2004-02-13 | BWBR0003420 | Wet op het primair onderwijs
This commit is contained in:
parent
d7a8fc2e61
commit
702e37f540
1 changed files with 38 additions and 38 deletions
|
|
@ -20,7 +20,7 @@ In deze wet wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
*Onze minister:*
|
||||
|
||||
Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
|
||||
Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
|
||||
*inspectie of inspecteur:*
|
||||
|
||||
|
|
@ -111,15 +111,15 @@ leerlinggebonden budget: een leerlinggebonden budget voor een leerling als bedoe
|
|||
|
||||
In deze wet wordt onder het gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met:
|
||||
|
||||
a. indien in het kalenderjaar de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: f 2987;
|
||||
a. indien in het kalenderjaar de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: € 1355;
|
||||
b. indien in het kalenderjaar loon wordt genoten: het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen:
|
||||
|
||||
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
|
||||
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
|
||||
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f 2070;
|
||||
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f 263 en met niet meer dan f 3538;
|
||||
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1605;
|
||||
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
|
||||
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan € 939;
|
||||
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan € 119 en met niet meer dan € 1605;
|
||||
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
|
||||
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f 2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
|
||||
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen premies voor lijfrenten, maar niet meer dan € 2804, verminderd met € 1036, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen van € 2804 en € 1036 verhoogd tot € 5608 respectievelijk € 2072;
|
||||
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
|
||||
|
||||
**2.** In het eerste lid wordt onder loon verstaan loon in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
|
@ -130,8 +130,8 @@ In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het gecorrigeerde belas
|
|||
|
||||
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen:
|
||||
|
||||
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
|
||||
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
|
||||
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1605;
|
||||
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
|
||||
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid, onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het kalenderjaar 2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het kalenderjaar 2002 voor 2/3 deel en over het kalenderjaar 2003 voor 1/3 deel. Over het kalenderjaar 2004 en volgende kalenderjaren worden deze correctieposten niet meer in aanmerking genomen.
|
||||
|
|
@ -568,11 +568,11 @@ b. de wijze waarop over het zorgplan in het kader van de medezeggenschap overleg
|
|||
c. de wijze waarop over arbeidsvoorwaardelijke aspecten van het zorgplan decentraal georganiseerd overleg wordt gevoerd,
|
||||
d. de wijze waarop wordt bepaald of de situaties, bedoeld in de artikelen 118 en 124, zich voordoen, waaronder de vaststelling van de in artikel 124, eerste en tweede lid, bedoelde peildatum, die is gelegen in de periode van 2 oktober tot en met 31 juli daaropvolgend,
|
||||
e. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen is in de overdracht van de bekostiging voor materiële instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 118 en van formatierekeneenheden in een situatie als bedoeld in artikel 124, zesde of zevende lid, of artikel 125, zesde lid, en
|
||||
f. de wijze waarop besluiten worden genomen, onverminderd het tweede lid, alsmede het aantal stemmen voor elk afzonderlijk bevoegd gezag.
|
||||
f. de wijze waarop beslissingen worden genomen, onverminderd het tweede lid, alsmede het aantal stemmen voor elk afzonderlijk bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij reglement kan met inachtneming van de tweede volzin, onderdelen a, b en c, per onderwerp verschillend de wijze van besluitvorming worden geregeld. Indien voor een onderwerp geen wijze van besluitvorming is geregeld, geschiedt de besluitvorming bij meerderheid van stemmen, met dien verstande dat
|
||||
Bij reglement kan met inachtneming van de tweede volzin, onderdelen a, b en c, per onderwerp verschillend de wijze van beslissen worden geregeld. Indien voor een onderwerp geen wijze van beslissen is geregeld, geschiedt de wijze van beslissen bij meerderheid van stemmen, met dien verstande dat
|
||||
|
||||
a. voor een beslissing over de inzet van de in artikel 122, eerste lid onder c, bedoelde formatie tevens de instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van alle speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband,
|
||||
b. voor een beslissing tot samenvoeging van 2 of meer speciale scholen voor basisonderwijs tevens de instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van de desbetreffende scholen, en
|
||||
|
|
@ -604,7 +604,7 @@ Het bevoegd gezag van een school kan voorziening vragen bij de landelijke geschi
|
|||
|
||||
a. beslissingen en andere handelingen inzake de totstandkoming van het reglement,
|
||||
b. beslissingen en andere handelingen in het kader van het samenwerkingsverband,
|
||||
c. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs met een besluit als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder a, en
|
||||
c. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs met een beslissing als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder a, en
|
||||
d. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een school met een beslissing als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder c.
|
||||
|
||||
Het vragen van voorziening als bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met het instellen van administratief beroep.
|
||||
|
|
@ -881,14 +881,14 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een verzoek van de permanente commissie leerlingenzorg met betrekking tot een leerling van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling.
|
||||
|
||||
**4.** Afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, en van het handelingsplan wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het een verzoek betreft van ouders van een leerling in het kader van hun verzoek aan de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, van de Wet op de expertisecentra
|
||||
|
||||
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de in dit artikel bedoelde gegevens.
|
||||
**4.** Afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, meldt de basisschool wanneer en aan welke permanente commissie leerlingenzorg door haar reeds eerder dergelijke gegevens over de leerling werden verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het een verzoek betreft van ouders van een leerling in het kader van hun verzoek aan de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, van de Wet op de expertisecentra
|
||||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de in dit artikel bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 5. Ouders
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
|
@ -1005,7 +1005,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel voorschriften vastgesteld omtrent aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen.
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel voorschriften vastgesteld omtrent aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een directeur, een adjunct-directeur of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1205,7 +1205,7 @@ c. niet het maken van winst beoogt,
|
|||
d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132 en
|
||||
e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit artikel werkzaam te willen zijn,
|
||||
|
||||
zijn van toepassing de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 32 en 33, vastgestelde salarissen en toelagen, alsmede de bij die algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften omtrent vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen en voorschriften omtrent andere rechten en verplichtingen.
|
||||
zijn van toepassing de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 33, vastgestelde salarissen en toelagen, alsmede de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften omtrent vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen en voorschriften omtrent andere rechten en verplichtingen.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van de eerste volzin, onder b, wordt onder het geven van onderwijs niet begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door personeel dat is benoemd of aangesteld op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1366,7 +1366,7 @@ Indien de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het ver
|
|||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt minimaal 200.
|
||||
|
||||
**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, zijn in afwijking van het tweede lid, eerste volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling bedoeld in de derde volzin, wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekend gemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, zijn in afwijking van het tweede lid, eerste volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling bedoeld in de derde volzin, wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekend gemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**4.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1512,14 +1512,14 @@ d. als gevolg van de oprichting van het samenwerkingsverband niet een reeds best
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van
|
||||
Een aanvraag van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van
|
||||
|
||||
a. een opgave van het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waaraan de school deelneemt en zal gaan deelnemen,
|
||||
b. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en,
|
||||
c. 1°. indien het betreft een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, het openbaar onderwijs of de richting of richtingen van het bijzonder onderwijs dat de school voor en na de omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met een of meer richtingen omvat, of
|
||||
2°. indien het betreft een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het tweede lid, de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven.
|
||||
c. 1°. indien het betreft een aanvraag van een besluit als bedoeld in het eerste lid, het openbaar onderwijs of de richting of richtingen van het bijzonder onderwijs dat de school voor en na de omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met een of meer richtingen omvat, of
|
||||
2°. indien het betreft een aanvraag van een besluit als bedoeld in het tweede lid, de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Onze minister willigt de aanvraag van een beslissing als bedoeld in het tweede lid slechts in, ingeval binnen het betrokken samenwerkingsverband of de betrokken samenwerkingsverbanden sprake blijft van een goede bereikbaarheid van speciale scholen voor basisonderwijs.
|
||||
**4.** Onze minister willigt de aanvraag van een besluit als bedoeld in het tweede lid slechts in, ingeval binnen het betrokken samenwerkingsverband of de betrokken samenwerkingsverbanden sprake blijft van een goede bereikbaarheid van speciale scholen voor basisonderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** De omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van een schooljaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1546,7 +1546,7 @@ c. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum,
|
|||
|
||||
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**2.** Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geplaatst. Van de plaatsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De algemene maatregel van bestuur treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de plaatsing zijn verstreken.
|
||||
**2.** Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geplaatst. Van de plaatsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De algemene maatregel van bestuur treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de plaatsing zijn verstreken.
|
||||
|
||||
### Artikel 90a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1710,7 +1710,7 @@ De gemeenteraad stelt geen programma als bedoeld in artikel 95 en geen overzicht
|
|||
|
||||
De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten. De gemeenteraad wijst de aanvraag af, indien:
|
||||
|
||||
a. de beslissing over de voorziening kan worden genomen bij de vaststelling van het eerstvolgende programma, of
|
||||
a. het besluit over de voorziening kan worden genomen bij de vaststelling van het eerstvolgende programma, of
|
||||
b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 99
|
||||
|
|
@ -2009,9 +2009,9 @@ c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen bekostiging wordt be
|
|||
|
||||
**6.** De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**7.** De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.
|
||||
**7.** De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.
|
||||
|
||||
**8.** Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**8.** Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
|
|
@ -2165,8 +2165,8 @@ a. het verbruik van formatierekeneenheden door het bevoegd gezag onderscheidenli
|
|||
b. de wijziging in het verbruik van formatierekeneenheden, bedoeld in onderdeel a, op grond van rechtspositionele aanspraken van de personeelsleden alsmede, indien het een school betreft, op grond van de samenstelling van de schoolleiding,
|
||||
c. de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag formatierekeneenheden kan overdragen aan een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag dan wel aan een centrale dienst,
|
||||
d. de voorwaarden waaronder een centrale dienst formatierekeneenheden kan overdragen aan een school,
|
||||
e. de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, waarbij in elk geval wordt bepaald tot welk percentage het bevoegd gezag telkens voor de periode van een schooljaar kan besluiten minder formatierekeneenheden te besteden dan voor de school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, en met dien verstande dat in het overleg, bedoeld in artikel 37, onder door Onze minister te stellen voorwaarden een hoger percentage kan worden overeengekomen, en
|
||||
f. de voorwaarden waaronder een centrale dienst recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden,
|
||||
e. de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, waarbij in elk geval wordt bepaald tot welk percentage het bevoegd gezag telkens voor de periode van een schooljaar kan besluiten minder formatierekeneenheden te besteden dan voor de school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, en met dien verstande dat in het overleg, bedoeld in artikel 37, onder door Onze minister te stellen voorwaarden een hoger percentage kan worden overeengekomen,
|
||||
f. de voorwaarden waaronder een centrale dienst recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, en
|
||||
g. de verplichte besteding van onderdelen van de formatie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -2341,7 +2341,7 @@ b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het
|
|||
|
||||
**3.** Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 134, vierde lid onder a, vijfde lid onder a, en zesde lid onder a, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat groepen waarvoor van rijkswege bekostiging wordt verstrekt voor de kosten van de materiële instandhouding van een speellokaal niet in aanmerking worden genomen.
|
||||
|
||||
**4.** Het aantal groepen leerlingen voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt berekend door het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt te delen door 15 en de uitkomst rekenkundig af te ronden op een geheel getal.
|
||||
**4.** Het aantal groepen leerlingen voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt berekend door het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt te delen door 15 en de uitkomst rekenkundig af te ronden op een geheel getal.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 3. Personeel
|
||||
|
||||
|
|
@ -2389,7 +2389,7 @@ De termijn van 1 jaar kan ingeval van een of meer ziekteperioden van langer dan
|
|||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**7.** Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit niet binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze minister bepalen dat de beslissing, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag het in de eerste volzin bedoelde verzoek heeft ingediend.
|
||||
**7.** Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit niet binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag het in de eerste volzin bedoelde verzoek heeft ingediend.
|
||||
|
||||
**8.** Onze minister kan projecten aanwijzen waarvoor het tweede lid niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2438,7 +2438,7 @@ b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht, in het
|
|||
|
||||
**5.** De op grond van het eerste lid toe te kennen vergoeding kan in een kalenderjaar niet hoger zijn dan de in het daaraan voorafgaande kalenderjaar op grond van dit artikel toegekende vergoeding. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van de vergoeding voor het tweede kalenderjaar indien de vergoeding voor het eerste kalenderjaar is bepaald op grond van het derde lid. Bij de toepassing van de eerste volzin blijft het teruggestorte bedrag, bedoeld in het zevende lid, buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag dat een school als bedoeld in het eerste lid in stand houdt die voor die tijd door de gemeente in stand werd gehouden, legt aan die gemeente en aan de andere rechtspersonen die zulke scholen in stand houden, jaarlijks een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over met betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur.
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag dat een school als bedoeld in het eerste lid in stand houdt die voor die tijd door de gemeente in stand werd gehouden, legt aan die gemeente en aan de andere rechtspersonen die een of meer niet door de gemeente in stand gehouden scholen in die gemeente in stand houden, jaarlijks een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over met betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur.
|
||||
|
||||
**7.** Voor zover voor een school als bedoeld in het eerste lid, de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met de vergoeding op grond van artikel 114, onderdeel e, in een kalenderjaar niet volledig is aangewend voor uitgaven voor administratie, beheer en bestuur, wordt het verschil door het bevoegd gezag, bedoeld in het zesde lid, teruggestort in de gemeentekas.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2545,7 +2545,7 @@ Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wor
|
|||
|
||||
### Artikel 150
|
||||
|
||||
**1.** De op grond van artikel 140 of artikel 141 verstrekte bekostiging wordt besteed aan het doel waarvoor zij zijn verstrekt.
|
||||
**1.** De op grond van artikel 140 of artikel 141 verstrekte bekostiging wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt.
|
||||
|
||||
**2.** De verstrekte overschrijdingsbedragen worden besteed ten behoeve van de scholen van een bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2565,7 +2565,7 @@ Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal le
|
|||
|
||||
**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
|
||||
|
||||
**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, te zamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, te zamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2986,9 +2986,9 @@ De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in onderdeel b, kan bepalen dat geen verpl
|
|||
|
||||
### Artikel 181
|
||||
|
||||
**1.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
|
||||
**1.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
|
||||
**2.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
|
||||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3085,7 +3085,7 @@ d. de akte van bekwaamheid als onderwijzer of hoofdonderwijzer;
|
|||
e. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
|
||||
f. het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer of dat van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer voor buitenlandse onderwijsgevenden.
|
||||
|
||||
**2.** Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van basisonderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van onderwijs in de expressie-activiteit muziek. Zij die op 31 juli 1998 bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 172, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die opleidt voor het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wet behalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor dat vak werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
|
||||
**2.** Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van basisonderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van onderwijs in de expressie-activiteit muziek. Zij die op 31 juli 1998 bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 172, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht. Zij die op 31 juli 2004 in het bezit zijn van het bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren. Zij die op 31 juli 2001 een studie volgen die opleidt voor het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor 1 september 2005. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wet behalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor dat vak werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
|
||||
|
||||
**3.** Zij die op 31 juli 1998 bij een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs onderwijs geven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op die datum en bevoegd zijn op basis van artikel 111, eerste lid onder f of g, van die wet, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue