From 70eb7a142aeed7adac5bf2ce0b22cd5d3b6f25db Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Apr 2016 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2016-04-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 --- .../BWBW33099/README.md | 26 ++++++------------- 1 file changed, 8 insertions(+), 18 deletions(-) diff --git a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md index 5b7b9bad3cb..029e1b04535 100644 --- a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md +++ b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md @@ -5260,6 +5260,8 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen. +*Landenlijst april 2016* + **Let op!** Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van artikel 6, eerste lid en onder e, RWN is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Voor 1 oktober 2010 gold dus bij optie niet de verplichting een bereidheidsverklaring te ondertekenen. Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt: @@ -5317,7 +5319,7 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Costa Rica | C | | Cuba | C (m.i.v. 1 oktober 2010) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Cubaanse nationaliteit. | | Cyprus | B | -| Denemarken | A, D | +| Denemarken | B Met ingang van 26.08.2015 is Denemarken geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Tot 01.04.2016: A + D. Het doen van afstand wordt alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.04.2016 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder 3, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.04.2016. | | Djibouti | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. | | Dominica | B | | Dominicaanse Republiek | C | @@ -5326,7 +5328,7 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Egypte Met het oog op de actualiteit van de basisregistratie personen voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten toe. Let op! De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming **en** nadat het verlies van de Egyptische nationaliteit is gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant. Zodra betrokkene een kopie van de publicatie in de Egyptische Staatscourant heeft overgelegd, zal de IND de bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte stellen en verzoeken de (gemeentelijke) basisadministratie aan te passen. | B Betrokkene moet zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken wenden om toestemming te krijgen voor het verkrijgen van een andere nationaliteit. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van het naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt na de verlengingstermijn/ laatste aanhoudingstermijn bevestigd of ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene, totdat daadwerkelijk afstand is gedaan van de Egyptische nationaliteit, nog de volgende handelingen verrichten: - Inleveren van het Egyptische paspoort en/of ID-kaart bij de bevoegde autoriteit; - Verzoek indienen bij het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken om de Egyptische nationaliteit officieel te laten schrappen. Het opgeven van de Egyptische nationaliteit wordt gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant; - Betrokkene moet een bewijs publicatie verlies Egyptische nationaliteit overleggen aan de IND. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. Een afstandsplichtige betrokkene (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt ook gevraagd een verklaring (model 1.14-1b bij optie en model 2.5/2.5a bij naturalisatie) dat de Egyptische autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Egyptische nationaliteit. Uit artikel 10 van de Egyptische nationaliteitswetgeving blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat om na de verkregen toestemming om een andere nationaliteit aan te nemen en het hieropvolgende verlies van de Egyptische nationaliteit binnen één jaar na verkrijging van de andere nationaliteit om behoud kan worden gevraagd van de Egyptische nationaliteit. Om de betrokkene duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is, moet model 1.14-1b (bij optie) en model 2.5/2.5a (bij naturalisatie) getekend te worden. | | El Salvador | B, echter in sommige gevallen A. B: voor Salvadoranen door geboorte. A: tot Salvadoraan genaturaliseerden verliezen de Salvadoraanse nationaliteit automatisch als zij vijf jaren zonder onderbreking buiten El Salvador verblijven. | | Equatoriaal-Guinee | A | -| Eritrea | B Het doen van afstand van de Eritrese nationaliteit is mogelijk op grond van de Eritrese nationaliteitsverordening nr. 21/1992 d.d. 6 april 1992. Het formulier dat gebruikt moet worden voor een afstandsverzoek, kan alleen worden verkregen bij het “Department of Immigration and Nationality executive secretary”. Een kopie van het ingevulde verzoek tot afstand van de Eritrese nationaliteit moet bij naturalisatie en optie naar de IND worden gestuurd. Nadat individueel onderzoek is verricht door de Eritrese autoriteiten wordt afstand al dan niet toegestaan. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.07.2010 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. | +| Eritrea | C (met ingang van 1 april 2016) Bij het indienen van een naturalisatieverzoek of het afleggen van een optieverklaring (ex artikel 6, lid 1 onder e) ingediend of afgelegd op of na 1 april 2016, hoeft geen bereidheidsverklaring tot het doen van afstand meer te worden ondertekend. Van 01.07.2010 tot 01.04.2016: B | | Estland | A | | Ethiopië | A | | Fiji | B Het doen van afstand van de Fijische nationaliteit is sinds 10.04.2009 mogelijk (Staatsburgerschapverordening 2009). Het doen van afstand wordt gevraagd bij een optieverklaring of naturalisatieverzoek, afgelegd/ingediend op of na 01.04.2012. A: tot 10.04.2009. | @@ -5381,7 +5383,7 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Madagaskar | A | | Malawi | A | | Maldiven | B | -| Maleisië | B | +| Maleisië | B In de hieronderstaande gevallen C: Mannen en vrouwen jonger dan 21 jaar kunnen geen afstand doen (zij het voor vrouwen jonger dan 21 alleen als zij ongehuwd zijn. Gehuwde vrouwen jonger dan 21 jaar kunnen wel afstand doen). In de gevallen dat iemand vanwege de leeftijd geen afstand heeft kunnen doen, en iemand bereikt vervolgens de leeftijd van 21 jaar, dan hoeft niet alsnog afstand gedaan te worden. | | Mali | C (m.i.v. 1 januari 2015) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Malinese nationaliteit. Bij een naturalisatieverzoek en bij een optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) ingediend/afgelegd op of na 1 januari 2015, hoeft geen bereidheidsverklaring tot het doen van afstand meer te worden ondertekend. | | Malta | B | | Marokko | C De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Marokkaanse nationaliteit. | @@ -6619,7 +6621,7 @@ Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekk A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord (artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83 Sr. Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld. Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 (artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN. A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap. -20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-201031-03-2016Stcrt. 2016, 33997, datum inwerkingtreding 01-07-2016, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 31-03-2016.Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in artikel 14, tweede lid, is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016 (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, onderdeel b, wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.Voorbeeld 1A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord (artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83 Sr. Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 (artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN. A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.Voorbeeld 2Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. +20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-2010 ##### 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht @@ -6836,19 +6838,7 @@ Voorts wordt in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, verwezen naar artikel Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN, want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos. -20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-201031-03-2016Stcrt. 2016, 33997, datum inwerkingtreding 01-07-2016, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 31-03-2016.Paragraaf 2.1.2.2 is vernummerd tot paragraaf 2.1.2.3.Voorts wordt in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, verwezen naar artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht.Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN.*Voorbeeld*Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN, want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos. - -Met ingang van 31 maart 2016 is in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWNartikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. - -####### 2.1.2.3 - -Voorts wordt in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, verwezen naar artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht. - -Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt. - -Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN. - -Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN, want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos. +20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-2010 ###### 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c @@ -6896,7 +6886,7 @@ De beslissing tot intrekking is aan de Minister van Justitie van het Koninkrijk. De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. -20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-201031-03-2016Stcrt. 2016, 33997, datum inwerkingtreding 01-07-2016, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 31-03-2016.De beslissing tot intrekking is aan Onze MinisterHij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.Het feit dat het aantal misdrijven in artikel 14, tweede lid, is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.Daartegenover staat dat een intrekking op grond van artikel 14, eerste lid RWN is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van artikel 14, tweede lid RWN, mits zij over nog een nationaliteit beschikken.De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht is toegevoegd aan de artikelen die op grond van artikel 14, tweede lid RWN kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord). +20101018530-06-201022-06-2010WBN2010/920101018530-06-201022-06-2010WBN2010/901-10-2010 ##### 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN