2007-12-07 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

This commit is contained in:
Coornhert 2007-12-07 12:00:00 +00:00
parent 467708d6b4
commit 708b70d609

View file

@ -2099,7 +2099,7 @@ De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondank
| --- | --- | --- |
| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder beperking | Zie Bijlage 3 (*) |
| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, *al dan niet met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”* | Neen (*) |
| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Ja, tenzij betrokkene: een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht; en verblijf heeft op grond van artikel 29, aanhef en onder a t/m e, Vw 2000 (*) |
| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Ja, tenzij betrokkene: een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht; en verblijf heeft op grond van artikel 29, aanhef en onder a t/m e, Vw 2000 (*) een meerderjarige is, staatloos is en verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. NB! onbekende nationaliteit is niet staatloos |
| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | Neen (*) |
| EU/EER | Vanaf 29 april 2006 ontvangen EU/EER- onderdanen en Zwitserse onderdanen niet langer een verblijfsdocument. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten ontvangen op aanvraag nog wel een verblijfsdocument EU/EER. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen met een duurzaam verblijfsrecht ontvangen op aanvraag een duurzaam verblijfsdocument. Dat geldt ook voor hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit. Ook na 29 april 2006 kunnen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen nog steeds in het bezit zijn van een (vóór 29 april 2006 afgegeven) verblijfsdocument EU/EER | Neen, tenzij betrokkene: - familie- of gezinslid is van een EU/EER- of Zwitserse onderdaan, niet in het bezit is van de nationaliteit van een lidstaat en niet in het bezit is van een verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of de duur van het voorgenomen verblijf indien dit minder dan vijf jaar bedraagt. |
| W | Vreemdeling is in bezit van W-document | Ja |
@ -2323,16 +2323,20 @@ De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artike
diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;
diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs;
diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
diploma of getuigschrift, uitgereikt op een wettelijke basis anders dan een onderwijswet, nadat onderwijs in de Nederlandse taal is gevolgd;
diploma staatsexamen Nederlands als tweede Taal (NT-2), programma I of II;
Certificaat Inburgering in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) met daarop de expliciete vermelding dat voor de onderdelen “Luisteren”, “Spreken”, “Lezen” en “Schrijven” minimaal niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is gehaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE). Daarnaast dient verzoeker de verklaring van het ROC over te leggen op grond waarvan het niveau 2 op het certificaat is ingevuld. Het vermelde niveau op het Certificaat inburgering dient uiteraard overeen te komen met het niveau dat is vermeld op de bijbehorende ROC-verklaring.
- Certificaat Inburgering in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN): Het WIN-certificaat is vrijstellend als zowel voor de vier taalonderdelen als voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie een voldoende resultaat is behaald. Hierbij is het volgende van belang:
Indien op het Certificaat of op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald indien 85% of hoger is behaald. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80% of hoger.
a. De vier taalonderdelen
Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de verklaring van het ROC bepalend voor de vraag welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald. Blijkt voor die periode juiste scoringspercentage ten minste te zijn gehaald, dan geeft het WIN-certificaat vrijstelling voor het inburgeringsexamen.
Voor elk van de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven moet ten minste minimaal niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn gehaald. Staat er, al is het maar één keer, op weg naar 2 (of een lager of helemaal geen niveau), dan is niet het vereiste niveau gehaald. De niveaus moeten in ieder geval zijn vermeld op de bij het WIN-certificaat over te leggen ROC-verklaring. De niveaus van de vier taalonderdelen kunnen ook nog op het WIN-certificaat zelf zijn vermeld. In dat laatste geval moeten de niveaus op de ROC-verklaring en op het WIN-certificaat exact hetzelfde zijn.
b. Het onderdeel Maatschappij Oriëntatie
Een certificaat zonder vermelding van enig niveau of percentage, of vermelding van een niveau of percentage dat verschilt van de ROC-verklaring, geeft geen recht op vrijstelling. Ook een certificaat of verklaring dat een lager niveau of percentage vermeld dan hierboven aangegeven geeft geen recht op vrijstelling.
Naast ten minste niveau 2 voor elk van de vier taalonderdelen moet voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 van de Kwaliteitsstructuur Educatie (KSE) zijn gehaald. Voor Maatschappij Oriëntatie kan een niveau zijn aangegeven, maar meestal wordt een scoringspercentage vermeld. De verzoeker moet dit altijd aantonen met de bij het WIN-certificaat behorende ROC-verklaring. Op het certificaat staat soms het niveau, soms het scoringspercentage, en soms is helemaal niets ingevuld.
Indien op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage, dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald bij een percentage van 85 of hoger. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80 of hoger. Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de ROCverklaring bepalend voor de vaststelling welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald.
3. Degene die door het College van Burgemeester en Wethouders is vrijgesteld of ontheven (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, BNT) van het inburgeringsprogramma in het kader van de WIN. Betrokkene dient in dit geval de originele beschikking tot vrijstelling of ontheffing te overleggen. Ten aanzien van een beschikking tot vrijstelling (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, BNT) moet worden nagegaan of de vrijstelling heeft plaatsgevonden op grond van de veronderstelling dat verzoeker de kennis, inzicht en vaardigheden op het moment van de vrijstelling reeds in zijn bezit had of dat hij die (binnen een redelijke termijn na het moment van de vrijstelling) in zijn bezit zou krijgen (artikel 5, tweede lid, WIN). Vrijstelling van het inburgeringsprogramma kan namelijk ook zijn verleend op grond van kennis, inzicht en vaardigheden waarvan wordt verondersteld dat die in de toekomst zullen worden verworven. Indien een vrijstelling van het inburgeringsprogramma is verleend op grond van in de toekomst te verwerven kennis, inzicht en vaardigheden wordt verzoeker niet vrijgesteld van de naturalisatietoets; betrokkene heeft immers in dat geval nog niet aangetoond dat hij reeds over het vereiste taal- en kennisniveau beschikt.
4. Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven. Het gaat hier om de periode tussen het vijfde en het zestiende levensjaar. Betrokkene kan dit aantonen door een uittreksel van de GBA of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Nederland.
4. Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven. De leerplichtige leeftijd vangt aan op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van vijf jaar is bereikt en eindigt aan het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 16 jaar is bereikt. Voor de onderhavige vrijstelling van de naturalisatietoets is het voldoende als wordt vastgesteld dat betrokkene in de periode die is gelegen tussen zijn vijfde en zestiende verjaardag, ten minste acht jaar in Nederland heeft gewoond. Betrokkene kan dit aantonen door een uittreksel van de GBA of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Nederland.
Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat; ook de betrokken persoon die tijdens de leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is vrijgesteld. Tevens is niet vereist dat het om legaal verblijf gaat.
5. Degene die in het bezit is van een Belgisch diploma of getuigschrift, behaald in Nederlandstalig onderwijs, met een voldoende voor het vak Nederlands.
@ -4229,15 +4233,9 @@ c. een verklaring afgegeven door het hoofd van de diplomatieke of consulaire pos
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren eventjes naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor A aan op 5 januari 1998 (vergelijk artikel IV, tweede lid, RRWN).
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk artikel IV RRWN). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Op 5 september 2007 gaat A in Italië wonen. Op 5 januari 2008 woont hij daar nog steeds.
A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest.
Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 5 januari 2008 en 5 september 2008 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 8 september 2008 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij zijn Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor als gevolg van het gestelde in artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Vestigt A zich op 10 juli 2008 (of op een andere datum vóór 5 september 2008) in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij achteraf bezien zijn Nederlanderschap op 5 januari 2008 heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Immers, pas op 10 juli 2008 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EU-lidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, wordt geacht niet te zijn onderbroken.
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt geacht niet te zijn onderbroken.
###### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
@ -4263,22 +4261,6 @@ Blijft hij in het bezit van beide nationaliteiten in de Verenigde Staten
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, lid 4, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
B, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1950 in Australië, woont sedert 15 maart 1996 in Australië.
Blijft hij daar in het bezit van beide nationaliteiten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap verliezen op 15 maart 2006. Immers, hij woont op het tijdstip waarop de RRWN in werking treedt als meerderjarige in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit. Dus, ingevolge artikel IV, tweede lid, RRWN is de bepaling van het eerste lid, dat de tienjarige periode van de verliesbepaling van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eerst aanvangt op het tijdstip van inwerkingtreding van de RRWN, op hem niet van toepassing. Voor B geldt dat de verliestermijn van tien jaar aanvangt op de datum van vestiging in het land van zijn geboorte.
C, van Nederlandse en Canadese nationaliteit, geboren in 1960 in Canada, woont sedert 10 augustus 1994 in Canada. Hij vestigt zich op 11 juli 2003 in de Verenigde Staten. Blijft hij in het bezit van beide nationaliteiten in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij behoudens verstrekking van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument tussen 10 augustus 1994 en 10 augustus 2004 zijn Nederlanderschap verliezen op 10 augustus 2004. Ook op hem is artikel IV, eerste lid, RRWN niet van toepassing, omdat hij op het tijdstip van inwerkingtreding van de RRWN als meerderjarige woonde in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit. Dat hij na dat tijdstip is gaan wonen in een ander land (buiten het Koninkrijk en de Europese Unie) dan zijn geboorteland, speelt hierbij geen enkele rol.
D, van Nederlandse en Guyaanse nationaliteit, geboren in 1949 in Guyana, woont sedert 10 december 1992 in Guyana.
Aangezien D op het tijdstip van inwerkingtreding van de RRWN als meerderjarige woont in het land van zijn geboorte, waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, is ingevolge het artikel IV, tweede lid, RRWN voor hem de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op 10 december 1992 gaan lopen.
D heeft nimmer een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap gehad. Blijft hij in het bezit van beide nationaliteiten in Guyana wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap verliezen op 1 september 2003.
Dus niet op 10 december 2002, omdat hij een persoon is als bedoeld in artikel IV, tweede lid, RRWN en voor hem de verliestermijn is geëindigd binnen één jaar na inwerkingtreding van de RRWN, waardoor de verliestermijn wordt verlengd tot de afloop van dat jaar.
Verlies van het Nederlanderschap kan door hem worden voorkomen door vóór afloop van de voor hem geldende periode (dat is dus vóór 1 september 2003) in het bezit te worden gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument.
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**