2017-05-01 | BWBR0023771 | Besluit algemene regels milieu mijnbouw

This commit is contained in:
Coornhert 2017-05-01 12:00:00 +00:00
parent 8a94129e8c
commit 7523ee01d7

View file

@ -17,7 +17,7 @@ citeertitel: Besluit algemene regels milieu mijnbouw
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. mobiele installatie: een verplaatsbare installatie voor het aanleggen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat;
b. mobiele installatie: een verplaatsbare installatie voor het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat of het stimuleren van een voorkomen via een boorgat;
c. onderzeese installatie: een geheel boven en beneden de bodem van een oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallatie die niet boven het oppervlaktewater uitsteekt;
d. uitvoerder: de in artikel 41, vierde lid, van de Mijnbouwwet bedoelde persoon;
e. woning: een gebouw of deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
@ -32,14 +32,12 @@ j. maatwerkvoorschrift: voorschrift dat nodig is ter bescherming van het milieu,
k. NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door Infomil;
l. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;
m. motorrendement: het procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities,in arbeid wordt omgezet;
n. ISO-luchtcondities: een temperatuur van 288° Kelvin, een druk van 101,3 kPa en een relatieve vochtigheid van 60 procent.
n. ISO-luchtcondities: een temperatuur van 288° Kelvin, een druk van 101,3 kPa en een relatieve vochtigheid van 60 procent;
o. ETRS89 systeem: European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323).
### Artikel 2
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet publiekrechtelijke regelingen of normen;
b. de NRB.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de toepassing van de NRB.
### Artikel 3
@ -47,42 +45,57 @@ b. de NRB.
**2.** Artikel 2.1, tweede en vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied en meldingen
## Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied, meldingen en instemming
### Artikel 4
Als categorieën van mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 40, tweede lid, tweede volzin, van de Mijnbouwwet worden aangewezen:
a. een mobiele installatie op land met bijbehorend terrein met uitzondering van een mobiele installatie die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;
b. een mobiele installatie in een oppervlaktewater, met uitzondering van een mobiele installatie die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;
c. een onderzeese installatie die niet is verbonden met een voor winning bestemd mijnbouwwerk.
### Artikel 5
**1.**
Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van installaties:
Dit besluit is van toepassing op:
a. de installaties aangewezen in artikel 4;
b. een mobiele installatie op land of in een oppervlaktewater die geplaatst is binnen een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning verplicht is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
c. een onderzeese installatie die verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning verplicht is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
d. een mobiele installatie op het continentaal plat die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet;
e. een onderzeese installatie op het continentaal plat die verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet.
a. mobiele installaties op land met bijbehorend terrein;
b. mobiele installaties in oppervlaktewater;
c. onderzeese installaties.
**2.**
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. werkzaamheden met behulp van een mobiele installatie die plaatsvinden op een locatie die gelegen is in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage;
b. werkzaamheden met behulp van een mobiele installatie op land indien uit de berekening van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 44 van dit besluit blijkt dat er een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen binnen de 10^-6 per jaar veiligheidscontour is gelegen.
a. een mobiele installatie op een locatie die gelegen is in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b, of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage;
b. een mobiele installatie op land indien uit de berekening van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 44 blijkt dat er een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen binnen de 10^-6 per jaar veiligheidscontour is gelegen.
### Artikel 5
Van het verbod, bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet, zijn alle mobiele en onderzeese installaties uitgezonderd, tenzij een installatie is geplaatst bij of verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk op het continentaal plat.
### Artikel 5a
**1.** Het is verboden zonder instemming van Onze Minister met een mobiele installatie in het continentaal plat een boorgat aan te leggen, uit te breiden of te wijzigen, tenzij de mobiele installatie is geplaatst bij of verbonden is aan een mijnbouwwerk en voor deze activiteit krachtens artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet een vergunning is verleend.
**2.** De instemming kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
**3.** De instemming en de daarbij gestelde voorwaarden, beperkingen en voorschriften kunnen worden gewijzigd, voor zover de wijziging wordt gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu.
**4.** De instemming kan worden ingetrokken indien het aanleggen, uitbreiden of wijzigen van een boorgat met een mobiele installatie tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden.
### Artikel 5b
**1.**
Onze Minister kan ter bescherming van het milieu:
a. aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet en een instemming voorschriften verbinden om aanvullende eisen te stellen;
b. een bepaling als bedoeld in de artikelen 10 tot en met 19, 21 tot en met 61, eerste lid, en 62 tot en met 65, niet van toepassing verklaren en daarbij beperkingen of voorwaarden stellen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet of een instemming.
**2.** Artikel 20, eerste en tweede lid, en artikel 61, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 20, derde en vierde lid, is niet van toepassing.
### Artikel 6
**1.** Het aanleggen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie op land als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, of artikel 5, eerste lid, onderdeel b, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in Hoofdstuk 3.
**1.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie op land en het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in Hoofdstuk 3.
**2.** Het aanleggen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, of artikel 5, eerste lid, onderdelen b en d, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 4.
**2.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie in oppervlaktewater en het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 4.
**3.** Het aanleggen, testen, onderhouden en repareren van een onderzeese installatie als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, of het gebruik van een onderzeese installatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en e, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
**3.** Het aanleggen, testen, onderhouden, repareren en het gebruik van een onderzeese installatie geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
**4.** De uitvoerder draagt er zorg voor dat de voorschriften, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden nageleefd.
@ -110,13 +123,15 @@ i. het aantal transportbewegingen gedurende de dag (7.0019.00), avond (19.00
**5.** De in het eerste lid, onder c tot en met i, vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, voor zover Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.
**6.** Een melding als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien voor het aanleggen, het uitbreiden of het wijzigen van een boorgat met een mobiele installatie een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.
### Artikel 8
**1.**
De uitvoerder die het voornemen heeft om werkzaamheden uit te voeren in oppervlaktewater met een mobiele installatie als bedoeld in artikel 6, tweede lid , meldt ten minste twee weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk of per elektronische post aan Onze Minister:
a. de coördinaten berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening;
a. de coördinaten berekend volgens het ETRS89 systeem;
b. de naam, dan wel aanduiding en de eigenaar van de mobiele installatie;
c. een samenvattende beschrijving van de mobiele installatie alsmede een opgave van het motorrendement van de bij de boring te gebruiken dieselmotoren en de generatoren;
d. een samenvatting van de te verrichten werkzaamheden;
@ -131,6 +146,18 @@ f. de resultaten van een akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 19, onderde
**5.** De in het eerste lid, onder c tot en met f, vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, voor zover Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.
**6.** Een melding als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien voor het aanleggen, het uitbreiden of het wijzigen van een boorgat met een mobiele installatie een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een instemming als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van dit besluit is verleend.
### Artikel 8a
**1.** In afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef, vraagt een uitvoerder die het voornemen heeft om met een mobiele installatie in het continentaal plat een boorgat aan te leggen, uit te breiden of te wijzigen als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, ten minste vier weken voor aanvang om instemming.
**2.** De uitvoerder overlegt bij de aanvraag om instemming gegevens over de werkzaamheden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met f, voor zover deze gegevens niet zijn verstrekt bij de mededeling, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
**3.** Van de aanvraag om instemming wordt in de Staatscourant kennisgegeven.
**4.** Onze Minister kan op aanvraag van de uitvoerder een instemming wijzigen. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 3. Werkzaamheden met mobiele installaties op land
### Paragraaf 1. Algemene voorschriften
@ -262,7 +289,7 @@ Emissies van gassen die vrijkomen bij het testen van boorgaten en het schoon pro
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. NEN: door de stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
a. vervallen;
b. bodembeschermende maatregel: op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd;
c. bodembeschermende voorziening: een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
d. lekbak: een voorziening waarvan de bodembeschermende werking door de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of onder een bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen;
@ -276,7 +303,7 @@ Op het terrein waarop de mobiele installatie zich bevindt, worden bodembescherme
**1.** Indien het terrein niet voldoet aan de eisen van bodemrisicocategorie A, maar aan die van A*, worden vier grondwaterpeilbuizen geïnstalleerd die zodanig zijn geplaatst dat bodemverontreiniging door (hulp)stoffen die bij het uitvoeren van boringen worden gebruikt, kunnen worden gesignaleerd.
**2.** De grondwaterpeilbuizen, bedoeld in het eerste lid, worden zo vaak als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doch in ieder geval voorafgaande aan de werkzaamheden, binnen zes maanden na beëindiging van de werkzaamheden en daarna iedere vijf jaren bemonsterd en geanalyseerd volgens NEN 5744.
**2.** De grondwaterpeilbuizen, bedoeld in het eerste lid, worden zo vaak als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doch in ieder geval voorafgaande aan de werkzaamheden, binnen zes maanden na beëindiging van de werkzaamheden en daarna iedere vijf jaren bemonsterd en geanalyseerd volgens een bij ministeriële regeling aan te wijzen niet publiekrechtelijke regeling of norm voor de bemonstering en het analyseren van grondwater.
**3.** De resultaten van de bemonstering en analyse worden ten minste vijf jaar bewaard en worden op verzoek getoond aan de inspecteur-generaal der mijnen.
@ -553,6 +580,12 @@ Indien zich op een onderzeese installatie een ongewoon voorval voordoet of heeft
**2.** Indien voor het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer of artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet voor het oprichten van een installatie als bedoeld in artikel 4 of artikel 5, eerste lid, bij Onze Minister is ingediend maar de vergunning nog niet is verleend en in werking getreden, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 7 of 8.
### Artikel 66a
**1.** Een melding die is gedaan in de periode tussen de bekendmaking van het Besluit van 6 maart 2017, houdende wijziging van het Besluit omgevingsrecht, het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Staatsblad 2017, 114) tot tien maanden na de inwerkingtreding van dat besluit, geldt in afwijking van artikel 2.5 van het Besluit omgevingsrecht, de Bijlage, onderdeel D, categorie 17.2, kolom 4, bij het Besluit milieueffectrapportage en de artikelen 5, onderdeel a, onder 1°, 7, zesde lid, 8, zesde lid, en 8a, van dit besluit als een melding als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef, en 8, eerste lid, aanhef, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw met toepassing van het Besluit omgevingsrecht, het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw zoals deze besluiten luidden voor de inwerkingtreding van het eerder genoemde besluit.
**2.** Het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een boorgat, waarvoor een melding is gedaan, kan worden begonnen tot en met 12 maanden na de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en voortgezet tot en met 18 maanden na de inwerkingtreding van dat besluit.
### Artikel 67
Indien een niet publiekrechtelijke norm waarnaar in dit besluit wordt verwezen of de NRB wijzigt kan bij ministeriële regeling overgangsrecht worden opgenomen waarbij kan worden bepaald dat de oude norm voor bestaande installaties al dan niet tijdelijk blijft gelden.