader gehoor onderworpen als dit om medische redenen niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
De beoordeling of er sprake is van een situatie waarin een vreemdeling om medische redenen niet kan worden gehoord, wordt gemaakt door de IND op basis van het medisch advies dat in de rust- en voorbereidingstermijn is ingewonnen (zie C11/6).
|
||||
|
||||
Uit het medisch advies kan naar voren komen dat er sprake is van medische problematiek die mogelijk interfereert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren en waarmee rekening gehouden dient te worden bij de interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling, en/of medische problematiek waarmee praktisch gezien rekening dient te worden gehouden tijdens de gehoren. Indien dit het geval is, wordt door de IND bezien of het mogelijk is om het nader gehoor op zorgvuldige wijze in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden. Als deze zorgvuldigheid naar het oordeel van de IND kan worden gewaarborgd, bijvoorbeeld door tijdens het gehoor speciale voorzieningen te treffen en/of de start van de algemene asielprocedure met een of enkele weken uit te stellen, dan wordt het nader gehoor in de algemene asielprocedure afgenomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt de asielaanvraag in de verlengde procedure behandeld en wordt er op een later tijdstip een nader gehoor afgenomen. Bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt rekening gehouden met het medisch advies (zie C14).
|
||||
|
||||
##### 5.2.2. Amv’s jonger dan 12 jaar
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, aanhef en onder b, Vb worden Amv’s beneden de leeftijd van 12 jaar niet tijdens de algemene asielprocedure aan een nader gehoor onderworpen. Na afronding van het eerste gehoor (zie C13/2.1) wordt de algemene asielprocedure beëindigd. De asielaanvraag wordt vervolgens in de verlengde asielprocedure behandeld.
|
||||
|
||||
##### 5.2.3. AC Schiphol
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, Vb juncto artikel 3.49, tweede lid, VV kan een nader gehoor in het AC Schiphol achterwege blijven als relevante individuele aspecten daartoe aanleiding geven.
|
||||
|
||||
De beoordeling of er sprake is van relevante individuele aspecten wordt gemaakt door de IND. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat vreemdelingen die in AC Schiphol de asielaanvraag indienen geen recht hebben op een rust- en voorbereidingstermijn. Ook het medisch advies speelt hierbij een rol. Indien het door het ontbreken van deze rust- en voorbereidingstermijn niet mogelijk is om het nader gehoor op zorgvuldige wijze in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden, kan de algemene asielprocedure al na afronding van het eerste gehoor worden beëindigd. De algemene asielprocedure wordt eveneens na afronding van het eerste gehoor beëindigd, wanneer op dat moment al kan worden vastgesteld dat de vreemdeling behoort tot een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie een besluitmoratorium geldt.
|
||||
|
||||
Behoudens de mogelijkheden om de asielaanvraag in de gesloten verlengde asielprocedure te behandelen (zie C12/5.3), wordt de asielaanvraag in dat geval verder in de verlengde asielprocedure behandeld en wordt er op een later tijdstip een nader gehoor afgenomen. Wanneer de asielaanvraag van de vreemdeling in de verlengde asielprocedure wordt behandeld, wordt de aan de vreemdeling opgelegde maatregel ex artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw opgeheven en komt de vreemdeling in aanmerking voor opvang.
|
||||
|
||||
#### 5.3. De gesloten verlengde asielprocedure
|
||||
|
||||
Als het niet mogelijk is om de asielaanvraag zorgvuldig binnen de termijnen van de algemene asielprocedure te behandelen, wordt de asielaanvraag in beginsel in de verlengde asielprocedure behandeld en wordt de maatregel ex artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw opgeheven (zie C12/5.1 en 5.2.3).
|
||||
|
||||
Op deze regel kan in de volgende gevallen een uitzondering worden gemaakt:
|
||||
|
||||
a. er is nader onderzoek noodzakelijk ten aanzien van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen;
|
||||
b. er is sprake van misbruik van de asielprocedure of fraude;
|
||||
c. de toegang is geweigerd op grond van artikel 13, juncto artikel 5, eerste lid, onder d of e, SGC;
|
||||
d. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Verordening 343/2003, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst;
|
||||
e. er is sprake van een geval waarin vermoedelijk artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen;
|
||||
f. na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt de voorlopige voorziening door de rechter om procedurele redenen toegewezen of het beroep om procedurele redenen gegrond verklaard.
|
||||
|
||||
Hier wordt gedoeld situaties waarin de vreemdeling zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken, verder onderzoek hiernaar noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hiervan is sprake indien:
|
||||
|
||||
• documenten van de vreemdeling verder onderzocht dienen te worden op echtheid of authenticiteit;
|
||||
• taalanalyse of ander herkomst onderzoek nodig wordt geacht;
|
||||
• onderzoek naar de gestelde leeftijd is geïndiceerd;
|
||||
|
||||
Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kan op grond van artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder c, Vb, ook aanleiding vormen om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, beoordeelt de IND welke van de twee mogelijkheden zich het beste leent voor toepassing in het individuele geval. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte duur van het nader onderzoek.
|
||||
|
||||
Van misbruik van de asielprocedure of fraude is onder andere sprake indien:
|
||||
|
||||
• de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute;
|
||||
• de vreemdeling valse of vervalste identiteits- en/of reisdocumenten heeft overgelegd;
|
||||
• de vreemdeling zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn ticket heeft verscheurd
|
||||
• er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie.
|
||||
|
||||
Gedoeld wordt op asielaanvragen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast is hiervan sprake wanneer een vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure in AC Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit blijkt dat er sprake is van het vermoeden dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
|
||||
|
||||
Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid Vw zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht ex artikel 5 Vw. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen, wordt de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, en tweede lid, Vw in beginsel opgeheven. In uitzondering hierop wordt de maatregel voortgezet indien het verzoek om een voorlopige voorziening om procedurele redenen wordt toegewezen of het beroep om procedurele redenen gegrond wordt verklaard.
|
||||
|
||||
Wanneer één van de hierboven genoemde situaties zich voordoet, kan de IND besluiten om de asielaanvraag te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure. Dit betekent dat de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw wordt voortgezet en de vreemdeling de verdere behandeling van zijn aanvraag in een grenslogies dient af te wachten. Deze beslissing kan, afgezien van in de onder f genoemde situatie, zowel na het eerste als na het nader gehoor worden genomen.
|
||||
|
||||
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in dit geval een nieuwe plaatsingsbeschikking en wijst daarbij de grenslogies aan als plaats waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd, nadat hij van de Minister hiertoe een bijzondere aanwijzing heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
De verdere afhandeling van de aanvraag, inclusief eventueel nader onderzoek, dient voortvarend te gebeuren.
|
||||
|
||||
Indien het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond, zal steeds een belangenafweging gemaakt worden omtrent de voortzetting van de maatregel. De maatregel zal na ommekomst van zes weken in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen, gelegen in de persoon van de vreemdeling of zijn gedragingen, anders indiceren.
|
||||
|
||||
Met name moet daarbij worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling niet meewerkt aan de spoedige voortgang van het onderzoek.
|
||||
|
||||
Tegen (het voortzetten van) de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw, kan de vreemdeling op grond van artikel 93 Vw en artikel 8:1 Awb beroep instellen bij de rechtbank (zie A6/6). Op grond van artikel 94, eerste lid, Vw, wordt de rechtbank door de Minister in kennis gesteld van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep tegen de maatregel te hebben ingesteld.
|
||||
|
||||
Asielaanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen worden niet in de gesloten verlengde asielprocedure behandeld. Op deze regel kan een uitzondering gemaakt wanneer redenen, gelegen in de persoon van één van de ouders of zijn gedragingen, aanleiding geven om de asielaanvraag van de betreffende ouder binnen de gesloten verlengde asielprocedure te behandelen, terwijl de overige gezinsleden in de opvang verblijven en hun asielaanvragen in de verlengde asielprocedure worden behandeld. Daarbij moet met name worden gedacht aan situaties als genoemd onder b of e.
|
||||
|
||||
#### 5.4. Verstrekking van het W-document
|
||||
|
||||
Aan vreemdelingen van wie de aanvraag in de verlengde asielprocedure wordt behandeld, wordt na afloop van de algemene asielprocedure door de IND een W-document verstrekt.
|
||||
|
||||
Dit document heeft een tweeledig karakter: enerzijds is het een geldig identiteitsbewijs (artikel 4.21, eerste lid, onder c, Vb juncto artikel 3.3 VV), anderzijds dient het ter registratie van en controle op de meldplicht (zowel de meldplicht ingevolge artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb als de verplichtingen ingevolge de artikelen 55 en 57 Vw).
|
||||
|
||||
|
|
@ -2717,34 +2763,394 @@ Het (elektronisch) W-document is géén geldig grensoverschrijdingsdocument.
|
|||
|
||||
De asielzoeker blijft gedurende de gehele asielprocedure in het bezit van een W-document.
|
||||
|
||||
Indien het elektronisch W-document wordt vermist, verloren is gegaan of ongeschikt voor identificatie is geworden, wordt een proces-verbaal opgemaakt. De Korpschef stelt, met het oog op de vervanging van het document, een onderzoek in naar de vermissing, het verloren gaan of het ondeugdelijk worden van het document. Een afschrift van het proces-verbaal en – voorzover het proces-verbaal daarover niets meldt – een rapport waarin de resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd, dient te worden gezonden aan de IND. De IND zal verder ervoor zorgdragen dat het betreffende documentnummer wordt opgenomen in het Verificatie- en informatiesysteem van de Dienst IPol.
|
||||
Indien het (elektronisch) W-document wordt vermist, verloren is gegaan of ongeschikt voor identificatie is geworden, wordt een proces-verbaal opgemaakt. De Korpschef stelt, met het oog op de vervanging van het document, een onderzoek in naar de vermissing, het verloren gaan of het ondeugdelijk worden van het document. Een afschrift van het proces-verbaal en – voorzover het proces-verbaal daarover niets meldt – een rapport waarin de resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd, dient te worden gezonden aan de IND. De IND zal verder ervoor zorgdragen dat het betreffende documentnummer wordt opgenomen in het Verificatie- en informatiesysteem van de Dienst IPol.
|
||||
|
||||
In het geval dat aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum is toegekend, hetzij op grond van de uitslag van het leeftijdsonderzoek, hetzij om een andere reden (zie C12/1.3), dan dient het W-document te worden aangepast. Op het nieuwe W-document dient de in het geautomatiseerde informatiesysteem van de IND gehanteerde 'toegekende geboortedatum' te worden ingevuld. De IND neemt het oude W-document in en reikt een nieuw W-document uit.
|
||||
In het geval dat aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum is toegekend, hetzij op grond van de uitslag van het leeftijdsonderzoek (zie C14/6.1), hetzij om een andere reden, dan dient het W-document te worden aangepast. Op het nieuwe W-document dient de in het geautomatiseerde informatiesysteem van de IND gehanteerde 'toegekende geboortedatum' te worden ingevuld. De IND neemt het oude W-document in en reikt een nieuw W-document uit.
|
||||
|
||||
### 4. Onderzoek naar de vraag welk land verantwoordelijk is
|
||||
## 13. Het eerste en het nader gehoor
|
||||
|
||||
Indien in het AC naar voren komt dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek, wordt zo mogelijk al naar aanleiding van het eerste gehoor onderzocht en beoordeeld of er een mogelijkheid is om bij dat land een Dublinclaim te leggen.
|
||||
### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Het onderkennen van een claimmogelijkheid in de AC-procedure wordt kenbaar gemaakt tijdens het nader gehoor (zie C13/5).
|
||||
De asielzoeker wordt op grond van artikel 38 Vw gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij deze verstaat. Dit geldt voor zowel het eerste als het nader gehoor. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
|
||||
|
||||
### 5. Uitvoering van het leeftijdsonderzoek
|
||||
a. de officiële taal of één van de officiële talen van het aangegeven land van herkomst; of
|
||||
b. één van de lokale voertalen waarin in het aangegeven land van herkomst onderwijs wordt gegeven; of
|
||||
c. een taal die in de aangegeven streek van herkomst feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; of
|
||||
d. een voertaal of lingua franca (handelstaal), die in het aangegeven land van herkomst op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
#### 5.1. Resultaten van het leeftijdsonderzoek en de consequenties daarvan
|
||||
Van een vreemdeling die stelt tot een minderheid uit het aangegeven land van herkomst te behoren wordt voorts verwacht dat hij naast één of meer van de bovenvermelde talen de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.
|
||||
|
||||
Voor de logistieke afspraken wordt verwezen naar het protocol inzake leeftijdsonderzoek.
|
||||
Vreemdelingen kunnen verzoeken om te worden gehoord door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal de IND – voor zover mogelijk – trachten om aan dit verzoek te voldoen.
|
||||
|
||||
Hierbij wordt opgemerkt dat indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de vreemdeling in beginsel naar de locatie waar het onderzoek plaatsvindt, wordt gebracht en gehaald. De vrijheidsontneming wordt in dat geval niet opgeheven, maar blijft gecontinueerd.
|
||||
Bij het horen van de vreemdeling wordt, indien relevant, rekening gehouden met het medisch advies dat ten aanzien van de vreemdeling is gegeven (zie C11/6).
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling een beschikking op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw heeft gekregen, dan blijft deze toegangsweigering eveneens van kracht gedurende het onderzoek. De beschikking is namelijk ook van toepassing op de tijdelijke (over)plaatsing naar de locatie waar de röntgenfoto's worden gemaakt.
|
||||
### 2. Het eerste gehoor
|
||||
|
||||
Het leeftijdsonderzoek in het kader van de AC-procedure kan vier resultaten opleveren:
|
||||
#### 2.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Het eerste gehoor vindt plaats in het AC op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag indient en richt zich op vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute. De (rechts)bijstandverlener van de asielzoeker is bevoegd het gehoor als waarnemer bij te wonen, maar (de aanvang van) het gehoor mag daardoor niet worden opgehouden. Het eerste gehoor vindt plaats aan de hand van de vragenlijst zoals vastgesteld in artikel 3.44 VV.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.112, tweede lid, Vb worden geen vragen gesteld omtrent de beweegredenen van de aanvraag. Als de vreemdeling al tijdens het eerste gehoor, zonder daarnaar gevraagd te zijn, zijn asielrelaas doet, wordt hij er door de IND op gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.112, derde lid, Vb, wordt van het eerste gehoor een verslag gemaakt dat op de dag dat het eerste gehoor heeft plaatsgevonden aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener ) ter kennis wordt gebracht. De vreemdeling kan, indien gewenst, schriftelijk op het rapport van eerste gehoor reageren.
|
||||
|
||||
#### 2.2. Amv’s jonger dan twaalf jaar
|
||||
|
||||
Het eerste gehoor van Amv’s jonger dan twaalf jaar beperkt zich tot het opnemen van de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
• personalia (naam, voornamen, geboortedatum en -plaats);
|
||||
• nationaliteit;
|
||||
• spreekta(a)l(en);
|
||||
• laatste adres in het land van herkomst;
|
||||
• etnische afkomst;
|
||||
• godsdienst;
|
||||
• gezinssamenstelling in het land van herkomst (het gaat hier om de namen van de vader, de moeder en eventuele (half-)broers en (half-)zussen, maar ook overige familieleden indien relevant);
|
||||
• schoolopleiding / naam school.
|
||||
|
||||
#### 2.3. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag hebben ingediend
|
||||
|
||||
In beginsel zullen vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag indienen, op grond van artikel 3.112, vierde lid, Vb, niet aan een eerste gehoor worden onderworpen. Eventuele vragen over de identiteit, nationaliteit en reisroute kunnen in dat geval, indien daartoe aanleiding bestaat, tijdens het nader gehoor worden gesteld.
|
||||
|
||||
Indien de informatie die over de vreemdeling bekend is daartoe aanleiding geeft, kan echter ook van vreemdelingen die eerder een asielaanvraag hebben ingediend een eerste gehoor worden afgenomen. Hiervan kan sprake zijn wanneer uit deze informatie blijkt dat de vreemdeling na zijn vorige procedure(s) is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.
|
||||
|
||||
### 3. Het nader gehoor
|
||||
|
||||
#### 3.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Tijdens het nader gehoor wordt de vreemdeling gevraagd de informatie te verstrekken die nodig is voor het beoordelen van de asielaanvraag. De ambtenaar van de IND geeft de vreemdeling, in eerste instantie, de gelegenheid om vrijuit over de asielmotieven te spreken. De vreemdeling wordt hierbij zo beperkt mogelijk onderbroken voor het stellen van vragen. Vervolgens onderzoekt de ambtenaar de verschillende aspecten van het asielrelaas. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt in het nader gehoor tevens ingegaan op de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling, alsmede de eventuele schriftelijke reactie daarop.
|
||||
|
||||
Bij een nader gehoor kan tevens, wanneer hier op grond van het eerste gehoor aanleiding toe bestaat, een Dublinclausule worden opgenomen (zie C13/4).
|
||||
|
||||
De vreemdeling kan zich desgewenst tijdens het nader gehoor laten bijstaan door een (rechts)bijstandverlener, maar (de aanvang van) het gehoor mag daardoor niet worden opgehouden.
|
||||
|
||||
Het nader gehoor vindt in beginsel plaats op de derde dag van de algemene asielprocedure in het AC (zie C12/5.1). Op grond van artikel 3.113, derde lid, Vb, wordt van het nader gehoor een schriftelijk verslag gemaakt, dat op de dag dat het nader gehoor heeft plaatsgevonden, aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis wordt gebracht.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.113, vierde lid, Vb kan de vreemdeling uiterlijk op de vierde dag schriftelijk op het rapport van nader gehoor reageren. Deze reactietermijn wordt vermeld in het rapport van gehoor.
|
||||
|
||||
Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4).
|
||||
|
||||
Wanneer het nader gehoor niet in de algemene asielprocedure plaatsvindt (zie C12/5.2), dient er in de verlengde procedure alsnog een nader gehoor plaats te vinden. De vreemdeling wordt daartoe zo snel mogelijk na afloop van de algemene asielprocedure door de IND uitgenodigd. Van het nader gehoor wordt ook in dit geval een schriftelijk verslag gemaakt. Dit wordt zo snel mogelijk na afronding ervan aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis gebracht.
|
||||
|
||||
De vreemdeling krijgt een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van gehoor te reageren. Deze reactietermijn wordt vermeld in het rapport van gehoor. Het gestelde in C15/3 is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om uitstel ten aanzien van de reactietermijn.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling niet verschijnt op het tijdstip dat hij nader gehoord zou worden, wordt hij nogmaals voor een nader gehoor uitgenodigd, tenzij bekend is dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. In dat geval geldt het gestelde in C14/7. De werkwijze als beschreven in C14/7 wordt eveneens toegepast indien hij ook aan de tweede uitnodiging geen gehoor geeft.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Asielzoekers jonger dan twaalf jaar
|
||||
|
||||
Het horen van alleenstaande en begeleide minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar dient te geschieden in een speciale, kindvriendelijke hoorruimtes en door speciaal daarvoor aangewezen en opgeleide ambtenaren van de IND. Wanneer op grond van een pedagogisch of psychologisch onderzoek is vastgesteld dat een kind problemen ondervindt die de afname van het nader gehoor zouden kunnen belemmeren, kan worden afgezien van een nader gehoor van een alleenstaande of begeleide minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar.
|
||||
|
||||
Voor de te volgen werkwijze geldt het Protocol 'Horen alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 12 jaar' (zie de website van de IND).
|
||||
|
||||
#### 3.3. Nader gehoor bij vrijheidsontneming
|
||||
|
||||
Als de asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of 59 Vw niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, wordt van de vreemdeling zo spoedig mogelijk een nader gehoor afgenomen. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Dit wordt zo spoedig mogelijk na afronding ervan aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis gebracht.
|
||||
|
||||
Afhankelijk van de uitkomst van het nader gehoor in verband met de asielaanvraag adviseert de IND of de vreemdelingenbewaring al dan niet moet worden opgeheven. Dit advies hangt samen met de inhoudelijke merites van de aanvraag. De opheffing van de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw wordt uitgewerkt in A6/5.3.3.5 en A6/5.3.5. Indien de vreemdeling niet langer in vreemdelingenbewaring wordt gehouden, kan hij worden opgevangen in een opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
Wanneer de bewaringsmaatregel blijft voortduren omdat de asielaanvraag kan worden afgewezen, wordt het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling ter kennis gebracht. De reactietermijn is in dit geval gelijk aan de reactietermijn op het voornemen (zie C15/4).
|
||||
|
||||
#### 3.4. Nader gehoor als een ander land verantwoordelijk is
|
||||
|
||||
Als een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, dan wordt het nader gehoor afgenomen in de vorm van een zogeheten Dublingehoor. Dit gehoor heeft enkel betrekking op de vraag of de vreemdeling en de behandeling van het asielverzoek dienen te worden overgedragen. Er wordt niet gevraagd naar de asielmotieven van de vreemdeling. Daarnaast is het mogelijk om bij het afnemen van een (inhoudelijk) nader gehoor een Dublin-clausule, waarin is aangegeven dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, toe te voegen.
|
||||
|
||||
Tijdens het Dublingehoor (en bij de Dublinclausule in het nader gehoor) wordt de vreemdeling erop gewezen dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek. De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld eventuele redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland toch gehouden zou zijn de asielaanvraag zelf (verplicht of onverplicht) in behandeling te nemen.
|
||||
|
||||
Het Dublingehoor zal in beginsel plaatsvinden tijdens de algemene asielprocedure. Ten aanzien van dit gehoor gelden dezelfde regels als ten aanzien van andere nader gehoren die in de algemene asielprocedure plaatsvinden. Wanneer het Dublingehoor eerst plaatsvindt nadat de vreemdeling is doorverwezen naar de verlengde asielprocedure, wordt het rapport van gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling ter kennis gebracht. De reactietermijn is in dit geval gelijk aan de reactietermijn op het voornemen (zie C15/5).
|
||||
|
||||
Het kan ook voorkomen dat de claimmogelijkheid pas wordt onderkend nadat reeds een (inhoudelijk) nader gehoor is afgenomen. Daarin is doorgaans reeds een Dublinclausule opgenomen. In dat geval wordt door de IND bezien of de gegevens die de betrokkene heeft verstrekt refererend aan de Dublinclausule in het nader gehoor, voldoende informatie geven voor het al dan niet leggen van een claim. Indien de IND dit nodig acht, kan een (aanvullend) Dublingehoor plaatsvinden.
|
||||
|
||||
#### 3.5. Nader gehoor bij een terug- of overnameovereenkomst
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin een terug- of overnameovereenkomst van toepassing is, kan het nader gehoor worden gericht op de vraag of de asielzoeker kan worden overgedragen aan een ander land. C13/3.4 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## 14. De beoordeling van de asielaanvraag
|
||||
|
||||
### 1. Volgorde van toetsing
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 Vw (zie C2), alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 Vw (zie C4) beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling of de asielaanvraag van de vreemdeling kan worden ingewilligd, worden eerst de geloofwaardigheid van de verklaringen (paragraaf 3) en vervolgens de zwaarwegendheid (paragraaf 4) onderzocht.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt bekeken welke verklaringen als aannemelijk in aanmerking komen voor een verdere weging.
