2024-01-01 | BWBR0037522 | Wet tegemoetkomingen loondomein
This commit is contained in:
parent
3910b5c7bb
commit
7ab4d8b002
1 changed files with 16 additions and 37 deletions
|
|
@ -41,7 +41,7 @@ b. loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer;
|
|||
c. loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden;
|
||||
d. loonkostenvoordeel herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer;
|
||||
|
||||
waarbij een uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft ingediend correctiebericht wordt opgevat als een in de loonaangifte gedaan verzoek.
|
||||
waarbij een uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede lid, bedoelde datum van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft ingediend correctiebericht wordt opgevat als een in de loonaangifte gedaan verzoek.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.2. Loonkostenvoordeel oudere werknemer
|
||||
|
||||
|
|
@ -247,7 +247,7 @@ Een loonkostenvoordeel herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer bedraagt € 3
|
|||
|
||||
Een werkgever heeft recht op een lage-inkomensvoordeel indien bij deze werkgever een werknemer in een of meerdere dienstbetrekkingen is waarvan:
|
||||
|
||||
a. het gemiddelde uurloon in het kalenderjaar gelijk is aan of meer bedraagt dan € 12,04 maar niet meer dan € 15,06; en
|
||||
a. het gemiddelde uurloon in het kalenderjaar gelijk is aan of meer bedraagt dan € 14,33 maar niet meer dan € 14,91; en
|
||||
b. in het kalenderjaar ten minste 1248 verloonde uren zijn opgenomen in de loonaangifte.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet of niet langer van toepassing indien de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt. Ingeval de periode waarin het lage-inkomensvoordeel van toepassing is, in de loop van een aangiftetijdvak eindigt, wordt die periode verlengd met het buiten die periode vallende deel van het aangiftetijdvak waarin die periode eindigt.
|
||||
|
|
@ -256,7 +256,7 @@ b. in het kalenderjaar ten minste 1248 verloonde uren zijn opgenomen in de loona
|
|||
|
||||
**4.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Financiën, gewijzigd in andere bedragen waarbij de te wijzigen bedragen worden verhoogd of verlaagd overeenkomstig de wijzigingen van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid wordt de bovengrens van het uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bij het begin van het kalenderjaar 2024 bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Financiën, gewijzigd zodat deze gelijk is aan 116% van de ondergrens van het uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid wordt de bovengrens van het uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bij het begin van het kalenderjaar 2024 bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Financiën, gewijzigd zodat deze gelijk is aan 104% van de ondergrens van het uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -268,28 +268,11 @@ b. in het kalenderjaar ten minste 1248 verloonde uren zijn opgenomen in de loona
|
|||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een werkgever heeft recht op een minimumjeugdloon voordeel indien bij deze werkgever een werknemer in een of meerdere dienstbetrekkingen is en:
|
||||
|
||||
a. de werknemer op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 21 jaar; en
|
||||
b. het gemiddelde uurloon in het kalenderjaar ten aanzien van de volgende te onderscheiden leeftijden van de werknemer valt binnen de volgende bandbreedtes die worden afgeleid van het wettelijk minimumloon en de wettelijke minimumvakantiebijslag waarop recht bestaat in het kalenderjaar ingevolge de hoofdstukken II en III van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag:
|
||||
|
||||
1°. ten aanzien van een werknemer als bedoeld in onderdeel a die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, ten minste 50 procent bij een normale arbeidsduur van 40 uren per week maar minder dan 60 procent bij een normale arbeidsduur van 36 uren per week;
|
||||
2°. ten aanzien van een werknemer als bedoeld in onderdeel a die de leeftijd van 19 jaar heeft bereikt, ten minste 60 procent bij een normale arbeidsduur van 40 uren per week maar minder dan 80 procent bij een normale arbeidsduur van 36 uren per week;
|
||||
3°. ten aanzien van een werknemer als bedoeld in onderdeel a die de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt, ten minste 80 procent bij een normale arbeidsduur van 40 uren per week maar minder dan 100 procent bij een normale arbeidsduur van 40 uren per week.
|
||||
|
||||
**2.** Het gemiddelde uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt vastgesteld door het jaarloon te delen door de verloonde uren en bedraagt minder dan het laagste gemiddelde uurloon, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het begin van de maand juli van het kalenderjaar worden de bedragen van de ondergrens en bovengrens naar leeftijd met toepassing van de bandbreedtes, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Financiën vastgesteld voor dat kalenderjaar.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
Een minimumjeugdloon voordeel bedraagt:
|
||||
|
||||
a. € 0,07 per verloond uur van de werknemers die voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, doch ten hoogste € 135,20 per werknemer per kalenderjaar;
|
||||
b. € 0,08 per verloond uur van de werknemers die voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, doch ten hoogste € 166,40 per werknemer per kalenderjaar;
|
||||
c. € 0,30 per verloond uur van de werknemers die voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, doch ten hoogste € 613,60 per werknemer per kalenderjaar.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Procedure bij uitvoering
|
||||
|
||||
|
|
@ -297,7 +280,7 @@ c. € 0,30 per verloond uur van de werknemers die voldoen aan de voorwaarde, b
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt alle door een werkgever in het kalenderjaar gedane verzoeken om een of meer tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 3.3 gezamenlijk, berekent de hoogte van de tegemoetkomingen en stelt de uitkomst beschikbaar aan de inspecteur, waarbij:
|
||||
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt alle door een werkgever in het kalenderjaar gedane verzoeken om een of meer tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 gezamenlijk, berekent de hoogte van de tegemoetkomingen en stelt de uitkomst beschikbaar aan de inspecteur, waarbij:
|
||||
|
||||
a. het recht op de tegemoetkomingen wordt beoordeeld op basis van de beschikbare gegevens bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het college van burgemeester en wethouders omtrent de doelgroep en de gegevens in de polisadministratie omtrent de overige voorwaarden; en
|
||||
b. de hoogte van de tegemoetkomingen wordt berekend op basis van de gegevens in de polisadministratie.
|
||||
|
|
@ -306,21 +289,17 @@ b. de hoogte van de tegemoetkomingen wordt berekend op basis van de gegevens in
|
|||
|
||||
**3.** In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien voor een werknemer recht bestaat op meer dan een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 het totaal berekende bedrag aan tegemoetkomingen voor deze werknemer gemaximeerd op het bedrag van de berekende hoogste tegemoetkoming voor deze werknemer in het desbetreffende kalenderjaar, met dien verstande dat bij gelijke hoogte van alle tegemoetkomingen waar recht op bestaat voor de werknemer uitsluitend de tegemoetkoming wordt verstrekt die als eerste in deze wet wordt genoemd.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien voor een werknemer recht bestaat op zowel een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.3 als op meer dan een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen b tot en met d, het totaal berekende bedrag aan tegemoetkoming voor deze werknemer gemaximeerd op het bedrag van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.3 en het bedrag van de berekende hoogste tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.1, onderdelen b tot en met d, voor deze werknemer in het desbetreffende kalenderjaar, met dien verstande dat bij gelijke hoogte van de tegemoetkomingen, bedoel in artikel 2.1, onderdelen b tot en met d, waar recht op bestaat voor de werknemer uitsluitend de tegemoetkoming wordt verstrekt die als eerste in artikel 2.1 wordt genoemd.
|
||||
**4.** De inspecteur verstrekt aan werkgevers een overzicht van de werknemers waarvoor de werkgever een verzoek heeft gedaan en de voorgenomen beoordeling en berekening, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot deze werknemers. De verstrekking van dit overzicht vindt plaats vóór 15 maart volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkomingen zijn aangevraagd waarbij rekening gehouden wordt met verzoeken die uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkomingen zijn aangevraagd zijn ingediend.
|
||||
|
||||
**5.** De inspecteur verstrekt aan werkgevers een overzicht van de werknemers waarvoor de werkgever een verzoek heeft gedaan en de voorgenomen beoordeling en berekening, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot deze werknemers. De verstrekking van dit overzicht vindt plaats vóór 15 maart volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkomingen zijn aangevraagd waarbij rekening gehouden wordt met verzoeken die uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkomingen zijn aangevraagd zijn ingediend.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.2 wordt de werkgever geacht een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.3 te hebben gedaan indien uit de loonaangifte blijkt dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.1 onderscheidenlijk artikel 3.3, is voldaan.
|
||||
|
||||
**7.** De data, genoemd in het tweede en vijfde lid, kunnen bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2018 worden vastgesteld op een latere datum die ten hoogste twee maanden later is gelegen indien daartoe om een uitvoeringstechnische reden aanleiding bestaat.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.2 wordt de werkgever geacht een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.1 te hebben gedaan indien uit de loonaangifte blijkt dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.1, is voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2
|
||||
|
||||
**1.** Op alle door de werkgever in het kalenderjaar gedane verzoeken om een of meer tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 3.3 gezamenlijk beslist de inspecteur. Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels gesteld worden met betrekking tot de gegevens die op de beschikking vermeld worden.
|
||||
**1.** Op alle door de werkgever in het kalenderjaar gedane verzoeken om een of meer tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 gezamenlijk beslist de inspecteur. Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels gesteld worden met betrekking tot de gegevens die op de beschikking vermeld worden.
|
||||
|
||||
**2.** De beschikking van de inspecteur, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven overeenkomstig de beoordeling en berekening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De beschikking van de inspecteur, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven vóór 1 augustus volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd. Indien toepassing is gegeven aan artikel 4.1, zevende lid, kan de datum, genoemd in de eerste zin, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2018 worden vastgesteld op een latere datum die ten hoogste twee maanden later is gelegen.
|
||||
**3.** De beschikking van de inspecteur, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven vóór 1 augustus volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -342,7 +321,7 @@ b. de hoogte van de tegemoetkomingen wordt berekend op basis van de gegevens in
|
|||
|
||||
**1.** Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikkingen, bedoeld in de artikelen 4.2, 4.3 en 4.7, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de inspecteur op het bezwaarschrift binnen 26 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De inspecteur beslist op het bezwaarschrift inzake de verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 3.3 na overleg met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de inspecteur op het bezwaarschrift binnen 26 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De inspecteur beslist op het bezwaarschrift inzake de verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 na overleg met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -350,7 +329,7 @@ b. de hoogte van de tegemoetkomingen wordt berekend op basis van de gegevens in
|
|||
|
||||
**2.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht aan de rijksbelastingdienst kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
|
||||
|
||||
**3.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de rijksbelastingdienst zijn bevoegd de gegevens die zij op grond van artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen verwerken in de polisadministratie voor zover noodzakelijk tevens te verwerken voor de vaststelling van de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 3.3.
|
||||
**3.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de rijksbelastingdienst zijn bevoegd de gegevens die zij op grond van artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen verwerken in de polisadministratie voor zover noodzakelijk tevens te verwerken voor de vaststelling van de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -360,7 +339,7 @@ b. de hoogte van de tegemoetkomingen wordt berekend op basis van de gegevens in
|
|||
|
||||
**3.** Artikel 67cb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid en tweede lid genoemde bedrag, met dien verstande dat de wijziging van het bedrag voor het eerst plaatsvindt per 1 januari 2020.
|
||||
|
||||
**4.** Wanneer de werkgever die een verzoek als bedoeld in artikel 2.1 heeft gedaan met betrekking tot een werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.6, 2.10 of 2.14, dit verzoek door middel van een correctiebericht intrekt na de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, maar voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend is of bekend zal worden, is dit een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de boete.
|
||||
**4.** Wanneer de werkgever die een verzoek als bedoeld in artikel 2.1 heeft gedaan met betrekking tot een werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.6, 2.10 of 2.14, dit verzoek door middel van een correctiebericht intrekt na de in artikel 4.1, tweede lid, bedoelde datum volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, maar voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend is of bekend zal worden, is dit een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de boete.
|
||||
|
||||
**5.** De inspecteur stelt de bestuurlijke boete bij beschikking vast. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop het verzoek, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -380,15 +359,15 @@ Wijzigt deze wet.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.1
|
||||
|
||||
Teneinde zo veel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.6, 2.10, 2.14, 3.1 en 3.3, en de hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedragen, kunnen bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met ingang van 1 januari van enig jaar de in de artikelen 2.5, 2.9, 2.13, 2.17, 3.2 en 3.4 opgenomen bedragen worden verlaagd dan wel verhoogd.
|
||||
Teneinde zo veel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.6, 2.10, 2.14 en 3.1, en de hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedragen, kunnen bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met ingang van 1 januari van enig jaar de in de artikelen 2.5, 2.9, 2.13, 2.17 en 3.2 opgenomen bedragen worden verlaagd dan wel verhoogd.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2
|
||||
|
||||
Een werkgever die:
|
||||
|
||||
a. voor een werknemer een verzoek doet als bedoeld in artikel 2.1;
|
||||
b. over het voor de werkgever van toepassing zijnde aangiftetijdvak direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.1 voor de werknemer, bedoeld in onderdeel a, een premiekorting op grond van de artikelen 47, 49, 122a, 122b of 122l van de Wet financiering sociale verzekeringen, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel 5.1 heeft toegepast in de aangifte over dat tijdvak of uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden in een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 met betrekking tot die aangifte; en
|
||||
c. in de loonaangifte over het laatste aangiftetijdvak van het jaar voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel 5.1 de indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b, heeft aangegeven, dan wel uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden, de aangifte over dat aangiftetijdvak door middel van een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft aangevuld met een indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b;
|
||||
b. over het voor de werkgever van toepassing zijnde aangiftetijdvak direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.1 voor de werknemer, bedoeld in onderdeel a, een premiekorting op grond van de artikelen 47, 49, 122a, 122b of 122l van de Wet financiering sociale verzekeringen, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel 5.1 heeft toegepast in de aangifte over dat tijdvak of uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden in een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 met betrekking tot die aangifte; en
|
||||
c. in de loonaangifte over het laatste aangiftetijdvak van het jaar voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel 5.1 de indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b, heeft aangegeven, dan wel uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden, de aangifte over dat aangiftetijdvak door middel van een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft aangevuld met een indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b;
|
||||
|
||||
heeft met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 5.1 aanspraak op het overeenkomstige loonkostenvoordeel op grond van deze wet, waarbij de reeds verstreken duur van de premiekorting, bedoeld in onderdeel b, wordt afgetrokken van de maximale duur van de toepassing van het loonkostenvoordeel. De aanspraak bestaat niet of niet langer indien artikel 2.2, tweede lid, artikel 2.6, derde lid, artikel 2.10, tweede lid, of artikel 2.14, tweede lid, van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue