2004-03-31 | BWBR0006264 | Besluit Infrastructuurfonds

This commit is contained in:
Coornhert 2004-03-31 12:00:00 +00:00
parent ae910dce9c
commit 73266e4b50

View file

@ -19,13 +19,14 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet Infrastructuurfonds;
b. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam;
c. samenwerkingsgebied: samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 van de Kaderwet bestuur in verandering;
d. groot project: investeringsproject, waarvan de geraamde kosten op grond van artikel 5 tenminste € 11 345.000 bedragen;
e. overig project: investeringsproject, waarvan de overeenkomstig artikel 5 geraamde kosten minder dan € 11 345.000 bedragen;
f. vaste subsidiebedrag: subsidie, waarop geen nacalculatie plaatsvindt en welke alleen kan worden bijgesteld op grond van wijzigingen van het algemene loon- en prijspeil;
g. landelijke infrastructuur: het hoofdwegennet, het landelijk railnet en het hoofdvaarwegennet, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet;
h. lokale infrastructuur: infrastructuur, gelegen binnen één gemeente en in beheer bij die gemeente en met een lokale functie;
i. regionale infrastructuur: infrastructuur niet behorende tot landelijke of lokale infrastructuur;
j. Besluit personenvervoer: Besluit personenvervoer, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van het Besluit personenvervoer 2000.
d. project: een ondeelbaar geheel aan werkzaamheden met als doel de aanleg van infrastructuur en met als kenmerken, dat tot de uitvoering van de werkzaamheden in beginsel alleen in zijn geheel kan worden besloten en dat een gefaseerde uitvoering van onderdelen, waarbij ieder onderdeel na voltooiing in gebruik kan worden genomen en effectief is, niet zonder aanzienlijke meerkosten mogelijk is;
e. groot project: een project waarvan de geraamde op grond van artikel 5 voor subsidie in aanmerking komende kosten ten minste € 225 000 000, bedragen of ten minste € 112 500 000, bedragen indien het een project voor regionale of lokale infrastructuur betreft dat geheel wordt gerealiseerd buiten de samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen;
f. overig project: een project waarvan de geraamde op grond van artikel 5 voor subsidie in aanmerking komende kosten minder dan € 225 000 000, bedragen of minder dan € 112 500 000, bedragen indien het een project betreft voor regionale of lokale infrastructuur dat geheel wordt gerealiseerd buiten samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen;
g. vaste subsidiebedrag: subsidie, waarop geen nacalculatie plaatsvindt en welke alleen kan worden bijgesteld op grond van wijzigingen van het algemene loon- en prijspeil;
h. landelijke infrastructuur: het hoofdwegennet, het landelijk railnet en het hoofdvaarwegennet, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet;
i. lokale infrastructuur: infrastructuur, gelegen binnen één gemeente en in beheer bij die gemeente en met een lokale functie;
j. regionale infrastructuur: infrastructuur gelegen binnen een provincie of samenwerkingsgebied, in beheer bij een provincie, gemeente of waterschap en met een regionale functie;
k. Besluit personenvervoer: Besluit personenvervoer, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van het Besluit personenvervoer 2000.
### Artikel 2
@ -56,7 +57,11 @@ Uit het fonds kunnen subsidies worden verstrekt op grond van de volgende wetten
- Regeling subsidies uitvoeringsprogramma duurzaam veilig
- Subsidieregeling transferpunten
- Subsidieregeling openbare inland terminals
- Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen.
- Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen
- Tijdelijke regeling eenmalige subsidies baggerplannen bebouwd gebied
- Regeling eenmalige uitkering baggerwerkzaamheden bebouwd gebied
- Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie
- Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast.
### Artikel 3
@ -75,7 +80,14 @@ b. medewerking te verlenen aan een door of vanwege gedeputeerde staten ondersche
**2.** Onze Minister kan afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor de onderscheiden onderdelen van dit besluit.
**3.** Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.
**3.**
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag rekening houdend met:
a. de mate waarin een project de doelstellingen van het nationaal verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de nota voor het nationaal ruimtelijk beleid, en het nationale milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, tot uitvoering brengt;
b. het stadium van voorbereiding van een project;
c. de hoogte van het subsidiebedrag dat is aangevraagd, en
d. de verplichtingen die ten laste van de begroting van het Infrastructuurfonds komen op grond van eerder afgegeven beschikkingen.
**4.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen bij de beschikking tot weigering van het verlenen van subsidie op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat in het daaropvolgende begrotingsjaar, zonder nieuwe indiening van de aanvraag, opnieuw een beschikking op de aanvraag wordt gegeven.
@ -94,19 +106,16 @@ d. een opgave van de kostenelementen, die ten laste van andere kostendragers kun
e. een raming van de inkomsten uit het project;
f. een opgave van de stand van zaken met betrekking tot de voor de uitvoering noodzakelijke wettelijke procedures;
g. een raming van het gebruik, dat van het beoogde project zal worden gemaakt en de verwachte effecten daarvan;
h. andere door Onze Minister noodzakelijk geachte gegevens.
h. de functie van het project in het openbaar vervoernetwerk, de exploitatiegevolgen voor het openbaar vervoernetwerk en de financiering van beheer en instandhouding van het project;
i. andere door Onze Minister noodzakelijk geachte gegevens.
**2.** Een subsidie voor een groot project gelegen in een samenwerkingsgebied kan uitsluitend worden aangevraagd door het dagelijks bestuur, een publiekrechtelijk rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, provincie of een waterschap, of een privaatrechtelijk rechtspersoon, niet zijnde een regionaal of lokaal vervoerbedrijf welke in het betrokken samenwerkingsgebied openbaar vervoer verricht.
**3.** De aanvrager van een subsidie voor een groot project gelegen in een samenwerkingsgebied verschaft Onze Minister tevens inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid, dat daarvoor van belang is.
**3.** Indien de aanvraag betrekking heeft op een groot project voor regionale of lokale infrastructuur, en de aanvrager in aanmerking meent te komen voor toepassing van artikel 9, vierde lid, onderdeel a of b, voegt de aanvrager een onderbouwing toe op grond waarvan de aanvrager hiervoor in aanmerking meent te komen.
**4.** Indien een subsidie voor een groot project gelegen in een samenwerkingsgebied wordt aangevraagd door het dagelijks bestuur wordt het inzicht, bedoeld in het derde lid, verschaft door overlegging van een regionaal verkeers- en vervoerplan.
**4.** Een aanvrager van een subsidie voor een groot project toont aan dat het project is opgenomen in een provinciaal verkeers- en vervoerplan, dan wel, indien het project is gelegen in een samenwerkingsgebied, in een regionaal verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16 van de Planwet verkeer en vervoer.
**5.** Indien een subsidie voor een groot project gelegen buiten een samenwerkingsgebied wordt aangevraagd wordt het inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid, dat daarvoor van belang is, verschaft door overlegging van een regionaal verkeers- en vervoerplan, een gemeentelijk verkeers- en vervoerplan, een provinciaal verkeers- en vervoerplan of van een besluit van provinciale staten, dat inzicht verschaft in de onderlinge samenhang tussen het betrokken project en het provinciaal verkeers- en vervoerbeleid.
**6.** Ingeval een gemeentelijk verkeers- en vervoerplan wordt overgelegd wordt tevens een verklaring van provinciale staten overgelegd dat het betrokken project past binnen het bestaande dan wel toekomstige provinciaal verkeers- en vervoerbeleid.
**7.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden nadere regels geven.
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op een groot project dat onderdeel uitmaakt van het landelijk railnet.
### Artikel 5
@ -123,12 +132,13 @@ f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infr
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door Onze Minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en voorzover het infrastructuur als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, betreft, ook geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft;
k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het betreft projecten ten behoeve van het openbaar vervoer, van het goederenvervoer over de rail en van vaarwegen.
j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en voorzover het regionale of lokale openbaar vervoerinfrastructuur betreft, ook geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft;
k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het betreft projecten ten behoeve van het openbaar vervoer, van het goederenvervoer over de rail en van vaarwegen;
l. onvoorziene omstandigheden bij grote projecten met betrekking tot regionale of lokale infrastructuur, voorzover de kosten betrekking hebben op de kosten, genoemd in de onderdelen a tot en met i.
**2.** De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts tot een in redelijkheid als noodzakelijk te beschouwen hoogte in aanmerking genomen.
**3.** De kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel *k*, bedragen voor projecten ten behoeve van het openbaar vervoer en van het goederenvervoer zestien procent en voor projecten ten behoeve van vaarwegen tien procent van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen *e, f* en *g*.
**3.** De kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, bedragen voor projecten ten behoeve van het openbaar vervoer en van het goederenvervoer zestien procent en voor projecten ten behoeve van vaarwegen tien procent van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g.
**4.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid stelt Onze Minister, indien het een subsidie betreft voor projecten ten behoeve van het landelijk railnet, de in dat lid genoemde kosten per soort van investering nader vast.
@ -146,9 +156,11 @@ k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het betreft projecten ten
**2.** De subsidie wordt verleend voor de werkelijk te maken kosten, tenzij de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag wordt verleend.
**3.** Bij het verlenen van de subsidie worden de kosten, welke naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, buiten beschouwing gelaten.
**3.** Een subsidie voor een groot project met betrekking tot regionale of lokale infrastructuur wordt uitsluitend verleend voor in de beschikking omschreven functionele eisen in de vorm van een vast subsidiebedrag, dat is gebaseerd op de kosten van de meest kosteneffectieve variant. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de variant die naar het oordeel van Onze Minister , op basis van de studies van de subsidieaanvrager ter voorbereiding van de aanvraag als het meest kosteneffectief kan worden aangemerkt.
**4.** Niet voor een subsidie komen in aanmerking de kosten van wegverharding in geval van achterstallig onderhoud aan het gehele betrokken wegdek; in geval van achterstallig onderhoud aan een gedeelte van het betrokken wegdek wordt de subsidie naar evenredigheid met de mate van achterstallig onderhoud verminderd.
**4.** Bij het verlenen van de subsidie worden de kosten, welke naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, buiten beschouwing gelaten.
**5.** Niet voor een subsidie komen in aanmerking de kosten van wegverharding in geval van achterstallig onderhoud aan het gehele betrokken wegdek; in geval van achterstallig onderhoud aan een gedeelte van het betrokken wegdek wordt de subsidie naar evenredigheid met de mate van achterstallig onderhoud verminderd.
### Artikel 8
@ -158,20 +170,29 @@ Vervallen
**1.**
Wanneer een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor een investering wordt verleend, bedraagt deze met inachtneming van het tweede lid als percentage van de op grond van artikel 5 in aanmerking komende kosten voor:
Een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, bedraagt, met inachtneming van het tweede lid, als percentage van de op grond van artikel 5 in aanmerking komende kosten voor:
a. het landelijk railnet honderd procent; indien het infrastructuur betreft hoofdzakelijk ten behoeve van het internationale vervoer over railwegen kan Onze Minister een ander percentage vaststellen;
b. de regionale of lokale openbaar vervoer infrastructuur, waaronder infrastructuur ten behoeve van bussen, vijfennegentig procent;
c. aanleg van een stationsplein met inbegrip van de daarbij behorende voorzieningen alsmede dergelijke voorzieningen op een bestaand stationsplein vijftig procent;
d. voorzieningen aan het regionale of lokale wegennet of fietswegennet vijftig procent;
e. voorzieningen met betrekking tot de veiligheid van het wegverkeer vijftig procent; indien de subsidie bestemd is voor herinrichting van verblijfsgebieden als 30-km zone, dient de aaneengesloten oppervlakte van dit gebied minimaal tien hectare te bedragen;
f. studies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, vijftig procent met een maximum van € 2 270 000 voor zover de kosten niet als bestuurskosten van de aanvrager kunnen worden aangemerkt;
g. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer vijfentwintig procent.
b. een groot project: voor regionale of lokale infrastructuur honderd procent van de kosten van de variant die naar het oordeel van Onze Minister als meest kosteneffectief kan worden aangemerkt, onder aftrek van € 225 000 000, indien dat project geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd binnen één of meer van de samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen of onder aftrek van € 112 500 000, indien dat project geheel in een ander gebied wordt gerealiseerd.
c. voorzieningen met betrekking tot de veiligheid van het wegverkeer vijftig procent; indien de subsidie bestemd is voor herinrichting van verblijfsgebieden als 30-km zone, dient de aaneengesloten oppervlakte van dit gebied minimaal tien hectare te bedragen;
d. studies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, vijftig procent voor zover de kosten niet als bestuurskosten van de aanvrager kunnen worden aangemerkt;
e. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer vijfentwintig procent.
**2.** Bij de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen wordt rekening gehouden met het juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Indien bij de verlegging de kabels of leidingen gelijktijdig worden vervangen wordt een aftrek toegepast, welke wordt berekend op basis van de resterende economische levensduur van de kabels of leidingen.
**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel *a*, kan Onze Minister voor de subsidie voor een investering ten behoeve van railinfrastructuur uitsluitend bestemd voor vervoer van goederen een lager percentage vaststellen.
**4.**
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan Onze Minister een lager bedrag dan € 225 000 000, onderscheidenlijk € 112 500 000, aftrekken in geval:
a. de financiële draagkracht van de aanvrager hiertoe aanleiding geeft;
hiervan is in ieder geval sprake indien de hoogte van de doeluitkering voor de provincie of het regionaal openbaar lichaam waarin het project is gelegen, in het jaar waarin de aanvraag is ingediend, vermenigvuldigd met vijf, gelijk is aan of lager is dan € 225 000 000, dan wel gelijk is of lager is dan € 112 500 000,; of
b. het project een functie heeft die naar het oordeel van Onze Minister het regionale of lokale belang aanmerkelijk te boven gaat.
**5.** Indien reeds subsidie is verleend voor de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt deze bij de verlening van een subsidie voor de overige kosten, genoemd in artikel 5, eerste lid, in mindering gebracht.
### Artikel 10
Indien een groot project anders wordt aanbesteed dan openbaar of met voorafgaande selectie, kan Onze Minister vooraf toetsen of aan de regelgeving terzake is voldaan.
@ -207,11 +228,13 @@ d. de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verl
**5.** De subsidie-ontvanger dient jaarlijks binnen vier maanden na afloop van het betrokken kalenderjaar een financiële verantwoording, voorzien van een accountants-verklaring, in. Onze Minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn twee keer met telkens ten hoogste twee maanden verlengen. Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**6.** In geval van snellere voortgang van het werk dan voorzien bij de subsidieverlening kan, in afwijking van het tweede lid, het bedrag dat aan voorschotten kan worden verleend, worden verhoogd voor zover dat inpasbaar is binnen de begroting van het fonds. De rentekosten van de voorfinanciering van de versnelling worden niet vergoed.
**6.** In afwijking van het vijfde lid dient de subsidie-ontvanger tenzij bij de subsidieverlening anders wordt bepaald na afloop van het kalenderjaar geen financiële verantwoording voorzien van een accountantsverklaring in.
**7.** Een voorschot wordt betaald binnen acht weken na ontvangst van de declaratie, bedoeld in het derde lid.
**7.** In geval van snellere voortgang van het werk dan voorzien bij de subsidieverlening kan, in afwijking van het tweede lid, het bedrag dat aan voorschotten kan worden verleend, worden verhoogd voor zover dat inpasbaar is binnen de begroting van het fonds. De rentekosten van de voorfinanciering van de versnelling worden niet vergoed.
**8.** Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend, kan de subsidie-ontvanger een suppletoire aanvraag indienen. De artikelen 4 tot en met 9 en 12 zijn voor zover nodig van toepassing.
**8.** Een voorschot wordt betaald binnen acht weken na ontvangst van de declaratie, bedoeld in het derde lid.
**9.** Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend, kan de subsidie-ontvanger een suppletoire aanvraag indienen. De artikelen 4 tot en met 9 en 12 zijn voor zover nodig van toepassing.
### Artikel 14
@ -227,6 +250,8 @@ d. de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verl
**2.** Indien de subsidie-ontvanger geen aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft ingediend binnen de in artikel 14, eerste lid, bedoelde termijn stelt Onze Minister de subsidie ambtshalve vast binnen twaalf weken na het tijdstip waarop de betrokken termijn is verstreken.
**3.** Indien de werkelijke kosten lager zijn dan het bedrag dat als vast subsidiebedrag is verleend, besteedt de subsidieontvanger het verschil aan infrastructurele maatregelen overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
### Artikel 15
Vervallen
@ -243,7 +268,7 @@ Vervallen
**3.** De subsidie-ontvanger neemt geen beslissing om het project niet tot uitvoering te brengen dan na instemming van Onze Minister.
**4.** De artikelen 4, eerste, tweede en zevende lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 10, 11, tweede lid, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
**4.** De artikelen 4, eerste en tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste, tweede en vierde lid, 10, 11, tweede lid, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
**5.** Indien voor een project waarvoor krachtens het eerste lid een subsidie is verstrekt, uiteindelijk een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt verleend, brengt Onze Minister het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, in mindering op de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
@ -265,7 +290,7 @@ e. inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid.
**4.** Onze Minister kan bij zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid de in dat lid bedoelde kosten nader specificeren, dan wel de subsidie in afwijking van het derde lid verlenen in de vorm van een vast subsidiebedrag, dat echter niet hoger mag zijn dan vijftig procent van de op grond van het eerste lid in aanmerking komende kosten.
**5.** De artikelen 4, tweede en zevende lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 10, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.
**5.** De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste, tweede en vierde lid, 10, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.
### Artikel 16b
@ -273,7 +298,7 @@ e. inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid.
**2.** De subsidie bedraagt vijfennegentig procent van de in aanmerking komende kosten van evaluatie.
**3.** De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.** De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste, tweede en vierde lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 3. Subsidies voor overige projecten
@ -288,16 +313,11 @@ d. Publiekrechtelijke rechtspersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen ten be
### Artikel 16d
**1.** Aanvragen om een subsidie voor overige projecten vinden plaats overeenkomstig artikel 4.
**1.** Aanvragen om een subsidie voor overige projecten vinden plaats overeenkomstig artikel 4, eerste lid.
**2.** Onze Minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de artikelen 6, 10, 11 en 12 met dien verstande dat in artikel 10 in plaats van 'groot project' moet worden gelezen: project, waarvan de geraamde kosten op grond van artikel 5 meer bedragen dan € 5 000 000.
**3.**
Deartikelen 5, 7, 9, 13, 14, 14a, 16a, 16aa en 16b zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 9, eerste lid, onderdeel *b*, in plaats van 'vijfennegentig procent' moet worden gelezen: tachtig procent;
b. indien een subsidie als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een projectgebonden onderzoek ten behoeve van de veiligheid van het wegverkeer de hoogte van de subsidie vijftig procent bedraagt van de kosten die overeenkomstig artikel 5 voor vergoeding in aanmerking komen.
**3.** De artikelen 5, 7, 9, eerste lid, onderdelen a, c en d, tweede en derde lid, 13 tot en met 14a, en 16a tot en met 16b, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een subsidie als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een projectgebonden onderzoek ten behoeve van de veiligheid van het wegverkeer de hoogte van de subsidie vijftig procent bedraagt van de kosten die overeenkomstig artikel 5 voor vergoeding in aanmerking komen.