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen van de zwaarwegendheid wordt bezien of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
|
||||
|
||||
### 2. De geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
#### 2.1. Uitgangspunten
|
||||
|
||||
De beoordeling van de geloofwaardigheid betreft een beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de door hem gestelde feiten en/of omstandigheden, met inbegrip van diens eventuele veronderstellingen.
|
||||
|
||||
Met *documenten* worden alle gegevensdragers bedoeld die ter onderbouwing van de verklaringen in het kader van een asielaanvraag (kunnen) worden overgelegd.
|
||||
|
||||
*Verklaringen* betreffen alle feiten en omstandigheden, met inbegrip van eventuele veronderstellingen, die een vreemdeling in het kader van zijn asielaanvraag naar voren brengt en die relevant zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid daarvan.
|
||||
|
||||
*Feitelijke omstandigheden* zijn gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling, waaronder, maar niet uitsluitend, moet worden verstaan de identiteit, nationaliteit, etniciteit, seksuele geaardheid en geloofsovertuiging.
|
||||
|
||||
*Veronderstellingen* zijn aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.
|
||||
|
||||
Een *causaal verband* wordt verondersteld aanwezig te zijn indien de vreemdeling verklaringen in een zodanige samenhang met elkaar plaatst dat de één het gevolg van de andere is.
|
||||
|
||||
#### 2.2. Stelplicht
|
||||
|
||||
De stelplicht inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit is neergelegd in artikel 31, eerste lid, Vw. Ook in artikel 4, eerste lid, eerste zin van richtlijn 2004/83/EG en het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan.
|
||||
|
||||
De asielzoeker is daarbij gehouden de waarheid te vertellen en volledig mee te werken aan een zo volledig mogelijke vaststelling van het feitencomplex. Hij dient tevens zo spoedig mogelijk de IND op de hoogte te stellen van alle feitelijke gebeurtenissen en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
Daarvoor moet de asielzoeker alle vragen die door de IND worden gesteld zo volledig mogelijk beantwoorden en zoveel mogelijk relevante documenten overleggen om zijn verklaringen aannemelijk te maken. Dit betreft met name documenten in de breedste zin van het woord (zowel officiële documenten als andere gegevensdragers (foto’s, electronische bestanden, enz.), tot en met indicatief bewijs zoals bijvoorbeeld reisbiljetten die de reisroute onderbouwen).
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker aan het bovenstaande voldoet, dan mag ervan worden uitgegaan dat hij een oprechte inspanning levert.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV alsnog geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, indien aan een aantal in dat artikellid genoemde voorwaarden is voldaan (zie C14/2.3).
|
||||
|
||||
De in deze bepaling opgenomen samenwerkingsplicht strekt ertoe de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om elementen ter beoordeling van zijn asielverzoek in te dienen en dat door de Minister wordt bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen. Het resultaat van deze beoordeling wordt, voordat een beslissing wordt genomen, medegedeeld aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken gemotiveerd te herstellen (zie ook C13/2.1 over de mogelijkheid te reageren op het rapport van nader gehoor en C15 inzake de voornemenprocedure).
|
||||
|
||||
#### 2.3. De beoordeling van de geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid spelen de volgende elementen een rol:
|
||||
|
||||
• de beoordeling van alle documenten die de vreemdeling heeft overgelegd;
|
||||
• de aanwezigheid van één van de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet;
|
||||
• de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen;
|
||||
• vergelijking van de verklaringen met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie;
|
||||
• de overige informatie over de relevante verklaringen.
|
||||
|
||||
Bij deze beoordeling wordt bezien of de vreemdeling het voordeel van de twijfel kan worden gegeven.
|
||||
|
||||
Het causale verband tussen de relevante delen van de verklaringen, waaronder de veronderstellingen, die ten grondslag kunnen liggen aan een inwilliging is van fundamenteel belang. Het is mogelijk dat de verklaringen van de vreemdeling uiteenvallen in verschillende op zichzelf staande delen die elk afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. In dat geval is het voorstelbaar dat een deel van de verklaringen geloofwaardig wordt bevonden, terwijl een ander deel niet geloofwaardig wordt bevonden. Het zal evenwel ook zo kunnen zijn dat de ongeloofwaardigheid van een deel van de verklaringen, ook de geloofwaardigheid van alle andere delen van de verklaringen aantast, doordat de geloofwaardigheid betrekking heeft op een essentieel onderdeel van het relaas.
|
||||
|
||||
Indien de verklaringen van de vreemdeling niet geloofwaardig worden bevonden, kan hij op grond van die verklaringen geen aanspraken ontlenen aan de asielgronden zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
#### 2.4. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
Het is in beginsel voldoende dat de vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk maakt.
|
||||
|
||||
Daartoe wordt van de vreemdeling in de eerste plaats verwacht dat hij zijn aanvraag onderbouwt met documenten.
|
||||
|
||||
Niettemin gaat het bij de beoordeling van de geloofwaardigheid meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen die de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd bewezen kunnen worden. De vreemdeling heeft immers veelal aangetoond dat hij niet in staat is, en van hem ook redelijkerwijs niet kan worden gevergd, dat hij zijn relaas met overtuigend bewijsmateriaal bewijst.
|
||||
|
||||
De verklaringen kunnen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV toch geloofwaardig worden geacht en derhalve kan het voordeel van de twijfel worden gegeven, als is voldaan aan een aantal voorwaarden:
|
||||
|
||||
• de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
|
||||
• de vreemdeling heeft alle relevante documenten overgelegd, of hij heeft een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante documenten;
|
||||
• de verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag;
|
||||
• de vreemdeling heeft de aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en
|
||||
• er is vast komen te staan dat de verklaringen in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd.
|
||||
|
||||
Daarbij heeft de vreemdeling zijn verzoek gestaafd indien hij zijn verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
Aan voormelde voorwaarden zal in de regel niet zonder meer worden voldaan, indien sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw. In dat geval zal van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, buiten beschouwing te laten, en de verklaringen alsnog als aannemelijk te beschouwen.
|
||||
|
||||
Bij vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen, zullen veelal – indien beschikbaar – de ambtsberichten van de Minister van BuZa als belangrijke bron gelden.
|
||||
|
||||
Deze ambtsberichten kunnen worden aangemerkt als een deskundigenadvies en verschaffen daartoe op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Daarnaast kan informatie uit andere objectieve bronnen als bron gelden. Ook is het mogelijk deskundig onderzoek door derden te laten verrichten. Informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden kan aangemerkt worden als deskundigenadvies indien op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend.
|
||||
|
||||
Van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van BuZa en het overige deskundige onderzoek wordt uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten ontstaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid, dan wel de actualiteit ervan.
|
||||
|
||||
In het geval concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van informatie uit het ambtsbericht of uit ander deskundig onderzoek (al dan niet als gevolg van een contra-expertise), zal deze informatie pas aan een besluit ten grondslag worden gelegd nadat nader onderzoek is ingesteld en de betreffende informatie is bevestigd. Dit nadere onderzoek kan er uit bestaan dat de Minister van BuZa wordt verzocht een nieuw ambtsbericht op te stellen waarbij de door de vreemdeling ingebrachte informatie wordt betrokken, of dat er een onderzoek naar de betreffende contra-expertise wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
Twijfel aan de juistheid van de informatie in ambtsberichten of uit ander deskundig onderzoek ontstaat niet op basis van een ongemotiveerde en niet nader toegelichte verklaring van de (gemachtigde van de) vreemdeling.
|
||||
|
||||
Evenmin ontstaat zodanige twijfel vanwege de enkele omstandigheid dat een vreemdeling bronnen inroept waarnaar in het ambtsbericht of het deskundige onderzoek niet uitdrukkelijk wordt verwezen. Bepalend is of hetgeen aan een objectieve bron kan worden ontleend van zodanige strekking en gewicht is, dat dit twijfel doet rijzen aan de juistheid of volledigheid, waaronder begrepen de actualiteit van het ambtsbericht of het onderzoek, voor zover relevant voor de beoordeling van de aanvraag.
|
||||
|
||||
Niet enkel door de vreemdeling ingeroepen objectieve bronnen kunnen aanleiding vormen voor twijfel. Ook ambtshalve onderkende objectieve bronnen kunnen aanknopingspunten voor twijfel vormen.
|
||||
|
||||
In die gevallen dat er over de situatie in een land van herkomst geen ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, vindt de beoordeling plaats op grond van andere beschikbare informatie uit objectieve bronnen, waarbij met name moet worden gedacht aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties en NGO’s. Ook in de gevallen dat wel een ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, maar andere bronnen deze informatie aanvullen, kunnen deze andere bronnen worden betrokken bij de besluitvorming. Het gaat daarbij steeds enkel om de feitelijke informatie uit de betreffende documenten.
|
||||
|
||||
In het voornemen dan wel de beschikking worden de gebruikte objectieve bronnen zo veel mogelijk genoemd.
|
||||
|
||||
Indien de verklaringen van de vreemdeling na de beoordeling van de geloofwaardigheid niet aannemelijk worden bevonden, kan hij in beginsel geen aanspraken ontlenen aan de asielgronden zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw.
|
||||
|
||||
### 3. De zwaarwegendheid
|
||||
|
||||
#### 3.1. Uitgangspunten
|
||||
|
||||
Als de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden, met inbegrip van diens eventuele veronderstellingen, geloofwaardig zijn, wordt beoordeeld of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
|
||||
|
||||
Beoordeeld wordt, anders gezegd, of de door de vreemdeling op de feiten en omstandigheden gebaseerde vrees voor vervolging of voor schending van artikel 3 EVRM gegrond is.
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen hiervan wordt eerst bezien of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, aannemelijk zijn.
|
||||
|
||||
Als deze vermoedens aannemelijk zijn, wordt beoordeeld of deze van een zodanige zwaarwegendheid zijn dat zij als een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kunnen worden beschouwd.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Beoordelingsaspecten
|
||||
|
||||
In artikel 3.35, eerste en tweede lid, VV is opgenomen met welke aspecten rekening dient te worden gehouden bij de inhoudelijke beoordeling van het asielraas.
|
||||
|
||||
De situatie wordt beoordeeld naar de stand van zaken op het moment dat de beslissing wordt genomen (toetsing ex nunc).
|
||||
|
||||
Andere aspecten die van belang zijn bij de beoordeling zijn:
|
||||
|
||||
a. de omstandigheid dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing;
|
||||
b. de verklaringen van de asielzoeker omtrent het tijdsverloop dat is gelegen tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden om het land van herkomst te verlaten en het moment van het daadwerkelijke vertrek;
|
||||
c. of degenen van wie vervolging wordt gevreesd op de hoogte moeten zijn of kunnen geraken van de omstandigheden waarop de asielzoeker zich beroept; en
|
||||
d. de vraag of de zwaarwegendheid van de gebeurtenissen van een zodanige aard is dat daardoor een gegronde vrees of een reëel risico ontstaat.
|
||||
|
||||
Deze omstandigheid vormt een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het ondergaan van een dergelijke behandeling of bestraffing reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing zich niet opnieuw zal voordoen.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Genderinclusieve benadering
|
||||
|
||||
Een asielaanvraag moet worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor 'gender' (het begrip gender staat voor de maatschappelijke betekenis van mannelijkheid en vrouwelijkheid). Een genderinclusieve benadering kan worden bevorderd door vast te stellen of de activiteiten waar een asielzoeker zich op beroept plaatsvonden in de private sfeer, of op publiek terrein. Het onderscheid tussen privé en publiek dient om de positie van mannen en vrouwen in het land van herkomst te verduidelijken. Per land van herkomst verschilt het bereik van de publieke sfeer, oftewel de invloed van de overheid op maatschappelijk terrein.
|
||||
|
||||
Activiteiten die in sommige landen voornamelijk zijn toebedeeld aan vrouwen, kunnen in Nederland worden beschouwd als privé (bijvoorbeeld koken), terwijl ze mogelijk door de overheid in het land van herkomst als politiek (en dus publiek) worden gezien (koken voor verzetsstrijders). Anderzijds is seksueel geweld door overheidsfunctionarissen tijdens de uitoefening van hun functie en in verband met één van de vervolgingsgronden nooit aan te merken als een persoonlijke (privé-)daad van de betreffende overheidsfunctionaris.
|
||||
|
||||
#### 3.4. Vervolging van mensenhandel
|
||||
|
||||
Het rechtmatig verblijf van slachtoffers van mensenhandel die terzake aangifte doen of anderszins meewerken aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting van de verdachte, is geregeld in hoofdstuk B9. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden in dat hoofdstuk kan een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend.
|
||||
|
||||
Met enige regelmaat komt het voor dat een asielzoeker stelt (tevens) een slachtoffer van mensenhandel te zijn. De volgende situaties zijn denkbaar:
|
||||
|
||||
a. de asielzoeker heeft terzake aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolginsonderzoek en is in het bezit gesteld van een B9-vergunning;
|
||||
b. de asielzoeker heeft terzake aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, maar heeft aangegeven af te willen zien van een B9-vergunning in afwachting van de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag.
|
||||
c. de asielzoeker stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar heeft terzake (nog) geen aangifte gedaan noch op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek;
|
||||
|
||||
De asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid onder b Vw afgewezen (zie C3/3)
|
||||
|
||||
In het geval dat de asielaanvraag wordt afgewezen kan de B9-vergunning ambtshalve worden verleend (zie C14/5).
|
||||
|
||||
De stelling dat de asielzoeker slachtoffer van mensenhandel is, vormt op zichzelf nog geen reden om de asielaanvraag in te willigen. Zowel in de situatie als beschreven onder b als onder c vindt statusdeterminatie op de gebruikelijke wijze plaats mede aan de hand van de inwilligingronden van artikel 29 Vw (zie C2) en de afwijzingsgronden van artikel 31 Vw (zie C4). Verder is van belang dat de stelplicht inzake het asielrelaas, ook als het mensenhandel betreft, in beginsel bij de asielzoeker ligt (zie C14/2.2).
|
||||
|
||||
#### 3.5. Medische aspecten
|
||||
|
||||
##### 3.5.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Het komt in asielzaken regelmatig voor dat een asielzoeker stelt medische klachten te ondervinden die zijn aanvraag om een verblijfsvergunning zouden ondersteunen of die (mede) tot een verblijfsvergunning zouden moeten leiden. Daarbij zijn ten minste drie categorieën van gevallen te onderscheiden:
|
||||
|
||||
1. de asielzoeker stelt, als gevolg van gebeurtenissen die hem in het land van herkomst zouden zijn overkomen, medische klachten te ondervinden respectievelijk littekens te hebben;
|
||||
2. de asielzoeker wenst mede verblijf in Nederland in verband met een medische behandeling die hij hier te lande wil ondergaan;
|
||||
3. de asielzoeker stelt in verband met zijn gezondheidstoestand niet te kunnen worden uitgezet.
|
||||
|
||||
Voor deze paragraaf is alleen de situatie bedoeld onder 1 van belang. De situatie als bedoeld onder 2 wordt behandeld in B8; de situatie onder 3 wordt behandeld in A4.
|
||||
|
||||
##### 3.5.2. Beoordeling
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid spelen medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over een oorzakelijk verband tussen medische klachten en/of littekens enerzijds en een gestelde behandeling of vrees anderzijds.
|
||||
|
||||
Statusdeterminatie vindt op de gebruikelijke wijze plaats, waarbij de behandelende ambtenaar van de IND ten aanzien van de gestelde medische aspecten uitsluitend beziet of deze in het asielrelaas passen. BMA geeft enkel adviezen aangaande medische feiten. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de artsen van BMA worden ingeschakeld om de beoordeling van de zwaarwegendheid te steunen of over te nemen.
|
||||
|
||||
Heeft de asielzoeker de gestelde medische aspecten gestaafd met een rapportage van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International, dan wordt de inhoud van deze rapportage meegenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
|
||||
|
||||
Als uit het medisch advies (zie C11/6) naar voren komt dat er sprake is van medische problematiek die mogelijk interfereert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren, en er wordt besloten de vreemdeling toch op dat moment aan een nader gehoor te onderwerpen, wordt hiermee rekening gehouden bij de beoordeling van de asielaanvraag.
|
||||
|
||||
#### 3.6. Landgebonden asielbeleid
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven.
|
||||
|
||||
De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen. De hoofdstukken over het landgebonden asielbeleid vormen een uitwerking van het algemene asielbeleid en kunnen derhalve niet als een uitzondering op het algemeen beleid worden geïnterpreteerd, tenzij zulks expliciet is vermeld.
|
||||
|
||||
Binnen het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als:
|
||||
|
||||
a. Risicogroepen;
|
||||
b. Kwetsbare minderheidsgroepen;
|
||||
c. Specifieke groepen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel;
|
||||
d. Specifieke groepen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming.
|
||||
|
||||
Ook ten aanzien van personen die behoren tot één of meer van deze categorieën blijft de toetsingsvolgorde van C14/2 onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw zal bij personen behorende tot een risicogroep eerder worden geconcludeerd tot voldoende zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen.
|
||||
|
||||
Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen, gebaseerd op één van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag, van de zijde van de autoriteiten of medeburgers en er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C2/3.1.3).
|
||||
|
||||
Van leden van kwetsbare minderheden wordt niet verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.
|
||||
|
||||
Zie C2/4.3 en C2/4.4.
|
||||
|
||||
Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5).
|
||||
|
||||
### 4. Beoordeling van tweede of volgende asielaanvragen
|
||||
|
||||
#### 4.1. Herhaalde aanvraag
|
||||
|
||||
Een herhaalde aanvraag betreft een volgens de formele vereisten van artikel 3.38 VV ingediende tweede of volgende asielaanvraag, die op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb kan worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 4:6 Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
|
||||
|
||||
Er is enkel sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden indien die:
|
||||
|
||||
a. op het moment waarop de eerdere aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
|
||||
b. indien niet op voorhand is uitgesloten dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw kan de rechtbank bij het beoordelen van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling in de beroepsprocedure inzake de eerdere aanvraag, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft ingebracht en de rechter hiermee onder toepassing van artikel 83, eerste lid, Vw rekening heeft gehouden, worden deze feiten en omstandigheden, voor de toepassing van artikel 4:6 Awb, geacht te zijn betrokken bij de afwijzende beschikking.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de herhaalde aanvraag kan echter niet aan de vreemdeling worden tegengeworpen dat feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn opgekomen, niet bij de rechtbank naar voren zijn gebracht met een beroep op artikel 83, eerste lid, Vw.
|
||||
|
||||
Onder feiten en omstandigheden worden tevens bewijsstukken gerekend die eerder aangevoerde feiten en omstandigheden ondersteunen.
|
||||
|
||||
Wanneer de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van na de eerdere afwijzende beschikking kan in elk geval worden geconcludeerd dat deze niet eerder bekend waren of konden zijn.
|
||||
|
||||
Indien de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking dient te worden bezien of deze eerder konden worden ingebracht. Zo is het denkbaar dat een vreemdeling pas na de eerdere afwijzende beschikking in het bezit heeft kunnen komen van documenten die de verklaringen onderbouwen.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de vreemdeling bij de eerste aanvraag alle hem bekende informatie en documenten overlegt. Ook in geval van mogelijk traumatiserende gebeurtenissen wordt in beginsel van de vreemdeling verwacht dat hij daar in de eerste procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – melding van maakt.
|
||||
|
||||
Bijzondere door de vreemdeling zelf ingebrachte en aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn om aan te nemen dat deze feiten redelijkerwijs niet eerder konden worden ingebracht. Met name bij de tweede of volgende asielaanvraag aannemelijk gemaakte traumatiserende gebeurtenissen, zoals opgesomd in C2/4.2, is het onder omstandigheden denkbaar dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere aanvraag terughoudend is geweest met het naar voren brengen van deze gebeurtenissen. Dit zal eerder het geval zijn wanneer de eerdere aanvraag in de algemene asielprocedure is afgewezen.
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat in de eerdere procedure een asielzoeker is vertegenwoordigd door zijn ouders (zonder zelf te zijn gehoord), en de tweede of volgende asielaanvraag door die asielzoeker in persoon wordt ingediend. Wanneer tijdens deze tweede of volgende aanvraag de asielzoeker voor het eerst feiten en omstandigheden naar voren brengt die specifiek zien op de eigen persoon en die niet reeds door de ouders naar voren zijn gebracht, wordt in geen geval aangenomen dat deze feiten en omstandigheden in redelijkheid eerder naar voren konden worden gebracht.
|
||||
|
||||
Ook indien de ingebrachte feiten en omstandigheden op het moment van de eerdere aanvraag niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, kan toepassing van artikel 4:6 Awb aan de orde zijn. Indien op voorhand al duidelijk is dat de ingebrachte feiten en omstandigheden geen nieuw licht kunnen werpen op de beoordeling van de asielaanvraag, kan onder toepassing van artikel 4:6 Awb de aanvraag worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Wanneer dit niet op voorhand al duidelijk is, blijft toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege, hetgeen geenszins betekent dat de vreemdeling automatisch in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw kan in dat geval nog immer aan de orde zijn.
|
||||
|
||||
Indien de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van artikel 30, en dan met name onder a of d, Vw, dan kunnen de nieuwe feiten en omstandigheden alleen betrekking hebben op de toepasselijke – imperatieve – afwijzingsgrond. Feiten of omstandigheden omtrent de verklaringen kunnen in dat geval niet leiden tot een ander oordeel.
|
||||
|
||||
In het geval de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van het feit dat de verklaringen van de vreemdeling als ongeloofwaardig zijn aangemerkt, dienen de nieuwe feiten en omstandigheden in elk geval deze ongeloofwaardigheid weg te nemen alvorens tot een beoordeling van de zwaarwegendheid van deze feiten en omstandigheden kan worden toegekomen.
|
||||
|
||||
Indien de eerste asielaanvraag van een vreemdeling is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder b Vw, wegens de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van B9 aan de vreemdeling, zal, indien betrokkene na het eindigen van deze verblijfsvergunning regulier een tweede asielaanvraag indient, de tweede asielaanvraag niet op artikel 4.6 Awb worden afgedaan maar inhoudelijk worden beoordeeld.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 31a Vw wordt een asielaanvraag niet aangemerkt als herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, indien een eerdere asielaanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h, Vw en het betrokken derde land de vreemdeling niet heeft toegelaten tot zijn grondgebied. Dit wordt aangemerkt als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. In dat geval wordt de asielaanvraag derhalve opnieuw beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw.
|
||||
|
||||
Het bepaalde in artikel 31a Vw wordt overeenkomstig toegepast indien de eerdere asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw.
|
||||
|
||||
Daarnaast kunnen bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden aanleiding zijn om toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege te laten. Deze bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden worden in elk geval aanwezig geacht wanneer de feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat de vreemdeling aangemerkt dient te worden als verdragsvluchteling, of wanneer schending van artikel 3 EVRM dreigt.
|
||||
|
||||
In het geval er twijfel bestaat of toepassing van artikel 4:6 Awb in een individuele zaak redelijk te achten is, wordt de aanvraag – al dan niet binnen de algemene asielprocedure – inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw.
|
||||
|
||||
Artikel 3.1, eerste lid, Vb bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Wanneer dit gelet op bijvoorbeeld een geplande uitzetting van belang is, en de feiten of omstandigheden op het moment van de eerdere afwijzing reeds bekend waren, redelijkerwijs bekend konden zijn, dan wel niet op voorhand is uitgesloten dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust, kan dit schriftelijk aan de vreemdeling kenbaar worden gemaakt. Dit kan onmiddellijk geschieden na het moment dat de vreemdeling aangeeft een tweede of volgende aanvraag te willen indienen. Hierbij wordt de vreemdeling tevens meegedeeld dat het voorlopig oordeel tot gevolg heeft dat de uitzetting niet achterwege blijft. Indien bij de aanvraag wel mogelijk relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangegeven, geldt de procedure die is beschreven onder C9/2.1.2.
|
||||
|
||||
#### 4.2. Verzoek om heroverweging
|
||||
|
||||
Verzoeken om heroverweging zullen doorgaans per brief worden gedaan.
|
||||
|
||||
Een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking is geen volledige aanvraag als bedoeld in artikel 3.38 VV. De vreemdeling wordt dus eerst in de gelegenheid gesteld aan de formele vereisten te voldoen. Daartoe zal een termijn worden gesteld, waarbinnen de vreemdeling het verzuim kan herstellen. Doet de vreemdeling dit niet of niet binnen de gestelde termijn, dan kan op grond van artikel 4:5 Awb de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling vervolgens alsnog een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje 'herhaalde aanvraag' is opgenomen van toepassing.
|
||||
|
||||
### 5. Ambtshalve toets
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.6 Vb heeft de Minister de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De beperkingen waaronder ambtshalve een vergunning kan worden verleend zijn beschreven in dit artikel. Het beleid inzake de voorwaarden waaronder ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend is opgenomen in B14.
|
||||
|
||||
De ambtshalve verlening vindt plaats in het kader van de asielprocedure. De ambtshalve toets vindt plaats indien:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat het beleid van één van de gronden van artikel 3.6 Vb op hem van toepassing is;
|
||||
b. de Minister op grond van de casus oordeelt dat ambtshalve dient te worden getoetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen vergunning zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb.
|
||||
|
||||
Daarnaast is het mogelijk om tijdens de asielprocedure ambtshalve te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling artikel 64 Vw kan worden toegepast. Het beleid inzake de voorwaarden waaronder artikel 64 Vw parallel aan de asielprocedure kan worden toegepast, is opgenomen in A4/7.
|
||||
|
||||
Deze parallelle ambtshalve toets aan artikel 64 Vw vindt niet plaats indien de vreemdeling een tweede of volgende asielaanvraag heeft ingediend die binnen de algemene asielprocedure wordt afgewezen. De reden hiervoor is, dat de mogelijkheid om parallel aan de asielprocedure te toetsen of artikel 64 Vw van toepassing is er niet toe dient te leiden dat vreemdelingen zonder asielmotieven asielaanvragen indienen om voor toepassing van artikel 64 Vw in aanmerking te komen.
|
||||
|
||||
De parallelle ambtshalve toets aan artikel 64 Vw vindt wel plaats indien de asielaanvraag van een vreemdeling die een tweede of volgende asielaanvraag heeft ingediend in de verlengde asielprocedure wordt behandeld. In die gevallen kan het nader onderzoek naar de toepassing van artikel 64 Vw parallel aan het onderzoek naar de asielaanvraag worden uitgevoerd. Zie ook A4/7.2.1.2.
|
||||
|
||||
### 6. Nader onderzoek
|
||||
|
||||
#### 6.1. Leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
##### 6.1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling stelt minderjarig te zijn, maar er niet in slaagt zijn leeftijd met documenten aan te tonen of anderszins aannemelijk te maken, dient te worden beoordeeld of er aan de vreemdeling een leeftijdsonderzoek aangeboden dient te worden. Deze beoordeling kan op meerdere momenten in de asielprocedure plaatsvinden. In de rust- en voorbereidingstermijn wordt deze beoordeling gedaan door de vreemdelingenpolitie. Na indiening van de asielaanvraag is de IND voor deze beoordeling verantwoordelijk.
|
||||
|
||||
In beginsel vindt een leeftijdsonderzoek tijdens de rust- en voorbereidingstermijn plaats. Echter ook later in de procedure kan de noodzaak ontstaan tot het uitvoeren van een leeftijdsonderzoek. Voor het antwoord op de vraag of er tijdens de algemene asielprocedure een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling wordt aangeboden, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.4.
|
||||
|
||||
Het leeftijdsonderzoek kan vier resultaten opleveren:
|
||||
|
||||
a. kalenderleeftijd ten hoogste 20 jaar (man) of ten hoogste 19 jaar (vrouw): elke opgegeven leeftijd tot 18 jaar wordt aannemelijk geacht;
|
||||
b. kalenderleeftijd 16-32 (man) of 14,7-32 (vrouw): de opgegeven leeftijd tussen de 16-18 jaar (man) en tussen de 14,7 en 18 jaar (vrouw) is mogelijk juist. De bevindingen van het onderzoek sluiten meerderjarigheid echter niet uit;
|
||||
c. kalenderleeftijd 16-32 (man) of 14,7-32 (vrouw): de opgegeven leeftijd, jonger dan 16 jaar (man) of 14,7 jaar(vrouw), is niet voldoende waarschijnlijk. De vreemdeling kan evenwel minderjarig zijn maar meerderjarigheid kan niet worden uitgesloten;
|
||||
b. kalenderleeftijd 16–32 (man) of 14,7–32 (vrouw): de opgegeven leeftijd tussen de 16–18 jaar (man) en tussen de 14,7 en 18 jaar (vrouw) is mogelijk juist. De bevindingen van het onderzoek sluiten meerderjarigheid echter niet uit;
|
||||
c. kalenderleeftijd 16–32 (man) of 14,7–32 (vrouw): de opgegeven leeftijd, jonger dan 16 jaar (man) of 14,7 jaar(vrouw), is niet voldoende waarschijnlijk. De vreemdeling kan evenwel minderjarig zijn maar meerderjarigheid kan niet worden uitgesloten;
|
||||
d. kalenderleeftijd ten minste 20 jaar: de opgegeven leeftijd, jonger dan 18 jaar, is niet aannemelijk.
|
||||
|
||||
Indien uit het onderzoeksresultaat blijkt dat de vreemdeling een andere leeftijd heeft dan hij oorspronkelijk heeft opgegeven, dient op basis van het onderzoeksresultaat een nieuwe geboortedatum te worden bepaald in de vreemdelingenregistratie. Hiertoe wordt het geboortejaar gesteld op het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden minus de minimumleeftijd die de vreemdeling volgens het onderzoek moet hebben. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari tot en met 30 juni, wordt de geboortedatum gesteld op 1 januari van het gevonden geboortejaar. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 juli tot en met 31 december, wordt de geboortedatum gesteld op 1 juli van het betreffende jaar. De wijziging van de leeftijd van de vreemdeling in de vreemdelingenregistratie geschiedt conform het PIL (zie A1/6.2).
|
||||
Indien uit het onderzoeksresultaat blijkt dat de vreemdeling een andere leeftijd heeft dan hij oorspronkelijk heeft opgegeven, dient op basis van het onderzoeksresultaat een nieuwe geboortedatum te worden bepaald en toegekend in de vreemdelingenregistratie. Hiertoe wordt het geboortejaar gesteld op het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden minus de minimumleeftijd die de vreemdeling volgens het onderzoek moet hebben. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari tot en met 30 juni, wordt de geboortedatum gesteld op 1 januari van het gevonden geboortejaar. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 juli tot en met 31 december, wordt de geboortedatum gesteld op 1 juli van het betreffende jaar. De wijziging van de leeftijd van de vreemdeling in de vreemdelingenregistratie geschiedt conform het PIL (zie A1/6.2).
|
||||
|
||||
Indien uit de röntgenfoto's naar voren komt dat de opgegeven minderjarige leeftijd aannemelijk is, wordt de opgegeven geboortedatum in het vervolg van de procedure aangehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2760,9 +3166,9 @@ Uit het onderzoek blijkt dat de sleutelbeenderen volledig zijn uitgerijpt en dat
|
|||
|
||||
Nu aannemelijk is gemaakt dat betrokkene een andere leeftijd heeft, wordt de vreemdeling op basis van de onderzoeksresultaten een nieuwe geboortedatum toegekend op de wijze zoals hierboven beschreven. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het nemen van de röntgenfoto’s ten minste twintig jaar oud was.
|
||||
|
||||
De aanvraag wordt verder conform het normale beleid voor volwassen asielzoekers afgehandeld, zo mogelijk binnen de AC-procedure.
|
||||
De aanvraag wordt verder conform het normale beleid voor volwassen asielzoekers afgehandeld.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Herhaald leeftijdsonderzoek
|
||||
##### 6.1.2. Herhaald leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
Als meerderjarigheid niet met voldoende zekerheid kan worden aangetoond, maar ook niet kan worden uitgesloten, kan betrokkene na verloop van tijd opnieuw worden opgeroepen voor een leeftijdsonderzoek. Dit is mogelijk één of twee jaar na het eerste leeftijdsonderzoek. Er wordt bezien of de botontwikkeling inmiddels zodanig is, dat een voldoende zekere conclusie (met terugwerkende kracht) mogelijk is over de vraag of de vreemdeling meerder- of minderjarig was ten tijde van het indienen van de asielaanvraag. Voor een uiteenzetting van het herhaald leeftijdsonderzoek wordt verwezen naar B14/2.4.3.1.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2771,7 +3177,7 @@ Het herhaald leeftijdsonderzoek kan de volgende resultaten opleveren:
|
|||
a. bij herhaald onderzoek wordt de conclusie getrokken dat op grond van de uitgerijpte sleutelbeenderen de minimumleeftijd van twintig jaar aan de vreemdeling dient te worden toegekend;
|
||||
b. de resultaten uit het herhaald leeftijdsonderzoek zijn niet in tegenspraak met de verklaringen ten aanzien van de opgegeven leeftijd van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
### 6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
|
||||
#### 6.2. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw (zie C2/6), kan er sprake zijn van twijfel aan de identiteit en de familierechtelijke relaties van de betrokkenen. Om de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen te kunnen vaststellen, dienen in beginsel de volgende (originele) documenten te worden overgelegd:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2791,259 +3197,7 @@ Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdeling
|
|||
|
||||
Indien er sprake is van biologische kinderen van één of beide ouder(s) dan wordt/worden betrokkene(n) door de IND gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. Voor een beschrijving van het DNA-onderzoek wordt verwezen naar B2/8.6 Vc. Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw, wordt in afwijking van deze paragraaf geen eigen bijdrage gevraagd voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek.
|
||||
|
||||
Als het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd, tenzij overige bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
|
||||
|
||||
## 13. Het nader gehoor
|
||||
|
||||
### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
#### 1.1. Taal van het gehoor
|
||||
|
||||
Artikel 38 Vw beoogt het belang te waarborgen van een goede, wederzijdse communicatie tussen de vreemdeling en degene die hem hoort. Die wederzijdse communicatie is van eminent belang voor het nemen van een juiste beslissing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich te doen horen omtrent zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd, wordt hij daarom op grond van artikel 38 Vw gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die kan verstaan.
|
||||
|
||||
Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
|
||||
|
||||
a. de officiële taal of één van de officiële talen van het aangegeven land van herkomst; of
|
||||
b. één van de lokale voertalen waarin in het aangegeven land van herkomst onderwijs wordt gegeven; of
|
||||
c. een taal die in de aangegeven streek van herkomst feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; of
|
||||
d. een voertaal of lingua franca (handelstaal), die in het aangegeven land van herkomst op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
Van een vreemdeling die stelt tot een minderheid uit het aangegeven land van herkomst te behoren mag voorts redelijkerwijs worden verwacht dat hij naast één of meer van de bovenvermelde talen de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.
|
||||
|
||||
#### 1.2. Medische aspecten in verband met het horen
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat het relaas van de asielzoeker niet consistent is als gevolg van een PTSS. Bij twijfel als gevolg van het ontbreken van een consistent relaas of indien betrokkene een verwarde indruk maakt, wordt de Medische opvang asielzoekers of de GG&GD ingeschakeld. Deze inschakeling betreft niet de vraag of de betrokkene getraumatiseerd is en deswege leidt aan posttraumatische stressstoornis, maar betreft de vraag of de betrokkene gehoord kan worden of doorverwezen moet worden.
|
||||
|
||||
### 2. Nader gehoor in het AC
|
||||
|
||||
Wanneer een asielaanvraag mogelijk in aanmerking komt voor afhandeling binnen de AC-procedure, wordt het nader gehoor in het AC afgenomen.
|
||||
|
||||
Amv’s worden in beginsel allen nader gehoord. Amv’s van twaalf jaar en ouder worden zelfstandig gehoord. Amv’s die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, worden in beginsel niet nader gehoord in het AC (zie C13/3.2). Het nader gehoor van een Amv wordt niet eerder afgenomen dan nadat het resultaat van een eventueel leeftijdsonderzoek beschikbaar is. Dit laat onverlet dat in afwachting van het resultaat de vreemdeling aanvullend gehoord kan worden omtrent zijn identiteit, nationaliteit en reisroute.
|
||||
|
||||
De IND en (rechts)bijstand hebben binnen het AC een gedeelde verantwoordelijkheid voor het tijdig inzetten van (telefonische) tolken: de IND voor het inzetten van tolken voor het eerste en nader gehoor, de (rechts)bijstand voor het inzetten van tolken voor de voor- en nabespreking van het nader gehoor en de bespreking van het voornemen.
|
||||
|
||||
Voor aanvang van het nader gehoor heeft de asielzoeker gedurende maximaal twee uur de gelegenheid om met behulp van een rechtsbijstandverlener het verslag van het eerste gehoor en de overige onderzoeksresultaten betreffende het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker na te bespreken, eventueel hierop een schriftelijke reactie te geven en zich voor te bereiden op het nader gehoor.
|
||||
|
||||
In het geval van termijnoverschrijding door rechtsbijstand van de voorbereidingstijd op het nader gehoor, kan aan rechtsbijstand een uiterste termijn van (nog eens) drie uren gegeven worden waarna door de IND mogelijk met het nader gehoor zal worden aangevangen.
|
||||
|
||||
Het nader gehoor wordt, zonodig met behulp van een tolk, afgenomen door een ambtenaar van de IND. De asielzoeker kan zich desgewenst laten bijstaan door een (rechts)bijstandverlener. Het nader gehoor richt zich met name op de beweegredenen voor het vertrek uit het land van herkomst en – indien daartoe aanleiding bestaat – de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker, alsmede de eventuele schriftelijke reactie daarop. De ambtenaar die het nader gehoor heeft afgenomen, maakt van dit gehoor een verslag, het zogenaamde rapport van nader gehoor. Bij een nader gehoor kan tevens, wanneer hier op grond van het eerste gehoor aanleiding toe bestaat, een Dublinclausule worden opgenomen (zie C13/5).
|
||||
|
||||
Een exemplaar van het rapport van nader gehoor wordt uitgereikt zowel aan de asielzoeker als aan de rechtsbijstandverlener, tenzij de asielzoeker er bezwaar tegen heeft dat de rechtsbijstandverlener een exemplaar ontvangt.
|
||||
|
||||
Na het nader gehoor kan alsnog worden besloten om de aanvraag van de asielzoeker verder te behandelen in de vervolgprocedure.
|
||||
|
||||
### 3. Nader gehoor in de vervolgprocedure
|
||||
|
||||
#### 3.1. Algemeen
|
||||
|
||||
##### 3.1.1. Voorbereiding en oproep
|
||||
|
||||
In afwachting van het nader gehoor heeft de asielzoeker gelegenheid zich daarop, al dan niet met behulp van in de opvangvoorziening aanwezige rechtshulpverleners, voor te bereiden. Vrouwelijke asielzoekers worden gewezen op de mogelijkheid om – indien aanwezig – het nader gehoor te laten plaatsvinden door een vrouwelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke tolk.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker met een geldige reden niet aan de oproep tot nader gehoor voldoet, wordt hij nogmaals opgeroepen. Indien de asielzoeker zonder geldige reden niet aan de oproep gehoor heeft gegeven, heeft hij niet voldaan aan een aanwijzing van artikel 54 Vw. Het niet naleven van de aanwijzingen is strafbaar gesteld bij artikel 108, eerste lid, Vw.
|
||||
|
||||
##### 3.1.2. Afname van het nader gehoor
|
||||
|
||||
Het nader gehoor wordt op grond van artikel 38 Vw afgenomen door een daartoe aangewezen ambtenaar van de IND in een taal waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de asielzoeker die kan verstaan (zie C13/1.1). De asielzoeker kan zich desgewenst laten bijstaan door één raadsman en één hulpverlener. De IND zorgt, indien nodig, voor een tolk.
|
||||
|
||||
Het nader gehoor richt zich met name op de beweegredenen van vertrek uit het land van herkomst. Tijdens het nader gehoor wordt de asielzoeker gevraagd de informatie te verstrekken die nodig is voor het beoordelen van de asielaanvraag. De ambtenaar van de IND geeft de asielzoeker, in eerste instantie, de gelegenheid vrijuit over de asielmotieven te spreken. De asielzoeker wordt hierbij zo beperkt mogelijk onderbroken voor het stellen van vragen. Vervolgens onderzoekt de ambtenaar de verschillende aspecten van het asielrelaas.
|
||||
|
||||
Tijdens het nader gehoor kan tevens worden ingegaan op resultaten van eerder verricht onderzoek.
|
||||
|
||||
Indien in de AC-procedure reeds een nader gehoor heeft plaatsgevonden, waarna op inhoudelijke gronden is gebleken dat de asielaanvraag zich niet leende voor afdoening in de AC-procedure, dan wordt de asielzoeker in de procedure die volgt na doorverwijzing naar de opvangvoorziening in de gelegenheid gesteld om zijn asielmotieven nader toe te lichten en eventuele tegenstrijdigheden te verklaren.
|
||||
|
||||
##### 3.1.3. Aanbieden leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
Het is in beginsel niet mogelijk om tijdens het nader gehoor na doorverwijzing naar de vervolgprocedure een indicatie voor het leeftijdsonderzoek te doen.
|
||||
|
||||
Het kan echter voorkomen dat in het AC wordt geconstateerd dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een leeftijdsonderzoek, maar dat het onmogelijk is om het leeftijdsonderzoek in het AC af te ronden. In dat geval kan de vreemdeling worden doorverwezen naar de vervolgprocedure voordat het verzoek om een leeftijdsonderzoek wordt ingediend. Dan kan wél alsnog in dit stadium van de procedure het aanbod van een leeftijdsonderzoek worden gedaan. Het gestelde in C12/1.3 is van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Asielzoekers jonger dan twaalf jaar
|
||||
|
||||
Het horen van alleenstaande en begeleide minderjarige asielzoekers jonger dan twaalf jaar dient te geschieden in speciale, kindvriendelijke hoorruimtes en door speciaal daarvoor aangewezen en opgeleide ambtenaren van de IND. Wanneer op grond van een pedagogisch of psychologisch onderzoek is vastgesteld dat een kind problemen ondervindt die de afname van het nader gehoor zouden kunnen belemmeren, kan worden afgezien van een nader gehoor van een alleenstaande of begeleide minderjarige asielzoeker jonger dan twaalf jaar.
|
||||
|
||||
Voor de te volgen werkwijze geldt het Protocol ‘Horen alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 12 jaar’ (zie de website van de IND).
|
||||
|
||||
#### 3.3. Rapport van nader gehoor
|
||||
|
||||
De ambtenaar van de IND die het nader gehoor heeft gehouden, maakt op grond van artikel 3.111, tweede lid, Vb van dit gehoor een verslag. Zodra het verslag van nader gehoor beschikbaar is, wordt zowel aan de asielzoeker als aan de (rechts)hulpverlener van zijn keuze een exemplaar gezonden. Hierbij dient steeds rekening te worden gehouden met een eventueel bezwaar van de asielzoeker tegen de verstrekking van gegevens aan (rechts)hulpverleners.
|
||||
|
||||
De reactietermijn bedraagt in beginsel twee weken. Ook indien een aanvullend nader gehoor wordt gehouden, bedraagt de termijn in beginsel twee weken. Het gestelde in C15/2.2 is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om uitstel.
|
||||
|
||||
### 4. Nader gehoor bij vrijheidsbeneming
|
||||
|
||||
In het geval de asielzoeker de vrijheid is ontnomen, is artikel 3.112 Vb van toepassing.
|
||||
|
||||
Het nader gehoor wordt afgenomen door een ambtenaar van de IND. In afwijking van het gestelde in artikel 3.111, eerste lid, Vb, hoeft ingevolge artikel 3.112, eerste lid, Vb niet te worden gewacht met het afnemen van het nader gehoor tot zes dagen na de indiening van het verzoek.
|
||||
|
||||
Afhankelijk van de uitkomst van het nader gehoor in verband met de asielaanvraag besluit de IND of de vreemdelingenbewaring al dan niet wordt opgeheven. Dit besluit hangt samen met de inhoudelijke merites van de aanvraag. De opheffing van de vreemdelingenbewaring wordt uitgewerkt in A6/5.3.3.5 en A6/5.3.5. Indien de asielzoeker niet langer in vreemdelingenbewaring wordt gehouden, kan hij worden opgevangen in een opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
### 5. Nader gehoor als een ander land verantwoordelijk is
|
||||
|
||||
Het nader gehoor wordt afgenomen in de vorm van een zogeheten Dublingehoor. Dit gehoor heeft enkel betrekking op de vraag of de vreemdeling en de behandeling van het asielverzoek dienen te worden overgedragen. Er wordt niet gevraagd naar de asielmotieven van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
Daarnaast is het mogelijk om bij het afnemen van een (inhoudelijk) nader gehoor een Dublin-clausule, waarin is aangegeven dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, toe te voegen.
|
||||
|
||||
Het rapport van gehoor wordt tegelijk met het voornemen uitgereikt (zie C15/5). De asielzoeker verblijft, in afwachting van uitreiking van het voornemen en het rapport van het Dublingehoor in het AC. Voor het uitbrengen van correcties en aanvullingen wordt op grond van artikel 3.112 Vb dezelfde termijn aangehouden als die voor het geven van een zienswijze. Binnen de AC-procedure bedraagt die termijn drie proces-uren, te rekenen vanaf het moment nadat uitreiking van (de kopie van) het rapport van Dublingehoor en het voornemen heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
Het is niet altijd mogelijk om gedurende de AC-procedure tot de vaststelling te komen dat er een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
|
||||
|
||||
In gevallen dat pas later, wanneer de asielzoeker reeds in een opvangvoorziening verblijft, de claimmogelijkheid wordt onderkend, geldt de volgende werkwijze.
|
||||
|
||||
Voor zover de vreemdeling na verwijzing naar de vervolgprocedure nog geen (inhoudelijk) nader gehoor (met vragen naar asielmotieven) is afgenomen, zal de vreemdeling naar aanleiding van gegevens en, voor zover van toepassing de resultaten van het onderzoek, door de vreemdelingenpolitie worden gevorderd voor een ter zake af te nemen Dublingehoor en/of een aanvullend gehoor bij de IND. Indien de Dublinclaimant een Amv is van onder de zestien jaar, reist de ambtenaar van de IND die de vreemdeling gaat horen naar de verblijfplaats van de vreemdeling voor het afnemen van het Dublingehoor.
|
||||
|
||||
Het kan ook voorkomen dat de claimmogelijkheid pas wordt onderkend nadat reeds een (inhoudelijk) nader gehoor is afgenomen. Daarin is doorgaans reeds een Dublinclausule opgenomen. In dat geval wordt door de IND bezien of de gegevens die de betrokkene heeft verstrekt refererend aan de Dublinclausule in het nader gehoor, voldoende informatie geven voor het al dan niet leggen van een claim. Indien de IND dit nodig acht, neemt zij contact op met de vreemdelingenpolitie voor het laten vorderen van de vreemdeling voor een (aanvullend) Dublingehoor.
|
||||
|
||||
Tijdens het Dublingehoor (en bij de Dublinclausule in het nader gehoor) wordt de vreemdeling erop gewezen dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek. De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld eventuele redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland toch gehouden zou zijn de asielaanvraag zelf (verplicht of onverplicht) in behandeling te nemen.
|
||||
|
||||
Als het voornemen niet in de AC-procedure is uitgebracht geldt een termijn van drie dagen voor het indienen van correcties en aanvullingen en het geven van een zienswijze (zie C15/5).
|
||||
|
||||
### 6. Nader gehoor bij een terug- of overnameovereenkomst
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin een terug- of overnameovereenkomst van toepassing is, kan het nader gehoor worden gericht op de vraag of de asielzoeker kan worden overgedragen aan een ander land. C13/5 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### 7. Geen nader gehoor bij herhaalde aanvragen
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van een herhaalde aanvraag, geldt het volgende. Artikel 4:6, tweede lid, Awb biedt de mogelijkheid om artikel 4:5 Awb (het bieden van een herstelverzuimtermijn) niet toe te passen. De vreemdeling behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Op grond hiervan wordt van het houden van een nader gehoor afgezien. De voornemenprocedure is overigens wel van toepassing (zie C15).
|
||||
|
||||
## 14. De beoordeling van het asielrelaas
|
||||
|
||||
### 1. Procesbeslissing in het AC
|
||||
|
||||
#### 1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Als is gebleken dat de asielaanvraag zich niet leent voor afdoening in de AC-procedure, wordt de asielzoeker doorverwezen naar een opvangvoorziening. De voornemenprocedure is op de beslissing tot doorverwijzing niet van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 1.2. Doorverwijzen op niet-inhoudelijke gronden
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker, nadat hij in het AC is gehoord, om niet-inhoudelijke redenen wordt verwezen naar een opvangvoorziening, wordt hij niet opnieuw gehoord. In dat geval wordt het rapport van het nader gehoor dat in het AC is afgenomen (opnieuw) aan betrokkene kenbaar gemaakt middels toezending door de IND. In afwijking van de reactietermijn als neergelegd in C13/3.3 geldt voor dergelijke gevallen een reactietermijn van zes weken, in verband met het toevoegen van een gemachtigde en het plannen van een tolk door de rechtshulpverlener voor de nabespreking van het nader gehoor.
|
||||
|
||||
Voor de bijzonderheden met betrekking tot de ten aanzien van de asielzoeker ingevolge artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb geldende meldplicht en de afwijkende bepalingen terzake wordt verwezen naar A3/7.7.1.1 enA3/7.7.1.2.
|
||||
|
||||
De Korpschef wijst verder, ingevolge artikel 55 Vw, de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt, aan als plaats waar de asielzoeker zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden (zie A6/3).
|
||||
|
||||
#### 1.3. Amv’s
|
||||
|
||||
De beslissing op de asielaanvraag van een (gestelde) Amv kan onder de volgende omstandigheden in het AC plaatsvinden:
|
||||
|
||||
a. er is sprake van evidente meerderjarigheid;
|
||||
b. er is sprake van twijfel aan de gestelde leeftijd en de asielzoeker heeft te kennen gegeven geen leeftijdsonderzoek te willen aanvragen;
|
||||
c. de asielzoeker vraagt een leeftijdsonderzoek aan maar weigert te verklaren dat hij aan de IND het recht op voorinzage verleent, dan wel trekt deze verklaring weer in;
|
||||
d. binnen de daarvoor bestemde periode in het AC is het onderzoeksresultaat gereed gekomen waaruit blijkt dat de betrokkene meerderjarig is;
|
||||
e. er is sprake van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb;
|
||||
f. er kan anderszins op verantwoorde en zorgvuldige wijze reeds binnen de AC-procedure worden vastgesteld dat de betrokkene niet in aanmerking komt voor een verblijfstitel.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker zijn gestelde leeftijd niet met documenten kan aantonen, er sprake is van twijfel aan de opgegeven leeftijd en de asielzoeker aangeeft geen leeftijdsonderzoek te willen aanvragen, blijft twijfel aan de opgegeven leeftijd bestaan. Neemt de betrokkene deze twijfel niet weg, dan kan zijn asielaanvraag, indien de verklaringen daartoe aanleiding geven, in de AC-procedure worden afgewezen. Hierbij wordt aangenomen dat de vreemdeling meerderjarig is. In de vreemdelingenadministratie wordt conform A1/6 een nieuwe geboortedatum geregistreerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de asielaanvraag achttien jaar oud was.
|
||||
|
||||
Indien de onderzoeksresultaten binnen de AC-procedure beschikbaar komen en hieruit blijkt dat de betrokken asielzoeker meerderjarig is, kan de asielaanvraag in het AC worden afgewezen, indien het asielrelaas daartoe aanleiding geeft. Het feit dat betrokkene onjuiste verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd kan als contra-indicatie voor de geloofwaardigheid van zijn overige verklaringen worden aangemerkt.
|
||||
|
||||
### 2. Volgorde van toetsing
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 Vw (zie C2), alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 Vw (zie C4) beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt.
|
||||
|
||||
### 3. De geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
#### 3.1. Uitgangspunten
|
||||
|
||||
De beoordeling van de geloofwaardigheid betreft een beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de door hem gestelde feitelijke gebeurtenissen en/of omstandigheden alsmede de daaraan ontleende vermoedens.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Stelplicht
|
||||
|
||||
De stelplicht inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit is neergelegd in artikel 31, eerste lid, Vw. Ook in artikel 4, eerste lid, eerste zin van richtlijn 2004/83/EG en het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan.
|
||||
|
||||
#### 3.3. De beoordeling van de geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid spelen de volgende elementen een rol:
|
||||
|
||||
• de beoordeling van alle documenten die de vreemdeling heeft overgelegd;
|
||||
• de aanwezigheid van één van de elementen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet;
|
||||
• de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen;
|
||||
• de beoordeling van de vermoedens van de vreemdeling, die als gevolg van deze verklaringen aanwezig kunnen zijn;
|
||||
• vergelijking van de verklaringen met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie;
|
||||
• de overige informatie over de relevante verklaringen.
|
||||
|
||||
Bij deze beoordeling wordt eveneens bezien of de vreemdeling het voordeel van de twijfel kan worden gegeven.
|
||||
|
||||
#### 3.4. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
|
||||
|
||||
Het is in beginsel voldoende dat de vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk maakt.
|
||||
|
||||
### 4. De zwaarwegendheid
|
||||
|
||||
#### 4.1. Uitgangspunten
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen van de zwaarwegendheid wordt bezien hoe de aannemelijk bevonden verklaringen op grond van wet- en regelgeving dienen te worden genormeerd. Met name wordt beoordeeld of de aannemelijk bevonden vermoedens van een zodanige zwaarwegendheid zijn dat zij als een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kunnen worden beschouwd.
|
||||
|
||||
#### 4.2. Beoordelingsaspecten
|
||||
|
||||
In artikel 3.35, eerste en tweede lid, VV is opgenomen met welke aspecten rekening dient te worden gehouden bij de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas.
|
||||
|
||||
Deze omstandigheid vormt een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het ondergaan van een dergelijke behandeling of bestraffing reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing zich niet opnieuw zal voordoen.
|
||||
|
||||
#### 4.3. Genderinclusieve benadering
|
||||
|
||||
Een asielaanvraag moet worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor ‘gender’ (het begrip gender staat voor de maatschappelijke betekenis van mannelijkheid en vrouwelijkheid). Een genderinclusieve benadering kan worden bevorderd door vast te stellen of de activiteiten waar een asielzoeker zich op beroept plaatsvonden in de private sfeer, of op publiek terrein. Het onderscheid tussen privé en publiek dient om de positie van mannen en vrouwen in het land van herkomst te verduidelijken. Per land van herkomst verschilt het bereik van de publieke sfeer, oftewel de invloed van de overheid op maatschappelijk terrein.
|
||||
|
||||
Activiteiten die in sommige landen voornamelijk zijn toebedeeld aan vrouwen, kunnen in Nederland worden beschouwd als privé (bijvoorbeeld koken), terwijl ze mogelijk door de overheid in het land van herkomst als politiek (en dus publiek) worden gezien (koken voor verzetsstrijders). Anderzijds is seksueel geweld door overheidsfunctionarissen tijdens de uitoefening van hun functie en in verband met één van de vervolgingsgronden nooit aan te merken als een persoonlijke (privé-)daad van de betreffende overheidsfunctionaris.
|
||||
|
||||
#### 4.4. Medische aspecten
|
||||
|
||||
##### 4.4.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Het komt in asielzaken regelmatig voor dat een asielzoeker stelt medische klachten te ondervinden die zijn aanvraag om een verblijfsvergunning zouden ondersteunen of die (mede) tot een verblijfsvergunning zouden moeten leiden. Daarbij zijn ten minste drie categorieën van gevallen te onderscheiden:
|
||||
|
||||
1. de asielzoeker stelt, als gevolg van gebeurtenissen die hem in het land van herkomst zouden zijn overkomen, medische klachten te ondervinden respectievelijk littekens te hebben;
|
||||
2. de asielzoeker wenst mede verblijf in Nederland in verband met een medische behandeling die hij hier te lande wil ondergaan;
|
||||
3. de asielzoeker stelt in verband met zijn gezondheidstoestand niet te kunnen worden uitgezet.
|
||||
|
||||
Voor deze paragraaf is alleen de situatie bedoeld onder 1 van belang. De situatie als bedoeld onder 2 valt onder het reguliere beleid en wordt behandeld in B8; de situatie onder 3 wordt behandeld in A4.
|
||||
|
||||
##### 4.4.2. Beoordeling
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid spelen medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over een oorzakelijk verband tussen medische klachten en/of littekens enerzijds en een gestelde behandeling of vrees anderzijds.
|
||||
|
||||
#### 4.5. Landgebonden asielbeleid
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven.
|
||||
|
||||
Ook ten aanzien van personen die behoren tot één of meer van deze categorieën blijft de toetsingsvolgorde van C14/2 onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw zal bij personen behorende tot een risicogroep eerder worden geconcludeerd tot voldoende zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen.
|
||||
|
||||
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C2/3.1.3).
|
||||
|
||||
Zie C2/4.3 en C2/4.4.
|
||||
|
||||
Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5).
|
||||
|
||||
### 5. Beoordeling van tweede of volgende asielaanvragen
|
||||
|
||||
#### 5.1. Herhaalde aanvraag
|
||||
|
||||
Een herhaalde aanvraag betreft een volgens de formele vereisten van artikel 3.38 VV ingediende tweede of volgende asielaanvraag, die op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb kan worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Onder feiten en omstandigheden worden tevens bewijsstukken gerekend die eerder aangevoerde feiten en omstandigheden ondersteunen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 31a Vw wordt een asielaanvraag niet aangemerkt als herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, indien een eerdere asielaanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h, Vw en het betrokken derde land de vreemdeling niet heeft toegelaten tot zijn grondgebied. Dit wordt aangemerkt als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. In dat geval wordt de asielaanvraag derhalve opnieuw beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Verzoek om heroverweging
|
||||
|
||||
Verzoeken om heroverweging zullen doorgaans per brief worden gedaan.
|
||||
|
||||
Een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking is geen volledige aanvraag als bedoeld in artikel 3.38 VV. De vreemdeling wordt dus eerst in de gelegenheid gesteld aan de formele vereisten te voldoen. Daartoe zal een termijn worden gesteld, waarbinnen de vreemdeling het verzuim kan herstellen. Doet de vreemdeling dit niet of niet binnen de gestelde termijn, dan kan op grond van artikel 4:5 Awb de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling vervolgens alsnog een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje ‘herhaalde aanvraag’ is opgenomen van toepassing.
|
||||
|
||||
### 6. Ambtshalve toets
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.6 Vb heeft de Minister de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De beperkingen waaronder ambtshalve een vergunning kan worden verleend zijn beschreven in dit artikel. Het beleid inzake de voorwaarden waaronder ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend is opgenomen in B14.
|
||||
|
||||
De ambtshalve verlening vindt plaats in het kader van de asielprocedure. De ambtshalve toets vindt plaats indien:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat het beleid van één van de gronden van artikel 3.6 Vb op hem van toepassing is;
|
||||
b. de Minister op grond van de casus oordeelt dat ambtshalve dient te worden getoetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen vergunning zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb.
|
||||
Als het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd indien aan de overige voorwaarden is voldaan, tenzij overige bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
|
||||
|
||||
### 7. Vertrek van de vreemdeling voordat op de aanvraag is beslist
|
||||
|
||||
|
|
@ -3065,38 +3219,44 @@ Mocht de asielzoeker de beslissing wel afwachten en is hij desondanks met onbeke
|
|||
|
||||
In artikel 39 Vw is de zogeheten voornemenprocedure verankerd. Dit houdt in dat, alvorens een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, de vreemdeling onder opgave van redenen schriftelijk in kennis wordt gesteld van het voornemen de aanvraag af te wijzen. In het voornemen dient te worden ingegaan op alle relevante gronden waarop de voorgenomen afwijzing is gebaseerd, zodat de vreemdeling in staat is inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing van zijn aanvraag. De vreemdeling wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
Artikel 6:6 Awb is op de voornemenprocedure niet van toepassing. De asielzoeker behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld het verzuim te herstellen indien wordt geconstateerd dat de zienswijze van de asielzoeker geen inhoudelijke zienswijze bevat, of indien na ommekomst van de vierwekentermijn wordt geconstateerd dat geen zienswijze is ingediend.
|
||||
Artikel 6:6 Awb is op de voornemenprocedure niet van toepassing. De asielzoeker behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld het verzuim te herstellen indien wordt geconstateerd dat de zienswijze van de asielzoeker geen inhoudelijke zienswijze bevat, of indien na ommekomst van de reactietermijn wordt geconstateerd dat geen zienswijze is ingediend.
|
||||
|
||||
Het voorgenomen ambtshalve besluit wordt in beginsel meegenomen in het voornemen waarin ook het voorgenomen besluit op de asielaanvraag is opgenomen. Tegen het ambtshalve genomen besluit staat het rechtsmiddel beroep open indien de vreemdeling in de voornemenprocedure in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven tegen het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Dit voornemen dient derhalve expliciet kenbaar te zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
### 2. Voornemen in de vervolgprocedure
|
||||
### 2. Voornemen en zienswijze in de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
#### 2.1. Kennisgeving van het voornemen de aanvraag af te wijzen
|
||||
Indien de Minister voornemens is om de asielaanvraag binnen de algemene asielprocedure af te wijzen, is artikel 3.114 Vb van toepassing.
|
||||
|
||||
De algemene voornemenprocedure is neergelegd in artikel 3.115 Vb. Deze procedure geldt in de vervolgprocedure.
|
||||
Het schriftelijk voornemen wordt uiterlijk op de vijfde dag van de algemene asielprocedure aan de vreemdeling (waaronder ook de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling wordt verstaan) uitgereikt. Vervolgens brengt de vreemdeling uiterlijk op de zesde dag van de algemene asielprocedure schriftelijk zijn zienswijze naar voren. Wanneer de zienswijze pas na de zesde dag van de algemene asielprocedure wordt ingediend, maar nog voor het uitbrengen van de beschikking, wordt met de zienswijze rekening gehouden in de beschikking.
|
||||
|
||||
Aan de gemachtigde van de asielzoeker wordt een schriftelijke, gemotiveerde kennisgeving toegezonden. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
|
||||
Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4).
|
||||
|
||||
Indien het onderzoek naar de aanvraag informatie heeft opgeleverd die tegenstrijdig is met hetgeen de asielzoeker heeft aangevoerd, wordt dit in het voornemen aangegeven.
|
||||
De voornemenprocedure is niet van toepassing op de oplegging dan wel de voortzetting van de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6 Vw.
|
||||
|
||||
Indien er geen raadsman of gemachtigde bekend is, wordt de kennisgeving aangetekend met ontvangstbevestiging aan het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden.
|
||||
Als na afronding van de voornemenprocedure in het AC alsnog blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor afdoening binnen de algemene asielprocedure, wordt de aanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure en wordt de asielzoeker doorverwezen naar een opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
Op de aan de asielzoeker te verzenden kennisgeving dan wel op een daarbij gevoegd formulier wordt in elk geval aangetekend:
|
||||
### 3. Voornemen en zienswijze in de verlengde asielprocedure
|
||||
|
||||
Wanneer het voornemen niet in de algemene asielprocedure wordt uitgebracht, is artikel 3.116 Vb van toepassing.
|
||||
|
||||
De bekendmaking van het voornemen vindt in dat geval plaats door toezending van het voornemen aan de gemachtigde van de vreemdeling. Voorzover relevant, worden de op de aanvraag betrekking hebbende stukken bij het voornemen gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
|
||||
|
||||
Indien er geen gemachtigde bekend is, wordt het voornemen aangetekend met ontvangstbevestiging aan het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden.
|
||||
|
||||
Op het aan de vreemdeling te verzenden voornemen dan wel op een daarbij gevoegd formulier wordt in elk geval aangetekend:
|
||||
|
||||
• de datum en wijze van verzenden van het voornemen;
|
||||
• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker openstaande mogelijkheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
• een mededeling omtrent de voor de vreemdeling openstaande mogelijkheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
Als het voornemen aan de IND wordt geretourneerd omdat het niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de asielzoeker niet is verhuisd. Zonodig wordt het voornemen opnieuw verzonden. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om het voornemen aan de asielzoeker kenbaar te maken.
|
||||
Als het voornemen aan de IND wordt geretourneerd omdat het niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de vreemdeling niet is verhuisd. Zonodig wordt het voornemen opnieuw verzonden. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om het voornemen aan de vreemdeling kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
#### 2.2. De zienswijze van de asielzoeker
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 3.115, tweede lid, Vb heeft de vreemdeling in beginsel vier weken de tijd om zijn zienswijze omtrent de voorgenomen afwijzing naar voren te brengen. Het vierde lid geeft aan wanneer de zienswijze tijdig is ingediend. In artikel 3.115, zesde lid, Vb is aangegeven wanneer nog rekening moet worden gehouden met een te laat ingediende zienswijze.
|
||||
Ingevolge artikel 3.1156, tweede lid, Vb heeft de vreemdeling in beginsel vier weken de tijd om zijn zienswijze omtrent de voorgenomen afwijzing naar voren te brengen. Op grond van artikel 3.116, derde lid, Vb vangt de termijn van vier weken aan op de dag na verzending van het voornemen aan de vreemdeling. In artikel 3.116, zesde lid, Vb is aangegeven wanneer nog rekening moet worden gehouden met een te laat ingediende zienswijze.
|
||||
|
||||
De termijn van vier weken kan worden verlengd als een met redenen omkleed verzoek om verlenging wordt gehonoreerd.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat geen uitstel voor het indienen van de zienswijze van de asielzoeker wordt verleend. Niettemin kan het voorkomen dat de betrokkene toch voor het verstrijken van de termijn om uitstel vraagt. Hieronder staat onder a tot en met e hoe met verzoeken om uitstel in verschillende fasen van de procedure moet worden omgegaan:
|
||||
|
||||
Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan, behoudens wanneer het een Dublinvoornemen betreft, uitstel worden verleend voor maximaal vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. In Dublinzaken geldt dat in die gevallen maximaal drie werkdagen uitstel worden verleend.
|
||||
Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan, behoudens wanneer het een Dublinvoornemen betreft (zie C15/5), uitstel worden verleend voor maximaal vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. In Dublinzaken geldt dat in die gevallen maximaal drie werkdagen uitstel worden verleend.
|
||||
|
||||
De eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is, dient te blijken uit een te overleggen schriftelijke verklaring van het tolkencentrum. Indien een reeds gemaakte afspraak door de besproken tolk wordt afgezegd, komt dit in beginsel voor rekening van de asielzoeker, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. Dit vanuit de gedachte dat het op een juiste wijze verdelen van de beschikbare tolken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rechtshulp en de tolkencentra.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3118,57 +3278,31 @@ Met vakantie van rechtshulpverleners wordt in de hieronder genoemde gevallen rek
|
|||
|
||||
In dit geval bestaat geen aanleiding om uitstel te verlenen. Wijziging van gemachtigde is een verantwoordelijkheid van de betrokken asielzoeker en de betreffende rechtshulpverleners tezamen. Zij dienen er in onderling overleg op toe te zien dat bij de wijziging een goede overdracht plaatsvindt en er geen termijnen worden geschonden.
|
||||
|
||||
### 3. Voornemenprocedure als de vrijheid is ontnomen
|
||||
### 4. Voornemen en zienswijze bij vrijheidsontneming
|
||||
|
||||
Alvorens een beslissing op de asielaanvraag wordt genomen, wordt de asielzoeker van wie rechtens de vrijheid is ontnomen in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op de voorgenomen afwijzing te geven. Het voornemen wordt uitgereikt.
|
||||
Wanneer de asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, is artikel 3.117 Vb van toepassing.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 3.116 Vb brengt de vreemdeling aan wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of artikel 59 Vw zijn zienswijze binnen twee weken na uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij de AC-procedure wordt toegepast. In dat geval is artikel 3.117 Vb van toepassing (zie C15/4). De asielzoeker krijgt voor het indienen van een zienswijze geen uitstel.
|
||||
Als er in een dergelijk geval een gemachtigde bekend is, wordt het voornemen naar de gemachtigde van de vreemdeling verzonden. Als er geen gemachtigde bekend is wordt het voornemen aan de vreemdeling uitgereikt. In beide gevallen bedraagt de termijn voor het indienen van een zienswijze, die start met ingang van de dag na bekendmaking van het voornemen, twee weken.
|
||||
|
||||
Voor het overige is het gestelde in C15/2 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Wanneer de asielaanvraag van een vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 Vw de vrijheid is ontnomen in de gesloten verlengde asielprocedure wordt behandeld, of wanneer de IND besluit de asielaanvraag van een vreemdeling aan wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen niet langer in de algemene asielprocedure te behandelen (zie C9/2.1.3), is artikel 3.118 Vb van toepassing. Ten aanzien van het bekendmaken van het voornemen en het indienen van een zienswijze, is hetgeen hiervoor genoemd is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### 4. Voornemenprocedure in het AC
|
||||
|
||||
Indien de Minister voornemens is om de asielaanvraag binnen de AC-procedure af te wijzen, is artikel 3.117 Vb van toepassing. De voornemenprocedure is niet van toepassing op de oplegging dan wel de voortzetting van de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6 Vw.
|
||||
|
||||
Het schriftelijk voornemen bevat de voor afwijzing relevante overwegingen.
|
||||
|
||||
Vanwege de aard van de AC-procedure kan de IND besluiten het voornemen tot afwijzing te laten bestaan uit een standaardformulier, voorzien van vrije tekst, waarop in specifieke overwegingen op de aanvraag van de vreemdeling wordt ingegaan. De bewoordingen van het voornemen behoeven niet de definitieve bewoordingen te zijn. Volstaan kan worden met een inhoudelijke omschrijving, die duidt op één of meer van de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 30 en 31 Vw, mits die omschrijving voor de vreemdeling voldoende houvast biedt om zijn zienswijze op te baseren en wordt ingegaan op alle relevante gronden voor afwijzing. In de beschikking zal vervolgens de toepasselijke afwijzingsgrond of toepasselijke afwijzingsgronden met motivering worden opgenomen.
|
||||
|
||||
De asielzoeker krijgt, na uitreiking van het voornemen, op grond van artikel 3.117, tweede lid, Vb maximaal drie proces-uren de gelegenheid om zijn zienswijze schriftelijk naar voren te brengen. In die periode kan hij zich met een gemachtigde of rechtsbijstandverlener beraden over het voornemen en het rapport van nader gehoor nabespreken.
|
||||
|
||||
Deze drie uren voor het bespreken van het rapport van nader gehoor, het weergeven van aanvullingen en correcties én het weergeven van een zienswijze van de asielzoeker gaan in op het moment dat de zaak wordt aangemeld bij de rechtsbijstandverlener.
|
||||
|
||||
Als de asielzoeker de hem toebedeelde termijn met diens rechtsbijstandverlener overschrijdt, wordt bij de rechtsbijstandverlener gerappelleerd waarbij navraag wordt gedaan naar de reden van termijnoverschrijding. Deze reden van termijnoverschrijding wordt vervolgens geregistreerd en in het dossier vastgelegd.
|
||||
|
||||
Voorts zal in het geval van termijnoverschrijding van de drie uur die de asielzoeker ter beschikking staan om het rapport van nader gehoor na te bespreken en een zienswijze op het voornemen uit te brengen, met de uitreiking van de beschikking gewacht kunnen worden, doch niet langer dan tot uiterlijk het 46e uur. Het ontbreken van een zienswijze staat er niet aan in de weg een aanvang te maken met de voorbereidingen voor uitreiking van de beschikking, waarna de beschikking zal worden uitgereikt (zie C18/3.1).
|
||||
|
||||
Een uitzondering dient te worden gemaakt voor die zaken waarbij de asielzoeker niet is voorbereid op het nader gehoor door een rechtsbijstandverlener. Om een zorgvuldige besluitvorming te waarborgen dient, in het geval dat besloten is om voorbij te gaan aan de voorbereiding op het nader gehoor, de nabespreking teneinde een eventueel in te dienen zienswijze op het voornemen, afgewacht te worden.
|
||||
|
||||
Na het uitreiken van het voornemen kunnen feiten of omstandigheden bekend worden die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Van een 'aanmerkelijk belang' in de zin van artikel 3.119, onder a, Vb is sprake, indien de nieuw bekend geworden feiten en omstandigheden tot een geheel andere afwijzingsgrond leiden. Deze afwijzingsgrond wordt aan de vreemdeling medegedeeld en de vreemdeling heeft vervolgens maximaal één uur om zijn zienswijze daarover, bij voorkeur schriftelijk, naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker tijdens de AC-procedure zijn eerder afgelegde verklaringen inzake leeftijd, identiteit, nationaliteit, reisroute of het asielrelaas op essentiële punten wijzigt, kan de IND besluiten het AC-proces opnieuw te laten beginnen.
|
||||
|
||||
Wanneer een naar aanleiding van het nader gehoor ingesteld onderzoek leidt tot onderzoeksresultaten die afwijken van hetgeen de asielzoeker tijdens het nader gehoor heeft verklaard en het voornemen met het rapport van het nader gehoor reeds aan de asielzoeker of rechtsbijstandverlener zijn overhandigd, wordt de asielzoeker gedurende een redelijke termijn, doch maximaal vier uur, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op deze onderzoeksresultaten te reageren. Deze reactietermijn gaat formeel in nadat de onderzoeksresultaten zijn overhandigd.
|
||||
|
||||
Indien de onderzoeksresultaten worden overhandigd voordat de asielzoeker zijn zienswijze op het voornemen bekend heeft gemaakt, heeft de asielzoeker de gelegenheid zijn zienswijze op zowel het voornemen als de onderzoeksresultaten, aan het einde van de vier uren te overhandigen.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker reeds zijn zienswijze op het voornemen bekend heeft gemaakt, heeft hij een termijn van vier uren om op de onderzoeksresultaten te reageren.
|
||||
|
||||
Als na afronding van de voornemenprocedure in het AC alsnog blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor afdoening binnen de AC-procedure, wordt de asielzoeker doorverwezen naar een opvangvoorziening.
|
||||
De vreemdeling krijgt voor het indienen van een zienswijze geen uitstel.
|
||||
|
||||
### 5. Voornemenprocedure als een ander land verantwoordelijk is
|
||||
|
||||
Artikel 3.118 Vb is van toepassing in alle gevallen waarin Verordening 343/2003 wordt toegepast. In deze bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt in het AC en de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt na afloop van de AC-procedure.
|
||||
Artikel 3.118a Vb is van toepassing in alle gevallen waarin Verordening 343/2003 wordt toegepast. In deze bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt in de algemene asielprocedure en de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt na afloop van de AC-algemene asielprocedure.
|
||||
|
||||
Artikel 3.118, vierde lid, Vb geeft in het algemeen aan wanneer een zienswijze tijdig is ingediend. Het zesde lid geeft aan wanneer nog rekening wordt gehouden met een na afloop van de termijn ingediende zienswijze.
|
||||
Artikel 3.118a, vierde lid, Vb geeft in het algemeen aan wanneer een zienswijze tijdig is ingediend. Het zesde lid geeft aan wanneer nog rekening wordt gehouden met een na afloop van de termijn ingediende zienswijze.
|
||||
|
||||
Het voornemen wordt op grond van artikel 3.118, tweede lid, Vb uitgereikt vooruitlopend op de aanvaarding van de claim. Als het voornemen wordt uitgebracht binnen de AC-procedure, geldt een reactietermijn van drie uur voor het indienen van een zienswijze. Zo niet, dan geldt op grond van artikel 3.118, derde lid, Vb een termijn van drie dagen.
|
||||
Het voornemen wordt op grond van artikel 3.118a, eerste lid, Vb uitgereikt vooruitlopend op de aanvaarding van de claim. Als het voornemen wordt uitgebracht op de vijfde dag van algemene asielprocedure, dan moet de zienswijze uiterlijk op de zesde dag worden ingediend.
|
||||
|
||||
Tegelijkertijd met het voornemen wordt (een kopie van) het rapport van gehoor uitgereikt (zie C13/5).
|
||||
Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4).
|
||||
|
||||
Als het voornemen na afloop van de algemene asielprocedure wordt uitgebracht, dan geldt op grond van artikel 3.118a, derde lid, Vb, een termijn van een week voor het indienen van de zienswijze welke aanvangt op de dag na uitreiking van het voornemen.Tegelijkertijd met het voornemen wordt (een kopie van) het rapport van gehoor uitgereikt (zie C13/53.4).
|
||||
|
||||
Na ontvangst van de zienswijze op het uitgebrachte voornemen en de eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor, wordt beslist of een claim wordt gelegd, dan wel of een reeds gelegde claim wordt gehandhaafd.
|
||||
|
||||
In AC Schiphol geldt dat de IND de KMar informeert dat de maatregel van vrijheidsontneming dient te worden voortgezet en dat de vreemdeling dient te worden geplaatst in de grenslogies in verband met de Dublinclaim. De KMar neemt op grond hiervan een nieuwe plaatsingsbeschikking. Indien wordt besloten de plaatsing in de grenslogies te beëindigen (anders dan door de feitelijke overdracht op basis van de claim dan wel ander vertrek), ontstaat een recht op opvang.
|
||||
Als er sprake is van een vreemdeling aan wie een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw, kan in een dergelijk geval de gesloten verlengde procedure worden toegepast (zie C12/5.3).
|
||||
|
||||
### 6. Nieuwe feiten of omstandigheden
|
||||
|
||||
|
|
@ -3178,7 +3312,7 @@ Op grond van artikel 3.119 Vb moet de asielzoeker in een aantal gevallen opnieuw
|
|||
|
||||
Het moet gaan om feiten en omstandigheden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn voor de te nemen beslissing. Het betreft hier in ieder geval resultaten van onderzoek (zoals door de Minister van BuZa) en feiten en omstandigheden die, hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling of weging, een nieuw licht werpen op de geloofwaardigheid van het relaas van de asielzoeker.
|
||||
|
||||
Indien nieuwe informatie van de zijde van de asielzoeker wordt ingebracht, is van belang dat het moet gaan om feiten en omstandigheden die ook bij de asielzoeker niet eerder bekend waren en die daardoor niet eerder in de procedure konden worden ingebracht. De asielzoeker is immers gehouden volledig mee te werken aan de vaststelling van het feitencomplex (zie C14/3.2).
|
||||
Wanneer er sprake is van feiten en omstandigheden die al eerder bij de vreemdeling bekend waren, zal het in een laat stadium aanvoeren van deze feiten en omstandigheden door de vreemdeling meewegen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aangevoerde feiten en omstandigheden.
|
||||
|
||||
Indien aan deze voorwaarde is voldaan, behoeft dit niet in alle gevallen te leiden tot een nieuw voornemen. De vreemdeling wordt van de feiten of omstandigheden in kennis gesteld en hij wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3188,49 +3322,7 @@ Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen nieuwe feiten of omstand
|
|||
|
||||
Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het voornemen blijft bestaan om de aanvraag af te wijzen, maar daarbij een omstandigheid in de zin van artikel 31, tweede lid, Vw wordt meegewogen die nog niet werd meegewogen in het reeds uitgebrachte voornemen.
|
||||
|
||||
## 16. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
### 1. Procedure
|
||||
|
||||
Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C21/1.1, ook voor de gevallen waarin een termijn van drie jaar geldt) komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet.
|
||||
|
||||
|
||||
De aanvraag wordt op grond van artikel 3.108 Vb, juncto artikel 3.43 VV ingediend bij de IND. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan op grond van artikel 40 Vw niet eerder worden ingediend dan vier weken voor de datum waarop de vreemdeling vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag dient in beginsel te worden ingediend voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde duur eindigt.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, dat wil zeggen na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zal de aanvraag in behandeling worden genomen en zal worden getoetst of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden verleend. De IND beoordeelt daarbij of het de vreemdeling is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend met ingang van de dag nadat de geldigheidsduur van de vergunning voor bepaalde tijd eindigt.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag voor verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, doch binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend. Het gat in het verblijfsrecht zal niet worden gedicht, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt hiermee verleend met ingang van de datum waarop zij is aangevraagd.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, dient hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen.
|
||||
|
||||
|
||||
In de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zijn de bepalingen met betrekking tot het eerste gehoor en het nader gehoor (zie artikel 3.110 en 3.111 Vb) niet van toepassing. De voornemenprocedure (zie C15) is wel van toepassing.
|
||||
|
||||
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
|
||||
|
||||
## 17. Procedure bij het intrekken van een verblijfsvergunning asiel
|
||||
|
||||
### 1. Voornemenprocedure
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 41, eerste lid, Vw is de voornemenprocedure ook van toepassing als het een intrekking van een verblijfsvergunning asiel betreft. De procedure zoals beschreven in artikel 3.115 Vb (zie C15/2) is van toepassing. Op grond van artikel 3.115, tweede lid, onder b, Vb heeft de vreemdeling zes weken de tijd om zijn zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
Personen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning beschikken doorgaans niet meer over een gemachtigde of raadsman. De kennisgeving van het voornemen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken, dient daarom in beginsel aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling te worden verzonden (zie C18/3.2.2).
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 41, tweede lid, Vw wordt de vreemdeling, als de Minister na ontvangst van de zienswijze voornemens blijft de verblijfsvergunning in te trekken, in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord alvorens tot intrekking wordt overgegaan.
|
||||
|
||||
### 2. Arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
Zolang de procedure inzake het intrekken van de verblijfsvergunning asiel nog niet heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing behoudt de vreemdeling op grond van de Wav (zie B1/2.3) de rechten om arbeid te verrichten volgens zijn laatst geldende document. De vreemdeling behoudt derhalve zijn vrije toetreding tot de arbeidsmarkt.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling tijdens de procedure, waarmee zijn verblijfsvergunning wordt beëindigd, in het bezit wordt gesteld van een W-document, dient hij een inlegvel te krijgen met een arbeidsmarktaantekening. Op basis hiervan kan de vreemdeling blijven werken. Het W-document met bijbehorende inlegvel en Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen worden verstrekt door de IND.
|
||||
|
||||
## 18. Het geven van de beschikking
|
||||
## 16. Het geven van de beschikking
|
||||
|
||||
### 1. Beslistermijn
|
||||
|
||||
|
|
@ -3240,13 +3332,13 @@ De beslistermijn kan op grond van artikel 42, vierde lid, Vw met ten hoogste zes
|
|||
|
||||
Onder derden worden onder meer verstaan:
|
||||
|
||||
– het Ministerie van BuZa (bijvoorbeeld als onderzoek in het land van herkomst wordt verricht ten behoeve van een individueel ambtsbericht);
|
||||
– andere departementen;
|
||||
– de autoriteiten van derde landen (bijvoorbeeld landen waar de betrokkene eerder heeft verbleven);
|
||||
– de UNHCR;
|
||||
– BMA van de IND, dat immers bij derden onderzoek doet naar de gezondheidstoestand van de betrokkene;
|
||||
– Bureau Land en Taal van de IND, dat immers gebruik maakt van externe deskundigen;
|
||||
– het Nederlands Forensisch Instituut, dat voor het leeftijdsonderzoek bij amv’s immers gebruik maakt van externe deskundigen.
|
||||
• het Ministerie van BuZa (bijvoorbeeld als onderzoek in het land van herkomst wordt verricht ten behoeve van een individueel ambtsbericht);
|
||||
• andere departementen;
|
||||
• de autoriteiten van derde landen (bijvoorbeeld landen waar de betrokkene eerder heeft verbleven);
|
||||
• de UNHCR;
|
||||
• BMA van de IND, dat immers bij derden onderzoek doet naar de gezondheidstoestand van de betrokkene;
|
||||
• Bureau Land en Taal van de IND, dat immers gebruik maakt van externe deskundigen;
|
||||
• het Nederlands Forensisch Instituut, dat voor het leeftijdsonderzoek bij amv’s immers gebruik maakt van externe deskundigen.
|
||||
|
||||
In deze gevallen is de beslistermijn dus gesteld op in totaal ten hoogste twaalf maanden. In ieder individueel geval wordt bezien met welke periode de beslistermijn wordt verlengd. Het is mogelijk de termijn meerdere malen te verlengen, zolang de maximale beslistermijn niet wordt overschreden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3264,22 +3356,24 @@ Op grond van artikel 42 Vw dient de afwijzende beschikking inhoudelijk gemotivee
|
|||
|
||||
### 3. Wijze van bekendmaken
|
||||
|
||||
#### 3.1. De afwijzing in het AC
|
||||
#### 3.1. De beschikking in de algemene asielprocedure
|
||||
|
||||
De beschikking wordt door de IND aan de asielzoeker uitgereikt. De rechtsbijstandverlener krijgt onverwijld een afschrift van de beschikking, indien de asielzoeker daar geen bezwaar tegen heeft. Ook de vreemdelingenpolitie ontvangt een afschrift van de beschikking.
|
||||
Wanneer de asielaanvraag wordt behandeld in de algemene asielprocedure, wordt de beschikking op grond van artikel 3.114, zesde lid, Vb uiterlijk op de achtste (of veertiende) dag door de IND aan de vreemdeling uitgereikt. Voor zover de vreemdeling in de rust- en voorbereidingstermijn in het bezit was gesteld van een W2-document, wordt dit document bij de uitreiking van de beschikking ingenomen.
|
||||
|
||||
Op of in de aan de asielzoeker uitgereikte beschikking, dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld:
|
||||
De rechtsbijstandverlener krijgt onverwijld een afschrift van de beschikking, indien de vreemdeling daar geen bezwaar tegen heeft.
|
||||
|
||||
Op of in de aan de vreemdeling uitgereikte beschikking, dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld:
|
||||
|
||||
• de datum, tijdstip en wijze van uitreiking beschikking;
|
||||
• de naam of het dienstnummer van de uitreikende ambtenaar;
|
||||
• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen;
|
||||
• de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2).
|
||||
|
||||
Indien het niet mogelijk is de beschikking aan de asielzoeker uit te reiken omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw, geldt het volgende.
|
||||
Indien het niet mogelijk is de beschikking aan de vreemdeling uit te reiken omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw, dan wordt de beschikking verzonden aan de rechtsbijstandverlener. Is er geen rechtsbijstandverlener bekend, dan legt de IND in een rapport van bevindingen vast dat het niet mogelijk is de beschikking uit te reiken, terwijl vaststaat dat de asielzoeker het AC met onbekende bestemming heeft verlaten, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw. Tevens wordt in het rapport van bevindingen medegedeeld dat er geen rechtsbijstandverlener bekend is, dat de beschikking ter inzage ligt en dat de melding van terinzagelegging van de beschikking zal worden aangeplakt op een centrale plek in het AC. De melding van terinzagelegging wordt op de daarvoor bestemde plek in het AC opgehangen. De beschikking is hiermee bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
De beschikking wordt uitgereikt aan de gemachtigde. Is er geen gemachtigde bekend, dan legt de IND in een rapport van bevindingen vast dat het niet mogelijk is de beschikking uit te reiken, terwijl vaststaat dat de asielzoeker het AC met onbekende bestemming heeft verlaten, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw. Tevens wordt in het rapport van bevindingen medegedeeld dat er geen gemachtigde bekend is, dat de beschikking ter inzage ligt en dat de melding van terinzagelegging van de beschikking zal worden aangeplakt op een centrale plek in het AC. De melding van terinzagelegging wordt op de daarvoor bestemde plek in het AC opgehangen. De beschikking is hiermee uitgereikt.
|
||||
Deze werkwijze geldt voor zowel afwijzende als inwilligende beschikkingen.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Vervolgprocedure
|
||||
#### 3.2. De beschikking in de verlengde asielprocedure
|
||||
|
||||
##### 3.2.1. De inwilliging
|
||||
|
||||
|
|
@ -3309,18 +3403,18 @@ Indien de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard, wordt de beschikking uit
|
|||
|
||||
Als de beschikking wordt geretourneerd omdat de geadresseerde er niet meer woont, vermeldt de vreemdelingenpolitie in een proces-verbaal dat het niet mogelijk is de beschikking uit te reiken, terwijl vaststaat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. Vervolgens worden de beschikking en het proces-verbaal gezonden aan de IND. Indien de vreemdeling is vertrokken uit een opvangvoorziening behoeft de beschikking niet vanuit diezelfde opvangvoorziening te worden verzonden. De vreemdelingenpolitie maakt in dat geval een proces-verbaal op en zendt dit met de beschikking naar de IND.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Als de vrijheid is ontnomen
|
||||
#### 3.3. De beschikking bij vrijheidsbeneming
|
||||
|
||||
De beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar aan de asielzoeker uitgereikt. De rechtsbijstandverlener krijgt onverwijld een afschrift van de beschikking, indien de asielzoeker daar geen bezwaar tegen heeft.
|
||||
Als de vreemdeling een gemachtigde heeft, wordt de beschikking van de vreemdeling aan wie de vrijheid is ontnomen naar de gemachtigde verzonden. Indien de vreemdeling geen gemachtigde heeft, wordt de beschikking door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar aan de asielzoeker uitgereikt.
|
||||
|
||||
Op of in de aan de asielzoeker uitgereikte beschikking, dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld:
|
||||
|
||||
– de datum, tijdstip en wijze van uitreiking beschikking;
|
||||
– de naam of het dienstnummer van de uitreikende ambtenaar;
|
||||
– een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen;
|
||||
– de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2).
|
||||
• de datum, tijdstip en wijze van uitreiking beschikking;
|
||||
• de naam of het dienstnummer van de uitreikende ambtenaar;
|
||||
• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen;
|
||||
• de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2).
|
||||
|
||||
#### 3.4. Dublinclaimanten
|
||||
#### 3.4. De beschikking als een ander land verantwoordelijk is
|
||||
|
||||
Indien in het kader van de Verordening 343/2003 een claim is gehonoreerd en de asielaanvraag derhalve op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vw wordt afgewezen, wordt de beschikking aan de gemachtigde van de asielzoeker toegezonden. Indien geen gemachtigde bekend is, wordt de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3334,6 +3428,40 @@ Door middel van deze beschikking wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in artikel
|
|||
|
||||
Voor de procedure met betrekking tot de overdracht zie A4/6.8.
|
||||
|
||||
## 17. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
### 1. Procedure
|
||||
|
||||
Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C21/1.1, ook voor de gevallen waarin een termijn van drie jaar geldt) komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet.
|
||||
|
||||
De aanvraag wordt op grond van artikel 3.108 Vb, juncto artikel 3.43 VV ingediend bij de IND. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan op grond van artikel 40 Vw niet eerder worden ingediend dan vier weken voor de datum waarop de vreemdeling vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag moet in beginsel worden ingediend voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde duur eindigt.
|
||||
|
||||
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, dat wil zeggen na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt getoetst of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden verleend. De IND beoordeelt daarbij of het de vreemdeling is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend.
|
||||
|
||||
Als het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend met ingang van de dag nadat de geldigheidsduur van de vergunning voor bepaalde tijd eindigt.
|
||||
|
||||
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, maar binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend. Het gat in het verblijfsrecht zal niet worden gedicht, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt hiermee verleend met ingang van de datum waarop zij is aangevraagd.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, moet hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.
|
||||
|
||||
In de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, zijn de bepalingen met betrekking tot het eerste gehoor en het nader gehoor (artikel 3.112 en 3.113 Vb) niet van toepassing. De voornemenprocedure (zie C15) is wel van toepassing.
|
||||
|
||||
## 18. Procedure bij het intrekken van een verblijfsvergunning asiel
|
||||
|
||||
### 1. Voornemenprocedure
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 41, eerste lid, Vw is de voornemenprocedure ook van toepassing als het een intrekking van een verblijfsvergunning asiel betreft. De procedure zoals beschreven in artikel 3.116 Vb (zie C15/3) is van toepassing. Op grond van artikel 3.116, tweede lid, onder b, Vb heeft de vreemdeling zes weken de tijd om zijn zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
Personen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning beschikken doorgaans niet meer over een gemachtigde of raadsman. De kennisgeving van het voornemen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken, dient daarom in beginsel aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling te worden verzonden (zie C16/3.2.2).
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 41, tweede lid, Vw wordt de vreemdeling, als de Minister na ontvangst van de zienswijze voornemens blijft de verblijfsvergunning in te trekken, in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord voordat tot intrekking wordt overgegaan.
|
||||
|
||||
### 2. Arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
Zolang de procedure inzake het intrekken van de verblijfsvergunning asiel nog niet heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing behoudt de vreemdeling op grond van de Wav (zie B1/2.3) de rechten om arbeid te verrichten volgens zijn laatst geldende document. De vreemdeling behoudt dus zijn vrije toetreding tot de arbeidsmarkt.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling tijdens de procedure, waarmee zijn verblijfsvergunning wordt beëindigd, in het bezit wordt gesteld van een W-document, wordt aan hem door de IND tevens een inlegvel en Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen met een arbeidsmarktaantekening verstrekt. Op basis hiervan kan de vreemdeling blijven werken.
|
||||
|
||||
## 19. Besluitmoratorium
|
||||
|
||||
### 1. Inleiding
|
||||
|
|
@ -3548,7 +3676,7 @@ Op grond van artikel 62, tweede lid, Vw dient de vreemdeling, indien hij geen ge
|
|||
|
||||
De algemene termijn voor het instellen van beroep is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling nog rechtmatig verblijf.
|
||||
|
||||
Indien de afwijzende beschikking in het AC is gegeven, dient de vreemdeling op grond van artikel 62, derde lid, onder c, Vw Nederland onmiddellijk te verlaten. Dit laat onverlet dat de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in bewaring kan worden gesteld. In deze gevallen bedraagt de termijn voor het instellen van beroep op grond van artikel 69, tweede lid, Vw één week. De vreemdeling wordt terstond in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen.
|
||||
Indien de afwijzende beschikking in de algemene asielprocedure in het AC is gegeven, geldt eveneens een vertrektermijn van vier weken, tenzij de afgewezen asielaanvraag een tweede of volgende asielaanvraag betreft (artikel 62, derde lid, aanhef en onder c, Vw). Gedurende deze vertrektermijn heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf, maar wel recht op opvang op grond van artikel 5 Rva. Dit laat onverlet dat de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in bewaring kan worden gesteld. In deze gevallen bedraagt de termijn voor het instellen van beroep op grond van artikel 69, tweede lid, Vw één week. De vreemdeling wordt terstond in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen.
|
||||
|
||||
### 3. Beëindiging voorzieningen en bevoegdheid ontruimen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3566,7 +3694,7 @@ Als de asielzoeker tijdig beroep instelt bij de Rechtbank 's-Gravenhage, verblij
|
|||
|
||||
Op grond van artikel 82, tweede en vierde lid, Vw wordt de werking van de beschikking niet opgeschort:
|
||||
|
||||
• als de beschikking is gegeven tijdens de AC-procedure;
|
||||
• als de beschikking is gegeven tijdens de algemene asielprocedure;
|
||||
• als de beschikking de afwijzing van een herhaalde aanvraag inhoudt;
|
||||
• als de beschikking een afwijzing betreft op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw,
|
||||
• als de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of 59 Vw.
|
||||
|
|
@ -3575,9 +3703,9 @@ Een eerste tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag in beginse
|
|||
|
||||
Artikel 83 Vw ziet op de beoordeling van het besluit in beroep door de bestuursrechter.
|
||||
|
||||
Hangende de beroepsfase hanteert de IND de volgende werkwijze. De IND houdt in de beroepsfase rekening met alle door de asielzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden en wijzigingen van beleid, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de afwijzing van de asielaanvraag. Dat betekent dat het aangevoerde van betekenis moet kunnen zijn voor de beoordeling van het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, inclusief de eventuele beletselen tegen uitzetting op grond van artikel 3 EVRM. Wanneer het bestreden besluit tevens ziet op het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier, wordt ook rekening gehouden met in de beroepsfase aangevoerde relevante feiten en omstandigheden en wijzigingen van beleid die op deze ambtshalve toets betrekking hebben. Waar nodig zal door de IND een nader onderzoek worden ingesteld, zal het bestreden besluit worden ingetrokken en een nieuw besluit worden genomen, of zal in het (aanvullend) verweerschrift of ter zitting op de nieuwe feiten en omstandigheden of de beleidswijziging worden ingegaan.
|
||||
De rechter houdt in de beroepsfase rekening met alle door de asielzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden en wijzigingen van beleid, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de afwijzing van de asielaanvraag. Dat betekent dat het aangevoerde van betekenis moet kunnen zijn voor de beoordeling van het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, inclusief de eventuele beletselen tegen uitzetting op grond van artikel 3 EVRM. Wanneer het bestreden besluit tevens ziet op het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier, wordt ook rekening gehouden met in de beroepsfase aangevoerde relevante feiten en omstandigheden en wijzigingen van beleid die op deze ambtshalve toets betrekking hebben.
|
||||
|
||||
Het vorenstaande houdt in dat de IND ook feiten en omstandigheden die vóór het bestreden besluit hebben plaatsgevonden, maar eerst in de beroepsfase worden aangevoerd of gedocumenteerd, in deze beoordeling zal betrekken. Wel zal het in een laat stadium aanvoeren van relevante nieuwe feiten en omstandigheden door de asielzoeker meewegen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aangevoerde feiten en omstandigheden. Verder kan de IND besluiten om in een laat stadium aangevoerde relevante nieuwe feiten en omstandigheden niet te betrekken bij de beoordeling of aan betrokkene alsnog een verblijfsvergunning dient te worden verleend, indien dit leidt tot strijd met de goede procesorde dan wel een ontoelaatbare vertraging van de zaak.
|
||||
Het vorenstaande houdt in dat de rechter ook feiten en omstandigheden die vóór het bestreden besluit hebben plaatsgevonden, maar eerst in de beroepsfase worden aangevoerd of gedocumenteerd, in deze beoordeling zal betrekken. De rechter zal, gelet op het gestelde in artikel 83, vijfde lid, Vw de IND dienen te verzoeken een schriftelijk standpunt in te nemen. De IND zal het in een laat stadium aanvoeren van relevante nieuwe feiten en omstandigheden door de asielzoeker meewegen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aangevoerde feiten en omstandigheden. Verder kan de rechter besluiten om in een laat stadium aangevoerde relevante nieuwe feiten en omstandigheden niet te betrekken bij de beoordeling of aan betrokkene alsnog een verblijfsvergunning dient te worden verleend, indien dit leidt tot strijd met de goede procesorde dan wel een ontoelaatbare vertraging van de zaak.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Hoger beroep
|
||||
|
||||
|
|
@ -3658,13 +3786,11 @@ Artikel 45, zevende lid, Vw bepaalt dat de vreemdeling die tijdelijke beschermin
|
|||
|
||||
#### 1.1. Uitgangspunten van de opvang
|
||||
|
||||
Op grond van de Wet COA is het COA belast met de opvang van asielzoekers. De Rva is gebaseerd op artikel 12 van de Wet COA. Dit artikel stelt de Minister in staat regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. De Rva regelt de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen en regelt tevens welke verstrekkingen de opvang omvat. De Rva ziet alleen op de centrale opvang van asielzoekers.
|
||||
|
||||
De opvang van asielzoekers wordt vormgegeven vanuit het uitgangspunt ‘sober doch humaan’. Gezien de onzekerheid ten aanzien van het uiteindelijke verblijf van de asielzoeker en om te voorkomen dat het voorzieningenniveau voor vreemdelingen een reden zou zijn om juist in Nederland asiel aan te vragen, is terughoudendheid bij de kwaliteit en de omvang van de geboden voorzieningen op zijn plaats. In het verlengde hiervan zijn voor asielzoekers geen voorzieningen getroffen die hen in een betere positie zouden brengen dan waarin andere mensen verkeren die voor hun inkomen van collectieve voorzieningen afhankelijk zijn.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 1.2. Decentrale opvang
|
||||
|
||||
Met ingang van 1 januari 1996 worden in beginsel geen nieuwe asielzoekers meer gehuisvest in de decentrale opvang. Plaatsen die vrijkomen als gevolg van de uitstroom van asielzoekers die een verblijfsstatus hebben gekregen dan wel Nederland dienen te verlaten worden aldus niet meer, zoals voorheen, toegewezen aan asielzoekers uit de centrale opvang. De opvang van asielzoekers die in de decentrale opvang verblijven, dat wil zeggen verblijven in door gemeenten ter beschikking gestelde woonruimten, tot het moment dat zij een verblijfsvergunning krijgen danwel hun asielaanvraag afgewezen wordt, is gebaseerd op de ROA. Deze regeling zal pas worden ingetrokken indien geen asielzoekers meer gehuisvest zijn in zogenaamde ROA-woningen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
### 2. Toelating tot de opvang
|
||||
|
||||
|
|
@ -3672,453 +3798,197 @@ Met ingang van 1 januari 1996 worden in beginsel geen nieuwe asielzoekers meer g
|
|||
|
||||
##### 2.1.1. Het ontbreken van middelen
|
||||
|
||||
In artikel 2 Rva is aangegeven op welke asielzoekers de regeling betrekking heeft, met andere woorden welke asielzoekers aanspraak maken op de verstrekkingen door het COA.
|
||||
|
||||
Vereist is dat de asielzoeker niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien als bedoeld in de Wwb. De Rva kan aangemerkt worden als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Wwb.
|
||||
|
||||
In artikel 2, tweede lid, Rva is de mogelijkheid opgenomen dat het COA ook opvang biedt aan asielzoekers die wel beschikken over voldoende inkomen of vermogen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Het kan immers wenselijk zijn ook deze asielzoekers in de opvangcentra beschikbaar te houden voor de ambtenaren van de IND ten behoeve van de toelatingsprocedure.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.1.2. Informatie aan de asielzoeker
|
||||
|
||||
In artikel 2, derde en vierde lid, Rva zijn regels gesteld over het aan asielzoekers verstrekken van informatie over de rechten en verplichtingen verbonden aan de opvang, alsmede over de organisaties of groepen van personen die specifieke rechtsbijstand verlenen en over organisaties die hulp kunnen bieden of informatie kunnen verstrekken over de opvangvoorzieningen, waaronder medische zorg.
|
||||
|
||||
De informatie wordt schriftelijk en, voor zover mogelijk, in een taal die de asielzoeker redelijkerwijs geacht wordt te begrijpen, verstrekt. In voorkomende gevallen kan de informatie tevens mondeling worden verstrekt. Voor het verstrekken van deze informatie is een maximum termijn van tien dagen vastgesteld.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.1.3. Niet tijdig arriveren in de opvangvoorziening
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 2, vijfde lid, Rva ontstaat geen recht op opvang indien een asielzoeker niet binnen 24 uur vanuit een AC in een opvangvoorziening arriveert. De verstrekkingen behoeven in dat geval overigens niet beëindigd te worden, gegeven het feit dat nimmer enige aanspraak op voorzieningen is ontstaan.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.1.4. 14-1-brieven
|
||||
|
||||
2010311402-03-201019-02-2010WBV2010/22010311402-03-201019-02-2010WBV2010/203-03-2010
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 2.2. Recht op opvangvoorzieningen
|
||||
|
||||
##### 2.2.1. Asielzoekers
|
||||
|
||||
In artikel 3, tweede lid, Rva staan de categorieën asielzoekers omschreven die recht hebben op opvang door het COA. Het gaat hier om asielzoekers:
|
||||
|
||||
a. van wie de vrijheid niet rechtens is ontnomen en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend die niet al in het AC is afgewezen;
|
||||
b. die Amv in de zin van de Rva zijn, dat wil zeggen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland verblijven.
|
||||
|
||||
**** Dit betekent derhalve dat vreemdelingen van wie de vrijheid rechtens is ontnomen op grond van bijvoorbeeld artikel 59 Vw of artikel 6 Vw geen aanspraak maken op voorzieningen ingevolge de Rva.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.2.2. Vreemdelingen die met asielzoekers worden gelijkgesteld
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3, derde lid, Rva worden met een asielzoeker gelijkgesteld:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat het beroep of hoger beroep in Nederland mag worden afgewacht, is toegewezen (zie C22/5.3);
|
||||
b. een Amv (in de zin van de Rva) wiens asielaanvraag binnen de procedure op het AC is afgewezen;
|
||||
c. de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd is verleend en die met instemming van het COA (zie artikel 12 Rva) reeds in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente;
|
||||
d. de vreemdeling die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft aangevraagd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van de Rva opvang wordt geboden;
|
||||
e. de vreemdeling die niet in een opvangvoorziening verblijft en die in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wel ambtshalve in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, vanaf het moment van vergunningverlening tot het moment waarop passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, tenzij de vreemdeling reeds van overheidswege in een opvangvoorziening is gehuisvest;
|
||||
f. de vreemdeling wiens uitzetting, naar het oordeel van de Minister, op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft;
|
||||
g. de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of in afwachting van een beslissing op een bezwaarschrift of een beroepsschrift en die zich, naar het oordeel van de Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 Vw;
|
||||
h. de vreemdeling op wie een vertrekmoratorium van toepassing is (zie C22/6);
|
||||
i. de vreemdeling op wie Richtlijn 2001/55 van toepassing is (zie C22/7);
|
||||
j. de vreemdeling aan wie binnen de AC-procedure een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verstrekt;
|
||||
k. de uitgenodigde vluchteling, ook indien reeds binnen de AC-procedure een verblijfsvergunning is verleend (zie C10/3.3);
|
||||
l. de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw op grond van een door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel ‘interim measure’ (Rule 39) waarin is bepaald dat de vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet;
|
||||
m. de uitgeprocedeerde asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw onder de beperking ‘het ondergaan van medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’ is verleend op basis van voorafgaand aan de aanvraag overgelegde complete en actuele medische gegevens;
|
||||
n. de uitgeprocedeerde asielzoeker met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw, die voorafgaand aan de aanvraag op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd.
|
||||
|
||||
Tot de in artikel 3, derde lid, Rva gelijkgestelde categorieën asielzoekers behoort niet de vreemdeling die, nadat hij de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput, een klacht indient bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en ten aanzien van wie de President van het Hof een verzoek aan Nederland richt om de uitzetting uit Nederland op te schorten (*Rule 39*, zie C22/5.4).
|
||||
|
||||
In onderdeel c is bepaald dat de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die opvangvoorzieningen van het COA geniet, recht op opvangvoorzieningen blijft behouden tot het moment waarop hij woonruimte in een gemeente kan betrekken. Alvorens vergunninghouders uitgeplaatst kunnen worden maken zij aanspraak op dezelfde opvangvoorzieningen als asielzoekers, mits zij daarvoor de instemming van het COA, als bedoeld in artikel 12 Rva hebben verkregen.
|
||||
|
||||
Artikel 3, onder d, Rva heeft betrekking op gezinsleden die niet vallen onder artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Deze vreemdelingen hebben dus geen asielaanvraag, maar een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend. Voorwaarde voor het bieden van verstrekkingen aan deze vreemdelingen is dat de vergunninghouder, waarmee de gezinshereniging wordt beoogd, nog aanspraak maakt op opvangvoorzieningen. Maakt de vergunninghouder geen gebruik (meer) van de opvangvoorzieningen van het COA, dan doet de reguliere verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging geen aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaan.
|
||||
|
||||
Ingevolge onderdeel e ontstaat recht op opvang ten aanzien van de vreemdeling die buiten een opvangvoorziening van het COA in het bezit wordt gesteld van:
|
||||
|
||||
• een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of
|
||||
• een op grond van artikel 3.6 Vb ambtshalve toegekende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B14); danwel
|
||||
• een op basis van de inherente afwijkingsbevoegdheid door de Minister verleende verblijfsvergunning wegens schrijnendheid, nadat op de asielaanvraag onherroepelijk negatief is beslist.
|
||||
|
||||
In een dergelijke situatie ontstaat recht op opvang, in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente. Dit recht geldt ook ten aanzien van de vreemdeling die in het vertrekcentrum, of in vreemdelingenbewaring, waaronder begrepen verblijf in het uitzetcentrum, alsnog in het bezit wordt gesteld van een van de hierboven genoemde verblijfsvergunningen. Voorwaarde is wel dat de vreemdeling de verblijfsvergunning ontvangt op een asielaanvraag, of volgend op een onherroepelijk afgewezen asielaanvraag. Indien de vreemdeling louter een reguliere aanvraag heeft doorlopen, of na de afwijzing van zijn asielaanvraag een reguliere aanvraag heeft ingediend, brengt vergunningverlening op asielgerelateerde gronden geen recht op opvang mee.
|
||||
|
||||
De vreemdeling die ten tijde van de vergunningverlening nog valt onder de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf of de ROA-regeling, komt evenmin voor opvang door het COA in aanmerking. Hij kan immers vanuit deze opvangvoorziening worden bemiddeld naar huisvesting in een gemeente.
|
||||
|
||||
Het is staand beleid dat de verwijderbare vreemdeling, die niet in staat is om te reizen ex artikel 64 Vw (zie A4/7), aanspraak maakt op opvangvoorzieningen van het COA. Echter, het enkele beroep op artikel 64 Vw genereert geen aanspraak op opvangvoorzieningen (zie C23/2.3.3).
|
||||
|
||||
Het bovenstaande is ook van toepassing op vreemdelingen die weliswaar rechtmatig verblijf hebben omdat zij een verblijfsaanvraag hebben ingediend (artikel 8, aanhef en onder f of h, Vw), en zodoende niet vallen onder de werking van artikel 64 Vw, maar die zich wel feitelijk in dezelfde situatie bevinden als bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
|
||||
In geval er sprake is van feitelijk dezelfde situatie als bedoeld in artikel 64 Vw, kunnen deze vreemdelingen – voor wat betreft het verlenen van verstrekkingen – analoog aan artikel 64 Vw worden behandeld. In deze gevallen dient de vreemdeling zich allereerst te wenden tot de IND met het verzoek om vast te stellen dat er in zijn geval sprake is van de situatie analoog aan die als bedoeld in artikel 64 Vw. De hierboven beschreven procedure is verder overeenkomstig van toepassing.
|
||||
|
||||
Indien geen sprake is van de situatie (analoog aan die) van artikel 64 Vw, wordt de vreemdeling hiervan door de IND in beginsel schriftelijk op de hoogte gebracht, veelal onder verwijzing naar het medisch advies. In dat geval wordt het aanvraagformulier voor de Rva-verstrekkingen niet ingevuld.
|
||||
|
||||
De aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaat eerst nadat op een AC is vastgesteld dat de vreemdeling onder de werking van het vertrekmoratorium valt.
|
||||
|
||||
Ook hier geldt dat de aanspraak op opvangvoorzieningen eerst ontstaat nadat door op een AC is vastgesteld dat de vreemdeling onder de werking van Richtlijn 2001/55 valt.
|
||||
|
||||
Dit artikelonderdeel kan analoog toegepast worden op uitgenodigde vluchtelingen die niet op voordracht van de UNHCR naar Nederland komen, maar op voordracht van de Minister van BuZa.
|
||||
|
||||
De vreemdeling heeft rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, Vw gedurende de geldigheid van de door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel ‘interim measure’ (Rule 39). Het moet gaan om een getroffen interim measure waarin is bepaald dat de vreemdeling voor een gespecificeerde termijn of totdat op het klaagschrift is beslist niet mag worden uitgezet.
|
||||
|
||||
Gedurende de geldigheid van die maatregel bestaat geen vertrekplicht en is uitzetting zowel naar internationaal als naar nationaal recht onrechtmatig. Vreemdelingen ten aanzien van wie in het kader van hun asielprocedure een dergelijke interim measure is getroffen kunnen opvang krijgen in een opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
Voor opvang komt in aanmerking de uitgeprocedeerde asielzoeker die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het ondergaan van medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’ is verleend op basis van complete en actuele relevante medische gegevens die voorafgaand aan de aanvraag zijn overgelegd. Deze vreemdeling heeft recht op opvang in afwachting van huisvesting in een gemeente.
|
||||
|
||||
Uitgeprocedeerde asielzoekers die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf voor bepaalde tijd op medische gronden complete en actuele medische gegevens hebben overgelegd en die rechtmatig verblijf hebben in de bezwaarfase of de beroepsfase kunnen (wederom) aanspraak maken op opvang. Het betreft de situatie dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw vanwege het feit dat een bezwaarschrift in de procedure om verblijf op medische gronden ingevolge artikel 73 Vw schorsende werking heeft. Voorts gaat het om de situatie dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw vanwege het feit dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening heeft toegewezen en heeft bepaald dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.2.3. Andere categorieën vreemdelingen
|
||||
|
||||
Ingevolge het vierde lid van artikel 3 kan het COA ook aan andere categorieën vreemdelingen dan asielzoekers als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wet COA opvang aanbieden in een opvangvoorziening; hiertoe is een verzoek van de Minister benodigd.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 2.3. Uitsluiting van het recht op opvang
|
||||
|
||||
##### 2.3.1. Capacitaire noodsituatie
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 4, eerste lid, Rva is de Minister bevoegd in een bijzondere situatie het COA de bevoegdheid toe te kennen aan bepaalde categorieën asielzoekers geen opvangvoorzieningen toe te kennen. De bevoegdheid hiertoe kan door de Minister aan het COA worden toegekend indien het COA de Minister heeft bericht dat naar zijn mening sprake is van een capacitaire noodsituatie of enige andere bijzondere omstandigheid die het treffen van noodmaatregelen noodzakelijk maakt. Onder meer in een periode waarin de druk op de beschikbare capaciteit bijzonder groot is, kan op deze wijze, als noodmaatregel, tijdelijk prioriteit worden aangebracht binnen de categorieën asielzoekers die in aanmerking komen voor een plaats in een opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
Deze bepaling is uitgewerkt in de Toekenning bevoegdheid aan COA tot uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekkingen Rva 1997. Sinds 15 juni 2002 worden er geen vreemdelingen meer uitgesloten van de opvangvoorzieningen op grond van deze regeling. Aan vreemdelingen die op voornoemde datum reeds onder deze regeling vielen, zijn echter niet alsnog opvangvoorzieningen toegekend.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.3.2. Ongewenstverklaarde vreemdelingen
|
||||
|
||||
In artikel 4, tweede lid, Rva is bepaald dat ten aanzien van de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard geen aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaat. Hieraan ligt ten grondslag dat de ongewenst verklaarde vreemdeling ingevolge artikel 67, derde lid, Vw geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben en dat het verblijf van een ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland strafbaar is gesteld in artikel 197 WvSr. Ook het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de ongewenstverklaring levert geen recht op (continuering van de) opvang op.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 2.3.3. Beroep op
|
||||
|
||||
In artikel 4, derde lid, Rva is vastgelegd dat het enkele beroep op artikel 64 Vw, dan wel de analoge situatie daarvan, geen aanspraak op opvangvoorzieningen doet ontstaan. De aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaat aldus eerst op het moment dat door de Minister is vastgesteld dat de vreemdeling niet kan reizen ex artikel 64 Vw, dan wel in de analoge situatie daarvan verkeert, dat wil zeggen pas nadat het COA de aanvraag van betrokkene heeft getoetst aan de bepalingen van de Rva.
|
||||
|
||||
Het indienen van een aanvraag om artikel 64 Vw (analoog) toe te passen schort hierdoor evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op. Dit betekent dat de verstrekkingen kunnen worden beëindigd ondanks het feit dat door de vreemdeling een dergelijke aanvraag is gedaan.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
### 3. Beëindiging van de opvang
|
||||
|
||||
#### 3.1. Afgewezen asielaanvraag
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 5, eerste lid, Rva eindigt het recht op opvang van een asielzoeker indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is afgewezen, tenzij:
|
||||
|
||||
a. de uitzetting van betrokkene ingevolge de Vw of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven; of
|
||||
b. betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het (hoger) beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, voor zover uitzetting gedurende de behandeling van dit verzoek achterwege blijft (zie C22/5.3).
|
||||
|
||||
Uitgangspunt in de Vw is dat wanneer een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen, de verstrekkingen van rechtswege worden beëindigd (zie artikel 45, eerste lid onder c, Vw) volgens de daarvoor geldende bepalingen. Op grond van artikel 45, eerste lid onder a, Vw juncto artikel 62 Vw eindigt de opvang 28 dagen nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker nadat hij rechtmatig verwijderbaar is geworden een aanvraag ex artikel 14 Vw indient, staat deze aanvraag niet in de weg aan het eindigen van de opvangvoorzieningen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 3.2. Amv’s
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 6 Rva eindigt het recht op opvang van een Amv (in de zin van de Rva):
|
||||
|
||||
a. indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is afgewezen en de uitzetting kan worden geëffectueerd, op de dag waarop de uitzetting wordt geëffectueerd;
|
||||
b. indien vervolgopvang kan worden geboden door of in opdracht van de rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, op de dag waarop vervolgopvang kan worden geboden;
|
||||
c. op de dag na de dag waarop de achttienjarige leeftijd is bereikt, dan wel indien in de vreemdelingrechtelijke procedure onaantastbaar is vastgesteld dat de vreemdeling meerderjarig is, en de vreemdeling ook op grond van zijn asielaanvraag geen recht op opvang (meer) heeft.
|
||||
|
||||
Artikel 6, onder b, Rva heeft betrekking op de Amv die vanuit een opvangvoorziening van het COA wordt overgeplaatst naar een opvangvoorziening van, of onder verantwoordelijkheid van de wettelijk vertegenwoordiger. Op het moment dat vervolgopvang kan worden geboden, eindigen de aanspraken van de minderjarige vreemdeling op opvangvoorzieningen van het COA.
|
||||
|
||||
De mogelijkheid dat de asielzoeker nog in procedure is tegen het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, staat aan het eindigen van de opvang niet in de weg.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 3.3. Moment waarop de opvang wordt beëindigd
|
||||
|
||||
##### 3.3.1. Inleiding
|
||||
|
||||
In artikel 7, eerste lid, Rva worden de omstandigheden omschreven die leiden tot het beëindigen van de opvangvoorzieningen aan een asielzoeker. In deze gevallen is de opvang aan betrokkene geëindigd en bestaat er geen beleidsvrijheid voor het COA om te besluiten de voorzieningen (toch) aan de vreemdeling te verstrekken. Het COA is gehouden de voorzieningen te doen eindigen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.2. Verleende verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Het recht op opvang eindigt ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, Rva, indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend: op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd.
|
||||
|
||||
Het betreft hier de situatie waarin huisvesting voor een vergunninghouder beschikbaar is buiten een opvangvoorziening, nadat aan een asielzoeker een verblijfsvergunning is toegekend. Het is voor het eindigen van de opvang niet van belang of de vergunninghouder zelf woonruimte heeft gevonden, dan wel dat hij via het COA bemiddeld is naar woonruimte. Er is in ieder geval sprake van een termijn van enkele dagen (bedoeld om de verhuizing mogelijk te maken) nadat aan een vergunninghouder een woning is aangeboden. Weigering van de door het COA aangeboden woning, dan wel het niet accepteren van de door de vergunninghouder zelf gevonden woning schort de beëindiging van de opvang niet op.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.3. Afgewezen asielaanvraag
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, Rva eindigt de opvang indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang. Dit gebeurt op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.4. Gezinshereniging
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, Rva eindigt de opvang van een vreemdeling aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid onder d, Rva opvang is geboden, op de dag waarop voor de asielzoeker met wie gezinshereniging wordt beoogd naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.5. Beëindiging van situatie als bedoeld in
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin de uitzetting van een asielzoeker op grond van artikel 64 Vw achterwege was gebleven, maar niet langer achterwege blijft, eindigt de opvang op grond van artikel 7, eerste lid, onder d, Rva vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw is geëindigd.
|
||||
|
||||
In die gevallen waarin aan de beëindiging van de verstrekkingen niet een beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw ten grondslag ligt, beschikt het COA op grond van de zelfstandige bestuursrechtelijke beslissingsbevoegdheid dat de verstrekkingen worden beëindigd. Ook in deze gevallen geldt een vertrektermijn van vier weken, nu de vreemdeling immers rechtmatig verblijf heeft genoten op grond van artikel 8, onder j, Vw en derhalve ook artikel 62 Vw van toepassing is. Gedacht kan worden aan de illegaal hier verblijvende vreemdeling, die wegens TBC-besmetting of zwangerschap tijdelijk niet in staat is om te reizen, maar aan wie het, om redenen van volksgezondheid, ongewenst is om opvang te onthouden.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.6. Beëindiging van een situatie analoog aan
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin de asielzoeker zich naar het oordeel van de Minister bevond in een situatie die feitelijk gelijk was aan die als bedoeld in artikel 64 Vw, maar ten aanzien van wie de Minister nu oordeelt dat deze situatie is geëindigd, eindigt de opvang op grond van artikel 7, eerste lid, onder e, Rva op de dag na de dag waarop naar het oordeel van de Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
|
||||
Bepalend voor het beëindigen van de opvangvoorzieningen is de in het model M54 opgegeven einddatum. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij, na het verstrijken van de in het model aangegeven periode, nog immer in de analoge situatie van artikel 64 Vw verkeert.
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat een vreemdeling, die op grond van artikel 3, derde lid, onder g, Rva tot de opvang is toegelaten, uitgeprocedeerd raakt, terwijl de periode waarvoor toepassing is gegeven aan de analoge situatie van artikel 64 Vw nog niet is verstreken. In die gevallen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw en eindigt de opvang als hiervoor omschreven in C23/3.3.5.
|
||||
|
||||
Voorts geldt ook hier dat in die gevallen waarin aan de beëindiging van de verstrekkingen niet een beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw ten grondslag ligt, het COA op grond van de zelfstandige bestuursrechtelijke beslissingsbevoegdheid beschikt dat de verstrekkingen ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel e, Rva worden beëindigd.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.7. Vertrekmoratorium
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder f, Rva eindigt de opvang van een asielzoeker ten aanzien van wie een vertrekmoratorium (zie C22/6) van toepassing was vier weken na de dag waarop het vertrekmoratorium is ingetrokken, tenzij de asielzoeker nog niet rechtmatig verwijderbaar is in de zin van artikel 5 Rva.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.8
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder g, Rva eindigt de opvang van een asielzoeker die valt onder Richtlijn 2001/55 vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45, zesde lid Vw is ingetrokken.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.9. Ongewenstverklaarde vreemdeling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 7, eerste lid, onder h, Rva eindigt de opvang indien een asielzoeker tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 Vw. In dit geval komt aan de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland meer toe (zie A1). Om deze reden kan ook de opvang niet langer worden voortgezet.
|
||||
|
||||
Ook hier geldt dat in die gevallen waarin aan de beëindiging van de verstrekkingen niet een beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw ten grondslag ligt, het COA op grond van de zelfstandige bestuursrechtelijke beslissingsbevoegdheid beschikt dat de verstrekkingen worden beëindigd.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.10. De asielzoeker arriveert niet binnen 48 uur
|
||||
|
||||
In artikel 7, eerste lid, onder i, Rva is opgenomen dat de opvang eindigt indien de asielzoeker niet binnen 48 uur arriveert in een opvangvoorziening na overplaatsing vanuit een andere opvangvoorziening. De opvang eindigt op het moment waarop deze termijn verstrijkt.
|
||||
|
||||
Het betreft hier een situatie waarin de betrokken vreemdeling voor langere tijd of zelfs voorgoed verblijf buiten de opvangvoorziening heeft verkozen, dan wel niet binnen een korte termijn na plaatsing in de voorziening aankomt. De opvangverstrekkingen worden in dat geval niet elders, in een andere voorziening, aangeboden. Uitzondering hierop is mogelijk, bijvoorbeeld indien het de betrokken asielzoeker niet valt te verwijten dat registratie van zijn aankomst nog niet heeft plaatsgevonden als gevolg van een administratieve vertraging.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.11. Niet voldoen aan de meldplicht
|
||||
|
||||
In artikel 7, eerste lid, onder j, Rva is geregeld dat de opvang eindigt indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de vreemdelingenpolitie. De opvang eindigt dan twee weken nadat hij voor de eerste maal heeft verzuimd zich bij de vreemdelingenpolitie te melden.
|
||||
|
||||
Ook hier gaat het om een situatie waarin de betrokken vreemdeling voor langere tijd of zelfs voorgoed verblijf buiten de opvangvoorziening heeft verkozen. Voor het uitschrijven van de vreemdeling uit de administratie van het COA wordt aangesloten bij de melding bij de vreemdelingenpolitie. Indien de vreemdeling zich niet meldt bij de vreemdelingenpolitie, maar wel bij het COA, zal de opvang niettemin worden beëindigd. Dit vindt zijn reden in het feit dat de vreemdelingrechtelijke procedure leidend is en een formeel registratiemoment bevat.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.12. Verstrekken onjuiste gegevens
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder k, Rva eindigt de opvang indien een asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt danwel gegevens heeft achtergehouden, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degenen voor wie hij zorgt, ten onrechte een aanspraak te doen ontstaan op de verstrekkingen in de opvangvoorziening, danwel ten onrechte de hoogte van de verstrekkingen te doen stijgen.
|
||||
|
||||
De informatie die hier wordt bedoeld behoeft zich niet te beperken tot informatie die nodig is in het kader van het ‘afdwingen’ van (een aanspraak op) de verstrekkingen, maar is ruimer. De informatie kan ook betrekking hebben op gegevens die op enige wijze verband houden met de toelatingsprocedure of het afdwingen van verblijf in Nederland. De in artikel 7, eerste lid, onder k, Rva opgenomen beëindigingsgrond vormt een aanvulling op de op het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen gebaseerde mogelijkheid om ingeval van frauderende asielzoekers de voorzieningen tijdelijk geheel of gedeeltelijk te onthouden. Artikel 7 Rva zal vooral van toepassing zijn in (duidelijk) ernstige gevallen van het verstrekken van ‘leugenachtige’ gegevens dan wel onthouden van inlichtingen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.13. Geen instemming na vergunningverlening
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder l, Rva eindigt de opvang indien de vergunninghouder niet de instemming tot continuering van de verstrekkingen, als bedoeld in artikel 12 Rva, heeft verkregen (zie C23/2.2.2, onder c en C23/4.4). Aangezien het COA er op dat moment vanuit mag gaan dat de vergunninghouder op eigen initiatief woonruimte in een gemeente heeft gevonden, kunnen de verstrekkingen alsdan beëindigd worden.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 3.3.14. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier
|
||||
|
||||
Artikel 7, tweede lid, Rva regelt voorts dat de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd niet van invloed is op het eindigen van het recht op opvang.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
### 4. De verstrekkingen gedurende de opvang
|
||||
|
||||
#### 4.1. De verstrekkingen in een opvangvoorziening
|
||||
|
||||
De verstrekkingen in de opvangvoorziening worden beschreven in artikel 9 Rva.
|
||||
|
||||
In artikel 9, eerste lid, Rva worden een zevental verstrekkingen genoemd die in de opvangvoorzieningen geboden moet worden en die geacht worden in elk geval de minimale bestaansvoorwaarden te bevatten.
|
||||
|
||||
Het gaat om:
|
||||
|
||||
a. onderdak;
|
||||
b. een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven;
|
||||
c. een éénmalige bijdrage aan kleedgeld;
|
||||
d. recreatieve en educatieve activiteiten;
|
||||
e. de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling;
|
||||
f. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid;
|
||||
g. betaling van buitengewone kosten.
|
||||
|
||||
Aan de asielzoeker in een opvangvoorziening wordt op grond van artikel 9, derde lid, Rva een programma voor educatie en ontwikkeling geboden. Dit programma kan in een andere opvangvoorziening dan de voorziening waarin de asielzoeker verblijft worden georganiseerd. Het programma brengt met zich mee dat op alle opvangvoorzieningen een voorgeschreven pakket van activiteiten wordt aangeboden. Nederlandse taallessen worden niet geboden aan asielzoekers wier asielaanvraag is afgewezen. Het programma voor educatie en ontwikkeling draagt bij aan het vergroten van de toekomstkansen van asielzoekers, zodat zij – na verlening van een verblijfstitel – toegerust zijn voor het inburgeringstraject dat door de gemeenten wordt geboden aan verblijfsgerechtigden, dan wel – na definitieve afwijzing van de asielaanvraag – zijn voorbereid op terugkeer naar het land van herkomst of een ander land dat betrokkene wil opnemen.
|
||||
|
||||
In artikel 9, vierde lid, Rva is voorzien in de mogelijkheid aan asielzoekers die zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden speciale begeleiding aan te bieden. Hierbij moet in elk geval worden gedacht aan de Amv en de asielzoekers met ernstige psychosociale problemen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.2. Het onthouden van verstrekkingen in de opvangvoorziening
|
||||
|
||||
In artikel 10 Rva is geregeld dat de verstrekkingen in een opvangvoorziening tijdelijk geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker kunnen worden onthouden indien de asielzoeker:
|
||||
|
||||
a. niet desgevraagd mededeling doet van op hem betrekking hebbende gegevens die nodig zijn voor het realiseren van de opvang, waaronder in elk geval zijn naam, geboortedatum, nationaliteit, land van herkomst, gezinssamenstelling, vermogenspositie en de datum waarop door of ten behoeve van hem een asielaanvraag is ingediend;
|
||||
b. een hem overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 tweede lid, Rva in rekening gebrachte tegemoetkoming in de kosten van opvang niet betaalt;
|
||||
c. de verplichtingen van artikel 19 Rva niet nakomt;
|
||||
d. overlast bezorgt aan asielzoekers die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen; of
|
||||
e. weigert deel te nemen aan programma’s gericht op het voorlichten, stimuleren en bewustmaken van terugkeer.
|
||||
|
||||
Het (gedeeltelijk) onthouden van verstrekkingen kan zowel naar duur als naar zwaarte beperkt zijn. Of, en zo ja in welke mate de verstrekkingen worden beëindigd hangt af van concrete omstandigheden. Hierbij zullen het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht behoren te worden genomen.
|
||||
|
||||
Zodra de asielzoeker weer voldoet aan het bepaalde in de onderdelen a tot en met e worden de verstrekkingen weer onverkort aan de asielzoeker aangeboden.
|
||||
|
||||
Asielzoekers die een afwijzende beslissing op hun asielaanvraag hebben ontvangen, worden geplaatst in een opvangvoorziening gericht op terugkeer. Op deze opvangvoorziening zal het signaal worden afgegeven aan de asielzoeker dat de overheid heeft beslist dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en naar alle waarschijnlijkheid Nederland zal moeten verlaten. In de opvangvoorziening gericht op terugkeer zal de asielzoeker een programma worden aangeboden dat hem moet stimuleren deze realiteit onder ogen te zien en zijn verantwoordelijkheid te nemen tot het verrichten van activiteiten ten behoeve van zijn mogelijke terugkeer. De asielzoeker wordt hierover voorgelicht, gestimuleerd en van zijn positie bewust gemaakt.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 10, onder e, Rva kan het COA het niet-deelnemen sanctioneren, zonder dat de leefbaarheid of veiligheid op de opvangvoorziening in het geding is.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.3. Plaatsing van een asielzoeker in een opvangvoorziening
|
||||
|
||||
##### 4.3.1. Bevoegdheid tot plaatsing en overplaatsing
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 11, eerste lid, Rva bepaalt het COA in welke opvangvoorziening een asielzoeker wordt geplaatst. Het COA is bevoegd een asielzoeker naar een andere voorziening over te plaatsen.
|
||||
|
||||
Na overplaatsing van een asielzoeker naar een andere opvangvoorziening worden ingevolge artikel 11, tweede lid, Rva de verstrekkingen in deze andere voorziening aangeboden. Hier is de plaatsingsbevoegdheid (in een opvangvoorziening) van het COA tot uitdrukking gebracht. De plaatsingsbevoegdheid heeft betrekking op de plaatsing van asielzoekers in een opvangvoorziening, alsmede in specifieke opvangvoorzieningen die verzorgd worden door derden.
|
||||
|
||||
Een plaatsingsbesluit is een beschikking in de zin van de Awb, waartegen beroep kan worden ingesteld conform artikel 8:1 Awb. Ook in het geval zich de situatie voordoet zoals omschreven in artikel 16, eerste lid, 2e alinea, Richtlijn 2003/9, geldt dat door middel van een plaatsingsbesluit op grond van artikel 11 Rva een gemotiveerde beslissing wordt genomen inzake het opnieuw verstrekken van opvangvoorzieningen.
|
||||
|
||||
De plaatsing in kleinschalige opvangvoorzieningen van een asielzoeker met psychosociale problemen, voor wie geldt dat verblijf in grootschalige opvang ernstige problemen oplevert, zal slechts geschieden na toetsing door terzake kundige psychosociale hulpverleners. Aan plaatsing zal aldus een sociaal-medisch advies ten grondslag moeten liggen.
|
||||
|
||||
De beslissing van het COA tot plaatsing in een opvangvoorziening moet worden onderscheiden van de beslissing tot overplaatsing van de asielzoeker van de ene naar de andere opvangvoorziening. De beslissing tot overplaatsing (met andere woorden, de aanzegging aan de asielzoeker om naar een andere opvangvoorziening te gaan) brengt mee dat vanaf de in deze beslissing genoemde datum de in artikel 9, eerste lid, Rva bedoelde verstrekkingen niet meer in de eerste opvangvoorziening worden aangeboden maar in de andere. Alleen in deze andere opvangvoorziening zal de betrokken asielzoeker de verstrekkingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Rva kunnen ontvangen.
|
||||
|
||||
De opvangvoorzieningen worden aldus niet stopgezet en de aanspraak op de voorzieningen blijft in volle omvang bestaan. Een afzonderlijke beslissing tot beëindiging behoeft hier dan ook niet aan ten grondslag te liggen. De beslissing van het COA om, indien het dit noodzakelijk acht, over te gaan tot overplaatsing van een asielzoeker is een besluit ex artikel 1:3 Awb. Tegen een overplaatsingsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
|
||||
|
||||
In geval van overplaatsing wordt betrokkene zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van de voorgenomen overplaatsing en wordt tevens zo snel mogelijk informatie verstrekt over de locatie waarnaar wordt overgeplaatst. De asielzoeker moet zelf zijn raadspersoon op de hoogte brengen van de overplaatsing en zijn nieuwe adres aan hem bekendmaken.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 4.3.2. Eenheid van het gezin
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 11, derde lid, Rva wordt in de mate van het mogelijke, met instemming van de asielzoeker, de eenheid van het gezin gehandhaafd bij huisvesting. Uitgangspunt bij plaatsing in de opvang is bescherming van het gezinsleven.
|
||||
|
||||
Artikel 11, vierde lid, Rva geeft aan dat, op voorwaarde dat dit in het belang is van het kind, het COA erop toeziet dat minderjarige kinderen van asielzoekers of minderjarige vreemdelingen worden gehuisvest bij hun ouders of een volwassen familielid. Dit houdt tevens in dat de minderjarige vreemdeling die wordt begeleid door een volwassene die niet zijn ouder of wettelijk voogd is, niet in alle gevallen in een Amv-voorziening geplaatst hoeft te worden. Wel wordt de minderjarige in de vreemdelingrechtelijke procedure als Amv behandeld (zie B14/2.2.2). Hierbij moet per geval besloten worden over de plaatsing waarbij het belang van het kind leidend is.
|
||||
|
||||
Minderjarige broers en zussen worden op grond van artikel 11, vijfde lid, Rva, voor zover mogelijk bij elkaar gehuisvest.
|
||||
|
||||
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het zoveel mogelijk gezamenlijk huisvesten van familieleden er niet aan in de weg staat dat na het eindigen van de verstrekkingen eventueel tot gescheiden uitzetting of ontruiming wordt overgegaan. Immers, naar vaste jurisprudentie staat noch artikel 8 EVRM, noch het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind aan het eindigen van de opvang in de weg.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.4. Instemmingsvereiste
|
||||
|
||||
In artikel 12, eerste lid, Rva is geregeld dat de asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van het betrekken van woonruimte in een gemeente de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, Rva krijgt aangeboden, indien het COA hiermee heeft ingestemd. Ingevolge het tweede lid zal de asielzoeker zich iedere twee weken bij het COA moeten melden en de instemming bedoeld in het eerste lid moeten hebben verkregen.
|
||||
|
||||
Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft gekregen en vervolgens op eigen initiatief in een gemeente woonruimte vindt, uit de opvangvoorziening vertrekt zonder het COA hiervan in kennis te stellen en daardoor toch de financiële bijdrage blijft ontvangen. Dit is mogelijk wanneer de financiële verstrekkingen op elektronische wijze aan de bewoners worden uitbetaald. Het geld wordt op een rekening gestort buiten de aanwezigheid van de betrokken vreemdeling.
|
||||
|
||||
Het instemmingsvereiste van artikel 12 Rva biedt het COA de mogelijkheid om vast te stellen of de betrokken vreemdeling nog wel in de opvangvoorziening verblijft. De uit het tweede lid voortvloeiende plicht tot melden betekent dat de betrokken asielzoeker zich iedere twee weken meldt bij het COA, waarna dit instemming zal geven voor verdere ontvangst van de verstrekkingen. Indien geen instemming is verkregen eindigt de opvang overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder l, Rva.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.5. Geen gebruikmaken van het onderdak
|
||||
|
||||
##### 4.5.1. Uitsluiting van overige verstrekkingen
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 13, eerste lid, Rva vinden de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b tot en met g, Rva, niet plaats indien de bewoner van de opvangvoorziening geen gebruik maakt van het in de desbetreffende voorziening geboden onderdak.
|
||||
|
||||
De bewoners van een opvangvoorziening zijn niet verplicht gebruik te maken van de geboden opvang. Indien de bewoner elders onderdak kiest, kan hij evenwel geen rechten meer doen gelden op de overige verstrekkingen van artikel 9 Rva. Dit geldt zowel voor de asielzoeker als de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend.
|
||||
|
||||
Indien betrokkene echter weer onderdak wenst in een opvangvoorziening en hij nog voor opvang in het kader van deze regeling in aanmerking komt, worden vorenbedoelde verstrekkingen weer hervat. Het feit dat hij gedurende een korte periode buiten een opvangvoorziening is verbleven, vormt geen reden de opvangvoorzieningen te onthouden. Wel zal betrokkene zich, alvorens in een opvangvoorziening verstrekkingen aangeboden te kunnen krijgen, dienen te melden bij een AC. Aldaar wordt vervolgens door het COA bepaald in welke voorziening hij geplaatst wordt.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
##### 4.5.2. Administratieve plaatsing
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 13, tweede lid, Rva is het mogelijk dat asielzoekers in bijzondere, uitzonderlijke situaties ook kunnen verblijven buiten een opvangvoorziening, de zogenaamde administratieve plaatsing.
|
||||
|
||||
Administratieve plaatsing betreft de plaatsing van een asielzoeker bij een verblijfsgerechtigde of Nederlander. De asielzoeker wordt ingeschreven in de dichtstbijzijnde opvangvoorziening en zal aldaar de (volledige) wekelijkse financiële bijdrage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, Rva kunnen ontvangen. Ook zal hij worden ingeschreven in de ziektekostenregeling voor asielzoekers en verzekerd zijn tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid. De betrokken asielzoeker zal voorts in de opvangvoorziening waarin hij is ingeschreven gebruik kunnen maken van de activiteiten in het kader van educatie en ontwikkeling die aldaar worden aangeboden.
|
||||
|
||||
Plaatsing is toelaatbaar wanneer het de inwoning betreft bij een tot Nederland toegelaten eerstegraads familielid, dan wel de echtgeno(o)t(e) of partner die beschikt over eigen passende woonruimte. Plaatsing buiten een opvangvoorziening is ook mogelijk in de situatie waarin verblijf in een woning buiten de opvangvoorziening vanwege bijzondere (zwaarwegende) medische redenen noodzakelijk moet worden geacht. Het betreft hier een uitzonderlijke situatie waarin vanwege dringende medische redenen continuering van het verblijf in een opvangvoorziening inhumaan of schadelijk voor de gezondheid van de betrokken asielzoeker is.
|
||||
|
||||
Op de bovenbeschreven wijze zal ook de vreemdeling, en zijn familie, wier uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft en die verblijft bij familie, vrienden of kennissen of elders, aanspraak kunnen maken op de financiële bijdrage en de andere verstrekkingen als bedoeld in artikel 9, onder b tot en met g, Rva. Hij dient zich daartoe wel ingeschreven te hebben in een daartoe aangewezen opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
In artikel 13, derde lid, Rva is bepaald dat ook de administratief geplaatste asielzoeker zich dient te melden bij het COA, tenzij het COA hem ontheffing van deze melding heeft verleend.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.6. Financiële toelage
|
||||
|
||||
Het COA verstrekt aan asielzoekers die in een opvangvoorziening verblijven een financiële bijdrage ten behoeve van kosten voor voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. In artikel 14 Rva is een bedrag opgenomen voor alle kosten van levensonderhoud. Hierin is zowel het zak-, het kleed- als het voedingsgeld begrepen. In centra waar de bewoners niet de eigen hoofdmaaltijden verzorgen, krijgen de bewoners uiteraard wel de maaltijden ‘in natura’ verstrekt.
|
||||
|
||||
In artikel 14, eerste lid, Rva is geregeld dat iedere asielzoeker aan wie opvang wordt verleend in een opvangvoorziening hier te lande aanspraak maakt op de verstrekking van een wekelijkse financiële toelage, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, Rva, ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven.
|
||||
|
||||
In artikel 14, tweede tot en met vierde lid, Rva worden de bedragen van de toelagen vastgesteld, toegespitst op de vorm van de opvang en de leeftijd van degene die aanspraak maakt op de voorzieningen.
|
||||
|
||||
De financiële toelage wordt op grond van artikel 14, vijfde lid, Rva iedere week bij vooruitbetaling op een door het COA vastgestelde tijd (en plaats) aan de asielzoeker beschikbaar gesteld.
|
||||
|
||||
In artikel 14, zesde lid, Rva is voorgeschreven dat aan kinderen geen financiële toelage wordt verstrekt in het geval de ouders of verzorgers van het kind een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet ontvangen. Van belang hierbij is op te merken dat de verstrekking van de toelage pas wordt stopgezet drie maanden nadat het recht op kinderbijslag is ontstaan (aldus niet vanaf het moment dat het recht op de uitkering is ontstaan). In de praktijk zal het recht op de uitkering namelijk op een eerder tijdstip ontstaan dan daadwerkelijk de uitkering ook door betrokkenen wordt ontvangen. Het voorschrift dat de verstrekkingen na een termijn van drie maanden na het ontstaan van het recht op kinderbijslag eindigen, brengt met zich dat de betrokken statushouder zelf het initiatief zal moeten nemen de kinderbijslag ook aan te vragen.
|
||||
|
||||
De alleenstaande ouder maakt wel aanspraak op de alleenstaande oudertoeslag als bedoeld in artikel 14, tweede, derde of vierde lid, Rva (de hoogte van de alleenstaande oudertoeslag is afhankelijk van het aantal maaltijden dat in de desbetreffende opvangvoorziening in natura wordt geboden).
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.7. Kleedgeld
|
||||
|
||||
In artikel 15, eerste lid, Rva is geregeld dat asielzoekers bij aanvang van de opvang eenmalig een bedrag ontvangen ten behoeve van de aanschaf van kleding en schoeisel. In het tweede tot en met het vijfde lid zijn bijzondere regelingen opgenomen met betrekking tot de betaling van verstrekkingen aan minderjarigen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.8. Ziektekostenregeling
|
||||
|
||||
In artikel 16, eerste lid, Rva is bepaald dat het treffen van een ziektekostenregeling bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder e, Rva inhoudt het afsluiten van een ziektekostencontract ter dekking van de kosten van het door de Minister vastgestelde pakket medische verstrekkingen.
|
||||
|
||||
Het tweede lid bepaalt dat het verzekeren tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, Rva inhoudt het ten behoeve van de asielzoeker afsluiten van een verzekering voor de wettelijke aansprakelijkheid van de asielzoeker jegens een derde, met een daaraan verbonden maximum, alsmede het betalen van de daarvoor verschuldigde premie.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.9. Vergoeding van buitengewone kosten
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 17, eerste lid, Rva kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder g, Rva, die hij heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
Een asielzoeker maakt op grond van artikel 17, tweede lid, Rva aanspraak op vergoeding van buitengewone kosten ingeval:
|
||||
|
||||
a. het noodzakelijke kosten betreft;
|
||||
b. in die kosten niet op andere wijze kan worden voorzien.
|
||||
|
||||
Het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het COA zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken. Voorwaarde hierbij is dat de kosten in enige mate (direct of indirect) gerelateerd zijn aan het verblijf in de voorziening of aan de (medische en mentale) situatie van betrokkene. Dit betekent dat het mogelijk is dat ook kosten vergoed kunnen worden die niet opgehangen zijn aan, of verbonden zijn met de asielprocedure.
|
||||
|
||||
Kosten die voortvloeien uit een door de asielzoeker gepleegde onrechtmatige daad (schade), overtreding of misdrijf worden op grond van artikel 17, vijfde lid, Rva niet aangemerkt als noodzakelijke kosten. De hieruit voortvloeiende kosten dient de asielzoeker uit eigen middelen te voldoen.
|
||||
|
||||
De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn die kosten die voor betrokkene onontbeerlijk zijn en niet bekostigd kunnen worden uit de normale toelage. Indien in de noodzakelijke kosten van de asielzoeker op andere wijze kan worden voorzien, behoeven deze niet door het COA te worden betaald. Gedacht kan worden aan kosten die worden gedekt door een verzekering, of aan kosten waarvoor een andere persoon aansprakelijk is.
|
||||
|
||||
Het COA dient op grond van artikel 17, derde lid, Rva zo mogelijk voor het plaatsvinden van de situatie waaruit voor de asielzoeker buitengewone kosten voortvloeien aan de betrokken bewoner toestemming te hebben geven voor het maken van deze kosten. Op deze wijze wordt voorkomen dat een asielzoeker kosten maakt waarvan naderhand blijkt dat zij niet voor betaling door het COA in aanmerking komen. Indien de toestemming niet vooraf is gegeven, zal het COA deze kosten slechts behoeven te betalen indien het wegens zeer dringende redenen niet mogelijk was voorafgaand aan het maken van de kosten toestemming te geven, zoals in de situatie waarin de asielzoeker acuut hulp nodig heeft.
|
||||
|
||||
In artikel 17, vijfde lid, Rva wordt aangegeven dat kosten die samenhangen met een reguliere aanvraag, waaronder begrepen de legeskosten, dan wel met een door de asielzoeker gepleegde onrechtmatige daad, gepleegd misdrijf of begane overtreding in ieder geval geen buitengewone kosten zijn, zoals bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 17, zesde lid, Rva kan het COA afwijken van het bepaalde in artikel 17, vijfde lid, Rva, uitsluitend voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
a. de leges voor de verlenging van de verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’, mits betrokkene op het moment van de aanvraag nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
|
||||
b. de leges voor de omzetting van de verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ in een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, mits betrokkene voor het bereiken van de leeftijd van vijftien jaar in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ en nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
|
||||
c. de leges voor de verlening van een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij ouders’, in de gevallen waarin de statushouder op het moment van aanvraag niet minimaal evenveel verdient als de normbedragen uit de Wwb.
|
||||
|
||||
Met de strikt limitatieve opsomming van de uitzonderingssituaties waarin de leges wel vergoed kan worden, is beoogd aan te geven dat de uitzondering uitdrukkelijk niet bedoeld is als hardheidsclausule.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 4.10. Het verrichten van werkzaamheden
|
||||
|
||||
Asielzoekers en andere vreemdelingen die in de centrale opvang verblijven zijn in de gelegenheid, dan wel gehouden werkzaamheden te verrichten. De werkzaamheden zijn te onderscheiden in drie categorieën. Ten eerste zijn asielzoekers gehouden de eigen woon- en leefruimte in de opvangvoorziening schoon te houden. Deze werkzaamheden zijn verplicht en er staat geen vergoeding tegenover. Artikel 19, onderdeel c, Rva biedt hiervoor de grondslag. Daarnaast zijn asielzoekers in de gelegenheid vrijwilligerswerk te verrichten buiten de opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
Voorts zijn er werkzaamheden in en rondom de locatie die de asielzoeker kan verrichten, waartegenover een door het COA te bepalen vergoeding staat. Op deze laatste werkzaamheden ziet artikel 18 Rva. Het gaat hier om werkzaamheden die zich in de dagelijkse gang van zaken op een opvangvoorziening voordoen en die verricht kunnen worden door asielzoekers, zonder dat zij betiteld moeten worden als regulier werk of als dagelijkse werkzaamheden ten behoeve van het schoonhouden van de eigen woonruimte.
|
||||
|
||||
Het COA draagt op grond van artikel 18, tweede lid, Rva zorg voor een eerlijke verdeling van de werkzaamheden over alle asielzoekers die daarvoor in aanmerking wensen te komen. Met het oog hierop en teneinde te voorkomen dat als gevolg van een te sterk uiteenlopende financiële positie van de asielzoekers spanningen zouden ontstaan in een opvangvoorziening, is in het derde lid een bedrag voorgeschreven dat een asielzoeker op deze wijze maximaal kan ontvangen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
### 5. Verplichtingen gedurende de opvang
|
||||
|
||||
#### 5.1. Verplichtingen in verband met het onderdak
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 19 Rva is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht:
|
||||
|
||||
a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van de desbetreffende opvangvoorziening;
|
||||
b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van de desbetreffende opvangvoorziening;
|
||||
c. schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in en rond de woonruimte;
|
||||
d. toegang te verlenen aan het personeel van de opvangvoorziening tot zijn woonruimte indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de asielzoeker de huisregels overtreedt of indien dit voor het beheer van de opvangvoorziening redelijkerwijs noodzakelijk is;
|
||||
e. zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen vaststellen of hij nog in de opvangvoorziening verblijft en aanspraak maakt op opvangvoorzieningen.
|
||||
|
||||
De opvangcentra vormen leefgemeenschappen waar mensen van diverse nationaliteiten en met verschillende achtergronden en ervaringen gedurende een langere periode moeten samenleven. Om de leefbaarheid en beheersbaarheid in stand te houden moeten algemene regels gesteld worden, afspraken gemaakt worden tussen personeel, vrijwilligers en bewoners en moet iedere bewoner bijdragen aan het onderhouden van de leefomgeving. De verplichtingen die zijn omschreven in artikel 19, onder a, b en c, Rva zijn met het oog hierop aan de bewoners gesteld. De huisregels zijn vervat in een door het COA opgesteld huishoudelijk reglement.
|
||||
|
||||
Het COA stelt iedere bewoner die nieuw in de betrokken voorziening binnenkomt in het bezit van de voor die locatie geldende huisregels, zo mogelijk in een voor betrokkene begrijpelijke taal.
|
||||
|
||||
De bewoner van een opvangvoorziening is verplicht het personeel van het COA in de betrokken opvangvoorziening toe te staan zijn of haar woonruimte in de opvangvoorziening binnen te treden indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de asielzoeker de huisregels overtreedt, of indien dit voor het beheer van de opvangvoorziening redelijkerwijs noodzakelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin het vermoeden bestaat van molest, of andere schade en het COA deze schade onverwijld dient te melden aan de verzekering. In deze situatie gaat het belang van het COA boven het privacybelang van de asielzoeker.
|
||||
|
||||
De Algemene wet op het binnentreden is van toepassing. Alvorens de ruimte binnen te treden dient het COA derhalve de bewoner hiervan om toestemming te vragen. Ingeval de betrokken bewoner toestemming weigert te verlenen, is het COA in beginsel niet bevoegd de woning te betreden. Artikel 19, onder d, Rva vormt de grondslag voor het COA om in een spoedvoorziening een titel tot binnentreden bij de rechter te vorderen. In gevallen waarin een onmiddellijk en dreigend gevaar bestaat, kan het COA bevoegd worden geacht de ruimte, ook tegen de wil van de bewoner, te betreden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: dreigend gevaar voor de volksgezondheid, veiligheid of openbare orde. Een behoedzaam en terughoudend gebruik van deze bevoegdheid is evenwel bij de uitoefening ervan vereist. Daarnaast geldt als voorwaarde dat de overtreding ook van een zodanige ernst is dat dit de inbreuk op de privacy van de betrokken bewoner rechtvaardigt.
|
||||
|
||||
Vanuit haar verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van de geboden verstrekkingen is een wekelijkse meldplicht van de asielzoeker bij het COA gewenst. Artikel 19, onder e, Rva voorziet hierin. Tevens wordt hiermee vorm gegeven aan de door de Minister in de Terugkeernotitie van 20 november 2003 vermelde inhuisregistratie bij het COA. Daarbuiten biedt onderdeel e in artikel 19 het COA de mogelijkheid om het niet melden te sanctioneren middels het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen.
|
||||
|
||||
Uiteraard gelden ook hier het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit als verwoord in C23/4.2. De asielzoeker kan het COA om dringende redenen verzoeken hem van zijn wekelijkse meldplicht te ontheffen. Een afwijzing van dit verzoek dient door het COA gemotiveerd te worden. Daarnaast volgt reeds uit artikel 13 Rva dat een asielzoeker gedurende een korte periode buiten de opvangvoorziening kan verblijven. De asielzoeker die hiervan gebruik wil maken dient daartoe een gemotiveerd verzoek aan het COA te richten. Indien het COA dit verzoek afwijst, doet het dat met redenen omkleed.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 5.2. Verplichtingen ten aanzien van eigen inkomsten en vermogen
|
||||
|
||||
De druk die de kosten van de opvang van asielzoekers legt op de collectieve middelen rechtvaardigt dat slechts opvang wordt geboden indien en voor zover betrokkenen niet in het eigen bestaan kunnen voorzien. Aangezien een asielzoeker tijdens zijn verblijf in de opvangvoorzieningen de beschikking zou kunnen krijgen over inkomsten of vermogen, dient hij op grond van artikel 20, eerste lid, Rva op ieder moment tijdens het verblijf in een opvangvoorziening en niet slechts bij aanvang hiervan, onverwijld mededeling te doen aan het COA, dan wel dient door het COA nagegaan te kunnen worden of betrokkene nog steeds voldoet aan de voorwaarden als omschreven in artikel 2, eerste lid, Rva. Uitgangspunt is dat de asielzoeker hiervan zelf onverwijld mededeling doet aan het COA. Voorts dient de asielzoeker, indien het COA daar om verzoekt, een verklaring te geven over eventuele inkomsten of vermogen. Ten aanzien van kinderen wordt deze verklaring gegeven door de asielzoeker ten wiens laste het kind komt. Het COA zal slechts verzoeken om zo’n verklaring indien er een vermoeden bestaat dat een asielzoeker over vermogen of inkomsten beschikt. De betrokken bewoner wordt hiervan in kennis gesteld. Het COA kan ook om een verklaring verzoeken in de situatie waarin het steekproefsgewijs onderzoek verricht ten behoeve van een controle op de rechtmatigheid van uitgaven door het COA. In dit geval zal dit ook zo aan de betrokken bewoner worden medegedeeld.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens ex artikel 34 Wwb of over inkomsten anders dan een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of de verstrekkingen op grond van deze regeling, die onvoldoende zijn om in het eigen onderhoud te voorzien of indien betrokkene conform artikel 2, tweede lid, Rva opvang wordt geboden, dient door betrokkene een tegemoetkoming in de kosten van opvang te worden betaald. Dit is verder uitgewerkt in de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen.
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming is in beginsel gelijk aan de inkomsten, doch bedraagt ten hoogste de economische waarde van de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen. Echter, het terug te vorderen bedrag bedraagt niet meer dan het bedrag van het eigen vermogen of de inkomsten als bedoeld in artikel 20, tweede lid, Rva.
|
||||
|
||||
Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de kosten die betrokkene maakt teneinde de inkomsten te verwerven.
|
||||
|
||||
In dit verband zij er op gewezen dat indien de inkomsten van de asielzoeker zodanig zijn dat hij kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, en betrokkene geen opvang wordt geboden op grond van artikel 2, tweede lid, Rva, de bepalingen van de Rva niet langer op hem betrekking zullen hebben, zodat ook de bepaling dat het COA hem een tegemoetkoming in de kosten van opvang in rekening moet brengen, vervalt.
|
||||
|
||||
In artikel 20, derde lid, Rva is het COA de bevoegdheid gegeven om de kosten van opvang ook terug te vorderen in het geval het na afloop van het verblijf van een vreemdeling in een opvangvoorziening constateert dat de betrokken vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvangvoorziening beschikte over vermogen of inkomsten. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan het bedrag van het eigen vermogen of de inkomsten als bedoeld in artikel 20, tweede lid, Rva.
|
||||
|
||||
Wordt aan betrokkene opvang geboden op grond van artikel 2, tweede lid, Rva, dan worden, niettegenstaande artikel 20 Rva, de verstrekkingen als voorschreven in artikel 9 Rva aan betrokkene in volle omvang aangeboden.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 5.3. Onjuiste gegevens
|
||||
|
||||
In artikel 21 Rva is bepaald dat, indien blijkt dat een asielzoeker in strijd met de waarheid gegevens heeft verstrekt of verzwegen, waardoor hij of zijn gezinsleden ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, de verstrekkingen in een opvangvoorziening hebben verkregen, dan wel dit op andere wijze heeft bewerkstelligd, het COA bevoegd is de waarde van de ten onrechte toegekende verstrekkingen terug te vorderen.
|
||||
|
||||
Het COA kan onder meer het bedrag terugvorderen door in het vervolg de financiële bijdrage die aan de asielzoeker wordt verstrekt gedeeltelijk te onthouden. De onthouding zal gedeeltelijk zijn omdat dit er niet toe behoort te leiden dat de financiële bijdrage ten behoeve van de aanschaf van voedingsmiddelen aan de betrokken asielzoeker wordt onthouden. Ook in de situatie dat aan de betrokken vreemdeling geen opvangvoorzieningen meer worden verstrekt is het COA bevoegd het ten onrechte genoten bedrag terug te vorderen.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 5.4. Beslagvrije voet
|
||||
|
||||
Artikel 22 Rva bepaalt dat voor de verstrekkingen op basis van de Rva een beslagvrije voet geldt. Deze beslagvrije voet is honderd procent ten aanzien van alle verstrekkingen die in natura geschieden en bedraagt viervijfde deel van de verstrekkingen op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, Rva.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
### 6. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
#### 6.1. Vw (oud) van toepassing, terugkeerbeleid niet
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 23 Rva eindigen de verstrekkingen op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de Korpschef dient te verlaten, indien er ten aanzien van een asielzoeker:
|
||||
|
||||
a. voor 1 januari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist;
|
||||
b. een last tot uitzetting is gegeven; en
|
||||
c. door de Korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfsplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten.
|
||||
|
||||
Dit artikel vormt de basis voor de toepassing door het COA van het beleid tot beëindiging van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers die niet onder de werking van het per 1 januari 2000 in werking getreden terugkeerbeleid vallen of ten aanzien van wie niet onder de Vw een (meeromvattende) beslissing op de asielaanvraag is genomen. Het betreft hier een uitzondering op het gestelde in artikel 7, eerste lid, onder b, Rva.
|
||||
|
||||
Het COA is bevoegd de opvangvoorzieningen te beëindigen indien de betrokken vreemdeling medewerking weigert te verlenen bij het verkrijgen van de documenten. In dat verband zij gewezen op de eigen inspanningsverplichting van de vreemdeling en de objectieve criteria voor de vaststelling van het meewerken als verwoord door de Commissie van Dijk in 1998. Alvorens de voorzieningen daadwerkelijk te beëindigen zal door het COA een beschikking hiertoe moeten zijn genomen. Hiertoe wordt de beoordeling inzake het al dan niet meewerken, zoals aan het COA door de IND geleverd, door het COA marginaal getoetst. Het besluit tot beëindiging van verstrekkingen in het kader van de ROA of de Rva is een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb.
|
||||
|
||||
De datum in onderdeel a betreft de ingangsdatum van het terugkeerbeleid als beschreven in de notitie van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 25 juni 1999.
|
||||
|
||||
Artikel 23 Rva heeft alleen betrekking op de vreemdeling die op of na 1 april 2001 niet opnieuw een beschikking heeft ontvangen. Beschikkingen van op of na die datum zijn immers meeromvattende beschikkingen als bedoeld in artikel 45 Vw. Indien er een nieuwe meeromvattende beschikking tot stand komt, heeft dat tot gevolg dat de opvang van rechtswege eindigt op grond van de Vw. Het COA hoeft dan derhalve geen afzonderlijke beschikking meer te nemen inzake de beëindiging van de voorzieningen. Ook is een ontruimingsprocedure niet meer nodig.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
#### 6.2. Vw (oud) en terugkeerbeleid van toepassing
|
||||
|
||||
Artikel 24 Rva bepaalt dat, in afwijking van artikel 23 Rva, de opvang eindigt op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden indien het gaat om een vreemdeling ten aanzien van wie:
|
||||
|
||||
a. op of na 1 januari 2000 een niet-inwilligende beslissing op de asielaanvraag is genomen; of
|
||||
b. op of na 29 december 2000 een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet-inwilligende beslissing op de asielaanvraag is genomen; of
|
||||
c. op of na 1 januari 2000 de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken.
|
||||
|
||||
Deze bepaling vormt de basis voor de toepassing door het COA van het beleid tot beëindiging van de opvangvoorzieningen aan asielzoekers die onder de werking van het per 1 januari 2000 in werking getreden terugkeerbeleid vallen en ten aanzien van wie niet onder de Vw een (meeromvattende) beslissing op de asielaanvraag is genomen. Aan deze categorie asielzoekers eindigt de opvang overeenkomstig de wijze als bepaald in artikel 7, eerste lid, onder b Rva, conform het daarop gebaseerde Stappenplan 2000, als gepubliceerd in de Stcrt. van 10 februari 2000 (nr. 29).
|
||||
|
||||
Ook deze bepaling heeft alleen betrekking op de vreemdeling die na 1 april 2001 niet opnieuw een beschikking heeft ontvangen, hetzij op een aanvraag, hetzij op een bezwaarschrift, al dan niet na een gegrond beroep. Het gestelde hierover in C23/6.1 is van toepassing.
|
||||
20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010
|
||||
|
||||
## 24. Landgebonden beleid
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue