2004-02-13 | BWBR0007625 | Wet educatie en beroepsonderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2004-02-13 12:00:00 +00:00
parent f79bcf2368
commit 6e7a187dc1

View file

@ -18,7 +18,7 @@ citeertitel: Wet educatie en beroepsonderwijs
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1, tenzij anders blijkt;
c. openbare instelling: een instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
d. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek;
@ -48,12 +48,12 @@ w. bevoegd gezag:
4. wat een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
5. wat een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan dat centrum uitgaat;
x. waarborgfonds: het fonds, bedoeld in artikel 2.8.1;
y. personeel:
a. de benoemde docenten, en overig personeel dat is benoemd aan de instelling, het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of het landelijk orgaan;
b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of het landelijk orgaan, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 3.1.2, 3.2.1, 3.3.1, 4.1.1, 4.1.2 tot en met 4.1.6, 4.3.1 tot en met 4.3.5, en de toepassing daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
y. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank;
z. persoonsgebonden nummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel het door de Informatie Beheer Groep uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid.
z. persoonsgebonden nummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel het door de Informatie Beheer Groep uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid;
aa. personeel:
1. de benoemde docenten, en overig personeel dat is benoemd aan de instelling, het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of het landelijk orgaan;
2. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of het landelijk orgaan, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 3.1.2, 3.2.1, 3.3.1, 4.1.1, 4.1.2 tot en met 4.1.6, 4.3.1 tot en met 4.3.5, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen.
### Artikel 1.1.2
@ -445,7 +445,7 @@ Vervallen
**1.** Onze Minister verstrekt ten behoeve van de educatie jaarlijks aan de gemeenten een rijksbijdrage. De bijdrage wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, berekend aan de hand van voor elke gemeente gelijkelijk geldende maatstaven, neergelegd in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. De maatstaven hebben in elk geval betrekking op het aantal volwassen inwoners van de desbetreffende gemeenten, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en de etnische achtergrond van die inwoners.
**2.** Onze Minister verstrekt, na overleg met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken, aan de gemeenten jaarlijks een rijksbijdrage ten behoeve van de educatie, voor zover het betreft de educatieve programma's, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers. De bijdrage wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever vastgestelde middelen, berekend op grond van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. De rijksbijdrage kan mede worden aangewend voor in artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers bedoelde doeleinden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de rijksbijdrage. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op voorwaarden, te verbinden aan de verstrekking van de rijksbijdrage en aan de in de derde volzin bedoelde aanwending, tussentijdse wijziging van de rijksbijdrage, verantwoording van de besteding van de rijksbijdrage en bestemming van niet bestede middelen. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan mede worden aangewend ten behoeve van educatieve programma's als bedoeld in de eerste volzin.
**2.** Onze Minister verstrekt, na overleg met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan de gemeenten jaarlijks een rijksbijdrage ten behoeve van de educatie, voor zover het betreft de educatieve programma's, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers. De bijdrage wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever vastgestelde middelen, berekend op grond van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. De rijksbijdrage kan mede worden aangewend voor in artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers bedoelde doeleinden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de rijksbijdrage. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op voorwaarden, te verbinden aan de verstrekking van de rijksbijdrage en aan de in de derde volzin bedoelde aanwending, tussentijdse wijziging van de rijksbijdrage, verantwoording van de besteding van de rijksbijdrage en bestemming van niet bestede middelen. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan mede worden aangewend ten behoeve van educatieve programma's als bedoeld in de eerste volzin.
**3.** Voor zover het de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs betreft, wordt aan de instellingen een rijksbijdrage verstrekt door Onze Minister. Deze rijksbijdrage wordt berekend hetzij op grond van voor elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven, neergelegd in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze, hetzij op grond van een andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. Artikel 2.2.1, vierde lid, is van toepassing.
@ -494,7 +494,7 @@ Vervallen
**4.** De in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan 12 maanden na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin zij is geplaatst.
**5.** Voor zover het educatieve programma's als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers betreft, worden de in het eerste lid bedoelde gegevens mede verstrekt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het door deze te voeren beleid met betrekking tot inburgering van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving en wordt de in dat lid bedoelde medewerking mede verleend aan door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken uit te voeren onderzoek met betrekking tot die inburgering dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
**5.** Voor zover het educatieve programma's als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers betreft, worden de in het eerste lid bedoelde gegevens mede verstrekt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van het door deze te voeren beleid met betrekking tot inburgering van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving en wordt de in dat lid bedoelde medewerking mede verleend aan door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit te voeren onderzoek met betrekking tot die inburgering dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
### Artikel 2.3.6a
@ -758,15 +758,15 @@ Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat ee
### Artikel 3.1.1
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij plegen geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.4.1, 1.4a.1 en 1.6.1, van de landelijke organen en van de gemeentebesturen, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs, waaronder mede wordt verstaan het informatieverkeer met Onze Minister. Het gezamenlijk overleg wordt aangeduid als EB-kamer.
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit plegen geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.4.1, 1.4a.1 en 1.6.1, van de landelijke organen en van de gemeentebesturen, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs, waaronder mede wordt verstaan het informatieverkeer met Onze Minister. Het gezamenlijk overleg wordt aangeduid als EB-kamer.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de agrarische opleidingscentra, het landelijk orgaan werkzaam op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving en de agrarische innovatie- en praktijkcentra, over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover die aangelegenheden niet behoren tot de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs. Dit overleg wordt aangeduid als AB-kamer.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de agrarische opleidingscentra, het landelijk orgaan werkzaam op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving en de agrarische innovatie- en praktijkcentra, over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover die aangelegenheden niet behoren tot de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs. Dit overleg wordt aangeduid als AB-kamer.
**3.**
Het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg heeft onder meer betrekking op:
a. de wijze van de verslaglegging, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, en bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid, onderdeel *c*;
a. de wijze van de verslaglegging, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, en bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid, onderdeel c;
b. de wijze waarop het aantal behaalde diploma's, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, als maatstaf wordt betrokken in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid;
c. de voorgenomen toepassing van artikel 2.3.6, tweede en derde lid, en 2.5.5, tweede en derde lid;
d. de voorgenomen toepassing van artikel 8.1.5.