2007-01-01 | BWBR0013042 | Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

This commit is contained in:
Coornhert 2007-01-01 12:00:00 +00:00
parent 82e61b6dc4
commit 6df95eb1e7

View file

@ -24,30 +24,37 @@ citeertitel: Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving
**1.**
Bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbowet 1998 worden voor alle beboetbare feiten de normbedragen gehanteerd van de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete welke als bijlage 1 bij deze beleidsregels is gevoegd. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen
Bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbowet worden voor alle beboetbare feiten de normbedragen gehanteerd van de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete welke als bijlage 1 bij deze beleidsregels is gevoegd. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. feiten waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat is geconstateerd dat de betreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot boeteoplegging.
b. ernstige beboetbare feiten zoals genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregels;
c. direct beboetbare feiten zoals genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze beleidsregels;
a. feiten waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat is geconstateerd dat de betreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot boeteoplegging;
b. ernstige beboetbare feiten als genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregels;
c. direct beboetbare feiten als genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze beleidsregels;
**2.**
De in bijlage 1 genoemde normbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen boetes voor bedrijven of instellingen met 250 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen boetes:
De in bijlage 1 genoemde normbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van de op te leggen boetes:
a. een vijfde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met minder dan 10 werknemers;
b. een derde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met 10 tot en met 49 werknemers;
c. tweederde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met 50 tot en met 249 werknemers.
a. bedrijven of instellingen met minder dan 5 werknemers betalen 10 procent;
b. bedrijven of instellingen met 5 tot en met 9 werknemers betalen 20 procent;
c. bedrijven of instellingen met 10 tot en met 39 werknemers betalen 30 procent;
d. bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers betalen 50 procent;
e. bedrijven of instellingen met 100 tot en met 249 werknemers betalen 60 procent;
f. bedrijven of instellingen met 249 tot en met 499 werknemers betalen 80 procent.
Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening. Voor beboetbare feiten begaan door anderen dan de werkgever, bedoeld in artikel 16, achtste lid, van de Arbowet 1998, te weten de opdrachtgever, de ontwerpende partij en de uitvoerende partij, bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, vindt geen correctie op het aantal werknemers plaats, maar zijn de in bijlage 1 genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete.
Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening. Voor beboetbare feiten begaan door anderen dan de werkgever, bedoeld in artikel 16, achtste lid, van de Arbowet, te weten de opdrachtgever, de ontwerpende partij en de uitvoerende partij, bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, vindt geen correctie op het aantal werknemers plaats, maar zijn de in bijlage 1 genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete.
**3.** Voor de boeteberekening van beboetbare feiten geconstateerd op locaties of in filialen, wordt als bedrijfs-/instellingsgrootte het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid gehanteerd.
**3.** Voor de boeteberekening van beboetbare feiten geconstateerd op locaties of in filialen, wordt als bedrijfs-/instellingsgrootte het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid gehanteerd.
**4.**
Bij de berekening van de op te leggen boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:
Bij de berekening van de op te leggen boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verhoging respectievelijk verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:
a. In geval van ernstige beboetbare feiten zoals genoemd in bijlage 2 wordt het normbedrag met twee vermenigvuldigd;
b. Indien meer dan tien, respectievelijk meer dan vijftig werknemers aan een niet-administratief beboetbaar feit zijn blootgesteld, wordt het al dan niet op grond a. verhoogde normbedrag met anderhalf, respectievelijk twee, vermenigvuldigd;
a. In geval van ernstige beboetbare feiten als genoemd in bijlage 2 wordt het normbedrag met twee vermenigvuldigd; Vervolgens kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde verdubbelde normbedrag:
Indien de werkgever aantoont dat hij de risicos van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.
Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.
Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.
b. Indien meer dan tien respectievelijk meer dan vijftig werknemers aan een niet-administratief beboetbaar feit zijn blootgesteld, wordt het al dan niet op grond a. verhoogde of verlaagde normbedrag met anderhalf respectievelijk twee vermenigvuldigd;
c. Beboetbare feiten die meermalen voorkomen, kunnen maximaal drie keer in de berekening van de op te leggen boete worden meegenomen;
d. Indien sprake is van recidive van een beboetbaar feit wordt de op te leggen boete met anderhalf vermenigvuldigd.
@ -55,29 +62,38 @@ d. Indien sprake is van recidive van een beboetbaar feit wordt de op te leggen b
**6.**
De boete die per boetebeschikking aan een werkgever (rechtspersoon of een natuurlijk persoon), of anderen dan de werkgever, bedoeld in het tweede lid van deze beleidsregel, kan worden opgelegd bedraagt
De boete die per boetebeschikking aan een werkgever (rechtspersoon of natuurlijk persoon), of anderen dan de werkgever, bedoeld in het tweede lid van deze beleidsregel, kan worden opgelegd bedraagt:
a. minimaal € 113;
b. maximaal € 45.000.
a. minimaal € 100;
b. maximaal € 100.000.
**7.** Feiten waarvoor ook een werknemer beboet kan worden zijn in de bijlagen 1 tot en met 3 gemarkeerd met een asterisk achter het boetenormbedrag. De boete die per boetebeschikking aan een werknemer kan worden opgelegd bedraagt maximaal € 225.
**8.**
Bij een arbeidsongeval dat ernstig letsel of de dood ten gevolge heeft, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet 1998, worden vaste boetebedragen opgelegd waarbij de volgende criteria worden gehanteerd.
Bij een arbeidsongeval dat leidt tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet worden vaste boetebedragen opgelegd waarbij de volgende criteria worden gehanteerd.
a. Afhankelijk van de categorie-indeling, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de Arbowet, van het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval en afhankelijk van het aantal werknemers van het bedrijf of de instelling gelden de volgende bedragen per werkgever:
| Omvang bedrijf # werknemers | Blijvend letsel/ziekenhuisopname | Dodelijk letsel | | |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Boetecategorie | Boetecategorie | | | |
| | I | II | I | II |
| < 5 | 1.350 | 2.700 | 1.800 | 4.500 |
| 59 | 2.700 | 5.400 | 3.600 | 9.000 |
| 1039 | 4.050 | 8.100 | 4.500 | 10.800 |
| 4099 | 4.500 | 9.000 | 5.400 | 13.500 |
| 100249 | 5.400 | 10.800 | 6.750 | 16.200 |
| 250499 | 6.100 | 12.000 | 8.100 | 20.000 |
| > 500 | 6.750 | 13.500 | 9.000 | 22.500 |
a. Afhankelijk van de categorie-indeling, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de Arbowet 1998, van het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval en afhankelijk van het aantal werknemers van het bedrijf of de instelling gelden de volgende bedragen per werkgever:
b. Indien sprake is van meer dan één slachtoffer wordt het boetebedrag als volgt verhoogd:
1°. in geval van twee slachtoffers wordt het boetebedrag met anderhalf vermenigvuldigd,
2°. bij drie of meer slachtoffers wordt het boetebedrag met twee vermenigvuldigd, met dien verstande dat het boetebedrag per beboetbaar feit de per categorie vastgestelde maximale bedragen (€ 4.500 of € 11.250) niet overschrijdt.
c. Indien sprake is van één slachtoffer wordt het boetebedrag verlaagd door het met driekwart te vermenigvuldigen als voldaan wordt aan de volgende drie voorwaarden:
2°. bij drie of meer slachtoffers wordt het boetebedrag met twee vermenigvuldigd, met dien verstande dat het boetebedrag per beboetbaar feit de per categorie vastgestelde maximale bedragen (€ 9.000 of € 22.500) niet overschrijdt.
c. Bij de berekening van de op te leggen boete kunnen de drie factoren aan de orde zijn als genoemd in lid 4, onder a, en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.
1°. in de boetebeschikking wordt één beboetbaar feit vermeld,
2°. in de twee jaar voorafgaand aan het arbeidsongeval heeft zich geen ander arbeidsongeval voorgedaan als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel i, van de Arbowet 1998 in het bedrijf of de instelling, dan wel, wanneer het gaat om een bedrijf of instelling met meerdere locaties of filialen, op de betreffende locatie of in het betreffende filiaal van het bedrijf of de instelling.
3°. het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval kan mede aan het slachtoffer verweten worden. Hiervan is sprake als het slachtoffer zich, tegen de instructies van de werkgever in, niet aan de bij of krachtens de Arbowet 1998 opgelegde verplichtingen heeft gehouden.
**9.** Indien blijkt dat er bij een beboetbaar feit sprake is van bijzondere omstandigheden, kan van deze beleidsregel worden afgeweken. In dat geval wordt het belang van toepassing van de beleidsregel afgewogen tegen de gevolgen die onverkorte toepassing van de beleidsregel voor de belanghebbende zou hebben. Er kan worden besloten tot het niet opleggen of verlagen van een boete voor een bepaald feit. Als bijzondere omstandigheden kunnen genoemd worden overmachtsituaties, nieuwe feiten en/of evidente fouten.
**9.** Indien de verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.
## Hoofdstuk 2. Beleidsregels
@ -374,13 +390,7 @@ In of aan installaties voor opslag kunnen voorzieningen zijn getroffen die tot d
### Artikel 2.21
**1.** Aan artikel 2.21, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als met goed gevolg ten minste een opleiding is afgerond die gebaseerd is op het in het Brandbeveiligingsconcept Bedrijfshulpverlening gepubliceerde opleidingsprofiel.
**2.** Om de twee jaar worden per aangewezen werknemer ten minste 8 uur besteed aan herhalingscursussen en oefeningen of andere activiteiten als bedoeld in artikel 2.22 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hiervan wordt een registratie bijgehouden.
**3.** Als uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, blijkt dat bijzondere risico's aanwezig zijn, dan worden door één of meer bedrijfshulpverleners aanvullende opleidingen gevolgd. Dat zal met name het geval zijn voor de specialisaties eerste hulp en brandbestrijding.
**4.** Op basis van de uitkomst van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, kan van het gestelde onder 1 worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij arbeid, die alleen of zonder vaste werkplek wordt verricht buiten het verband van een ploeg of buiten een bedrijf of inrichting. In dat geval kan worden volstaan met een (eenvoudige) schriftelijke instructie.
Vervallen
### Paragraaf 3. Hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen
@ -449,6 +459,36 @@ a. NEN-EN 50110-1:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Algemene
b. NEN 3140 1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Aanvullende Nederlandse bepalingen voor laagspanningsinstallaties";
c. NEN 3840-1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Aanvullende Nederlandse bepalingen voor hoogspanningsinstallaties".
### Artikel 3.5g -1
**1.**
Adequaat onderzoek als bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat voor het betreden van de ruimte in deze ruimte met geschikte meetapparatuur wordt vastgesteld of de feitelijke situatie zodanig is dat gevaren voor brand, vergiftiging, verstikking of bedwelming niet zullen optreden. Dit wordt vastgesteld door achtereenvolgens:
a. bepaling van het zuurstofgehalte als de kans op verstikking of van een met zuurstof verrijkte atmosfeer bestaat;
b. bepaling van de samenstelling van het mengsel dat een risico vormt ten aanzien van brand;
c. bepaling van de concentraties van aanwezige stoffen wanneer de kans op vergiftiging of bedwelming bestaat en vergelijking van de gemeten waarden met wettelijke of bestuurlijke grenswaarden voor deze stoffen zoals gepubliceerd in de "Nationale MAC-lijst".
**2.** Gedurende de werkzaamheden worden frequente herhalingsmetingen uitgevoerd van de aanwezige stoffen en zuurstof indien de kans op brand, vergiftiging, verstikking of bedwelming in de ruimte of nabij de toegang van de ruimte tijdens de werkzaamheden blijft bestaan of vergroot wordt.
**3.** Het onderzoek wordt uitgevoerd door personen, die zowel op de hoogte zijn van de gevaren van bedoelde ruimten als van de van toepassing zijnde meetmethoden en zodanig dat de resultaten eenduidig en betrouwbaar zijn. De resultaten worden schriftelijk vastgelegd.
### Artikel 3.5g -2
Maatregelen gericht op het veilig kunnen betreden en kunnen verlaten van een ruimte als bedoeld in artikel 3.5g, tweede en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden als doeltreffend aangemerkt indien daarbij rekening is gehouden met de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, en de volgende punten daarbij worden in acht genomen.
1. Alvorens iemand de ruimte betreedt wordt ervoor gezorgd dat de luchtverversing adequaat is zodat het ontstaan van het gevaar, bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, in de ruimte wordt voorkomen. Wanneer er kans is op een explosieve atmosfeer wordt voor de luchtverversing explosieveilige apparatuur toegepast. Wanneer het gevaar, bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, in de ruimte niet kan worden voorkomen wordt bij betreding gebruik gemaakt van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen waarvan de luchttoevoer onafhankelijk is van de atmosfeer in de ruimte.
2. Om te voorkomen dat een dergelijke ruimte door onbevoegden wordt betreden zijn de toegangen tot die ruimte voorzien van het waarschuwingsbord "Gevaar", zoals beschreven in bijlage XIA bij de Arbeidsomstandighedenregeling, met daaronder duidelijk zichtbaar de tekst "Niet betreden besloten ruimte".
3. Wanneer uit het onderzoek vooraf blijkt dat de werkzaamheden kunnen aanvangen, worden de werkzaamheden zo ingericht dat door toepassing van luchtverversing het ontstaan van een gevaarlijke atmosfeer tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Alle leidingen die op de besloten ruimte zijn aangesloten, zijn afgeblind door middel van goed zichtbare blind- of steekflenzen of zodanig losgekoppeld, dat geen gassen of vloeistoffen vanuit de leidingen in de ruimte kunnen komen
4. Bij het werken in bedoelde ruimte is een persoon buiten de ruimte aanwezig die meteen kan optreden wanneer de gevaren zich daadwerkelijk voordoen
5. Wanneer er sprake is van gevaar voor brand en/of explosie worden vonkvrije gereedschappen gebruikt en arbeidsmiddelen toegepast die voldoen aan de eisen neergelegd in het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit explosieveilig materieel. Werk waarbij vonken of hete oppervlakken kunnen ontstaan wordt alleen uitgevoerd wanneer de concentratie van de brandbare stoffen in de atmosfeer ter plekke lager is dan 10 volumeprocent van de LEL (lower explosion limit) van de betreffende stof(fen).
6. Indien er gevaar bestaat voor het vlam vatten van stoffen of voorwerpen die tot ontbranding kunnen overgaan worden de plaatsen binnen de bedoelde ruimte waar met open vuur wordt gewerkt eerst zorgvuldig van deze stoffen of voorwerpen ontdaan en worden de werkzaamheden met open vuur alleen verricht als adequate brandblusmiddelen van voldoende capaciteit aanwezig zijn.
7. De werkgever beschikt over een noodprocedure in het kader van de bedrijfshulpverlening als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet voor het geval zich in bedoelde ruimten de in artikel 3.5g, eerste lid, genoemde gevaren daadwerkelijk voordoen. In deze procedure worden noodmaatregelen, verantwoordelijkheden en taken vastgelegd.
Als een onderdeel van deze procedure geldt in ieder geval dat bij het werken in bedoelde ruimte altijd een persoon buiten de ruimte aanwezig is die ter plekke toezicht houdt en meteen kan optreden wanneer de gevaren zich voordoen.
8. Personen die bedoelde ruimte betreden dragen een reddingsgordel. Deze gordel is voorzien van een voldoende lange en sterke reddingslijn die bestendig is tegen de stoffen die in de besloten ruimte aanwezig zijn. Deze lijn wordt in de nabijheid van de toegang van de ruimte deugdelijk vastgezet.
9. In afwijking van het in punt 8 gestelde geldt voor moeilijk toegankelijke of kleine besloten ruimten dat, wanneer de beoordeling in het kader van de inventarisatie en evaluatie van risico's bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, daartoe leidt, andere hulpmiddelen toegepast danwel andere maatregelen getroffen kunnen worden om de veiligheid van de persoon die de besloten ruimte betreedt te verzekeren.
### Artikel 3.6
**1.** Maatregelen ten behoeve van een veilige ontvluchting van gebouwen in noodsituaties, worden aangemerkt als doeltreffend in de zin van artikel 3.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer deze in overeenstemming zijn met de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitgegeven brandbeveiligingsconcepten.
@ -492,17 +532,11 @@ b. bij tweerichtingsverkeer tenminste 0,9 m breder zijn dan tweemaal de breedte
### Artikel 3.16
**1.** Het tegengaan van valgevaar bij het verrichten van arbeid door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. (de zgn randbeveiliging) als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is in ieder geval noodzakelijk indien het valgevaar 2,5 m of meer is indien de arbeid wordt verricht op statische arbeidsplaatsen en bij ieder valgevaar indien arbeid wordt verricht op arbeidsplaatsen, die daarbij in beweging zijn of kunnen komen.
**1.** Het tegengaan van valgevaar bij het verrichten van arbeid op pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen in champignonkwekerijen of kassen, is in overeenstemming met artikel 3.16, eerste lid, indien randbeveiliging is aangebracht bij valgevaar van 1,20 m of meer.
**2.** Voor arbeidsplaatsen op pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen in champignon-kwekerijen of kassen, wordt randbeveiliging aangebracht bij valgevaar van 1,20 m of meer.
**2.** Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, eerste lid indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in liftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het Liftinstituut.
**3.** Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, eerste lid indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in liftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het Liftinstituut.
**4.** Indien het valgevaar vanaf statische constructies gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan wordt randbeveiliging ook aangebracht bij geringer valgevaar, afhankelijk van de toename van het risico.
**5.** Ter bepaling van het optredende valgevaar wordt bij schuine werkvlakken uitgegaan van het hoogste punt dat kan worden betreden.
**6.**
**3.**
Hekwerken cq. randbeveiligmgen worden als doelmatig aangemerkt indien:
@ -517,19 +551,11 @@ b. ten aanzien van de sterkte
2°. zij zijdelings niet meer dan 3,5 cm doorbuigen en niet worden verplaatst bij een horizontale belasting van 0,3 kN en
3°. zij in functie blijven (niet uit een aanwezige bevestiging worden getild) bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN.
**7.** Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
**4.** Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
**8.** Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm met kunnen worden gepasseerd.
**5.** Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm met kunnen worden gepasseerd.
**9.**
Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen.
Ladders steken tenminste 1 meter uit boven de gewenste sta- of overstaphoogte. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige randbeveiliging.
**10.** Onder "arbeid die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht , wordt in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, tweede lid, verstaan arbeid die wordt verricht vanaf stabiel opgestelde staande ladders tot werkhoogten van 10,0 m of arbeid die verricht wordt vanaf permanent aangebrachte hangladders tot hoogten van 20,0 m, mits daarbij de te overbruggen verticale afstand niet meer dan 10.0 m bedraagt
**11.** Onder arbeid als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt met verstaan arbeid verricht met een niet-permanent aangebrachte hangsteiger of hangladder of de zogenaamde (handbediende) klassieke bootsmanstoel. Bij arbeid met deze of soortgelijke middelen, waarbij kabels, touwen en dergelijke worden gebruikt, worden voorzieningen getroffen overeenkomstig het gestelde in artikel 3.16, derde lid.
**6.** Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige randbeveiliging.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn opgenomen.
@ -539,17 +565,199 @@ Aan het bepaalde in artikel 3.19 wordt voor wat betreft arbeid in kantoren volda
### Artikel 3.40
Aan de verplichting ingevolge artikel 3.40, onder c, om kogelwerend en slagvast materiaal, dat tenminste voor een deel doorzichtig is, te gebruiken, voor de kassawerkplek in benzinestations, die geopend zijn tussen 21.00 uur en 06.00 uur, wordt ten aanzien van het doorzichtig materiaal voldaan indien een materiaal/glassoort is gebruikt die voldoet aan de eisen voor kogelwerendheid klasse BR4NS volgens NEN-EN 1063: 2000, Glas voor gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen een kogelaanval, en aan de eisen voor slagvastheid klasse P6B volgens NEN-EN 356: 1999, Glas in gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen manuele aanval. In het doorzichtig materiaal zijn geen openingen aanwezig. De specificaties zijn alleen voor bevoegde ogen duidelijk zichtbaar aangegeven.
Vervallen
### Paragraaf 4. Hoofdstuk 4 Gevaarlijke stoffen en biologische agentia
### Artikel 4.2 -1
### Artikel 4.1c -1
**1.** Aan de verplichting tot het bepalen van de gevaren van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft de blootstelling via inademingslucht voldaan als de werkgever het vastgestelde blootstellingsniveau van een stof toetst aan de voor die stof vastgestelde bestuurlijke grenswaarde, volgens de methodiek beschreven in NEN-EN 689:1995 "Werkplekatmosfeer. Leidraad voor de beoordeling van de blootstelling bij inademing van chemische stoffen voor de vergelijking met de grenswaarden en de meetstrategie". De desbetreffende bestuurlijke grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 6 bij deze beleidsregels. Als voor de desbetreffende stof geen grenswaarde van overheidswege is vastgesteld, volstaat toetsing volgens diezelfde systematiek aan een door de werkgever vast te stellen waarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd bij blootstelling aan een combinatie van stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt bij toetsing de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7 bij deze beleidsregels, voor het vaststellen van de waarde waaraan wordt getoetst.
Onder het in acht nemen van de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid bij het verrichten van arbeid waarbij blootstelling aan gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, wordt verstaan:
1. De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met bedoelde stoften, reiniging van de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan werknemers zich dienen te houden. De werkgever draagt zorg voor de taaktoedeling en het toezicht ten aanzien van het naleven van deze procedures en regels.
2. De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen aan werknemers voor een optimale hygiëne op plaatsen waar bedoelde stoffen aanwezig zijn bij het verstrekken van middelen gaat het onder andere om het beschikbaar stellen van geschikte werkkleding. De werkgever stelt zo vaak als op grond van de blootstellingsbeoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit noodzakelijk is, maar tenminste eenmaal per week schone werkkleding beschikbaar en draagt zorg voor de reiniging van vervuilde kleding.
3. Werk- en opslagruimten, waar gevaar bestaat op verspreiding van bedoelde stoffen, installaties en arbeidsmiddelen die met bedoelde stoffen worden verontreinigd, worden zo schoon mogelijk gehouden.
### Artikel 4.1c -2
**1.**
Aan de vermelding op de verpakking van de naam van de stof en van de aanduiding van de aard van de gevaren van een stof, als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als de vermelding tenminste omvat:
a. de naam van de gevaarlijke stof en de relevante gevaarlijke bestanddelen,
b. gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen,
c. waarschuwingszinnen
**2.** Voor de aanduiding geldt dat een stof niet alleen in een gevaarscategorie wordt ingedeeld als de desbetreffende indelingscriteria van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) daartoe aanleiding geven, maar ook als onderzoeksresultaten met die stof voldoen aan de criteria van de Wms.
**3.** In afwijking van het eerste lid worden op laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds alle voor de werkpleketikettering verplichte aanduidingen aangebracht. In dit geval wordt aan de verplichting als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als voor een enkelvoudige stof de officiële stofnaam, en voor een meervoudige stof de gangbare benaming of de gevaarlijke bestanddelen op de bedoelde hulpmiddelen worden aangebracht. Deze aanduidingen zijn niet verplicht wanneer hulpmiddelen alleen gebruikt worden voor kortdurende handelingen.
**4.** In afwijking van het eerste lid wordt in het geval van opslag van stoffen in grotere hoeveelheden in speciale opslagruimten aan artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan, wanneer voor meerdere identieke verpakkingen door middel van één etiket-afdruk (bijvoorbeeld op een bord) opvallend en goed leesbaar de verplichte aanduidingen aangebracht zijn. Deze aanduidingen worden zodanig aangebracht dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk is dat de aanduidingen op de betreffende verpakking van toepassing zijn. Wanneer stoffen uitsluitend voor de verkoop zijn opgeslagen kan worden volstaan met het aanbrengen van de aanduidingen welke krachtens de Wms of andere regelgeving bij aflevering in Nederland verplicht zijn.
**5.** In afwijking van het eerste lid wordt in geval van het vervoer en het laden en lossen van gevaarlijke stoffen aan artikel 4.1c, eerste lid, onder i, voldaan, als de vervoerders (chauffeurs en bijrijders) en de laders en lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens welke op grond van het tweede lid op het etiket zouden moeten zijn vermeld. Het in het eerste lid gestelde vindt geen toepassing voor die gevallen waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing is.
### Artikel 4.1c -3
**1.** In deze beleidsregel wordt verstaan onder kappersbedrijf: een onderneming waar bedrijfsmatig het hoofdhaar van mannen, vrouwen of kinderen wordt geknipt of anderszins wordt behandeld.
**2.**
Aan de verplichting tot beoordeling van de aard van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voldaan als de werkgever over die stoffen welke door blootstelling aan werknemers schade aan hun gezondheid of hinder kunnen veroorzaken, de volgende gegevens vastlegt:
Ter preventie van huid- en luchtwegklachten wordt bij arbeid in kappersbedrijven aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, aanhef en onder a, b, d, e en g, respectievelijk artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, tot het nemen van preventieve, respectievelijk doeltreffende maatregelen voldaan, indien producten en werkmethoden worden toegepast, als bedoeld in bijlage 10 bij deze beleidsregels en de inrichting van de kapsalon tenminste aan de volgende eisen voldoet:
a. Er is een aparte productbereidingsruimte aanwezig die aan minimaal 3 zijden met een wand van de overige ruimte is afgescheiden. De scheidingswanden zijn tenminste manshoog, tenzij gerichte afzuiging wordt toegepast. De scheidingswanden aan beide zijkanten van de werkruimte zijn dieper dan de diepte van het werkblad. De ruimte is ingericht voor het bereiden of mengen van cosmetische producten. In deze ruimte is minimaal één gemakkelijk toegankelijke wastafel met stromend water aanwezig die alleen gebruikt wordt bij werkzaamheden in de productbereidingsruimte. De werkvlakken en wanden zijn vlak, glad, goed reinigbaar en niet poreus. Eten, drinken, roken en bewaren of bereiden van voedsel of dranken in deze ruimte is niet toegestaan.
b. In aanvulling op de onder a genoemde wastafel, is in de kapsalon minimaal één wasgelegenheid met stromend water aanwezig waar de handen kunnen worden gereinigd. Er zijn middelen aanwezig om de handen te drogen en te verzorgen.
### Artikel 4.1c -4
**1.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van werknemers de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden overschrijden.
**2.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage XII bij de Arbeidsomstandighedenregeling. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**3.**
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
c. R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid"
d. R34: "Veroorzaakt brandwonden"
e. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
f. R38: "Irriterend voor de huid"
g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
i. S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**4.**
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veihgheidsaanbevelingen:
a. R34: "Veroorzaakt brandwonden"
b. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
c. R36: "Irriterend voor de ogen"
d. R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel"
e. S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen" In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op stoffen die in de vorm van lading vervoerd worden.
### Artikel 4.1c -5
Bij schadelijke blootstelling aan rook als gevolg van lassen, gutsen, plasmasnijden en solderen van metaal, wordt voldaan aan artikel 4.1c, eerste lid, artikel 4.3. eerste, derde en vierde lid, artikel 4.4, artikelen 4.16, 4.17, 4.18, juncto hoofdstuk 8, afdeling 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien de Praktijkrichtlijn, beschrijving van doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen afkomstig van lassen en/of verwante processen (13 maart 2002), in acht wordt genomen.
### Artikel 4.1c -6
**1.**
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000 (Stcrt 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
b. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 °C én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 °C), groter dan éénduizendste van de grenswaarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > grenswaarde);
c. serpentijnasbest: stoffen die de vezelachtige silicaat chrysotiel bevat;
d. amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
**2.** In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond of verontreinigd grondwater tevens verstaan: grond of grondwater waarin zich asbest bevindt in een concentratie, hoger dan de gewogen norm van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie).
**3.** In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de onder a genoemde circulaire, onder verontreinigde grond tevens verstaan: grond, waarvan het gehalte steenachtige of andere materialen meer dan 20-volumeprocenten bedraagt.
**4.**
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond waarbij de verontreiniging zodanig is dat de werkzaamheden, volgens de in beleidsregel 4.2 -2, tweede lid, bedoelde systematiek, niet ingedeeld behoeven te worden in een risicoklasse, wordt in ieder geval onder doeltreffende maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het volgende verstaan:
a. binnen de verontreinigde zone worden beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
1° een goed sluitende overall met rits zonder zakken of openingen;
2° bouwveiligheidslaarzen/-schoenen;
3° handschoenen van voldoende sterkte en ondoordringbaar voor aanwezige verontreinigingen;
b. wasgelegenheden en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.23, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn aanwezig buiten de verontreinigde zone.
**5.**
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater waarop beleidsregel 4.2 - 2, tweede lid, van toepassing is en op grond daarvan de werkzaamheden zijn ingedeeld in klasse 0T en 0F, zijn maatregelen doeltreffend als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dan wel worden voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit adequaat geacht indien de volgende aanvullende maatregelen worden getroffen:
a. de maatregelen zoals hiervoor genoemd in het vierde lid, onder a;
b. alvorens de werkzaamheden te beginnen is een draaiboek voor de werkzaamheden opgesteld, waarin onder andere een omschrijving van het werk, een globaal tijdschema, een lijst van verontreinigingen, (de argumentatie voor) de indeling in risicoklassen, de taakverdeling en de beschermende maatregelen zijn opgenomen;
c. tijdens de werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende of mutagene stoffen, waaronder asbest als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, wordt voldaan aan artikel 4.15, eerste lid en artikel 4.53, indien een logboek wordt bijgehouden, waarin dagelijks aantekening wordt gehouden van de gevallen waarin wordt afgeweken van het draaiboek en de reden hiervoor, de resultaten van uitgevoerde luchtmetingen en een overzicht van de personen die de locatie hebben bezocht;
d. de plaats waar met verontreinigd grond(water) wordt gewerkt is afgebakend door middel van een hekwerk;
e. binnen de verontreinigde zone worden bij de hierna te noemen situaties de volgende voorgeschreven beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
1° bij schoonspoelen of schoonborstelen van materieel vloeistofdichte overkleding, gelaatsscherm en een masker met stoffilter klasse P2 of P3;
2° indien contact mogelijk is met verontreinigd grondwater, natte grond of de vloeibare verontreiniging zelf, overkleding van vloeistofdicht materiaal;
3° in gevallen dat men verontreinigd water in het gezicht kan krijgen, oog- of gezichtsbescherming;
f. het type, de kwaliteit en het aantal van de onder a en e bedoelde beschermingsmiddelen worden vastgesteld door een deskundige;
g. cabines van grondverzetwerktuigen en van transportmiddelen die op het werkterrein blijven, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters met een zodanige filterkwaliteit en -capaciteit dat de grenswaarden van stoffen in de cabineruimte niet worden overschreden. Bij de keuze voor de filterkwaliteit en capaciteit wordt tevens rekening gehouden met de risicoklasse van de werkzaamheden;
h. toiletten, urinoirs, wasbakken en ontspannings-, kleed-, was- en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.22, tweede en vierde lid, artikel 3.23, eerste en tweede lid, artikel 3.24, eerste lid en artikel 4.20, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevinden zich op de grens van de verontreinigde zone; de ruimte waar de persoonlijke kleding en het schoeisel gedurende de werkdag worden bewaard, wordt door middel van de doucheruimte duidelijk gescheiden van de ruimte waar de werkkleding wordt bewaard.
**6.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende maatregelen:
a. indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie met de grenswaarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht. De meetfrequentie is aan de volgende voorwaarden gebonden:
1° er wordt ten minste tweemaal per dag gemeten (kort na aanvang van de werkzaamheden) op plaatsen waar (het meest intensief) wordt gewerkt;
2° in aanvulling op het onder 1° gestelde wordt extra gemeten:
i. wanneer (ongebruikelijke) geuren worden waargenomen, of
ii. wanneer op diepte wordt gewerkt telkens bij het begin van de werkzaamheden en tijdens intensieve werkzaamheden nog een enkele keer ter controle, of
iii. wanneer in diepe en smalle sleuven wordt gewerkt, wordt zeer vaak of continu gemeten;
b. indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de grenswaarde wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 2T.
**7.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 2T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding van de werkzaamheden;
b. alle op het werk aanwezige personen dragen handschoenen;
c. indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie tot de grenswaarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht; de frequentie van de metingen op plaatsen waar gewerkt wordt is als volgt:
1° ten minste 4 keer per halve werkdag (voor en tijdens het werk) op die plaatsen waar de natuurlijke ventilatie beperkt is door de diepe ligging of door andere omstandigheden;
2° 4 keer per halve werkdag indien de windsnelheid op een representatieve plek op maaiveldniveau regelmatig beneden de 1 m/s ligt;
3° 2 keer per halve werkdag indien de gemiddelde windsnelheid op dezelfde plek gemeten tussen de 1 en 3 m/s ligt;
4° 1 keer per halve werkdag bij een gemiddelde windsnelheid groter dan 3 m/s;
d. indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de grenswaarde, wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 3T;
e. de metingen worden uitgevoerd door iemand met voldoende kennis van en vaardigheid met het uitvoeren en interpreteren van de metingen;
f. als het werk is ingedeeld in klasse 2T én klasse 1F of 2F, zijn de transportmiddelen die het vervoer van de verontreinigde grond verzorgen voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters, zoals bedoeld voor werken voertuigen die op het werkterrein blijven.
**8.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 3T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; de deskundige of diens, onder zijn verantwoordelijkheid opererende en door hem voldoende deskundig geachte plaatsvervanger, is tijdens de werkzaamheden permanent aanwezig;
b. deze deskundige geeft voorlichting en onderricht aan werknemers, advies en ondersteuning bij het opstellen van het draaiboek, en geeft advies en ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende of mutagene stoffen, waaronder asbest als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
c. door of onder toezicht van deze deskundige of diens plaatsvervanger wordt met continu registrerende apparatuur de kwaliteit van de omgevingslucht bewaakt; het meten van de concentraties vluchtige stoffen in de omgevingslucht, wordt permanent of zeer frequent uitgevoerd, naar inzicht van de deskundige;
d. de transportmiddelen die de verontreinigde grond vervoeren, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stofen koolfilters, overeenkomstig de werk- en voertuigen die het werkterrein niet verlaten;
e. bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of grondwater, waarbij de verontreiniging uit asbest bestaat in een concentratie, hoger dan de gewogen norm op het niveau van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie), zijn tevens de voorschriften bedoeld in de artikelen 4.45, eerste en tweede lid, 4.45a, 4.45b, 4.47b en 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het voorkomen of beperken van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.18, derde lid, kan worden uitgevoerd door het vochtig houden van de verontreinigde grond en bodem, resulterend in een vochtgehalte van minimaal 10%.
**9.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1F, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende:
a. er wordt voor zorggedragen dat er geen open vuur is;
b. permanent op het werk aanwezig materieel is uitgerust met vonkenvangers op de uitlaten;
c. ter plaatse van de werkzaamheden zijn brandblusmiddelen beschikbaar.
**10.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater (al dan niet tijdelijk) zijn ingedeeld in klasse 2F, worden alle voor klasse 1F geldende maatregelen als bedoeld in het negende lid getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; deze deskundige geeft advies en verleent ondersteuning bij het opstellen van de brand- en explosieparagraaf van het draaiboek en bij de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende of mutagene stoffen als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
b. indien de werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in de klasse 2F, worden met een explosiemeter frequent of permanent metingen uitgevoerd naar de concentraties van de desbetreffende stoffen;
c. indien uit deze permanente metingen blijkt dat de concentratie ontvlambare stoffen in de lucht de grens van 10% van de onderste explosiegrens voor een van die stoffen overschrijdt, wordt het werk onmiddellijk gestaakt en wordt de locatie onmiddellijk verlaten, tenzij naar het inzicht van de deskundige, bedoeld in onderdeel a, bepaalde werkzaamheden nog kunnen worden uitgevoerd.
**11.** Indien de werkzaamheden zijn ingedeeld in zowel een T klasse als een F klasse, is het zwaarste regime bepalend voor de wijze waarop en de frequentie waarmee de concentraties van stoffen worden gemeten.
### Artikel 4.1c -7
Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.1c, eerste lid en artikel 4.4, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
### Artikel 4.2 -1
**1.** Aan de verplichting tot het bepalen van de gevaren van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft de blootstelling via inademingslucht voldaan als de werkgever het vastgestelde blootstellingsniveau van een stof toetst aan de voor die stof vastgestelde grenswaarde, volgens de methodiek beschreven in NEN-EN 689:1995 "Werkplekatmosfeer.
**2.**
Aan de verplichting tot beoordeling van de aard van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voldaan als de werkgever over die stoffen welke door blootstelling aan werknemers schade aan hun gezondheid kunnen veroorzaken, de volgende gegevens vastlegt:
a. de identiteit van de stof,
b. de aard van de gevaren,
@ -558,16 +766,6 @@ d. het werk of de werkwijze die met de blootstelling verband houdt.
**3.** Als de beoordeling van de mate van de blootstelling, zoals bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van een schatting wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid alleen als hij deze schatting door middel van een berekening kwantitatief goed kan onderbouwen en schriftelijk heeft weergegeven bij de bepaling of een schatting van de mate van blootstelling in een gegeven blootstellingssituatie volstaat dienen de randvoorwaarden zoals genoemd in NEN-EN 689 in acht te worden genomen.
**4.** Als de beoordeling van de mate van de blootstelling, zoals bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van metingen wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid als de toetsing plaatsvindt volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. Dit kan zowel een gevalideerde Nederlandse als buitenlandse methode zijn.
**5.**
Als ten aanzien van asbest de beoordeling van de mate en duur van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van metingen wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid als hij metingen verricht conform de voorschriften in artikel 4.50, tweede en zevende tot en met negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De meetresultaten moeten in ieder geval voldoende onderbouwd kunnen aantonen of en bij welke omstandigheden één van de actieniveaus als genoemd in artikel 4.44 van het Arbeidsomstandighedenbesluit vermoedelijk wordt overschreden.
**6.** Als ten aanzien van asbest bij de beoordeling van de aard van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, twijfel bestaat over het type asbestmateriaal waaraan blootstelling plaatsvindt, gaat de werkgever er bij de beoordeling van de risicos en toetsing van de actie- en grenswaarden van uit dat het desbetreffende materiaal uit crocidoliet bestaat.
### Artikel 4.2 -2
**1.**
@ -575,10 +773,9 @@ De meetresultaten moeten in ieder geval voldoende onderbouwd kunnen aantonen of
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000(Stcrt. 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
b. MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde of, bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
c. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 ^oC én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 ^oC), groter dan éénduizendste van de MACwaarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > MAC);
d. serpentijnasbest: stoffen die het vezelachtige silicaat chrysotiel bevatten;
e. amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
b. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 ^oC én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 ^oC), groter dan éénduizendste van de grenswaarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > grenswaarde);
c. serpentijnasbest: stoffen die het vezelachtige silicaat chrysotiel bevatten;
d. amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
**2.** In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond of verontreinigd grondwater tevens verstaan: grond of grondwater waarin zich asbest bevindt in een concentratie, hoger dan de gewogen norm van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie).
@ -586,77 +783,45 @@ e. amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, a
**4.**
Onder het doeltreffend vaststellen van de mate van blootstelling aan stoffen die gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren door middel van metingen of andere methodes dan metingen, als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt, bij het werken
Onder het doeltreffend vaststellen van de mate van blootstelling aan stoffen die gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren door middel van metingen of andere methodes dan metingen, als bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt, bij het werken
a. in of met verontreinigd grondwater, of
b. in of met verontreinigde grond waarin de concentratie van één of meer stoffen de interventiewaarde I zoals vermeld in de circulaire, bedoeld in het eerste lid, onder a, overschrijdt, of
c. in of met verontreinigde grond waarin de concentratie van geen enkele stof de genoemde interventiewaarde I overschrijdt, maar waarbij de som van de quotiënten, samengesteld uit de concentratie van de verschillende stoffen in de grond (in mg/kg) als teller, en de MAC-waarde van die stoffen (in mg/m^3) als noemer, groter is dan 20.000. Met andere woorden:
c. in of met verontreinigde grond waarin de concentratie van geen enkele stof de genoemde interventiewaarde I overschrijdt, maar waarbij de som van de quotiënten, samengesteld uit de concentratie van de verschillende stoffen in de grond (in mg/kg) als teller, en de grenswaarde (gr.w.) van die stoffen (in mg/m^3) als noemer, groter is dan 20.000. Met andere woorden:
, of
d. in of met verontreinigde grond waarin of waarop asbest aanwezig is, het volgende verstaan. De werkzaamheden met of in de verontreinigde grond of het verontreinigde grondwater worden op basis van de erin aanwezige stoffen, hun gevaarseigenschappen en de mogelijkheid van blootstelling eraan, beoordeeld op de wijze zoals beschreven in bijlage 8 bij deze beleidsregels. Dit leidt tot indeling van de werkzaamheden in of met deze verontreinigde grond of dit verontreinigde grondwater in één van de vier risicoklassen voor giftigheid (0T, 1T, 2T en 3T) en/of in één van de drie risicoklassen voor brandbaarheid (0F, 1F en 2F).
**5.** Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van maximaal 20-volumeprocenten, wordt de meetmethode, bedoeld in Ontwerp-NEN 5707, versie 2002, of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
**5.** Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van maximaal 20-volumeprocenten, wordt de meetmethode, bedoeld in NEN 5707, versie 2003, of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
**6.** Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van meer dan 20-volumeprocenten, worden de meetmethoden, bedoeld in NEN 5897, versie 2002, normontwerp-NEN 5896, uitgave 1999 of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
**6.** Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van meer dan 20-volumeprocenten, worden de meetmethoden, bedoeld in NEN 5897, 2005, NEN 5896, uitgave 2003 of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
### Artikel 4.2b
### Artikel 4.3 -1
Onder het machtnemen van de grootst mogelijke zorgvuldigheid ordelijkheid en zindelijkheid op plaatsen waar stoffen, die een gevaar voor de veiligheid en gezondheid kunnen opleveren aanwezig zijn, wordt verstaan:
Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen ais bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, en artikel 4.4, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van werknemers tegen mhalatoire blootstelling aan stoffen wordt het volgende in acht genomen.
1. De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met bedoelde stoften, reiniging van de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan werknemers zich dienen te houden. De werkgever draagt zorg voor de taaktoedeling en het toezicht ten aanzien van het naleven van deze procedures en regels.
2. De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen aan werknemers voor een optimale hygiëne op plaatsen waar bedoelde stoffen aanwezig zijn bij het verstrekken van middelen gaat het onder andere om het beschikbaar stellen van geschikte werkkleding. De werkgever stelt zo vaak als op grond van de blootstellingsbeoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit noodzakelijk is, maar tenminste eenmaal per week schone werkkleding beschikbaar en draagt zorg voor de reiniging van vervuilde kleding.
3. Werk- en opslagruimten, waar gevaar bestaat op verspreiding van bedoelde stoffen, installaties en arbeidsmiddelen die met bedoelde stoffen worden verontreinigd, worden zo schoon mogelijk gehouden.
4. In werk en opslagruimten waar gevaar van verspreiding bestaat van bedoelde stoffen, wordt niet gegeten, gerookt of gedronken en wordt geen voedsel bewaard.
5. Afval dat bedoelde stoffen bevat wordt regelmatig van de werkplek verwijderd.
1. Om te beoordelen of een persoonlijke beschermingsmiddel als bedoeld in artikel 4.9 achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit geschikt is om de inhalatoire blootstelling aan stoffen tot een voldoende laag niveau te beperken, wordt voor de vaststelling van de blootstellingsreductie bij gebruik van een middel uitgegaan van de door de leverancier opgegeven nominale protectiefactor (NPF) in relatie tot arbeidsbelasting en belastbaarheid van de betrokken werknemers.
2. Een ademhalingsbeschermingsmiddel met een systeem dat de omgevingslucht filtert is met geschikt indien de gas- of dampconcentratie van de te filteren stof in de omgevingslucht hoger is dan 1 volumeprocent.
3. Bij blootstelling aan inert zwevend stof met een grenswaarde van 10 milligram per kubieke meter lucht wordt een P1SL filtertype die voldoet aan de norm NEN-EN 143 2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters Eisen beproeving merking", toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
4. Bij blootstelling aan stoffen met een grenswaarde tussen 0,1 en 10 milligram per kubieke meter lucht wordt minimaal een P2SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
5. Bij blootstelling aan stoffen met een grenswaarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht wordt mmimaal een P3SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
6. Half- en kwartgelaatsmaskers met filter(systemen) die de omgevingslucht filteren zijn ongeschikt voor bescherming tegen stoffen met een grenswaarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht.
### Artikel 4.3
### Artikel 4.4 -2
**1.**
Vervallen
De stoffen bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn stoffen waarop artikel 34 van de Wms niet van toepassing is, maar die
### Artikel 4.4 -4
a. als ze zouden worden afgeleverd, krachtens de Wms geëtiketteerd moeten worden, of
b. expliciet zijn uitgezonderd van de etiketteringsverplichting van de Wms maar wel
Vervallen
1°. de fysisch-chemische of toxicologische eigenschappen bezitten op grond waarvan ze kunnen worden ingedeeld in één of meer gevaarscategorieën die genoemd worden in artikel 34 van de Wms, uitgezonderd de categorie "milieugevaarlijk", of
2°. voldoen aan de criteria voor toekenning van bijzondere aanduidingen die de Wms in het kader van etiketteringsvoorschriften kent. Het betreft de preparaten vermeld in bijlage V bij Richtlijn 1999/45/EG (Pb L 200), zoals opgenomen in bijlage 9 bij deze beleidsregels.
### Artikel 4.4 -7
**2.**
Vervallen
Aan de aanduiding op het etiket van de naam en de aard van de gevaren van een stof, zoals bedoeld in artikel 4.3 derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als daarvoor de indeling van de stof in gevaarscategorieën zoals genoemd in artikel 34 van de Wms wordt gehanteerd en gebruik gemaakt wordt van standaardaanduidingen, een en ander volgens de voorschriften die de Wms in het kader van de etikettering stelt. Deze aanduidingen omvatten tenminste
### Artikel 4.6 -1
a. de naam van de gevaarlijke stof en de relevante gevaarlijke bestanddelen,
b. gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen,
c. waarschuwingszinnen
**3.** In aanvulling op hetgeen in het tweede lid ten aanzien van de indeling in gevaarscategorieëen van de Wms wordt gesteld, geldt dat een stof niet alleen in de gevaarscategorie "sensibiliserend" wordt ingedeeld als de desbetreffende indelingscriteria van de Wms daartoe aanleiding geven, maar ook als onderzoeksresultaten met die stof voldoen aan de criteria van de Wms.
**4.** In afwijking van hetgeen in het tweede lid wordt gesteld geldt dat voor voedings- en genotmiddelen, diervoeders, geneesmiddelen, diergeneesmiddelen en cosmetica die aanwezig zijn in een vorm waarop de etiketteringsplicht van de Wms niet van toepassing is, de voor die middelen uit andere wetten voortvloeiende informatievoorziening ter bescherming van de gebruiker bij aflevering aan derden voldoet.
**5.** Onder het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan dat ten aanzien van de aanduidingen de voorschriften van de Wms betreffende de taal, vormgeving, bevestiging en meervoudige verpakking worden gevolgd.
**6.** In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld hoeven op laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds alle voor de werkpleketikettering verplichte aanduidingen aangebracht te worden In dit geval wordt aan de verplichting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als voor een enkelvoudige stof de officiële stofnaam, en voor een meervoudige stof de gangbare benaming of de gevaarlijke bestanddelen op de bedoelde hulpmiddelen worden aangebracht. Deze aanduidingen zijn niet verplicht wanneer hulpmiddelen alleen gebruikt worden voor kortdurende handelingen.
**7.** In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld, wordt in het geval van opslag van stoffen in grotere hoeveelheden in speciale opslagruimten aan de verplichting tot het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket, als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldaan wanneer voor meerdere identieke verpakkingen door middel van een etiket-afdruk (bijvoorbeeld op een bord) opvallend en goed leesbaar de krachtens genoemde besluiten verplichte aanduidingen aangebracht zijn. Deze aanduidingen worden zodanig aangebracht dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk is dat de aanduidingen op de betreffende verpakking van toepassing zijn. Wanneer stoffen uitsluitend voor de verkoop zijn opgeslagen kan worden volstaan met het aanbrengen van de aanduidingen welke krachtens de Wms of andere regelgeving bij aflevering in Nederland verplicht zijn.
**8.** In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld, wordt in geval van het vervoer en het laden en lossen van gevaarlijke stoffen aan de verplichting tot het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket, als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldaan als de vervoerders (chauffeurs en bijrijders) en de laders en lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens welke op grond van het tweede lid van deze beleidsregel op het etiket zouden moeten zijn vermeld. Het in het tweede lid gestelde vindt geen toepassing voor die gevallen waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing is.
### Artikel 4.3a
**1.** In deze beleidsregel wordt verstaan onder kappersbedrijf: een onderneming waar bedrijfsmatig het hoofdhaar van mannen, vrouwen of kinderen wordt geknipt of anderszins wordt behandeld.
**2.**
Ter preventie van huid- en luchtwegklachten wordt bij arbeid in kappersbedrijven aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.3a, aanhef en onder a, b en d tot en met f, respectievelijk artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, tot het nemen van preventieve, respectievelijk doeltreffende maatregelen voldaan, indien producten en werkmethoden worden toegepast, als bedoeld in bijlage 10 bij deze beleidsregels en de inrichting van de kapsalon tenminste aan de volgende eisen voldoet:
a. Er is een aparte productbereidingsruimte aanwezig die aan minimaal 3 zijden met een wand van de overige ruimte is afgescheiden. De scheidingswanden zijn tenminste manshoog, tenzij gerichte afzuiging wordt toegepast. De scheidingswanden aan beide zijkanten van de werkruimte zijn dieper dan de diepte van het werkblad. De ruimte is ingericht voor het bereiden of mengen van cosmetische producten. In deze ruimte is minimaal één gemakkelijk toegankelijke wastafel met stromend water aanwezig die alleen gebruikt wordt bij werkzaamheden in de productbereidingsruimte. De werkvlakken en wanden zijn vlak, glad, goed reinigbaar en niet poreus. Eten, drinken, roken en bewaren of bereiden van voedsel of dranken in deze ruimte is niet toegestaan.
b. In aanvulling op de onder a genoemde wastafel, is in de kapsalon minimaal één wasgelegenheid met stromend water aanwezig waar de handen kunnen worden gereinigd. Er zijn middelen aanwezig om de handen te drogen en te verzorgen.
**3.** Het tweede lid, onder a, is tot 1 november 2006 niet van toepassing op kapsalons die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, behoudens indien de kapsalon na deze laatste datum is heringericht of verbouwd.
### Artikel 4.4 -1
Ten aanzien van de opslag, het gebruik en het transport van gascylinders worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.
Ten aanzien van de opslag, het gebruik en het transport van gascylinders worden de volgende maatregelen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.6, eerste lid.
a. Gascylinders worden tijdens stationaire opslag, gebruik en verplaatsing deugdelijk vastgezet in al of met verplaatsbare rekken of tegen een muur om beschadiging te voorkomen.
b. De gascylinders zijn in goede technische staat. Beschadigde gascylinders worden niet in gebruik genomen.
@ -679,44 +844,17 @@ r. Gascylinders met extreem toxische stoffen, zoals arsine en fosfine, worden in
s. Gascylinders met extreem toxische stoffen zijn uitgerust met twee onafhankelijke inblokafsluiters tijdens tussen-opslag en tijdens gebruik.
t. Gascylinders worden gekeurd volgens de voorschriften die gegeven zijn in de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1997 (VLG) (Stcrt 29-11-1996. nr 235). Bijlage A, randnummers 2214 t/m 2217(beproeving toegelaten houders) en randnummer 2218 (beproevingsdruk vullingsgraad).
### Artikel 4.4 -2
### Artikel 4.6 -2
Ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.
Gevaarlijke stoffen in verpakkingen worden opgeslagen conform de voorschriften met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de volgende richtlijnen van de Commissie voor de preventie van rampen door gevaarlijke stoffen CPR 15-1 "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage, opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton) en CPR 15-2 "Opslag gevaarlijke stoffen chemtscne afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag grote hoeveelheden vanaf 10 ton".
### Artikel 4.4 -3
Ten aanzien van het verladen van natriumhypochlorietoplossingen in water worden de volgende voorzieningen voldoende adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis, als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit aansluitpunten voor laad- en losslangen zijn voorzien van een in wit polypropyleen uitgevoerde koppeling met linkse spoed (de zogenaamde KNZ-koppelmg).
Ten aanzien van het verladen van natriumhypochlorietoplossingen in water worden de volgende maatregelen voldoende adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis, als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit aansluitpunten voor laad- en losslangen zijn voorzien van een in wit polypropyleen uitgevoerde koppeling met linkse spoed (de zogenaamde KNZ-koppelmg).
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen.
### Artikel 4.4 -4
Ten aanzien van de aanwezigheid van of het werken met cyaanverbindingen, respectievelijk waterstoffluoride worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
### Artikel 4.6 -3
**1.**
Indien gewerkt wordt met of in aanwezigheid van cyaanverbindingen
a. is een protocol aanwezig waarin aangegeven is wie de eerste levensreddende handelingen verricht en hoe de verdere medische noodhulp is geregeld, dit zal in de regel de behandelende arts1)In geval van de scheepvaart is dit de arts van de RadioMedische Dienst voor de Scheepvaart. in het dichtstbijzijnde ziekenhuis zijn,
b. is de in het protocol aangewezen behandelende arts deskundig op het gebied van de behandeling van cyanidevergiftigingen,
c. is een speciale EHBO-kit aanwezig met daarin de noodzakelijke antidotes naar de laatste stand van de medische wetenschap, die in voldoende mate aanwezig dienen te zijn voor de adequate bestrijding van de vergiftiging van alle mogelijke slachtoffers door cyanides. Deze EHBO-kit wordt meegegeven aan het ambulancepersoneel ten behoeve van de behandelende arts. De medicamenten in deze kit worden tijdig ververst. Dit onderdeel c geldt niet voor zeeschepen.
d. is, met uitzondering van situaties waarbij de stof in de vorm van lading wordt vervoerd over de weg, per spoor of per binnenvaartschip, een cylinder 100% zuurstof met beademingsdeel aanwezig.
**2.**
Indien gewerkt wordt met of in aanwezigheid van fluorwaterstof (HF):
a. is een protocol aanwezig waarin aangegeven is wie bij een incidentele blootstelling van personen aan waterstoffluoride medicamenten mag toedienen en hoe de verdere medische noodhulp is geregeld,
b. is de in het protocol aangewezen persoon deskundig op het gebied van de behandeling van waterstoffluorideblootstelling,
c. is in een speciale EHBO-kit een voldoende hoeveelheid calciumgluconaat 10%, een hoeveelheid 2,5% calciumgluconaat hydrogel voor applicatie op de huid en calciumgluconaat 10% oplossing voor het indruppelen van de ogen, op de arbeidsplaats aanwezig om beschadiging door waterstoffluoride van de huid of de ogen van alle mogelijke slachtoffers adequaat te bestrijden.
### Artikel 4.4 -5
**1.**
Ter vermijding van het gevaar voor een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna onder a tot en met d genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir kunnen treden de volgende voorzieningen adequaat geacht.
Ter vermijding van het gevaar voor een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna onder a tot en met d genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir kunnen treden de volgende voorzieningen adequaat geacht.
a. Ten aanzien van stoffen die
@ -734,12 +872,12 @@ d. Ten aanzien van stoffen die door zelfontbranding gevaar voor de veiligheid of
**2.**
Ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna, onder a en b genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir worden gebracht de volgende voorzieningen adequaat geacht.
Ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid onder c van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna, onder a en b genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir worden gebracht de volgende voorzieningen adequaat geacht.
a. In werkruimten waar gewerkt wordt met stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën "ontplofbaar" "zeer licht ontvlambaar' "licht ontvlambaar", "ontvlambaar", "vergiftig" "zeer vergiftig", "bijtend" en "sensibiliserend", bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, of stoffen die door verhoogde temperatuur, door hun reactiviteit met water waarbij brandbare gassen worden ontwikkeld, of door zelfontbranding gevaar voor brand of explosie kunnen opleveren, zijn een nood- en oogdouche aanwezig die te allen tijde goed bereikbaar zijn Daarbij wordt het volgende in acht genomen.
1°. De nooddouche is aangesloten op het waterleidingnet,
2°. De capaciteit van de nooddouche bedraagt minimaal 80 l/min,
2°. De capaciteit van de nooddouche bedraagt minimaal 80 l/min.,
3°. Voor oogdouches geldt dat de oogspoelvoorziening doelmatig moet zijn en dat, afhankelijk van de situatie gebruik kan worden gemaakt van een op de waterleiding aangesloten oogdouche of van een oogspoelfles. In het algemeen is een oogspoelvoorziening doelmatig indien,
deze voldoende snel bereikbaar is in geval van een ongeval,
@ -748,65 +886,26 @@ a. In werkruimten waar gewerkt wordt met stoffen die voldoen aan de criteria voo
de ogen zodanig kunnen worden gespoeld dat deze wel snel worden gereinigd, maar niet worden beschadigd.
b. In werkruimten waar bedoelde werkzaamheden worden verricht met brandbare vaste stoffen, met ontplofbare stoffen, met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare dan wel ontvlambare vloeistoffen, met stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen, of met stoffen die door zelfontbranding gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleveren, zijn tenminste twee draagbare blustoestellen aanwezig met een voor de te blussen stoffen geschikt blusmiddel met een inhoud van 6 kg blusmiddel of een bluscapaciteit vergelijkbaar met 6 kg blusmiddel. Deze blustoestellen zijn duidelijk zichtbaar opgehangen en te allen tijde goed bereikbaar.
**3.** Onder strikt noodzakelijk voor de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4.4, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan dat in de werkruimte van een stof die voldoet aan de criteria voor indeling in één of meer van de categorieën "ontplofbaar, "zeer licht ontvlambaar", "licht ontvlambaar", "ontvlambaar", "giftig", "irriterend" en "bijtend" bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, van stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen en van stoffen die voor zelfontbranding vatbaar zijn, geen grotere hoeveelheid aanwezig is dan voldoende voor de productie gedurende één werkdag.
**3.** Teneinde de aanwezigheid van gevaarlijke concentraties op de werkplek te voorkomen, zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid onder a, mogen op de werkplek geen grotere hoeveelheden van stoffen in de categorieën ontplofbaar, zeer licht ontvlambaar, licht ontvlambaar, ontvlambaar, giftig, irriterend en bijtend bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, van stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen en van stoffen die voor zelfontbranding vatbaar zijn, aanwezig zijn dan voldoende voor de productie gedurende één werkdag.
**4.** De indeling van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen heersen, in gevarenzones als bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, vindt plaats overeenkomstig NPR 7910-1, Richtlijn voor het indelen van gevarenzones bij gasontploffingsgevaar en NPR 7910-2, Richtlijn voor het indelen van gevarenzones bij stofontploffingsgevaar.
### Artikel 4.4 -6
### Artikel 4.6 -4
Ten aanzien van het gebruik en de opslag van chemicaliën in zweminrichtingen en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit:
Ten aanzien van het gebruik en de opslag van chemicaliën in zweminrichtingen en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende maatregelen adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid onder c van het Arbeidsomstandighedenbesluit:
1. Reservoirs voor natriumhypochlorietoplossing en zuren zijn geplaatst in lekbakken die tenminste de inhoud van het grootste reservoir kunnen bevatten, waarbij
a. binnen één lekbak slecht één stof wordt opgeslagen al of met in meerdere reservoirs,
b. de lekbak bestendig is tegen de inwerking van de betreffende opgeslagen stof
2. De werkgever beschikt over een noodprocedure in het kader van de bedrijfshulpverlening als bedoeld in artikel 2.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor het geval dat door contact van natriumhypochloriet met een zuur of zuurvormende stof chloorgas in een ruimte vrijkomt. In deze procedure worden noodmaatregelen, verantwoordelijkheden en taken vastgelegd.
3. Indien in een ruimte waar natriumhypochloriet en zuren opgeslagen zijn chloorgas aanwezig is wordt deze ruimte
2. Indien in een ruimte waar natriumhypochloriet en zuren opgeslagen zijn chloorgas aanwezig is wordt deze ruimte
a. onmiddellijk verlaten en
b. door niemand anders van het bedrijf dan een bedrijfshulpverlener, voorzien van een perslucht-masker, herbetreden. Daarbij is een tweede persoon stand-by om te kunnen alarmeren als de bedrijfshulpverlener in de ruimte met chloorgas iets overkomt.
### Artikel 4.4 -7
### Artikel 4.6 -5
Ten aanzien van de blootstelling van werknemers aan chemische of inerte blusmiddelen van automatische brandblusinstallaties worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Om passend te zijn in de zin van artikel 3.8, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoen automatische brandblusinstallaties in ieder geval aan deze beleidsregel.
**1.** Bij elke toegang tot door bedoelde installaties beveiligde ruimten is een rechthoekig wit bord met rode rand aanwezig waarop in zwarte letters de volgende tekst is weergegeven "AUTOMATISCHE BRANDBLUSINSTALLATIE bij brand of alarm de ruimte onmiddellijk verlaten". De afmetingen van het bord zijn vermeld in NEN 3011:1986 "Veihgheidskleuren en tekens".
**2.**
Bij brandblusinstallaties met kooldioxide als blusgas wordt het volgende in acht genomen:
a. Ruimten waar een dergelijke installatie in werking gaat treden worden onmiddellijk verlaten.
b. Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
c. Een vertraging van minimaal 30 seconden is ingebouwd tussen het tijdstip van alarmering en het vrijkomen van het blusmiddel.
d. Zodanige vluchtvoorzieningen zijn aanwezig in de betreffende ruimten dat werknemers deze ruimten kunnen verlaten voor het begin van het uitstromen van de blusstof.
e. Aan de buitenzijde van deze ruimten bevmdt zich een schakelaar waarmee de brandblusinstallaties handmatig kan worden geblokkeerd.
f. Tenminste twee persluchtademhalingstoestellen zijn aanwezig in de onmiddellijke nabijheid van de met bedoelde installaties beveiligde ruimten.
g. Geen andere werknemers dan personen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 betreden een ruimte waar een kooldioxide blusinstallatie in werking is getreden. Deze personen maken gebruik van een persluchtademhalingtoestel.
**3.**
Bij brandblusinstallaties met mertgas als blusgas wordt het volgende in acht genomen:
a. Ruimten waar een dergelijke installatie in werking treedt, worden onmiddellijk verlaten.
b. Zodanige vluchtvoorzieningen zijn aanwezig in de betreffende ruimten dat de werknemers deze ruimten binnen 1 minuut na het begin van het uitstromen van de blusstof hebben kunnen verlaten.
c. Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
d. Ruimten beveiligd met bedoelde installaties waarin tijdens de blussing het zuurstofpercentage lager kan worden dan 10 volumeprocenten worden gelijkgesteld aan ruimten met kooldioxide blusinstallaties.
e. Tenminste twee persluchtademhalingstoestellen zijn aanwezig in de onmiddellijke nabijheid van de met bedoelde installaties beveiligde ruimten.
f. Geen andere werknemers dan personen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 betreden een ruimte waar een mertgas blusinstallatie in werking is getreden. Deze personen maken gebruik van een persluchtademhalingtoestel.
**4.**
Bij brandblusinstallaties met halonen en fluorkoolwaterstoffen (chemische blusmiddelen) wordt het volgende in acht genomen:
a. Ruimten waar bedoelde installatie voorzien van Halon 1211 of Halon 1301 als blusmiddel in een concentratie groter dan 10% in werking treedt, worden onmiddellijk verlaten.
b. Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
c. Halonen en fluorkoolwaterstoffen worden alleen als blusmiddelen in bedoelde systemen toegepast als de installatie beoogt oppervlaktebranden te bestrijden en de blustijd even lang is als de uitstroomtijd van het blusgas uit de bluscylinders.
d. Aan de buitenzijde van deze ruimten bevindt zich een schakelaar waarmee de brandblusinstallatie handmatig kan worden geblokkeerd.
### Artikel 4.4 -8
Ten aanzien van het in open of gesloten spuitcabines of spuitwanden verspuiten van verf die zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare oplosmiddelen bevat, worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Ten aanzien van het in open of gesloten spuitcabines of spuitwanden verspuiten van verf die zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare oplosmiddelen bevat, worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**1.**
@ -842,9 +941,9 @@ a. Het aanmaken van verf met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvla
b. Verffilters worden tijdig vernieuwd en op de juiste wijze op zo kort mogelijke termijn afgevoerd.
c. Er wordt niet gerookt en open vuur of andere ontstekingsbronnen zijn vermeden in spuitruimten.
### Artikel 4.4 -9
### Artikel 4.6 -6
Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**1.**
@ -877,9 +976,9 @@ b. kooldioxide in kleine draagbare brandblusapparaten tot 20 kg totale massa
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)*
### Artikel 4.4 -10
### Artikel 4.6 -7
Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**1.**
@ -905,206 +1004,6 @@ b. een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ru
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)*
### Artikel 4.6 -1
**1.**
Er is sprake van een zodanige mate van blootstelling aan stoffen in een ruimte dat gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaat indien in ieder geval in die ruimte:
a. de concentratie aan zuurstof lager is dan 18 volumeprocent en als deze hoger is dan 21 volumeprocent, of
b. de concentratie van brandbare of explosieve gassen of dampen hoger is dan 10 volumeprocent van de onderste explosiegrens, of
c. de concentratie van een stof de bestuurlijke of wettelijke grenswaarde voor die stof overschrijdt.
Voor de scheepvaart geldt de Bekendmaking aan de Scheepvaart nr 313/1996 voor de bepaling van de luchtkwaliteit (1 volumeprocent Lower Explosion Limit en 21 volumeprocent zuurstof).
**2.**
Adequaat onderzoek als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat voor het betreden van de ruimte in deze ruimte met geschikte meetapparatuur wordt vastgesteld of de feitelijke situatie zodanig is dat gevaren voor brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming niet zullen optreden. Dit wordt vastgesteld door achtereenvolgens:
a. bepaling van het zuurstofgehalte als de kans op verstikking of van een met zuurstof verrijkte atmosfeer bestaat;
b. bepaling van de samenstelling van het mengsel dat een risico vormt ten aanzien van brand en/of explosie en vergelijking van de waarde met de explosiegrenzen van de desbetreffende stof(fen);
c. bepaling van de concentraties van aanwezige stoffen wanneer de kans op vergiftiging of bedwelming bestaat en vergelijking van de gemeten waarden met wettelijke of bestuurlijke grenswaarden voor deze stoffen zoals gepubliceerd in de "Nationale MAC-lijst".
**3.** Gedurende de werkzaamheden worden frequente herhalingsmetingen uitgevoerd van de aanwezige stoffen en zuurstof indien de kans op brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming in de ruimte of nabij de toegang van de ruimte tijdens de werkzaamheden blijft bestaan of vergroot wordt.
**4.** Het onderzoek wordt uitgevoerd door personen, die zowel op de hoogte zijn van de gevaren van bedoelde ruimten als van de van toepassing zijnde meetmethoden en zodanig dat de resultaten eenduidig en betrouwbaar zijn. De resultaten worden schriftelijk vastgelegd.
### Artikel 4.6 -2
Maatregelen gericht op het veilig kunnen betreden en kunnen verlaten van een ruimte als bedoeld in artikel 4.6, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden als doeltreffend aangemerkt indien daarbij rekening is gehouden met de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, en de volgende punten daarbij worden in acht genomen.
1. Alvorens iemand de ruimte betreedt wordt ervoor gezorgd dat de luchtverversing adequaat is zodat het ontstaan van het gevaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, in de ruimte wordt voorkomen. Wanneer er kans is op een explosieve atmosfeer wordt voor de luchtverversing explosieveilige apparatuur toegepast. Wanneer het gevaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, in de ruimte niet kan worden voorkomen wordt bij betreding gebruik gemaakt van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen waarvan de luchttoevoer onafhankelijk is van de atmosfeer in de ruimte.
2. Om te voorkomen dat een dergelijke ruimte door onbevoegden wordt betreden zijn de toegangen tot die ruimte voorzien van het waarschuwingsbord "Gevaar", zoals beschreven in bijlage XIA bij de Arbeidsomstandighedenregeling, met daaronder duidelijk zichtbaar de tekst "Niet betreden besloten ruimte".
3. Wanneer uit het onderzoek vooraf blijkt dat de werkzaamheden kunnen aanvangen, worden de werkzaamheden zo ingericht dat door toepassing van luchtverversing het ontstaan van een gevaarlijke atmosfeer tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Alle leidingen die op de besloten ruimte zijn aangesloten, zijn afgeblind door middel van goed zichtbare blind- of steekflenzen of zodanig losgekoppeld, dat geen gassen of vloeistoffen vanuit de leidingen in de ruimte kunnen komen
4. Bij het werken in bedoelde ruimte is een persoon buiten de ruimte aanwezig die meteen kan optreden wanneer de gevaren zich daadwerkelijk voordoen
5. Wanneer er sprake is van gevaar voor brand en/of explosie worden vonkvrije gereedschappen gebruikt en arbeidsmiddelen toegepast die voldoen aan de eisen neergelegd in het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit explosieveilig materieel. Werk waarbij vonken of hete oppervlakken kunnen ontstaan wordt alleen uitgevoerd wanneer de concentratie van de brandbare stoffen in de atmosfeer ter plekke lager is dan 10 volumeprocent van de LEL (lower explosion limit) van de betreffende stof(fen).
6. Indien er gevaar bestaat voor het vlam vatten van stoffen of voorwerpen die tot ontbranding kunnen overgaan worden de plaatsen binnen de bedoelde ruimte waar met open vuur wordt gewerkt eerst zorgvuldig van deze stoffen of voorwerpen ontdaan en worden de werkzaamheden met open vuur alleen verricht als adequate brandblusmiddelen van voldoende capaciteit aanwezig zijn.
7. De werkgever beschikt over een noodprocedure in het kader van de bedrijfshulpverlening als bedoeld in artikel 2.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor het geval zich in bedoelde ruimten de in artikel 4.6, eerste lid, genoemde gevaren daadwerkelijk voordoen. In deze procedure worden noodmaatregelen, verantwoordelijkheden en taken vastgelegd.
Als een onderdeel van deze procedure geldt in ieder geval dat bij het werken in bedoelde ruimte altijd een persoon buiten de ruimte aanwezig is die ter plekke toezicht houdt en meteen kan optreden wanneer de gevaren zich voordoen.
8. Personen die bedoelde ruimte betreden dragen een reddingsgordel. Deze gordel is voorzien van een voldoende lange en sterke reddingslijn die bestendig is tegen de stoffen die in de besloten ruimte aanwezig zijn. Deze lijn wordt in de nabijheid van de toegang van de ruimte deugdelijk vastgezet.
9. In afwijking van het in punt 8 gestelde geldt voor moeilijk toegankelijke of kleine besloten ruimten dat, wanneer de beoordeling in het kader van de inventarisatie en evaluatie van risico's bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, daartoe leidt, andere hulpmiddelen toegepast danwel andere maatregelen getroffen kunnen worden om de veiligheid van de persoon die de besloten ruimte betreedt te verzekeren.
### Artikel 4.9 -1
**1.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van werknemers de voor die stoffen vastgestelde wettelijke of bestuurlijke grenswaarden overschrijden. Laatstgenoemde grenswaarden zijn gedefinieerd in beleidsregel 42-1. Als voor de desbetreffende stof geen wettelijke of bestuurlijke grenswaarde is vastgesteld, geldt dat overschrijding van een door de werkgever vast te stellen grenswaarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd, strijdig is met het bepaalde in dit lid bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7, behorend bij beleidsregel 42-1 voor het vaststellen van de waarde die met mag worden overschreden.
**2.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het zevende lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage VI bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel in de lijst van bestuurlijke grenswaarden in bijlage 6 bij deze beleidsregels. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**3.**
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9 eerste tot en met het zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
c. R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid"
d. R34: "Veroorzaakt brandwonden"
e. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
f. R38: "Irriterend voor de huid"
g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
i. S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**4.**
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veihgheidsaanbevelingen:
a. R34: "Veroorzaakt brandwonden"
b. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
c. R36: "Irriterend voor de ogen"
d. R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel"
e. S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen" In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op stoffen die in de vorm van lading vervoerd worden.
### Artikel 4.9 -2
Bij schadelijke of hinderlijke blootstelling aan rook als gevolg van lassen, gutsen, plasmasnijden en solderen van metaal, wordt voldaan aan artikel 4.8b, eerste, derde en vierde lid, artikel 4.9, eerste tot en met derde lid en het vijfde tot en met negende lid, artikelen 4.16, 4.17, 4.18, juncto hoofdstuk 8, afdeling 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien de Praktijkrichtlijn, beschrijving van doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen afkomstig van lassen en/of verwante processen (13 maart 2002), in acht wordt genomen.
### Artikel 4.9 -3
Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen ais bedoeld in artikel 4.8b en artikel 4.9 achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van werknemers tegen mhalatoire blootstelling aan stoffen wordt het volgende in acht genomen.
1. Om te beoordelen of een persoonlijke beschermingsmiddel als bedoeld in artikel 4.9 achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit geschikt is om de inhalatoire blootstelling aan stoffen tot een voldoende laag niveau te beperken, wordt voor de vaststelling van de blootstellingsreductie bij gebruik van een middel uitgegaan van de door de leverancier opgegeven nominale protectiefactor (NPF) in relatie tot arbeidsbelasting en belastbaarheid van de betrokken werknemers.
2. Een ademhalingsbeschermingsmiddel met een systeem dat de omgevingslucht filtert is met geschikt indien de gas- of dampconcentratie van de te filteren stof in de omgevingslucht hoger is dan 1 volumeprocent.
3. Bij blootstelling aan inert zwevend stof met een MAC-waarde van 10 milligram per kubieke meter lucht wordt een P1SL filtertype die voldoet aan de norm NEN-EN 143 2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters Eisen beproeving merking", toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
4. Bij blootstelling aan stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde tussen 0,1 en 10 milligram per kubieke meter lucht wordt minimaal een P2SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
5. Bij blootstelling aan stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht wordt mmimaal een P3SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
6. Half- en kwartgelaatsmaskers met filter(systemen) die de omgevingslucht filteren zijn ongeschikt voor bescherming tegen stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht.
### Artikel 4.9 -4
**1.**
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000 (Stcrt 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
b. MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde, of bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
c. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 °C én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 °C), groter dan éénduizendste van de MAC-waarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > MAC);
d. serpentijnasbest: stoffen die de vezelachtige silicaat chrysotiel bevat;
e. amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
**2.** In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond of verontreinigd grondwater tevens verstaan: grond of grondwater waarin zich asbest bevindt in een concentratie, hoger dan de gewogen norm van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie).
**3.** In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de onder a genoemde circulaire, onder verontreinigde grond tevens verstaan: grond, waarvan het gehalte steenachtige of andere materialen meer dan 20-volumeprocenten bedraagt.
**4.**
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond waarbij de verontreiniging zodanig is dat de werkzaamheden, volgens de in beleidsregel 4.2 -2, tweede lid, bedoelde systematiek, niet ingedeeld behoeven te worden in een risicoklasse, wordt in ieder geval onder doeltreffende maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met achtste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het volgende verstaan:
a. binnen de verontreinigde zone worden beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
1° een goed sluitende overall met rits zonder zakken of openingen;
2° bouwveiligheidslaarzen/-schoenen;
3° handschoenen van voldoende sterkte en ondoordringbaar voor aanwezige verontreinigingen;
b. wasgelegenheden en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.23, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn aanwezig buiten de verontreinigde zone.
**5.**
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater waarop beleidsregel 4.2 - 2, tweede lid, van toepassing is en op grond daarvan de werkzaamheden zijn ingedeeld in klasse 0T en 0F, zijn maatregelen doeltreffend als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met achtste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dan wel worden voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit adequaat geacht indien de volgende aanvullende maatregelen worden getroffen:
a. de maatregelen zoals hiervoor genoemd in het vierde lid, onder a;
b. alvorens de werkzaamheden te beginnen is een draaiboek voor de werkzaamheden opgesteld, waarin onder andere een omschrijving van het werk, een globaal tijdschema, een lijst van verontreinigingen, (de argumentatie voor) de indeling in risicoklassen, de taakverdeling en de beschermende maatregelen zijn opgenomen;
c. tijdens de werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende stoffen, waaronder asbest, of mutagene stoffen als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, wordt voldaan aan artikel 4.15, eerste lid en artikel 4.53, indien een logboek wordt bijgehouden, waarin dagelijks aantekening wordt gehouden van de gevallen waarin wordt afgeweken van het draaiboek en de reden hiervoor, de resultaten van uitgevoerde luchtmetingen en een overzicht van de personen die de locatie hebben bezocht;
d. de plaats waar met verontreinigd grond(water) wordt gewerkt is afgebakend door middel van een hekwerk;
e. binnen de verontreinigde zone worden bij de hierna te noemen situaties de volgende voorgeschreven beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
1° bij schoonspoelen of schoonborstelen van materieel vloeistofdichte overkleding, gelaatsscherm en een masker met stoffilter klasse P2 of P3;
2° indien contact mogelijk is met verontreinigd grondwater, natte grond of de vloeibare verontreiniging zelf, overkleding van vloeistofdicht materiaal;
3° in gevallen dat men verontreinigd water in het gezicht kan krijgen, oog- of gezichtsbescherming;
f. het type, de kwaliteit en het aantal van de onder a en e bedoelde beschermingsmiddelen worden vastgesteld door een deskundige;
g. cabines van grondverzetwerktuigen en van transportmiddelen die op het werkterrein blijven, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters met een zodanige filterkwaliteit en -capaciteit dat de MAC-waarden van stoffen in de cabineruimte niet worden overschreden. Bij de keuze voor de filterkwaliteit en capaciteit wordt tevens rekening gehouden met de risicoklasse van de werkzaamheden;
h. toiletten, urinoirs, wasbakken en ontspannings-, kleed-, was- en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.22, tweede en vierde lid, artikel 3.23, eerste en tweede lid, artikel 3.24, derde lid en artikel 4.20, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevinden zich op de grens van de verontreinigde zone; de ruimte waar de persoonlijke kleding en het schoeisel gedurende de werkdag worden bewaard, wordt door middel van de doucheruimte duidelijk gescheiden van de ruimte waar de werkkleding wordt bewaard.
**6.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende maatregelen:
a. indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie met de MAC-waarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht. De meetfrequentie is aan de volgende voorwaarden gebonden:
1° er wordt ten minste tweemaal per dag gemeten (kort na aanvang van de werkzaamheden) op plaatsen waar (het meest intensief) wordt gewerkt;
2° in aanvulling op het onder 1° gestelde wordt extra gemeten:
i. wanneer (ongebruikelijke) geuren worden waargenomen, of
ii. wanneer op diepte wordt gewerkt telkens bij het begin van de werkzaamheden en tijdens intensieve werkzaamheden nog een enkele keer ter controle, of
iii. wanneer in diepe en smalle sleuven wordt gewerkt, wordt zeer vaak of continue gemeten;
b. indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de MAC-waarde wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 2T.
**7.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 2T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding van de werkzaamheden;
b. alle op het werk aanwezige personen dragen handschoenen;
c. indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie tot de MAC-waarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht; de frequentie van de metingen op plaatsen waar gewerkt wordt is als volgt:
1° ten minste 4 keer per halve werkdag (voor en tijdens het werk) op die plaatsen waar de natuurlijke ventilatie beperkt is door de diepe ligging of door andere omstandigheden;
2° 4 keer per halve werkdag indien de windsnelheid op een representatieve plek op maaiveldniveau regelmatig beneden de 1 m/s ligt;
3° 2 keer per halve werkdag indien de gemiddelde windsnelheid op dezelfde plek gemeten tussen de 1 en 3 m/s ligt;
4° 1 keer per halve werkdag bij een gemiddelde windsnelheid groter dan 3 m/s;
d. indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de MAC-waarde, wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 3T;
e. de metingen worden uitgevoerd door iemand met voldoende kennis van en vaardigheid met het uitvoeren en interpreteren van de metingen;
f. als het werk is ingedeeld in klasse 2T én klasse 1F of 2F, zijn de transportmiddelen die het vervoer van de verontreinigde grond verzorgen voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters, zoals bedoeld voor werken voertuigen die op het werkterrein blijven.
**8.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 3T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; de deskundige of diens, onder zijn verantwoordelijkheid opererende en door hem voldoende deskundig geachte plaatsvervanger, is tijdens de werkzaamheden permanent aanwezig;
b. deze deskundige geeft voorlichting en onderricht aan werknemers, advies en ondersteuning bij het opstellen van het draaiboek, en geeft advies en ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende stoffen, waaronder asbest, of mutagene stoffen als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
c. door of onder toezicht van deze deskundige of diens plaatsvervanger wordt met continu registrerende apparatuur de kwaliteit van de omgevingslucht bewaakt; het meten van de concentraties vluchtige stoffen in de omgevingslucht, wordt permanent of zeer frequent uitgevoerd, naar inzicht van de deskundige;
d. de transportmiddelen die de verontreinigde grond vervoeren, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stofen koolfilters, overeenkomstig de werk- en voertuigen die het werkterrein niet verlaten;
e. bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of grondwater, waarbij de verontreiniging uit asbest bestaat in een concentratie, hoger dan de gewogen norm op het niveau van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie), zijn tevens de voorschriften bedoeld in artikel 4.45, artikel 4.49 en 4.55, eerste lid, onderdeel d, 4.56 en artikel 4.57 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
1° het voorkomen of beperken van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.18, derde lid, kan worden uitgevoerd door het vochtig houden van de verontreinigde grond en bodem, resulterend in een vochtgehalte van minimaal 10%;
2° de meting, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onderdeel d, wordt uitgevoerd in de vorm van een visuele inspectie, als bedoeld in beleidsregel 4.55.
**9.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1F, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende:
a. er wordt voor zorggedragen dat er geen open vuur is;
b. permanent op het werk aanwezig materieel is uitgerust met vonkenvangers op de uitlaten;
c. ter plaatse van de werkzaamheden zijn brandblusmiddelen beschikbaar.
**10.**
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater (al dan niet tijdelijk) zijn ingedeeld in klasse 2F, worden alle voor klasse 1F geldende maatregelen als bedoeld in het negende lid getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
a. een deskundige op het terrein van de veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; deze deskundige geeft advies en verleent ondersteuning bij het opstellen van de brand- en explosieparagraaf van het draaiboek en bij de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende of mutagene stoffen als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
b. indien de werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in de klasse 2F, worden met een explosiemeter frequent of permanent metingen uitgevoerd naar de concentraties van de desbetreffende stoffen;
c. indien uit deze permanente metingen blijkt dat de concentratie ontvlambare stoffen in de lucht de grens van 10% van de onderste explosiegrens voor een van die stoffen overschrijdt, wordt het werk onmiddellijk gestaakt en wordt de locatie onmiddellijk verlaten, tenzij naar het inzicht van de deskundige, bedoeld in onderdeel a, bepaalde werkzaamheden nog kunnen worden uitgevoerd.
**11.** Indien de werkzaamheden zijn ingedeeld in zowel een T klasse als een F klasse, is het zwaarste regime bepalend voor de wijze waarop en de frequentie waarmee de concentraties van stoffen worden gemeten.
### Artikel 4.9 -5
Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.9 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
### Artikel 4.14
Vervallen
@ -1125,10 +1024,10 @@ Vervallen
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als
1. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een niet-genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt;
2. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt. Bovendien moet een zo laag mogelijk blootstellingsniveau worden nagestreefd;
3. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld zoals opgenomen in de lijst van grenswaarden in bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, of die kankerverwekkend zijn voor de huid. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
4. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
1. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een niet-genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt;
2. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt. Bovendien moet een zo laag mogelijk blootstellingsniveau worden nagestreefd;
3. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld zoals opgenomen in de lijst van grenswaarden in bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, of die kankerverwekkend zijn voor de huid. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in 4.18, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
4. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende of mutagene stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
@ -1140,7 +1039,7 @@ g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
i. S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in 4.18, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
5. oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
a. R34: "Veroorzaakt brandwonden"
@ -1161,34 +1060,34 @@ Bij de roetmeting in het kader van de APK-keuring van dieselmotoren wordt aan de
**1.**
Onder persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, en artikel 4.47, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, die de betrokken werknemers doeltreffend beschermen tegen blootstelling aan asbeststof als bedoeld in artikel 4.46, vijfde lid, en artikel 4.47, eerste lid, wordt verstaan een volgelaatsmasker of overdrukpak met externe luchttoevoer via een compressor met luchtzuiveringsunit, welke voldoen aan de normen:
Onder persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 4.18, derde lid en 4.48a, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, die de betrokken werknemers doeltreffend beschermen tegen blootstelling aan asbeststof als bedoeld in artikel 4.47a, derde lid en artikel 4.48a, eerste lid en tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt verstaan een volgelaatsmasker of overdrukpak met externe luchttoevoer via een compressor met luchtzuiveringsunit, welke voldoen aan de normen:
a. NEN-EN 137:1993 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Onafhankelijk persluchttoestel. Eisen, beproeving, merken",
b. NEN-EN 139:1995 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestel geschikt voor ademlucht voor gebruik met een volgelaatmasker", inclusief correctieblad C1:1997.
a. Ontwerp norm NEN-EN 137: 2002 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Onafhankelijk ademluchttoestel met een volgelaatmasker. Eisen, beproeving, merken",
b. NEN-EN 14593-1: 2005 Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestel voorzien van een ademhalingsautomaat Deel 1: Toestel met een volgelaatmasker Eisen, beproeving en merken.
**2.**
Indien op basis van de resultaten van de risico-iventarisatie en -evaluatie het om veiligheidsredenen niet mogelijk is om de in het eerste lid genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen te gebruiken, kan in dergelijke situaties een volgelaatmasker met aanblaasunit en P3SL-filter en voorfilter worden toegepast, welke voldoen aan de normen:
a. NEN-EN 136:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatmaskers. Eisen, beproevingsmethoden merken",
a. NEN-EN 136:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatmaskers. Eisen, beproevingsmethoden merken, met correctieblad van 01 2000",
b. NEN-EN 143:2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters. Eisen, beproevingmerking",
c. NEN-EN 12942:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Aangedreven filters gecombineerd met volgelaatmaskers, halfgelaatmaskers of kwartgelaatmaskers Eisen beproeving, merken".
c. NEN-EN 12942:1998/A1 2003 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Aangedreven filters gecombineerd met volgelaatmaskers, halfgelaatmaskers of kwartgelaatmaskers Eisen beproeving, merken".
### Artikel 4.18 -4
**1.** Aan het bepaalde in artikel 4.16, tweede en derde lid en artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft het voorkomen dan wel beperken van blootstelling aan kristallijn respirabel kwarts in de bouwnijverheid voldaan wanneer adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in tabel 1 van bijlage 13 bij deze beleidsregel gestelde en waar nodig aanvullende ademhalingsbeschermingsmiddelen worden gebruikt waarbij het gestelde in tabel 2 van bijlage 13 bij deze beleidsregel in acht genomen wordt.
**1.** Aan het bepaalde in artikel 4.16, derde en vierde lid, en artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft het voorkomen dan wel beperken van blootstelling aan kristallijn respirabel kwarts in de bouwnijverheid voldaan wanneer adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in tabel 1 van bijlage 13 bij deze beleidsregel gestelde en waar nodig aanvullende ademhalingsbeschermingsmiddelen worden gebruikt waarbij het gestelde in tabel 2 van bijlage 13 bij deze beleidsregel in acht genomen wordt.
**2.** Gasbeton en zandkalksteenblokken worden niet gezaagd, deze worden met een blokkenschaar op maat geknipt.
**3.** Bij de hierna vermelde werkzaamheden, niet in tabel 1 van bijlage 13 genoemd, worden in ieder geval ademhalingsbeschermingsmiddelen ter beschikking gesteld en gedragen: het aanbrengen van spuitbeton, koppensnellen, droog-gritstralen, nat-olivinezandstralen, nat-gritstralen en vacuumstralen.
**4.** De keuze en het gebruik van het juiste type ademhalingsbescherming worden bepaald door de hoogte van de blootstelling aan kwartsstof en de gebruiksomstandigheden. Daarbij wordt in acht genomen dat het ademhalingsbeschermingsmiddel geschikt is wanneer de daaraan toegekende protectiefactor, als genoemd in tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen a. tot en met g. van bijlage 13 bij deze beleidsregel, toereikend is om de blootstelling aan kwartsstof te reduceren tot onder de op grond van artikel 4.20 van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgestelde wettelijke grenswaarde voor kristallijn respirabel kwarts.
**4.** De keuze en het gebruik van het juiste type ademhalingsbescherming worden bepaald door de hoogte van de blootstelling aan kwartsstof en de gebruiksomstandigheden. Daarbij wordt in acht genomen dat het ademhalingsbeschermingsmiddel geschikt is wanneer de daaraan toegekende protectiefactor, als genoemd in tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen a. tot en met g. van bijlage 13 bij deze beleidsregel, toereikend is om de blootstelling aan kwartsstof te reduceren tot onder de vastgestelde grenswaarde voor kristallijn respirabel kwarts.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 januari 2001)*
### Artikel 4.18-5
Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde.
Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
@ -1211,11 +1110,11 @@ f. het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. De voorlichting en instructie worden
### Artikel 4.45
Aan de verplichting om grond, bagger, puin, puingranulaat, water of afvalstoffen of materialen, verontreinigd met asbest of crocidoliet, af te voeren in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, bedoeld in de artikelen 4.45 tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.56, derde lid en aan de verplichting om de concentratie asbest in de lucht zo laag mogelijk te houden, zoals bedoeld in artikel 4.45, eerste lid en in artikel 6.2, wordt voldaan, indien het volgende in acht wordt genomen.
Aan de verplichting om grond, bagger, puin, puingranulaat, water of afvalstoffen of materialen, verontreinigd met asbest af te voeren in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, bedoeld in artikel 4.45, tweede lid, onderdeel d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit en aan de verplichting om voldoende niet-verontreinigde lucht aanwezig te hebben als bedoeld in artikel 6.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt in geval van vervoer van bulkmaterialen verontreinigd met asbesthoudende materialen, het volgende in acht genomen.
**1.**
Het verpakken en het afvoeren van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbest- of crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, niet ontstaan bij selectieve sloop of verwijdering van asbestbevattende materialen uit gebouwen, apparaten, installaties, transportmiddelen en constructies met uitzondering van wegen, waterkeringen, dijken, ophogingen van geluids(wallen) e.d., dient zodanig te zijn dat deze asbesthoudende materialen niet in de omgeving vrijkomen. Hieraan wordt voldaan indien:
Het verpakken en het afvoeren van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbesthoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbesthoudende afvalstoffen of materialen, niet ontstaan bij selectieve sloop of verwijdering van asbestbevattende materialen uit gebouwen, apparaten, installaties, transportmiddelen en constructies met uitzondering van wegen, waterkeringen, dijken, ophogingen van geluids(wallen) e.d., dient zodanig te zijn dat deze asbesthoudende materialen niet in de omgeving vrijkomen. Hieraan wordt voldaan indien:
a. ten behoeve van het wegvervoer, de vrachtwagen van het type kipper, voorzien is van een lekdichte laadruimte met een stofdicht afsluitsysteem in de vorm van hydraulisch aangedreven kleppen met rubberen afdichting welke vanuit de cabine worden bediend;
b. ten behoeve van het vervoer over het spoor, de laadruimte van de wagon, lek- en stofdicht is uitgevoerd;
@ -1223,37 +1122,41 @@ c. ten behoeve van het vervoer over het water, het vaartuig is voorzien van een
**2.** De afsluiting van de laadruimte, bedoeld in het eerste lid, is zodanig robuust, dat ingeval van calamiteiten geen lading verloren gaat.
**3.** De concentratie hechtgebonden asbest of crocidoliet in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 10 gram per kilogram droge stof.
**3.** De concentratie hechtgebonden asbest in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 10 gram per kilogram droge stof.
**4.** De concentratie niet-hechtgebonden asbest of crocidoliet in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 1 gram per kilogram droge stof.
**4.** De concentratie niet-hechtgebonden asbest in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 1 gram per kilogram droge stof.
**5.** Het gehalte hechtgebonden en niethechtgebonden asbest of crocidoliet in grond en in andere vergelijkbare materialen wordt bepaald volgens normontwerp-NEN 5707, uitgave 2001. Het gehalte hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest of crocidoliet in puin, puingranulaat en in andere vergelijkbare steenachtige materialen, wordt bepaald volgens normontwerp-NEN 5897, uitgave 1999 of normontwerp-NEN 5896, uitgave 1999.
**5.** Het gehalte hechtgebonden en niethechtgebonden asbest in grond en in andere vergelijkbare materialen wordt bepaald volgens norm-NEN 5707, uitgave 2001. Het gehalte hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest in puin, puingranulaat en in andere vergelijkbare steenachtige materialen, wordt bepaald volgens norm NEN 5897, uitgave 2005 of norm NEN 5896, uitgave 2003.
**6.** Er worden zodanige maatregelen aan de bron getroffen tijdens het laden, lossen en het vervoer van asbest- of crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, dat verstuiving of aërosolvorming visueel niet waarneembaar is. Hieraan wordt onder andere voldaan indien het vochtgehalte (via vernevelen) van de genoemde bulkmaterialen minimaal 10% bedraagt, waardoor verspreiding van de te vervoeren bulkmaterialen wordt voorkomen. Ingeval van het lossen van bagger, wordt het gebruik van de zogenoemde bakkenzuiger achterwege gelaten.
**6.** Er worden zodanige maatregelen aan de bron getroffen tijdens het laden, lossen en het vervoer van asbesthoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbesthoudende afvalstoffen of materialen, dat verstuiving of aërosolvorming visueel niet waarneembaar is. Hieraan wordt onder andere voldaan indien het vochtgehalte (via vernevelen) van de genoemde bulkmaterialen minimaal 10% bedraagt, waardoor verspreiding van de te vervoeren bulkmaterialen wordt voorkomen. Ingeval van het lossen van bagger, wordt het gebruik van de zogenoemde bakkenzuiger achterwege gelaten.
**7.** De cabine en andere arbeidsplaatsen van het voer- en vaartuig zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie, die het binnentreden van asbest- of crocidoliethoudend stof of aërosol in de cabine via de ventilatielucht voorkomt. De overdruk bedraagt minimaal 100 Pascal en maximaal 300 Pascal. Het debiet bedraagt, afhankelijk van de lekdichtheid, minimaal 12,5 en maximaal 120 kubieke meter lucht per uur. De installatie is voorzien van een controlesysteem dat storingen signaleert.
**8.** Voordat de vrachtwagen het werkterrein en het losterrein verlaat, wordt aanhangende vervuiling verwijderd door de vrachtwagen aan de buitenzijde nat te reinigen. Het werkwater wordt opgevangen en gefilterd alvorens het water wordt hergebruikt of geloosd.
**9.** Restanten hechtgebonden of niethechtgebonden asbest-, crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen en materialen, worden na het legen van de laadruimte, zorgvuldig hieruit verwijderd, bij voorkeur via nat reinigen, voordat deze voor opslag of vervoer van asbest- of crocidolietvrije materialen en producten wordt gebruikt.
**9.** Restanten hechtgebonden of niethechtgebonden asbest-, crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen en materialen, worden na het legen van de laadruimte, zorgvuldig hieruit verwijderd, bij voorkeur via nat reinigen, voordat deze voor opslag of vervoer van asbestvrije materialen en producten wordt gebruikt.
**10.** De beschreven reinigingswerkzaamheden, bedoeld in de leden acht en negen, dienen plaats te vinden onder dezelfde arbeidsbeschermende maatregelen als die, die van toepassing zijn bij het ontgraven, baggeren of op een andere wijze verzamelen van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbest-, crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen en materialen. In dit verband zijn beleidsregels 4.2 -2 en 4.9 -4 eveneens van toepassing.
**10.** De beschreven reinigingswerkzaamheden, bedoeld in de leden acht en negen, dienen plaats te vinden onder dezelfde arbeidsbeschermende maatregelen als die, die van toepassing zijn bij het ontgraven, baggeren of op een andere wijze verzamelen van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbesthoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbesthoudende afvalstoffen en materialen. In dit verband zijn beleidsregels 4.2 -2 en 4.9 -4 eveneens van toepassing.
**11.** Tijdens het laden en het lossen verblijft de chauffeur van de vrachtwagen in de cabine, waarvan de ramen en deuren geheel zijn gesloten.
**12.** De chauffeur, machinist of schipper stelt zich op grond van de vervoersdocumenten op de hoogte van de aard en samenstelling van de vracht die wordt vervoerd.
### Artikel 4.50
### Artikel 4.47
**1.** Aan het voorschrift dat laboratoria adequaat zijn toegerust voor analyse van asbestmonsters, bedoeld in artikel 4.50, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoen laboratoria die door STERLAB terzake asbestmetmgen zijn geaccrediteerd.
**1.** Aan het voorschrift dat laboratoria adequaat zijn toegerust voor analyse van asbestmonsters, bedoeld in artikel 4.47, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoen laboratoria die in het bezit zijn van een RvA accreditatie op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria.
**2.**
Aan het voorschrift dat personen de vereiste deskundigheid bezitten voor de monstername, bedoeld in artikel 4.50, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoet
Aan het voorschrift dat personen de vereiste deskundigheid bezitten voor de monstername, bedoeld in artikel 4.47, zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoet
a. een bevoegde medewerker van in het eerste lid van deze beleidsregel genoemde laboratoria, of
a. een voor deze werkzaamheden opgeleide bevoegde medewerker van een laboratorium als bedoeld in het eerste lid , of
b. een deskundige op het gebied van de arbeidshygiene als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
### Artikel 4.47c
Indien de melding als bedoeld in artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit schriftelijk wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan uiterlijk vijf werkdagen vóór het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Indien de melding elektronisch wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd, als de melding wordt gedaan uiterlijk twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Als asbest onverwacht wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag.
### Artikel 4.51
**1.**
@ -1266,36 +1169,34 @@ c. besmet alfvalwater wordt gefilterd alvorens het wordt afgevoerd.
**2.**
Onder doelmatige sanitaire voorzieningen als bedoeld in artikel 4.20, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden, voor wat betreft het werken met asbest, afhankelijk van de werkzaamheden de volgende faciliteiten en procedures voor ontsmettmg van werknemers verstaan:
Onder hygiënische beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 4.20, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden, voor wat betreft het werken met asbest bij werkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 of 3 als bedoeld in artikel 4.48 en 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de volgende faciliteiten en procedures voor ontsmetting van werknemers verstaan:
a. Bij werkzaamheden waarvoor op grond van de Arbeidsomstandighedenregeling, paragraaf 4.7, vrijstelling is verleend van een aantal voorschriften uit hoofdstuk 4 afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, volstaat de zogenaamde éentraps-ontsmettingsprocedure. Dit houdt in dat:
a. Er wordt een drietraps-ontsmettingsprocedure gevolgd. Deze ontsmettingsprocedure wordt toegepast indien de ruimte waar de werkzaamheden met asbest plaatsvinden, afgeschermd is van andere ruimten of van de buitenlucht. Onder deze procedure wordt verstaan, het doorlopen van een ontsmettingsprocedure in een decontaminatie-unit die uit drie van elkaar gescheiden afsluitbare compartimenten bestaat, waarbij:
1°. volstaan kan worden met alleen een douchefaciliteit op de locatie van de asbestverwijdering.
2°. de werkkleding niet wordt uitgetrokken voor het douchen,
3°. de beschermende kleding in deze situaties af speelbaar is en
4°. ook bij werkonderbrekingen (pauzes) gebruik wordt gemaakt van de douche.
Deze verplichting geldt, op grond van de eerdergenoemde vrijstellingsregeling, niet bij de verwijdering van asbesthoudende water- gas- en rioolleidingen in het buitenmilieu.
b. Bij overige (sloop)werkzaamheden moet een drietraps-ontsmettingsprocedure worden gevolgd. Deze ontsmettingsprocedure dient toegepast te worden indien de ruimte waaruit het asbest wordt verwijderd afgeschermd is van andere ruimten of van de buitenlucht. Onder deze procedure wordt verstaan het doorlopen van een ontsmettingsprocedure in een decontammatie-unit die uit drie compartimenten bestaat waarbij:
1°. In het eerste compartiment de beschermende werkkleding wordt uitgetrokken, terwijl men de ademhalingsbescherming blijft dragen,
2°. In het tweede compartiment douches staan opgesteld. De ademhalingsbeschermingsmiddelen worden eerst afgespoeld alvorens ze worden afgenomen.
1°. In het eerste compartiment, de vuile ruimte, de beschermende werkkleding wordt uitgetrokken, terwijl men de ademhalingsbescherming blijft dragen,
2°. In het tweede compartiment douches staan opgesteld en worden gebruikt. De ademhalingsbeschermingsmiddelen worden eerst afgespoeld alvorens ze worden afgenomen.
3°. In het derde compartiment, de schone ruimte, schone kleding wordt aangetrokken.
c. Bij de onder b genoemde drietraps-ontsmettingsprocedure tevens het volgende in acht genomen wordt:
b. Bij de onder a. genoemde drietraps-procedure wordt tevens het volgende in acht genomen:
1°. Het eerste compartiment van de ontsmettingsvoorziening grenst bij voorkeur aan de ruimte waar het asbest wordt verwijderd.
2°. Indien de drietrapsontsmettingsvoorziening met aansluitend is gelegen aan de ruimte waaruit de asbest wordt verwijderd, is deze voorzien van een lucht- ventilatiestroom in de richting van het schone naar het vuile deel van de voorziening.
3°. Ter voorkoming van besmetting van de tussenliggende schone ruimten trekken personen die zich van de ruimte waar asbest wordt verwijderd naar de ontsmettingsruimte begeven een schone overall over de besmette werkkleding en laarzen aan.
### Artikel 4.51a
**1.** De visuele inspectie bij de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.47b, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt uitgevoerd conform hoofdstuk 7 Visuele inspectie op de aanwezigheid van restanten asbesthoudend materiaal van NEN 2990:2005 Lucht-eindcontrole na asbestverwijdering.
**2.** De eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, tweede lid, alsmede de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.54 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt uitgevoerd overeenkomstig NEN 2990:2005 Lucht-eindcontrole na asbestverwijdering.
**3.** Aan het voorschrift dat bedrijven adequaat zijn toegerust voor de uitvoering van een visuele inspectie, bedoeld in artikel 4.51a, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoen bedrijven die in het bezit zijn van een RvA accreditatie op basis van NEN-EN-ISO IEC 17020:2004 Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.
### Artikel 4.54
De melding als bedoeld in artikel 4.54, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als tijdig beschouwd, als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan uiterlijk 7 dagen vóór het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van 48 uur. Als asbest onverwachts wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag.
### Artikel 4.55
Metingen als bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de daaraan voorafgaande reiniging van de ruimte of werklocatie, worden uitgevoerd overeenkomstig het TNO rapport "Eindcontrole na asbestverwijdering", TNO-MEP R 2000/065b (mei 2001).
*(Deze gewijzigde beleidsregel is in werking getreden op 1 augustus 2001)*
Vervallen
### Artikel 4.60
@ -1312,11 +1213,11 @@ e. Er is sprake van het behoud van een architectonische eenheid, die destijds al
f. In geval van een "lappendeken" van verschillende steensoorten wordt geen nieuwe zandsteen toegepast, tenzij de betreffende zandstenen onderdelen een zelfstandige architectonische eenheid vormen.
g. Beschilderde zandsteen wordt niet door nieuwe zandsteen vervangen, tenzij de eigenschappen van de steen in het betreffende object, toepassing van andere steensoorten onmogelijk maken in verband met verstoring in het watertransport.
### Artikel 4.87-1
### Artikel 4.87a
**1.**
De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de blootstelling aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van een koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen, doeltreffend indien:
De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de blootstelling aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van een koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen, doeltreffend indien:
a. het ontstaan en de verspreiding van waternevel zoveel mogelijk worden beperkt;
b. de stilstand van water in leidingen, reservoirs en appendages zoveel mogelijk wordt vermeden;
@ -1337,16 +1238,9 @@ f. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om werknemers die be
**3.** In het legionella-beheersplan, bedoeld in het tweede lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de installatie of onderhoud, de uitkomsten van alle controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de installatie, bedoeld in het eerste lid. Deze aantekeningen worden ten minste drie jaar bewaard.
**4.**
### Artikel 4.87b
De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de blootstelling aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van:
a. een luchtbevochtigingsinstallatie anders dan een stoombevochtiger;
b. een waterinstallatie die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen, niet zijnde een collectieve watervoorziening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, of een collectief leidingnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Waterleidingwet, doeltreffend, indien het water in deze installatie minder dan 100 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat. Het nemen en analyseren van monsters ter controle van de aanwezigheid van legionellabacteriën geschiedt overeenkomstig NEN 6265 of een gelijkwaardige methode.
**5.**
Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 4.85 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, blijkt dat niet voortdurend kan worden voldaan aan het gestelde in het vierde lid, worden een of meer van de volgende maatregelen genomen:
1. Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.85 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, blijkt dat niet voortdurend kan worden voldaan aan het gestelde in artikel 4.87b, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden een of meer van de volgende maatregelen genomen:
a. watertemperaturen die bevorderlijk zijn voor de vermeerdering van legionellabacteriën worden voorkomen;
b. de stilstand van water in leidingen, reservoirs en appendages wordt zoveel mogelijk vermeden;
@ -1354,17 +1248,15 @@ c. het gebruik van materialen die bacteriën en andere micro-organismen kunnen b
d. de installatie en het water in de installatie worden schoongehouden;
e. waterbehandelingstechnieken worden toegepast die de vermeerdering van legionellabacteriën beperken.
**6.**
De maatregelen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, zijn opgenomen in een legionella-beheersplan dat onderdeel vormt van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en dat naast deze maatregelen in ieder geval bevat:
2. De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87b, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn opgenomen in een legionella-beheersplan dat onderdeel vormt van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, en dat naast deze maatregelen in ieder geval bevat:
a. een tekening of schema met de actuele indeling van de installatie, inclusief de onderdelen die tijdelijk buiten gebruik zijn;
b. een beschrijving van de juiste en veilige werking van de installatie;
c. een beschrijving van alle uit te voeren controles, inclusief de controle op de aanwezigheid van legionella, zodat de effectiviteit van het beheersplan en de regelmaat van die controles zijn gewaarborgd;
d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen indien de concentratie aan legionellabacteriën in de installatie hoger is dan de waarde, bedoeld in het vierde lid;
d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen indien de concentratie aan legionellabacteriën in de installatie hoger is dan de waarde, bedoeld in artikel 4.87b. eerste lid, onderdeel b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om werknemers die betrokken zijn bij het onderhoud en beheer van de installatie doeltreffend te beschermen.
**7.** In het legionella-beheersplan, bedoeld in het zesde lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de installatie of onderhoud, de uitkomsten van alle controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de installatie, bedoeld in het vierde lid. De aantekeningen worden ten minste drie jaar bewaard. Voor een installatie aan boord van een schip is het beheersplan ter inzage aan boord van dat schip.
3. In het legionella-beheersplan, bedoeld in het tweede lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de installatie of onderhoud, de uitkomsten van alle controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de installatie, bedoeld in artikel 4.87b. eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De aantekeningen worden ten minste drie jaar bewaard. Voor een installatie aan boord van een schip is het beheersplan ter inzage aan boord van dat schip.
### Artikel 4.64
@ -1372,7 +1264,7 @@ Vervallen
### Artikel 4.87-2
Instellingen waarvan de werknemers kans lopen op accidenteel bloedcontact met humaan bloed hanteren een post-expositie protocol voor accidenteel bloedcontact dat voldoet aan algemeen geldende inzichten op dit gebied en waarin met name aandacht wordt besteed aan mogelijke besmetting met hepatitis B of C en het humane immunodeficientie virus (HIV).
Vervallen
### Artikel 4.91
@ -1395,7 +1287,7 @@ f. tandartsen, mondhygienisten, tandartsassistenten en indirect bij de tandheelk
**5.** Werknemers die niet-gefixeerd, potentieel besmet pathologisch materiaal vervoeren worden door de werkgever in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren tegen hepatitis B wanneer een gerede kans op besmetting bestaat.
**6.** Van werknemers die ingeënt zijn tegen hepatitis B wordt een vaccinatiekaart opgesteld waarop minimaal de datum van vaccinatie en de antistoftiters (na vaccinatie of na tussentijdse controle) met de datum van bepaling staan vermeld. De gevaccineerde werknemer ontvangt een afschrift van de vaccinatiegegevens. De vaccinatiekaart wordt op verzoek beschikbaar gesteld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet en wordt tenminste vijftien jaar bewaard door de instelling.
**6.** Van werknemers die ingeënt zijn tegen hepatitis B wordt een vaccinatiekaart opgesteld waarop minimaal de datum van vaccinatie en de antistoftiters (na vaccinatie of na tussentijdse controle) met de datum van bepaling staan vermeld. De gevaccineerde werknemer ontvangt een afschrift van de vaccinatiegegevens. De vaccinatiekaart wordt op verzoek beschikbaar gesteld aan een daartoe aangewezen toezichthouder en wordt tenminste vijftien jaar bewaard door de instelling.
**7.** Er wordt een registratie gevoerd van werknemers die zijn gevaccineerd tegen hepatitis B.
@ -1403,14 +1295,14 @@ f. tandartsen, mondhygienisten, tandartsassistenten en indirect bij de tandheelk
**1.**
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van thuiswerkers de voor die stoffen vastgestelde wettelijke of bestuurlijke grenswaarden overschrijden. De bestuurlijke grenswaarden zijn gedefinieerd in beleidsregel 4.2-1. Daarnaast wordt het volgende in acht genomen worden:
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de individuele ademhalingszone van thuiswerkers de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden overschrijden. Daarnaast wordt in acht genomen dat bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, de zogenaamde additieregel geldt, als bedoeld in bijlage 7, behorend bij beleidsregel 4.2-1, voor het vaststellen van de waarde die niet mag worden overschreden. Daarnaast wordt het volgende in acht genomen:
a. Als voor de desbetreffende stof geen wettelijke of bestuurlijke grenswaarde is vastgesteld, geldt dat overschrijding van een door de werkgever vast te stellen grenswaarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd, strijdig is met het bepaalde in dit lid.
b. Bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7 bij deze beleidsregels, voor het vaststellen van de waarde die met mag worden overschreden.
**2.** Het ter beschikking stellen van persoonlijke ademhalingsbeschermingsmiddelen ingeval van voorzienbare overschrijding van de in het eerste lid bedoelde waarde is geen doeltreffende maatregel als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
**3.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage VI bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel in de lijst van bestuurlijke grenswaarden in bijlage 6 van deze beleidsregels. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen.
**3.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage XIII bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel door de werkgever bij uitvoering van de artikelen 4.3 en 4.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen.
**4.**
@ -1489,7 +1381,7 @@ Voor kinderdagverblijven welke reeds werden geëxploiteerd op 23 juli 2000 treed
### Artikel 5.3 -1
Aan het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft tillen op bouwplaatsen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
Aan het bepaalde in artikel 5.3, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft tillen op bouwplaatsen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
**1.** Handmatig tillen wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden of beperkt.
@ -1532,7 +1424,7 @@ Betonstaal en gereedschap voor de verwerking hiervan zwaarder dan
### Artikel 5.3 -2
Aan het bepaalde in de artikelen 5.3 en 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in kappersbedrijven, als bedoeld in beleidsregel 4.3a, eerste lid, voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
Aan het bepaalde in de artikelen 5.3 en 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in kappersbedrijven, als bedoeld in beleidsregel 4.1c -3, eerste lid, voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
**1.** a. De zittinghoogte van de pompstoel is op eenvoudige wijze traploos instelbaar zodat het verrichten van vaktechnische handelingen steeds op de ergonomisch juiste hoogte kan geschieden. Het instelbereik van de zitting loopt tenminste van 45 tot 59 centimeter boven de vloer.
b. Bij het verrichten van vaktechnische handelingen bij kinderen tussen 1.15 en 1.60 meter dient gebruik gemaakt te kunnen worden van een stoelverhoger op de pompstoel. Bij het verrichten van vaktechnische handelingen bij kinderen van 1.15 meter en kleiner dient gebruik gemaakt te kunnen worden van een kinderstoel.
@ -1571,7 +1463,7 @@ b. Voor het bepaalde in het tweede en vierde lid geldt het volgende:
### Artikel 5.4 -1a
Een zitgelegenheid is doelmatig in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Een zitgelegenheid op een werkplek voldoet aan de ergonomische beginselen, bedoeld in artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Alle regelmatig voorkomende werkzaamheden zijn binnen het werkbereik van de handen en het zichtgebied van de individuele werknemer gebracht. De werkhoogte is aangepast aan de werkzaamheden en de individuele werknemer. De werknemer heeft de beschikking over een voetensteun indien dat voor het bereiken van een goede lichaamshouding gevergd wordt. Deze is minimaal 45 cm breed en 35 cm diep en is eenvoudig in hoogte instelbaar in minimaal 3 standen met onderling gelijke afstand. Het totale instelbereik van de voetensteun omvat in ieder geval het verticale traject tussen 35 en 47 centimeter onder de bovenzijde van de zitting. Een stang of balk als voetensteun is onvoldoende.
2. Ten behoeve van de bewegingsvrijheid van benen en voeten is een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep. Voor werkzaamheden in kantoren bedraagt de minimale diepte ten behoeve van de benen en voeten respectievelijk 65 en 80 centimeter.
@ -1584,11 +1476,11 @@ c. voldoet de werktafel aan de norm NEN 2441:2002 Ergonomie - Ergonomische cr
### Artikel 5.4 -1b
Als bij staand werk een stasteun ter beschikking is gesteld is deze doelmatig in de zin van artikel 5.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als de vrije been- en voetruimte resp. 24 en 42 cm is, het hoogteverstelbereik (met gasveer) tussen 65 en 90 cm ligt, het steunvlak minimaal 20x20 cm bedraagt, de hoek ten opzichte van de verticaal 20 tot 30 graden naar voren is gekanteld en bij een kruispoot met wielen de wielen geremd zijn.
Als bij staand werk een stasteun ter beschikking is gesteld voldoet deze aan de ergonomische beginselen, bedoeld in artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, als de vrije been- en voetruimte resp. 24 en 42 cm is, het hoogteverstelbereik (met gasveer) tussen 65 en 90 cm ligt, het steunvlak minimaal 20x20 cm bedraagt, de hoek ten opzichte van de verticaal 20 tot 30 graden naar voren is gekanteld en bij een kruispoot met wielen de wielen geremd zijn.
### Artikel 5.4 -2
Een zitgelegenheid bij kassawerk in zelfbedieningswinkels is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
Een zitgelegenheid bij kassawerk in zelfbedieningswinkels voldoet aan de ergonomische beginselen, bedoeld in artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
1. Onder kassawerk in zelfbedieningswinkels worden de afrekenhandelingen van een werknemer verstaan, alsmede de daaraan gerelateerde ondersteunende en voorbereidende taken op de kassawerkplek. Klanten selecteren in zulke winkels (ten minste voor een deel) zelf de koopwaar, waarna zij die ter afrekening aanbieden. Onder de zelfbedieningswinkels vallen in dit verband zowel de winkels in de levensmiddelen- als in de nietlevensmiddelenhandel: supermarkten, warenhuizen en speciaalzaken.
2. Bij kassawerk in zelfbedieningswinkels is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als
@ -1623,7 +1515,7 @@ e. ten opzichte van de kijkrichting van de werknemer die recht voor zich afreken
### Artikel 5.4 -3
Een zitgelegenheid bij baliewerk is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
Een zitgelegenheid bij baliewerk voldoet aan de ergonomische beginselen, bedoeld in artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
1. Onder baliewerk worden werkzaamheden verstaan aan een voorziening die ingericht is voor direct contact met klanten of bezoekers. Administratieve handelingen, verstrekken van informatie, verrichten van transacties en doorverwijzen staan bij zulke werkzaamheden centraal.
2. Er is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als
@ -1648,24 +1540,22 @@ c. de balie aan bezoekerszijde voorzien is van een stoel, waarvan bezoekers gere
### Artikel 5.11
Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek aan ogen en gezichtsvermogen omvat minimaal een anamnese, een gezichtsscherpte- en een accommodatiemeting. In aan vulling daarop vindt er een beoordeling van de werkplek plaats. Een oftalmologisch onderzoek wordt uitgevoerd als oogklachten of gezichtsstoornissen niet op een eenvoudige manier met optische correctiemiddelen te verhelpen zijn.
Het passend onderzoek aan ogen en gezichtsvermogen omvat minimaal een anamnese, een gezichtsscherpte- en een accommodatiemeting. In aan vulling daarop vindt er een beoordeling van de werkplek plaats. Een oftalmologisch onderzoek wordt uitgevoerd als oogklachten of gezichtsstoornissen niet op een eenvoudige manier met optische correctiemiddelen te verhelpen zijn.
### Paragraaf 6. Hoofdstuk 6 Fysische factoren
### Artikel 6.1
**1.** Er is sprake van een behaaglijk en gelijkmatig klimaat indien bij toepassing van de norm NEN-EN-ISO 7730:1996 "Gematigde thermische binnenomstandigheden. Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid", de PMV-waarde tussen 0,5 en + 0,5 ligt, of indien minder dan 10 % van de werknemers klachten over het klimaat kenbaar maakt. Een overschrijding van die grenzen gedurende 10% van de verblijfstijd is acceptabel.
**2.**
**1.**
Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een hoge omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, leiden de klimatologische omstandigheden met tot overschrijding van de referentiewaarden genoemd in:
a. bijlage A van de norm NEN-ISO 7243:1989 "Hete omgevingsomstandigheden Bepaling van de externe warmtebelasting van werkende mensen, gebaseerd op de WBGT-index (wet bulb globe temperature)", inclusief correctieblad C1:1996, en
b. bijlage C van de norm NEN-ISO 7933:1990 "Hete klimaatomstandigheden Analytische bepaling en interpretatie van de warmte-belasting met behulp van de berekening van de vereiste zweetproductie".
**3.** Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een lage omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, voldoet het klimaat aan de norm NVN-ISO/TR 11079:1996 "Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding", rekening houdend met de koude-beschermende kleding die de werknemer draagt.
**2.** Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een lage omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, voldoet het klimaat aan de norm NVN-ISO/TR 11079:1996 "Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding", rekening houdend met de koude-beschermende kleding die de werknemer draagt.
**4.** Bij overschrijding van de referentiewaarden in de bovengenoemde normen dient de werkgever de thermische belasting op de betreffende arbeidsplaats met behulp van passende maatregelen te verminderen, zo veel mogelijk in eerste aanleg bij de bron van de thermische belasting.
**3.** Bij overschrijding van de referentiewaarden in de bovengenoemde normen dient de werkgever de thermische belasting op de betreffende arbeidsplaats met behulp van passende maatregelen te verminderen, zo veel mogelijk in eerste aanleg bij de bron van de thermische belasting.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen.
@ -1683,23 +1573,7 @@ Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende de aanwezigheid v
### Artikel 6.4
**1.**
Aan het gestelde in artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan in ieder geval in redelijkheid niet worden voldaan, wanneer:
a. de aard van de werkzaamheden zich tegen toetreding van daglicht verzet, of
b. de functie van de ruimte zich tegen toetreding van daglicht verzet, of
c. de omvang van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen niet toelaat, of
d. de plaats van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen met toelaat.
**2.**
Bij de beoordeling of in redelijkheid met aan artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan worden voldaan, wordt mede in overweging genomen dat:
a. het belang van daglicht zwaarder weegt naar gelang er sprake is van plaatsgebonden arbeid die in geringe mate contacten met zich meebrengt,
b. het belang van daglicht in een ruimte minder zwaar weegt naar mate de in die ruimte gelegen werkplek door daglicht wordt verlicht.
**3.** Besloten ruimten, van elkaar gescheiden door wanden die voor meer dan de helft uit helder, doorzichtig materiaal bestaan, worden voor de toepassing van artikel 6.4, eerste of tweede lid, als een ruimte beschouwd.
Vervallen
### Artikel 6.7
@ -2007,6 +1881,37 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
Aan het gestelde in artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor freesgereedschap en ronde zaagbladen voor houtbewerking voldaan, indien deze voldoen aan de bepalingen van de norm NEN-EN 847-1:1997 "Gereedschap voor houtbewerking Veiligheidseisen. Deel 1: Freesgereedschap, ronde zaagbladen", inclusief correctieblad C1:1997.
### Artikel 7.3 -6
Een werkbak bedoeld in artikel 7.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoet aan artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
1. Voor werkbakken hangende aan een hijskraan:
a. Werkbakken worden nooit gebruikt bij windsnelheden boven 13,8 m/s (windkracht 6 Beaufort) noch bij windsnelheden die hoger zijn dan voor de hijskraan in normaal bedrijf toelaatbaar is.
b. De machinist verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang er een bemande werkbak in zijn hijskraan hangt.
c. De werkbak wordt uitsluitend met geringe snelheid en zonder schokken of stoten verplaatst.
d. In de werkbak bevinden zich niet meer personen en/of lasten dan waarvoor de werkbak bestemd is.
e. De personen in de werkbak dragen allen een valbeveiliging die aan de werkbak aangelijnd is.
f. Het betreden en verlaten van de werkbak geschiedt uitsluitend wanneer deze op een vaste ondergrond is afgezet.
2. Voor werkbakken bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck:
a. De werkbak wordt tijdens gebruik slechts met geringe snelheid en zonder haperen geheven.
b. De bestuurder verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang de bemande werkbak in geheven positie verkeert.
c. De veiligheidscoëfficient tegen kantelen van het hefwerktuig bedraagt tenminste 1,5 bij de meest ongunstige positie van de werkbak met volle belasting.
### Artikel 7.3 -7
Hijs- en hefwerktuigen, die in combinatie met een werkbak als bedoeld in artikel 7.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden gebruikt voldoen aan artikel 7.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
a. ten aanzien van hijskranen:
1°. Het bij het verplaatsen van de werkbak gebruikte hijswerk is uitgerust met zgn. automatische remmen, die niet kunnen worden uitgeschakeld. Dalen van de werkbak door middel van een vrije val is niet mogelijk.
2°. Kraanbaangebonden hijskranen zijn voorzien van meelopende, om de railkop grijpende railklauwen, die mogelijk kantelen van de kraan verhinderen.
b. ten aanzien van werkbakken bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck:
1°. Het hefwerktuig is voorzien van een inrichting, die alle bewegingsfuncties blokkeert, met uitzondering van de rijd- en de neigfunctie.
2°. De in het hefmechanisme van het hefwerktuig toegepaste kabels en kettingen zijn tenminste dubbel uitgevoerd.
### Artikel 7.4-1
**1.** Een hijskraan is een werktuig, ingericht en bestemd voor het hijsen en verplaatsen van vrijhangende lasten.
@ -2078,7 +1983,7 @@ d. fabrikaat Firma Adoif Sebald Maschinenbau, systeem "Sebald-Sicherheitsbugel z
### Artikel 7.4 -4
Ladders die bestemd zijn om door één persoon te worden belast, dienen tenminste te voldoen aan de Nederlandse norm NEN 2484:1989 "Draagbaar klimmaterieel Ladders en trappen. Termen, definities, eisen, beproevingsmethoden, gebruik en onderhoud", inclusief correctieblad C1:1990. Ladders die bestemd zijn om door meerdere personen gelijktijdig te worden gebruikt hebben een dienovereenkomstige veiligheid.
Ladders die gebruikt worden als toegangsmiddel of als arbeidsmiddel dienen tenminste te voldoen aan het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet).
### Artikel 7.4 -5
@ -2254,6 +2159,35 @@ f. Werkvloerplanken die tussen staanders eindigen, zijn stuik tegen elkaar geleg
**36.** De hiervoor beschreven "standaard" steigers zijn niet geschikt om hijswerktuigen op of aan te bevestigen. Bouwliften worden aan het bouwwerk zelf verankerd. Indien door omstandigheden een hijswerktuig op of aan een steiger is bevestigd, is deze daarop aangepast. Dit geldt ook voor ieder ander gebruik dat de steiger extra belast, zoals het toepassen van zeilen etc.
### Artikel 7.4 -6
Een werkbak bedoeld in artikel 7.18, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoet aan artikel 7.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
a. De werkbak is berekend en wordt voor de eerste ingebruikneming beproefd op 1,25 maal de maximaal toelaatbare werklast. Als gevolg van de beproeving doet zich geen blijvende vervorming voor. Van deze beproeving kan een schriftelijk bewijs worden overgelegd.
b. De werkbak heeft een gesloten constructie tot tenminste 1,0 m hoogte, of is voorzien van een leuning op 1,0 m hoogte, een voetstootlijst en een knieregel. De voetstootlijst van een werkbak bestemd voor gebruik met een hijskraan is 0,4 m hoog.
c. Voor iedere persoon, die in de werkbak aanwezig kan zijn, is binnen de binnenste begrenzing van de werkbak een stevige handgreep aangebracht op minimaal 1,0 m hoogte.
d. Bij hijskranen wordt de werkbak opgehangen aan een kraanhaak middels een viersprong, waarvan de spreidhoek tussen de overhoekse parten maximaal 60° bedraagt.
e. Het vloeroppervlak van de werkbak heeft een voldoende afmeting. Deze bedraagt voor een éénpersoonsbak inwendig minimaal 0,6 x 0,9 m, voor een tweepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,2 m en voor een driepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,8 m, of is zoveel groter als in de werkbak aanwezige materialen of gereedschappen noodzakelijk maken om eenzelfde netto oppervlak te verkrijgen.
f. In de werkbak bestemd voor het gebruik met een hijskraan is op alle plaatsen een vrije stahoogte van tenminste 2,0 m.
g. De constructie, inrichting en ophanging van de werkbak is zodanig, dat geen knelgevaar voor personen aanwezig is tussen de werkbak en het toegepaste hijsgereedschap. Bij hefwerktuigen zoals vorkheftrucks is de werkbak daartoe aan de zijde van het hefwerktuig over de hele breedte tot een hoogte van minimaal 1,75 m voorzien van een scherm, dat voldoet aan het gestelde in beleidsregel Arbobesluit 7.7.
h. Aan de buitenzijde zijn duidelijk en onuitwisbaar de toelaatbare werklast, de eigen massa en het toelaatbare aantal personen aangegeven.
i. De werkbak wordt afhankelijk van het gebruik, doch in ieder geval jaarlijks, onderzocht op goede staat en wordt zo nodig hersteld. Van een en ander wordt aantekening gehouden.
j. Werkbakken bevestigd op hefwerktuigen zoals vorkheftrucks zijn voorzien van een bedieningsorgaan (vrijgeef-knop), dat bij bediening de hef- en daalbeweging vrijgeeft.
k. De bevestiging van de werkbak op het hefwerktuig is geborgd.
### Artikel 7.5 -1
Een werkbak bedoeld in artikel 7.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoet aan artikel 7.5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
a. Steeds direct voorafgaand aan het gebruik worden gecontroleerd:
1°. de toestand en de goede werking van de hijskabel, de hijshaak en het toegepaste hijsgereedschap,
2°. de bevestiging van de hijskabel aan de trommel en aan de wartel c.q. de hijshaak,
3°. de soepele werking van de wartel en
4°. de bevestiging van de werkbak aan de hijshaak.
b. De controles worden gedocumenteerd en zijn op het werkterrein verifieerbaar.
c. De hijskabel wordt iedere drie maanden geïnspecteerd of zoveel vaker als noodzakelijk is om een veilig gebruik te waarborgen.
### Artikel 7.7
**1.**
@ -2319,7 +2253,7 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
### Artikel 7.17b
Aan het gestelde in artikel 7.I7b, tweede lid onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien mobiele arbeidsmiddelen met elektrische aandrijving zijn uitgerust met een inrichting die onafhankelijk van het bedieningsorgaan automatisch het stroomcircuit van de rijmotor onderbreekt wanneer de bestuurder het arbeidsmiddel verlaat. De inrichting mag werken met een vertraging van maximaal 3 seconden.
Vervallen
### Artikel 7.20
@ -2339,83 +2273,17 @@ a. De aanwezigheid van tenminste 0,5 m vrije afstand tussen de omtrek van het da
b. Een vaste scheidingswand die over de gehele schachthoogte is aangebracht, of
c. Een blokkeerschakelaar op het kooidak van de lift waaraan wordt gewerkt en waarmee de aangrenzende lift(en) buiten bedrijf kan (kunnen) worden gesteld.
### Artikel 7.22
### Artikel 7.23d
**1.** Onder incidentele werkzaamheden van korte duur als bedoeld in artikel 7.22, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden werkzaamheden verstaan, die jaarlijks hooguit enkele malen worden verricht en die per keer niet langer duren dan ongeveer vier uur.
**2.**
Toepassing van andere meer geëigende middelen om moeilijk bereikbare plaatsen te bereiken als bedoeld in artikel 7.22, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan redelijkerwijs niet worden verlangd indien het:
1. Toepassing van andere meer geëigende middelen om moeilijk bereikbare plaatsen te bereiken als bedoeld in artikel 7.23d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan redelijkerwijs niet worden verlangd indien het:
a. kortstondige werkzaamheden betreft waarvoor het aanbrengen en verwijderen van meer geëigende arbeidsmiddelen onevenredig hoge kosten zou veroorzaken, of
b. werkzaamheden betreft met een spoedeisend karakter waarbij het oponthoud benodigd voor het aanbrengen van meer geëigende arbeidsmiddelen grotere risico's zou veroorzaken, dan de risico's die aan het werken in een werkbak zijn verbonden.
2. Aan het gestelde in artikel 7.23d, zesde lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is voldaan indien tussen de kraanmachinist en de personen in de werkbak waar mogelijk steeds rechtstreeks visueel contact bestaat en er tussen hen altijd een onbelemmerde communicatie in stand wordt gehouden tijdens het verblijf in de werkbak. De kraanmachinist en de personen in de werkbak zijn hierover vooraf geïnstrueerd en zij hebben duidelijke afspraken gemaakt over de communicatie tijdens het verblijf in de werkbak. Vanuit de werkbak worden de aanwijzingen aan de kraanmachinist steeds door één en dezelfde persoon gegeven.
**3.**
### Artikel 7.22
Een werkbak is vervaardigd, ingericht, toegerust en bevestigd als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
a. De werkbak is berekend en wordt voor de eerste ingebruikneming beproefd op 1,25 maal de maximaal toelaatbare werklast. Als gevolg van de beproeving doet zich geen blijvende vervorming voor. Van deze beproeving kan een schriftelijk bewijs worden overgelegd.
b. De werkbak heeft een gesloten constructie tot tenminste 1,0 m hoogte, of de werkbak is voorzien van een leuning op 1,0 m hoogte, een voetstootlijst en een knieregel. De voetstootlijst van een werkbak bestemd voor gebruik met een hijskraan is 0,4 m hoog.
c. Voor iedere persoon, die in de werkbak aanwezig kan zijn, is binnen de binnenste begrenzing van de werkbak een stevige handgreep aangebracht op minimaal 1,0 m hoogte.
d. Bij hijskranen wordt de werkbak opgehangen aan een kraanhaak middels een viersprong, waarvan de spreidhoek tussen de overhoekse parten maximaal 60° bedraagt.
e. Het vloeroppervlak van de werkbak heeft een voldoende afmeting. Deze bedraagt voor een eénpersoonsbak inwendig minimaal 0,6 x 0,9 m, voor een tweepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,2 m en voor een driepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,8 m, of is zoveel groter als in de werkbak aanwezige materialen of gereedschappen noodzakelijk maken om eenzelfde netto oppervlak te verkrijgen.
f. In de werkbak bestemd voor gebruik met een hijskraan is op alle plaatsen een vrije stahoogte van tenminste 2,0 m.
g. De constructie, inrichting en ophanging van de werkbak is zodanig, dat geen knelgevaar voor personen aanwezig is tussen de werkbak en het toegepaste hijsgereedschap bij hefwerktuigen zoals vorkheftrucks is de werkbak daartoe aan de zijde van het hefwerktuig over de hele breedte tot een hoogte van minimaal 1,75 m voorzien van een scherm, dat voldoet aan het gestelde in beleidsregel Arbobesluit 7.7.
h. Aan de buitenzijde zijn duidelijk en onuitwisbaar de toelaatbare werklast, de eigen massa en het toelaatbare aantal personen aangegeven.
i. De werkbak wordt afhankelijk van het gebruik, doch in ieder geval jaarlijks, onderzocht op goede staat en wordt zo nodig hersteld. Van een en ander wordt aantekening gehouden.
j. Werkbakken bevestigd op hefwerktuigen zoals vorkheftrucks zijn voorzien van een bedieningsorgaan (vrijgeef-knop), dat bij bediening de hef- en daalbeweging vrijgeeft.
k. De bevestiging van de werkbak op het hefwerktuig is geborgd.
**4.**
Een werkbak verkeert in een goede staat van onderhoud als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
a. Steeds direct voorafgaand aan het gebruik worden gecontroleerd:
1°. de toestand en de goede werking van de hijskabel, de hijshaak en het toegepaste hijs-gereedschap,
2°. de bevestiging van de hijskabel aan de trommel en aan de wartel c.q. de hijshaak,
3°. de soepele werking van de wartel en
4°. de bevestiging van de werkbak aan de hijshaak.
b. De controles worden gedocumenteerd en zijn op het werkterrein verifieerbaar.
c. De hijskabel wordt iedere drie maanden geïnspecteerd of zoveel vaker als noodzakelijk is om een veilig gebruik te waarborgen.
**5.**
Een werkbak hangend aan een hijskraan wordt gebruikt als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen worden in acht genomen:
a. Met een mobiele hijskraan, waaraan een bemande werkbak is bevestigd, wordt niet gereden.
b. Met een op een kraanbaan rijdende hijskraan met bemande werkbak wordt alleen met kruipsnelheid (max 2,5 km/h) gereden.
c. Tussen de kraanmachinist en de personen in de werkbak bestaat waar mogelijk steeds rechtstreeks visueel contact en er wordt tussen hen altijd een onbelemmerde communicatie instandgehouden tijdens het verblijf in de werkbak. De kraanmachinist en de personen in de werkbak zijn hierover vooraf genstrueerd en zij hebben duidelijke afspraken gemaakt over de communicatie tijdens het verblijf in de werkbak. Vanuit de werkbak worden de aanwijzingen aan de kraanmachinist steeds door een en dezelfde persoon gegeven.
d. Werkbakken worden nooit gebruikt bij windsnelheden boven 13,8 m/s (windkracht 6 Beaufort) noch bij windsnelheden die hoger zijn dan voor de hijskraan in normaal bedrijf toelaatbaar is..
e. De machinist verlaat de hijskraan niet en verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang er een bemande werkbak in zijn hijskraan hangt
f. De werkbak wordt uitsluitend met geringe snelheid en zonder schokken of stoten verplaatst.
g. In de werkbak bevinden zich niet meer personen en/of lasten dan waarvoor de werkbak bestemd is.
h. De personen in de werkbak dragen allen een valbeveiliging die aan de werkbak aangelijnd is.
i. Het betreden en verlaten van de werkbak geschiedt uitsluitend wanneer deze op een vaste ondergrond is afgezet.
**6.**
Een werkbak bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck wordt gebruikt als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen worden in acht genomen:
a. De werkbak wordt tijdens gebruik slechts met geringe snelheid en zonder haperen geheven.
b. Met een werkbak die meer dan 0,2 m is geheven wordt bij het positioneren van de werkbak alleen met kruipsnelheid (maximaal 2,5 km/uur) gereden.
c. De totale massa van werkbak met inhoud bedraagt niet meer dan 50% van de maximaal toegestane belasting van het hefwerktuig in zijn meest ongunstige stand.
d. De bestuurder verlaat het hefwerktuig niet en verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang de bemande werkbak in geheven positie verkeert.
e. De veiligheidscoefficient tegen kantelen van het hefwerktuig bedraagt tenminste 1,5 bij de meest ongunstige positie van de werkbak met volle belasting.
**7.**
Hijs- en hefwerktuigen, die in combinatie met een werkbak worden gebruikt, zijn voldoende toegerust als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien naast de overigens voor deze werktuigen geldende wettelijke bepalingen de hierna vermelde bepalingen zijn in acht genomen:
a. ten aanzien van hijskranen:
1°. Het bij het verplaatsen van de werkbak gebruikte hijswerk is uitgerust met zgn automatische remmen, die niet kunnen worden uitgeschakeld. Dalen van de werkbak door middel van een vrije val is niet mogelijk.
2°. De belasting door de volbelaste werkbak van de hijskraan en het hijsgereedschap bedraagt niet méér dan één kwart (25%) van de toelaatbare bedrijfslast gerekend naar de hijs-tabel(len) van de kraan, respectievelijk van de toelaatbare werklast van het hijsgereedschap. In afwijking van de vorige volzin bedraagt van vast-opgestelde en van op permanente kraanbanen opgestelde hijskranen de belasting van de delen, die niet tot de kabel of het hijsgereedschap behoren, niet meer dan driekwart (75%) van de nominale belasting waarvoor deze delen zijn ontworpen.
3°. Kraanbaangebonden hijskranen zijn voorzien van meelopende, om de railkop grijpende railklauwen, die mogelijk kantelen van de kraan verhinderen.
b. ten aanzien van werkbakken bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck:
1°. Het hefwerktuig is voorzien van een inrichting, die alle bewegingsfuncties blokkeert, met uitzondering van de rijd- en de neigfunctie.
2°. De in het hefmechanisme van het hefwerktuig toegepaste kabels en kettingen zijn tenminste dubbel uitgevoerd.
Vervallen
### Artikel 7.34
@ -2431,7 +2299,7 @@ Onder een terzake deskundig persoon in de zin van artikel 7.34, eerste lid, van
### Artikel 8.2
Onverminderd het gestelde met betrekking tot de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere van toepassing zijnde beleidsregels wordt aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de betreffende leidraad uit de serie V/E/3, uitgebracht door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zoals opgenomen in de 'Gids persoonlijke beschermingsmiddelen' van het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) Delft 1999.
Onverminderd het gestelde met betrekking tot de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere van toepassing zijnde beleidsregels wordt aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de 'Gids persoonlijke beschermingsmiddelen' van het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) Delft 1999.
## Hoofdstuk 3. Beleidsregels arbeidsomstandighedenregeling
@ -2464,268 +2332,6 @@ Aan ergonomische eisen als bedoeld in artikel 5.1 van de Arbeidsomstandighedenre
## Bijlage 3
Het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie.
(artikel 5, lid 1, Arbowet 1998)
! Het onvoldoende toezien op de naleving van instructies en voorschriften bij werkzaamheden waaraan risico's voor werknemers zijn verbonden.
(artikel 8, lid 4, Arbowet 1998)
Het niet (onverwijld) melden van een ernstig ongeval.
(artikel 9, lid 1, Arbowet 1998)
Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers 2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 1.37, lid 1 Arbobesluit)
Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers om specifieke gevaren voor jeugdige werknemers te voorkomen.2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 1.37, lid 2 Arbobesluit)
Het aanvangen met werkzaamheden op een bouwplaats zonder schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie over de voorgenomen totstandbrenging van het bouwwerk.2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 2.26, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van bouwwerken zoals gedefinieerd in het Arbobesluit.
(artikel 2.27, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw.
(artikel 2.42, lid 2, Arbobesluit)
Het ontbreken van een systeem van werkvergunningen voor de uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere werkzaamheden ernstige risicos met zich mee kunnen brengen bij winningsindustrieën in dagbouw.
(artikel 2.42a, lid 1, Arbobesluit)
Het niet beschikbaar en gebruiksklaar houden van vluchtmiddelen zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.
(artikel 3.5f, onder f, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op het gebruik van het helikopterdek op een mijnbouwinstallatie.
(artikel 3.37l, lid 3, Arbobesluit)
Het ontbreken van communicatiesystemen op een bemande arbeidsplaats in de winningsindustrie met behulp van boringen.
(artikel 3.37r, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van verzamelpunten en het niet bijhouden van een monsterrol in de winningsindustrie met behulp van boringen.
(artikel 3.37s, lid 1, Arbobesluit)
Het bij een veilig verzamelpunt op een mijnbouwinstallatie ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd.
(artikel 3.37s, lid 5, Arbobesluit)
Het in de winningsindustrie met behulp van boringen ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood speciale taken hebben.
(artikel 3.37s, lid 6, Arbobesluit)
Het ontbreken van voldoende geschikte reddingsmiddelen op een mijnbouwinstallatie.
(artikel 3.37t, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat.2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 3.46, sub a, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van een hoogspanningsinstallatie.2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 3.46, sub b, Arbobesluit)
Na een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen, er niet voor gezorgd hebben dat werknemers uit de gevarenzone zijn verwijderd.
(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)
Het niet hebben voorkomen dat andere werknemers dan die welke herstelwerkzaamheden in een gevarenzone met verhoogd blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen moeten verrichten, deze zone betreden.
(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)
Het verrichten van onderzoek naar de veiligheid aan, op of in tankschepen door een persoon die niet beschikt over het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige.*
(artikel 4.7, lid 4, Arbobesluit)
Gebruik van springstoffen zonder dat hierop voortdurend toezicht plaatsvindt door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester.*
(artikel 4.8, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen door personen die niet in het bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester*
(artikel 4.8, lid 3, Arbobesluit)
Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op opbouw, installeren, monteren, assembleren, dan wel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.
(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)
Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op het bewerken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit
(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)
Het werken met asbest of asbesthoudende producten zonder dit tijdig en (volledig) schriftelijk te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.47c, lid 1, Arbobesluit)
Het niet opnieuw melden aan de Arbeidsinspectie, telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende producten.
(artikel 4.47c, lid 2, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.50 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden,
(artikel 4.50, lid 1, Arbobesluit)
Het niet treffen van doeltreffende maatregelen om blootstelling aan asbeststof te voorkomen als het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft.
(artikel 4.52, lid 3 Arbobesluit)
Het niet voor aanvang van de werkzaamheden volledig inventariseren van de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten, bij het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten of het verwijderen en opruimen van asbest of asbesthoudende producten.
(artikel 4.54a, lid 1 Arbobesluit)
Het niet op grond van de uitgevoerde inventarisatie, als bedoeld in artikel 4.54a, lid 1, bepalen van de daarbij behorende risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a Arbobesluit.
(artikel 4.54a, lid 2)
Het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit door een bedrijf dat niet in het bezit is van een certificaat voor asbestverwijdering.
(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)
Het door het bedrijf dat asbest verwijdert niet beschikken over een afschrift van een inventarisatierapport waarin de resultaten zijn neergelegd van de inventarisatie van de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten, voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest.
(artikel 4.54d, lid 3, Arbobesluit)
Het verrichten van de werkzaamheden bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit zonder voortdurend toezicht van (of niet door) een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest.*
(artikel 4.54d, lid 5, Arbobesluit)
Het bij een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest.
(artikel 4.54d, lid 6, Arbobesluit)
Het mede verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest.*
(artikel 4.54d, lid 7, Arbobesluit)1Artikel 4.54d, zevende lid, is volgens artikel 9.37b Arbobesluit tot 1 januari 2008 niet van toepassing en tot die datum dus ook niet beboetbaar.
Het niet begeleiden van de handelingen als bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest die betrekking hebben op werkzaamheden met asbesthoudende grond, door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.
(artikel 4.54d, lid 8, Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32a, lid 3 tot en met 6, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32a, lid 1, Arboregeling (lijmen en verven in binnensituaties), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32b, lid 2 tot en met 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32b, lid 1, Arboregeling (offset drukken), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32c, lid 2 en 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32c, lid 1, Arboregeling (zeefdrukken), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32d, lid 2, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32d, lid 1, Arboregeling (illustratiediepdrukken), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32e, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32e, lid 2, Arboregeling (verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32f, lid 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32f, lid 2, Arboregeling (herstellen van autoschade), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32g, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32g, lid 2, Arboregeling (coating timmerwerk in binnensituaties), niet is toegestaan.
(artikel 4.62b Arbobesluit)
Het voor de eerste maal werken met biologische agentia van de 2^e , 3^e of 4^e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 1, Arbobesluit)
Het werken met een nieuw biologisch agens van de 3^e of 4^e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 3, Arbobesluit)
Het werken met biologische agentia van de 2^e , 3^e of 4^e categorie na veranderingen in procédés of procedures met mogelijke gevolgen voor veiligheid en gezondheid, zonder dit opnieuw te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 5, Arbobesluit)
Het niet (tijdig en schriftelijk) hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie van een ongeval of incident dat (mogelijkerwijs) heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van de 3^e of 4^e categorie.
(artikel 4.95, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers ter voorkoming van specifieke gevaren bij het werken met gevaarlijke stoffen of gassen of artikelen die ontplofbare stoffen bevatten.2)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 1 januari 2002.
(artikel 4.106 Arbobesluit)
Het voor de aanvang van de arbeid uitvoeren van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een arts, die niet in het bezit is van een certificaat duikerarts.
(artikel 6.14a, lid 3, Arbobesluit)
Het optreden als duikploegleider zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikploegleider.
(artikel 6.16, lid 3, Arbobesluit)
Het duiken zonder in het bezit te zijn van het certificaat duikarbeid.*
(artikel 6.16, lid 6, Arbobesluit)
Het verrichten van duikarbeid zonder de aanwezigheid van een persoon die in het bezit is van een certificaat duikmedische begeleiding.*1)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 23 juli 2000.
(artikel 6.16, lid 7, Arbobesluit)
Het uitvoeren van duikarbeid:
(artikel 6.17, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van caissonarbeid zonder de Arbeidsinspectie daarvan (tijdig en schriftelijk) in kennis te stellen, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.
(artikel 6.19, lid 2, Arbobesluit)
Het werken met mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving, zonder dat de bedieners daartoe specifieke deskundigheid bezitten.
(artikel 7.17c, lid 1, Arbobesluit)
N.B. uitsluitend aan de orde indien criteria bestaan (en in projecten zijn aangegeven) wanneer en in welke situatie er sprake is van dit feit.
Het onvoldoende adequaat en specifiek opgeleid zijn van werknemers voor het werken aan lijnen.
(artikel 7.23c, lid 1, Arbobesluit)
Werknemers zijn niet op de hoogte van de reddingsprocedures voor het werken aan lijnen.
(artikel 7.23c, lid 1, Arbobesluit)
Het niet door een certificerende instelling laten onderzoeken en beproeven van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen aan boord van schepen, die gebruikt worden bij het laden en lossen.
(artikel 7.29, lid 7, Arbobesluit)
Het aan boord van een schip met aanwezig zijn of niet bijhouden van een register van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen.1)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 23 juli 2000.
(artikel 7.29, lid 10, Arbobesluit)
Het bedienen van een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als bedoeld in artikel 7.6 Arboregeling, door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van bekwaamheid.
(artikel 7.32, lid 1, Arbobesluit)
! Het onvoldoende er voor zorgen dat werknemers aan hen beschikbaar gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen (juist) gebruiken, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betreffende werknemers.
(artikel 8.3, lid 2, Arbobesluit)
Het op de openbare weg besturen van een trekker en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen door een jeugdige werknemer die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid.1)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 23 juli 2000.
(artikel 9.36, lid 1, Arbobesluit)
Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, Arboregeling.
(artikel 3.11, lid 2, Arboregeling)
Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7 Arboregeling.
(artikel 3.12, lid 1, Arboregeling)
## Bijlage 4
## Bijlage 5
@ -2736,7 +2342,7 @@ NB In de berekening van bovenstaande grenswaarden is een extra correctiefactor v
## Bijlage 6
**behorend bij beleidsregel 4.2 -1 Arbobesluit**
Vervallen
## Bijlage 7
@ -2748,8 +2354,6 @@ NB In de berekening van bovenstaande grenswaarden is een extra correctiefactor v
## Bijlage 11
**behorend bij beleidsregel 4.9-5 Arbobesluit**
## Bijlage 12
## Bijlage 13