2020-11-01 | BWBR0012791 | Besluit DNA-onderzoek in strafzaken

This commit is contained in:
Coornhert 2020-11-01 12:00:00 +00:00
parent 706a2e5170
commit 7a28278bd3

View file

@ -19,14 +19,19 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: het Wetboek van Strafvordering;
b. een DNA-onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, of zesde lid, eerste volzin, 151b, eerste lid, eerste volzin, 151d, eerste lid, eerste volzin, 151da, eerste lid, eerste volzin, 195a, eerste lid, eerste volzin, 195b, eerste lid, eerste volzin, 195d, eerste lid, eerste volzin, 195f, eerste lid, eerste volzin, of 195g, eerste lid, eerste volzin, van de wet dan wel artikel 2, vierde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;
c. de DNA-databank: de DNA-databank voor strafzaken, bedoeld in artikel 14, eerste lid;
d. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
e. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder b, van die wet, voor zover deze is aangesteld voor de uitvoering van taken op het terrein van de technische recherche, of een militair van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering;
d. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
e. opsporingsambtenaar:
1°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012,
2°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder c, van de Politiewet 2012, voor zover hij is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
3°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder b of c, van de Politiewet 2012, voor zover hij is aangesteld voor de uitvoering van taken op het terrein van de technische recherche, of
4°. een militair van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van de wet;
f. veroordeelde: een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, of tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;
g. gewezen verdachte: een persoon die bij onherroepelijke einduitspraak is vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet, waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, dan wel daarvoor is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder dat daarbij een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;
h. derde: een andere persoon dan een verdachte als bedoeld in artikel 27, eerste of tweede lid, van de wet, een gewezen verdachte, een veroordeelde of een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder g;
i. onbekende verdachte: een persoon van wie celmateriaal is aangetroffen op de plaats van een strafbaar feit, op of in het slachtoffer van een strafbaar feit of op een andere derde of een voorwerp dat in verband met dat strafbare feit staat en van wie vermoed wordt dat hij de verdachte, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, van dat strafbare feit is of kan zijn;
j. het instituut: het Nederlands Forensisch Instituut;
k. NEN-EN ISO/IEC 17025: Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde in januari 2007.
k. NEN-EN ISO/IEC 17025: algemene eisen voor de competentie van test- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde in januari 2018.
### Artikel 1a
@ -39,7 +44,8 @@ Als uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van een onbekende verdachte of een
a. het geslacht;
b. het ras;
c. de oogkleur;
d. de haarkleur.
d. de haarkleur;
e. de huidskleur.
### Paragraaf 2. Wijze van afnemen van celmateriaal en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal
@ -95,15 +101,27 @@ c. ervoor zorgt dat de verpakking met het celmateriaal, bedoeld onder b, die hij
**3.** Indien het celmateriaal op een andere wijze van een persoon als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 is verkregen dan de op de in die artikelen voorziene wijze, of indien het celmateriaal van een derde betreft die overleden of vermist is als gevolg van een misdrijf, verricht de opsporingsambtenaar de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onder b en c. Indien het in de vorige zin bedoelde celmateriaal van een veroordeelde is, verricht de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onder b en c.
**4.** In de opdracht aan de deskundige van het laboratorium dat het DNA-onderzoek verricht, worden in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c en e, vermeld.
### Artikel 4a
**1.** Nadat een opsporingsambtenaar celmateriaal van een onbekende verdachte heeft veiliggesteld of van een in beslag genomen voorwerp heeft afgenomen, plaatst een opsporingsambtenaar dat celmateriaal na een daartoe verstrekte opdracht van de officier van justitie, de hulpofficier van justitie of de rechter-commissaris in een daarvoor bestemd mobiel apparaat ten behoeve van het verrichten van een DNA-onderzoek. Dat DNA-onderzoek mag alleen gericht zijn op het verkrijgen van data aan de hand waarvan een deskundige van het laboratorium van het instituut of een ander laboratorium als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, waaraan het apparaat die data heeft verzonden, het DNA-onderzoek verder verricht. In de opdracht aan de deskundige van het laboratorium dat het laatstbedoelde DNA-onderzoek verricht, worden in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c, vermeld.
**2.** De opsporingsambtenaar kan de onderzoekshandeling, bedoeld in het eerste lid, alleen verrichten indien het landelijk politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 waar hij werkzaam is, door de Raad voor Accreditatie voor die handeling aan de hand van de eisen, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, is geaccrediteerd.
**3.** De opsporingsambtenaar zendt het celmateriaal dat bestemd is voor het verrichten van een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet of voor het opnieuw bepalen van het bijbehorende, in de DNA-databank vastgelegde DNA-profiel naar het instituut. Hij voorziet de verpakking met daarin het celmateriaal van een sporenidentificatienummer en van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting en zorgt ervoor dat deze bij het instituut wordt bezorgd.
**4.** De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van het veiligstellen van het celmateriaal of het afnemen van het celmateriaal op een in beslag genomen voorwerp, bedoeld in het eerste lid, van een sporenidentificatienummer.
**5.** De deskundige die het DNA-onderzoek verricht, rapporteert vooruitlopend op het uitbrengen van het verslag, bedoeld in artikel 10, de resultaten van het DNA-onderzoek aan de opdrachtgever van het DNA-onderzoek en in afschrift aan de opsporingsambtenaar die het apparaat heeft bediend.
**6.** Het landelijk politiekorps vernietigt de data die met het mobiele apparaat, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen, vier jaar na het jaar waarin die data zijn verkregen.
### Artikel 5
**1.** De opsporingsambtenaar voorziet de verpakking met daarin het celmateriaal van een onbekende verdachte van een sporenidentificatienummer en van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting. Hij verricht die handelingen zo spoedig mogelijk na het veiligstellen van het celmateriaal of het in beslag nemen van het voorwerp waarop mogelijkerwijs het celmateriaal zich bevindt.
**1.** Indien een opsporingsambtenaar celmateriaal van een onbekende verdachte heeft veiliggesteld of een voorwerp in beslag heeft genomen waarop zich mogelijkerwijs celmateriaal van die persoon bevindt, en er geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, zendt hij dat celmateriaal ten behoeve van het verrichten van een DNA-onderzoek na een daartoe verstrekte opdracht van de officier van justitie, de hulpofficier van justitie of de rechter-commissaris naar een laboratorium als bedoeld in dat artikellid. De artikelen 4, vierde lid, en 4a, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
**2.** De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van het veiligstellen van het celmateriaal of het in beslag nemen van het voorwerp, bedoeld in het eerste lid, van een sporenidentificatienummer dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer, bedoeld in het eerste lid.
**3.** De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat de verpakking met daarin het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, na een opdracht van de officier van justitie, de hulpofficier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris tot het daaraan verrichten van DNA-onderzoek, zo spoedig mogelijk bij het laboratorium dat het DNA-onderzoek verricht, wordt bezorgd.
**4.** In dit artikel wordt onder opsporingsambtenaar tevens verstaan de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, die werkzaam is bij de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van die wet.
**2.** In dit artikel wordt onder opsporingsambtenaar tevens verstaan de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, die werkzaam is bij de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van die wet.
### Artikel 6
@ -133,7 +151,7 @@ e. indien het celmateriaal van een verdachte, een veroordeelde, een persoon als
### Artikel 7
**1.** DNA-onderzoek wordt verricht in het laboratorium van het instituut dat daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek.
**1.** DNA-onderzoek wordt verricht in het laboratorium van het instituut dat daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de eisen, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek.
**2.** Het DNA-onderzoek kan in een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut worden verricht, indien dat vanwege de capaciteit van het laboratorium van het instituut noodzakelijk is of indien de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris opdracht heeft gegeven dat het DNA-onderzoek in een ander laboratorium wordt verricht.
@ -141,8 +159,8 @@ e. indien het celmateriaal van een verdachte, een veroordeelde, een persoon als
Als ander laboratorium als bedoeld in het tweede lid komt slechts in aanmerking:
a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek, dan wel
b. een laboratorium dat gevestigd is in het buitenland, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek.
a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de eisen, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek, dan wel
b. een laboratorium dat gevestigd is in het buitenland, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen, bedoeld onder a, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek.
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het eerste en derde lid.
@ -173,24 +191,29 @@ Vervallen
Het verslag bevat in ieder geval:
a. indien het een DNA-onderzoek aan celmateriaal van een verdachte, een veroordeelde, een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder g, of een derde betreft, de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van deze persoon of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,
b. het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a,
c. de methode met behulp waarvan het DNA-profiel van de persoon, bedoeld in onderdeel a, uit het DNA-onderzoek is verkregen, en
d. de resultaten en de conclusies van het DNA-onderzoek.
a. een vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c en e,
b. de methode met behulp waarvan het DNA-profiel uit het DNA-onderzoek is verkregen, en
c. de resultaten en de conclusies van het DNA-onderzoek.
**3.**
De deskundige doet uiterlijk een week na dagtekening van het verslag:
Na dagtekening van het verslag zorgt de deskundige ervoor dat:
a. het verslag toekomen aan de officier van justitie, de hulpofficier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris,
b. het DNA-profiel van de persoon, bedoeld in het tweede lid, onder a, dat uit het DNA-onderzoek is verkregen en dat op grond van artikel 14, vierde lid, in de DNA-databank mag worden verwerkt, alsmede het overgebleven celmateriaal, toekomen aan het instituut, en
c. een afschrift van het verslag toekomen aan de opsporingsambtenaar die betrokken is bij het opsporingsonderzoek of het uit hoofde van de artikelen 181 of 182 van de wet ingesteld onderzoek in het kader waarvan het DNA-onderzoek is verricht waarover de deskundige het verslag heeft opgesteld, met dien verstande dat dit afschrift geen DNA-profiel bevat.
a. de DNA-profielen die uit het DNA-onderzoek zijn verkregen en die het instituut op grond van artikel 14, vierde lid, verplicht is in de DNA-databank vast te leggen, terstond aan het instituut worden gezonden, onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c en e,
b. binnen een week het verslag aan de opdrachtgever van het DNA-onderzoek wordt gezonden,
c. binnen een week een afschrift van het verslag aan de opsporingsambtenaar wordt gezonden die betrokken is bij het opsporingsonderzoek of het uit hoofde van de artikelen 181 of 182 van de wet ingesteld onderzoek in het kader waarvan het DNA-onderzoek is verricht waarover de deskundige het verslag heeft opgesteld, met dien verstande dat dit afschrift geen DNA-profiel bevat, en
d. binnen zes maanden het overgebleven celmateriaal aan het instituut wordt gezonden.
**4.** Indien de deskundige het verslag, bedoeld in het derde lid, aan de hulpofficier van justitie doet toekomen, doet hij het tevens toekomen aan de officier van justitie.
**4.** Indien de opdrachtgever van het DNA-onderzoek de hulpofficier van justitie is, zendt de deskundige het verslag tevens aan de officier van justitie.
**5.** Het derde lid, onder a en c, is niet van toepassing ingeval het DNA-onderzoek ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is verricht en het DNA-profiel van de veroordeelde niet overeenkomt met een ander in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel.
**5.**
**6.** Indien de deskundige aan een ander laboratorium is verbonden dan het laboratorium van het instituut, voorziet dat laboratorium de verpakking waarin het celmateriaal, bedoeld in het derde lid, onder b, is gebracht, van een sporenidentificatienummer dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer waarmee het laboratorium het celmateriaal heeft ontvangen, en van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting.
Het derde lid, onder b en c, is niet van toepassing indien:
a. het DNA-onderzoek ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is verricht en het DNA-profiel van de veroordeelde niet overeenkomt met een ander in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel, of
b. het DNA-profiel van een onbekende verdachte na vergelijking in de DNA-databank geen overeenkomst met andere in die databank vastgelegde DNA-profielen oplevert en er in dezelfde strafzaak geen ander DNA-profiel van een onbekende verdachte een overeenkomst met die DNA-profielen heeft opgeleverd.
**6.** Indien de deskundige aan een ander laboratorium is verbonden dan het laboratorium van het instituut, voorziet dat laboratorium het buisje met het celmateriaal, bedoeld in het derde lid, onder b, van een sporenidentificatienummer dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer waarmee het laboratorium het celmateriaal heeft ontvangen, of het laboratoriumidentificatienummer en voorziet de verpakking van het buisje met het celmateriaal van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting.
**7.**
@ -205,7 +228,7 @@ b. het DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal van een onbekende verda
### Artikel 11
Indien het DNA-onderzoek, bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet in een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut zal worden verricht, zorgt het instituut ervoor dat het celmateriaal voor het verrichten van dat DNA-onderzoek, zo spoedig mogelijk in een verpakking die voorzien is van het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting, bij dat laboratorium wordt bezorgd.
Indien het DNA-onderzoek, bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet in een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut zal worden verricht, zorgt het instituut ervoor dat het buisje met het celmateriaal voor het verrichten van dat DNA-onderzoek, van een sporenidentificatienummer wordt voorzien dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer waarmee het instituut heeft ontvangen, of het laboratoriumidentificatienummer, en dat dat buisje zo spoedig mogelijk in een verpakking die voorzien is van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting, bij dat laboratorium wordt bezorgd.
### Artikel 12
@ -217,7 +240,7 @@ Indien het DNA-onderzoek, bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of
### Artikel 13
**1.** Het instituut bewaart na afloop van een DNA-onderzoek zoveel celmateriaal als noodzakelijk is met het oog op een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet dan wel met het oog op het opnieuw bepalen van het bijbehorende, in de DNA-databank vastgelegde DNA-profiel.
**1.** Het instituut bewaart na afloop van een DNA-onderzoek het overgebleven celmateriaal, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder d, ten behoeve van de uitvoering van een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet of met het oog op het opnieuw bepalen van het bijbehorende, in de DNA-databank vastgelegde DNA-profiel.
**2.**
@ -260,16 +283,18 @@ g. het bijbehorende DNA-profiel van personen die hun straf of maatregel volledig
**6.** De directeur van het instituut kan de DNA-profielen die in de DNA-databank zijn vastgelegd, onderling vergelijken met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid. Indien de vergelijking een positief resultaat heeft, stelt hij de officier van justitie of de rechter-commissaris van dit resultaat in kennis.
**7.**
**7.** In afwijking van het vierde lid, onder a en c, bewaart het instituut het DNA-profiel dat niet voldoet aan de criteria voor verwerking in de DNA-databank, in het dossier over de strafzaak in het kader waarvan dat DNA-profiel is bepaald. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
**8.**
In afwijking van het zesde lid kan de directeur het DNA-profiel van een gewezen verdachte, bedoeld in het vierde lid, onder e, dat in de DNA-databank is vastgelegd of het DNA-profiel van een onbekende verdachte, bedoeld in het vierde lid, onder c, dat in de strafzaak waarin de gewezen verdachte is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, met dat profiel overeenkwam, uitsluitend onderling of met andere met die strafzaak in verband staande DNA-profielen van onbekende verdachten als bedoeld in het vierde lid, onder c, vergelijken indien
a. de vergelijking plaatsvindt met het oog op de herziening ten nadele op de in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet bedoelde grond, en
b. de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, opdracht tot de vergelijking heeft gegeven.
**8.** In geval van toepassing van het zevende lid geeft de rechter-commissaris die de opdracht tot de vergelijking heeft gegeven, de gewezen verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.
**9.** In geval van toepassing van het achtste lid geeft de rechter-commissaris die de opdracht tot de vergelijking heeft gegeven, de gewezen verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.
**9.** De directeur van het instituut kan de DNA-profielen van de personen die ingevolge artikel 4:2, eerste lid, onder k, onderdeel 3°, van het Besluit politiegegevens aan Onze Minister worden verstrekt, vergelijken met de DNA-profielen van de personen, bedoeld in het vierde lid, onder d, f en g. Indien de vergelijking een positief resultaat heeft, stelt hij de officier van justitie of de rechter-commissaris en een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 van dit resultaat in kennis.
**10.** De directeur van het instituut kan de DNA-profielen van de personen die ingevolge artikel 4:2, eerste lid, onder k, onderdeel 3°, van het Besluit politiegegevens aan Onze Minister worden verstrekt, vergelijken met de DNA-profielen van de personen, bedoeld in het vierde lid, onder d, f en g. Indien de vergelijking een positief resultaat heeft, stelt hij de officier van justitie of de rechter-commissaris en een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 van dit resultaat in kennis.
### Artikel 15
@ -383,6 +408,8 @@ c. tachtig jaar na vastlegging in de DNA-databank indien betrokkene is overleden
**3.** Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een onbekende verdachte overeenkomstig de termijnen, genoemd in het eerste lid.
**4.** Indien het een DNA-profiel van een overleden slachtoffer of een onbekende verdachte als bedoeld in artikel 14, zevende lid, betreft, vangt het tijdstip waarop dat DNA-profiel overeenkomstig de termijnen, bedoeld in het eerste lid, dient te worden vernietigd aan op de dag van ontvangst van de aanvraag van het DNA-onderzoek in het kader waarvan het DNA-profiel in het dossier over de strafzaak is vastgelegd.
### Artikel 18c
**1.** Het instituut vernietigt met het DNA-profiel van een persoon, bedoeld in artikel 18, 18a of 18b, tevens terstond de gegevens over hem, bedoeld in artikel 6, eerste lid, het celmateriaal waaruit dat DNA-profiel is verkregen, alsmede het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 10, eerste lid, indien het verslag is opgesteld door een deskundige die aan het laboratorium van het instituut is verbonden, en de andere gegevens die het instituut over hem heeft bewaard in het dossier over de strafzaak in het kader waarvan zijn DNA-profiel in de DNA-databank is bewaard. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut indien het verslag is opgesteld door een deskundige van dat andere laboratorium.