2011-09-01 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001

This commit is contained in:
Coornhert 2011-09-01 12:00:00 +00:00
parent d530afedd3
commit 7a38113e0f

View file

@ -4194,7 +4194,12 @@ Vervallen
**1.** Uitgaven voor levensonderhoud van *kinderen* zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een *partner* heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor het levensonderhoud van het kind samengevoegd.
**2.** Uitgaven die op de voet van afdeling 6.5 in aanmerking worden genomen, alsmede weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen van 27 jaar of ouder die doorgaans in een inrichting verblijven, zijn geen uitgaven voor levensonderhoud.
**2.**
Als uitgaven als bedoeld in het eerste lid worden niet aangemerkt:
a. uitgaven die op de voet van de afdelingen 6.5 en 6.6 in aanmerking worden genomen;
b. het ingevolge de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, verschuldigde collegegeld.
### Artikel 6.14
@ -4362,7 +4367,8 @@ Tot de scholingsuitgaven behoren niet uitgaven die verband houden met:
a. levensonderhoud, daaronder begrepen huisvesting, voedsel, drank, genotmiddelen en kleding;
b. werk- of studeerruimten, daaronder begrepen de inrichting;
c. reizen en verblijven, daaronder begrepen excursies en studiereizen;
d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
d. de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
e. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
**2.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.104, onderdelen d, e en h, onder 3°, worden verstrekt.
@ -4370,11 +4376,16 @@ d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
**1.** Scholingsuitgaven voor een opleiding of studie waarvoor de belastingplichtige aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000, komen voor een studerende in het beroepsonderwijs voor elke maand dat in het kalenderjaar aanspraak op studiefinanciering bestaat, in aanmerking tot een normbedrag van € 51 vermeerderd met het normbedrag aan de tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b, van die wet.
**2.** Scholingsuitgaven voor een opleiding of studie waarvoor de belastingplichtige aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000, komen voor een studerende in het hoger onderwijs voor elke maand dat in het kalenderjaar aanspraak op studiefinanciering bestaat, in aanmerking tot een normbedrag van € 58 vermeerderd met een normbedrag van 1/12 gedeelte van het bedrag aan collegegeld, bedoeld in artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
**2.** Scholingsuitgaven voor een opleiding of studie waarvoor de belastingplichtige aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000, komen voor een studerende in het hoger onderwijs voor elke maand dat in het kalenderjaar aanspraak op studiefinanciering bestaat, in aanmerking tot een normbedrag van € 58 vermeerderd met een normbedrag van 1/12 gedeelte van het bedrag van het volledige wettelijke collegegeld volgens het basistarief, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
**3.** In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden scholingsuitgaven voor een opleiding of studie in het beroepsonderwijs of het hoger onderwijs waarvoor de belastingplichtige aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000 en die meer bedragen dan het tweevoud van het standaardbedrag, in aanmerking genomen voor zover deze meer bedragen dan het voor deze scholingsuitgaven geldende standaardbedrag. Onder het standaardbedrag wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan de som van de normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk in het tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat in het kalenderjaar aanspraak op studiefinanciering bestaat.
**4.** Voor de vaststelling of scholingsuitgaven meer bedragen dan het standaardbedrag, worden uitgaven voor lesgeld als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet en uitgaven voor collegegeld als bedoeld in artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in aanmerking genomen naar rato van het aantal maanden in het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben.
**4.**
Voor de vaststelling of er sprake is van uitgaven die meer bedragen dan het tweevoud van het standaardbedrag worden:
a. uitgaven voor het wettelijke collegegeld in aanmerking genomen tot maximaal het bedrag van het wettelijke collegegeld volgens het basistarief, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en naar rato van het aantal maanden in het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben;
b. uitgaven voor lesgeld als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet in aanmerking genomen naar rato van het aantal maanden in het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben.
**5.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover de voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige toegekende prestatiebeurs, bedoeld in artikel 4.7, eerste en tweede lid, of artikel 5.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 5 van die wet wordt omgezet in een gift.