From 73e9136dd6d8a84284125782e4a195fb21c022eb Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 1 Aug 2007 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2007-08-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000 --- .../BWBR0011453/README.md | 20 +++++++++---------- 1 file changed, 10 insertions(+), 10 deletions(-) diff --git a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md index 4b485219449..717d457acdc 100644 --- a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md +++ b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md @@ -166,7 +166,7 @@ Op deze wet zijn van toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelin a. artikel 6, b. artikel 9, eerste lid, en -c. artikel 10. +c. artikel 10, eerste lid. ## Hoofdstuk 2. Werkingssfeer @@ -248,7 +248,7 @@ b. tot het einde van het studiejaar dat volgt op het tijdstip van de bekendmakin **2.** Indien de deelnemer aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar. -**3.** Indien de deelnemer na het afsluitend examen binnen 4 maanden een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, wordt, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering met ten hoogste 4 maanden verlengd. Hij wordt in de tussen beide opleidingen liggende periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden. +**3.** Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden. ### Artikel 2.7a @@ -484,7 +484,7 @@ Indien voor een ouder voor de inkomstenbelasting na het peiljaar – naast de al **1.** Op aanvraag van een studerende kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie. -**2.** Indien het eerste lid toepassing vindt, is artikel 3.9, derde lid, vierde volzin, van overeenkomstige toepassing en is artikel 3.13, derde lid, niet van toepassing. +**2.** Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de studerende bedoeld in het eerste lid, artikel 3.9, derde lid, vierde volzin, van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet. **3.** @@ -529,7 +529,7 @@ Tot het toetsingsinkomen behoren niet: a. een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen. -**4.** Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van het bedrag voor een thuiswonende, particulier verzekerde deelnemer, bedoeld in artikel 3.8, buiten beschouwing. +**4.** Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van het bedrag voor een thuiswonende deelnemer, bedoeld in artikel 3.8, buiten beschouwing. **5.** @@ -544,14 +544,16 @@ b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd: -a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs, en +a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende basisbeurs of aanvullende beurs, en b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend. **8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3 en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven. **9.** Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan de IB-Groep schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald. -**10.** Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag. +**10.** De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet. + +**11.** Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag. ### Paragraaf 3.5. Normbedragen @@ -1189,7 +1191,7 @@ e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van d f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b, of g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid. -**3.** Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. +**3.** Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. **4.** Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking waarbij de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.7, zevende lid, onvoorwaardelijk is vastgesteld. @@ -1246,9 +1248,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van ### Artikel 8.2 -**1.** In het studiejaar waarin een deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, voor dat studiejaar niet toegekend. De eerste volzin is tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode na 1 juli voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van 18 jaren bereikt. - -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het geven van een voorschot op de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage. +In het studiejaar waarin een deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, voor dat studiejaar niet toegekend. De eerste volzin is tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode na 1 juli voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van 18 jaren bereikt. ### Artikel 8.3