1997-03-01 | BWBR0008511 | Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering
This commit is contained in:
parent
b5486b4cb0
commit
6d2da00ac3
1 changed files with 31 additions and 27 deletions
|
|
@ -18,28 +18,30 @@ citeertitel: Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. lozen: brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
|
||||
a. lozen: in oppervlaktewateren brengen van stoffen:
|
||||
|
||||
1°. met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten, welk ander werk is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk, of
|
||||
2°. op een andere wijze dan met behulp van een werk op een werk, dat is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;
|
||||
b. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
|
||||
c. NEN onderscheidenlijk NVN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm of voornorm;
|
||||
d. bodemsanering: saneren in de zin van de Wet bodembescherming;
|
||||
e. proefbronnering: oppompen van verontreinigd grondwater in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming;
|
||||
f. wet: Wet milieubeheer;
|
||||
g. bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt;
|
||||
f. wet: Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
|
||||
g. waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3, onderscheidenlijk 6, eerste lid, van de wet bevoegd is of zou zijn een vergunning te verlenen;
|
||||
h. bijlage I of II: bij dit besluit behorende bijlage I onderscheidenlijk II;
|
||||
i. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
j. zuiveringstechnische werk: zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.
|
||||
i. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in dit besluit naar een NEN of een NVN wordt verwezen, wordt bedoeld de vóór de datum waarop dit besluit in het *Staatsblad* is geplaatst, laatst uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de verwijzing betrekking heeft op na die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen of dat verwijzing naar een NEN of NVN wordt vervangen door een door het NNI uitgegeven ISO-normering.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Dit besluit berust op de artikelen 10.30, derde lid, en 10.32 van de Wet milieubeheer.
|
||||
Inrichtingen behorende tot bedrijven die bodemsaneringen of proefbronneringen verrichten worden aangewezen als soorten van inrichtingen in de zin van artikel 1, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld, zijn van toepassing op het lozen anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer ten behoeve van een
|
||||
De voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld, zijn van toepassing op het lozen ten behoeve van een
|
||||
|
||||
a. bodemsanering:
|
||||
|
||||
|
|
@ -61,7 +63,7 @@ a. de verontreiniging in de bodem uitsluitend is veroorzaakt door:
|
|||
|
||||
1°. chemische wasserijen;
|
||||
2°. tankstations voor het wegverkeer;
|
||||
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
|
||||
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie en autowrakken;
|
||||
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
|
||||
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
|
||||
b. de verontreiniging in de bodem uitsluitend bestaat uit motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer of minerale olie.
|
||||
|
|
@ -70,7 +72,7 @@ b. de verontreiniging in de bodem uitsluitend bestaat uit motorbrandstoffen ten
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de wet, geldt niet ten aanzien van het lozen, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Bij dit lozen wordt voldaan aan de voorschriften die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
|
||||
De verboden, bedoeld in artikel 1 van de wet, gelden niet ten aanzien van het lozen, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Bij dit lozen wordt voldaan aan de voorschriften die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. BEPALINGEN VOOR BODEMSANERING
|
||||
|
||||
|
|
@ -78,7 +80,9 @@ Het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de wet, geldt niet ten aan
|
|||
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering draagt er zorg voor dat het lozingsdebiet zodanig is dat de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid.
|
||||
**2.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, worden gesteld na overleg met de beheerder van de riolering.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -86,17 +90,17 @@ Het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de wet, geldt niet ten aan
|
|||
|
||||
**2.** De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, worden op de eerste, de derde, de achtste en de vijftiende dag na aanvang van het lozen uitgevoerd. Hierna worden de bepalingen uitgevoerd met een zodanige frequentie als nodig is om veranderingen in de gehalten tijdig te signaleren. Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan, indien de bepaling één maal per twee weken plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien degene die loost op enig tijdstip overgaat op een andere frequentie van de bepalingen, meldt hij dit onverwijld aan het bevoegd gezag.
|
||||
**3.** Indien degene die loost op enig tijdstip overgaat op een andere frequentie van de bepalingen, meldt hij dit onverwijld aan de waterkwaliteitsbeheerder.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de frequentie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.
|
||||
**4.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de frequentie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
|
||||
De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
|
||||
|
||||
a. dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, of
|
||||
b. dat het gehalte aan die stof bij het lozen een bepaalde waarde niet mag overschrijden, of
|
||||
|
|
@ -104,7 +108,7 @@ c. dat het gehalte aan die stof wordt bepaald met een daarbij aan te geven meetf
|
|||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Vierentwintig maanden na het tijdstip van aanvang van het lozen ten behoeve van een bodemsanering maakt degene die loost een raming van de resterende duur van het lozen en hij legt dit binnen vier weken aan het bevoegd gezag over.
|
||||
Vierentwintig maanden na het tijdstip van aanvang van het lozen ten behoeve van een bodemsanering maakt degene die loost een raming van de resterende duur van het lozen en hij legt dit binnen vier weken aan de waterkwaliteitsbeheerder over.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. BEPALINGEN VOOR PROEFBRONNERING
|
||||
|
||||
|
|
@ -114,23 +118,23 @@ Op degene die loost ten behoeve van een proefbronnering is artikel 5 van overeen
|
|||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en dat de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt en dat de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
|
||||
**2.** Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan, indien het gehalte aan die stof niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering bepaalt dagelijks het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, indien deze blijkens het overzicht, bedoeld in artikel 16, onderdeel *h*, voorkomt als verontreiniging.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
|
||||
**4.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
|
||||
|
||||
**5.** Tenzij toepassing is gegeven aan het vierde lid, wordt aan de eis van het eerste lid tevens voldaan indien het gehalte, bedoeld in artikel 17, tweede lid, niet wordt overschreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
**1.** Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
|
||||
De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
|
||||
|
||||
a. dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid,
|
||||
b. dat het gehalte aan die stof bij het lozen een bepaalde waarde niet mag overschrijden, of
|
||||
|
|
@ -150,19 +154,19 @@ Degene die loost bepaalt het dagelijks geloosde volume met een geijkte debietmet
|
|||
|
||||
**1.** Degene die loost registreert plaats, datum en de resultaten van de volume- of gehaltebepalingen.
|
||||
|
||||
**2.** De registratie wordt gedurende vijf jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag ter beschikking gesteld.
|
||||
**2.** De registratie wordt gedurende vijf jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan de waterkwaliteitsbeheerder ter beschikking gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een bodemsanering legt degene die loost de gegevens, bedoeld in het eerste lid, over de eerste twee weken na aanvang van het lozen direct na afloop van die periode over aan het bevoegd gezag. Daarna worden de resultaten van de gehalte- en volumebepalingen eens per drie maanden aan het bevoegd gezag overgelegd.
|
||||
**3.** Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een bodemsanering legt degene die loost de gegevens, bedoeld in het eerste lid, over de eerste twee weken na aanvang van het lozen direct na afloop van die periode over aan de waterkwaliteitsbeheerder. Daarna worden de resultaten van de gehalte- en volumebepalingen eens per drie maanden aan de waterkwaliteitsbeheerder overgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een proefbronnering worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk na afloop van de proefbronnering aan het bevoegd gezag overgelegd.
|
||||
**4.** Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een proefbronnering worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk na afloop van de proefbronnering aan de waterkwaliteitsbeheerder overgelegd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. MELDINGSPLICHT EN ONGEWONE VOORVALLEN
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is te lozen of het lozen te veranderen meldt dit voornemen ten minste zes weken voordat met het lozen onderscheidenlijk het veranderen daarvan wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
|
||||
**1.** Degene die voornemens is te lozen of het lozen te veranderen meldt dit voornemen ten minste zes weken voordat met het lozen onderscheidenlijk het veranderen daarvan wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder.
|
||||
|
||||
**2.** De beëindiging van het lozen wordt ten hoogste één week na die beëindiging schriftelijk aan het bevoegd gezag medegedeeld.
|
||||
**2.** De beëindiging van het lozen wordt ten hoogste één week na die beëindiging schriftelijk aan de waterkwaliteitsbeheerder medegedeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -187,11 +191,11 @@ j. voor een stof als bedoeld onder *h* en *i*, die niet is genoemd in bijlage I,
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een ontvangend oppervlaktewaterlichaam of voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die loost onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de bedoelde gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
|
||||
**1.** Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater of voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die loost onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de bedoelde gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering, een voorval of omstandigheid als bedoeld in het eerste lid voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan het bevoegd gezag binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.
|
||||
**2.** Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering, een voorval of omstandigheid als bedoeld in het eerste lid voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan de waterkwaliteitsbeheerder binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien zich buiten de inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan en het bevoegd gezag maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam of van belemmering van de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.
|
||||
**3.** Indien zich buiten de inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan en de waterkwaliteitsbeheerder maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van oppervlaktewateren of van belemmering van de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing voor zover hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue