From 6d3e59bb280b81d17dacb5e4bca5a4108d7705a2 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Oct 2010 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2010-10-01 | BWBR0003245 | Wet milieubeheer --- wet/wet-milieubeheer/BWBR0003245/README.md | 931 ++++++--------------- 1 file changed, 272 insertions(+), 659 deletions(-) diff --git a/wet/wet-milieubeheer/BWBR0003245/README.md b/wet/wet-milieubeheer/BWBR0003245/README.md index 02545b146fd..28b3da02b95 100644 --- a/wet/wet-milieubeheer/BWBR0003245/README.md +++ b/wet/wet-milieubeheer/BWBR0003245/README.md @@ -40,8 +40,6 @@ bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen; -beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld; - betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit; @@ -92,8 +90,6 @@ gemeentelijk milieubeleidsplan: het gemeentelijke milieubeleidsplan, bedoeld in gevaarlijke afvalstoffen: bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties; -gpbv-installatie: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; - huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden; huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; @@ -112,6 +108,10 @@ NO_x-emissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 ove nuttige toepassing: de als zodanig in artikel 1 van de richtlijn nr. 2006/12/EG van 5 april 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen, aangeduide activiteit; +omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; + +omgevingsvergunning voor een inrichting: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; + Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; @@ -233,10 +233,10 @@ b. regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordenin De verordening kan slechts, voor zover dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, regels bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels aangewezen categorieën van inrichtingen, voor zover: -a. ten aanzien van die inrichtingen de in artikel 8.1 gestelde verboden niet gelden, en die regels noodzakelijk zijn ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden, of +a. ten aanzien van die inrichtingen het in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod niet geldt en die regels noodzakelijk zijn ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden, of b. het regels betreft, inhoudende een verbod tot het oprichten of in werking hebben van dergelijke inrichtingen in gebieden als bedoeld onder a, dan wel tot het op een bij die verordening aan te geven wijze veranderen van dergelijke inrichtingen in die gebieden, of het veranderen van de werking daarvan. -**7.** Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens hoofdstuk 8 te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. +**7.** Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de daarbij aangegeven onderwerpen in de daaraan verbonden voorschriften van bij de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. **8.** Bij de vaststelling van de verordening houden provinciale staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan. @@ -248,7 +248,7 @@ Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die het naar of **1.** Bij de provinciale milieuverordening kan worden bepaald dat daarbij aangewezen bestuursorganen in daarbij aangegeven categorieën van gevallen ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening aangewezen regels, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. -**2.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 is vereist. +**2.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. **3.** Het betrokken orgaan houdt bij de beslissing op de aanvraag om een ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan. @@ -256,15 +256,43 @@ Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die het naar of ### Artikel 1.3a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** + +De aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een project waarvan een activiteit deel uitmaakt waarvoor tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is vereist van: + +a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, +b. regels met betrekking tot activiteiten in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, of +c. andere bij provinciale milieuverordening daartoe aangewezen regels, draagt er zorg voor dat de aanvraag mede betrekking heeft op die activiteit. + +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit is toegestaan krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, of voor de activiteit een zodanige ontheffing is aangevraagd. + +**3.** De krachtens artikel 1.3, eerste lid, aangewezen regels gelden niet voor zover de activiteiten waarop die regels betrekking hebben, zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid. + +**4.** Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in het eerste lid. + +**5.** Artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing op ontheffingen die ingevolge een provinciale milieuverordening zijn vereist. ### Artikel 1.3b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid. + +**2.** Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend en wordt de omgevingsvergunning geweigerd op de gronden die ten aanzien van een ontheffing voor de activiteit zijn aangegeven in de provinciale milieuverordening. + +**3.** Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de beschikking met betrekking tot de eerste en tweede fase. + +**4.** Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan deze geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of kunnen de daaraan verbonden voorschriften worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken, dan wel kunnen alsnog voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning, op de gronden die ten aanzien van een ontheffing voor die activiteit zijn aangegeven in de provinciale milieuverordening. + +**5.** Indien bij provinciale milieuverordening regels zijn aangewezen als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, onder c, worden bij de verordening regels gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden die door de aanvrager om een omgevingsvergunning worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag met betrekking tot de activiteiten waarop die regels van toepassing zijn. ### Artikel 1.3c -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, te verbinden aan de omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, of voor inrichtingen die behoren tot een bij de verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. + +**2.** Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. + +**3.** Bij de verordening wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de verordening gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de verordening aangegeven categorieën van gevallen. + +**4.** Bij de verordening wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende omgevingsvergunningen moeten zijn uitgevoerd. ### Artikel 1.4 @@ -357,7 +385,9 @@ Vervallen ### Artikel 2.16a -Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en de betrokken andere bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 8, 16 of 18 van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet. +**1.** Onverminderd artikel 16.8 van deze wet en het bepaalde krachtens artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 van deze wet betrekking heeft, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 16 en 18 van deze wet, onderscheidenlijk de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. + +**2.** Onverminderd artikel 16.8 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en Onze Minister van Economische Zaken ingeval voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 van deze wet betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens hoofdstuk 16 van deze wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de Mijnbouwwet. ### Artikel 2.16b @@ -436,7 +466,7 @@ Er is een Commissie genetische modificatie. De commissie heeft tot taak: a. Onze Minister te adviseren over kennisgevingen en aanvragen om vergunning met betrekking tot het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen en over veiligheidsmaatregelen die in het kader daarvan moeten worden getroffen ter bescherming van mens en milieu; -b. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van vergunningen krachtens artikel 8.1, te adviseren over aanvragen om vergunning met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen inrichtingen voor zover die aanvragen betrekking hebben op het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen; +b. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting, te adviseren over aanvragen om vergunning met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen inrichtingen voor zover die aanvragen betrekking hebben op het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen; c. het bestuursorgaan dat belast is met het toezicht op het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen, te adviseren met betrekking tot dat toezicht. **2.** Op verzoek van Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, of uit eigen beweging informeert de commissie Onze betrokken Minister indien aan het vervaardigen van of aan handelingen met genetisch gemodificeerde organismen ethische of maatschappelijke aspecten zijn verbonden die naar het oordeel van de commissie van belang zijn. @@ -1147,7 +1177,7 @@ Indien op of na het daarbij behorende tijdstip niet wordt voldaan of dreigt te w **2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vereist zijn van een besluit voortvloeit uit Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke verplichtingen. -**3.** Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of de beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking hebbende onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet. +**3.** Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of de beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking hebbende onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden onder bestemmingsplan of beheersverordening mede de betrokken onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, begrepen. **4.** In de gevallen waarin het derde lid van toepassing is, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vast overeenkomstig de onderdelen van het programma, bedoeld in het derde lid. Dit geschiedt binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet of, ingeval van een wijziging van dat programma die of nieuw programma dat na die datum wordt vastgesteld, binnen een jaar nadat die wijziging of dat programma onherroepelijk is geworden. @@ -1197,12 +1227,16 @@ d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel b De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in: -a. de artikelen 1.2, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2 en 8.40, eerste lid; +a. de artikelen 1.2, 7.27, 7.35, 7.42 en 8.40, eerste lid; b. de artikelen 13 en 16 van de Wet inzake de luchtverontreiniging; -c. de artikelen 3.1, 3.10, 3.22, 3.26, 3.27, 3.28 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening; +c. de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening; d. artikel 15 van de Tracéwet; e. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding; f. artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering; +f. artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die bevoegdheid betrekking heeft op: + +1°. activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet; +2°. gevallen waarin van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, van die wet; g. artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet. **3.** Bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c of d, gedurende de periode waar een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, betrekking op heeft, vindt met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling of het desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde voor die periode, noch voor enig jaar daarna. @@ -1368,7 +1402,7 @@ a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid is: een door Onz b. indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is: 1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen bestuursorgaan, en -2º. de inspecteur, voor zover het betreft het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder a, aangewezen categorie. +2º. de inspecteur, voor zover het betreft een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een geval dat behoort tot een krachtens artikel 2.26, derde lid, van die wet aangewezen categorie. ### Artikel 7.1a @@ -1937,43 +1971,19 @@ Vervallen ## Hoofdstuk 8. Inrichtingen -### Titel 8.1. Vergunningen - -#### Afdeling 8.1.1. Algemeen +### Paragraaf 8.1 ### Artikel 8.1 -**1.** - -Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort: - -a. op te richten; -b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen; -c. in werking te hebben. - -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden. - -**3.** Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid dan wel voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften. - -**4.** Voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, evenmin met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, voor zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40, van toepassing zijn. +Vervallen ### Artikel 8.2 -**1.** Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, zijn bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid. - -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Een zodanige maatregel wordt slechts vastgesteld met betrekking tot categorieën van inrichtingen ten aanzien waarvan dat geboden is gezien de aard en de omvang van de gevolgen die die inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel met het oog op de doelmatige bescherming van het milieu of met betrekking tot categorieën van gevallen waarin dat geboden is met het oog op het algemeen belang. - -**3.** In afwijking van het eerste en het tweede lid is Onze Minister van Economische Zaken bevoegd te beslissen op een aanvraag om een vergunning voor een inrichting die in hoofdzaak een krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk is, voorzover het niet betreft de ondergronds gelegen inrichting voor het opslaan van afvalstoffen die van buiten het betrokken mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke stoffen. - -**4.** In afwijking van het eerste en het tweede lid kan Onze Minister - indien dat geboden is in het belang van de veiligheid van de Staat - in overeenstemming met Onze betrokken Minister bepalen dat hij ten aanzien van een bij zijn besluit aangewezen inrichting bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning. +Vervallen ### Artikel 8.2a -**1.** Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een inrichting die tevens een mijnbouwwerk is, maar geen aanvraag is als bedoeld in artikel 8.2, derde lid, wordt de vergunning niet verleend dan nadat Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen, voor zover het de mijnbouwactiviteiten betreft, geen bedenkingen heeft. - -**2.** De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. - -**3.** De artikelen 2.27, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 2.29, eerste lid, 2.31, eerste lid, onderdeel a, 2.33, eerste lid, onderdeel c, 3.11 en 5.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor«omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer. +Vervallen ### Artikel 8.2b @@ -1981,450 +1991,151 @@ Vervallen ### Artikel 8.3 -**1.** Indien bij of krachtens een wettelijke bepaling, dan wel door een verandering van de inrichting of de werking daarvan de bevoegdheid te beslissen op aanvragen om een vergunning voor een inrichting overgaat naar een ander orgaan, worden reeds voor die inrichting verleende vergunningen gelijkgesteld met vergunningen, verleend door dat andere orgaan. - -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen verder regeling behoeft in verband met een overgang als bedoeld in het eerste lid. +Vervallen ### Artikel 8.4 -**1.** Indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b , of artikel 8.1, tweede lid, juncto artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, kan het bevoegd gezag, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt. - -**2.** Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige vergunning moet worden aangevraagd, besluit het tot het buiten behandeling laten van aanvragen om een vergunning voor de betrokken verandering van de inrichting of van de werking daarvan, die geen betrekking hebben op een zodanige vergunning. - -**3.** Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2. - -**4.** Een met toepassing van dit artikel verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt. +Vervallen ### Artikel 8.5 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag moet geschieden en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag. - -**2.** - -Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet: - -a. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet is ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning bij zijn aanvraag overlegt; -b. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning aan het bevoegd gezag overlegt gelijktijdig met de indiening van die aanvraag. - -**3.** Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid. +Vervallen ### Artikel 8.6 -Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.7 -**1.** - -Het bevoegd gezag stelt - -a. de inspecteur, indien de betrokken inrichting behoort tot een door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen categorie, -b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de betrokken inrichting zal zijn of is gelegen, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, -c. andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in gevallen die bij die maatregel zijn aangewezen, - -in de gelegenheid hem advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. - -**2.** De adviseurs kunnen het bevoegd gezag te allen tijde uit eigen beweging advies uitbrengen over de beslissing op de aanvraag. - -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen, die - anders dan als adviseurs - eveneens bij de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken. +Vervallen ### Artikel 8.8 -**1.** - -Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval: - -a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken; -b. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede gezien haar technische kenmerken en haar geografische ligging; -c. de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; -d. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn overeenkomstig artikel 3:15 van die wet naar voren gebrachte zienswijzen en door de krachtens artikel 8.7 aangewezen adviseurs en overeenkomstig artikel 8.31 uitgebrachte adviezen; -e. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen; -f. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert. - -**2.** - -Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met: - -a. het voor hem geldende milieubeleidsplan; -b. het bepaalde in artikel 10.14; -c. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of artikel 5.17. - -**3.** - -Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht: - -a. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 dan wel voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder; -b. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.45 gestelde regels; -c. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.46 gestelde regels, behoudens voor zover een aanwijzing van Onze Minister krachtens artikel 8.27 afwijking noodzakelijk maakt; -d. aanwijzingen die met betrekking tot de beslissing op de aanvraag krachtens artikel 8.27 door Onze Minister zijn gegeven. - -**4.** In afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht. - -**5.** Het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, en het vierde lid zijn niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de geluidsbelasting van het gehele industrieterrein niet toeneemt. - -**6.** Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag aan, op welke wijze de in het eerste lid genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde of vijfde lid, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering. +Vervallen ### Artikel 8.9 -Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten. +Vervallen ### Artikel 8.10 -**1.** De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. - -**2.** - -De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: - -a. door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; -b. verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen; -c. door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 8.9. - -**3.** In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een projectbesluit daaronder begrepen een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. - -**4.** In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. - -**5.** Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. +Vervallen ### Artikel 8.11 -**1.** In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. - -**2.** Een vergunning kan in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. - -**3.** In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. - -**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. - -**5.** Voor zover met betrekking tot de inrichting regels gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, kunnen de beperkingen en voorschriften daarvan alleen afwijken voor zover dat bij wettelijk voorschrift is toegestaan. - -**6.** Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, wordt in de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden, van de in het vijfde lid bedoelde regels afgeweken voor zover met die regels voor de gpbv-installatie niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.11, derde lid. +Vervallen ### Artikel 8.12 -**1.** De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken. - -**2.** Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën van stoffen – in het bijzonder die, genoemd in bijlage III van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging –, die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. - -**3.** Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning. Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die gelden ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), en de in bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde richtlijnen. - -**4.** - -Voor zover aan een vergunning voor een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, voor zover het die gpbv-installatie betreft, voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat: - -a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen; -b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag. - -**5.** In afwijking van het vierde lid, onder b, worden geen voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in dat onderdeel, voor zover die gegevens krachtens titel 12.3 moeten worden opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die titel. - -**6.** Voor inrichtingen waartoe geen gpbv-installatie behoort en voor inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort voor zover het andere activiteiten dan die gpbv-installatie betreft, kunnen voorschriften als bedoeld in het vierde lid, onder a en b, aan een vergunning worden verbonden. +Vervallen ### Artikel 8.12a -**1.** Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Voor zover die voorschriften betrekking hebben op gpbv-installaties wordt daarbij niet het gebruik van bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven. - -**2.** Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid, aan de vergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste en tweede lid, leiden de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu. - -**3.** - -Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat: - -a. over de uitvoering van technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag; -b. daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften zijn bedoeld. - -**4.** Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het derde lid, is artikel 8.12, vierde lid, onder b, van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.12b -Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot: - -a. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; -b. de bescherming van bodem en grondwater; -c. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer van afvalstoffen en van afvalwater; -d. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting; -e. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen; -f. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden; -g. het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen; -h. het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie. +Vervallen ### Artikel 8.13 -**1.** - -Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval inhouden: - -a. dat daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen – andere dan bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.12a – moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt; -b. dat in een mate als bij het voorschrift aangegeven, onderzoek moet worden verricht naar mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere aan de vergunning verbonden voorschriften voorzien; -c. dat de uitkomsten van daarbij aangegeven metingen, berekeningen, tellingen of onderzoeken moeten worden geregistreerd en bewaard dan wel moeten worden gemeld of ter beschikking gesteld van bij het voorschrift aangewezen bestuursorganen; -d. dat moet worden voldaan aan daarbij aangegeven eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van in de inrichting werkzame personen; -e. dat aan de in de inrichting werkzame personen schriftelijk instructies worden gegeven om handelen in strijd met de vergunning, de daaraan verbonden voorschriften of bij of krachtens artikel 8.40 gestelde regels tegen te gaan, en dat toezicht wordt gehouden op het naleven van die instructies; -f. dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld; -g. dat van daarbij aangegeven veranderingen als bedoeld in artikel 8.1, derde lid, binnen een in het voorschrift te bepalen termijn schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het bevoegd gezag of een door hem aangewezen instantie; -h. dat met het oog op het kunnen voldoen aan de andere aan de vergunning verbonden voorschriften daarbij aangegeven organisatorische en administratieve maatregelen moeten worden getroffen; -i. dat met betrekking tot een bij het voorschrift aangegeven onderwerp waarover geen andere voorschriften aan de vergunning zijn verbonden, voldoende zorg in acht moet worden genomen. - -**2.** In afwijking van het eerste lid, onder c, worden geen voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het melden of ter beschikking stellen van uitkomsten als bedoeld in dat onderdeel, indien die uitkomsten als gegevens krachtens titel 12.3 moeten worden opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die titel. - -**3.** Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het eerste lid, onder *f*, kan worden aangegeven hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven. +Vervallen ### Artikel 8.13a -**1.** Aan een vergunning worden geen voorschriften verbonden, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten. - -**2.** - -Aan een vergunning worden, indien het een inrichting betreft waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden betrekking hebben, geen voorschriften verbonden: - -a. inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden betrekking hebben, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt; -b. ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting. - -**3.** Voorzover aan een vergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het tweede lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften. +Vervallen ### Artikel 8.14 -**1.** - -Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, bevat de vergunning ten minste de verplichtingen: - -a. tot het registreren van: - -1°. daarbij aangewezen afvalstoffen die in de inrichting nuttig worden toegepast of worden verwijderd: naar hoeveelheid, aard en oorsprong; -2°. stoffen die bij de nuttige toepassing of verwijdering van die afvalstoffen worden gebruikt of verbruikt: naar aard en hoeveelheid; -3°. stoffen, preparaten en producten, hieronder mede begrepen afvalstoffen, die bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan: naar aard en hoeveelheid; -4°. de wijze waarop de onder 3° bedoelde afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd; -5°. stoffen, preparaten en producten die de inrichting verlaten, voor zover deze bij de nuttige toepassing of verwijdering zijn ontstaan: naar aard en hoeveelheid, en -b. tot het bewaren van de geregistreerde gegevens gedurende ten minste vijf jaren. - -**2.** Onze Minister kan regels stellen omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt. +Vervallen ### Artikel 8.15 -**1.** - -Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen waarin inrichtingen ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, aan de vergunning tevens voorschriften kunnen worden verbonden, die de verplichting inhouden dat degene die de inrichting drijft: - -a. financiële zekerheid stelt voor het nakomen van krachtens de vergunning voor hem geldende verplichtingen; -b. financiële zekerheid stelt ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit door de inrichting veroorzaakte nadelige gevolgen voor het milieu. - -**2.** Bij een maatregel krachtens het eerste lid worden nadere regels gesteld met betrekking tot de op te leggen voorschriften. Daarbij worden in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor en de termijn gedurende welke de zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden, alsmede de voorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens de verplichting kan komen te vervallen. - -**3.** Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt. - -**4.** Indien overeenkomstig het eerste lid een voorschrift als bedoeld in dat lid, onder *a*, aan een vergunning is verbonden, kan het bevoegd gezag bij het niet nakomen door de houder van de vergunning van een krachtens de vergunning voor hem geldende verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld, bepalen tot welk bedrag het verhaal zal nemen op de gestelde zekerheid. Het bevoegd gezag kan het te verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel. +Vervallen ### Artikel 8.16 -In een vergunning kan worden bepaald: - -a. dat daarbij aangewezen voorschriften eerst in werking treden op een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel wanneer een daarbij aangegeven omstandigheid zich voordoet; -b. dat daarbij aangewezen voorschriften slechts gelden tot een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel omstandigheid; -c. dat daarbij aangewezen voorschriften nadat de vergunning haar gelding heeft verloren, gedurende een daarbij aangegeven termijn van kracht blijven. +Vervallen ### Artikel 8.17 -**1.** - -In een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien: - -a. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, naar haar aard tijdelijk is; -b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd; -c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken; -d. dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu. - -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voorzover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen. - -**3.** In een vergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn, voor zover dat is bepaald bij een algemene maatregel van bestuur, die is vastgesteld ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. De bij de maatregel aangegeven termijn kan zo nodig afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen. +Vervallen ### Artikel 8.18 -**1.** - -De vergunning voor een inrichting vervalt - -a. indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht; -b. indien de inrichting een stortplaats is, als bedoeld in artikel 8.47: indien de stortplaats krachtens het derde lid van genoemd artikel voor gesloten is verklaard. - -**2.** Indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde termijn kan worden voltooid en in werking gebracht, kan in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt. - -**3.** Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen. +Vervallen ### Artikel 8.19 -**1.** - -Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat: - -a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend; -b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en -c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op veranderingen ten aanzien waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn geweest, bij de voorbereiding van de besluiten terzake, een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. - -**3.** Een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na ontvangst van de melding, bekendgemaakt. - -**4.** Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de verklaring geeft het bevoegd gezag openbaar kennis daarvan. Indien de verklaring betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder a, aangewezen categorie, zendt het bevoegd gezag bovendien een afschrift van de melding en de verklaring aan de inspecteur. - -**5.** Het bevoegd gezag geeft een ieder desgevraagd kosteloos inzage in de melding en de daarbij behorende stukken en verstrekt daarvan desgevraagd tegen betaling van de kosten een afschrift. - -**6.** - -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot: - -a. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt; -b. de openbare kennisgeving van de verklaring. +Vervallen ### Artikel 8.20 -**1.** Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. - -**2.** Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens. - -**3.** - -Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangegeven, waarin de vergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen: - -a. de vergunning nog gedurende een daarbij aangegeven termijn blijft gelden voor rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend; -b. de vergunning ook geldt voor een rechtspersoon, aan wie zij is overgedragen door een andere rechtspersoon, indien daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend. +Vervallen ### Artikel 8.21 -**1.** Indien met betrekking tot een inrichting waarvoor de bij of krachtens artikel 8.1 gestelde verboden niet gelden, die verboden op enig tijdstip gaan gelden, kan die inrichting in afwijking van die bepaling zonder vergunning in werking worden gehouden tot twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen deze termijn een aanvraag om de krachtens die bepaling vereiste vergunning is ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op die aanvraag in werking is getreden. - -**2.** Indien zodanige verboden gaan gelden ten gevolge van een verandering van de inrichting of van de werking daarvan, is het eerste lid niet van toepassing, voor zover het die verandering betreft. - -**3.** Indien de bij of krachtens artikel 8.1 gestelde verboden met betrekking tot de inrichting niet golden, blijven de voorschriften die krachtens een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 voor de inrichting golden of krachtens de provinciale milieuverordening krachtens artikel 1.2, zesde lid, onder a , onmiddellijk voor het gaan gelden van die verboden, voor de inrichting van toepassing gedurende de periode waarin de inrichting ingevolge het eerste lid zonder vergunning in werking mag worden gehouden, behoudens voor zover het veranderingen als bedoeld in het tweede lid betreft. - -#### Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen +Vervallen ### Artikel 8.22 -**1.** Het bevoegd gezag beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. - -**2.** Het bevoegd gezag wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. - -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. - -**4.** Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.23 -**1.** Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. - -**2.** Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen. - -**3.** Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.24 -**1.** Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden. - -**2.** Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.25 -**1.** - -Het bevoegd gezag kan - onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.39 en 18.12 bepaalde - een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken: - -a. indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; -b. indien dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is; -c. indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; -d. indien de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest; -e. indien, in gevallen als aangegeven krachtens artikel 8.20, derde lid, de vergunninghouder niet meer degene is, die de inrichting drijft; -f. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. - -**2.** - -Het bevoegd gezag trekt de vergunning in: - -a. indien door toepassing van artikel 8.22, tweede lid, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; -b. voor zover regels vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, hiertoe verplichten. - -**3.** Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken. - -**4.** Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.9 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de voorbereiding van de intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of tweede lid. - -**5.** In een geval als aangegeven krachtens artikel 8.15 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 8.15, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. - -**6.** In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden. - -**7.** Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid, onder f, is artikel 8.10, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. - -**8.** Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van zes weken schriftelijk of mondeling zienswijzen over de intrekking naar voren te brengen. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs. +Vervallen ### Artikel 8.26 -**1.** Het bevoegd gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. - -**2.** Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen 8.6, 8.8 en 8.9 van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Artikel 8.25, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.26a -Een ingevolge deze afdeling ambtshalve gegeven beschikking op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt gegeven binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp van die beschikking. - -#### Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen - -##### Paragraaf 8.1.3.1. Algemeen +Vervallen ### Artikel 8.27 -**1.** In gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan een Onzer Ministers het bevoegd gezag is, kan Onze Minister, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bevoegd gezag een bindende aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning of ten aanzien van een reeds verleende vergunning. Daarbij houdt hij rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan. - -**2.** Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hij deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal. - -**3.** De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. - -##### Paragraaf 8.1.3.2. Gevallen waarin mede een vergunning krachtens +Vervallen ### Artikel 8.28 -In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet in het oppervlaktewater worden gebracht, worden, indien daarvoor krachtens artikel 6.2 van die wet een vergunning vereist is, bij de toepassing van dit hoofdstuk, van hoofdstuk 13 en van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht de bepalingen van deze paragraaf in acht genomen. +Vervallen ### Artikel 8.29 -Indien in de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet een bepaling wordt opgenomen als bedoeld in artikel 8.17 over de termijn waarvoor zij geldt, kan een gelijke bepaling worden opgenomen in de vergunning krachtens deze wet. +Vervallen ### Artikel 8.30 -**1.** De aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning overeenkomstig artikel 8.24 wordt tegelijk ingediend met de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet. De aanvraag wordt door de aanvrager tevens gezonden aan het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens die wet bevoegd is. - -**2.** Indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning krachtens deze wet is ingediend, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. - -**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet buiten behandeling wordt gelaten. +Vervallen ### Artikel 8.31 -**1.** Het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, brengt een advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen. Het advies wordt uitgebracht binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning krachtens deze wet. - -**2.** Het orgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning. - -**3.** In een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn met een bij zijn besluit te bepalen redelijke termijn verlengen. Indien artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet op de aanvraag van toepassing is, wordt de verlengingstermijn afgestemd op de duur waarmee ingevolge dat artikellid de termijn voor het geven van de beschikking op de aanvraag kan worden verlengd. +Vervallen ### Artikel 8.31a -**1.** In een geval als bedoeld in artikel 8.28, waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn de beschikking op de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet te verlenen, kunnen gedeputeerde staten, indien dat met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang van de bescherming van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van regels, gesteld krachtens artikel 8.46, op een daartoe strekkend verzoek van het orgaan dat bevoegd is de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet te verlenen, aan burgemeester en wethouders een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van die beschikking. - -**2.** Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerp van de beschikking op de aanvraag overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd. Zij wordt niet gegeven dan na overleg met het bevoegd gezag. - -**3.** De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. +Vervallen ### Artikel 8.32 -De motivering van de beschikking vermeldt in ieder geval de invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de vergunning of de beschikking tot wijziging van de vergunning krachtens deze wet. +Vervallen ### Artikel 8.33 -Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig de artikelen 8.22, tweede lid, en 8.23 zijn de artikelen 8.28, 8.29, 8.31, eerste en tweede lid, 8.31a en 8.32 van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 8.34 -**1.** Het bevoegd gezag kan een vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de krachtens artikel 6.2 van de Waterwet verleende vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. - -**2.** Met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking is artikel 8.25, achtste lid, van overeenkomstige toepassing. - -##### Paragraaf 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze nuttig worden toegepast of worden verwijderd +Vervallen ### Artikel 8.35 @@ -2454,18 +2165,6 @@ Vervallen Vervallen -### Artikel 8.36f - -**1.** - -Inrichtingen waarin van anderen afkomstige afvalstoffen worden gestort, brengen bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen een bedrag in rekening waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden: - -a. met de kosten van het totstandbrengen, instandhouden en in werking hebben van de inrichting, -b. met de kosten van de voorzieningen die bewerkstelligen dat de inrichting, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, daaronder mede begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing, en -c. met de kosten van financiële zekerheid in categorieën van gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid krachtens artikel 8.15 is voorgeschreven. - -**2.** Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid. - ### Artikel 8.37 Vervallen @@ -2476,20 +2175,31 @@ Vervallen ### Artikel 8.39 -**1.** +Vervallen -Onze Minister kan het bevoegd gezag verzoeken: +### Artikel -a. beperkingen waaronder de vergunning is verleend, en voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, te wijzigen, aan te vullen of in te trekken, dan wel alsnog beperkingen aan te brengen of voorschriften aan de vergunning te verbinden, -b. de vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, +Vervallen -voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van de betrokken afvalstoffen nodig is. Bij het verzoek kan Onze Minister een termijn bepalen waarbinnen aan zijn verzoek wordt voldaan. +### Artikel -**2.** Overeenkomstig het verzoek wijzigt het bevoegd gezag de vergunning of trekt het deze in. +Vervallen -**3.** Het bevoegd gezag brengt adviezen en overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren gebrachte zienswijzen ter kennis van Onze Minister. Deze deelt zijn oordeel daarover aan het bevoegd gezag mee. Artikel 8.7 is van overeenkomstige toepassing. +### Artikel -### Titel 8.2. Algemene regels +Vervallen + +### Artikel + +Vervallen + +### Artikel + +Vervallen + +### Artikel + +Vervallen ### Artikel 8.40 @@ -2508,7 +2218,7 @@ f. de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de ma In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken. -**3.** Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12 tot en met 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt. +**3.** Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 2.22, tweede en derde lid, gestelde regels over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, alsmede de artikelen 2.23, 2.30, eerste lid, 2.31, eerste lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder b, en 4.1 van die wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt. ### Artikel 8.40a @@ -2518,6 +2228,8 @@ In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecte **3.** Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, beslist binnen acht weken over de gelijkwaardigheid van de andere maatregelen. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. +**4.** Indien de maatregelen waarop de aanvraag betrekking heeft, direct verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, wordt de beslissing op de aanvraag afgestemd op de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken omgevingsvergunning. + ### Artikel 8.41 **1.** Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan. @@ -2535,6 +2247,18 @@ d. in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt verric **4.** Van de melding wordt openbaar kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 ook anderszins gegevens moeten worden verstrekt, kunnen bij de maatregel regels over de openbare kennisgeving daarvan worden gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen, waaraan een exemplaar van de melding of de anderszins verstrekte gegevens moet worden toegezonden. +### Artikel 8.41a + +**1.** Indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist, wordt, indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan. + +**2.** Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid besluit het bevoegd gezag de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken. + +**3.** Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt nadat de krachtens het tweede lid gestelde termijn ongebruikt is verstreken of binnen die termijn de gegevens, bedoeld in het tweede lid, niet of niet volledig zijn verstrekt. + +**4.** In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt de melding gedaan bij het bestuursorgaan waarbij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. + +**5.** Indien het bestuursorgaan waaraan de melding is gedaan, niet het bestuursorgaan is waaraan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41, tweede lid, onder a, de melding moet worden gericht, zendt het eerstbedoelde bestuursorgaan onverwijld de bij die melding verstrekte gegevens door naar het bestuursorgaan, bedoeld in dat onderdeel, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. + ### Artikel 8.42 **1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan. @@ -2547,17 +2271,13 @@ d. in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt verric **5.** Bij of krachtens de maatregel worden categorieën van gevallen aangegeven, waarin van de beschikking waarbij het voorschrift wordt gesteld, mededeling wordt gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. +**6.** Voorschriften als bedoeld in het eerste lid die betrekking hebben op activiteiten die direct verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, worden afgestemd op de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken omgevingsvergunning. + +**7.** Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag tot het stellen van voorschriften zijn de artikelen 3.8 en 3.9, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing, tenzij afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht daarop van toepassing is. + ### Artikel 8.42a -**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen worden bepaald dat het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van de vergunning daaraan voorschriften kan verbinden. - -**2.** Op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, is artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. - -**4.** Het bevoegd gezag kan de voorschriften aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu. - -**5.** Artikel 8.42, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. +Het bevoegd gezag kan voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. ### Artikel 8.42b @@ -2565,9 +2285,17 @@ d. in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt verric **2.** Op het stellen van provinciale of gemeentelijke regels als bedoeld in het eerste lid, is artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. -### Artikel +### Artikel 8.43 -Vervallen +**1.** + +Inrichtingen waarin van anderen afkomstige afvalstoffen worden gestort, brengen bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen een bedrag in rekening waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden: + +a. met de kosten van het totstandbrengen, instandhouden en in werking hebben van de inrichting, +b. met de kosten van de voorzieningen die bewerkstelligen dat de inrichting, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, daaronder mede begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing, en +c. met de kosten van financiële zekerheid in categorieën van gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid krachtens artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is voorgeschreven. + +**2.** Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid. ### Artikel 8.44 @@ -2575,29 +2303,19 @@ Vervallen ### Artikel 8.45 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor inrichtingen die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. - -**2.** Ten aanzien van krachtens het eerste lid aan te geven beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12 tot en met 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen. - -**4.** Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd. +Vervallen ### Artikel 8.46 -**1.** Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor inrichtingen die behoren tot een bij de verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. +Door vernummering vervallen. -**2.** Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. - -**3.** Artikel 8.45, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. - -### Titel 8.3. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen en gesloten afvalvoorzieningen +### Paragraaf 8.2 ### Artikel 8.47 **1.** -In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: +In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort, met uitzondering van afvalvoorzieningen; b. gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in het derde lid bedoelde verklaring is afgegeven; @@ -2611,7 +2329,7 @@ Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten, indien: a. het storten van afvalstoffen is beëindigd, b. voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en -c. een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de vergunning voor de stortplaats, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats. +c. een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de omgevingsvergunning voor de inrichting, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats. ### Artikel 8.47a @@ -2621,12 +2339,12 @@ Het bevoegd gezag stelt Onze Minister zo spoedig mogelijk op de hoogte van een v **1.** -Deze titel is van toepassing op stortplaatsen waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en +Deze paragraaf is van toepassing op stortplaatsen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en a. waarvoor een algemene maatregel van bestuur geldt als bedoeld in artikel 8.45, of b. uitsluitend baggerspecie wordt gestort. -**2.** Deze titel is, met uitzondering van het eerste lid van dit artikel, van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen. +**2.** Deze paragraaf is, met uitzondering van het eerste lid van dit artikel, van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen. **3.** Het tweede lid is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van naar haar aard tijdelijke afvalvoorzieningen. @@ -2659,7 +2377,7 @@ c. het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de stortplaats. In afwijking van het eerste lid berust de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen met betrekking tot: a. gesloten stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij die minister; -b. gesloten afvalvoorzieningen, waarvoor ingevolge artikel 8.2, derde lid, Onze Minister van Economische Zaken bevoegd gezag is, bij degene die de afvalvoorziening het laatst heeft gedreven. +b. gesloten afvalvoorzieningen waarin zich een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet bevindt, bij degene die de afvalvoorziening het laatst heeft gedreven. **4.** Op verzoek van degene die een bedrijfsgebonden stortplaats het laatst heeft gedreven, wordt bij het al dan niet toepassen van het tweede lid rekening gehouden met de mogelijkheid die zorg aan die persoon op te dragen. @@ -2755,7 +2473,7 @@ Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan artikel 9.2 **4.** Een vergunning kan in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu voorschriften worden verbonden. Deze kunnen, voorzover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn aangewezen, in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu gestelde nadere eisen. Bij het stellen van een zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. -**5.** Onverminderd artikel 18.12, eerste lid, kan een vergunning worden ingetrokken indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden. +**5.** Onverminderd artikel 5.19, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een vergunning worden ingetrokken indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden. **6.** Voor zover bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan de vergunning worden gewijzigd. @@ -3310,7 +3028,7 @@ De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van toepassing op he ### Artikel 10.32 -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, anders dan vanuit een inrichting. Artikel 8.42 is van overeenkomstige toepassing. +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, anders dan vanuit een inrichting. Artikel 8.42, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 10.32a @@ -3377,7 +3095,7 @@ Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen wo a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen; b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen: -1°. krachtens hoofdstuk 8; +1°. krachtens hoofdstuk 8 of op grond van een omgevingsvergunning; 2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede of derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid; 3°. krachtens artikel 10.52; 4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid; @@ -3540,7 +3258,7 @@ b. daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afval **1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden bepaald dat voor het inzamelen van daarbij aangewezen categorieën van zodanige afvalstoffen een vergunning van Onze Minister is vereist. -**2.** De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor de toepassing van genoemde artikelen het belang van de bescherming van het milieu beperkt wordt tot het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. +**2.** Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor de toepassing van genoemde artikelen het belang van de bescherming van het milieu beperkt wordt tot het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. **3.** Onze Minister kan in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen de tarieven vaststellen, die ten minste dan wel ten hoogste in rekening worden gebracht bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen door de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid. @@ -3587,7 +3305,7 @@ b. ingeval van afgifte aan een ander, die afvalstoffen gescheiden af te geven. ### Artikel 10.53 -De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 10.52, tweede lid. +Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 10.52, tweede lid. ### Artikel 10.54 @@ -3712,7 +3430,7 @@ c. artikel 35, derde lid, onder c, 38, derde lid, onder b, 42, derde lid, onder ### Artikel 10.64 -**1.** De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien verstande dat – behalve ten aanzien van een ontheffing van de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde verboden –, voor die toepassing het belang van de bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen, dan wel – indien het een ontheffing betreft van krachtens de artikelen 10.15, 10.17 en 10.18 gestelde regels – het door dat artikel beoogde belang. +**1.** Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien verstande dat – behalve ten aanzien van een ontheffing van de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde verboden –, voor die toepassing het belang van de bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen, dan wel – indien het een ontheffing betreft van krachtens de artikelen 10.15, 10.17 en 10.18 gestelde regels – het door dat artikel beoogde belang. **2.** Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 10.15, 10.17 en 10.18 kan – in afwijking van het eerste lid – worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. @@ -3834,7 +3552,7 @@ In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. bevoegd gezag: -1°. bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 te verlenen; +1°. bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen; 2°. bestuursorgaan waaraan krachtens artikel 8.41, tweede lid, onder a, een melding wordt gericht; 3°. Onze Minister voor zover de bevoegdheid tot vergunningverlening betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet; 4°. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor openbare wegen en vaarwegen voorzover deze door het Rijk worden beheerd en voor krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorwegen; @@ -3849,7 +3567,7 @@ b. gevaarlijke stoffen: 2°. voor zover het betreft transportroutes: stoffen die ingevolge de Wet vervoer gevaarlijke stoffen als gevaarlijk zijn aangewezen; c. transportroute: openbare weg, krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg of vaarweg; d. buisleiding: vaste leiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd en die geen deel uitmaakt van een inrichting; -e. externe veiligheid: veiligheid buiten inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 aanwezig mogen zijn en veiligheid buiten transportroutes en buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, voor zover die veiligheid kan worden beïnvloed door een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. +e. externe veiligheid: veiligheid buiten inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of krachtens een omgevingsvergunning aanwezig mogen zijn en veiligheid buiten transportroutes en buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, voor zover die veiligheid kan worden beïnvloed door een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. **2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere stoffen dan bedoeld in het eerste lid, onder b, worden aangewezen die, voor zover het betreft inrichtingen en buisleidingen, voor de toepassing van deze titel en de daarop gebaseerde bepalingen worden aangemerkt als gevaarlijke stof. @@ -3953,7 +3671,7 @@ In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere gegevens dan de in artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR bedoelde gegevens worden aangewezen, die in het PRTR-verslag moeten worden opgenomen. Als gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden uitsluitend aangewezen gegevens omtrent de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting in het verslagjaar heeft veroorzaakt, en die redelijkerwijs nodig zijn voor: -a. de vervulling door het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van deze wet dan wel artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet voor de betrokken inrichting te verlenen, van de in artikel 18.2 van deze wet onderscheidenlijk artikel 8.1 van de Waterwet bedoelde taak, +a. de vervulling door het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning dan wel een vergunning krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet voor de betrokken inrichting te verlenen, van de in onderscheidenlijk artikel 18.2 van deze wet, artikel 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 8.1 van de Waterwet bedoelde taak, b. de vaststelling van het door die bestuursorganen of andere bestuursorganen te voeren milieubeleid en de controle op de voortgang van de uitvoering van dat beleid, of c. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. @@ -3965,7 +3683,7 @@ Degene die de inrichting drijft, zendt gelijktijdig met toezending van het PRTR- ### Artikel 12.21 -**1.** Als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2, onder 2, van de EG-verordening PRTR en ingevolge deze titel wordt aangewezen het bestuursorgaan dat voor de inrichting bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van deze wet of artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet te verlenen, dan wel, in geval op de inrichting de Mijnbouwwet van toepassing is, Onze Minister van Economische Zaken. +**1.** Als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2, onder 2, van de EG-verordening PRTR en ingevolge deze titel wordt aangewezen het bestuursorgaan dat voor de inrichting bevoegd is een omgevingsvergunning of een vergunning als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet te verlenen, dan wel, in geval op de inrichting de Mijnbouwwet van toepassing is, Onze Minister van Economische Zaken. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen als bevoegde instantie voor inrichtingen waar activiteiten worden verricht als bedoeld in bijlage I, nummer 7, onder a, bij de EG-verordening PRTR. @@ -4012,9 +3730,9 @@ Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, deelt de bevoegde instantie uite a. welk type informatie geheim is gehouden; b. op welke grond tot geheimhouding is besloten. -**5.** In afwijking van het eerste lid worden gegevens ten aanzien waarvan een verzoek als bedoeld in het derde lid is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat het betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden. Artikel 20.5 is niet van toepassing. +**5.** In afwijking van het eerste lid worden gegevens ten aanzien waarvan een verzoek als bedoeld in het derde lid is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat het betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden. Artikel 20.5, eerste lid, is niet van toepassing. -**6.** In afwijking van het tweede lid worden verklaringen als bedoeld in artikel 12.23 niet eerder gemeld dan nadat het betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden. Artikel 20.5 is niet van toepassing. +**6.** In afwijking van het tweede lid worden verklaringen als bedoeld in artikel 12.23 niet eerder gemeld dan nadat het betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden. Artikel 20.5, eerste lid, is niet van toepassing. #### Paragraaf 12.3.3. PRTR @@ -4083,7 +3801,7 @@ Het is verboden te handelen in strijd met artikel 5 van de EG-verordening PRTR. ### Artikel 13.1 -**1.** Bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten of wettelijke bepalingen, wordt afdeling 13.2 in acht genomen, indien dat bij of krachtens de betrokken wet is bepaald. +**1.** Bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten of wettelijke bepalingen, wordt afdeling 13.2 in acht genomen, voor zover dat bij of krachtens de betrokken wet is bepaald. **2.** @@ -4105,7 +3823,9 @@ de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica, -de Waterwet. +de Waterwet, + +de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. ### Afdeling 13.2. Bijzondere bepalingen @@ -4145,7 +3865,7 @@ Indien een beslissing op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of een bes ### Artikel 13.10 -In gevallen waarin Onze Minister bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht en van de artikelen 8.7, 8.30, eerste lid, tweede volzin, en 8.31 geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist. +In gevallen waarin Onze Minister bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist. ### Artikel 13.11 @@ -4159,11 +3879,11 @@ c. strekt tot uitvoering van een verplichting, opgelegd krachtens artikel 17.4 ### Artikel 13.12 -Indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in het betrokken andere land, wordt dit overleg in de kennisgeving vermeld. +Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in het betrokken andere land, wordt dit overleg in de kennisgeving vermeld. ### Artikel 13.13 -**1.** Indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die is gelegen in een ander land en die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, wordt de aanvraag met de daarop betrekking hebbende stukken door gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen bedoelde gevolgen zich kunnen voordoen, ter inzage gelegd. +**1.** Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die is gelegen in een ander land en die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, wordt de aanvraag met de daarop betrekking hebbende stukken door gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen bedoelde gevolgen zich kunnen voordoen, ter inzage gelegd. **2.** Artikel 3:12, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. @@ -4473,12 +4193,11 @@ Vervallen Indien degene tot wie een beschikking is gericht krachtens: -a. de artikelen 8.1, eerste lid, onder b, 8.1, eerste lid, onder c, juncto 8.21, eerste lid, in gevallen waarin artikel 8.21, tweede lid, niet van toepassing is, 8.1, tweede lid, juncto 8.1, eerste lid, onder b, 8.1, eerste lid, onder c, 8.21, eerste lid, in gevallen waarin artikel 8.21, tweede lid, niet van toepassing is, 8.22, tweede lid, 8.23, eerste lid, 8.25, eerste lid, onder a en b, 8.34 of 8.39, tweede lid, -b. artikel 9.2.2.1, eerste lid, juncto artikel 9.2.2.3, zevende lid, -c. de artikelen 10.48 of 10.52 juncto één of meer der onder *a* genoemde bepalingen, -d. artikel 2, eerste lid, juncto 5, vijfde lid, onder b, van de Wet geluidhinder, -e. de artikelen 13, eerste lid, onder b, juncto 16, vijfde lid, of 43, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, -f. de artikelen 30 of 31 van de Wet bodembescherming, +a. artikel 9.2.2.1, eerste lid, juncto artikel 9.2.2.3, zevende lid, +b. de artikelen 10.48 of 10.52 juncto één of meer der onder *a* genoemde bepalingen, +c. artikel 2, eerste lid, juncto 5, vijfde lid, onder b, van de Wet geluidhinder, +d. de artikelen 13, eerste lid, onder b, juncto 16, vijfde lid, of 43, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, +e. de artikelen 30 of 31 van de Wet bodembescherming, zich ten gevolge daarvan voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent het gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven, hem, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe. @@ -4511,7 +4230,7 @@ van toepassing worden en die zich daardoor voor kosten ziet gesteld dan wel scha **1.** Voor zover de toekenning van de vergoeding niet is geschied met instemming van Onze Minister, komen de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag. -**2.** In afwijking van het eerste lid komen in gevallen als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder *a*, voor zover kosten zijn gemaakt in verband met de verlening van schadevergoeding vanwege het van toepassing worden van bepalingen van een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder *a*, en de verlening van schadevergoeding niet is geschied met instemming van gedeputeerde staten, de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag. +**2.** In afwijking van het eerste lid komen in gevallen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, d, f of h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor zover kosten zijn gemaakt in verband met de verlening van schadevergoeding vanwege het van toepassing worden van bepalingen van een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, en de verlening van schadevergoeding niet is geschied met instemming van gedeputeerde staten, de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag. ### Artikel 15.23 @@ -4596,7 +4315,7 @@ b. inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van ### Artikel 15.34 -**1.** Voor zover kosten zijn gemaakt in verband met de verlening van schadevergoeding krachtens artikel 15.20, eerste lid, onder *a*, of artikel 15.21, eerste lid, onder *a*, vanwege het van toepassing worden van bepalingen van een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder *a*, kunnen provinciale staten ter bestrijding van die kosten een heffing instellen ter zake van het onttrekken van grondwater. +**1.** Voor zover kosten zijn gemaakt in verband met de verlening van schadevergoeding krachtens artikel 4.2, eerste lid, onder a, d, f of h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 15.21, eerste lid, onder a, van deze wet, vanwege het van toepassing worden van bepalingen van een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, kunnen provinciale staten ter bestrijding van die kosten een heffing instellen ter zake van het onttrekken van grondwater. **2.** De heffing wordt geheven van houders van inrichtingen, bestemd tot het onttrekken van grondwater, daaronder niet begrepen inrichtingen welke uitsluitend dienen tot het regelen van de vrije grondwaterspiegel of van de stijghoogte van het grondwater. @@ -4680,7 +4399,7 @@ Indien een of meer van degenen die een stof, preparaat of product in Nederland i ### Artikel 15.42 -In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in titel 8.3. +In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in paragraaf 8.2. ### Artikel 15.43 @@ -4903,13 +4622,13 @@ Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning is afdel ### Artikel 16.8 -**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit zendt het monitoringsplan dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, aan het bestuursorgaan dat voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, bevoegd is een vergunning te verlenen krachtens artikel 8.1, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van Economische Zaken. +**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit zendt het monitoringsplan dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, aan het bestuursorgaan dat voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van Economische Zaken. -**2.** Het bestuur van de emissieautoriteit stelt het betrokken andere bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, gedurende vier weken in de gelegenheid advies uit te brengen over het monitoringsplan met het oog op de samenhang tussen dit plan en de aanvraag of vergunning, bedoeld in artikel 8.1 van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet. +**2.** Het bestuur van de emissieautoriteit stelt het betrokken andere bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, gedurende vier weken in de gelegenheid advies uit te brengen over het monitoringsplan met het oog op de samenhang tussen dit plan en de betrokken omgevingsvergunning of vergunning, bedoeld in artikel 40 van de Mijnbouwwet, dan wel de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning of vergunning als hiervoor bedoeld. ### Artikel 16.9 -Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk of hoofdstuk 8. +Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, hoofdstuk 8 van deze wet of de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. ### Artikel 16.10 @@ -5052,7 +4771,7 @@ Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inricht Het bestuur van de emissieautoriteit kan een vergunning intrekken, indien: -a. met betrekking tot de inrichting een krachtens artikel 8.25 genomen beschikking in werking is getreden; +a. met betrekking tot de inrichting een krachtens artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genomen beschikking in werking is getreden; b. deze afdeling niet meer op de inrichting van toepassing is. **2.** In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aangegeven termijn blijven gelden. @@ -5061,11 +4780,17 @@ b. deze afdeling niet meer op de inrichting van toepassing is. ### Artikel 16.21 -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.42a, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. + +**2.** Bij of krachtens de maatregel kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen worden bepaald dat het bestuur van de emissieautoriteit bij het verlenen of wijzigen van de vergunning daaraan voorschriften kan verbinden. Artikel 8.42a is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 16.22 -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bestuur van de emissieautoriteit aan de vergunning voorschriften te verbinden, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.45, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bestuur van de emissieautoriteit aan de vergunning voorschriften te verbinden, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. + +**2.** Bij of krachtens de maatregel wordt bepaald in hoeverre het bestuur van de emissieautoriteit met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen. + +**3.** Bij of krachtens de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moet zijn uitgevoerd. ##### Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten en het gebruik van emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties @@ -5801,7 +5526,7 @@ Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, ### Artikel 17.2 -**1.** Degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1, voordoet of heeft voorgedaan, meldt dat voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a , het orgaan is waaraan de melding wordt gericht dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders. +**1.** Degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1, voordoet of heeft voorgedaan, meldt dat voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a , het orgaan is waaraan de melding wordt gericht dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders. **2.** @@ -5819,13 +5544,13 @@ Het bestuursorgaan dat een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid ontva a. de burgemeesters van de betrokken gemeenten; b. de inspecteur; -c. de commissarissen van de Koningin in de betrokken provincies in de gevallen dat de gevolgen van het voorval zich voordoen dan wel kunnen voordoen buiten de grenzen van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen; +c. de voorzitters van de betrokken veiligheidsregio’s in de gevallen dat de gevolgen van het voorval zich voordoen dan wel kunnen voordoen buiten de grenzen van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen; d. gedeputeerde staten van de betrokken provincie in de gevallen dat het voorval verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg heeft; e. andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die direct belang hebben bij een onverwijlde mededeling. ### Artikel 17.3 -Het bevoegd gezag ziet er op toe dat de nodige gegevens worden verzameld om een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1, te analyseren en de oorzaken ervan te achterhalen. Om herhaling te voorkomen wijzigt het zo nodig de vergunning met toepassing van de artikelen 8.22 of 8.23, of doet het zo mogelijk daarop gerichte aanbevelingen. +Het bevoegd gezag ziet er op toe dat de nodige gegevens worden verzameld om een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1, te analyseren en de oorzaken ervan te achterhalen. Om herhaling te voorkomen wijzigt het zo nodig de omgevingsvergunning of doet het zo mogelijk daarop gerichte aanbevelingen. Met betrekking tot een beschikking tot wijziging van een omgevingsvergunning is artikel 3.15, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 17.4 @@ -5843,27 +5568,22 @@ e. een verplichting die afvalstoffen af te geven aan een persoon behorende tot e Een verplichting of verbod als bedoeld in het eerste lid, kan worden opgelegd: -a. voor zover de verplichting of het verbod betrekking heeft op een inrichting: door het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 8.2 van deze wet het bevoegd gezag is ten aanzien van de vergunning voor de inrichting, of, indien voor de inrichting regels gelden krachtens artikel 8.40, door het bestuursorgaan waaraan een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, met betrekking tot die inrichting zou moeten worden gedaan of, in andere gevallen, door burgemeester en wethouders; +a. voor zover de verplichting of het verbod betrekking heeft op een inrichting: door het bestuursorgaan dat ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het bevoegd gezag is voor de omgevingsvergunning voor de inrichting, of, indien voor de inrichting regels gelden krachtens artikel 8.40, door het bestuursorgaan waaraan een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, met betrekking tot die inrichting zou moeten worden gedaan of, in andere gevallen, door burgemeester en wethouders; b. in andere gevallen: door gedeputeerde staten. **3.** Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, kan bij zijn beschikking aangeven binnen welke termijn en op welke wijze de verplichting moet worden uitgevoerd. ### Artikel 17.5 -**1.** +**1.** Onze Minister kan het bevoegde bestuursorgaan verzoeken binnen een door hem aangegeven termijn op de daarbij aangegeven wijze toepassing te geven aan artikel 17.4, eerste lid. -Onze Minister kan het bevoegde bestuursorgaan verzoeken binnen een door hem aangegeven termijn: - -a. op de daarbij aangegeven wijze toepassing te geven aan artikel 17.4, eerste lid; -b. in verband daarmee een voor de betrokkene krachtens hoofdstuk 8 geldende vergunning te wijzigen. - -**2.** Indien de geboden spoed een zodanig verzoek niet toelaat of het bevoegde bestuursorgaan niet binnen de aangegeven termijn aan het verzoek gevolg heeft gegeven, geeft Onze Minister toepassing aan artikel 17.4, eerste lid, onderscheidenlijk wijzigt hij de vergunning. +**2.** Indien de geboden spoed een zodanig verzoek niet toelaat of het bevoegde bestuursorgaan niet binnen de aangegeven termijn aan het verzoek gevolg heeft gegeven, geeft Onze Minister toepassing aan artikel 17.4, eerste lid. ### Titel 17.1A. Maatregelen betreffende afvalvoorzieningen ### Artikel 17.5a -**1.** Indien zich een gebeurtenis voordoet, die gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van een afvalvoorziening, of indien bij controle- en monitoringsprocedures met betrekking tot die voorziening blijkt dat nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt degene die de afvalvoorziening drijft, dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 48 uur, aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning voor die afvalvoorziening te verlenen. Artikel 17.2, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Indien zich een gebeurtenis voordoet, die gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van een afvalvoorziening, of indien bij controle- en monitoringsprocedures met betrekking tot die voorziening blijkt dat nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt degene die de afvalvoorziening drijft, dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 48 uur, aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor die inrichting te verlenen. Artikel 17.2, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën van afvalvoorzieningen aangewezen, waarop ingevolge artikel 2, derde lid, van de richtlijn beheer winningsafval deze titel niet van toepassing is. @@ -5977,7 +5697,7 @@ c. milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan veroorzaakt door een emiss ### Artikel 17.9 -**1.** Indien de activiteit waardoor de milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, wordt verricht binnen een inrichting of in het kader van het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, is het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 18.2, het bevoegd gezag. +**1.** Indien de activiteit waardoor de milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, wordt verricht binnen een inrichting of in het kader van het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, is het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 18.2, het bevoegd gezag. **2.** In afwijking van het eerste lid is het bevoegd gezag, indien de milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan geheel of in hoofdzaak betrekking heeft op wateren, het bestuursorgaan waarbij de betrokken wateren in beheer zijn. @@ -6061,7 +5781,7 @@ De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de activiteit wordt verricht of **1.** Belanghebbenden, alsmede de bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in artikel 17.2, derde lid, kunnen in geval van milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan het bevoegd gezag verzoeken een beschikking tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 17.10, derde lid, artikel 17.12, vierde lid, of artikel 17.13, vijfde lid, te geven. -**2.** Onze Minister kan, indien dat in het belang van de bescherming van het milieu geboden is en indien ter zake van een geval van milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van een waterschap het bevoegd gezag is, vorderen dat dit bestuursorgaan binnen een door hem te stellen termijn toepassing geeft aan artikel 17.12, vierde lid, artikel 17.13, vijfde lid, of artikel 17.14, eerste, tweede en derde lid. De artikelen 18.8a, tweede en derde lid, en 18.8b zijn van overeenkomstige toepassing. +**2.** Onze Minister kan, indien dat in het belang van de bescherming van het milieu geboden is en indien ter zake van een geval van milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van een waterschap het bevoegd gezag is, vorderen dat dit bestuursorgaan binnen een door hem te stellen termijn toepassing geeft aan artikel 17.12, vierde lid, artikel 17.13, vijfde lid, of artikel 17.14, eerste, tweede en derde lid. De artikelen 5.24, tweede en derde lid, en 5.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 17.16 @@ -6128,46 +5848,45 @@ Vervallen ### Artikel 18.1a -**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, alsmede met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten bepaalde, voor zover dit bij of krachtens de betrokken wet is bepaald. +**1.** De artikelen 5.3 tot en met 5.16 en de artikelen 5.18 tot en met 5.26 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van toepassing met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. **2.** -De artikelen 18.3 tot en met 18.18 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens: +Artikel 18.18 van deze wet en de artikelen 5.3 tot en met 5.16 en de artikelen 5.18 tot en met 5.26 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens: a. de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; -b. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; -c. de EG-verordening PRTR; +b. de EG-verordening PRTR; +c. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; d. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. +**3.** In afwijking van het eerste lid is artikel 5.15, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing voor zover het betreft de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde. + +**4.** Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang krachtens artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht. + ### Artikel 18.1b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet, de EG-verordening PRTR en de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen voor degene die het project, bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften. ### Artikel 18.2 **1.** -Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, dan wel, in andere gevallen, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, heeft tot taak: +Het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, dan wel in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, hebben tot taak: a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft, gelden op grond van: -1°. de betrokken wetten; -2°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; -3°. de EG-verordening PRTR; -4°. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; -b. andere gegevens dan die bedoeld in de artikelen 8.12, vierde lid, 8.12a, derde lid, 8.13, eerste lid, onder c, en 8.14, eerste lid, onder a, die eveneens van belang zijn met het oog op de onder a bedoelde taak, te verzamelen en te registreren; -c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen. +1°. het bepaalde bij of krachtens deze wet en de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, voor zover dat bij of krachtens die wetten is bepaald; +2°. de EG-verordening PRTR; +3°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; +4°. De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; +b. gegevens die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld onder a van belang zijn te verzamelen en te registreren; +c. klachten die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen. -**2.** - -Indien met betrekking tot een inrichting door het krachtens het eerste lid bevoegde bestuursorgaan een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing op grond van artikel 18.12 is gegeven en, nadat die beschikking is gegeven, voor deze inrichting als gevolg van een verandering daarvan of van de werking daarvan een ander bestuursorgaan bevoegd wordt de vergunning te verlenen dan wel het orgaan wordt waaraan de melding wordt gericht, blijft het bestuursorgaan dat de beschikking heeft gegeven, bevoegd met betrekking tot die beschikking totdat zij - -a. onherroepelijk is geworden en is tenuitvoergelegd, dan wel de dwangsom is ingevorderd, of -b. is ingetrokken, dan wel de bij de beschikking opgelegde last onder dwangsom overeenkomstig artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht is opgeheven. +**2.** Artikel 5.2, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een beschikking als bedoeld in dat lid die met betrekking tot een inrichting is gegeven door het krachtens het eerste lid bevoegde bestuursorgaan. ### Artikel 18.2a -**1.** Onze betrokken Minister, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en het bestuursorgaan dat tot verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de artikelen 1.1a en 10.1. +**1.** Voor zover artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is, hebben Onze betrokken Minister, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en het bestuursorgaan dat tot verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de artikelen 1.1a en 10.1. **2.** Gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en het bestuursorgaan dat tot verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10.2 en 10.54. @@ -6200,7 +5919,7 @@ d. verhandelen, bemiddelen of vervoeren als bedoeld in artikel 10.55. **1.** -Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens: +Voor zover artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is, hebben burgemeester en wethouders tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens: a. de afvalstoffenverordening; b. artikel 10.29; @@ -6228,7 +5947,7 @@ Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voe ### Artikel 18.2h -Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.5a, eerste lid, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van de krachtens de artikelen 17.5a tot en met 17.5d gestelde verplichtingen. +Vervallen ### Artikel 18.2i @@ -6236,109 +5955,51 @@ Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste, tweede, derde of vierde lid, ### Artikel 18.3 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van een doelmatige handhaving regels gesteld. - -**2.** Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot een strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden door de bestuursorganen die belast zijn met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten en van het toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame toezichthouders. - -**3.** Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de afstemming van de werkzaamheden van de bestuursorganen en toezichthouders, bedoeld in het tweede lid, op die van andere organen en ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten. - -**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde bij de maatregel. +Vervallen ### Artikel 18.3a -Gedeputeerde staten dragen zorg voor de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 18.3 in de provincie. +Vervallen ### Artikel 18.3b -**1.** Ter uitvoering van artikel 18.3a wordt in iedere provincie regelmatig overleg gevoerd tussen de bestuursorganen die belast zijn met de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten. - -**2.** Gedeputeerde staten stellen voor dat overleg een of meer overlegorganen in. Aan het overleg kunnen, op uitnodiging, andere organen en ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, deelnemen. - -**3.** In dat overleg maken die bestuursorganen in ieder geval afspraken over de wijze waarop zij uitvoering zullen geven aan het bepaalde krachtens artikel 18.3 en aan artikel 18.3a en over de voorzieningen die zij voor die uitvoering zullen treffen. +Vervallen ### Artikel 18.3c -Onze Minister draagt zorg voor de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 18.3, voorzover die coördinatie naar zijn oordeel van meer dan provinciaal belang is. +Vervallen ### Artikel 18.3d -**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien dat in het belang van een doelmatige handhaving geboden is, aan burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van een waterschap een aanwijzing geven ter zake van de uitvoering door deze bestuursorganen van het bepaalde krachtens artikel 18.3. Daarbij houden gedeputeerde staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan. - -**2.** Bij een aanwijzing wordt een termijn gesteld binnen welke daaraan gevolg moet zijn gegeven. Burgemeester en wethouders doen, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van een waterschap doet, schriftelijk mededeling aan gedeputeerde staten van de wijze waarop gevolg is gegeven aan de aanwijzing. - -**3.** Gedeputeerde staten plegen over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap. - -**4.** Gedeputeerde staten doen van het besluit, houdende de aanwijzing, mededeling door overlegging van het besluit aan Onze betrokken Minister en aan provinciale staten en door plaatsing ervan in de Staatscourant. - -**5.** Indien burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur geen gevolg geven, onderscheidenlijk geeft, aan een aanwijzing, kunnen gedeputeerde staten daaraan gevolg geven voor rekening van de gemeente, onderscheidenlijk het waterschap. +Vervallen ### Artikel 18.3e -**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien zij hebben vastgesteld dat een behoorlijke uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 18.3 in de provincie onvoldoende gewaarborgd is, gemeenten of waterschappen aanwijzen waarvan burgemeester en wethouders, respectievelijk de dagelijkse besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, ter behartiging van het belang van een doelmatige handhaving. Artikel 99, eerste lid, van die wet is niet van toepassing. Een waterschap wordt niet aangewezen dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bezwaar heeft. - -**2.** Gedeputeerde staten houden bij een aanwijzing rekening met de regio’s die overeenkomstig de bijlage, behorend bij de Politiewet 1993, zijn vastgesteld. - -**3.** Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde bepalen dat de provincie deelneemt aan een regeling. Indien een aan te wijzen waterschap in meer dan een provincie ligt, geschiedt de aanwijzing in overeenstemming met gedeputeerde staten van de betrokken provincie. - -**4.** Bij de regeling wordt een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld. - -**5.** - -Bij de regeling worden door de deelnemende gemeenten of waterschappen aan het bestuur van het openbaar lichaam ten minste de volgende taken opgedragen: - -a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, het verzamelen en registreren van gegevens, bedoeld in artikel 18.2, eerste lid, onder b, en het behandelen van klachten, bedoeld in dat artikellid, onder c, en -b. het voorbereiden en het uitvoeren van door burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente of van door het dagelijks bestuur van een deelnemend waterschap te geven, dan wel gegeven beschikkingen tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing op grond van artikel 18.12. - -**6.** Gedeputeerde staten doen van het besluit, houdende de aanwijzing, mededeling door overlegging van het besluit aan Onze betrokken Minister en aan provinciale staten en door plaatsing ervan in de Staatscourant. +Vervallen ### Artikel 18.3f -**1.** - -Onze Minister kan, indien dat in het belang van een doelmatige handhaving geboden is, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, aan gedeputeerde staten een aanwijzing geven ter zake van: - -a. de uitvoering door gedeputeerde staten van het bepaalde krachtens artikel 18.3 en van de artikelen 18.3a en 18.3d; -b. het bepaalde in artikel 18.3e, eerste, tweede, derde lid, eerste volzin, en vijfde lid. - -**2.** Bij het geven van een aanwijzing houdt Onze Minister rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan en stelt hij een termijn binnen welke gevolg moet zijn gegeven aan de aanwijzing. - -**3.** Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met gedeputeerde staten. - -**4.** In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, is artikel 102, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen niet van toepassing. - -**5.** Gedeputeerde staten doen schriftelijk mededeling aan Onze betrokken Minister van de wijze waarop zij gevolg hebben gegeven aan de aanwijzing. - -**6.** Onze Minister doet van het besluit, houdende de aanwijzing, mededeling door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en aan provinciale staten en door plaatsing ervan in de Staatscourant. - -**7.** Indien gedeputeerde staten geen gevolg geven aan een aanwijzing, kan Onze Minister gevolg geven aan de aanwijzing voor rekening van de betrokken provincie. +Vervallen ### Artikel 18.4 -**1.** Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wet bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze betrokken Minister aangewezen ambtenaren. Ambtenaren, ressorterende onder een ander dan zijn ministerie, wijst hij niet aan dan in overeenstemming met Onze Minister onder wiens ministerie zij ressorteren. +**1.** Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. -**2.** Voor de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren, ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze betrokken Minister, worden regels betreffende de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taak niet gesteld dan in overeenstemming met Onze betrokken Minister. +**2.** Met het onderzoek met betrekking tot overtredingen als bedoeld in artikel 18.16a, eerste en tweede lid, zijn belast de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. -**3.** Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wet bepaalde binnen hun ambtsgebied zijn eveneens belast de bij besluit van gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders of andere met de uitvoering van de betrokken wet belaste bestuursorganen aangewezen ambtenaren. - -**4.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid kan Onze betrokken Minister gevallen of categorieën van gevallen aanwijzen met betrekking waartoe, in afwijking van het derde lid, bij zijn besluit aangewezen ambtenaren uitsluitend belast zijn met het toezicht op de naleving. - -**5.** Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. - -**6.** Van een besluit als bedoeld in het eerste en vijfde lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. +**3.** Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. ### Artikel 18.4a -**1.** Met het onderzoek met betrekking tot overtredingen als bedoeld in artikel 18.16a, eerste en tweede lid, zijn belast de krachtens artikel 18.4, vijfde lid, aangewezen ambtenaren. - -**2.** Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. +Vervallen ### Artikel 18.5 -De krachtens artikel 18.4 aangewezen ambtenaren zijn voor de vervulling van hun taak met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. +Vervallen ### Artikel 18.6 -Het bevoegd gezag is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan de krachtens artikel 18.4 aangewezen ambtenaren. +Vervallen ### Artikel 18.6a @@ -6346,36 +6007,23 @@ In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16.5, eerste ### Artikel 18.7 -Onze betrokken Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet in gevallen waarin: - -a. hem de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving daarvan is opgedragen of -b. geen ander bestuursorgaan daartoe bevoegd is. +Vervallen ### Artikel 18.7a -Artikel 18.7, aanhef en onder b, is niet van toepassing voorzover het betreft de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde. +Vervallen ### Artikel 18.8 -Tot de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang krachtens artikel 18.7 behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht. +Tot de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang krachtens artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht. ### Artikel 18.8a -**1.** Onze betrokken Minister kan, indien dat in het belang van de bescherming van het milieu geboden is, vorderen dat gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van een waterschap ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten waartoe zij tot bestuursrechtelijke handhaving bevoegd zijn, binnen een door hem te stellen termijn een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, uitvoeren, dan wel geven en uitvoeren. - -**2.** Het bestuursorgaan doet van de wijze waarop gevolg is gegeven aan de vordering schriftelijk mededeling aan Onze betrokken Minister. - -**3.** Indien het bestuursorgaan niet of niet volledig gevolg geeft aan een vordering kan Onze betrokken Minister voor rekening van dat bestuursorgaan daarin voorzien. - -**4.** Artikel 5:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd, wordt gelezen: het bestuursorgaan dat geen gevolg heeft gegeven aan de vordering. +Vervallen ### Artikel 18.8b -**1.** Onze betrokken Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een vordering als bedoeld in artikel 18.8a, eerste lid, overleg met burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van het waterschap, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de gemeenteraad, provinciale staten, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap, tenzij de geboden spoed zich daartegen verzet. - -**2.** Onze betrokken Minister doet van het besluit, houdende de vordering, mededeling door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en door plaatsing ervan in de Staatscourant. - -**3.** Indien in het belang van de bescherming van het milieu een onverwijlde vordering geboden is, en Onze betrokken Minister de vordering daardoor niet vooraf op schrift kan stellen, stelt hij deze alsnog zo spoedig mogelijk op schrift. +Vervallen ### Artikel 18.9 @@ -6383,21 +6031,15 @@ Vervallen ### Artikel 18.10 -Het bestuursorgaan dat een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom heeft gegeven terzake van overtreding van de artikelen 1.1a, 10.1, 10.2 of 10.54, van het bepaalde bij of krachtens titel 9.2, 9.3 of 9.3a of krachtens artikel 17.19, of van artikel 13 van de Wet bodembescherming, zendt onverwijld een afschrift van die beschikking aan de bestuursorganen die eveneens bevoegd zijn tot bestuursrechtelijke handhaving van die bepalingen. +Vervallen ### Artikel 18.11 -Indien een verzoek als bedoeld in artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gedaan, geeft het bestuursorgaan dat de last onder dwangsom heeft opgelegd, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, de beschikking op het verzoek. +Vervallen ### Artikel 18.12 -**1.** Het ten aanzien van een vergunning of ontheffing bevoegde gezag kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet overeenkomstig die vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld, dan wel indien aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet worden nageleefd. - -**2.** Een vergunning of ontheffing, die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel van andere afvalstoffen die van elders afkomstig zijn, kan, voor zover zij het beheer van afvalstoffen betreft, tevens worden ingetrokken, indien op grond van hoofdstuk 10 voor de houder geldende voorschriften niet worden nageleefd. - -**3.** Indien binnen een periode van vier jaar aan een persoon tweemaal voor eenzelfde feit een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18.16a is opgelegd en de betrokken boeten binnen die periode onherroepelijk zijn geworden, kan het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, of artikel 16.49, eerste lid, die de betrokken persoon houdt, intrekken. - -**4.** Het bevoegd gezag gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste en tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels, bedoeld in het eerste of tweede lid, na te leven. +Vervallen ### Artikel 18.13 @@ -6405,36 +6047,19 @@ Vervallen ### Artikel 18.14 -Een belanghebbende kan aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven. +Vervallen ### Artikel 18.14a -**1.** Indien een overeenkomstig artikel 18.14 gedaan verzoek betrekking heeft op de artikelen 1.1a, 10.1, 10.2 of 10.54, op het bepaalde bij of krachtens titel 9.2, 9.3 of 9.3a of krachtens artikel 17.19, of op artikel 13 van de Wet bodembescherming, geeft het bestuursorgaan waarbij het verzoek is ingediend, een beschikking op het verzoek. - -**2.** - -Het eerste lid is niet van toepassing indien: - -a. een ander bestuursorgaan dat eveneens bevoegd is tot handhaving, schriftelijk heeft verklaard het verzoek in behandeling te willen nemen, en -b. het bestuursorgaan waarbij het verzoek tot oplegging van een last onder bestuursdwang is ingediend, daarop het verzoek binnen twee weken na de datum waarop het is ontvangen, heeft doorgezonden aan dat andere bestuursorgaan. - -**3.** - -In een geval als bedoeld in het tweede lid: - -a. deelt het bestuursorgaan waarbij het verzoek is ingediend, onverwijld aan de afzender mede dat zijn verzoek is doorgezonden; -b. geeft het bestuursorgaan waaraan het verzoek is doorgezonden, een beschikking op het verzoek. +Vervallen ### Artikel 18.15 -Het bestuursorgaan zendt een afschrift van de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, tot oplegging van een last onder dwangsom of tot intrekking van zodanige beschikkingen dan wel van de beschikking tot intrekking van een vergunning of ontheffing aan: - -a. de inspecteur, in gevallen waarin de beschikking betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder a, aangewezen categorie, en -b. de andere adviseurs. +Vervallen ### Artikel 18.16 -Indien het verzoek, bedoeld in artikel 18.14, wordt ingewilligd, voegt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van de beschikking aan de verzoeker een afschrift van de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van de vergunning of ontheffing. +Vervallen ### Artikel 18.16a @@ -6524,7 +6149,7 @@ Vervallen ### Artikel 18.16q -**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan degene die jegens de in artikel 18.4, vijfde lid, of artikel 18.4a, eerste lid, bedoelde personen in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 4 500. +**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan degene die jegens de in artikel 18.4, eerste of tweede lid, bedoelde personen in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 4 500. **2.** Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde overtreding. @@ -6547,11 +6172,7 @@ b. de procedure die voorafgaand aan het indienen van het verzoek moet worden gev ### Artikel 18.17 -**1.** Een overheidslichaam kan - behoudens matiging door de rechter - de te zijnen laste komende kosten van het beheer van afvalstoffen ten aanzien waarvan in strijd is gehandeld met het bij of krachtens deze wet bepaalde, verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad die kosten zijn veroorzaakt, of op degene die anderszins krachtens burgerlijk recht buiten overeenkomst aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan. - -**2.** Een overheidslichaam kan in een geval als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking, de daar bedoelde kosten verhalen op degene die door het beheer van de betrokken afvalstoffen ongerechtvaardigd wordt verrijkt. - -**3.** Voor de toepassing van dit artikel is niet vereist dat op het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde handeling met de in dat lid bedoelde afvalstoffen zich heeft voorgedaan, reeds jegens de overheid onrechtmatig werd gehandeld. +Indien binnen een periode van vier jaar aan een persoon tweemaal voor eenzelfde feit een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18.16a is opgelegd en de betrokken boeten binnen die periode onherroepelijk zijn geworden, kan het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, of artikel 16.49, eerste lid, die de betrokken persoon houdt, intrekken. ### Artikel 18.18 @@ -6588,7 +6209,7 @@ Onverminderd artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur verstrekt een bestuur ### Artikel 19.2 -**1.** In het geval van een gebeurtenis waardoor een onmiddellijke bedreiging van het leven of de gezondheid van personen, van het milieu of van grote materiële belangen is ontstaan, verstrekken burgemeester en wethouders voorzover deze informatie niet reeds ingevolge artikel 10b van de Wet rampen en zware ongevallen of een ander wettelijk voorschrift moet worden verstrekt, aan de personen die getroffen kunnen worden, terstond op passende wijze alle informatie over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en beperking van de bedreiging en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen en de daartoe door die personen te volgen gedragslijn. +**1.** In het geval van een gebeurtenis waardoor een onmiddellijke bedreiging van het leven of de gezondheid van personen, van het milieu of van grote materiële belangen is ontstaan, verstrekt de burgemeester voor zover deze informatie niet reeds ingevolge artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s of een ander wettelijk voorschrift moet worden verstrekt, aan de personen die getroffen kunnen worden, terstond op passende wijze alle informatie over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en beperking van de bedreiging en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen en de daartoe door die personen te volgen gedragslijn. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s wordt de informatie verstrekt door de voorzitter van de veiligheidsregio. **2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de gevallen waarin ingevolge het eerste lid informatie wordt verstrekt, over de inhoud van de te verstrekken informatie en over de wijze waarop de informatie wordt verstrekt. @@ -6610,7 +6231,7 @@ Onverminderd artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur verstrekt een bestuur **1.** Op een verzoek tot geheimhouding beslist het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst. Van de beslissing wordt mededeling gedaan aan de betrokken bestuursorganen. Indien het verzoek in het kader van de toepassing van hoofdstuk 7 is gedaan en betrekking heeft op een plan onderscheidenlijk besluit waarover de Commissie voor de milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 7.12 onderscheidenlijk artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang met artikel 7.12, in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen, wordt van de beslissing tevens mededeling gedaan aan die commissie. -**2.** Indien een verzoek tot geheimhouding in het kader van de toepassing van afdeling 3.4 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht indien het een besluit op aanvraag betreft of van paragraaf 7.2 of 7.8 onderscheidenlijk 7.9 is gedaan, schort het bevoegd gezag de verdere behandeling van de aanvraag op totdat, indien het verzoek wordt toegestaan, de tweede tekst is overgelegd en de stukken zijn aangevuld met de in artikel 19.4, eerste lid, bedoelde gegevens, dan wel, indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden. De krachtens de artikelen 3:18 en 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 31 van de Dienstenwet en artikel 7.21, vijfde lid, en 13.8 geldende termijnen lopen niet zolang de behandeling is opgeschort. +**2.** Indien een verzoek tot geheimhouding in het kader van de toepassing van afdeling 3.4 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht indien het een besluit op aanvraag betreft of van paragraaf 7.2 of 7.8 onderscheidenlijk 7.9 is gedaan, schort het bevoegd gezag de verdere behandeling van de aanvraag op totdat, indien het verzoek wordt toegestaan, de tweede tekst is overgelegd en de stukken zijn aangevuld met de in artikel 19.4, eerste lid, bedoelde gegevens, dan wel, indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden. De krachtens de artikelen 3:18 en 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 31 van de Dienstenwet, artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 7.21, vijfde lid, en 13.8 geldende termijnen lopen niet zolang de behandeling is opgeschort. **3.** Indien een verzoek tot geheimhouding in het kader van de toepassing van afdeling 3.4 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht indien het geen besluit op aanvraag betreft of van paragraaf 7.10 is gedaan, laat het bevoegd gezag de openbaarmaking van het stuk waarop het verzoek betrekking heeft, achterwege totdat, indien het verzoek wordt toegestaan, de tweede tekst is overgelegd en de stukken zijn aangevuld met de in artikel 19.4, eerste lid, bedoelde gegevens, dan wel, indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden. @@ -6624,7 +6245,7 @@ De artikelen 19.3 tot en met 19.5 zijn van overeenkomstige toepassing op gegeven ### Artikel 19.6b -Indien bij de voorbereiding van een besluit dat is aangewezen krachtens artikel 7.2 ter zake van een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, dan wel van een besluit inzake vergunning voor een inrichting krachtens artikel 8.1, ingevolge een wettelijk voorschrift of een besluit van het bevoegd gezag informatie openbaar wordt gemaakt, en dat wettelijk voorschrift of besluit zich op andere gronden dan voorzien in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur tegen de openbaarmaking verzet, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing en blijft het wettelijk voorschrift of besluit dat zich tegen de openbaarmaking verzet, buiten toepassing. Indien milieu-informatie niet ter inzage wordt gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan. +Indien bij de voorbereiding van een besluit dat is aangewezen krachtens artikel 7.2 ter zake van een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, dan wel van een besluit inzake een omgevingsvergunning voor een inrichting, ingevolge een wettelijk voorschrift of een besluit van het bevoegd gezag informatie openbaar wordt gemaakt, en dat wettelijk voorschrift of besluit zich op andere gronden dan voorzien in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur tegen de openbaarmaking verzet, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing en blijft het wettelijk voorschrift of besluit dat zich tegen de openbaarmaking verzet, buiten toepassing. Indien milieu-informatie niet ter inzage wordt gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan. ### Artikel 19.7 @@ -6650,7 +6271,7 @@ Indien bij de voorbereiding van een besluit dat is aangewezen krachtens artikel ### Artikel 20.1 -**1.** Tegen een besluit op grond van deze wet - met uitzondering van een besluit ten aanzien waarvan op grond van deze wet een andere beroepsgang is opengesteld - of een van de in het derde lid bedoelde wetten of wettelijke bepalingen kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. +**1.** Tegen een besluit op grond van deze wet - met uitzondering van een besluit als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, 8.40a of 8.42, een besluit met betrekking tot de handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40 of een besluit ten aanzien waarvan op grond van deze wet een andere beroepsgang is opengesteld - of een van de in het derde lid bedoelde wetten of wettelijke bepalingen kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op besluiten met betrekking tot de handhaving van bepalingen op basis waarvan besluiten kunnen worden genomen waarop beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. **2.** De Afdeling beslist op een beroep als bedoeld in het eerste lid, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn. In afwijking van de eerste volzin beslist de Afdeling op een beroep tegen een nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.29, eerste lid, of een gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, binnen veertig weken na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen eerstbedoeld besluit. @@ -6672,11 +6293,11 @@ de Wet bodembescherming, de Wet bescherming Antarctica, -de Waterwet, voor zover artikel 6.27, tweede lid, van die wet van toepassing is, +de Waterwet, voor zover besluiten krachtens die wet met toepassing van artikel 6.27, tweede lid, van die wet gecoördineerd zijn voorbereid met besluiten krachtens de Kernenergiewet, de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en -de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 18 van deze wet van toepassing is. +de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens andere wetten dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarop hoofdstuk 5 van de laatstgenoemde wet van toepassing is. **4.** Het beroep tegen een gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, kan uitsluitend worden ingesteld door een belanghebbende die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door de wijzigingen die ten opzichte van het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit zijn aangebracht. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. @@ -6704,18 +6325,10 @@ f. houdende een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de EG-ri Geen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking: a. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 5.23, -b. houdende een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 8.2a; -c. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.27, -d. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.31a, -e. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 8.39, -f. houdende een certificaat of een accreditatie als bedoeld in artikel 11.2, derde lid, onderdeel b of c, -g. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 17.5, eerste lid, -h. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 18.3d, eerste lid, of 18.3f, eerste lid, -i. houdende een aanwijzing van Onze Minister met toepassing van artikel 18.3f, zevende lid, aan burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van een waterschap ter zake van de uitvoering door deze bestuursorganen van het bepaalde krachtens artikel 18.3, -j. houdende een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 18.3e, eerste lid, laatste volzin, of -k. houdende een vordering als bedoeld in artikel 18.8a, eerste lid. +b. houdende een certificaat of een accreditatie als bedoeld in artikel 11.2, derde lid, onderdeel b of c, +c. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 17.5, eerste lid. -**3.** In afwijking van het tweede lid kan tegen een beschikking als bedoeld in dat lid onder a, b, d, e of g beroep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing, onderscheidenlijk het verzoek betrekking heeft, bevoegde gezag. +**3.** In afwijking van het tweede lid kan tegen een beschikking als bedoeld in dat lid onder a of c beroep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing, onderscheidenlijk het verzoek betrekking heeft, bevoegde gezag. **4.** In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beroepstermijn in een geval als bedoeld in het derde lid aan met ingang van de dag na de dag waarop een exemplaar van de beschikking waarop de verklaring of het verzoek betrekking heeft, overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd. @@ -6725,20 +6338,26 @@ In een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit, andere rechtshandelin ### Artikel 20.3 -**1.** Een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder *d*, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt, van een beroepschrift. Indien gedurende die termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dan wel, in een geval waarin artikel 20.1, zevende lid, van toepassing is, de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. +**1.** Een besluit op grond van deze wet of een van de in artikel 20.1, derde lid, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt, van een beroepschrift. Indien gedurende die termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. -**2.** Indien het gebruik maken van een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, voordat op een beroep is beslist, wegens de daaraan verbonden kosten, dan wel wegens de daardoor veroorzaakte wijziging in feitelijke omstandigheden die bij de beslissing op het beroep een rol kunnen spelen, aanmerkelijke invloed kan hebben op die beslissing, wordt een zodanige voorlopige voorziening getroffen dat die invloed zich niet kan voordoen. +**2.** In afwijking van het eerste lid treedt een besluit als bedoeld in artikel 8.40a of 8.42 in werking met ingang van de dag na zijn bekendmaking, tenzij deze is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. + +**3.** In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, treedt een besluit op een aanvraag om een vergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet die tevens is aan te merken als een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, niet eerder in werking dan nadat de betrokken omgevingsvergunning is verleend. + +**4.** Indien het gebruik maken van een besluit als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, voordat op een beroep is beslist, wegens de daaraan verbonden kosten, dan wel wegens de daardoor veroorzaakte wijziging in feitelijke omstandigheden die bij de beslissing op het beroep een rol kunnen spelen, aanmerkelijke invloed kan hebben op die beslissing, wordt een zodanige voorlopige voorziening getroffen dat die invloed zich niet kan voordoen. ### Artikel 20.4 Artikel 20.3 is niet van toepassing op besluiten: a. houdende vergunning of bezwaren krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; -b. krachtens de artikelen 18.3e, eerste lid, eerste volzin, 18.7 en 18.8a, derde lid, van deze wet, de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 18 van toepassing is. +b. krachtens de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. ### Artikel 20.5 -In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kan het in afwijking van artikel 20.3, eerste lid, in het besluit bepalen dat het terstond in werking treedt. +**1.** In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kan het in afwijking van dat lid in het besluit bepalen dat het terstond in werking treedt. + +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op besluiten op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. ### Artikel 20.5a @@ -6750,13 +6369,11 @@ In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld **4.** Voor de toepassing van hoofdstuk II, afdeling 3, paragraaf 1, van de Wet op de Raad van State wordt de tussenuitspraak geacht deel uit te maken van de einduitspraak. -### Paragraaf 20.2. Beroep tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van +### Paragraaf 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer ### Artikel 20.6 -**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het beroep tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. - -**2.** Artikel 20.5 is niet van toepassing op een besluit als bedoeld in het eerste lid. +Vervallen ### Artikel 20.7 @@ -6764,13 +6381,11 @@ Vervallen ### Artikel 20.8 -In afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend. +Vervallen ### Artikel 20.9 -Indien in een geval als bedoeld in artikel 8.28 ingevolge dit hoofdstuk beroep is ingesteld tegen een beschikking op de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet en krachtens artikel 8.1 of artikel 8.24 van deze wet een daarmee samenhangende beschikking is gegeven, kan de uitspraak in beroep ook op de laatstbedoelde beschikking betrekking hebben. - -### Paragraaf 20.3. Advisering inzake beroepen milieubeheer +Vervallen ### Artikel 20.10 @@ -6853,11 +6468,7 @@ Een bestuursorgaan verstrekt Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft ter u ### Artikel 21.3 -**1.** Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. - -**2.** De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen. +Vervallen ### Artikel 21.4 @@ -6871,17 +6482,17 @@ Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken **1.** Bij de vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet wordt rekening gehouden met het geldende nationale milieubeleidsplan. -**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, 5.3, derde lid, of 18.3 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.1a, eerste lid, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.2.3.1 of 9.2.3.2 wordt Ons gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. +**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, of 5.3, derde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.2, eerste lid, onder a, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.2.3.1 of 9.2.3.2 wordt Ons gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. **3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 of paragraaf 14.2, wordt Ons gedaan door Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens titel 12.1 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken. Indien het een of meer inrichtingen betreft, die onder Onze Minister van Defensie ressorteren, wordt de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 12.1, tweede lid, 12.4 en 12.5 Ons mede door hem gedaan. -**4.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.1, eerste, derde, zesde, zevende of achtste lid, 2.2, derde lid, 5.1, eerste lid, 5.3, eerste lid, 7.2, eerste lid, 8.2, 8.2a, 8.5, 8.7, 8.15, 8.17, tweede lid, 8.19, 8.20, tweede lid, 8.40, 8.45, 8.49, vijfde lid, 9.2.1.3, tweede lid, 9.2.1.4, 9.2.2.1, eerste lid, 9.2.3.1, derde lid, 9.2.3.2, 9.2.3.3, vierde lid, 10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.16, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.18, 10.19, eerste lid, 10.22, tweede lid, 10.28, eerste lid, 10.29, eerste lid, 10.30, derde lid, 10.32, 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, 10.46, eerste lid, 10.47, eerste lid, 10.48, eerste lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste lid, 10.54, derde lid, 10.61, eerste lid, 12.10, tweede lid, 12.12, tweede en vierde lid, 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, 12.20a, eerste lid, 12.29, 15.13, eerste lid, 15.32, eerste of tweede lid, 15.46, vijfde lid, 16.1, derde lid, 16.12, tweede lid, in verbinding met 16.49, tweede lid, 16.5016.53, tweede lid, 17.7, 18.3 of 21.4 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. +**4.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.1, eerste, derde, zesde, zevende of achtste lid, 2.2, derde lid, 5.1, eerste lid, 5.3, eerste lid, 7.2, eerste lid, 8.40, 8.49, vijfde lid, 9.2.1.3, tweede lid, 9.2.1.4, 9.2.2.1, eerste lid, 9.2.3.1, derde lid, 9.2.3.2, 9.2.3.3, vierde lid, 10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.16, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.18, 10.19, eerste lid, 10.22, tweede lid, 10.28, eerste lid, 10.29, eerste lid, 10.30, derde lid, 10.32, 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, 10.46, eerste lid, 10.47, eerste lid, 10.48, eerste lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste lid, 10.54, derde lid, 10.61, eerste lid, 12.10, tweede lid, 12.12, tweede en vierde lid, 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, 12.20a, eerste lid, 12.29, 15.13, eerste lid, 15.32, eerste of tweede lid, 15.46, vijfde lid, 16.1, derde lid, 16.12, tweede lid, in verbinding met 16.49, tweede lid, 16.5016.53, tweede lid, 17.7 of 21.4 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. **5.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin hij is geplaatst. Een krachtens artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de toezending ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. **6.** Hetgeen ingevolge deze wet bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, wordt in afwijking daarvan bij ministeriële regeling geregeld, indien de regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet noodzakelijk is. Indien wijziging van een algemene maatregel van bestuur noodzakelijk is, wordt daarvan, gelijktijdig met de voordracht aan Ons, gemotiveerd kennis gegeven aan de beide kamers der Staten-Generaal, onder vermelding van de korte inhoud van de voorgenomen algemene maatregel van bestuur. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Op de vaststelling van een ministeriële regeling zijn het tweede en het derde lid van overeenkomstige toepassing. -**7.** Het tweede tot en met vijfde lid en het zesde lid, tweede, derde en vierde volzin, gelden niet voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 of 8.45, voorzover deze uitsluitend betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2, derde lid. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur wordt Ons in dit geval gedaan door Onze Minister van Economische Zaken. Bij toepassing in dit geval van het zesde lid, eerste volzin, wordt de ministeriële regeling vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken. +**7.** Het tweede tot en met vijfde lid en het zesde lid, tweede, derde en vierde volzin, gelden niet voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, voorzover deze uitsluitend betrekking heeft op inrichtingen die een krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk zijn. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur wordt Ons in dit geval gedaan door Onze Minister van Economische Zaken. Bij toepassing in dit geval van het zesde lid, eerste volzin, wordt de ministeriële regeling vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken. ### Artikel 21.7 @@ -6997,4 +6608,6 @@ Flora- en faunawet Waterwet +Wet algemene bepalingen omgevingsrecht + ## Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer