2003-08-01 | BWBR0015136 | Rechtspositiebesluit WPO/WEC
This commit is contained in:
parent
135fc7dccf
commit
7aa23a5346
1 changed files with 31 additions and 138 deletions
|
|
@ -24,8 +24,8 @@ c. vaste dienst: het dienstverband van onbepaalde duur;
|
|||
d. instelling:
|
||||
|
||||
1°. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs;
|
||||
2°. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal onderwijs, zijnde een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra, onderscheidenlijk een school voor speciaal voortgezet onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
3°. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra of artikel 187 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
2°. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal onderwijs, zijnde een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra;
|
||||
3°. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 187 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
e. betrokkene:
|
||||
|
||||
1°. een lid van het personeel dat door een bevoegd gezag is benoemd ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden instellingen als bedoeld in onderdeel d, onder 1°;
|
||||
|
|
@ -50,7 +50,7 @@ j. bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen, genoemd in de artikelen 9
|
|||
k. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
|
||||
l. pensioen: een pensioen als bedoeld in en vastgesteld bij of krachtens de Wet privatisering ABP;
|
||||
m. schooljaar: het administratieve schooljaar, zijnde het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli;
|
||||
n. benoeming of aanstelling: de benoeming in algemene dienst van een bevoegd gezag, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra dan wel artikel 154, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
n. benoeming of aanstelling: de benoeming in algemene dienst van een bevoegd gezag, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 34, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra;
|
||||
o. akte van benoeming: de akte van benoeming bij het bijzonder onderwijs dan wel de akte van aanstelling bij het openbaar onderwijs, bedoeld in titel 2 van hoofdstuk 1;
|
||||
p. echtgeno(o)t(e): voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede begrepen de levenspartner met wie de betrokkene samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, dan wel de persoon met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan, waarbij geldt dat tegelijkertijd slechts één persoon als levenspartner of geregistreerde partner kan worden aangemerkt en waarbij tevens geldt dat Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -138,7 +138,7 @@ De verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële doc
|
|||
|
||||
**1.** Ter zake van werving en selectie van personeel neemt het bevoegd gezag een sollicitatiecode in acht.
|
||||
|
||||
**2.** De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
|
||||
**2.** De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 66 van de Wet op de expertisecentra , voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de sollicitatiecode op een toegankelijke plaats in de instelling steeds ter inzage beschikbaar is en dat op verzoek een exemplaar aan de sollicitant wordt verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -272,7 +272,7 @@ n. bevalling van de echtgenote, voor ten hoogste twee dagen;
|
|||
o. het 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van de betrokkene en het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van zijn ouders, stief-, schoon- of pleegouders daaronder begrepen, voor één dag;
|
||||
p. kerkelijke bevestiging of eerste communie van de betrokkene, zijn echtgenote en kinderen, stief-, schoon- of pleegkinderen daaronder begrepen, voor één dag;
|
||||
q. adoptie van een kind, voor ten hoogste vijf dagen; in geval van adoptie van een buitenlands kind wordt, indien verlof noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen in het desbetreffende land het nodige te verrichten, éénmaal per geval van adoptie, verlof verleend voor de duur van de noodzakelijke reis- en verblijftijd tot ten hoogste zes weken;
|
||||
r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 181, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
s. jeugd- en jongerenwerk als bedoeld in de door Onze Minister getroffen regeling, voor telkens ten hoogste 5 dagen, met dien verstande dat per schooljaar in totaal niet meer dan 10 dagen verlof worden verleend;
|
||||
t. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1°: het vervullen van een stage in het kader van deelname aan een door Onze Minister aan te wijzen applicatiecursus basisonderwijs, voor twee dagen per schooljaar;
|
||||
u. een calamiteit, waaronder wordt verstaan een plotseling optredende gebeurtenis die uit zijn aard niet te voorzien is en waarvoor zonder uitstel maatregelen door betrokkene moeten worden genomen, voor ten hoogste één werkdag en maximaal 3 calamiteiten per jaar.
|
||||
|
|
@ -400,48 +400,6 @@ b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze Minister aan te wi
|
|||
|
||||
**11.** Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.
|
||||
|
||||
### Artikel 31a
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband bij hetzelfde bevoegd gezag ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag van het ouderschapsverlof gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op dat verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze stukken door het bevoegd gezag zijn ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
|
||||
**3.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, en die met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
|
||||
**4.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
|
||||
**5.** De omvang van het ouderschapsverlof wordt berekend op grond van de betrekkingsomvang op de dag voorafgaand aan het verlof. Tenzij het bevoegd gezag anders beslist, is de omvang van het verlof niet groter dan zou gelden op grond van de betrekkingsomvang 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van het verlof.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de betrekkingsomvang gedurende de periode van het ouderschapsverlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof voor de resterende periode van het ouderschapsverlof opnieuw vastgesteld met inachtneming van het zesde lid.
|
||||
|
||||
**8.** Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden die uiterlijk aanvangt in het kalenderjaar waarin het kind de leeftijd van drie jaren bereikt. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan zes maanden of het verlof te kunnen aanvangen na het kalenderjaar waarin het desbetreffende kind de leeftijd van drie jaren heeft bereikt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
**9.** De betrokkene behoudt aanspraak op 75% van zijn bezoldiging met betrekking tot de uren waarop het ouderschapsverlof is verleend; deze bezoldiging komt ten laste van de eigen middelen van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**10.** Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene in voorkomend geval ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
|
||||
|
||||
**11.** Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van de gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**12.** Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.
|
||||
|
||||
### Artikel 31b
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die zowel aanspraak heeft op onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31, als op betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschapsverlof, bedoeld in artikel 31a, en die zijn aanspraken op grond van artikel 31a heeft verbruikt, heeft aansluitend aanspraak op een verlenging van ouderschapsverlof tot ten hoogste het aantal uren waarop de betrokkene op grond van artikel 31 aanspraak heeft, verminderd met het aantal uren waarover hij betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap heeft genoten.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die zowel aanspraak heeft op onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31, als op betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31a, en die zijn aanspraken op grond van artikel 31 voor een gedeelte heeft verbruikt, heeft aansluitend aanspraak op betaald ouderschapsverlof tot ten hoogste het aantal uren waarop de betrokkene op grond van artikel 31a aanspraak heeft, verminderd met het aantal uren waarover hij onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap heeft genoten.
|
||||
|
||||
**3.** Tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, stemt het bevoegd gezag in met een verzoek als bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Een aanspraak op verlenging van ouderschapsverlof als bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid, wordt berekend en beoordeeld met inachtneming van artikel 31 respectievelijk 31a naar de stand van zaken op het tijdstip dat de verlenging ingaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 31c
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die zijn betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31a, volgens zijn aanvraag heeft verbruikt en die aansluitend aan de afloop van dat verlof, op zijn verzoek de omvang van zijn betrekking terugbrengt tot 50% of minder van zijn betrekkingsomvang voorafgaand aan het tijdstip waarop dat verlof inging, is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging die hij met betrekking tot dat verlof heeft ontvangen over het aantal uren waarmee de betrekkingsomvang is verkleind.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene, bedoeld in artikel 31a, is gehouden acties te ondernemen, dan wel mee te werken aan acties van het bevoegd gezag, die bijdragen aan tijdelijke en al dan niet gedeeltelijke vervulling dan wel financiering van zijn arbeidsplaats/de arbeidsplaats van de verlofganger.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Verlof in verband met arbeidsduurverkorting
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
|
@ -468,21 +426,6 @@ b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze Minister aan te wi
|
|||
|
||||
**3.** Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het in dit artikel bedoelde verlof.
|
||||
|
||||
### Artikel 33a
|
||||
|
||||
**1.** Een betrokkene kan verzoeken ten hoogste 131 verlofuren waarop hij vanwege arbeidsduurverkorting, bedoeld in artikel 32, aanspraak heeft, als bezoldigde uren toe te voegen aan zijn betrekkingsomvang. Een verzoek wordt gedaan met betrekking tot het schooljaar dat na het verzoek volgt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag willigt het verzoek in tenzij inwilliging leidt tot:
|
||||
|
||||
a. belasten met uren die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd, als bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b;
|
||||
b. aanspraak op een uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, dan wel het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel voor primair en voortgezet onderwijs, van een lid van het personeel dat die uren zou kunnen vervullen;
|
||||
c. niet voldoen aan de herbenoemingverplichting op grond van de wachtgelderbepaling, bedoeld in artikel 138, eerste lid, onder b, van de Wet op het primair onderwijs; of
|
||||
d. niet volledig benutten van de restcapaciteit van personeelsleden die een bestuursaanstelling hebben.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanspraak op dit artikel kan niet tevens leiden tot een aanspraak op hernieuwde toepassing van artikel 32.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Verlof wegens militaire dienst
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
|
@ -614,7 +557,7 @@ Ontslag op grond van opheffing van de instelling of de betrekking dan wel wegens
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.
|
||||
|
||||
**2.** De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat overleg is gepleegd met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel.
|
||||
**2.** De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat overleg is gepleegd met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel.
|
||||
|
||||
**3.** Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1120,20 +1063,6 @@ b. indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, het bedrag dat in de voor
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt het salaris van de betrokkene wanneer het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van schaal 1, 2, 3 of 4 is bereikt, na twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 95a
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens een verhoging van het salaris op grond van artikel 95, kan na voorafgaande beoordeling door het bevoegd gezag een hoger salarisbedrag worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van de artikelen 89, 90, 92 en 93 wordt het salaris van de betrokkene die voorafgaand aan zijn benoeming werkzaamheden heeft verricht waaraan geen inkomsten uit arbeid of in verband met arbeid waren verbonden, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag relevante ervaring heeft opgedaan, vastgesteld op een hoger salarisbedrag dan bedoeld in voornoemde artikelen voor zover dit binnen het bij de functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag beoordeelt op verzoek van de betrokkene die in een onderwijsfunctie is benoemd na onderbreking van zijn carrière, of op basis van het functioneren een hoger salarisbedrag gerechtvaardigd is, indien het salaris dat op basis van het laatstgenoten salaris voor betrokkene is vastgesteld lager is dan het maximumsalaris van die functie.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij de beoordeling, bedoeld in het derde lid, een achterstand is geconstateerd, maakt het bevoegd gezag met betrokkene afspraken over de periode waarbinnen en de wijze waarop deze achterstand wordt ingelopen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien toepassing van het eerste, tweede dan wel derde lid leidt tot extra periodieken, worden het salaris en de overige vergoedingen die voor bekostiging in aanmerking komen, bekostigd naar de verhouding: bekostigd salaris staat tot salaris. De kosten die betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 59 tot en met 62, 114a, 115 en 182 zijn van de toepassing van het eerste lid uitgezonderd.
|
||||
|
||||
**6.** Toekenning van extra periodieken vindt plaats binnen het carrièrepatroon van de desbetreffende salarisschaal tot ten hoogste het maximumsalaris van die schaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij in een functie met een gunstiger carrièrepatroon en tenminste dezelfde maximumschaal dan behoorde bij zijn vorige functie, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 90 dan wel 91, tweede lid, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.
|
||||
|
|
@ -1256,7 +1185,7 @@ Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat recht bestaat op een algemene
|
|||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. rekeneenheden: de eenheden die voor de instelling beschikbaar zijn op grond van het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit W.V.O. of het Besluit trekkende bevolking WPO;
|
||||
a. rekeneenheden: de eenheden die voor de instelling beschikbaar zijn op grond van het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC of het Besluit trekkende bevolking WPO;
|
||||
b. formatiebudget: het totaal aan rekeneenheden dat voor een instelling beschikbaar is.
|
||||
|
||||
### Artikel 110
|
||||
|
|
@ -1357,22 +1286,6 @@ c. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met e
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde toelage behoort tot de bezoldiging, bedoeld in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 114a
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene, bedoeld in titel 12, 13 dan wel 14 van dit hoofdstuk, die is benoemd volgens een functie met de salarisschaal 9, en die op 1 augustus van een jaar wordt bezoldigd volgens het maximum salarisbedrag van zijn salarisschaal dan wel een hoger salarisbedrag, heeft aanspraak op een bindingstoelage.
|
||||
|
||||
**2.** De bindingstoelage wordt jaarlijks in augustus toegekend tenzij er op basis van een beoordeling sprake is van onvoldoende functioneren.
|
||||
|
||||
**3.** De hoogte van de bindingstoelage is afhankelijk van de functie die betrokkene uitoefent, zoals aangegeven in bijlage 2, onderdeel 7, bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**4.** De toelage maakt onderdeel uit van het inkomen bedoeld in de pensioenregeling.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De toelage wordt in de maand augustus van het desbetreffende jaar vastgesteld op basis van de volgende formule:
|
||||
|
||||
BT x S : NS waarin: BT = de bindingstoelage bij normbetrekking, S = het salaris in de maand augustus, met uitzondering van de vermindering op het salaris, bedoeld in titel 16 van dit besluit en artikel 4, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, en NS = het normsalaris in augustus. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.
|
||||
|
||||
### Artikel 115
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt aan een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, voor zover het speciale scholen voor basisonderwijs betreft, en als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, indien het bevoegd gezag deze toekent aan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.
|
||||
|
|
@ -1678,7 +1591,7 @@ b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie als bedoeld in paragr
|
|||
c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in deze titel, gezamenlijk;
|
||||
d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
|
||||
e. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°;
|
||||
f. Q: de totale normatieve formatie naar boven afgerond op hele formatieplaatsen, berekend volgens artikel 16, vijfde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O., dan wel, indien het een instelling voor onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen betreft, berekend volgens artikel 26a van het Formatiebesluit WEC vermeerderd met de formatie toegekend op grond van artikel 117, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.
|
||||
f. Q: de totale normatieve formatie naar boven afgerond op hele formatieplaatsen, berekend volgens artikel 16, vijfde lid, van het Formatiebesluit WEC, dan wel, indien het een instelling voor onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen betreft, berekend volgens artikel 26a van het Formatiebesluit WEC vermeerderd met de formatie toegekend op grond van artikel 117, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
### Artikel 143
|
||||
|
||||
|
|
@ -1722,7 +1635,7 @@ Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie, bedoeld in art
|
|||
|
||||
### Artikel 149
|
||||
|
||||
**1.** Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra of artikel 149, eerste lid, derde volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs een directeur van een instelling tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen ten bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.
|
||||
**1.** Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra een directeur van een instelling tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen ten bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde toelage behoort niet tot het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, en telt niet mee voor de berekening en vaststelling van uitkeringen ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs, alsmede de regeling voor vervroegde uittreding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1740,7 +1653,7 @@ In deze titel wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. instelling: elke instelling voor zover deze over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs;
|
||||
b. betrokkene: de betrokkene voor zover het betreft een lid van het onderwijsgevend personeel;
|
||||
c. Formatiebesluit: het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit W.V.O. en het Besluit trekkende bevolking WPO.
|
||||
c. Formatiebesluit: het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC en het Besluit trekkende bevolking WPO.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in deze titel de begripsbepalingen van de artikelen 83 en 109 van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1922,7 +1835,7 @@ Voor de betrokkene bedoeld in artikel 142, onder b, wiens benoeming als leraar t
|
|||
a. de betrokkene als leraar tevens adjunct-directeur werd bezoldigd volgens de bij die functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal behorende bij de functie van leraar, of
|
||||
b. op de betrokkene artikel 148 van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor de betrokkene, bedoeld in artikel 142, onder b, voor wie de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. van 236 naar 171, 98 of 65, van 171 naar 65, van 131 naar 98 of 65, van 98 naar 65 formatierekeneenheden en in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor de betrokkene, bedoeld in artikel 142, onder b, voor wie de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit WEC van 236 naar 171, 98 of 65, van 171 naar 65, van 131 naar 98 of 65, van 98 naar 65 formatierekeneenheden en in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.
|
||||
|
||||
### Titel 14. Salariëring onderwijsondersteunend personeel
|
||||
|
||||
|
|
@ -2279,14 +2192,6 @@ L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is
|
|||
|
||||
**6.** Voor de betrokkene op wie de in het derde, vierde of vijfde lid genoemde bepalingen van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing zijn en die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking, wordt het extra verlof, genoemd in het derde lid, naar evenredigheid van de betrekkingsomvang berekend en afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
### Artikel 200a
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene kan tijdens de verlofuren, bedoeld in artikel 199, vervangingswerkzaamheden verrichten aan een instelling van het bevoegd gezag waarbij hij is benoemd of aangesteld. De verlofuren worden alsdan opgenomen op andere tijdstippen in het schooljaar, dan wel in het daaropvolgende schooljaar. Over de vervangingswerkzaamheden wordt geen recht op verlof als bedoeld in deze titel opgebouwd.
|
||||
|
||||
**2.** Een betrokkene kan voor ten hoogste 1/3 deel van de verlofuren waarin vervangingswerkzaamheden worden uitgevoerd, salaris ontvangen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 204 is niet van toepassing op de verlofuren waarin vervangingswerkzaamheden worden uitgevoerd, bedoeld in dit artikel, tenzij wordt afgeweken van de tweede volzin van het eerste lid, en van het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 201
|
||||
|
||||
**1.** De bezoldiging voor het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene verlof op grond van deze titel geniet, bedraagt voor personeel dat is benoemd in een functie met maximumschaal 8 of lager 75% en voor het overige personeel 65% van de bezoldiging die voor hem bij die betrekkingsomvang op grond van de titels 12, 13 en 14 van dit hoofdstuk of op grond van de titels 2, 3 en 4 van hoofdstuk 5 zou gelden.
|
||||
|
|
@ -2622,7 +2527,7 @@ b. gedurende de opzeggingstermijn een andere betrekking gaat bekleden, tenzij en
|
|||
|
||||
### Artikel 236
|
||||
|
||||
In deze titel wordt onder commissie verstaan: de commissie van beroep, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de commissie van beroep, bedoeld in artikel 65, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel de commissie van beroep, bedoeld in artikel 183, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
In deze titel wordt onder commissie verstaan: de commissie van beroep, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel de commissie van beroep, bedoeld in artikel 65, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
### Artikel 237
|
||||
|
||||
|
|
@ -2653,7 +2558,7 @@ Bij staking van stemmen beslist het lot, desgewenst na herstemming, tenzij parti
|
|||
Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van een commissie kan niet zijn hij die:
|
||||
|
||||
a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover de commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt;
|
||||
b. in dienst is van een vereniging van onderwijzend personeel dan wel zitting heeft in een bestuur van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra of artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarvan het lidmaatschap open staat voor personeel van instellingen waarvoor de commissie waarvan hij deel uitmaakt, is ingesteld;
|
||||
b. in dienst is van een vereniging van onderwijzend personeel dan wel zitting heeft in een bestuur van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, waarvan het lidmaatschap open staat voor personeel van instellingen waarvoor de commissie waarvan hij deel uitmaakt, is ingesteld;
|
||||
c. deel uitmaakt van de rijksinspectie.
|
||||
|
||||
**2.** Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.
|
||||
|
|
@ -2844,8 +2749,8 @@ b. Sectorcommissie Onderwijspersoneel: de commissie, bedoeld in artikel 2, eerst
|
|||
|
||||
Onverminderd artikel 256, eerste lid, wordt in een overlegorgaan overleg gevoerd over de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van:
|
||||
|
||||
a. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een onderwijsachterstandenplan of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 166, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 153, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 268, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en
|
||||
b. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een plan inzake onderwijs in allochtone levende talen of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 272, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
a. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een onderwijsachterstandenplan of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 166, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 153, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en
|
||||
b. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een plan inzake onderwijs in allochtone levende talen of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 157, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
**2.** Het overleg, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een zodanig tijdstip dat een in een overlegorgaan vertegenwoordigd bevoegd gezag in staat is de uitkomsten daarvan onderdeel te maken van het op overeenstemming gericht overleg dat het voert met de betrokken gemeenteraad voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van een plan of het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2863,7 +2768,7 @@ Over zaken die behoren tot de competentie van het overlegorgaan, wordt overleg g
|
|||
|
||||
### Artikel 260
|
||||
|
||||
**1.** Elk der personeelsvertegenwoordigers is bevoegd binnen vijf dagen nadat in de overlegvergadering, bedoeld in artikel 259, tweede lid, is geconstateerd dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel 258 kan worden bereikt over een door of namens het bevoegd gezag aan het overleg voorgelegd beleidsvoornemen, het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 38 van de Wet op de expertisecentra of 158 van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarbij de instelling is aangesloten. De desbetreffende personeelsvertegenwoordiger stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van het voorleggen van een geschil als bedoeld in de vorige volzin. Indien alle personeelsvertegenwoordigers tijdens het overleg, bedoeld in artikel 258, hebben verklaard af te zien van hernieuwd overleg als aangegeven in artikel 259, kan de in de eerste volzin aangegeven bevoegdheid door elk der personeelsvertegenwoordigers worden uitgeoefend binnen vijf dagen nadat in het in artikel 258 bedoelde overleg is geconstateerd dat een overeenstemming kan worden bereikt.
|
||||
**1.** Elk der personeelsvertegenwoordigers is bevoegd binnen vijf dagen nadat in de overlegvergadering, bedoeld in artikel 259, tweede lid, is geconstateerd dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel 258 kan worden bereikt over een door of namens het bevoegd gezag aan het overleg voorgelegd beleidsvoornemen, het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 38 van de Wet op de expertisecentra, waarbij de instelling is aangesloten. De desbetreffende personeelsvertegenwoordiger stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van het voorleggen van een geschil als bedoeld in de vorige volzin. Indien alle personeelsvertegenwoordigers tijdens het overleg, bedoeld in artikel 258, hebben verklaard af te zien van hernieuwd overleg als aangegeven in artikel 259, kan de in de eerste volzin aangegeven bevoegdheid door elk der personeelsvertegenwoordigers worden uitgeoefend binnen vijf dagen nadat in het in artikel 258 bedoelde overleg is geconstateerd dat een overeenstemming kan worden bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** De commissie doet uitspraak binnen 30 dagen nadat het geschil aan haar is voorgelegd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2967,21 +2872,21 @@ b. de vorige onderwijsfunctie vervulde aan een school als bedoeld in artikel 1 v
|
|||
|
||||
### Artikel 268
|
||||
|
||||
**1.** De directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgez et onderwijs. Ten aanzien van de directeur van een speciale school voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
|
||||
**1.** De directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de directeur van een speciale school voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vervalt voor de directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop de direc teur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vervalt voor de directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop de direc teur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** De directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voo rtgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**3.** De directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en derde lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd waarin een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat hoofdstuk op 28 februari 1994 luidde, dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 269
|
||||
|
||||
**1.** De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de adjunct-directeur van een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
|
||||
**1.** De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de adjunct-directeur van een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vervalt voor de adjunct-directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop de adjunct-directeur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vervalt voor de adjunct-directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop de adjunct-directeur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair oderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** De adjunct-directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als adjunct-directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als adjunct-directeur of directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**3.** De adjunct-directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als adjunct-directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als adjunct-directeur of directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Het bepaalde in de voorgaande leden laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als onderwijzer op 31 juli 1985, als aangegeven in artikel C1 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C5 van het in het eerste lid genoemde besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is artikel 276 van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3007,9 +2912,9 @@ b. de vorige onderwijsfunctie vervulde aan een school als bedoeld in artikel 1 v
|
|||
|
||||
**3.** De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1, en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in het eerste lid, artikel 127, tweede of derde lid, of artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele an dere wetten in verband met het tot stand brengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra. Deze aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. Indien aan de betrokkene uit deze functie ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van artikel 268 of 269 in deze functie geacht benoemd te zijn gebleven in de functie die hij vervulde voordat hij in eerstgenoemde functie werd benoemd.
|
||||
|
||||
**4.** De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1, en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I va n de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**4.** De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1, en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1 bij het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het derde of vierde lid, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk die garantie indien genoemde school of afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het derde lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1 bij het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het derde of vierde lid, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk die garantie indien genoemde school of afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het derde lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Overgangsrecht onderwijsgevend personeel
|
||||
|
||||
|
|
@ -3082,11 +2987,11 @@ b. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een salaris overeenkomstig het vo
|
|||
|
||||
### Artikel 276
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene voor wie als leraar met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van hoofdstuk 1, in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de leraar aan een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan schaal 10.
|
||||
**1.** De betrokkene voor wie als leraar met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van hoofdstuk 1, in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de leraar aan een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan schaal 10.
|
||||
|
||||
**2.** Zonodig in afwijking van het eerste lid vervalt voor de betrokkene de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijf de lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop hij niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**2.** Zonodig in afwijking van het eerste lid vervalt voor de betrokkene de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit, met ingang van de datum waarop hij niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene voor wie als leraar een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid , van het in het eerste lid genoemde besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 met maximumschaal 10 aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie in het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs, als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
|
||||
**3.** De betrokkene voor wie als leraar een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde besluit en die op grond van het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht, bedoeld in artikel C1, vijfde lid , van het in het eerste lid genoemde besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 met maximumschaal 10 aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie in het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs, als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en derde lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd waarin een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat hoofdstuk op 28 februari 1994 luidde, dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3102,9 +3007,9 @@ b. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een salaris overeenkomstig het vo
|
|||
|
||||
**2.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak op bezoldiging geldt als bedoeld in artikel 147 of een salarisuitzicht als bedoeld in artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het tot stand brengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 228). De aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. Indien de betrokkene uit deze functie ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van artikel 276 in deze functie geacht benoemd te zijn gebleven in de functie die hij vervulde voordat hij in eerstgenoemde functie werd benoemd.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs aan een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**3.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs aan een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het tweede of derde lid, behoudt die aanspraak of garantie indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het tweede lid, tweede en derde volzin, en het derde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het tweede of derde lid, behoudt die aanspraak of garantie indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het tweede lid, tweede en derde volzin, en het derde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Overgangsrecht formatie en salariëring onderwijsondersteunend en beheerspersoneel
|
||||
|
||||
|
|
@ -3149,7 +3054,7 @@ b. hij werd bezoldigd naar een bedrag vermeld achter een salarisnummer beginnend
|
|||
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel II van het besluit van 30 november 1993 (Stb. 696), behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het tot stand brengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 228). Deze aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak geldt als bedoeld in het eerste lid, behoudt die aanspraak indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak geldt als bedoeld in het eerste lid, behoudt die aanspraak indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 5. Wijziging van andere besluiten
|
||||
|
||||
|
|
@ -3207,18 +3112,6 @@ Wijzigt het Besluit van 16 december 1997, houdende wijziging van het Aanwijzings
|
|||
|
||||
Het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt ingetrokken, met dien verstande dat het met de regelingen die op dat besluit berustten, van toepassing blijft voor het tijdvak waarvoor het gelding had, voor zover daarin geen wijziging zal worden aangebracht via het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
|
||||
|
||||
### Artikel 295a
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 101 en 107 zijn van toepassing op het tijdvak vanaf 1 januari 2000 en artikel 106 is van toepassing op het tijdvak vanaf 1 augustus 2001.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2000 wordt artikel 107, eerste lid, van dit besluit gelezen als: Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen met inachtneming van de in of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven normering en beperkingen aan de betrokkenen uitkeringen verstrekken, verstrekkingen doen, vergoedingen toekennen, geschenken geven en zaken ter beschikking stellen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder h, j, l, n, q tot en met w, en artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals die artikelen luidden in het kalenderjaar 2000. Onverminderd de eerste volzin, kan het bevoegd gezag aan de betrokkene zaken verstrekken of ter beschikking stellen voor zover de waarde ervan is bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde in het kalenderjaar 2000.
|
||||
|
||||
**3.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2000 wordt artikel 107, tweede lid, van dit besluit gelezen als: Het bevoegd gezag kan met inachtneming van de in of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven normering en beperkingen aan de betrokkene toekennen vergoedingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder u, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde in het kalenderjaar 2000, voor het totaal aantal uren dat de betrokkene meer gewerkt heeft of voor het deel waarvoor de betrokkene afziet van een of meer aanspraken als bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2001 worden de verwijzingen naar de Wet op de loonbelasting 1964 in artikel 107, eerste lid, van dit besluit aangevuld met artikel 11, eerste lid, onder r en s, en artikel 31, tweede lid, onder g, zoals die wetsartikelen luidden in het kalenderjaar 2001.
|
||||
|
||||
**5.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2002 worden de verwijzingen naar de Wet op de loonbelasting 1964 in artikel 107, eerste lid, van dit besluit aangevuld met artikel 11, eerste lid, onder r, en artikel 31, tweede lid, onder g, zoals die wetsartikelen luidden in het kalenderjaar 2002.
|
||||
|
||||
### Artikel 296
|
||||
|
||||
**1.** Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
|
||||
|
|
@ -3325,7 +3218,7 @@ De directie is onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag belast met:
|
|||
|
||||
De DIRECTEUR:
|
||||
|
||||
– leidt de commissie van onderzoek, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 161 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
– leidt de commissie van onderzoek, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;
|
||||
|
||||
– is verantwoordelijk voor alle tot de taak van de directie behorende werkzaamheden.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue