diff --git a/wet/huursubsidiewet/BWBR0008659/README.md b/wet/huursubsidiewet/BWBR0008659/README.md index 66263e1c43b..576af246433 100644 --- a/wet/huursubsidiewet/BWBR0008659/README.md +++ b/wet/huursubsidiewet/BWBR0008659/README.md @@ -20,18 +20,16 @@ In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder: a. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waar de woning is gelegen waarop de huurtoeslag betrekking heeft; b. huurcommissie: de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; -c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in: - -1º. een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is; of -2º. een krachtens de Huisvestingswet gevorderde en toegewezen woning. +c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard van korte duur is; d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning; e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning; f. onderhuurder: persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; -g. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; +g. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst; h. rekenhuur: de rekenhuur, bedoeld in artikel 5; i. rekeninkomen: de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die wet; -j. woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden; -k. woonwagen: een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, zonder eigen aandrijving. +j. standplaats: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten; +k. woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden; +l. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst. ### Artikel 1a @@ -67,7 +65,7 @@ Vervallen In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels, vermeerderd met: a. een bedrag voor door de huurder verschuldigde servicekosten, en -b. in geval van huur van een woonwagen het bedrag dat verschuldigd is voor de huur van de standplaats. +b. in geval van huur van een woonwagen zonder eigen aandrijving het bedrag dat verschuldigd is voor de huur van de standplaats. **2.** Bij de toepassing van het eerste lid kan het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de Belastingdienst/Toeslagen en aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent die verklaring nadere regels worden gesteld. @@ -134,9 +132,9 @@ b. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of w **3.** -Voor de huur van een woonwagen wordt slechts een huurtoeslag toegekend, indien deze: +Voor de huur van een woonwagen zonder eigen aandrijving wordt slechts een huurtoeslag toegekend, indien deze: -a. is geplaatst op een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder e, van de Huisvestingswet, of op een regionaal woonwagencentrum dat tot stand is gekomen voor 1 oktober 1970, en +a. is geplaatst op een standplaats of op een regionaal woonwagencentrum dat tot stand is gekomen voor 1 oktober 1970, en b. voldoet aan de eisen, daaraan gesteld krachtens de Woningwet. ### Artikel 12 @@ -149,13 +147,13 @@ Vervallen Geen huurtoeslag wordt toegekend als de rekenhuur: -a. hoger is dan € 699,48 per maand als: +a. hoger is dan € 710,68 per maand als: 1º. de huurder, diens partner of een van de medebewoners 23 jaar of ouder is, dan wel de woning deelt met een kind of pleegkind van de huurder, diens partner of een medebewoner of 2º. de huurder, diens partner of de medebewoner jonger dan 23 jaar is, en een handicap heeft of -b. hoger is dan € 389,05 per maand in andere gevallen dan bedoeld onder a. +b. hoger is dan € 403,06 per maand in andere gevallen dan bedoeld onder a. **2.** @@ -177,10 +175,10 @@ c. na overschrijding van de bedragen, genoemd in het eerste lid, als over de maa Het norminkomen bedraagt: -a. € 21.600 bij een eenpersoonshuishouden; -b. € 29.325 bij een meerpersoonshuishouden; -c. € 20.632,04 bij een eenpersoonsouderenhuishouden; -d. € 27.311,78 bij een meerpersoonsouderenhuishouden. +a. € 21.950 bij een eenpersoonshuishouden; +b. € 29.800 bij een meerpersoonshuishouden; +c. € 20.962,16 bij een eenpersoonsouderenhuishouden; +d. € 27.748,77 bij een meerpersoonsouderenhuishouden. **2.** Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, onderscheidenlijk twee maal dat bedrag, en verder vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462. @@ -213,10 +211,10 @@ Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door: a. voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van 81% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 572; b. voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in onderdeel a, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 144; -c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 340; -d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van twee maal het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en twee maal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 512. +c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 340; +d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van twee maal het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en twee maal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 512. -**2.** Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 199,54. +**2.** Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 202,20. **3.** @@ -233,14 +231,14 @@ b. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden. Het referentie-inkomensijkpunt bedraagt: -a. voor een eenpersoonshuishouden: € 21.925; -b. voor een meerpersoonshuishouden: € 28.500; -c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 22.075; -d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: € 29.400. +a. voor een eenpersoonshuishouden: € 22.175; +b. voor een meerpersoonshuishouden: € 28.800; +c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 22.275; +d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: € 29.600. **2.** Voor de toepassing van het derde lid en van artikel 19, tweede lid, worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462. -**3.** Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 405,65. +**3.** Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 411,05. **4.** @@ -277,14 +275,14 @@ Y: het rekeninkomen. ### Artikel 20 -**1.** De kwaliteitskortingsgrens is € 389,05 per maand. +**1.** De kwaliteitskortingsgrens is € 403,06 per maand. **2.** De aftoppingsgrens is: -a. € 556,82 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat; -b. € 596,75 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat. +a. € 576,87 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat; +b. € 618,24 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat. **3.** De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27. @@ -372,7 +370,7 @@ Vervallen **3.** Bij ministeriële regeling worden, met ingang van 1 januari van elk jaar, de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b (maximale huurgrens), 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 20, eerste en tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), gewijzigd met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 juli van het berekeningsjaar zal plaatsvinden. -**4.** In afwijking van het derde lid worden de bedragen, genoemd in de artikelen 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, naar redelijke verwachting wordt gewijzigd in het tijdvak dat loopt van 1 januari van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 januari van het berekeningsjaar, indien dat percentage lager is dan het in het derde lid bedoelde percentage. +**4.** In afwijking van het derde lid worden de bedragen, genoemd in de artikelen 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet, naar redelijke verwachting wordt gewijzigd in het tijdvak dat loopt van 1 januari van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 januari van het berekeningsjaar, indien dat percentage lager is dan het in het derde lid bedoelde percentage. **5.** Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogte vastgesteld van de bedragen, zoals die met ingang van 1 januari krachtens artikel 17, eerste lid, als minimum-inkomensijkpunten gelden.