diff --git a/wet/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis/BWBR0002845/README.md b/wet/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis/BWBR0002845/README.md index e902f8a3e54..79c5ccdebb7 100644 --- a/wet/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis/BWBR0002845/README.md +++ b/wet/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis/BWBR0002845/README.md @@ -16,79 +16,84 @@ citeertitel: Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis De Koning en de na te noemen andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen jaarlijks de volgende geldelijke uitkeringen: -de Koning € 1 225 206,58 +de Koning € 4 757 359 -de echtgenote van de Koning € 245 041,32 +de echtgenote van de Koning € 821 946 -de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon, te rekenen vanaf de leeftijd van 18 jaar € 281 343,73 +de vermoedelijke opvolger van de Koning, te rekenen vanaf de leeftijd van 18 jaar € 1 281 313 -de echtgenote of de echtgenoot van de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon € 249 579,12 +de echtgenote of de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning € 578 077 + +de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 1 288 730 + +de echtgenoot of de echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 492 918 vermeerderd of verminderd in elk jaar waarover de uitkering wordt genoten: -- voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op personeelskosten, vermeld onder A van de in het vierde lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin het ambtelijke inkomen van een ambtenaar in schaal 11 dan wel schaal 3 - zulks naar gelang het betreft een lid van het Koninklijk Huis genoemd onder I en II dan wel onder III en IV van die tabel - in dat jaar afwijkt van dat ambtelijk inkomen in het jaar 1971; -- voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op overige kosten, vermeld onder B van de in het vierde lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin het algemeen prijspeil van het gezinsverbruik blijkens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex in de maand juni van dat jaar afwijkt van dat prijspeil in de maand juni van het jaar 1971; -- voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel, vermeld onder C van de in het vierde lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin het netto-ambtelijk inkomen van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van dat netto-ambtelijk inkomen in het jaar 1971. +– voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel, vermeld onder A van de in het tweede lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007; +– voor de helft van het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op personele en materiële kosten, vermeld onder B van de in het tweede lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel afwijkt van deze bezoldiging in het jaar 2007 en voor de andere helft in de verhouding waarin het algemeen prijspeil van het gezinsverbruik blijkens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex in de maand juni van dat jaar afwijkt van dat prijspeil in de maand juni van het jaar 2007. **2.** -In het eerste lid wordt verstaan onder: +De in het eerste lid bedoelde gedeelten van de uitkeringen zijn voor elk van de in dat lid genoemde personen: -- het ambtelijk inkomen van een ambtenaar in schaal 11 dan wel schaal 3 het ambtelijk inkomen in de zin van artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals dat luidde op 31 december 1995, met uitzondering van toelagen of uitkeringen, welke geen algemeen karakter dragen van een ambtenaar in schaal 11, onderscheidenlijk 3 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (*Stb.* 1983, 571), die gedurende het desbetreffende jaar het maximum salaris van zijn schaal geniet; -- het netto-ambtelijk inkomen van de vice-president van de Raad van State het ambtelijk inkomen in de zin van artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals dat luidde op 31 december 1995, met uitzondering van toelagen of uitkeringen, welke geen algemeen karakter dragen, van de vice-president van de Raad van State, verminderd met over het inkomen verschuldigde premies voor sociale verzekeringen en inkomstenbelasting waarbij voor de berekening wordt uitgegaan van een leeftijd beneden 65 jaar, inkomen uit tegenwoordige arbeid en tweemaal de algemene heffingskorting. +| | A | B | +| --- | --- | --- | +| I. De Koning | € 764 304 | € 3 993 055 | +| II. De echtgenoot of echtgenote van de Koning | € 302 948 | € 518 988 | +| III. De vermoedelijke opvolger van de Koning | € 226 460 | € 1 054 853 | +| IV. De echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning | € 226 460 | € 351 617 | +| V. De Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan | € 431 794 | € 856 936 | +| VI. De echtgenoot of echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan | € 207 272 | € 285 646 | -**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als afwijking beschouwd de afwijking van het ambtelijk inkomen welke het gevolg is van de met de Wet afschaffing overneming premie AOW/AWW (*Stb.* 1985, 288) samenhangende salarisverhoging van het burgerlijk overheidspersoneel als geregeld in het koninklijk besluit van 8 augustus 1985, *Stb.* 451. - -**4.** - -De in het eerste lid bedoelde gedeelten van de uitkeringen zijn voor elk der in dat lid genoemde personen: - -| | | A | B | C | -| --- | --- | --- | --- | --- | -| | | | | | -| I. | de Koning | € 481 007,03 | € 499 158,24 | € 245 041,32 | -| II. | de echtgenote van de Koning | € 54 453,63 | € 95 293,85 | € 95 293,85 | -| III. | de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon | € 81 680,44 | € 127 058,46 | € 72 604,83 | -| IV. | de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon | € 81 680,44 | € 95 293,85 | € 72 604,83 | - -**5.** In dit artikel wordt onder echtgenote van de Koning mede verstaan de echtgenoot van de Koningin, draagster van de Kroon. +**3.** In dit artikel wordt onder echtgenote van de Koning mede verstaan de echtgenoot van de Koningin, draagster van de Kroon. ### Artikel 2 -**1.** Bij overlijden van de Koning dan wel van de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon ontvangt de overlevende echtgenote of echtgenoot, zolang deze lid van het Koninklijk Huis is, een uitkering die binnen twee jaren na het overlijden geregeld wordt door aanvulling van deze wet. +**1.** -**2.** De in het eerste lid bedoelde echtgenote of echtgenoot ontvangt, zolang deze lid van het Koninklijk Huis is, tot het in werking treden van de in het eerste lid bedoelde regeling ten minste de uitkering die zij of hij volgens het bepaalde in artikel 1 zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad. +Indien de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: -### Artikel 3 +a. gedurende de eerste twee jaren na het overlijden jaarlijks de geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning of, indien één van de wettige nakomelingen van de overleden Koning de minderjarige Koning is, gedurende de periode van diens minderjarigheid binnen de genoemde periode van de eerste twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; +b. na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning of, indien na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden één of meer van de wettige nakomelingen van de overleden Koning minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. -Een Koning die afstand van de Kroon heeft gedaan alsmede zijn echtgenote ontvangen, zolang zij lid zijn van het Koninklijk Huis, een uitkering die geregeld wordt door aanvulling van deze wet. De artikelen 1, vierde lid, en 2 zijn van overeenkomstige toepassing. +**2.** -### Artikel 4 +Indien de vermoedelijke opvolger van de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: -**1.** Aan de Koning worden ten laste van het Rijk paleizen tot gebruik ter beschikking gesteld. - -**2.** Ons besluit, strekkende tot de uitvoering van het in het vorige lid bepaalde, wordt in het *Staatsblad* geplaatst. - -### Artikel 5 - -**1.** De wet van 1 mei 1863, *Stb.* 43, wordt ingetrokken. - -**2.** De tot het Kroondomein, bedoeld in voornoemde wet, behorende zaken worden met ingang van de datum waarop deze wet in werking treedt, in beheer genomen door Onze Minister van Financiën die, voorzover zulks alsdan nog niet is geschied, zorg draagt voor verrekening, op de voet van artikel 2 van de in het eerste lid genoemde wet, van de daar bedoelde inkomsten, lasten en kosten, betrekking hebbend op de voor deze datum gelegen tijdvakken. +a. indien op het moment van overlijden van de vermoedelijke opvolger van de Koning één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; +b. indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. **3.** -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt een regeling getroffen met betrekking tot de rechtspositie van de administrateur van dit Kroondomein en het personeel op het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, werkzaam bij de hoofdadministratie van dit domein en bij de rentambten +Indien de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: -a. Werkendam-Tholen-Roosendaal-Oosterhout-Dordrecht; -b. Culemborg-Tiel-Grave-Arnhem; -c. Amersfoort; -d. Hulst-Middelburg-Goes. +a. indien op het moment van overlijden van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; +b. indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a van dit lid, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. -**4.** De inschrijvingen op het 2½% Grootboek der Nationale Schuld ten name van dit Kroondomein zijn te niet gegaan. +**4.** In de in het eerste lid, onder b, en in het tweede lid, onder a en b, genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote een jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in artikel 1, tweede lid, onder A, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten. -**5.** Indien op het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, overeenkomsten tot vervreemding of ruiling van goederen, behorende tot dit Kroondomein, zijn gesloten en de bij artikel 3 van de bedoelde wet vereiste goedkeuring bij de wet alsdan nog niet is verkregen, zijn op een zodanige vervreemding of ruiling van toepassing de desbetreffende bepalingen, geldend voor aan de Staat toebehorende goederen. +**5.** In de in het eerste, tweede en derde lid genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote gedurende de eerste twee jaar na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaatsgehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de overledene alsmede het andere in het eerste lid, onder a, genoemde geval en de overige in het derde lid, onder a en b, genoemde gevallen, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in artikel 1, tweede lid, onder A, vermelde gedeelte van de uitkering dat de overlevende echtgenoot of echtgenote ontving voordat het overlijden plaatsvond. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten. -**6.** Onze Minister van Financiën kan nadere regelen treffen die door hem in verband met de opheffing van dit Kroondomein nodig worden geacht. +### Artikel 3 + +Personele en materiële kosten die samenhangen met het koningschap, niet zijnde de uitkeringen die op grond van de artikelen 1 en 2 worden verstrekt, worden bekostigd uit de begroting van het Rijk voor zover deze hiervoor een voorziening bevat en nadat de kosten door of vanwege de Koning daartoe door tussenkomst van Onze Minister-President bij Onze minister die het aangaat zijn gedeclareerd. + +### Artikel 4 + +**1.** Aan de Koning worden ten laste van het Rijk het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het paleis op de Dam te Amsterdam tot gebruik ter beschikking gesteld. + +**2.** Bij koninklijk besluit kunnen aan de Koning ten laste van het Rijk daarnaast tijdelijk andere woon- en werkverblijven tot gebruik ter beschikking worden gesteld. + +**3.** Indien de Koning overlijdt, kan bij koninklijk besluit aan de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis, ten laste van het Rijk een woonverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld. + +**4.** Bij koninklijk besluit kan aan de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk aan de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan ten laste van het Rijk een woonverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld. In dit besluit kan worden bepaald dat indien de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan overlijdt, het woonverblijf aan de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis, tot gebruik ter beschikking wordt gesteld. + +**5.** Een koninklijk besluit, strekkende tot de uitvoering van het tweede tot en met vierde lid, wordt in het *Staatsblad* geplaatst. + +### Artikel 5 + +Vervallen ### Artikel 6 @@ -116,25 +121,8 @@ Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1973. ### Artikel 11 -**1.** - -Prinses Juliana en haar echtgenoot, Prins Bernhard, ontvangen, zolang zij lid zijn van het Koninklijk Huis, jaarlijks de volgende geldelijke uitkeringen: - -Prinses Juliana € 601 258,79 - -Prins Bernhard € 353 948,57 - -**2.** Deze uitkeringen worden jaarlijks vermeerderd of verminderd overeenkomstig de jaarlijkse vermeerdering of vermindering ten opzichte van 1979 van de uitkeringen van de leden van het Koninklijk Huis, genoemd onder I en II van de in artikel 1, derde lid, opgenomen tabel. - -**3.** - -De in artikel 1, eerste lid, bedoelde gedeelten van de uitkeringen zijn voor: - -| | A | B | C | -| --- | --- | --- | --- | -| Prinses Juliana | € 226 890,11 | € 147 478,57 | € 226 890,11 | -| Prins Bernhard | € 97 562,75 | € 147 478,57 | € 108 907,25 | +Vervallen ### Artikel 12 -Aan Prinses Juliana en Prins Bernhard te zamen en bij vooroverlijden van de een aan de langstlevende echtgenoot wordt ten laste van het Rijk Paleis Soestdijk tot gebruik ter beschikking gesteld. +Vervallen