2021-01-01 | BWBR0007671 | Arbeidstijdenwet
This commit is contained in:
parent
4127556c2e
commit
730b66a90d
1 changed files with 47 additions and 34 deletions
|
|
@ -93,10 +93,7 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaa
|
|||
a. de ondernemingsraad, ingesteld overeenkomstig de Wet op de ondernemingsraden;
|
||||
b. een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden;
|
||||
c. een medezeggenschapscommissie ingesteld op grond van de krachtens de artikelen 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en 12 van de Wet ambtenaren defensie gestelde regels;
|
||||
d. het uit en door het personeel gekozen deel van:
|
||||
|
||||
1°. de medezeggenschapsraad of deelraad, en de dienstraad, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
|
||||
2°. de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992;
|
||||
d. het uit en door het personeel gekozen deel van de medezeggenschapsraad, deelraad, dienstraad, universiteitsraad of faculteitsraad als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
|
||||
e. het uit en door het personeel gekozen deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen;
|
||||
f. een medezeggenschapsregeling voor de in artikel 53b van de Wet op de ondernemingsraden bedoelde ambtenaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -225,7 +222,7 @@ e. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone, met uitzondering van d
|
|||
|
||||
### Artikel 2:9
|
||||
|
||||
**1.** Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht aan boord van een zeeschip, dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee, op een van de in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen, op de Westerschelde, haar mondingen of op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, of in de haven van Scheveningen, door personen die behoren tot de bemanning van dat zeeschip.
|
||||
**1.** Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht aan boord van een zeeschip, dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee, op een van de in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen, op de Westerschelde, haar mondingen of op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, door personen die behoren tot de bemanning van dat zeeschip.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is deze wet van toepassing op havensleepboten en op duikwerkzaamheden ten behoeve van mijnbouwinstallaties, verricht op of vanaf zeeschepen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,7 +343,7 @@ De werkgever houdt, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, bi
|
|||
|
||||
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het bewaren van de gegevens en bescheiden met betrekking tot de in dit artikel neergelegde registratieverplichting.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, betrekking heeft op de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid, wordt de voordracht van die algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen.
|
||||
**5.** Indien de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, betrekking heeft op de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid, wordt de voordracht van die algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.2. Jeugdige werknemers
|
||||
|
||||
|
|
@ -633,7 +630,7 @@ a. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen;
|
|||
b. personen, werkzaam aan boord van luchtvaartuigen, zee- of binnenschepen;
|
||||
c. loodsen.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen.
|
||||
**3.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.4. Vrijstelling en ontheffing
|
||||
|
||||
|
|
@ -653,29 +650,35 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5:15
|
||||
|
||||
**1.** Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke voortvloeien uit de op artikel 5:12, tweede lid, of artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen of paragraaf 5.2 van toepassing zijn, geldt elk van die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid.
|
||||
**1.** Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels van toepassing zijn die voortvloeien uit deze wet of de daarop berustende bepalingen, geldt tijdens die dienst elk van die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke hetzij voortvloeien uit de op artikel 5:12, tweede lid, berustende bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf 5.2 en de op artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en waarbij één van die regels op ten minste driekwart van de arbeid tijdens die dienst van toepassing is met een minimum van ten minste 1 uur, geldt uitsluitend die regel gedurende die gehele dienst.
|
||||
**2.** Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels van toepassing zijn en een van die regels van toepassing is op ten minste driekwart van de arbeidstijd, met een minimum van 1 uur, geldt in afwijking van het eerste lid, gedurende de gehele dienst uitsluitend die regel.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien het tweede lid niet van toepassing is en een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke hetzij voortvloeien uit de op artikel 5:12, tweede lid, berustende bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf 5.2 en de op artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en waarbij twee of meer van die regels elk ten minste 1 uur tijdens het verrichten van die arbeid van toepassing zijn, geldt:
|
||||
Indien een werknemer tijdens een dienst, die ten minste 1 uur duurt, arbeid verricht waarop meerdere regels van toepassing zijn en het tweede lid niet van toepassing is, geldt, indien het een:
|
||||
|
||||
a. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 9 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren,
|
||||
b. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 12 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
|
||||
a. jeugdige werknemer betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 9 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren;
|
||||
b. werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 12 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Indien een werknemer arbeid verricht in een dienst waarop een regel, welke voortvloeit uit een op artikel 5:12, tweede lid, of artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepaling, of paragraaf 5.2, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is en deze dienst wordt gevolgd door een dienst waarop een andere regel, welke voortvloeit uit een op artikel 5:12, tweede lid, of artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepaling, of paragraaf 5.2, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is, geldt:
|
||||
Indien een werknemer arbeid verricht in een dienst waarop een regel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is en deze dienst wordt gevolgd door een andere dienst waarop een andere regel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geldt, indien het een:
|
||||
|
||||
a. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tussen deze 2 diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren,
|
||||
b. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tussen deze diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
|
||||
a. jeugdige werknemer betreft, dat hij tussen deze diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren;
|
||||
b. werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tussen deze diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de toepassing van dit artikel wordt Verordening (EG) nr. 561/2006 in acht genomen.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels van toepassing zijn die voortvloeien uit artikel 5:12, tweede lid, onder a, voor zover het betreft motorrijtuigen, geldt dat hij:
|
||||
|
||||
a. tijdens die dienst ten hoogste 12 uren arbeid verricht;
|
||||
b. binnen 24 uren na aanvang van deze dienst een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren heeft; en
|
||||
c. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 45 uren heeft, waarbij deze periode aanvangt op het eerste tijdstip van de dag waarop dit lid van toepassing is.
|
||||
|
||||
**6.** De werknemer die bij meer dan één werkgever arbeid verricht, verstrekt aan ieder van die werkgevers uit eigen beweging tijdig de voor de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen nodige inlichtingen betreffende zijn arbeid.
|
||||
|
||||
**7.** De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen arbeid verricht in strijd met dit artikel.
|
||||
**7.** Iedere werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen arbeid verricht in strijd met dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 5:16
|
||||
|
||||
|
|
@ -727,13 +730,13 @@ b. arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbe
|
|||
|
||||
**2.** Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 8:1, eerste lid, 8:3a, eerste lid, en 10:5, eerste lid, wordt genomen namens Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 8:1, tweede, en 10:5, tweede lid, voor zover het betreft de arbeid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt genomen namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**3.** Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 8:1, tweede, en 10:5, tweede lid, voor zover het betreft de arbeid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt genomen namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Paragraaf . Vrijstelling en ontheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 7:3
|
||||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2:7, eerste lid, 4:3, tweede tot en met vierde lid, en 5:12, tweede lid, kan aan Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tezamen of aan één van beiden de bevoegdheid worden toegekend omtrent het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2:7, eerste lid, 4:3, tweede tot en met vierde lid, en 5:12, tweede lid, kan aan Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat tezamen of aan één van beiden de bevoegdheid worden toegekend omtrent het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf . Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
|
||||
|
||||
|
|
@ -764,21 +767,21 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de goedkeuring, verlening, afgifte, weigering, schorsing, intrekking of inname door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van het middel:
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de goedkeuring, verlening, afgifte, weigering, schorsing, intrekking of inname door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van het middel:
|
||||
|
||||
a. terzake van een deugdelijke registratie als bedoeld in artikel 4:3, tweede en derde lid, ten aanzien van arbeid verricht door personen werkzaam in of op motorrijtuigen;
|
||||
b. ten behoeve van de controle op een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden ten aanzien van arbeid verricht door personen werkzaam in of op motorrijtuigen, bedoeld in artikel 8:5;
|
||||
c. bedoeld in artikel 9:2 ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herstellen van een apparaat als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, alsmede van het vastleggen en doorgeven van de daarin opgeslagen gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 7:7
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu houdt een registratie bij van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en daarbij behorende gegevens van betrokkenen.
|
||||
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat houdt een registratie bij van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en daarbij behorende gegevens van betrokkenen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen worden verwerkt in het belang van een goede uitvoering en handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften met betrekking tot een rechtmatig bezit en gebruik van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens aan belanghebbenden voor zover zulks in het belang is van een goede uitvoering en handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften met betrekking tot een rechtmatig bezit en gebruik van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en over de wijze van verwerken van deze gegevens.
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens aan belanghebbenden voor zover zulks in het belang is van een goede uitvoering en handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften met betrekking tot een rechtmatig bezit en gebruik van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en over de wijze van verwerken van deze gegevens.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Toezicht
|
||||
|
||||
|
|
@ -792,7 +795,7 @@ c. bedoeld in artikel 9:2 ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herste
|
|||
|
||||
**2.** Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van arbeid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast of mede belast de door hem aangewezen andere ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren worden aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister en die andere minister gezamenlijk. Indien Onze Minister ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen aanwijst, doet hij dit in overeenstemming met de desbetreffende besturen.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt het aldaar bedoelde besluit, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, genomen door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt het aldaar bedoelde besluit, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, genomen door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
|
||||
|
||||
**4.** Van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de voorgaande leden wordt mededeling gedaan door plaatsing in de *Staatscourant*.
|
||||
|
||||
|
|
@ -804,9 +807,9 @@ c. bedoeld in artikel 9:2 ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herste
|
|||
|
||||
### Artikel 8:2
|
||||
|
||||
**1.** Een toezichthouder kan bevelen, dat, indien artikel 3:2, eerste lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden, een kind de arbeid staakt.
|
||||
**1.** Een toezichthouder kan bevelen, dat, indien artikel 3:2, eerste lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden of dreigt te worden overtreden, een kind de arbeid staakt of niet aanvangt.
|
||||
|
||||
**2.** Een toezichthouder kan bevelen dat, indien arbeid wordt verricht die naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids- en rusttijden of deugdelijke registratie, voor zover aangeduid als overtredingen in de zin van artikel 10:1 of zijn aangemerkt als economische delicten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economisch delicten, een kind, de werknemer of een persoon als bedoeld in artikel 2:7, die arbeid staakt tot op een nader te bepalen tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is onderscheidenlijk deugdelijk kan worden uitgevoerd.
|
||||
**2.** Een toezichthouder kan bevelen dat, indien arbeid wordt verricht of dreigt te worden verricht die naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids- en rusttijden of deugdelijke registratie, voor zover aangeduid als overtredingen in de zin van artikel 10:1 of zijn aangemerkt als economische delicten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economisch delicten, een kind, de werknemer of een persoon als bedoeld in artikel 2:7, die arbeid staakt of niet aanvangt tot op een nader te bepalen tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is onderscheidenlijk deugdelijk kan worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover het in het eerste en tweede lid bedoelde bevel op enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, wordt zij binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk bevestigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -848,7 +851,7 @@ De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit hoofde v
|
|||
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanvraag en het gebruik van middelen door toezichthouders ten behoeve van de controle op een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden ten aanzien van arbeid verricht door personen werkzaam in of op motorrijtuigen.
|
||||
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 8:6
|
||||
|
||||
|
|
@ -856,9 +859,9 @@ De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit hoofde v
|
|||
|
||||
**2.** Een ieder is op eerste vordering verplicht tot afgifte van een door hem gehouden middel als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Een ingevorderd middel wordt met een door de toezichthouder opgemaakt rapport inzake de toedracht van vordering tot afgifte gezonden aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**3.** Een ingevorderd middel wordt met een door de toezichthouder opgemaakt rapport inzake de toedracht van vordering tot afgifte gezonden aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
**4.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**4.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.5. Gegevensuitwisseling
|
||||
|
||||
|
|
@ -878,7 +881,7 @@ De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit hoofde v
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 9. Zelfstandige bestuursorganen
|
||||
|
||||
### Paragraaf . Dienst Wegverkeer
|
||||
### Paragraaf 9.1. Dienst Wegverkeer
|
||||
|
||||
### Artikel 9:1
|
||||
|
||||
|
|
@ -898,7 +901,17 @@ a. de erkenning van de natuurlijke of rechtspersonen, bedoeld in artikel 9:1, ee
|
|||
b. de aanvraag en het gebruik van middelen ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herstellen van een apparaat als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, alsmede van het vastleggen en doorgeven van de daarin opgeslagen gegevens;
|
||||
c. de aanvraag van een goedkeuring als bedoeld in artikel 9:1, derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**2.** De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.2. Exameninstantie installateur en reparateur tachograaf
|
||||
|
||||
### Artikel 9:3
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een instantie aanwijzen die belast is met het afnemen van een examen en het afgeven van een diploma met betrekking tot het installeren, onderzoeken of herstellen van een apparaat ter controle als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De instantie, aangewezen op grond van het eerste lid, kan een tarief vaststellen voor het examen, bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het examen en het diploma, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. Bestuursrechtelijke handhaving
|
||||
|
||||
|
|
@ -943,7 +956,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft legt een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen aangewezen ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
|
||||
**2.** Voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft legt een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen aangewezen ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
|
||||
|
||||
**3.** De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -969,7 +982,7 @@ Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien een gedraging die in strijd is me
|
|||
|
||||
**5.** In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes, bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
|
||||
**6.** Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1123,7 +1136,7 @@ Waar in deze wet niet anders wordt bepaald, wordt de voordracht tot een algemene
|
|||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag, tenzij zulks betrekking heeft op de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt of middelen afgegeven, op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen voor de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid, alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag voor die onderscheiden categorieën van arbeid.
|
||||
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt of middelen afgegeven, op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen voor de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid, alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag voor die onderscheiden categorieën van arbeid.
|
||||
|
||||
**3.** Het aan het goedkeuren, aan het toezicht en aan de erkenning, bedoeld in artikel 9:1, verbonden tarief alsmede de wijze van betaling daarvan worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer en kunnen voor verschillende vormen van toezicht en verschillende soorten van erkenningen verschillend worden gesteld. Artikel 4q, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue