2021-03-09 | BWBR0016602 | Syllabus vrijstelling, verrekening, verliescompensatie internationaal belastingrecht
This commit is contained in:
parent
b9937c7ddf
commit
6f245ed66f
1 changed files with 18 additions and 18 deletions
|
|
@ -15,7 +15,7 @@ citeertitel: Syllabus vrijstelling, verrekening, verliescompensatie internationa
|
|||
|
||||
1. Zoals is aangegeven in het Besluit van 2 april 2002, nr. IFZ2002/206M, wordt binnen de Belastingdienst bij de berekening van verminderingen van vennootschapsbelasting ter voorkoming van internationale dubbele belasting het computerprogramma VVV-IBR (Vrijstelling, Verrekening, Verliescompensatie Internationaal Belastingrecht) gebruikt. In februari 2003 is een nieuwe versie (versie 3.11) uitgebracht waarin ten opzichte van de voorgaande versie slechts kleine wijzigingen zijn aangebracht (de wijzigingen in het computerprogramma hebben betrekking op de invoering van de euro, nieuwe verdragen, wijzigingen in tarieven etc.).
|
||||
|
||||
2. Zoals ook in het onder punt 1 genoemde Besluit van 2 april 2002 is aangegeven, hoort bij het computerprogramma een syllabus VVV-IBR waarin wordt ingegaan op de berekening van de verminderingen vennootschapsbelasting ter voorkoming van internationale dubbele belasting. Hoewel in het computerprogramma slechts kleine aanpassingen zijn opgenomen, is besloten om de syllabus verdergaand te stroomlijnen en de terminologie in overeenstemming te brengen met de terminologie die voortvloeit uit de Belastingherziening 2001 en het daarmee samenhangende Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Hierbij is in de syllabus uitgegaan van de van kracht zijnde wetgeving op 1 januari 2002. Tevens is enige nieuwe jurisprudentie verwerkt.
|
||||
2. Zoals ook in het onder punt 1 genoemde Besluit van 2 april 2002 is aangegeven, hoort bij het computerprogramma een syllabus VVV-IBR waarin wordt ingegaan op de berekening van de verminderingen vennootschapsbelasting ter voorkoming van internationale dubbele belasting. Hoewel in het computerprogramma slechts kleine aanpassingen zijn opgenomen, is besloten om de syllabus verdergaand te stroomlijnen en de terminologie in overeenstemming te brengen met de terminologie die voortvloeit uit de Belastingherziening 2001 en het daarmee samenhangende Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Hierbij is in de syllabus uitgegaan van de van kracht zijnde wetgeving op 1 januari 2002. Tevens is enige nieuwe jurisprudentie verwerkt.
|
||||
|
||||
3. De in de syllabus beschreven oplossingen en standpunten maken deel uit van mijn beleid op het punt van de voorkomingstechniek. Met de actualisering van de syllabus verliest de eerder bij het Besluit van 2 april 2002, nr. IFZ2002/206M uitgebrachte syllabus voor de (boek)jaren na 2001 zijn belang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -27,7 +27,7 @@ citeertitel: Syllabus vrijstelling, verrekening, verliescompensatie internationa
|
|||
|
||||
Bij de berekening van verminderingen ter voorkoming van internationale dubbele belasting voor de vennootschapsbelasting gebruikt de Belastingdienst het computerprogramma VVV-IBR (Vrijstelling, Verrekening, Verliescompensatie, Internationaal Belastingrecht). Voor een juist gebruik van dit computerprogramma is inzicht vereist in de verschillende onderdelen van de berekeningswijze van deze verminderingen. Deze syllabus heeft als doel dit inzicht te verschaffen.
|
||||
|
||||
De syllabus wordt sinds het Besluit van 27 mei 1997, nr. IFZ97/520U ook ter beschikking gesteld aan belangstellenden buiten de Belastingdienst. Bij Besluit van 2 april 2002, nr. IFZ2002/206M werd een geactualiseerde versie van de syllabus naar de stand van de van kracht zijnde wet- en regelgeving per 1 januari 1999 uitgebracht. Deze syllabus is ook voor de jaren 1999 en 2000 actueel gebleven, omdat tot 1 januari 2001 geen (wets-)wijzigingen hebben plaatsgehad die betrekking hebben op de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting.