### Paragraaf 4. Subsidies voor kapitaallasten en onderhoud van het landelijk railnet
@ -336,7 +356,7 @@ g. het loon- en prijspeil.
**5.** Onze Minister kan besluiten tot het vaststellen van een nieuw basisjaar met inachtneming van de dan geldende omstandigheden.
**6.** Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil. Artikel 7, derde lid, is van toepassing.
**6.** Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil. Artikel 7, vierde lid, is van toepassing.
**7.** Onverminderd het zesde lid kan Onze Minister het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie aanpassen wanneer een wijziging van het bijdragesysteem daartoe noodzaakt.
@ -405,43 +425,45 @@ b. aanleg en beheer en onderhoud van vaarwegen, ten behoeve van de binnenvaart,
**3.** Onze Minister houdt bij het bepalen van het subsidiebedrag rekening met het karakter van het experiment of het demonstratieproject en met de kosten die redelijkerwijs ten laste van de subsidie-ontvanger behoren te komen. Hij kan de subsidie verlenen in de vorm van een vast subsidiebedrag.
**4.** De artikelen 4, 5, 6, tweede en derde lid, 7, 8, 9, tweede lid, en 10 tot en met 14a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.
**4.** De artikelen 4, 5, 6, tweede en derde lid, 7, 8, 9, tweede lid, en 10 tot en met 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 8. Doeluitkeringen
### Artikel 29
Totdat de desbetreffende middelen worden toegevoegd aan het Provinciefonds en het Gemeentefonds, verstrekt Onze Minister aan de provincie een doeluitkering voor de bekostiging van overige projecten, dan wel van het aandeel van de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in een groot project dat buiten een samenwerkingsgebied in een provincie is gelegen.
**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks aan een provincie een doeluitkering voor de bekostiging van de projecten die in die provincie doch buiten een samenwerkingsgebied worden gerealiseerd, waarvoor Onze Minister ingevolge de artikelen artikel III, derde lid, en IV van het Wijzigingsbesluit Gebundelde doeluitkering, de subsidie heeft vastgesteld en die op 1 januari 2004 nog niet zijn voltooid.
**2.**
Gedeputeerde staten van de provincie wenden de doeluitkering voorzover de financiering van de voltooiing van de projecten, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd, aan voor:
a. de bekostiging van een overig project dat in die provincie en buiten een samenwerkingsgebied wordt gerealiseerd; of voor
b. de bekostiging van het eigen aandeel van de aanvrager voor een subsidie voor een groot project welke in de provincie en buiten een samenwerkingsgebied wordt gerealiseerd.
**3.** Gedeputeerde staten van de provincie kunnen bij de toepassing van het tweede lid bijdragen verstrekken aan een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen ten behoeve van overige projecten, dan wel van het eigen aandeel van de aanvrager van een subsidie voor een groot project dat in het gebied van het openbaar lichaam is gelegen.
### Artikel 30
**1.** Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de in de provincie gelegen gemeenten, met uitzondering van die gemeenten die zijn gelegen in een samenwerkingsgebied, stellen op basis van overleg en op basis van vastgestelde en in voorbereiding zijnde regionale verkeers- en vervoerplannen en provinciale plannen, voor zover deze betrekking hebben op verkeer en vervoer, een lijst op van overige projecten die in de eerstvolgende jaren worden uitgevoerd, waarbij per project wordt aangegeven welk bedrag in welk jaar uit de doeluitkering ter beschikking wordt gesteld.
**1.** Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de in de provincie gelegen gemeenten, met uitzondering van die gemeenten die zijn gelegen in een samenwerkingsgebied, tezamen met het dagelijks bestuur van de waterschappen die in de provincie wegen in beheer hebben, maken jaarlijks op basis van vastgestelde en in voorbereiding zijnde provinciale verkeers- en vervoerplannen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer, vóór 1 april afspraken over de besteding of reservering van de doeluitkering.
**2.** Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen gedeputeerde staten overleg met de naar hun oordeel betrokken waterschappen en andere publiekrechtelijke rechtspersonen, alsmede met de regionale vervoerbedrijven, die in de provincie, een samenwerkingsgebied uitgezonderd, het openbaar vervoer verrichten, omtrent hun wensen inzake op de lijst te plaatsen overige projecten.
**3.** Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen burgemeester en wethouders overleg met de lokale vervoerbedrijven, die in de gemeente het openbaar vervoer verrichten, omtrent hun wensen inzake op de lijst te plaatsen overige projecten.
**4.** Gedeputeerde staten bieden jaarlijks vóór 1 april provinciale staten de lijst van overige projecten aan, die zij tezamen met burgemeester en wethouders hebben opgesteld.
**5.** Indien het overleg met burgemeester en wethouders niet heeft geresulteerd in een gezamenlijke lijst, stellen gedeputeerde staten zelf een lijst op, die zij jaarlijks vóór 1 april aanbieden aan provinciale staten.
**6.** Provinciale staten stellen jaarlijks vóór 1 mei de lijst van overige projecten vast. Zij geven op de lijst per project aan welk bedrag in welk jaar uit de doeluitkering ter beschikking wordt gesteld. De lijst kan voor één of meer jaren worden vastgesteld.
**7.** Het besluit tot vaststelling van de lijst bevat tevens de beschikkingen tot verlening van de subsidie voor de op de lijst geplaatste projecten.
**8.** Provinciale staten kunnen de lijst herzien door het schrappen van geplaatste projecten of door projecten aan de lijst toe te voegen. Een project kan alleen worden geschrapt als het project niet binnen één jaar na dagtekening van de beschikking, bedoeld in het zevende lid, in uitvoering is genomen. Op de herziening zijn het eerste tot en met het zevende lid van overeenkomstige toepassing.
**2.** De afspraken voorzien in ieder geval in de wijze van verdelen, het tijdstip van betalen en de projecten waarvoor de doeluitkering wordt gereserveerd.
### Artikel 31
**1.** Onze Minister verstrekt voor de geldingsduur van de overeenkomstig de afdelingen 2, 3 en 7 van hoofdstuk 2 van de Kaderwet bestuur in verandering vastgestelde gemeenschappelijke regeling aan een regionaal openbaar lichaam een doeluitkering voor de bekostiging van overige projecten in het samenwerkingsgebied danwel van het eigen aandeel in een groot project.
**1.** Onze Minister verstrekt voor de geldingsduur van een overeenkomstig de afdelingen 2, 3 en 7 van hoofdstuk 2 van de Kaderwet bestuur in verandering vastgestelde gemeenschappelijke regeling jaarlijks aan het regionaal openbaar lichaam van het samenwerkingsgebied een doeluitkering voor de bekostiging in het kalenderjaar van de projecten die in dat samenwerkingsgebied worden gerealiseerd, waarvoor Onze Minister ingevolge de artikelen III, derde lid, en IV van het Wijzigingsbesluit Gebundelde doeluitkering, de subsidie heeft vastgesteld en die op 1 januari 2004 nog niet zijn voltooid.
**2.** Indien de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in het eerste lid, krachtens artikel 31, derde lid, van de Kaderwet bestuur in verandering voor een bepaalde periode is verlengd, verstrekt Onze Minister aan het regionaal openbaar lichaam in het eerste jaar van die periode voor die gehele periode opnieuw een doeluitkering voor de bekostiging van overige projecten in het samenwerkingsgebied.
**2.**
**3.** Voor zover in een samenwerkingsgebied wegen gelegen zijn die in beheer zijn bij de provincie of een waterschap pleegt het dagelijks bestuur alvorens besluiten te nemen omtrent de besteding van een doeluitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid overleg met die provincie of dat waterschap in haar onderscheidenlijk zijn hoedanigheid als wegbeheerder.
Het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam wendt de doeluitkering voorzover de financiering van de voltooiing van de projecten, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd, aan voor:
a. de bekostiging van een overig project dat in het samenwerkingsgebied wordt gerealiseerd; of voor
b. de bekostiging van het eigen aandeel van de aanvrager voor een subsidie voor een groot project welke in het samenwerkingsgebied wordt gerealiseerd.
**3.** Voor zover in het samenwerkingsgebied wegen gelegen zijn die in beheer zijn bij de provincie of bij een waterschap pleegt het dagelijks bestuur alvorens besluiten te nemen omtrent de besteding van de doeluitkering, bedoeld in het eerste lid, in overleg met gedeputeerde staten van die provincie of het dagelijks bestuur van dat waterschap die onderscheidenlijk dat wegbeheerder is.
### Artikel 32
**1.** Gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur verschaffen Onze Minister de gegevens, die nodig zijn voor de toepassing van artikel 36, eerste lid.
**1.** Gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur verschaffen Onze Minister de gegevens, die nodig zijn voor de toepassing van artikel 36, vierde lid.
**2.** Het gemeentebestuur en het bestuur van een waterschap verschaffen gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van het eerste lid.
@ -450,7 +472,7 @@ Totdat de desbetreffende middelen worden toegevoegd aan het Provinciefonds en he
Onze Minister kan de doeluitkering aanpassen:
a. aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil;
b. in het geval van wijziging van de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 36, derde lid, onderdeel *a*.
b. in het geval van wijziging van de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel b.
### Artikel 34
@ -464,28 +486,65 @@ Vervallen
**1.**
Onze Minister berekent de omvang van de doeluitkering voor iedere provincie onderscheidenlijk voor ieder regionaal openbaar lichaam afzonderlijk, als percentage van de voor de doeluitkeringen gezamenlijk beschikbare middelen, overeenkomstig de volgende formule: P = [0,5 * Ir/It + 0,25 * Mr/Mt + 0,125 * Vr/Vt + 0,125 * Zr/Zt] * 100%.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek;
b. de uitkeringsfactor: het voor het uitkeringsjaar voor de doeluitkering beschikbare bedrag gedeeld door het bedrag van € 332 000 000;
c. rastervierkanten: vierkanten van 500 bij 500 meter, zoals deze worden gebruikt in het geografisch basisregister van het CBS;
d. omgevingsadressendichtheid van een adres: het aantal adressen in de omgeving van het adres, gedeeld door het oppervlak in vierkante kilometers van de omgeving. De omgeving van een adres wordt gevormd door het rastervierkant, waarin het adres is gelegen en de twaalf meest nabij gelegen rastervierkanten;
e. regio: een samenwerkingsgebied, een provincie waarin geen samenwerkingsgebied is gelegen,of het deel van de provincie dat buiten een samenwerkingsgebied is gelegen.
f. gemiddelde omgevingsadressendichtheid: de gemiddelde omgevingsadressendichtheid van de adressen in een gemeente, in adressen per vierkante kilometer;
g. lokale dichtheidsfactor: het quotiënt van het aantal inwoners en het aantal werkzame personen in de gemeente en het aantal hectaren land in een gemeente, waarbij de bebouwde kom per gemeente is afgebakend op basis van rastervierkanten van 500 bij 500 meter waarin het aantal adressen 25 of meer bedraagt;
h. regionale dichtheidsfactor: het quotiënt van het aantal inwoners en het aantal werkzame personen en het aantal hectaren land, in een regio ;
i. potentiële regionale klanten: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in een gemeente.
**2.** De doeluitkering voor een provincie onderscheidenlijk een regionaal openbaar lichaam is het bedrag van de op de voet van het vierde lid voor die provincie of voor dat regionaal openbaar lichaam vastgestelde uitkeringsbasis vermenigvuldigd met de uitkeringsfactor.
**3.** De uitkeringsbasis, bedoeld in het tweede lid, is gebaseerd op de aantallen voor de regio 1 januari 2000 zoals die door het CBS zijn vastgesteld, voorzover in het vierde lid niet anders is bepaald.
**4.**
De uitkeringsbasis, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgedrukt in de volgende formule:
{(1,66 x INW) + (2,84 x INWoad1400) + (22,13 x INWoad2500) + (29,96 x INWoad3000inw) + (10,23 x INWoad1800dhr) + (5,02 x INWkprsdhr) + (3,19 x INWoad1800kprsdhr) + (2,21 x WP) + (6,36 x WPS) + (0,13 x WPdhk) + (0,13 x WPSdhk) + (3,32 x LAND) + (221,13 x OPPBEB) + (14,81 x VINEX)}.
Hierin betekent:
P: het percentage voor de desbetreffende provincie onderscheidenlijk het desbetreffende regionaal openbaar lichaam;
INW: het aantal inwoners per gemeente
Ir/It: de verhouding tussen het aantal inwoners van de gemeenten uit de twee meest verstedelijkte klassen in de provincie, uitgezonderd dat deel van de provincie dat samenvalt met een samenwerkingsgebied, onderscheidenlijk in het samenwerkingsgebied en dat aantal inwoners van Nederland op 1 januari van het meest recente jaar ten aanzien waarvan het Centraal Bureau voor de Statistiek de desbetreffende gegevens beschikbaar heeft, met dien verstande dat het aantal inwoners van gemeenten die behoren tot de zeer sterk stedelijke klasse met 5 wordt vermenigvuldigd;
INWoad1400: het aantal inwoners in gemeenten met een omgevingsadressendichtheid van meer dan 1400;
Mr/Mt: de verhouding tussen het jaarlijks gemiddelde aantal autokilometers in de provincie, uitgezonderd dat deel van de provincie dat samenvalt met een samenwerkingsgebied, onderscheidenlijk in het samenwerkingsgebied en dat aantal kilometers in Nederland, in de periode 1986-1992;
INWoad2500: het aantal inwoners in gemeenten met een omgevingsadressendichtheid van meer dan 2500;
Vr/Vt: de verhouding tussen het jaarlijks gemiddelde aantal personen, overleden ten gevolge van een verkeersongeval in de provincie, uitgezonderd dat deel van de provincie dat samenvalt met een samenwerkingsgebied, onderscheidenlijk in het samenwerkingsgebied en dat aantal in Nederland, in de periode 1990-1992;
INWoad3000inw: het aantal inwoners in gemeenten met een omgevingsadressendichtheid van meer dan 3000 en met meer dan 230 000 inwoners;
Zr/Zt: de verhouding tussen het jaarlijks gemiddelde aantal personen, opgenomen in een ziekenhuis ten gevolge van een verkeersongeval in de provincie, uitgezonderd dat deel van de provincie dat samenvalt met een samenwerkingsgebied, onderscheidenlijk in het samenwerkingsgebied en dat aantal in Nederland, in de periode 1990-1992.
INWoad1800dhr: het aantal inwoners in gemeenten met een omgevingsadressendichtheid van meer dan 1800, gelegen in een regio met een regionale dichtheidsfactor van meer dan 3,55;
**2.** Onze Minister stelt de verhoudingsgetallen, bedoeld in het eerste lid, vast aan de hand van gegevens, verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek; hij stelt de gemeenten uit de meest verstedelijkte klassen vast aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde gebiedsindelingenregister.
INWkprsdhr: het aantal inwoners in gemeenten met een aantal potentiële regionale klanten van meer dan 1,85 maal het eigen inwonertal, gelegen in een regio met regionale dichtheidsfactor van meer dan 3,55;
**3.**
INWoad1800kprsdhr: het aantal inwoners in gemeenten met een omgevingsadressendichtheid van meer dan 1800 en een aantal potentiële regionale klanten van meer dan 1,00 maal het eigen inwonertal, gelegen in een regio met een regionale dichtheidsfactor van meer dan 3,55;
Met betrekking tot de doeluitkering gelden voorts de volgende bepalingen:
WP: het aantal werkzame personen per gemeente zoals dat is de meest recente voor 1 januari 2000 vastgestelde statistiek banen van werknemers van het CBS is opgenomen;
a. indien de beschikbare middelen op het begrotingsartikel, waarop de doeluitkering geboekt wordt, gewijzigd worden, kan Onze Minister deze wijziging laten doorwerken op de hoogte van de doeluitkering;
b. het provinciaal bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur mag in enig jaar binnen de periode waarvoor de doeluitkering is verstrekt, gelden overhouden van de doeluitkering voor het doen van investeringen in een later jaar; het gespaarde bedrag met inbegrip van de verkregen rente mag alleen bestemd worden voor overige projecten en het aandeel in grote projecten. Voor het gespaarde bedrag dienen, tenzij Onze Minister anders beslist, voor de afloop van de periode waarvoor de doeluitkering is verstrekt tenminste verplichtingen aangegaan te zijn. Indien niet ten minste verplichtingen zijn aangegaan, vordert Onze Minister het gespaarde bedrag en de verkregen rente geheel of gedeeltelijk terug.
WPS: het aantal werkzame personen boven een drempel van 40% van het eigen inwonertal per gemeente;
WPdhk: het aantal werkzame personen in gemeenten met een lokale dichtheidsfactor van meer dan 40;
WPSdhk: het aantal werkzame personen boven een drempel van 40% van het eigen inwonertal van gemeenten in gemeenten met een lokale dichtheidsfactor van meer dan 40, gewogen met deze dichtheidsfactor;
LAND: het aantal hectaren land per gemeente zoals dat in de meest recente voor 1 januari 2000 vastgestelde bodemstatistiek van het CBS is opgenomen;
OPPBEB: de oppervlakte van de bebouwing binnen en buiten de kom per gemeente in hectaren;
VINEX: het aantal te bouwen woningen in stadsgewesten in de regio in het kader van VINEX- en VINAC-afspraken in de perioden 19952005 en 2005 2010;
dhr: de regionale dichtheidsfactor van de regio;
dhk: de lokale dichtheidsfactor van de gemeente.
**5.** Indien de in enig jaar verstrekte doeluitkering niet binnen vier jaar is verplicht overeenkomstig artikel 29 onderscheidenlijk artikel 31, kan Onze Minister de doeluitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
**6.** In afwijking van het vijfde lid, kan de doeluitkering worden gereserveerd voor de bekostiging van een groot project met betrekking tot regionale of lokale infrastructuur, dat is opgenomen in een provinciaal of regionaal verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16, eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer. Indien het project, voordat de realisatie een aanvang heeft genomen, niet langer in een plan als bedoeld in het eerste lid, is opgenomen, worden ten aanzien van de hier gereserveerde bijdrage overeenkomstig artikel 29 onderscheidenlijk artikel 31 verplichtingen aangegaan, voordat de geldingsduur van het geldende plan eindigt.
### Artikel 36a
@ -521,7 +580,7 @@ De doeluitkering wordt eenmaal per kalenderjaar uiterlijk in de maand juni van d
### Artikel 39a
Uiterlijk vier weken na ontvangst van de mededeling dat een op de door provinciale staten vastgestelde of herziene lijst geplaatst overig project na aanbesteding is gegund, betalen gedeputeerde staten het bedrag dat volgens de lijst voor dat project beschikbaar is gesteld.
Vervallen
### Artikel 40
@ -541,7 +600,7 @@ Vervallen
### Artikel 41a
Indien het dagelijks bestuur krachtens paragraaf 6, zoals die paragraaf luidde voor de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het Besluit Infrastructuurfonds (doeluitkering aan provincies en andere wijzigingen), overeenkomstig die paragraaf een doeluitkering heeft aangevraagd, en op die aanvraag nog niet is beslist op het tijdstip van inwerkingtreding van vorenbedoeld wijzigingsbesluit, wordt door Onze Minister op die aanvraag beslist als ware het een aanvraag om een doeluitkering op grond van dit besluit.
Vervallen
### Artikel 41b