diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md index d0fdbbafc02..1cc1b27d62a 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md @@ -6788,9 +6788,13 @@ Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Somalië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling, behoudens de hieronder opgenomen regeling ten aanzien van het niet tegenwerpen van het vervallen van de verleningsgrond. De algemene wet- en regelgeving blijft voor het overige steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. -De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 17 mei 2011 over de situatie in Somalië (zie de website van het Ministerie van BuZa). +De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 17 mei 2011 en het verkorte ambtsbericht van 29 februari 2012 over de situatie in Somalië (zie de website van het Ministerie van BuZa).Uit de nieuwsberichten blijkt dat de situatie in Somalië veranderd is sinds het laatste ambtsbericht is uitgebracht. Eind november 2012 wordt een nieuw algemeen ambtsbericht over Somalië verwacht. Eventuele beleidsconsequenties van dit ambtsbericht zullen in een volgend WBV worden verwerkt. -Op 7 januari 2011 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gemotiveerde *interim measures* getroffen in de zaken van twee Somalische asielzoekers waarmee hun uitzetting naar Somalië hangende hun klacht bij het EHRM wordt opgeschort. Naar aanleiding hiervan heeft de Minister voor Immigratie en Asiel bij brief van 18 maart 2011 de Tweede Kamer bericht dat is besloten tot het instellen van een vertrekmoratorium ten aanzien van afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië die niet in het noorden van Somalië kunnen verblijven. Op 28 juni 2011 heeft het EHRM in de zaak Sufi en Elmi t. VK (appl nrs 8319/07 en 11449/07) zich uitgelaten over terugkeer naar Centraal- en Zuid-Somalië. Onderhavig Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire is een weergave van de beleidsconsequenties van deze inhoudelijke uitspraak die als richtinggevend moet worden aangemerkt bij de beoordeling van vreemdelingen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië. +Op 28 juni 2011 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Sufi en Elmi t. VK (appl nrs 8319/07 en 11449/07) zich uitgelaten over terugkeer naar Centraal- en Zuid-Somalië. + +Het Wijzigingsbesluit Vreemdelingenbesluit d.d. 6 oktober 2011 (nummer 2011/13) bevat een weergave van de beleidsconsequenties van deze inhoudelijke uitspraak die als richtinggevend moet worden aangemerkt bij de beoordeling van vreemdelingen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië. + +Op 31 juli 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat bovengenoemde uitspraak van het EHRM niet volledig in het beleid is geïmplementeerd en dat bij de toets of iemand zich kan handhaven onder Al-Shabaab tevens dient te worden meegewogen of een vreemdeling zodanig verwesterd is, dat hij bij terugkeer door Al-Shabaab als verwesterd wordt herkend en in verband daarmee een reëel risico loopt op ernstige schade. De beleidsconsequenties van deze uitspraak zijn meegenomen in onderhavig Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire. Dit hoofdstuk bevat de uitvoeringsconsequenties van het vastgestelde beleid. @@ -6808,25 +6812,19 @@ Het ambtsbericht van de Minister van BuZa meldt dat de positie van minderheden i Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn etnische afkomst te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -Het enkel behoren tot een specifieke clanfamilie of minderheid, anders dan de Reer Hamar (zie 3.1.2), vormt op zichzelf geen aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. +Het enkel behoren tot een specifieke clanfamilie of minderheid, anders dan de Reer Hamar (zie 3.1.2), vormt op zichzelf geen aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. De situatie van de verschillende niet-Somali minderheden is zeer divers en zeer lokaal bepaald, zodat er geen algemene uitspraak kan worden gedaan over de positie van alle niet-Somali minderheden gezamenlijk of van specifieke niet-Somali minderheden. De risico’s die een persoon behorende tot een niet-Somali bevolkingsgroep loopt, zijn te zeer afhankelijk van de specifieke subclan waartoe hij behoort en de lokale omstandigheden. Het asielrelaas van niet-Somali minderheden wordt dan ook aan de hand van het individuele asielrelaas beoordeeld, met inachtneming van hetgeen bekend is omtrent de situatie van niet-Somali minderheden in het algemeen en – zo mogelijk – de specifieke subclan in het bijzonder. ###### 3.1.2. Reer Hamar/Benadiri In brede zin wordt de term Reer Hamar gebruikt als synoniem voor Benadiri. Naast de Reer Hamar zelf (in enge zin), kunnen hier ook onder vallen: Reer Brava, Reer Merka en de Ashraf die onder de Benadiri leven en als Benadiri zouden kunnen worden gezien, Ashraf in Bay en Bakool worden niet onder de Reer Hamar (Benadiri) in brede zin geplaatst. Andere minderheden uit het zuiden van Somalië, zoals Bantu, Bajuni en Midgan, vallen niet onder de Reer Hamar (Benadiri) in brede zin. -Bij de beoordeling van asielaanvragen van Reer Hamar (in brede zin) is het volgende van belang. De positie van de Reer Hamar is zodanig dat deze bevolkingsgroep moet worden gezien als een risicogroep in de zin van C14/3.6. Dit houdt in dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder a, Vw, indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging welke in verband gebracht kunnen worden met de etnische afkomst. Daarbij ziet de term “in geringe mate” op aantal en ernst van de gestelde gebeurtenissen, niet op de aard daarvan. De asielzoeker zal de aard van de vervolgingsgronden op de gebruikelijke wijze aannemelijk moeten maken. Hierbij staat het criterium centraal dat de gebeurtenissen die betrokkene heeft ondervonden of vreest, verband houden met zijn persoon én met zijn etnische afkomst. - -De Reer Hamar (in brede zin) kunnen worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. - -Ten aanzien van een vreemdeling afkomstig uit Somalië die zich beroept op het behoren tot deze groep zal het individualiseringsvereiste zich ertoe beperken dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij tot deze groep behoort. Nadere hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden behoeven vervolgens niet te worden aangetoond om te komen tot het oordeel dat hij bij terugkeer zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. - ##### 3.2. Personen die zich geprofileerd hebben als politiek tegenstander Formeel is het Somaliërs toegestaan in vrijheid bij elkaar te komen, vakbonden op te richten en te demonstreren. Een feitelijk verbod op demonstraties, alsmede de slechte veiligheidssituatie in het hele land, beperken dit recht in de praktijk. In Somaliland worden vrijheid van vereniging en vergadering en vorming van politieke partijen formeel toegestaan. Er bestaat echter wetgeving die deze vrijheden beperkt. In Puntland is de ruimte voor oppositie kleiner, aangezien politieke partijen niet zijn toegestaan. -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn politieke opvattingen te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag van de zijde van de *de facto* autoriteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn politieke opvattingen te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag van de zijde van de de facto autoriteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. ##### 3.3. Journalisten @@ -6860,13 +6858,13 @@ Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van Indien een alleenstaande vrouw aannemelijk heeft gemaakt een gegronde vrees voor een onmenselijke behandeling te hebben bij terugkeer naar haar land, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning worden verleend. Het enkele feit dat de vreemdeling een alleenstaande vrouw is, is onvoldoende voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor onmenselijke behandeling. -Ten aanzien van alleenstaande vrouwen wordt in de regel aangenomen dat, indien sprake is van een gegronde vrees, in de regel niet een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië kan worden tegengeworpen (zie verder 7.2). +Ten aanzien van alleenstaande vrouwen wordt in de regel aangenomen dat, indien sprake is van een gegronde vrees, niet een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië kan worden tegengeworpen (zie verder 7.2). Een vrouw wordt aangemerkt als alleenstaand indien de huwelijksband met de echtgenoot verbroken is, of indien zij ongehuwd is en de band met het gezin waartoe ze ten tijde van haar vertrek uit Somalië behoorde, als verbroken kan worden beschouwd. Onder gezin wordt enkel het ouderlijk gezin, de vader en moeder verstaan. De gezinsband met de vader is hierbij relevant. Dat betekent dat banden met andere mannelijke familieleden, bijvoorbeeld meerderjarige zoons, broers of ooms, hierbij niet worden meegewogen. -Om aan te tonen dat een vrouw alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband, dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens te worden overgelegd en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden afgelegd. +Om aan te tonen dat een vrouw alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband, dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens te worden overgelegd en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden afgelegd. #### 4. Algehele veiligheidssituatie @@ -6880,7 +6878,7 @@ Door de omstandigheid dat de veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië o ##### 4.1. Situatie Mogadishu -Voorts blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa dat de veiligheidssituatie in de stad Mogadishu apart kan worden beoordeeld en dat op basis van de voorhanden zijnde informatie geconcludeerd moet worden dat de veiligheidssituatie aldaar zodanig slecht is dat er in de stad Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. +Voorts blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa dat de veiligheidssituatie in de stad Mogadishu apart kan worden beoordeeld en dat op basis van de voorhanden zijnde informatie moet worden geconcludeerd dat de veiligheidssituatie aldaar zodanig slecht is dat in de stad Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. Dit betekent dat voor vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij afkomstig zijn uit Mogadishu en aannemelijk hebben gemaakt dat zij daar hebben gewoond en verbleven direct voorafgaand aan het vertrek uit Somalië, geldt dat zij afkomstig zijn uit een gebied waarin de mate van willekeurig geweld in het gewapende conflict dermate hoog is dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade. @@ -6888,13 +6886,34 @@ Indien niet is gebleken dat betrokkene zich elders in Somalië kan vestigen (zie ##### 4.2. Situatie Centraal- en Zuid-Somalië (met uitzondering van Mogadishu) -Hoewel de situatie in de regio’s buiten Mogadishu in Zuid- en Centraal Somalië onverminderd slecht en zorgwekkend is, met name in de stedelijke gebieden in deze regio’s, is de veiligheidssituatie aldaar niet zodanig slecht dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de vreemdeling enkel en alleen door diens aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt. +Hoewel de situatie in de regio’s buiten Mogadishu in Centraal- en Zuid-Somalië onverminderd slecht en zorgwekkend is, met name in de stedelijke gebieden in deze regio’s, is de veiligheidssituatie aldaar niet zodanig slecht dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de vreemdeling enkel en alleen door diens aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt. -Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa en de uitspraak van het EHRM van 28 juni 2011, kan de terugkeer van personen afkomstig uit de overige delen van Centraal- en Zuid-Somalië eveneens leiden tot een risico op schending van artikel 3 EVRM. Vreemdelingen die aannemelijk maken dat zij niet in staat kunnen worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab - waarbij het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk vertrokken is of ervaring heeft met het leven onder Al Shabaab een belangrijke rol speelt - komen in beginsel in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw. Dit geldt overigens ook voor de personen die afkomstig zijn uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab, maar dit gebied enkel kunnen bereiken via het gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. +Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa en de uitspraak van het EHRM van 28 juni 2011, kan de terugkeer van personen afkomstig uit de overige delen van Centraal- en Zuid-Somalië eveneens leiden tot een risico op schending van artikel 3 EVRM. Vreemdelingen die aannemelijk maken dat zij niet in staat kunnen worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab – waarbij het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk vertrokken is of ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab een belangrijke rol speelt – komen in beginsel in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw. Dit geldt overigens ook voor de personen die afkomstig zijn uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab, maar dit gebied enkel kunnen bereiken via het gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. -##### 4.3. Situatie Noord- Somalië +Bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade dient voor vreemdelingen van wie de herkomst uit Centraal- en Zuid-Somalië geloofwaardig wordt geacht en die zonder noemenswaardige problemen onder de regels van Al-Shabaab hebben geleefd, tevens te worden getoetst of zij zodanig verwesterd zijn, dat zij bij terugkeer door Al-Shabaab als verwesterd worden herkend en in verband daarmee een reëel risico lopen op ernstige schade. Het gaat hierbij om risico’s die zij bij terugkeer naar het herkomstland van de zijde van Al-Shabaab lopen als gevolg van specifieke kenmerken die zij niet verborgen kunnen houden en die zij na terugkeer niet weer kunnen aanpassen. Uiterlijke kenmerken als kleding, sieraden en haardracht kunnen bij terugkeer worden aangepast en kunnen dus niet worden gezien als onmogelijk te verbergen (‘impossible to disguise’). -Blijkens het meest recente ambtsbericht laat ook de veiligheidssituatie in Somaliland, Sool, Sanaag en Puntland te wensen over. Desalniettemin komt uit het ambtsbericht eveneens naar voren dat de algemene veiligheidssituatie in dit deel van Somalië niet zodanig slecht en zorgwekkend van aard is als die in Centraal- en Zuid-Somalië Er is op dit moment dan ook geen reden om het beleid ten aanzien van Noord-Somalië te wijzigen. +Of in een individuele zaak sprake is van verwestersing in de zin van de EHRM-uitspraak wordt beoordeeld aan de hand van hetgeen daarover door de vreemdeling zelf naar voren wordt gebracht. Enkel langdurig verblijf in Nederland – ook langer dan de hieronder genoemde tien jaar – zal doorgaans onvoldoende zijn om aan te nemen dat een vreemdeling verwesterd is en daarmee een risico loopt bij terugkeer. In dit verband dient er op te worden gewezen dat de uitspraak van het EHRM zag op vreemdelingen die al ruimschoots vóór de komst van de Al Shabaab Somalië hadden verlaten. + +Bij de beoordeling of het verblijf in Nederland bij een individuele Somalische vreemdeling heeft geleid tot een verwestersing waarbij een of meer specifieke kenmerken bij terugkeer feitelijk niet meer verborgen kunnen worden gehouden, spelen in ieder geval de volgende elementen een rol: + +• de duur van het verblijf van de vreemdeling; hierbij geldt als uitgangspunt dat bij vreemdelingen die meerderjarig waren toen zij Nederland inreisden en die minder dan tien jaar in Nederland hebben verbleven, in beginsel niet wordt aangenomen dat er sprake is van verwestersing. +• de leeftijd bij aankomst in Nederland; zo zal van een vreemdeling die minderjarig was bij inreis, in Nederland onderwijs genoten heeft en meerdere van zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht eerder kunnen worden aangenomen dat er sprake is van verwestersing. Hierbij wordt tevens het aantal vormende jaren betrokken dat de vreemdeling in Somalië heeft doorgebracht. +• de mate waarin de vreemdeling de Nederlandse taal beheerst. +• de mate waarin de vreemdeling deelneemt aan de Nederlandse samenleving. + +Bovengenoemde uitgangspunten betekenen niet dat een vreemdeling die op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen en minder dan tien jaar in Nederland heeft verbleven nimmer als verwesterd kan worden beschouwd. De vreemdeling zal dan wel zeer specifieke omstandigheden naar voren moeten brengen om aannemelijk te maken dat hij dusdanig verwesterd is dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Zeker bij verblijf in de asielopvang of bij illegaal verblijf is een dergelijke verwestersing niet goed voorstelbaar, omdat het verblijf in die gevallen niet gericht is op integratie. + +Onder vormende jaren wordt met name verstaan de periode van de leerplichtige leeftijd zoals deze in Nederland geldt. + +Tussentijdse terugkeer naar Centraal-en Zuid Somalië vormt een duidelijke aanwijzing dat er geen sprake is van verwestersing, tenzij de vreemdeling problemen heeft ondervonden bij deze terugkeer. + +Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig verwesterd is dat hij bij terugkeer in Somalië een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, komt de vreemdeling, op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Waar het minderjarigen betreft, komen eventuele ouders, behoudens contra-indicaties van openbare orde, eveneens op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De eventuele broers en zussen kunnen, in het geval zij niet zelfstandig in aanmerking komen voor asiel, behoudens contra-indicaties van openbare orde, in aanmerking komen voor een van hun ouders afhankelijke verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw. + +Overeenkomstig artikel 44, tweede lid, Vw wordt een vergunning verleend vanaf het moment dat door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt dat hij zodanig verwesterd is dat hij bij terugkeer in Somalië een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. + +##### 4.3. Situatie Noord-Somalië + +Blijkens het meest recente ambtsbericht laat ook de veiligheidssituatie in Somaliland, Sool, Sanaag en Puntland te wensen over. Desalniettemin komt uit het ambtsbericht eveneens naar voren dat de algemene veiligheidssituatie in dit deel van Somalië niet zodanig slecht en zorgwekkend van aard is als die in Centraal- en Zuid-Somalië. Er is op dit moment dan ook geen reden om het beleid ten aanzien van Noord-Somalië te wijzigen. #### 5. Traumatabeleid @@ -6940,7 +6959,7 @@ Voor Centraal- en Zuid-Somalië geldt dat de (lokale) autoriteiten in beginsel n ##### 7.2. Vlucht- en/of vestigingsalternatief -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing. +Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. Ten aanzien van Somalië wordt aangenomen dat indien er sprake is van een gegronde individuele, persoonlijke vrees, er in beginsel geen sprake is van een binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief, tenzij de individuele vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden tenminste zes maanden heeft verbleven in: @@ -6955,15 +6974,16 @@ Een verblijf in een ontheemdennederzetting wordt niet aangemerkt als verblijf on De uitzonderlijke situatie van artikel 15c van de richtlijn 2004/83 EG geldt voor de burgers verblijvend in een bepaald gebied (in casu Mogadishu) en is niet gerelateerd aan individuele, persoonlijke vrees. Gelet hierop kan er, in aanvulling op het voorgaande, sprake zijn van een vestigingsalternatief voor de vreemdeling afkomstig uit Mogadishu in een ander deel van Somalië (inclusief Centraal- en Zuid-Somalië) indien de dreiging waaraan betrokkene in Mogadishu wordt blootgesteld niet op de persoon gericht is maar enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c. -Gelet op de bijzondere positie waarin niet-Somali minderheden (uit genoemd ambtsbericht (par.3.4.3) blijkt dat hier de volgende groepen onder vallen: Bantus, Reer Hamar, Ashraf, Bajuni, en de beroepskaste Gaboye (Midgan, Tumal en Yibir)), alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen in Centraal- en Zuid-Somalië verkeren, wordt ten aanzien van een vreemdeling behorend tot één van deze groepen in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië. Gezien de positie van de niet-Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen kan immers niet worden aangenomen dat zij elders in Centraal- en Zuid-Somalië in voldoende mate binnen de daar aanwezige gemeenschappen kunnen participeren. +Gelet op de bijzondere positie waarin niet-Somali minderheden (uit genoemd ambtsbericht (par.3.4.3) blijkt dat hier de volgende groepen onder vallen: Bantus, Reer Hamar, Ashraf, Bajuni, en de beroepskaste Gaboye (Midgan, Tumal en Yibir)), alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen in Centraal- en Zuid-Somalië verkeren, wordt ten aanzien van een vreemdeling behorend tot één van deze groepen in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië. Gezien de positie van de niet-Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen kan immers niet worden aangenomen dat zij elders in Centraal- en Zuid-Somalië in voldoende mate binnen de daar aanwezige gemeenschappen kunnen participeren. Er kan niet worden verwacht dat zij in een andere plaats een nieuw bestaan opbouwen, omdat het onwaarschijnlijk wordt geacht dat zij daar, alleen, voldoende bescherming kunnen verkrijgen. Dit laat onverlet dat voor personen behorend tot bovengenoemde groepen het vestigingsalternatief in Noord-Somalië (zoals in de eerste alinea van deze paragraaf beschreven) van toepassing kan zijn. Aan een vreemdeling uit Mogadishu kan enkel een vestigingsalternatief in de overige delen van Centraal- en Zuid-Somalië worden tegengeworpen als: -de vreemdeling nauwe familiebanden heeft in het gebied waar hij naar toe terugkeert, waarbij de familie in staat moet zijn om hem opvang en ondersteuning te bieden; èn +• de vreemdeling nauwe familiebanden heeft in het gebied waar hij naar toe terugkeert, waarbij de familie in staat moet zijn om hem opvang en ondersteuning te bieden; èn +• de vreemdeling zich niet hoeft te vestigen in of hoeft te reizen door een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, tenzij hij in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab. Hierbij speelt het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk vertrokken is of ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab een belangrijke rol. Een risico op schending van artikel 3 EVRM wordt eerder aangenomen indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij reeds lange tijd uit Somalië is vertrokken. Immers, in dat geval zal hij bij terugkeer eerder de aandacht van Al-Shabaab op zich vestigen. -de vreemdeling zich niet hoeft te vestigen in of hoeft te reizen door een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, tenzij hij in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab. Hierbij speelt het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk vertrokken is of ervaring heeft met het leven onder Al Shabaab een belangrijke rol. Een risico op schending van artikel 3 EVRM wordt eerder aangenomen indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij reeds lange tijd uit Somalië is vertrokken. Immers, in dat geval zal hij bij terugkeer eerder de aandacht van Al Shabaab op zich vestigen. +Hierbij dient tevens te worden meegewogen of de vreemdeling zodanig verwesterd is, dat hij bij terugkeer bij een confrontatie met de Al-Shabaab vanwege het kenbaar verwesterd zijn een reëel risico loopt op ernstige schade. Bij de beoordeling hiervan zijn de uitgangspunten die onder 4.2 geschetst zijn van toepassing. Vluchtelingenkampen en ontheemdennederzettingen worden niet als vestigingsalternatief aangemerkt. @@ -6987,14 +7007,6 @@ Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure om Ten aanzien van Amv’s uit Somalië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. -#### 9. Vertrekmoratorium - -##### 9.1. Algemeen - -In afwachting van een inhoudelijke uitspraak van het EHRM is de uitzetting van Somaliërs afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië opgeschort door middel van een vertrekmoratorium. Dit vertrekmoratorium is op 7 april 2011 in werking getreden voor de duur van een jaar. Nu het EHRM op 28 juni 2011 een inhoudelijke uitspraak gedaan heeft, wordt het vertrekmoratorium met ingang van de inwerkingtreding van onderhavig Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire ingetrokken. Het recht op verstrekkingen dat voortvloeit uit dit vertrekmoratorium eindigt daarmee van rechtswege. Verder verblijven personen die onder dit vertrekmoratorium vielen niet langer rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8, onder j, van de Vreemdelingenwet 2000. - -Hierbij wordt verwezen naar het besluit om het vertrekmoratorium af te schaffen dat gelijktijdig in de Staatscourant verschenen is. - ### [25]. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka #### 1. Achtergrond