|
||||
De syllabus wordt sinds het Besluit van 27 mei 1997, nr. IFZ97/520U ook ter beschikking gesteld aan belangstellenden buiten de Belastingdienst. Bij Besluit van 2 april 2002, nr. IFZ2002/206M werd een geactualiseerde versie van de syllabus naar de stand van de van kracht zijnde wet- en regelgeving per 1 januari 1999 uitgebracht. Deze syllabus is ook voor de jaren 1999 en 2000 actueel gebleven, omdat tot 1 januari 2001 geen (wets-)wijzigingen hebben plaatsgehad die betrekking hebben op de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting.
|
||||
|
||||
Met de belastingherziening 2001 is de Nederlandse belastingwetgeving zodanig gewijzigd dat de syllabus opnieuw is aangepast. Dit keer naar de stand van de van kracht zijnde wetgeving per 1 januari 2002. De syllabus houdt onder andere rekening met de inwerkingtreding van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 als gevolg waarvan met name artikelverwijzingen en terminologie zijn aangepast. Ook houdt de syllabus rekening met het arrest Saint Gobain en het hiermee verband houdende Besluit van 21 januari 2004, nr. IFZ2003/558M. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de invoering van art. 8c Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat handelt over dienstverleningslichamen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -210,7 +210,7 @@ De teller (buitenlandse winst) gedeeld door de noemer (wereldwinst) wordt wel vr
|
|||
|
||||
#### 2.1.2. Afzonderlijke methode
|
||||
|
||||
Onder het Bvdb 2001 wordt de vrijstelling per Mogendheid berekend (vanaf 1 januari 1995). Dit kan geconcludeerd worden uit de tekst van de artt. 34 en 35 waar gesproken wordt over de buitenlandse winst per Mogendheid. Onder verdragen en de BRK is ook de afzonderlijke methode van toepassing.
|
||||
Onder het Bvdb 2001 wordt de vrijstelling per Mogendheid berekend (vanaf 1 januari 1995). Dit kan geconcludeerd worden uit de tekst van de artt. 34 en 35 waar gesproken wordt over de buitenlandse winst per Mogendheid. Onder verdragen en de BRK is ook de afzonderlijke methode van toepassing.
|
||||
|
||||
### 2.2. De teller van de vrijstellingsbreuk (buitenlandse winst)
|
||||
|
||||
|
|
@ -261,7 +261,7 @@ c. werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt.’
|
|||
|
||||
Art. 24, lid 1, BRK bepaalt:
|
||||
|
||||
‘1. Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land – anders dan uitsluitend ingevolge art. 11, tweede en derde lid, art. 12, tweede lid, en art. 13, tweede lid – mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Art. 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.’
|
||||
‘1. Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land – anders dan uitsluitend ingevolge art. 11, tweede en derde lid, art. 12, tweede lid, en art. 13, tweede lid – mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Art. 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.’
|
||||
|
||||
Dit artikel spreekt dus van een teller bestaande uit het totaal van de bestanddelen, welke in de Nederlandse Antillen of Aruba mogen worden belast. Dit totaal van bestanddelen is een netto bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -320,7 +320,7 @@ In art. 33, lid 4 Bvdb 2001 is de noemer als volgt gedefinieerd:
|
|||
|
||||
‘Onder noemerwinst wordt verstaan: de winst verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk IV van die wet – te verrekenen negatieve winst uit andere jaren.’
|
||||
|
||||
Voor het Bvdb 2001 bestaat de noemer dus uit de winst (verminderd met negatieve winst) in de zin van art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969. Omdat gekozen is voor ‘winst’ in plaats van ‘belastbare winst’ (winst minus giften) in de zin van art. 7, lid 2 Wet Vpb 1969 komen giften niet in mindering op de noemerwinst.
|
||||
Voor het Bvdb 2001 bestaat de noemer dus uit de winst (verminderd met negatieve winst) in de zin van art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969. Omdat gekozen is voor ‘winst’ in plaats van ‘belastbare winst’ (winst minus giften) in de zin van art. 7, lid 2 Wet Vpb 1969 komen giften niet in mindering op de noemerwinst.
|
||||
|
||||
#### 2.3.3. de noemer van de vrijstellingsbreuk in de brk
|
||||
|
||||
|
|
@ -342,7 +342,7 @@ Deze verdragen bevatten in het protocol nog de volgende bepaling:
|
|||
|
||||
‘Onder grondslag (…) wordt verstaan (…) de winst in de zin van de Nederlandse wet (…) op de vennootschapsbelasting.’
|
||||
|
||||
De noemer van de vrijstellingsbreuk wordt hier gedefinieerd als winst (ex art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969). Het verticaal verrekenbare verlies maakt dus geen deel uit van de noemer. In zijn mededeling van 15 maart 1989 keurt de staatssecretaris echter goed dat ook indien dit niet uit de verdragstekst voortvloeit de noemer verminderd mag worden met negatieve winst uit andere jaren. Dit betekent een verkleining van de noemer en dus een vergroting van de vrijstelling, hetgeen gunstig is voor belastingplichtige.
|
||||
De noemer van de vrijstellingsbreuk wordt hier gedefinieerd als winst (ex art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969). Het verticaal verrekenbare verlies maakt dus geen deel uit van de noemer. In zijn mededeling van 15 maart 1989 keurt de staatssecretaris echter goed dat ook indien dit niet uit de verdragstekst voortvloeit de noemer verminderd mag worden met negatieve winst uit andere jaren. Dit betekent een verkleining van de noemer en dus een vergroting van de vrijstelling, hetgeen gunstig is voor belastingplichtige.
|
||||
|
||||
De goedkeuring geldt alleen indien de verdragen een inhaalregeling bevatten. Anders zou immers het evenwicht verbreken tussen enerzijds het in de Nederlandse grondslag in aanmerking nemen van buitenlandse verliezen en anderzijds het in mindering brengen van dergelijke verliezen op de noemer.
|
||||
|
||||
|
|
@ -358,17 +358,17 @@ In het verdrag met Duitsland definieert art. 20, lid 3 de noemer als:
|
|||
|
||||
‘alle inkomensbestanddelen’.
|
||||
|
||||
In navolging van BNB 1968/170 besliste de Hoge Raad in BNB 1992/223 voor de toepassing van de Wet IB 1964 dat onder ‘alle inkomensbestanddelen’ het onzuiver inkomen moet worden verstaan. Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer dus uit de winst (ex art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969). Ook hier geldt dat een beroep gedaan kan worden op de goedkeurende regeling van 15 maart 1989 (Infobulletin 1989/265), zodat de noemer verminderd mag worden met negatieve winst uit andere jaren.
|
||||
In navolging van BNB 1968/170 besliste de Hoge Raad in BNB 1992/223 voor de toepassing van de Wet IB 1964 dat onder ‘alle inkomensbestanddelen’ het onzuiver inkomen moet worden verstaan. Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer dus uit de winst (ex art. 7, lid 3 Wet Vpb 1969). Ook hier geldt dat een beroep gedaan kan worden op de goedkeurende regeling van 15 maart 1989 (Infobulletin 1989/265), zodat de noemer verminderd mag worden met negatieve winst uit andere jaren.
|
||||
|
||||
In het verdrag met Zwitserland definieert het derde lid van de Ad artt. 2 tot 8 van het slotprotocol de noemer als:
|
||||
|
||||
‘het gehele inkomen’.
|
||||
|
||||
Voor het verdrag met Zwitserland heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 november 2002, nr. 37.076 (BNB 2003/48) beslist dat onder het gehele inkomen moet worden verstaan het belastbare inkomen. Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer daarom uit het belastbare bedrag. Dus inclusief giften en te verrekenen verliezen.
|
||||
Voor het verdrag met Zwitserland heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 november 2002, nr. 37.076 (BNB 2003/48) beslist dat onder het gehele inkomen moet worden verstaan het belastbare inkomen. Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer daarom uit het belastbare bedrag. Dus inclusief giften en te verrekenen verliezen.
|
||||
|
||||
#### 2.3.5. samenvatting (noemer)
|
||||
|
||||
Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer van de vrijstellingsbreuk uit: de winst (in de zin van art. 7, lid 3 jo art. 8 Wet Vpb 1969) verminderd met de te verrekenen verliezen, voor zover die verliezen bestaan uit negatieve winst. Giften komen niet in mindering op de noemer.
|
||||
Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer van de vrijstellingsbreuk uit: de winst (in de zin van art. 7, lid 3 jo art. 8 Wet Vpb 1969) verminderd met de te verrekenen verliezen, voor zover die verliezen bestaan uit negatieve winst. Giften komen niet in mindering op de noemer.
|
||||
|
||||
Op deze regel bestaan twee uitzonderingen. Voor zowel de BRK als het verdrag met Zwitserland geldt dat de noemer bestaat uit het belastbare bedrag. Dus inclusief giften en te verrekenen verliezen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -644,7 +644,7 @@ De verdragen van vóór 1980 m.u.v. het verdrag met Thailand hebben een zelfstan
|
|||
|
||||
‘het bedrag van de Nederlandse belasting dat tot het (...) berekende belastingbedrag (d.w.z. over het gehele inkomen) in dezelfde verhouding staat, als het bedrag van genoemde bestanddelen van het inkomen staat tot het bedrag van het gehele inkomen (...).’
|
||||
|
||||
Ook het verdrag met Zwitserland (1951) kent een zelfstandige bepaling inzake de tweede limiet (Ad art. 9, lid 8). Deze luidt:
|
||||
Ook het verdrag met Zwitserland (1951) kent een zelfstandige bepaling inzake de tweede limiet (Ad art. 9, lid 8). Deze luidt:
|
||||
|
||||
‘(…) tot ten hoogste het bedrag van de eraan [aan de uit Zwitserland afkomstige inkomsten uit roerend kapitaal] toe te rekenen belasting (…).’
|
||||
|
||||
|
|
@ -694,7 +694,7 @@ Hierna wordt de noemer besproken in het Bvdb 2001, de BRK en de verdragen.
|
|||
|
||||
#### 3.5.1. de noemer in het bvdb 2001
|
||||
|
||||
De noemer wordt gevormd door de zogenoemde ‘noemerwinst’ (art. 36, lid 2, letter b). In art. 36, lid 5 jo art. 33, lid 4 Bvdb 2001 wordt de noemerwinst gedefinieerd als:
|
||||
De noemer wordt gevormd door de zogenoemde ‘noemerwinst’ (art. 36, lid 2, letter b). In art. 36, lid 5 jo art. 33, lid 4 Bvdb 2001 wordt de noemerwinst gedefinieerd als:
|
||||
|
||||
‘de winst verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk IV van [de Wet Vpb 1969] – te verrekenen negatieve winst uit andere jaren.’
|
||||
|
||||
|
|
@ -865,7 +865,7 @@ c. Het bedrag van de in onderdeel a bedoelde belasting dat in een jaar niet tot
|
|||
|
||||
#### 3.9.1. algemeen
|
||||
|
||||
Op de hoofdregel dat slechts binnenlands belastingplichtigen aanspraak maken op verrekening van buitenlandse bronbelasting maakt het Besluit van 21 januari 2004, nr. IFZ2003/558M een uitzondering. De staatssecretaris keurt voor een aantal gevallen goed dat ook buitenlands belastingplichtigen die in Nederland een onderneming drijven door middel van een vaste inrichting bronbelasting mogen verrekenen. De in het buitenland geheven belasting over aan deze vaste inrichting toerekenbare belastbare dividenden, interest of royalty’s kunnen zij dan verrekenen met de hierover verschuldigde Nederlandse belasting.
|
||||
Op de hoofdregel dat slechts binnenlands belastingplichtigen aanspraak maken op verrekening van buitenlandse bronbelasting maakt het Besluit van 21 januari 2004, nr. IFZ2003/558M een uitzondering. De staatssecretaris keurt voor een aantal gevallen goed dat ook buitenlands belastingplichtigen die in Nederland een onderneming drijven door middel van een vaste inrichting bronbelasting mogen verrekenen. De in het buitenland geheven belasting over aan deze vaste inrichting toerekenbare belastbare dividenden, interest of royalty’s kunnen zij dan verrekenen met de hierover verschuldigde Nederlandse belasting.
|
||||
|
||||
Deze goedkeuring houdt verband met het arrest Saint Gobain en HR 8 februari 2002, nr. 36.155 (BNB 2002/184).
|
||||
|
||||
|
|
@ -910,7 +910,7 @@ Is geen belastingverdrag overeengekomen tussen het land van vestiging van de bui
|
|||
|
||||
In hoofdstuk 1 is kort aangegeven welke methoden ter voorkoming van dubbele belasting Nederland toepast. In hoofdstuk 2 is ingegaan op de methode van belastingvrijstelling en in hoofdstuk 3 op de methode van verrekening van buitenlandse (bron)belasting op dividenden, interest en royalty’s. In dit hoofdstuk komt aan de orde de verrekening van buitenlandse belasting over passieve winst uit buitenlandse onderneming.
|
||||
|
||||
Voor winsten die worden behaald met een buitenlandse onderneming waarvan de activiteiten grotendeels bestaan uit het beleggen of uit niet-actieve financieringswerkzaamheden als bedoeld in art. 13, lid 2, derde volzin, van de Wet Vpb 1969 (hierna: passieve winst uit buitenlandse onderneming) wordt volgens sommige verdragen en het Bvdb 2001 geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode verleend. In plaats daarvan is een verrekeningsmethode van toepassing. Dit geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 1999.
|
||||
Voor winsten die worden behaald met een buitenlandse onderneming waarvan de activiteiten grotendeels bestaan uit het beleggen of uit niet-actieve financieringswerkzaamheden als bedoeld in art. 13, lid 2, derde volzin, van de Wet Vpb 1969 (hierna: passieve winst uit buitenlandse onderneming) wordt volgens sommige verdragen en het Bvdb 2001 geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode verleend. In plaats daarvan is een verrekeningsmethode van toepassing. Dit geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 1999.
|
||||
|
||||
Bij de beantwoording van de vraag of al of niet sprake is van grotendeels niet-actieve financieringswerkzaamheden zullen de criteria die op dit punt zijn geformuleerd voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op overeenkomstige wijze worden toegepast. Deze criteria zijn voor de toepassing van de vennootschapsbelasting neergelegd in art. 2a en 2b van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 en gelden op overeenkomstige wijze voor de toepassing van het Bvdb 2001.
|
||||
|
||||
|
|
@ -988,7 +988,7 @@ Hieronder wordt onder meer besproken of het onverrekende deel van de buitenlands
|
|||
|
||||
Op grond van art. 40 Bvdb 2001 kan het onverrekend gebleven deel van de buitenlandse belasting – hetzij forfaitair berekend, hetzij feitelijk geheven – worden overgebracht naar het volgende jaar. Het overgebrachte bedrag wordt geacht te zijn geheven door de andere Mogendheden in het daaropvolgende jaar (mits het bij beschikking is vastgesteld).
|
||||
|
||||
Deze regeling voor voortwenteling komt in grote lijnen overeen met de regeling van art. 37. Het op de voet van de onderhavige regeling naar een volgend jaar over te brengen bedrag wordt opgeteld bij het in dat jaar op de voet van art. 39, lid 2, onderdeel a, forfaitair te bepalen bedrag of, indien van de mogelijkheid van het derde lid gebruik wordt gemaakt, bij de in dat jaar feitelijk geheven buitenlandse belasting. Het overgebrachte bedrag bepaalt dan ook mede de hoogte van de eerste limiet van dat jaar. Voor deze overbrenging is vereist dat het naar een volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur op de voet van art. 44, lid 2, is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De toepassing van de onderhavige doorschuifregeling is in de tijd onbeperkt, net zoals de regeling van art. 37.
|
||||
Deze regeling voor voortwenteling komt in grote lijnen overeen met de regeling van art. 37. Het op de voet van de onderhavige regeling naar een volgend jaar over te brengen bedrag wordt opgeteld bij het in dat jaar op de voet van art. 39, lid 2, onderdeel a, forfaitair te bepalen bedrag of, indien van de mogelijkheid van het derde lid gebruik wordt gemaakt, bij de in dat jaar feitelijk geheven buitenlandse belasting. Het overgebrachte bedrag bepaalt dan ook mede de hoogte van de eerste limiet van dat jaar. Voor deze overbrenging is vereist dat het naar een volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur op de voet van art. 44, lid 2, is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De toepassing van de onderhavige doorschuifregeling is in de tijd onbeperkt, net zoals de regeling van art. 37.
|
||||
|
||||
De tweede limiet ondervindt van dit overbrengen geen invloed. De teller van de verrekeningsbreuk wordt dus niet, zoals bij de vrijstellingsmethode, verhoogd met dat deel van het winstbestanddeel waarvoor nog geen belastingvermindering is verleend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1034,7 +1034,7 @@ Het verschil tussen de vermindering van 20,5 op basis van het derde lid en van 1
|
|||
|
||||
#### 4.5.4. Voortwenteling in de verdragen
|
||||
|
||||
In de verdragen (stand in werking getreden per 1 januari 2002) is niet voorzien in een regeling voor de voortwenteling of inhaal van belasting wegens passieve winst uit een buitenlandse onderneming. In het geval van Zwitserland is, door de toepassing van het Besluit van 24 december 1997, nr. IFZ97/1491M, voortwenteling en inhaal wel mogelijk.
|
||||
In de verdragen (stand in werking getreden per 1 januari 2002) is niet voorzien in een regeling voor de voortwenteling of inhaal van belasting wegens passieve winst uit een buitenlandse onderneming. In het geval van Zwitserland is, door de toepassing van het Besluit van 24 december 1997, nr. IFZ97/1491M, voortwenteling en inhaal wel mogelijk.
|
||||
|
||||
### 4.6. Verrekening: per land afzonderlijk of voor alle landen gezamenlijk?
|
||||
|
||||
|
|
@ -1052,7 +1052,7 @@ Voor deze situatie is een regeling getroffen die als uitgangspunt heeft dat de w
|
|||
|
||||
Bij de overgangsproblematiek kan ook worden gedacht aan de omgekeerde situatie waarbij in een jaar sprake is van een negatief bedrag aan passieve winst uit buitenlandse onderneming terwijl naar dat jaar buitenlands onzuiver inkomen is overgebracht waarvoor nog recht bestaat op een vermindering op basis van de vrijstellingsmethode. De systematiek van het Bvdb 1989, waarbij een naar een volgend jaar overgebracht bedrag aan buitenlands onzuiver inkomen uit een Mogendheid deel uit maakt van het buitenlands onzuiver inkomen uit die Mogendheid van dat volgende jaar, brengt met zich mee dat de wijziging van art. 10 Bvdb 1989 in beginsel geen afbreuk doet aan de toepassing van de vrijstellingsmethode op dit overgebrachte inkomen. Hiervoor is dan ook geen expliciete bepaling nodig. Ook indien in het jaar waarnaar wordt overgebracht sprake is van een negatief gezamenlijk bedrag aan (passieve) winst uit buitenlandse onderneming waarop de verrekeningsmethode van toepassing kan zijn, wordt de berekening van de vermindering voor het overgebrachte buitenlands onzuiver inkomen niet beperkt door het genoten negatieve gezamenlijke bedrag.
|
||||
|
||||
In het Wijzigingsbesluit van 23 december 1994 is een overgangsregeling getroffen met betrekking tot de overgang van de gezamenlijke naar de afzonderlijke methode bij de toepassing van de vrijstellingsmethode. De bedragen die op de voet van deze overgangsregeling zijn vastgesteld, maken niet (zonder meer) deel uit van het buitenlands onzuiver inkomen van een Mogendheid. In verband hiermee is in art. ll, lid 2, van het Besluit van 5 juli 1997 een delegatiebepaling opgenomen, die het mogelijk maakt op dit punt nadere regels te stellen. Van deze bevoegdheid is nog geen gebruik gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat negatieve bedragen aan buitenlandse winst uit de jaren tot en met 1994 geen invloed hebben op de verrekening wegens passieve buitenlandse winsten in de jaren 1999 en later. Een uitzondering hierop wordt gevormd door belastingplichtigen, die in het kader van de overgangsregeling uit het Wijzigingsbesluit van 23 december 1994, hebben gekozen voor de alternatieve overgangsregeling. Negatieve bedragen aan buitenlands onzuiver inkomen afkomstig uit Mogendheden waarvoor tot die tijd de afzonderlijke methode werd toegepast kunnen, doordat geen saldering heeft plaatsgevonden, wel op de voet van art. 3, lid 4, van het Bvdb 1989 in aanmerking worden genomen in de jaren 1999 en later. Dit betekent dat op de in 1999 en latere jaren uit een Mogendheid te genieten winst uit buitenlandse onderneming, indien deze winst kan worden aangemerkt als passieve winst uit buitenlandse onderneming, ook een overgebracht negatief bedrag uit de jaren tot en met 1994 in mindering wordt gebracht op de voet van art. 3, lid 4, van het Bvdb 2001, alvorens voor het eventuele restant van de passieve winst uit buitenlandse onderneming een verrekening wordt verleend.
|
||||
In het Wijzigingsbesluit van 23 december 1994 is een overgangsregeling getroffen met betrekking tot de overgang van de gezamenlijke naar de afzonderlijke methode bij de toepassing van de vrijstellingsmethode. De bedragen die op de voet van deze overgangsregeling zijn vastgesteld, maken niet (zonder meer) deel uit van het buitenlands onzuiver inkomen van een Mogendheid. In verband hiermee is in art. ll, lid 2, van het Besluit van 5 juli 1997 een delegatiebepaling opgenomen, die het mogelijk maakt op dit punt nadere regels te stellen. Van deze bevoegdheid is nog geen gebruik gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat negatieve bedragen aan buitenlandse winst uit de jaren tot en met 1994 geen invloed hebben op de verrekening wegens passieve buitenlandse winsten in de jaren 1999 en later. Een uitzondering hierop wordt gevormd door belastingplichtigen, die in het kader van de overgangsregeling uit het Wijzigingsbesluit van 23 december 1994, hebben gekozen voor de alternatieve overgangsregeling. Negatieve bedragen aan buitenlands onzuiver inkomen afkomstig uit Mogendheden waarvoor tot die tijd de afzonderlijke methode werd toegepast kunnen, doordat geen saldering heeft plaatsgevonden, wel op de voet van art. 3, lid 4, van het Bvdb 1989 in aanmerking worden genomen in de jaren 1999 en later. Dit betekent dat op de in 1999 en latere jaren uit een Mogendheid te genieten winst uit buitenlandse onderneming, indien deze winst kan worden aangemerkt als passieve winst uit buitenlandse onderneming, ook een overgebracht negatief bedrag uit de jaren tot en met 1994 in mindering wordt gebracht op de voet van art. 3, lid 4, van het Bvdb 2001, alvorens voor het eventuele restant van de passieve winst uit buitenlandse onderneming een verrekening wordt verleend.
|
||||
|
||||
De overgangsregeling is, op grond van het bovenstaande, per Mogendheid, schematisch als volgt weer te geven:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1100,7 +1100,7 @@ De hierboven vermelde rangorde, ook wel de minimummethode genoemd, geldt niet vo
|
|||
|
||||
Het kan voorkomen dat verrekening van buitenlandse (bron)belasting dient plaats te vinden waarbij het dividend, de interest of de royalty afkomstig is uit twee of meer verdragslanden én daarnaast als gevolg van binnenlandse verliezen of een reeds toegepaste vrijstelling, onvoldoende ruimte is om de gehele verrekening van buitenlandse (bron)belasting te realiseren.
|
||||
|
||||
Bij een tekort voor verrekening van belastingen op grond van verschillende verdragen bepaalt het Besluit van 21 juni 1996 (IFZ96/619) dat voor alle van toepassing zijnde verdragen een evenredig deel van de niet verrekende belasting naar het volgende jaar wordt overgebracht.
|
||||
Bij een tekort voor verrekening van belastingen op grond van verschillende verdragen bepaalt het Besluit van 21 juni 1996 (IFZ96/619) dat voor alle van toepassing zijnde verdragen een evenredig deel van de niet verrekende belasting naar het volgende jaar wordt overgebracht.
|
||||
|
||||
Indien de verrekening van (bron)heffingen volgens de gezamenlijke methode plaatsvindt (zie paragraaf 3.8) op grond van het Besluit van 20 juli 2000 (IFZ2000/766M), treedt het probleem van samenloop uit meer dan één verdragsland niet op. Bij de toepassing van de gezamenlijke methode doet zich wel de vraag voor of de verrekening in de rangorde plaatsvindt in categorie 1 (verdragsniveau), of dat de gezamenlijke verrekening plaatsvindt in categorie 2 (besluitniveau). Aangezien de aanspraken op de verrekening van vooruitgewentelde buitenlandse bronbelasting in zijn algemeenheid moeilijker zijn te realiseren dan de vrijstelling wegens doorgeschoven buitenlandse winsten, vindt de verrekening van bronbelasting volgens de gezamenlijke methode plaats in categorie 1 (verdragsniveau).
|
||||
|
||||
|
|
@ -1159,7 +1159,7 @@ Daarnaast geldt de keuzemogelijkheid alleen voor de in het jaar genoten dividend
|
|||
|
||||
De keuze voor kostenaftrek dient jaarlijks te worden gemaakt. De keuze kan nog worden gemaakt of herzien zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat.
|
||||
|
||||
Een bepaling die overeenkomt met art. 38 Bvdb ontbreekt in de BRK en de verdragen. Op grond van de BRK en de verdragen bestaat geen keuzemogelijkheid voor kostenaftrek. In het Besluit van 21 juni 1996, IFZ96/619 is echter goedgekeurd dat art. 38 Bvdb 2001 op schriftelijk verzoek per verdragsland op overeenkomstige wijze kan worden toegepast.
|
||||
Een bepaling die overeenkomt met art. 38 Bvdb ontbreekt in de BRK en de verdragen. Op grond van de BRK en de verdragen bestaat geen keuzemogelijkheid voor kostenaftrek. In het Besluit van 21 juni 1996, IFZ96/619 is echter goedgekeurd dat art. 38 Bvdb 2001 op schriftelijk verzoek per verdragsland op overeenkomstige wijze kan worden toegepast.
|
||||
|
||||
Ook hierbij geldt dat de kostenaftrek is gemaximeerd tot het percentage dat op basis van het verdrag mag worden ingehouden door het bronland; dat de belastingplichtige een dergelijk verzoek ieder jaar opnieuw moet doen; dat het verzoek betrekking moet hebben op het gehele bedrag van de buitenlandse dividenden, interest en royalty’s alsmede op het gehele bedrag van de daarover geheven belasting en dat indien er voor een bepaald jaar geen verzoek wordt gedaan, geen kostenaftrek in latere jaren voor deze dan overgebrachte belasting meer kan plaatsvinden.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue