2020-12-29 | BWBR0020420 | Besluit prudentiële regels Wft

This commit is contained in:
Coornhert 2020-12-29 12:00:00 +00:00
parent f9b03b5a6d
commit 712a55391e

View file

@ -553,13 +553,13 @@ c. hebben voldoende toegang tot informatie betreffende de risicosituatie van de
**4.** De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het bepaalde in het tweede of derde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, indien zij de consoliderende toezichthouder is, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten, besluiten dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een eigen herstelplan overeenkomstig het eerste en tweede lid.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, indien zij de consoliderende toezichthouder is, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, besluiten dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een eigen herstelplan overeenkomstig het eerste en tweede lid.
**6.** De Nederlandse Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede tot en met vierde lid.
### Artikel 23e
**1.** Een EU-moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet beschikt over een herstelplan dat door de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten, is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de EU-moederonderneming of haar dochterondernemingen, die de groep in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.
**1.** Een EU-moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet beschikt over een herstelplan dat door de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de EU-moederonderneming of haar dochterondernemingen, die de groep in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.
**2.** Het groepsherstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, 7, vierde tot en met zesde lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
@ -2054,23 +2054,14 @@ Vervallen
De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, bedraagt de som van de omvang van de volgende componenten, voor zover van toepassing:
a. een kapitaalconserveringsbuffer, zijnde de minimaal vereiste omvang van de kapitaalbuffer;
b. een contracyclische kapitaalbuffer, in verband met risicos die voortvloeien uit de kredietcyclus, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
c. een systeemrelevantiebuffer, in verband met het risico dat de financiële onderneming vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
d. een systeemrisicobuffer, in verband met risicos die voortvloeien uit niet-cyclische langetermijnsysteemrisicos of niet-cyclische macroprudentiële langetermijnrisicos, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel c, van de wet.
a. een kapitaalconserveringsbuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 1, van de richtlijn kapitaalvereisten, zijnde de minimaal vereiste omvang van de kapitaalbuffer;
b. een contracyclische kapitaalbuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 2, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met risicos die voortvloeien uit de kredietcyclus, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
c. een systeemrelevantiebuffer bestaande uit een MSI-buffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 3, of een ASI-buffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 4, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met het risico dat de financiële onderneming vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
d. een systeemrisicobuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 5, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met risicos die voortvloeien uit macroprudentiële of systeemrisicos als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en niet afdoende worden gedekt door de contracyclische kapitaalbuffer of systeemrelevantiebuffer.
**2.** De omvang van de in het eerste lid bedoelde buffercomponenten wordt uitgedrukt in een percentage van het overeenkomstig artikel 92, derde lid, van de verordening kapitaalvereisten berekende totaal van risicoposten.
**3.** Indien op een onderneming een systeemrelevantiebuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, of een systeemrisicobuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van toepassing is, wordt de totale toepasselijke omvang van die buffercomponenten bepaald op de wijze, genoemd in artikel 131, veertiende tot en met zeventiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**4.**
De ingevolge de artikelen 105a en 105d vereiste omvang van de in het eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde componenten wordt gedurende de hierna genoemde perioden vermenigvuldigd met de daarbij vermelde percentages:
a. tot en met 31 december 2015: 0 procent;
b. voor de duur van het kalenderjaar 2016: 25 procent;
c. voor de duur van het kalenderjaar 2017: 50 procent;
d. voor de duur van het kalenderjaar 2018: 75 procent.
**3.** Indien op een onderneming een systeemrelevantiebuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, of een systeemrisicobuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van toepassing is, wordt de totale toepasselijke omvang van die buffercomponenten bepaald op de wijze, genoemd in artikel 131, veertiende en vijftiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 105a
@ -2078,42 +2069,40 @@ De kapitaalconserveringsbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel a,
### Artikel 105b
**1.** De contracyclische kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel b, is gelijk aan het overeenkomstig artikel 140 van de richtlijn kapitaalvereisten berekende gewogen gemiddelde van de contracyclischebufferpercentages die de betrokken bank of beleggingsonderneming dient toe te passen voor elke staat waar de relevante kredietblootstellingen van de onderneming gelegen zijn.
**1.** De contracyclische kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel b, is gelijk aan het overeenkomstig artikel 140 van de richtlijn kapitaalvereisten berekende gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages, bedoeld in artikel 128, onderdeel 7, van de richtlijn kapitaalvereisten, die de betrokken bank of beleggingsonderneming dient toe te passen voor elke staat waar de relevante kredietblootstellingen van de onderneming gelegen zijn.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt elk kwartaal het contracyclischebufferpercentage vast voor in Nederland gelegen kredietblootstellingen, met inachtneming van artikel 136, tweede tot en met zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt elk kwartaal het contracyclische bufferpercentage vast voor in Nederland gelegen kredietblootstellingen, met inachtneming van artikel 136, tweede tot en met zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** Ten aanzien van kredietblootstellingen, gelegen in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is, past de bank of beleggingsonderneming het contracyclischebufferpercentage toe dat door de ingevolge artikel 136, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat of staat is vastgesteld. Indien in plaats of in afwijking daarvan door de Nederlandsche Bank een percentage is vastgesteld overeenkomstig artikel 139, tweede of derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten of dat voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 137, eerste lid, en 140, tweede en derde lid van de richtlijn, past de bank of beleggingsonderneming dat percentage toe.
**3.** Ten aanzien van kredietblootstellingen, gelegen in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is, past de bank of beleggingsonderneming het contracyclische bufferpercentage toe dat door de ingevolge artikel 136, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat of staat is vastgesteld. Indien in plaats of in afwijking daarvan door de Nederlandsche Bank een percentage is vastgesteld overeenkomstig artikel 139, tweede of derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten of dat voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 137, eerste lid, en 140, tweede en derde lid van de richtlijn, past de bank of beleggingsonderneming dat percentage toe.
**4.** De Nederlandsche Bank maakt de door een bank of beleggingsonderneming ingevolge het tweede en derde lid toe te passen contracyclischebufferpercentages bekend door publicatie op haar website, met inachtneming van de artikelen 136, zevende lid, 137, tweede lid, en 139, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**4.** De Nederlandsche Bank maakt de door een bank of beleggingsonderneming ingevolge het tweede en derde lid toe te passen contracyclische bufferpercentages bekend door publicatie op haar website, met inachtneming van de artikelen 136, zevende lid, 137, tweede lid, en 139, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 105c
**1.**
**1.** De Nederlandsche Bank beoordeelt met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten of banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, alsmede groepen onder leiding van een Nederlandse EU-moederbank, Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming, Nederlandse financiële EU-moederholdings, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholdings, Nederlandse financiële moederholdings en Nederlandse gemengde financiële moederholdings mondiaal systeemrelevant of anderszins systeemrelevant zijn.
De Nederlandsche Bank beoordeelt of banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, alsmede Nederlandse financiële EU-moederholdings en Nederlandse gemengde financiële moederholdings:
**2.**
a. als mondiaal systeemrelevant worden aangemerkt, aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 131, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten; of
b. als anderzins systeemrelevant worden aangemerkt, aan de hand van de volgende criteria:
De beoordeling ingevolge het eerste lid van de anderszins systeemrelevantie geschiedt in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:
1°. de omvang van de onderneming;
2°. de verwevenheid van de activiteiten, de activa, de passiva of de zeggenschap van de onderneming met andere financiële ondernemingen of andere partijen die hoofdzakelijk actief zijn op de financiële markten;
3°. de mate van vervangbaarheid van de dienstverlening van de onderneming;
4°. de belemmeringen die bestaan ten aanzien van de afwikkelbaarheid van de onderneming;
5°. de mate waarin een gedraging van de onderneming of van een derde ten aanzien van de onderneming op de financiële markten kan leiden tot gedragingen van andere partijen die actief zijn op de financiële markten.
a. de omvang van de onderneming;
b. de verwevenheid van de activiteiten, de activa, de passiva of de zeggenschap van de onderneming met andere financiële ondernemingen of andere partijen die hoofdzakelijk actief zijn op de financiële markten;
c. de mate van vervangbaarheid van de dienstverlening van de onderneming;
d. de belemmeringen die bestaan ten aanzien van de afwikkelbaarheid van de onderneming;
e. de mate waarin een gedraging van de onderneming of van een derde ten aanzien van de onderneming op de financiële markten kan leiden tot gedragingen van andere partijen die actief zijn op de financiële markten;
f. de complexiteit van de onderneming, met inbegrip van complexiteit in verband met grensoverschrijdende activiteiten.
**2.** De beoordeling ingevolge het eerste lid van de systeemrelevantie van een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding vindt plaats op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt voor de banken, beleggingsondernemingen en groepen die op grond van het eerste lid als mondiaal systeemrelevant danwel anderszins systeemrelevant zijn aangemerkt de vereiste omvang van de MSI-buffer danwel ASI-buffer vast met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten. Indien de Nederlandsche Bank een groep onder leiding van een Nederlandse financiële EU-moederholding, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding, Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding als systeemrelevant heeft aangemerkt, is de systeemrelevantiebuffer van toepassing op de banken en beleggingsondernemingen die dochteronderneming van die holding zijn, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
**3.** De Nederlandsche Bank voert de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, ten minste jaarlijks uit. Onze Minister kan de Nederlandsche Bank op ieder moment verzoeken een beoordeling uit te voeren.
**4.** De Nederlandsche Bank voert de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, ten minste jaarlijks uit. Onze Minister kan de Nederlandsche Bank op ieder moment verzoeken een beoordeling uit te voeren.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde criteria. Tevens kunnen bij ministeriële regeling aanvullende criteria worden vastgesteld in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde criteria. Tevens kunnen bij ministeriële regeling aanvullende criteria worden vastgesteld in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel.
**6.** De Nederlandsche Bank stelt ten minste dertig dagen voordat zij een besluit tot vaststelling van een MSI-buffer of ASI-buffer als bedoeld in het derde lid neemt, Onze Minister op de hoogte van haar voornemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanig besluit. De verplichting tot kennisgeving aan Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, uitoefent.
### Artikel 105d
**1.** De systeemrelevantiebuffer is van toepassing op banken en beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 105c als systeemrelevant zijn aangemerkt. Indien de Nederlandsche Bank een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding als systeemrelevant heeft aangemerkt, is de systeemrelevantiebuffer van toepassing op de banken en beleggingsondernemingen die dochteronderneming van die holding zijn, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt de vereiste omvang van de systeemrelevantiebuffer vast. Deze buffer bedraagt een, anderhalf of twee procent, al naar gelang de mate waarin, gelet op de criteria, bedoeld in artikel 105c, eerste lid, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank het risico bestaat dat de situatie waarin de als systeemrelevant aangemerkte onderneming op enig moment zou kunnen komen te verkeren, de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar kan brengen. Indien de onderneming als mondiaal systeemrelevant is aangemerkt, kan de vereiste omvang van de buffer overeenkomstig artikel 131, negende tot en met elfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten en met inachtneming van artikel 131, veertiende tot en met zeventiende lid, van de richtlijn tevens worden vastgesteld op tweeënhalf of drieënhalf procent.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt ten minste dertig dagen voordat zij een besluit tot vaststelling van een systeemrelevantiebuffervereiste als bedoeld in het tweede lid neemt, Onze Minister op de hoogte van haar voornemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanig besluit. De verplichting tot kennisgeving aan Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, uitoefent.
Vervallen
### Artikel 105e
@ -2125,6 +2114,14 @@ De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van de artikelen 133 en 134 van de ri
**2.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de minimumomvang van het toetsingsvermogen ingevolge artikel 59, derde lid.
**3.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, beschikt over voldoende kapitaal dat naar aard, omvang en samenstelling noodzakelijk is om zowel te voldoen aan de kapitaalbuffer, als aan elk van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratios en aan de hogere eisen van solvabiliteit opgelegd op grond van artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel a, ter ondervanging van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.
**4.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratios of de hogere eisen van solvabiliteit en liquiditeit opgelegd op basis van 3:111a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ter ondervanging van andere risicos dan het risico van buitensporige hefboomwerking, of ter dekking van de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:111aa, eerste lid, van de wet, medegedeelde richtsnoeren voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.
**5.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van een van de componenten van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van een van de andere componenten van de kapitaalbuffer.
**6.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de risicogebaseerde onderdelen van de vereisten uit de artikelen 92 bis en 92 ter van de verordening kapitaalvereisten en de artikelen 45 quater en 45 quinquies van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
### Paragraaf 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer
### Artikel 105g
@ -2135,13 +2132,13 @@ De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van de artikelen 133 en 134 van de ri
### Artikel 105h
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, vermeldt tevens het maximaal uitkeerbare bedrag, bedoeld in artikel 105g, eerste lid, zoals berekend door de bank of beleggingsonderneming.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, van de wet, vermeldt tevens het maximaal uitkeerbare bedrag, bedoeld in artikel 105g, eerste lid, zoals berekend door de bank of beleggingsonderneming.
### Artikel 105i
**1.**
Het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, bevat:
Het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in artikel 3:62a, vierde lid, van de wet, bevat:
a. een schatting van de inkomsten en uitgaven en een balansverwachting;
b. een beschrijving van de maatregelen die de betrokken onderneming voornemens is te nemen om haar toetsingsvermogen te vergroten;
@ -2399,12 +2396,10 @@ Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldi
**1.**
De door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
De door een bank, als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. gegevens betreffende het eigen vermogen en financiële informatie als bedoeld in de artikelen 99 tot en met 101 van de verordening kapitaalvereisten;
b. gegevens betreffende het aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 394 van de verordening kapitaalvereisten;
c. gegevens betreffende de liquiditeit en informatie als bedoeld in de artikelen 412 tot en met 428 van de verordening kapitaalvereisten;
d. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden depositos die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel.
a. gegevens betreffende rapportageverplichtingen ingevolge de verordening kapitaalvereisten;
b. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden depositos die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
**2.** De door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 325 van de verordening solvabiliteit II.
@ -2433,7 +2428,7 @@ a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende financiële gegevens ten be
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
c. voor zover van toepassing een opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
**6.** De door een bank als bedoeld in artikel 3:77 van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, ten behoeve van de doeleinden, genoemd in artikel 40 van de richtlijn kapitaalvereisten.
**6.** De door een bank als bedoeld in artikel 3:77 van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten behoeve van de doeleinden, genoemd in artikel 40 van de richtlijn kapitaalvereisten.
**7.**
@ -2467,6 +2462,13 @@ b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, van de wet.
**11.**
De door een bank als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken informatie omvat uitsluitend de gegevens:
a. genoemd in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel a tot en met g, van de richtlijn kapitaalvereisten;
b. andere door de Nederlandsche Bank voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel h, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 131
**1.**
@ -2486,7 +2488,7 @@ h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze
De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel c en zesde lid;
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 415 van de verordening kapitaalvereisten;
b. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, vierde lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, vierde, onderdeel b, onder 2°; en
c. vier maal per jaar voor de overige in artikel 130, eerste en vierde lid, genoemde staten;
d. twee maal per jaar voor de in artikel 130, vijfde lid, genoemde staten;