2019-07-01 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
This commit is contained in:
parent
163272dd74
commit
6f7b8b2109
1 changed files with 51 additions and 52 deletions
|
|
@ -340,7 +340,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*natte koeltoren:* installatie gebruikt voor het, middels een open constructie, afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water;
|
||||
|
||||
*natuurlijk koudemiddel:* koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 dan wel een gereguleerde stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009, voor zover toegepast als koudemiddel;
|
||||
*natuurlijk koudemiddel:* kooldioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 dan wel een gereguleerde stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009, voor zover toegepast als koudemiddel;
|
||||
|
||||
*natuursteen:* uit de natuur gewonnen blokken en platen van steen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -475,7 +475,7 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
|
|||
|
||||
*verdichten:* reduceren van het volume bij een gelijkblijvende massa of een gelijkblijvend gewicht;
|
||||
|
||||
*vergistinggas:* gasvormige brandstof, met als hoofdbestanddelen methaan en koolstofdioxide, dat is ontstaan door vergisting van organisch materiaal;
|
||||
*vergistinggas:* gasvormige brandstof, met als hoofdbestanddelen methaan en kooldioxide, dat is ontstaan door vergisting van organisch materiaal;
|
||||
|
||||
*verkleinen:* in kleinere delen opdelen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -585,7 +585,7 @@ c. waarbij mede op basis van de aard van de inrichting, niet aannemelijk is dat
|
|||
2°. 80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is;
|
||||
d. waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt gebracht;
|
||||
e. waar in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
|
||||
f. waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram synthetisch koudemiddel; en
|
||||
f. waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram synthetisch koudemiddel;
|
||||
g. waar geen activiteiten worden verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn;
|
||||
h. waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
|
||||
i. waarbinnen geen van de bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:
|
||||
|
|
@ -1278,7 +1278,7 @@ f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrich
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift:
|
||||
Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:
|
||||
|
||||
a. geuremissiewaarden vaststellen;
|
||||
b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of
|
||||
|
|
@ -1441,7 +1441,9 @@ Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijk
|
|||
|
||||
### Artikel 2.11a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
**1.** Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2.12 van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -1453,7 +1455,9 @@ Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inric
|
|||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, voor zover het mengen bij ministeriële regeling is toegestaan.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden, voor toepassing van dit artikel, categorieën van afvalstoffen aangewezen.
|
||||
**5.** Het derde lid is niet van toepassing voor zover het mengen is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden, voor toepassing van dit artikel, categorieën van afvalstoffen aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -1647,11 +1651,11 @@ g. de in tabel 2.17g aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zi
|
|||
|
||||
### Artikel 2.17a
|
||||
|
||||
**1.** De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a onderscheidenlijk 2.17g worden met 5 dB(A) verhoogd indien tot het van toepassing worden van artikel 2.17 op een inrichting, op grond van een voorschrift als bedoeld in het derde lid van dat artikel hogere waarden golden.
|
||||
**1.** De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a onderscheidenlijk 2.17g worden met 5 dB(A) verhoogd indien tot het van toepassing worden van artikel 2.17 op een inrichting, op grond van een voorschrift als bedoeld in het derde lid hogere waarden golden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een milieuvergunning die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in artikel 2.17a, derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.
|
||||
**2.** Indien in een milieuvergunning die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in het derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in het eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** De voorschriften, bedoeld in artikel 2.17, eerste en tweede lid zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer, voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer en voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.
|
||||
**3.** De voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer, voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer en voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.
|
||||
|
||||
**4.** Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1730,7 +1734,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
In een gebied als bedoeld in het tweede lid bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval niet meer:
|
||||
|
||||
a. dan de in tabel 2.17 bedoelde waarden op de gevel of, als dat hoger is, het in dat gebied heersende referentieniveau;
|
||||
a. dan de in artikel 2.17 bedoelde waarden op de gevel of, als dat hoger is, het in dat gebied heersende referentieniveau;
|
||||
b. dan de in tabel 2.19a aangegeven waarden binnen gevoelige gebouwen.
|
||||
|
||||
| | 07.00–19.00 uur | 19.00–23.00 uur | 23.00–07.00 uur |
|
||||
|
|
@ -2595,7 +2599,7 @@ c. 3 procent, in alle andere gevallen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, toegestaan indien:
|
||||
In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, met uitzondering van verpakkingshout, toegestaan indien:
|
||||
|
||||
a. het de verbranding in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van15 MWth of minder betreft;
|
||||
b. het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en
|
||||
|
|
@ -2939,7 +2943,7 @@ Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op ee
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op een afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven in tabel 3.18.
|
||||
De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op een afstand van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven in tabel 3.18.
|
||||
|
||||
| Waterinhoud bufferopslag | Afstand |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
|
|
@ -3744,7 +3748,7 @@ Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van het voorko
|
|||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns, smeerolie of afgewerkte olie in een of meer bovengrondse opslagtanks, voor zover:
|
||||
|
||||
a. de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie in de buitenlucht ten hoogste 150 kubieke meter is, of
|
||||
b. de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie inpandig ten hoogste 15 kubieke meter is.
|
||||
b. de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie inpandig ten hoogste 15 kubieke meter per opslagruimte is.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks die zijn ingebouwd in een installatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4018,17 +4022,17 @@ b. wordt water met een natriumgehalte gebruikt dat gelijkwaardig is aan dat van
|
|||
|
||||
De hoeveelheid totaal stikstof in het te lozen drainwater bedraagt in kilogram totaal stikstof per hectare teeltoppervlak per jaar niet meer dan de in tabel 3.66 per categorie van gewassen genoemde waarden:
|
||||
|
||||
| Categorie van gewassen | 2012, 2013 en 2014 | 2015, 2016 en 2017 | 2018 en volgende jaren |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Categorie 1 | 25 | 25 | 25 |
|
||||
| Categorie 2 | 50 | 33 | 25 |
|
||||
| Categorie 3 | 75 | 50 | 38 |
|
||||
| Categorie 4 | 100 | 67 | 50 |
|
||||
| Categorie 5 | 125 | 83 | 67 |
|
||||
| Categorie 6 | 150 | 100 | 75 |
|
||||
| Categorie 7 | 200 | 133 | 100 |
|
||||
| Categorie 8 | 250 | 167 | 125 |
|
||||
| Categorie 9 | 300 | 200 | 150 |
|
||||
| Categorie van gewassen | 2012, 2013 en 2014 | 2015, 2016 en 2017 | 2018, 2019 en 2020 | 2021 en volgende jaren |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Categorie 1 | 25 | 25 | 25 | 12,5 |
|
||||
| Categorie 2 | 50 | 33 | 25 | 17 |
|
||||
| Categorie 3 | 75 | 50 | 38 | 25 |
|
||||
| Categorie 4 | 100 | 67 | 50 | 33 |
|
||||
| Categorie 5 | 125 | 83 | 67 | 42 |
|
||||
| Categorie 6 | 150 | 100 | 75 | 50 |
|
||||
| Categorie 7 | 200 | 133 | 100 | 67 |
|
||||
| Categorie 8 | 250 | 167 | 125 | 83 |
|
||||
| Categorie 9 | 300 | 200 | 150 | 125 |
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling wordt de indeling van gewassen in de categorieën, bedoeld in tabel 3.66, vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5075,7 +5079,7 @@ g. de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.
|
|||
|
||||
Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
|
||||
|
||||
a. saneringsinspanning A geldt, of
|
||||
a. saneringsinspanning Z of A geldt, of
|
||||
b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater als bedoeld in dat lid, onder a of b, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
|
@ -5105,9 +5109,9 @@ Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.139
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken is toegestaan indien daarbij ten minste voldaan wordt aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met zesde lid.
|
||||
**1.** Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken is toegestaan indien daarbij ten minste voldaan wordt aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met zevende lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning Z of A geldt.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater, bedoeld in dat lid, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5433,11 +5437,11 @@ Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen
|
|||
|
||||
**1.** Zwart kruit, rookzwak kruit en noodsignalen worden opgeslagen in een brandcompartiment dat voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
|
||||
|
||||
**2.** Een brandcompartiment bestemd voor de opslag van zwart kruit of rookzwak kruit is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
**2.** Een brandcompartiment bestemd voor de opslag van zwart kruit of rookzwak kruit is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van buiten de inrichting gelegen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4
|
||||
|
||||
**1.** Een voorziening voor de opslag van meer dan 10.000 patronen voor vuurwapens, dan wel onderdelen daarvan, is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
**1.** Een voorziening voor de opslag van meer dan 10.000 patronen voor vuurwapens, dan wel onderdelen daarvan, is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van buiten de inrichting gelegen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de voorziening, bedoeld in dat lid, in een brandcompartiment is gesitueerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5449,7 +5453,7 @@ Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen
|
|||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van stoffen in een bovengrondse opslagtank van:
|
||||
|
||||
a. propeen, zuurstof, koolzuur, argon, helium of stikstof;
|
||||
a. propeen, zuurstof, kooldioxide, argon, helium of stikstof;
|
||||
b. stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar;
|
||||
c. halfzware olie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns bij een inrichting voor agrarische activiteiten;
|
||||
d. PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel;
|
||||
|
|
@ -5466,9 +5470,9 @@ f. andere vloeibare bodembedreigende stoffen, niet zijnde:
|
|||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, kooldioxide, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een inrichting een bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank, bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
**2.** Indien in een inrichting een bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank, bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van buiten de inrichting gelegen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5a
|
||||
|
||||
|
|
@ -6585,7 +6589,7 @@ ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.80
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op installaties voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.80a
|
||||
|
||||
|
|
@ -6599,7 +6603,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van vloeibar
|
|||
|
||||
### Artikel 4.81
|
||||
|
||||
**1.** De installatie voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
**1.** De installatie voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
|
||||
**2.** Een aardgas-afleverinstallatie voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -6720,7 +6724,7 @@ Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen ge
|
|||
|
||||
### Artikel 4.92
|
||||
|
||||
Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning Z of A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.93
|
||||
|
||||
|
|
@ -6768,7 +6772,7 @@ wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
|||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
**4.** Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning Z of A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94c
|
||||
|
||||
|
|
@ -6813,7 +6817,7 @@ wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
|||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning Z of A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dd
|
||||
|
||||
|
|
@ -6845,7 +6849,7 @@ Indien bij de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek de
|
|||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van watergedragen inkten, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning Z of A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94di
|
||||
|
||||
|
|
@ -6999,7 +7003,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S
|
|||
|
||||
**1.** Bij het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het veredelen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning Z of A geldt.
|
||||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7910,19 +7914,14 @@ De emissies in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater afkomstig va
|
|||
|
||||
De emissies in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater van een installatie die het chlorideproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.34 niet.
|
||||
|
||||
| Chloride | |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| | |
|
||||
| Bij gebruik van natuurlijk rutiel | 130 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van synthetisch rutiel | 228 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van slakken voor emissies in zeewater | 450 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van slakken voor emissies in oppervlaktewater | 330 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| | |
|
||||
| Onopgeloste | 2,5 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| bestanddelen | 400 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
| | |
|
||||
| IJzerverbindingen | 0,6 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| | 150 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
| Stof | Toepassing | Emissiegrenswaarde |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| Chloride | Bij gebruik van natuurlijk rutiel | 130 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Chloride | Bij gebruik van synthetisch rutiel | 228 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Chloride | Bij gebruik van slakken voor emissies in zeewater | 450 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Chloride | Bij gebruik van slakken voor emissies in oppervlaktewater | 330 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Onopgeloste bestanddelen | | 2,5 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) 400 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
| IJzerverbindingen | | 0,6 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) 150 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
|
||||
**2.** Voor een installatie die het chlorideproces toepast en die meer dan één soort van de in de eerste kolom van tabel 5.34 genoemde grondstoffen gebruikt, gelden de voor die grondstoffen genoemde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze grondstoffen worden gebruikt.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue